Voorlopige editie
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
5 februari 2026 (*)
„ Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van de Russische Federatie die de situatie in Oekraïne destabiliseren – Verordening (EU) nr. 833/2014 – Artikel 3 decies, leden 1 en 3 bis quinquies – Bijlage XXI – Verbod op de invoer in de Europese Unie van goederen die aanzienlijke inkomsten opleveren voor Rusland – Invoer van een voertuig ”
In zaak C‑619/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Finanzgericht Düsseldorf (belastingrechter in eerste aanleg Düsseldorf, Duitsland) bij beslissing van 4 september 2024, ingekomen bij het Hof op 23 september 2024, in de procedure
JG
tegen
Hauptzollamt Düsseldorf,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún, kamerpresident, J. Passer, E. Regan, D. Gratsias (rapporteur) en B. Smulders, rechters,
advocaat-generaal: L. Medina,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– JG, vertegenwoordigd door H. Nehm, Rechtsanwalt,
– de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller en P. E. Wagner als gemachtigden,
– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door K. Najmanová, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M.K. Bulterman en M. H. S. Gijzen als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Carpus-Carcea en M. Kellerbauer als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3 decies, lid 1, van verordening (EU) nr. 833/2014 van de Raad van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB 2014, L 229, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2022/576 van de Raad van 8 april 2022 (PB 2022, L 111, blz. 1), en artikel 3 decies, lid 3 bis quinquies, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2023/2878 van de Raad van 18 december 2023 (PB L, 2023/2878).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen JG, een Russisch staatsburger die in Düsseldorf (Duitsland) woont, en het Hauptzollamt Düsseldorf (douanehoofdkantoor Düsseldorf, Duitsland) (hierna: „douanekantoor”) over de inbeslagneming door dat kantoor van een tweedehands motorvoertuig dat JG in Rusland heeft gekocht en vervolgens op het Duitse grondgebied heeft binnengebracht.
Toepasselijke bepalingen
Besluit 2014/512
3 Artikel 4 duodecies van besluit 2014/512/GBVB van de Raad van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB 2014, L 229, blz. 13), zoals gewijzigd bij besluit (GBVB) 2022/578 van de Raad van 8 april 2022 (PB 2022, L 111, blz. 70), bepaalt in de leden 1 en 6:
„1. Het is verboden goederen die aanzienlijke inkomsten opleveren voor Rusland en waarmee het dan acties kan opzetten die de situatie in Oekraïne destabiliseren, direct of indirect aan te kopen, in te voeren of over te dragen naar de [Europese] Unie indien zij van oorsprong zijn uit Rusland of uit Rusland worden uitgevoerd.
[...]
6. De Unie neemt de nodige maatregelen om te bepalen welke voorwerpen onder dit artikel moeten vallen.”
Besluit 2022/578
4 Overweging 6 van besluit 2022/578 luidt:
„Gezien de ernst van de situatie en in reactie op de militaire agressie van Rusland tegen Oekraïne moeten verdere beperkende maatregelen worden ingesteld. [...] Ook moet de uitvoer van vliegtuigbrandstof en andere goederen naar Rusland worden beperkt en moeten er aanvullende invoerbeperkingen komen op bepaalde goederen die door of uit Rusland worden uitgevoerd, met inbegrip van steenkool en andere vaste fossiele brandstoffen. [...]”
Verordening nr. 833/2014
5 Overweging 2 van verordening nr. 833/2014 luidt:
„Op 22 juli 2014 besloot de Raad [van de Europese Unie] dat, indien Rusland niet antwoordt op de eisen die werden gesteld in de conclusies van de Europese Raad van 27 juni 2014 en in zijn eigen conclusies van 22 juli, hij bereid zou zijn om onverwijld nog meer significante beperkende maatregelen aan te nemen. Het is daarom passend aanvullende beperkende maatregelen toe te passen teneinde Rusland een hogere prijs te laten betalen voor zijn acties die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen, en teneinde een vreedzame oplossing van deze crisis te bevorderen. Deze maatregelen worden voortdurend geëvalueerd en kunnen worden opgeschort of ingetrokken, of aangevuld met andere beperkende maatregelen, afhankelijk van de ontwikkelingen ter plaatse.”
6 Artikel 3 decies, dat in die verordening is ingevoegd bij verordening 2022/576, bepaalt:
„1. Het is verboden de in bijlage XXI vermelde goederen die aanzienlijke inkomsten opleveren voor Rusland en waarmee het dan acties kan opzetten die de situatie in Oekraïne destabiliseren, direct of indirect aan te kopen, in te voeren of over te dragen naar de Unie indien zij van oorsprong zijn uit Rusland of uit Rusland worden uitgevoerd.”
7 In lid 3 bis, dat aan dit artikel 3 decies van verordening nr. 833/2014 is toegevoegd bij verordening (EU) 2022/1904 van de Raad van 6 oktober 2022 (PB 2022, L 259 I, blz. 3), is bepaald:
„Het verbod van lid 1 is niet van toepassing op aankopen in Rusland die noodzakelijk zijn voor het functioneren van de diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen van de Unie en van de lidstaten, met inbegrip van delegaties, ambassades en missies, of voor persoonlijk gebruik door onderdanen van de lidstaten en hun naaste familieleden.”
8 De leden 3 bis bis tot en met 3 bis quinquies, die in dat artikel 3 decies van verordening nr. 833/2014 zijn ingevoegd bij verordening 2023/2878, luiden als volgt:
„3 bis bis. De bevoegde autoriteiten van een lidstaat mogen de invoer van goederen voor louter persoonlijk gebruik van naar de Unie reizende natuurlijke personen of van hun naaste familieleden toestaan, indien de invoer beperkt blijft tot persoonlijke goederen welke eigendom zijn van deze personen en kennelijk niet voor verkoop bestemd zijn.
3 bis ter. De bevoegde autoriteiten kunnen, onder door hen passend geachte voorwaarden, de binnenkomst in de Unie toestaan van een voertuig dat onder [code] 8703 [van de gecombineerde nomenclatuur, GN; hierna: ‚GN-code’] valt, dat niet bestemd is voor verkoop en dat eigendom is van een burger van een lidstaat of een naast familielid wonend in Rusland, waarbij het voertuig voor louter persoonlijk gebruik de Unie wordt binnengereden.
3 bis quater. Het verbod van lid 1 is niet van toepassing op de binnenkomst in de Unie van onder GN-code 8703 vallende motorvoertuigen indien zij een diplomatieke kentekenplaat dragen en nodig zijn voor de werkzaamheden van diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen, waaronder delegaties, ambassades en missies, of van internationale organisaties die immuniteit genieten op grond van het internationaal recht, of voor persoonlijk gebruik door hun personeel en hun naaste familieleden.
3 bis quinquies. Het verbod van lid 1 belet niet dat voertuigen die zich op 19 december 2023 reeds op het grondgebied van de Unie bevinden, worden geregistreerd in een lidstaat.”
9 Bijlage XXI („Lijst van de in artikel 3 decies bedoelde goederen en technologie”) bij verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2022/1904, bevatte onder deel B en onder GN-code 8703, de volgende beschrijving:
„Automobielen en andere motorvoertuigen hoofdzakelijk ontworpen voor het vervoer van [minder dan] 10 personen, stationwagens of breaks en racewagens daaronder begrepen (m.u.v. motorvoertuigen bedoeld bij post 8702).”
Verordening 2022/576
10 Overweging 2 van verordening 2022/576 luidt:
„Verordening (EU) nr. 833/2014 geeft uitvoering aan bepaalde bij besluit 2014/512/GBVB van de Raad vastgestelde maatregelen.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
11 Op 27 januari 2023 heeft verzoeker in het hoofdgeding, een Russisch staatsburger die in Düsseldorf (Duitsland) woont, in Rusland een tweedehands motorvoertuig gekocht, dat hij op zijn naam in Rusland heeft laten registreren en waarmee hij op 11 mei 2023 naar Polen is gereden. Vanaf het grondgebied van deze lidstaat is dit voertuig, zonder kentekenplaat, op een aanhangwagen naar Düsseldorf vervoerd.
12 Om het betrokken voertuig in het vrije verkeer te brengen, heeft verzoeker in het hoofdgeding het op 28 augustus 2023 bij het douanekantoor aangegeven voor een douanewaarde van 50 390,71 EUR. Bij besluit van diezelfde dag heeft het douanekantoor het betrokken voertuig in beslag genomen en de douaneaangifte ongeldig verklaard op grond dat artikel 3 decies, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2022/576, de invoer ervan verbood.
13 Aangezien het douanekantoor het door verzoeker in het hoofdgeding ingediende bezwaar heeft afgewezen om dezelfde reden als die welke in het vorige punt is vermeld, heeft hij tegen het besluit tot inbeslagneming van het betrokken voertuig beroep ingesteld bij de verwijzende rechter, het Finanzgericht Düsseldorf (belastingrechter in eerste aanleg Düsseldorf, Duitsland). Ter ondersteuning van dit beroep voert verzoeker in het hoofdgeding aan dat het betrokken voertuig zich op 19 december 2023 op het grondgebied van de Unie bevond, zodat het krachtens artikel 3 decies, lid 3 bis quinquies, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2023/2878, in een lidstaat kon worden geregistreerd. Volgens verzoeker heeft deze bepaling niet uitsluitend betrekking op voertuigen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 3 decies, leden 3 bis ter en 3 bis quater, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2023/2878. Hoe dan ook is verzoeker in het hoofdgeding van mening dat de invoer van het betrokken voertuig geen aanzienlijke inkomsten oplevert voor Rusland, zodat artikel 3 decies, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2022/576, zich niet tegen de invoer ervan verzet.
14 Volgens de verwijzende rechter hangt de uitkomst van het beroep in het hoofdgeding in de eerste plaats af van de vraag of artikel 3 decies, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2022/576, aldus moet worden uitgelegd dat het verbod om de in bijlage XXI bij deze verordening, zoals gewijzigd bij verordening 2022/1904, genoemde goederen in de Unie te kopen, in te voeren of over te dragen slechts van toepassing is wanneer omtrent de betrokken goederen kan worden vastgesteld dat het gaat om goederen die aanzienlijke inkomsten opleveren voor Rusland en waarmee het dan acties kan opzetten die de situatie in Oekraïne destabiliseren.
15 Indien deze eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, moet volgens de verwijzende rechter in de tweede plaats worden onderzocht of artikel 3 decies, lid 3 bis quinquies, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2023/2878, aldus moet worden uitgelegd dat de mogelijkheid om een voertuig te registreren dat zich op 19 december 2023 op het grondgebied van de Unie bevindt, ook geldt voor een voertuig dat niet onder artikel 3 decies, leden 3 bis ter of lid 3 bis quater van deze verordening valt en waarvan artikel 3 decies, lid 1, van die verordening, zoals gewijzigd bij verordening 2022/576, de invoer of de overdracht naar de Unie verbiedt, zodat de bevoegde douaneautoriteit de inbeslagneming van het betrokken voertuig moet opheffen.
16 Tegen deze achtergrond heeft het Finanzgericht Düsseldorf de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Moet artikel 3 decies, lid 1, van verordening [nr. 833/2014], zoals gewijzigd bij [verordening 2022/576] aldus worden uitgelegd dat het verbod op de invoer of de overdracht van de in bijlage XXI vermelde goederen alleen geldt indien kan worden vastgesteld dat het betrekking heeft op een goed dat aanzienlijke inkomsten oplevert voor Rusland en waarmee het dan acties kan opzetten die de situatie in Oekraïne destabiliseren?
2) Ingeval de eerste prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord: Moet artikel 3 decies, lid 3 bis quinquies, van verordening [nr. 833/2014], zoals gewijzigd bij verordening [2023/2878] aldus worden uitgelegd dat de krachtens deze bepaling toegestane registratie van voertuigen die zich op 19 december 2023 op het grondgebied van de Unie bevonden, ook geldt voor een motorvoertuig dat niet onder artikel 3 decies, lid 3 bis ter of lid 3 bis quater, van verordening nr. 833/2014 valt en waarvan de invoer in of de overdracht naar de Unie krachtens artikel 3 decies, lid 1, van verordening nr. 833/2014 verboden is, en dat de bevoegde douaneautoriteit het beslag van dit voertuig ondanks dit verbod moet opheffen?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
17 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 3 decies, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2022/576, aldus moet worden uitgelegd dat het in deze bepaling neergelegde verbod op de aankoop, invoer of overdracht naar de Unie geldt voor alle goederen die onder de in bijlage XXI bij deze verordening, zoals gewijzigd bij verordening 2022/1904, vermelde GN-codes vallen, zonder dat voor elke transactie afzonderlijk hoeft te worden nagegaan of de betrokken aankoop, invoer of overdracht aanzienlijke inkomsten oplevert voor Rusland.
18 Wat de draagwijdte betreft van artikel 3 decies, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2022/576, moet in herinnering worden gebracht dat volgens vaste rechtspraak bij de uitlegging van een bepaling van het Unierecht niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arresten van 17 november 1983, Merck, 292/82, EU:C:1983:335, punt 12, en 13 maart 2025, PKK/Raad, C‑72/23 P, EU:C:2025:182, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
19 Volgens de bewoordingen van deze bepaling is het verboden de in bijlage XXI bij verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2022/1904, vermelde goederen die aanzienlijke inkomsten opleveren voor Rusland en waarmee het dan acties kan opzetten die de situatie in Oekraïne destabiliseren, direct of indirect aan te kopen, in te voeren of over te dragen naar de Unie indien zij van oorsprong zijn uit Rusland of uit Rusland worden uitgevoerd.
20 De verwijzende rechter wijst er in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing echter op dat de verschillende taalversies van deze bepaling uiteenlopen.
21 Zoals deze rechter opmerkt, kunnen met name de Duitse en de Nederlandse taalversie van die bepaling aldus worden begrepen dat een transactie met betrekking tot de in bijlage XXI bij verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2022/1904, genoemde goederen pas onder het verbod van die bepaling valt als die tevens concreet inkomsten voor Rusland oplevert. Daarentegen verzetten andere taalversies, zoals de Spaanse, de Engelse en de Franse, zich tegen een dergelijke lezing.
22 In dit verband moet eraan worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de in een van de taalversies van een Unierechtelijke bepaling gebruikte formulering niet als enige grondslag voor de uitlegging van die bepaling kan dienen of voorrang kan hebben boven de andere taalversies. Bepalingen van het Unierecht moeten immers uniform worden uitgelegd en toegepast in het licht van de tekst in alle talen van de Unie. Wanneer er verschillen zijn tussen de taalversies van een Unierechtelijke tekst, moet bij de uitlegging van de betreffende bepaling dus worden gelet op de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt (arresten van 27 oktober 1977, Bouchereau, 30/77, EU:C:1977:172, punt 14, en 27 november 2025, Svema Trade, C‑567/24, EU:C:2025:920, punt 23).
23 Wat de context betreft van artikel 3 decies, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2022/576, heeft het Hof reeds de mogelijkheid gehad om in herinnering te brengen dat met verordening nr. 833/2014 is beoogd om overeenkomstig artikel 215 VWEU de nodige maatregelen vast te stellen om gevolg te geven aan besluit 2014/512 (arrest van 28 maart 2017, Rosneft, C‑72/15, EU:C:2017:236, punt 141), zoals ook blijkt uit overweging 2 van verordening 2022/576. In dit verband bepaalt artikel 4 duodecies, lid 1, van besluit 2014/512, zoals gewijzigd bij besluit 2022/578, dat het verboden is goederen die aanzienlijke inkomsten opleveren voor Rusland en waarmee het dan acties kan opzetten die de situatie in Oekraïne destabiliseren, direct of indirect aan te kopen, in te voeren of over te dragen naar de Unie indien zij van oorsprong zijn uit Rusland of uit Rusland worden uitgevoerd. Voorts bepaalt lid 6, van dat artikel 4 duodecies dat „[d]e Unie [...] de nodige maatregelen [neemt] om te bepalen welke voorwerpen onder dit artikel moeten vallen.”
24 Uit de bepalingen van dat artikel 4 duodecies volgt dat de Unie in het kader van de bij dat artikel ingevoerde regeling bevoegd is om vast te stellen welke producten moeten worden geacht bij aankoop, invoer of overdracht, aanzienlijke inkomsten op te leveren voor Rusland en dus onder het verbod van artikel 4 duodecies, lid 1, van besluit 2014/512, zoals gewijzigd bij besluit 2022/578, en van artikel 3 decies, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2022/576, te vallen.
25 Bijgevolg verbiedt artikel 3 decies, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2022/576, de aankoop, invoer of overdracht naar de Unie van een goed niet alleen maar wanneer een dergelijke transactie, afzonderlijk beschouwd, aanzienlijke inkomsten oplevert voor Rusland. Deze bepaling verbiedt namelijk alle transacties met betrekking tot een van de goederen die zijn opgenomen in bijlage XXI bij verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2022/1904.
26 Deze uitlegging vindt steun in de uitzonderingen op het in artikel 3 decies, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2022/576, opgenomen verbod die voortvloeien uit de invoeging van een lid 3 bis in dat artikel 3 decies bij verordening 2022/1904 en van de leden 3 bis bis en 3 bis ter bij verordening 2023/2878. Volgens de eerste van deze uitzonderingen is het verbod van artikel 3 decies, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2022/576, immers niet van toepassing op met name aankopen in Rusland die noodzakelijk zijn voor persoonlijk gebruik door onderdanen van de lidstaten en hun naaste familieleden. Evenzo bieden de andere uitzonderingen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten de mogelijkheid om, ten eerste, de invoer van goederen voor louter persoonlijk gebruik van naar de Unie reizende natuurlijke personen of van hun naaste familieleden toe te staan, indien de invoer beperkt blijft tot persoonlijke goederen welke eigendom zijn van deze personen en kennelijk niet voor verkoop bestemd zijn, en, ten tweede, de binnenkomst in de Unie toe te staan van een voertuig dat niet bestemd is voor verkoop en dat eigendom is van een burger van een lidstaat of een naast familielid wonend in Rusland, waarbij het voertuig voor louter persoonlijk gebruik de Unie wordt binnengereden.
27 Indien het verbod van artikel 3 decies, lid 1, van deze verordening, zoals gewijzigd bij verordening 2022/576, enkel van toepassing zou zijn wanneer de betrokken aankoop, invoer of overdracht, afzonderlijk beschouwd, gelet op de bijzondere kenmerken ervan, aanzienlijke inkomsten oplevert voor Rusland, dan zou het niet nodig zijn om in deze uitzonderingen te voorzien. Ten eerste hebben die uitzonderingen namelijk betrekking op goederen die in Rusland zijn gekocht en die noodzakelijk zijn voor persoonlijk gebruik door de betrokken natuurlijke personen. Dit vereiste benadrukt dat het gaat om goederen die in dit verband onmisbaar worden geacht, met uitsluiting van alle luxegoederen of goederen met een hogere dan gemiddelde waarde die daardoor dergelijke inkomsten kunnen opleveren. Ten tweede moeten de in die uitzonderingen bedoelde goederen eigendom zijn van de betrokken natuurlijke personen en is de invoer ervan beperkt tot hun persoonlijke bezittingen en tot goederen die kennelijk niet voor verkoop bestemd zijn. Hieruit volgt dat deze uitzonderingen betrekking hebben op transacties die naar hun aard niet geschikt zijn om dergelijke inkomsten op te leveren.
28 Een uitlegging waarbij het in artikel 3 decies, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2022/576, neergelegde verbod van toepassing is op alle goederen die zijn vermeld in bijlage XXI bij die verordening, zoals gewijzigd bij verordening 2022/1904, zonder dat voor elke afzonderlijke transactie hoeft te worden nagegaan of de betrokken aankoop, invoer of overdracht aanzienlijke inkomsten oplevert voor Rusland, wordt bovendien ondersteund door de nagestreefde doelstelling van de regeling waarvan deze bepaling deel uitmaakt.
29 Uit overweging 2 van verordening nr. 833/2014 volgt immers dat deze verordening tot doel heeft aanvullende beperkende maatregelen toe te passen „teneinde Rusland een hogere prijs te laten betalen voor zijn acties die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen, en teneinde een vreedzame oplossing van deze crisis te bevorderen”.
30 Zoals in punt 23 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, beoogt verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2022/576, bovendien de nodige maatregelen vast te stellen om gevolg te geven aan besluit 2014/512. In dit verband moet worden opgemerkt dat volgens overweging 6 van besluit 2022/578, waarbij besluit 2014/512 is gewijzigd, gezien de ernst van de situatie en in reactie op de militaire agressie van Rusland tegen Oekraïne, nieuwe beperkende maatregelen moesten worden ingesteld die met name verband hielden met de invoering van „aanvullende invoerbeperkingen [...] op bepaalde goederen die door of uit Rusland worden uitgevoerd”.
31 De toepassing van het verbod van artikel 3 decies, lid 1, van deze verordening, zoals gewijzigd bij verordening 2022/576, op alle goederen die onder de in bijlage XXI bij die verordening, zoals gewijzigd bij verordening 2022/1904, vermelde GN-codes vallen, is echter geschikt om dergelijke doelstellingen doeltreffend na te streven, maar de verwezenlijking van die doelstellingen zou daarentegen worden belemmerd indien die toepassing afhankelijk zou worden gesteld van de vaststelling dat het betrokken product, afzonderlijk beschouwd, aanzienlijke inkomsten oplevert voor Rusland.
32 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 3 decies, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2022/576, aldus moet worden uitgelegd dat het in deze bepaling neergelegde verbod op de aankoop, invoer of overdracht naar de Unie geldt voor alle goederen die onder de in bijlage XXI bij deze verordening, zoals gewijzigd bij verordening 2022/1904, vermelde GN-codes vallen, zonder dat voor elke transactie afzonderlijk hoeft te worden nagegaan of de betrokken aankoop, invoer of overdracht aanzienlijke inkomsten oplevert voor Rusland.
Tweede vraag
33 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 3 decies, lid 3 bis quinquies, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2023/2878, aldus moet worden uitgelegd dat de in deze bepaling opgenomen mogelijkheid om een voertuig dat zich op 19 december 2023 reeds op het grondgebied van de Unie bevond in een lidstaat te registreren, ook geldt voor voertuigen die zich op diezelfde datum in strijd met het verbod van artikel 3 decies, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2022/576, op dit grondgebied bevonden.
34 In dit verband moet worden opgemerkt dat artikel 3 decies, lid 3 bis quinquies, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2023/2878, niet beoogt een uitzondering op het verbod van dat artikel 3 decies, lid 1, in te voeren. Uit de bewoordingen zelf van dit lid 3 bis quinquies blijkt immers dat dit enkel betrekking heeft op de registratie van een voertuig en niet op de aankoop, invoer of overdracht naar de Unie van dit voertuig.
35 Hieruit volgt dat de bij artikel 3 decies, lid 3 bis quinquies, toegekende mogelijkheid voor de registratie van voertuigen die zich op 19 december 2023 reeds op het grondgebied van de Unie bevonden, hoe dan ook slechts kan worden toegepast op voertuigen waarvan de aanwezigheid op dat grondgebied niet het gevolg was van een schending van het verbod als bedoeld in artikel 3 decies, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2022/576.
36 Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 3 decies, lid 3 bis quinquies, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2023/2878, aldus moet worden uitgelegd dat de in deze bepaling opgenomen mogelijkheid om een voertuig dat zich op 19 december 2023 reeds op het grondgebied van de Unie bevond in een lidstaat te registreren, niet geldt voor voertuigen die zich op diezelfde datum in strijd met het verbod van artikel 3 decies, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2022/576, op dit grondgebied bevonden.
Kosten
37 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 3 decies, lid 1, van verordening (EU) nr. 833/2014 van de Raad van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren, zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2022/576 van de Raad van 8 april 2022,
moet aldus worden uitgelegd dat
het in deze bepaling neergelegde verbod op de aankoop, invoer of overdracht naar de Europese Unie geldt voor alle goederen die onder de in bijlage XXI bij deze verordening, zoals gewijzigd bij verordening 2022/1904 van de Raad van 6 oktober 2022, vermelde codes van de gecombineerde nomenclatuur vallen, zonder dat voor elke transactie afzonderlijk hoeft te worden nagegaan of de betrokken aankoop, invoer of overdracht aanzienlijke inkomsten oplevert voor Rusland.
2) Artikel 3 decies, lid 3 bis quinquies, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2023/2878 van de Raad van 18 december 2023,
moet aldus worden uitgelegd dat
de in deze bepaling opgenomen mogelijkheid om een voertuig dat zich op 19 december 2023 reeds op het grondgebied van de Unie bevond in een lidstaat te registreren, niet geldt voor voertuigen die zich op diezelfde datum in strijd met het verbod van artikel 3 decies, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd bij verordening 2022/576, op dit grondgebied bevonden.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.