ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)
12 maart 2026 (*)
„ Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Verordening (EG) nr. 4/2009 – Bevoegdheid inzake onderhoudsverplichtingen – Artikel 12 – Aanhangigheid – Bepaling van het eerst aangezochte gerecht – Artikel 9, onder a) – Begrip ,stuk dat gelijkwaardig is’ aan een gedinginleidend stuk – Indiening van een rechtsbijstandsverzoek bij een gerecht van een lidstaat door een onderhoudsgerechtigde met het oog op de instelling van een vordering tot wijziging van de jegens hem verschuldigde onderhoudsverplichtingen – Daaropvolgende indiening, door de onderhoudsplichtige, van een verzoek tot wijziging van zijn onderhoudsverplichtingen bij het gerecht van een andere lidstaat – Daar weer op volgende indiening van een vordering door de onderhoudsgerechtigde bij het eerste gerecht, nadat dat gerecht rechtsbijstand heeft toegekend – Kwalificatie van het verzoek om rechtsbijstand als ,gelijkwaardig stuk’ – Voorwaarden ”
In zaak C‑516/24 [Winderwill] (i),
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Amtsgericht Schleswig (rechter in eerste aanleg Schleswig, Duitsland) bij beslissing van 22 juli 2024, ingekomen bij het Hof op 24 juli 2024, in de procedure
BC, vertegenwoordigd door zijn wettelijke vertegenwoordiger,
tegen
LG,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: C. Lycourgos, kamerpresident, O. Spineanu-Matei (rapporteur), S. Rodin, N. Piçarra en N. Fenger, rechters,
advocaat-generaal: R. Norkus,
griffier: E. Sartori, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 18 juni 2025,
gelet op de opmerkingen van:
– BC, vertegenwoordigd door A. Kröner, Rechtsanwältin,
– LG, vertegenwoordigd door M. Horn, Rechtsanwältin,
– de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller, M. Hellmann en A. Sahner als gemachtigden,
– de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door A. Pagáčová, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B. Ernst, M. Wasmeier en W. Wils als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 2 oktober 2025,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 9, onder a), van verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (PB 2009, L 7, blz. 1).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen BC, een minderjarig kind, en LG, zijn vader, over de wijziging van de onderhoudsverplichtingen die op LG rusten.
Toepasselijke bepalingen
Lugano II-Verdrag
3 Artikel 27 van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend op 30 oktober 2007 (hierna: „Lugano II-Verdrag”) en namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2009/430/EG van de Raad van 27 november 2008 (PB 2009, L 147, blz. 1), luidt:
„1. Wanneer voor gerechten van verschillende door dit verdrag gebonden staten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn, welke hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, houdt het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht zijn uitspraak ambtshalve aan totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat.
2. Wanneer de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat, verklaart het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zich onbevoegd.”
4 Artikel 30, punt 1, van dit verdrag bepaalt:
„Voor de toepassing van deze afdeling wordt een zaak geacht te zijn aangebracht bij een gerecht:
1. op het tijdstip waarop het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk bij het gerecht wordt ingediend, mits de eiser vervolgens niet heeft nagelaten te doen wat hij met het oog op de betekening of de kennisgeving van het stuk aan de verweerder moest doen […]”.
Unierecht
Verordening nr. 44/2001
5 Artikel 27 van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1) luidde als volgt:
„1. Wanneer voor gerechten van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn, die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, houdt het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht zijn uitspraak ambtshalve aan totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat.
2. Wanneer de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat, verklaart het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zich onbevoegd.”
6 Artikel 30, punt 1, van deze verordening luidde:
„Voor de toepassing van deze afdeling wordt een zaak geacht te zijn aangebracht bij een gerecht:
1) op het tijdstip waarop het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk bij het gerecht wordt ingediend, mits de eiser vervolgens niet heeft nagelaten te doen wat hij met het oog op de betekening of de kennisgeving van het stuk aan de verweerder moest doen […]”.
Verordening nr. 4/2009
7 In de overwegingen 15 en 36 van verordening nr. 4/2009 staat het volgende te lezen:
„(15) Teneinde de behartiging van de belangen van onderhoudsgerechtigden te waarborgen en een goede rechtsbedeling in de Europese Unie te bevorderen, dienen de bevoegdheidsregels die voortvloeien uit verordening [nr. 44/2001] te worden aangepast. […]
[…]
(36) Gezien de kosten van procedures, dient in een zeer gunstige rechtsbijstandsregeling te worden voorzien, namelijk in een volledige tegemoetkoming in de kosten verbonden aan procedures betreffende onderhoudsverplichtingen jegens kinderen jonger dan 21 jaar die door tussenkomst van de centrale autoriteiten aanhangig worden gemaakt. De bestaande rechtsbijstandsregeling in het kader van de Europese Unie, op grond van richtlijn 2003/8/EG [van de Raad van 27 januari 2003 tot verbetering van de toegang tot de rechter bij grensoverschrijdende geschillen, door middel van gemeenschappelijke minimumvoorschriften betreffende rechtsbijstand bij die geschillen (PB 2003, L 26, blz. 41)], dient bijgevolg te worden aangevuld met specifieke regels die een bijzonder regime creëren voor rechtsbijstand op het gebied van onderhoudsverplichtingen. […]”
8 Artikel 9 van verordening nr. 4/2009 heeft als opschrift „Aanhangigmaking van een zaak bij een gerecht” en bepaalt:
„Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt een zaak geacht bij een gerecht te zijn aangebracht:
a) op het tijdstip waarop het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk bij het gerecht wordt ingediend, mits de verzoeker vervolgens niet heeft nagelaten te doen wat hij met het oog op de betekening of de kennisgeving van het stuk aan de verweerder moest doen, of
b) indien het stuk betekend of medegedeeld moet worden voordat het bij het gerecht wordt ingediend, op het tijdstip waarop de autoriteit die verantwoordelijk is voor de betekening of kennisgeving het stuk ontvangt, mits de verzoeker vervolgens niet heeft nagelaten te doen wat hij met het oog op de indiening van het stuk bij het gerecht moest doen.”
9 Artikel 12 van deze verordening, „Aanhangigheid”, bepaalt:
„1. Wanneer voor gerechten van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen verzoeken aanhangig zijn die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, houdt het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht zijn uitspraak ambtshalve aan totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat.
2. Wanneer de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat, verklaart het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zich onbevoegd.”
10 Artikel 44 van verordening nr. 4/2009, met het opschrift „Recht op rechtsbijstand”, luidt:
„1. De partijen in een geschil in de zin van deze verordening hebben, onder de voorwaarden bepaald in dit hoofdstuk, in een andere lidstaat daadwerkelijke toegang tot de rechter, met name wat de tenuitvoerleggingsprocedures en de rechtsmiddelen betreft.
[…]
2. Teneinde deze toegang te verzekeren, verlenen de lidstaten overeenkomstig dit hoofdstuk rechtsbijstand tenzij lid 3 van toepassing is.
3. In de gevallen bedoeld in hoofdstuk VII is een lidstaat niet verplicht rechtsbijstand te verlenen indien en voor zover de procedures van die lidstaat de partijen in staat stellen op te treden zonder een beroep te behoeven doen op rechtsbijstand, en de centrale autoriteit kosteloos de nodige diensten verstrekt.
4. De voorwaarden voor verkrijging van rechtsbijstand zijn niet restrictiever dan in soortgelijke binnenlandse zaken.
[…]”
11 Artikel 46 van die verordening, „Kosteloze rechtsbijstand voor het via de centrale autoriteiten ingediende verzoek betreffende onderhoudsverplichtingen jegens kinderen”, luidt:
„1. De aangezochte lidstaat verleent kosteloze rechtsbijstand voor elk door een onderhoudsgerechtigde op grond van artikel 56 ingediend verzoek betreffende onderhoudsverplichtingen jegens een persoon jonger dan 21 jaar, die voortvloeien uit een ouder-kindrelatie.
2. In afwijking van lid 1 kan de bevoegde autoriteit van de aangezochte lidstaat met betrekking tot verzoeken anders dan uit hoofde van artikel 56, lid 1, onder a) en b), de verlening van kosteloze rechtsbijstand weigeren indien zij van oordeel is dat het verzoek of enig rechtsmiddel kennelijk ongegrond is.”
Duits recht
FamFG
12 § 113, lid 1, van het Gesetz über das Verfahren in Familiensachen und in den Angelegenheiten der freiwilligen Gerichtsbarkeit (wet betreffende procedures in familierechtelijke zaken en niet-contentieuze procedures) van 17 december 2008 (BGBl. 2008 I, blz. 2586), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „FamFG”), bepaalt in de eerste volzin dat sommige bepalingen van deze wet niet van toepassing zijn op huwelijkszaken of contentieuze familiezaken. In de tweede volzin van deze bepaling staat te lezen dat in dat geval de algemene bepalingen van de Zivilprozessordnung (wetboek van burgerlijke rechtsvordering) en de bepalingen van dit wetboek over procedures voor regionale rechtbanken (Landgerichte) mutatis mutandis van toepassing zijn.
ZPO
13 § 114, lid 1, van de Zivilprozessordnung (wetboek van burgerlijke rechtsvordering), in de op hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „ZPO”), bepaalt:
„Een partij die op grond van haar persoonlijke en financiële situatie de proceskosten niet, slechts ten dele of slechts in verschillende termijnen kan betalen, verkrijgt desgevraagd rechtsbijstand, indien de vordering of het verweer in rechte voldoende kans van slagen heeft en niet vexatoir lijkt. […]”
14 § 117 ZPO luidt:
„(1) Het verzoek om rechtsbijstand moet worden ingediend bij de rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt; dit verzoek kan worden ingediend door middel van een verklaring ter griffie. In het verzoek moeten de feiten van het geding worden uiteengezet en de bewijsmiddelen worden vermeld. […]
(2) Bij het verzoek dient de partij een verklaring omtrent haar persoonlijke en economische situatie (gezinssituatie, beroep, vermogen, inkomen en lasten) alsook de relevante bewijzen te voegen. Deze verklaring en bewijzen mogen alleen met instemming van de partij aan de wederpartij worden betekend, tenzij de wederpartij civielrechtelijk recht heeft op informatie over het inkomen en het vermogen van de verzoekende partij. Alvorens deze verklaring aan de wederpartij wordt betekend, moet de verzoekende partij in de gelegenheid worden gesteld haar opmerkingen te maken. Zij wordt in kennis gesteld van de betekening van deze verklaring.
[…]”
15 § 118 ZPO bepaalt in lid 1:
„De wederpartij moet in de gelegenheid worden gesteld om haar standpunt kenbaar te maken over de vraag of aan de voorwaarden voor verlening van rechtsbijstand is voldaan, tenzij dit om bijzondere redenen niet wenselijk lijkt. Deze standpuntbepaling kan worden ingediend door middel van een verklaring ter griffie. De rechter kan de partijen oproepen voor een hoorzitting indien een schikking kan worden bereikt; een schikking moet door de rechter worden opgenomen in het proces-verbaal van de hoorzitting. […]”
16 § 167 ZPO luidt:
„Indien met de betekening wordt beoogd een termijn in acht te nemen, de verjaringstermijn opnieuw te doen ingaan of die termijn overeenkomstig § 204 van het Bürgerliche Gesetzbuch [(burgerlijk wetboek, RGBl. 1896, blz. 195; hierna: „BGB”)] te schorsen, treedt de betekening reeds in werking bij ontvangst van het verzoek of de verklaring, indien de betekening daarvan spoedig plaatsvindt.”
BGB
17 § 204, lid 1, punt 14, BGB bepaalt in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie:
„De verjaring wordt geschorst door […]
14. de kennisgeving van het eerste verzoek om rechtsbijstand; wanneer de kennisgeving van het verzoek onmiddellijk na indiening ervan geschiedt, treedt de schorsing van de verjaring reeds in bij de indiening van het verzoek.”
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
18 BC, die in Zweden woont en minderjarig was ten tijde van de feiten in het hoofdgeding, is de zoon van LG, die in Duitsland woont.
19 Op 17 december 2021 heeft BC, daarbij vertegenwoordigd door het Bundesamt für Justiz (federale autoriteit voor justitie, Duitsland), bij de verwijzende rechter, het Amtsgericht Schleswig (rechter in eerste aanleg Schleswig, Duitsland), een verzoek om rechtsbijstand ingediend met het oog op de daaropvolgende indiening van een verzoek tot wijziging van de door LG jegens hem verschuldigde onderhoudsverplichtingen. BC heeft het ontwerp van het wijzigingsverzoek bijgevoegd, onder vermelding dat dit verzoek zou worden ingediend indien de gevraagde rechtsbijstand zou worden toegekend.
20 Op 28 januari 2022, voordat de verwijzende rechter zich over BC’s verzoek om rechtsbijstand had uitgesproken, heeft LG bij de Eskilstuna tingsrätt (rechter in eerste aanleg Eskilstuna, Zweden) een wijzigingsverzoek betreffende zijn onderhoudsverplichtingen jegens BC ingediend.
21 Nadat zijn verzoek om rechtsbijstand op 27 mei 2022 is ingewilligd, heeft BC bij de verwijzende rechter het in punt 19 van het onderhavige arrest genoemde wijzigingsverzoek ingediend, welk verzoek op 21 juli 2022 aan LG is betekend.
22 In Zweden heeft de Eskilstuna tingsrätt het verzoek van LG afgewezen wegens internationale onbevoegdheid. De Högsta domstol (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Zweden) heeft deze afwijzingsbeslissing vernietigd en heeft de zaak terugverwezen naar de Eskilstuna tingsrätt, die bij beschikking van 6 mei 2024 de behandeling van de zaak heeft geschorst krachtens artikel 12, lid 1, van verordening nr. 4/2009.
23 De verwijzende rechter stelt in wezen dat hij moet uitmaken of wel degelijk hij en niet de Eskilstuna tingsrätt internationaal bevoegd is om van het hoofdgeding kennis te nemen als „gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht” in de zin van artikel 12 van verordening nr. 4/2009, gelezen in samenhang met artikel 9, onder a), ervan. Dit zou volgens hem alleen het geval kunnen zijn indien het rechtsbijstandsverzoek dat BC heeft ingediend vóór de aanhangigmaking bij de Zweedse rechter door LG, zou moeten worden beschouwd als een aan het gedinginleidend stuk „gelijkwaardig stuk” in de zin van artikel 9, onder a). De nationale rechtspraak en rechtsleer zijn echter verdeeld over deze kwestie.
24 In die omstandigheden heeft het Amtsgericht Schleswig de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Vormt een verzoek om rechtsbijstand waarbij enkel het ontwerp is gevoegd van het wijzigingsverzoek betreffende onderhoudsverplichtingen dat in geval van verlening van die bijstand formeel zal worden ingediend, een ‚gelijkwaardig stuk’ in de zin van artikel 9, onder a), van verordening [nr. 4/2009], zodat de zaak daarmee bij een nationaal gerecht is aangebracht en de bevoegdheid van dat gerecht vaststaat?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
25 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 9, onder a), van verordening nr. 4/2009 aldus moet worden uitgelegd dat een verzoek om rechtsbijstand dat bij een gerecht wordt ingediend en waarbij een ontwerp wordt gevoegd van de vordering inzake onderhoudsverplichtingen die de verzoeker in geval van toekenning van de rechtsbijstand ten gronde beoogt in te dienen, een „gelijkwaardig stuk” in de zin van die bepaling vormt.
26 Vooraf moet ten eerste worden opgemerkt dat de verwijzende rechter aangeeft dat hij zich in het kader van het hoofdgeding tussen BC en LG – over een verzoek tot wijziging van de op LG rustende onderhoudsverplichtingen – moet uitspreken over de vraag of hij internationaal bevoegd is in een situatie waarin een Zweeds gerecht in het kader van een geding tussen LG en BC – over een verzoek tot wijziging van die verplichtingen – zijn uitspraak heeft aangehouden op grond van artikel 12, lid 1, van verordening nr. 4/2009.
27 In deze bepaling staat te lezen dat wanneer voor gerechten van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen verzoeken aanhangig zijn die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht zijn uitspraak ambtshalve aanhoudt totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat.
28 In casu blijkt uit de manier waarop de verwijzende rechter zijn vraag heeft geformuleerd en gemotiveerd dat deze rechter, die wenst te vernemen of hijzelf dan wel het Zweedse gerecht dat de uitspraak heeft aangehouden op grond van de voormelde bepaling, het eerst is aangezocht in de zin van de aanhangmakingsregel in artikel 9, onder a), van verordening nr. 4/2009, meent dat er sprake is van aanhangigheid tussen het hoofdgeding en het geding dat bij het Zweedse gerecht is aangebracht, aangezien dit beide gedingen tussen BC en LG zijn die gaan over de vraag of de onderhoudsverplichtingen die LG ten aanzien van BC heeft, moeten worden gewijzigd.
29 Ten tweede zij eraan herinnerd dat verordening nr. 4/2009 op het gebied van onderhoudsverplichtingen in de plaats is gekomen van verordening nr. 44/2001, zodat de rechtspraak van het Hof over de uitlegging van deze laatste verordening ook geldt voor de uitlegging van verordening nr. 4/2009, voor zover de desbetreffende bepalingen als „overeenkomstig” of „gelijkwaardig” kunnen worden beschouwd (zie in die zin arresten van 18 december 2014, Sanders en Huber, C‑400/13 en C‑408/13, EU:C:2014:2461, punt 23, en 6 juni 2024, Geterfer, C‑381/23, EU:C:2024:467, punten 23 en 24). Hetzelfde geldt voor de rechtspraak van het Hof over de uitlegging van de overeenkomstige bepalingen van het Lugano II-Verdrag en de verordeningen nr. 44/2001 en nr. 4/2009 (zie in die zin arrest van 20 december 2017, Schlömp, C‑467/16, EU:C:2017:993, punten 42 en 47).
30 Het Hof heeft reeds geoordeeld dat artikel 12 van verordening nr. 4/2009 gelijkwaardig is aan artikel 27 van verordening nr. 44/2001 en artikel 27 van het Lugano II-Verdrag (zie in die zin arresten van 20 december 2017, Schlömp, C‑467/16, EU:C:2017:993, punten 44 en 46, en 6 juni 2024, Geterfer, C‑381/23, EU:C:2024:467, punt 26). Bovendien is artikel 9, onder a), van verordening nr. 4/2009 in nagenoeg dezelfde bewoordingen geformuleerd als artikel 30, punt 1, van verordening nr. 44/2001 en artikel 30, punt 1, van het Lugano II-Verdrag (zie in die zin arrest van 20 december 2017, Schlömp, C‑467/16, EU:C:2017:993, punten 45 en 46).
31 Met deze inleidende opmerkingen in het achterhoofd zij eraan herinnerd dat de aanhangigheidsregel van artikel 12 van verordening nr. 4/2009 ertoe strekt om, in het belang van een goede rechtsbedeling, zoals dit belang met name wordt genoemd in overweging 15 van deze verordening, de mogelijkheid van parallel lopende procedures bij de gerechten van verschillende lidstaten te beperken en te voorkomen dat er onverenigbare beslissingen worden genomen wanneer meerdere gerechten bevoegd zijn kennis te nemen van hetzelfde geschil. Dit in artikel 12 opgenomen mechanisme om gevallen van aanhangigheid op te lossen, is een objectief en automatisch mechanisme en is gebaseerd op de chronologische volgorde waarin de betrokken rechterlijke instanties zijn aangezocht (zie in die zin arrest van 6 juni 2024, Geterfer, C‑381/23, EU:C:2024:467, punten 27 en 29), zodat het gerecht waarbij een van de partijen het geschil als eerste aanhangig maakt als bevoegd wordt beschouwd.
32 In dit verband bevat artikel 9 van verordening nr. 4/2009 een eenvormige en autonome definitie van het tijdstip waarop, voor de toepassing van artikel 12 van deze verordening, een zaak wordt geacht bij een gerecht te zijn aangebracht, teneinde het risico van parallelle procedures in verschillende lidstaten te verminderen (zie naar analogie arresten van 4 mei 2017, HanseYachts, C‑29/16, EU:C:2017:343, punt 29, en 20 december 2017, Schlömp, C‑467/16, EU:C:2017:993, punt 50). Dit artikel 9 beoogt met name om problemen te verhelpen die voortvloeien uit de tussen de lidstaten bestaande verschillen ten aanzien van de datum waarop een zaak als aanhangig wordt beschouwd en om die datum dus autonoom te bepalen. Voorts heeft dat artikel 9 tot doel de juridische onzekerheden ten gevolge van de grote verscheidenheid van de in de lidstaten bestaande instrumenten ter bepaling van het tijdstip waarop een gerecht is aangezocht, te beperken door middel van een materiële regel op basis waarvan dit tijdstip op eenvoudige en eenvormige wijze kan worden bepaald (zie naar analogie arrest van 4 mei 2017, HanseYachts, C‑29/16, EU:C:2017:343, punt 30).
33 In dat artikel 9, onder a), staat te lezen dat een zaak bij een gerecht wordt aangebracht op het tijdstip waarop het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk bij het gerecht wordt ingediend, mits de verzoeker vervolgens niet heeft nagelaten te doen wat hij met het oog op de betekening of de kennisgeving van het stuk aan de verweerder moest doen. De verwijzende rechter vraagt zich af hoe deze bepaling en meer bepaald het begrip „gelijkwaardig stuk” daarin moet worden uitgelegd.
34 In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak bepalingen inzake bevoegdheidsregels, zoals artikel 9, onder a), van verordening nr. 4/2009, niet mogen worden uitgelegd als een eenvoudige verwijzing naar het nationale recht van de lidstaten, maar zelfstandig moeten worden uitgelegd aan de hand van de bewoordingen ervan en het doel en het systeem van deze verordening alsook aan de hand van de algemene beginselen die voortvloeien uit de nationale rechtsorden (zie in die zin arrest van 18 december 2014, Sanders en Huber, C‑400/13 en C‑408/13, EU:C:2014:2461, punten 24 en 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en naar analogie arrest van 7 mei 2020, Rina, C‑641/18, EU:C:2020:349, punt 30).
35 Uit de bewoordingen van artikel 9, onder a), van verordening nr. 4/2009 blijkt dat het begrip „gelijkwaardig stuk” moet worden beoordeeld aan de hand van het begrip „stuk dat het geding inleidt”, met dien verstande dat het begrip „gelijkwaardig” volgens de definitie ervan in de omgangstaal niet betekent dat het stuk in kwestie identiek moet zijn aan het stuk dat het geding inleidt, maar een vergelijkbaar stuk met dezelfde functie moet zijn.
36 Op het gebied van onderhoudsverplichtingen – waarop verordening nr. 4/2009 ziet – heeft een gedinginleidend stuk tot doel een geding ten gronde in te leiden in een in beginsel contradictoire procedure tussen een of meer verzoekers en een of meer verweerders. Uit de voorwaarde in artikel 9, onder a), van deze verordening – namelijk dat de verzoeker na de indiening van het gedinginleidend of gelijkwaardig stuk niet mag hebben nagelaten te doen wat hij met het oog op de betekening of de kennisgeving van het stuk aan de verweerder moest doen – blijkt trouwens dat het geding moet zijn ingeleid in het kader van een procedure op tegenspraak.
37 Tevens zij eraan herinnerd dat, zoals in punt 31 van het onderhavige arrest is vermeld, het de bedoeling van de aanhangigheidsregels van artikel 12 van die verordening is om ervoor te zorgen dat de chronologische volgorde waarin de zaak bij de gerechten is aangebracht wordt geëerbiedigd, en dus ook de forumkeuze van de partij die het betrokken geschil als eerste heeft ingeleid.
38 In die omstandigheden moet worden aangenomen dat in geval van aanhangigheid ter bepaling van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht onder het begrip „gelijkwaardig stuk” elk stuk moet worden verstaan dat nauw verband houdt met de grond van het betrokken geschil en op basis waarvan op vergelijkbare wijze als bij een gedinginleidend stuk kan worden geoordeeld dat dit geding is ingesteld – al was het maar gedeeltelijk of voorlopig – om een contradictoir debat tussen de betrokken partijen mogelijk te maken.
39 Dit gezegd zijnde blijkt uit de bewoordingen van artikel 9, onder a), van verordening nr. 4/2009 niet dat de begrippen „gelijkwaardig stuk” en „stuk dat het geding inleidt ” elkaar zouden uitsluiten in de zin dat deze bepaling hoe dan ook zou verhinderen dat zij elkaar in de tijd kunnen opvolgen. „Gelijkwaardig” betekent immers niet „identiek”, zodat niet is uitgesloten dat een gelijkwaardig stuk kan voorafgaan aan het gedinginleidend stuk, mits de gelijkwaardigheidselementen aanwezig zijn op grond waarvan, zoals uit het vorige punt van het onderhavige arrest blijkt, kan worden geoordeeld dat het geding is ingesteld, te weten dat er een nauwe band is met de grond van de zaak en sprake is van een contradictoire procedure.
40 In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat wanneer twee opeenvolgende procedures onderling worden gekenmerkt door autonomie of door een duidelijke scheiding, niet kan worden geoordeeld dat het initiatief voor het geschil wordt genomen door de neerlegging van het stuk waarmee de eerste van de twee procedures is ingeleid, en dat laatstgenoemd stuk dus niet kan worden aangemerkt als een „gelijkwaardig stuk” in de zin van artikel 9, onder a), van verordening nr. 4/2009 (zie in die zin arrest van 4 mei 2017, HanseYachts, C‑29/16, EU:C:2017:343, punt 35).
41 Wanneer daarentegen twee opeenvolgende procedures op tegenspraak onderling niet worden gekenmerkt door autonomie of door een duidelijke scheiding maar inhoudelijk nauw met elkaar verbonden zijn, zou het doel om de chronologische volgorde te eerbiedigen waarin de zaken bij de betrokken gerechten zijn aangebracht en dus de forumkeuze te eerbiedigen van de partij die het initiatief heeft genomen om het geschil in te leiden, niet worden bereikt indien zou worden aanvaard dat het tussen de twee data waarop bij hetzelfde gerecht van een lidstaat opeenvolgend twee inhoudelijk nauw verbonden procedures op tegenspraak aanhangig zijn gemaakt voor de verweerder mogelijk is om, door een gerecht van een andere lidstaat aan te zoeken, die keuze te omzeilen en daarbij te profiteren van het feit dat hij in die eerste procedure bekend raakt met de tweede procedure waarvan de instelling ten gronde werd overwogen.
42 In casu moet de verwijzende rechter bepalen of het rechtsbijstandsverzoek dat BC bij hem heeft ingediend vóórdat LG de vordering in Zweden heeft ingesteld, kan worden aangemerkt als een stuk dat „gelijkwaardig” is in de zin van artikel 9, onder a), van verordening nr. 4/2009 aan het gedinginleidend stuk dat BC bij die rechter heeft ingediend nadat die rechter hem de gevraagde rechtsbijstand heeft toegekend en LG die vordering heeft ingesteld. In dit verband zij eraan herinnerd dat het Hof in zijn uitspraak op een verzoek om een prejudiciële beslissing de nationale rechterlijke instantie richtsnoeren voor haar beslissing kan verstrekken (arrest van 15 januari 2026, bluechip, C‑822/24, EU:C:2026:13, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
43 Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter blijkt uit de schriftelijke opmerkingen van de Duitse regering en uit de antwoorden die deze regering ter terechtzitting heeft gegeven, ten eerste dat volgens § 117 ZPO – dat op grond van § 113, lid 1, FamFG mutatis mutandis van toepassing is op een familierechtelijke procedure als die in het hoofdgeding – een verzoeker zoals BC bij de bodemrechter rechtsbijstand kan aanvragen en daarbij met name de feiten van het geding en de bewijsmiddelen moet vermelden.
44 Ten tweede moet de verzoeker, gelet op het feit dat rechtsbijstand volgens § 114, lid 1, ZPO alleen kan worden verleend aan een verzoeker als BC indien de voorgenomen vordering voldoende kans van slagen heeft en niet vexatoir lijkt, bij zijn verzoek om rechtsbijstand in beginsel een ontwerpverzoekschrift voegen of de essentiële elementen vermelden van het verzoekschrift dat hij voornemens is in te dienen indien de gevraagde rechtsbijstand wordt toegekend, zodat de aangezochte rechter kan nagaan of aan de voorwaarden voor toekenning van de rechtsbijstand is voldaan.
45 Ten derde blijkt uit § 118, lid 1, ZPO dat de wederpartij, tenzij dit om bijzondere redenen niet passend lijkt, de kans moet hebben om een standpunt in te nemen over de vraag of aan die voorwaarden is voldaan, wat impliceert dat, zoals de Duitse regering ter terechtzitting heeft aangegeven, de aangezochte rechter het rechtsbijstandsverzoek ter kennis van de wederpartij brengt, wat doorgaans gebeurt in de vorm van een eenvoudige mededeling, onverminderd de mogelijkheid voor die rechter om een betekening te doen.
46 Zoals de verwijzende rechter in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing heeft aangegeven, volgt bovendien uit § 204 BGB – in de versie die van toepassing is op de feiten van het hoofdgeding – juncto § 167 ZPO, dat de kennisgeving van een rechtsbijstandsverzoek tot gevolg heeft dat de verjaringstermijn wordt geschorst, en dit vanaf de datum van indiening van dat verzoek, mits het verzoek onmiddellijk na die indiening ter kennis is gebracht.
47 Uit het Duitse recht, zoals dat is uiteengezet in de punten 43 tot en met 46 van het onderhavige arrest, lijkt te volgen dat een rechtsbijstandsverzoek dat met name de wezenlijke elementen bevat van het verzoekschrift dat in geval van toekenning van de rechtsbijstand ten gronde zal worden ingediend, ter kennis van de wederpartij moet worden gebracht – tenzij er bijzondere redenen zijn om dat niet te doen – opdat deze een standpunt kan innemen over de vraag of de voorgenomen vordering ten gronde voldoende kans van slagen heeft en niet vexatoir lijkt.
48 Zo blijkt dus dat in het Duitse familierecht de rechtsbijstandsprocedure in beginsel een inter-partesprocedure is die nauw verband houdt met de toekomstige contradictoire procedure ten gronde, aangezien zij de tegenpartij in staat stelt om kennis te nemen van de vorderingen en de summiere argumenten die de aanvrager van de rechtsbijstand voornemens is ten gronde aan te voeren en om daarover een standpunt in te nemen, en de aangezochte rechter in staat stelt een prima-facieanalyse ten gronde te verrichten om te beslissen over de toekenning van de gevraagde rechtsbijstand. Dat nauwe verband wordt ook bevestigd door het feit dat een rechtsbijstandsverzoek waarvan kennis is gegeven, de verjaringstermijn schorst.
49 In die omstandigheden moet worden aangenomen, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter van de in de punten 43 tot en met 46 van het onderhavige arrest uiteengezette Duitse regelgeving, dat een bij een gerecht ingediend rechtsbijstandsverzoek in de Duitse rechtsorde kan worden aangemerkt als een „gelijkwaardig stuk” in de zin van artikel 9, onder a), van verordening nr. 4/2009.
50 Dit gezegd zijnde moet het nauwe verband tussen de rechtsbijstandsprocedure en de procedure ten gronde behouden blijven opdat een rechtsbijstandsverzoek als dat in het hoofdgeding als een „gelijkwaardig stuk” kan worden aangemerkt en moet, ten eerste, de gevraagde rechtsbijstand effectief worden toegekend, ten tweede, de vordering ten gronde binnen een redelijke termijn na die toekenning worden ingesteld en, ten derde, die vordering in essentie overeenkomen met de ontwerpvordering die de rechter tijdens de rechtsbijstandsprocedure heeft onderzocht.
51 Tijdens de terechtzitting heeft de Commissie er de aandacht op gevestigd dat de aangezochte rechter – en dit dient door de verwijzende rechter te worden geverifieerd – rechtsbijstandsverzoeken als die in het hoofdgeding doorgaans gewoon meedeelt aan de tegenpartij en geen kennisgeving of betekening doet. In dit verband moet worden benadrukt dat hoewel artikel 9, onder a), in fine, van verordening nr. 4/2009 enkel ziet op gevallen waarin er een betekening of kennisgeving moet plaatsvinden van het gelijkwaardig of gedinginleidend stuk, de verplichting van de verzoeker om te doen wat hij met het oog op de betekening of kennisgeving van het stuk moet doen, mutatis mutandis kan worden toegepast op het geval waarin het aangezochte gerecht het stuk gewoon meedeelt. Bijgevolg heeft het feit dat een rechtsbijstandsverzoek aan de tegenpartij wordt doorgezonden via een eenvoudige mededeling op zich geen invloed op de kwalificatie van dat verzoek als „gelijkwaardig stuk”.
52 Zoals de Duitse regering ter terechtzitting heeft toegegeven, kan deze bijzonderheid uit het Duitse recht evenwel een obstakel vormen voor die kwalificatie indien zou blijken dat de tegenpartij het rechtsbijstandsverzoek niet heeft ontvangen en de rechtsbijstandsprocedure haar contradictoire karakter heeft verloren zonder dat de tegenpartij over middelen beschikt om dit te verhelpen. Het staat aan de verwijzende rechter om dit aspect in voorkomend geval te verifiëren.
53 Ten slotte moet nog worden gepreciseerd dat de kwalificatie van een rechtsbijstandsverzoek als dat in het hoofdgeding als „gelijkwaardig stuk” in de zin van artikel 9, onder a), van verordening nr. 4/2009, ook in de lijn ligt van het belang dat deze verordening hecht aan het stelsel van rechtsbijstand als onlosmakelijk verbonden met geschillen over onderhoudsverplichtingen en onontbeerlijk voor onderhoudsgerechtigden die over onvoldoende middelen beschikken om hun rechten te doen gelden, teneinde een daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen. Dit komt tot uiting in zowel artikel 44 als artikel 46 van die verordening, gelezen in het licht van overweging 36.
54 Gelet op het voorgaande dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 9, onder a), van verordening nr. 4/2009 aldus moet worden uitgelegd dat een verzoek om rechtsbijstand dat bij een gerecht wordt ingediend en waarbij een ontwerp wordt gevoegd van de vordering inzake onderhoudsverplichtingen die de verzoeker in geval van toekenning van de rechtsbijstand ten gronde beoogt in te dienen, een „gelijkwaardig stuk” in de zin van die bepaling vormt, mits de tegenpartij aan wie het rechtsbijstandsverzoek – inclusief de ontwerpvordering ten gronde – wordt meegedeeld, in de loop van de procedure een standpunt kan innemen over de vraag of de vordering ten gronde voldoende kans van slagen heeft en niet vexatoir lijkt, en deze vordering binnen een redelijke termijn na de toekenning van de rechtsbijstand wordt ingesteld en inhoudelijk in essentie overeenkomt met de ontwerpvordering.
Kosten
55 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 9, onder a), van verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen
moet aldus worden uitgelegd dat
een verzoek om rechtsbijstand dat bij een gerecht wordt ingediend en waarbij een ontwerp wordt gevoegd van de vordering inzake onderhoudsverplichtingen die de verzoeker in geval van toekenning van de rechtsbijstand ten gronde beoogt in te dienen, een „gelijkwaardig stuk” in de zin van die bepaling vormt, mits de tegenpartij aan wie het rechtsbijstandsverzoek – inclusief de ontwerpvordering ten gronde – wordt meegedeeld, in de loop van de procedure een standpunt kan innemen over de vraag of de vordering ten gronde voldoende kans van slagen heeft en niet vexatoir lijkt, en deze vordering binnen een redelijke termijn na de toekenning van de rechtsbijstand wordt ingesteld en inhoudelijk in essentie overeenkomt met de ontwerpvordering.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.
i Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.