Voorlopige editie
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
18 juni 2026 (*)
„ Prejudiciële verwijzing – Bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens – Verordening (EU) 2016/679 – Artikel 5, lid 1, onder e) – Opslagbeperking – Artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder e) – Rechtmatigheid van de verwerking van deze gegevens in verband met een arbeidsovereenkomst in het kader van een gerechtelijke procedure – Artikel 17, lid 3, onder e) – Geen verplichting om die gegevens te wissen in geval van verwerking die nodig is voor de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering – Gegevens die door de werkgever zijn verzameld om een ernstige tekortkoming van de werknemer in de nakoming van zijn verplichtingen vast te stellen – Gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs ”
In zaak C‑484/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Landesarbeitsgericht Niedersachsen (arbeidsrechter van de deelstaat Nedersaksen, Duitsland) bij beslissing van 8 mei 2024, ingekomen bij het Hof op 10 juli 2024, in de procedure
NTH Haustechnik GmbH
tegen
EM,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún, kamerpresident, J. Passer, E. Regan (rapporteur), D. Gratsias en B. Smulders, rechters,
advocaat-generaal: D. Spielmann,
griffier: G. Chiapponi, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 2 juli 2025,
gelet op de opmerkingen van:
– de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller en P.‑L. Krüger als gemachtigden,
– de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér, K. Szíjjártó en Zs. Biró-Tóth als gemachtigden,
– de Finse regering, vertegenwoordigd door A. Laine en H. Leppo als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Bouchagiar, F. Erlbacher en H. Kranenborg als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 oktober 2025,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 5, 6, 9, 13 en 17 van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB 2016, L 119, blz. 1, met rectificaties in PB 2018, L 127, blz. 2, en PB 2021, L 74, blz. 35; hierna: „AVG”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen NTH Haustechnik GmbH (hierna: „NTH”) en haar voormalige werknemer EM over de vergoeding van de schade die deze vennootschap stelt te hebben geleden wegens het online ongeoorloofd doorverkopen van haar goederen.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3 In de overwegingen 1, 2, 4, 7, 10, 20, 39 en 41 AVG staat te lezen:
„(1) De bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens is een grondrecht. Krachtens artikel 8, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het ‚Handvest’) en artikel 16, lid 1, [VWEU] heeft eenieder recht op bescherming van zijn persoonsgegevens.
(2) De beginselen en regels betreffende de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van hun persoonsgegevens dienen, ongeacht hun nationaliteit of verblijfplaats, in overeenstemming te zijn met hun grondrechten en fundamentele vrijheden, met name met hun recht op bescherming van persoonsgegevens. Deze verordening beoogt bij te dragen aan de totstandkoming van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht en van een economische unie, alsook aan economische en sociale vooruitgang, aan de versterking en de convergentie van de economieën binnen de interne markt en aan het welzijn van natuurlijke personen.
[...]
(4) De verwerking van persoonsgegevens moet ten dienste van de mens staan. Het recht op bescherming van persoonsgegevens heeft geen absolute gelding, maar moet worden beschouwd in relatie tot de functie ervan in de samenleving en moet conform het evenredigheidsbeginsel tegen andere grondrechten worden afgewogen. Deze verordening eerbiedigt alle grondrechten alsook de vrijheden en beginselen die zijn erkend in het Handvest zoals dat in de Verdragen is verankerd, met name de eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven, woning en communicatie, de bescherming van persoonsgegevens, de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, de vrijheid van meningsuiting en van informatie, de vrijheid van ondernemerschap, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht, en het recht op culturele, godsdienstige en taalkundige verscheidenheid.
[...]
(7) Die ontwikkelingen vereisen een krachtig en coherenter kader voor gegevensbescherming in de [Europese] Unie, dat wordt gesteund door strenge handhaving, omdat zulks van belang is voor het vertrouwen dat nodig is om de digitale economie zich in de hele interne markt te laten ontwikkelen. Natuurlijke personen dienen controle over hun eigen persoonsgegevens te hebben. Er dient meer rechtszekerheid en praktische zekerheid te worden geboden aan natuurlijke personen, marktdeelnemers en overheidsinstanties.
[...]
(10) Teneinde natuurlijke personen een consistent en hoog beschermingsniveau te bieden en de belemmeringen voor het verkeer van persoonsgegevens binnen de Unie op te heffen, dient het niveau van bescherming van de rechten en vrijheden van natuurlijke personen op het vlak van verwerking van deze gegevens in alle lidstaten gelijkwaardig te zijn. Er moet gezorgd worden voor een in de gehele Unie coherente en homogene toepassing van de regels inzake bescherming van de grondrechten en de fundamentele vrijheden van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens. Met het oog op de verwerking van persoonsgegevens voor het vervullen van een wettelijke verplichting, voor het vervullen van een taak van algemeen belang of bij de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend, moet de lidstaten worden toegestaan nationale bepalingen te handhaven of in te voeren ter nadere precisering van de wijze waarop de regels van deze verordening moeten worden toegepast. In samenhang met de algemene en horizontale wetgeving inzake gegevensbescherming ter uitvoering van richtlijn 95/46/EG [van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB 1995, L 281, blz. 31)] beschikken de lidstaten over verscheidene sectorgebonden wetten op gebieden waar behoefte is aan meer specifieke bepalingen. Deze verordening biedt de lidstaten ook ruimte om eigen regels voor de toepassing vast te stellen, onder meer wat de verwerking van bijzondere persoonsgegevenscategorieën [...] betreft. In zoverre staat deze verordening niet in de weg aan lidstatelijk recht waarin specifieke situaties op het gebied van gegevensverwerking nader worden omschreven, meer bepaald door nauwkeuriger te bepalen in welke gevallen verwerking van persoonsgegevens rechtmatig geschiedt.
[...]
(20) Hoewel de onderhavige verordening onder meer van toepassing is op de activiteiten van gerechten en andere rechterlijke autoriteiten, zouden in het Unierecht of het lidstatelijke recht de verwerkingen en verwerkingsprocedures met betrekking tot het verwerken van persoonsgegevens door gerechten en andere rechterlijke autoriteiten nader kunnen worden gespecificeerd. De competentie van de toezichthoudende autoriteiten mag zich niet uitstrekken tot de verwerking van persoonsgegevens door gerechten in het kader van hun gerechtelijke taken, zulks teneinde de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht bij de uitoefening van haar rechterlijke taken, waaronder besluitvorming, te waarborgen. Het toezicht op die gegevensverwerkingen moet kunnen worden toevertrouwd aan specifieke instanties binnen de rechterlijke organisatie van de lidstaat, die met name de naleving van de regels van deze verordening moeten garanderen, leden van de rechterlijke macht van hun verplichtingen krachtens deze verordening sterker bewust moeten maken, en klachten met betrekking tot die gegevensverwerkingen moeten behandelen.
[...]
(39) Elke verwerking van persoonsgegevens dient behoorlijk en rechtmatig te geschieden. Voor natuurlijke personen dient het transparant te zijn dat hen betreffende persoonsgegevens worden verzameld, gebruikt, geraadpleegd of anderszins verwerkt en in hoeverre de persoonsgegevens worden verwerkt of zullen worden verwerkt. Overeenkomstig het transparantiebeginsel moeten informatie en communicatie in verband met de verwerking van die persoonsgegevens eenvoudig toegankelijk en begrijpelijk zijn, en moet duidelijke en eenvoudige taal worden gebruikt. Dat beginsel betreft met name het informeren van de betrokkenen over de identiteit van de verwerkingsverantwoordelijke en de doeleinden van de verwerking, alsook verdere informatie om te zorgen voor behoorlijke en transparante verwerking met betrekking tot de natuurlijke personen in kwestie en hun recht om bevestiging en mededeling te krijgen van hun persoonsgegevens die worden verwerkt. Natuurlijke personen moeten bewust worden gemaakt van de risico’s, regels, waarborgen en rechten in verband met de verwerking van persoonsgegevens, alsook van de wijze waarop zij hun rechten met betrekking tot deze verwerking kunnen uitoefenen. Meer bepaald dienen de specifieke doeleinden waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt, expliciet en gerechtvaardigd te zijn en te zijn vastgesteld wanneer de persoonsgegevens worden verzameld. De persoonsgegevens dienen toereikend en ter zake dienend te zijn en beperkt te blijven tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt. Dit vereist met name dat ervoor wordt gezorgd dat de opslagperiode van de persoonsgegevens tot een strikt minimum wordt beperkt. Persoonsgegevens mogen alleen worden verwerkt indien het doel van de verwerking niet redelijkerwijs op een andere wijze kan worden verwezenlijkt. [...]
[...]
(41) Wanneer in deze verordening naar een rechtsgrond of een wetgevingsmaatregel wordt verwezen, vereist dit niet noodzakelijkerwijs dat een door een parlement vastgestelde wetgevingshandeling nodig is, onverminderd de vereisten overeenkomstig de grondwettelijke orde van de lidstaat in kwestie. Deze rechtsgrond of wetgevingsmaatregel moet evenwel duidelijk en nauwkeurig zijn, en de toepassing daarvan moet voorspelbaar zijn voor degenen op wie deze van toepassing is, zoals vereist door de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie [...] en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.”
4 Artikel 1 AVG, met als opschrift „Onderwerp en doelstellingen”, bepaalt:
„1. Bij deze verordening worden regels vastgesteld betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van persoonsgegevens.
2. Deze verordening beschermt de grondrechten en de fundamentele vrijheden van natuurlijke personen en met name hun recht op bescherming van persoonsgegevens.
3. Het vrije verkeer van persoonsgegevens in de Unie wordt noch beperkt noch verboden om redenen die verband houden met de bescherming van natuurlijke personen ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens.”
5 Artikel 2 AVG heeft als opschrift „Materieel toepassingsgebied” en bepaalt in de leden 1 en 2:
„1. Deze verordening is van toepassing op de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, alsmede op de verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen.
2. Deze verordening is niet van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens:
a) in het kader van activiteiten die buiten de werkingssfeer van het Unierecht vallen;
b) door de lidstaten bij de uitvoering van activiteiten die binnen de werkingssfeer van titel V, hoofdstuk 2, VEU vallen;
c) door een natuurlijke persoon bij de uitoefening van een zuiver persoonlijke of huishoudelijke activiteit;
d) door de bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid.”
6 Artikel 4 AVG heeft als opschrift „Definities” en bepaalt:
„Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
[...]
2) ‚verwerking’: een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd via geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen, aligneren of combineren, afschermen, wissen of vernietigen van gegevens;
[...]
6) ‚bestand’: elk gestructureerd geheel van persoonsgegevens die volgens bepaalde criteria toegankelijk zijn, ongeacht of dit geheel gecentraliseerd of gedecentraliseerd is dan wel op functionele of geografische gronden is verspreid;
[...]”
7 Hoofdstuk II AVG heeft als opschrift „Beginselen” en omvat de artikelen 5 tot en met 11.
8 Artikel 5 AVG heeft als opschrift „Beginselen inzake verwerking van persoonsgegevens” en bepaalt in lid 1:
„Persoonsgegevens moeten:
a) worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is (‚rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie’);
b) voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden worden verzameld en mogen vervolgens niet verder op een met die doeleinden onverenigbare wijze worden verwerkt; de verdere verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden wordt overeenkomstig artikel 89, lid 1, niet als onverenigbaar met de oorspronkelijke doeleinden beschouwd (‚doelbinding’);
c) toereikend zijn, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt (‚minimale gegevensverwerking’);
[...]
e) worden bewaard in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen niet langer te identificeren dan voor de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt noodzakelijk is; persoonsgegevens mogen voor langere perioden worden opgeslagen voor zover de persoonsgegevens louter met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden worden verwerkt overeenkomstig artikel 89, lid 1, mits de bij deze verordening vereiste passende technische en organisatorische maatregelen worden getroffen om de rechten en vrijheden van de betrokkene te beschermen (‚opslagbeperking’);
[...]”
9 Artikel 6 AVG heeft als opschrift „Rechtmatigheid van de verwerking” en bepaalt:
„De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande voorwaarden is voldaan:
a) de betrokkene heeft toestemming gegeven voor de verwerking van zijn persoonsgegevens voor een of meer specifieke doeleinden;
b) de verwerking is noodzakelijk voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is, of om op verzoek van de betrokkene vóór de sluiting van een overeenkomst maatregelen te nemen;
c) de verwerking is noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust;
d) de verwerking is noodzakelijk om de vitale belangen van de betrokkene of van een andere natuurlijke persoon te beschermen;
e) de verwerking is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen;
f) de verwerking is noodzakelijk voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen, met name wanneer de betrokkene een kind is.
De eerste alinea, punt f), geldt niet voor de verwerking door overheidsinstanties in het kader van de uitoefening van hun taken.
2. De lidstaten kunnen specifiekere bepalingen handhaven of invoeren ter aanpassing van de manier waarop de regels van deze verordening met betrekking tot de verwerking met het oog op de naleving van lid 1, punten c) en e), worden toegepast; hiertoe kunnen zij een nadere omschrijving geven van specifieke voorschriften voor de verwerking en andere maatregelen om een rechtmatige en behoorlijke verwerking te waarborgen, ook voor andere specifieke verwerkingssituaties als bedoeld in hoofdstuk IX.
3. De rechtsgrond voor de in lid 1, punten c) en e), bedoelde verwerking moet worden vastgesteld bij:
a) Unierecht; of
b) lidstatelijk recht dat op de verwerkingsverantwoordelijke van toepassing is.
Het doel van de verwerking wordt in die rechtsgrond vastgesteld of is met betrekking tot de in lid 1, punt e), bedoelde verwerking noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of voor de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend. Die rechtsgrond kan specifieke bepalingen bevatten om de toepassing van de regels van deze verordening aan te passen, met inbegrip van de algemene voorwaarden inzake de rechtmatigheid van verwerking door de verwerkingsverantwoordelijke; de types verwerkte gegevens; de betrokkenen; de entiteiten waaraan en de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens mogen worden verstrekt; de doelbinding; de opslagperioden; en de verwerkingsactiviteiten en -procedures, waaronder maatregelen om te zorgen voor een rechtmatige en behoorlijke verwerking, zoals die voor andere specifieke verwerkingssituaties als bedoeld in hoofdstuk IX. Het Unierecht of het lidstatelijke recht moet beantwoorden aan een doelstelling van algemeen belang en moet evenredig zijn met het nagestreefde gerechtvaardigde doel.
4. Wanneer de verwerking voor een ander doel dan dat waarvoor de persoonsgegevens zijn verzameld niet berust op toestemming van de betrokkene of op een Unierechtelijke bepaling of een lidstaatrechtelijke bepaling die in een democratische samenleving een noodzakelijke en evenredige maatregel vormt ter waarborging van de in artikel 23, lid 1, bedoelde doelstellingen houdt de verwerkingsverantwoordelijke bij de beoordeling van de vraag of de verwerking voor een ander doel verenigbaar is met het doel waarvoor de persoonsgegevens aanvankelijk zijn verzameld onder meer rekening met:
a) ieder verband tussen de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens zijn verzameld, en de doeleinden van de voorgenomen verdere verwerking;
b) het kader waarin de persoonsgegevens zijn verzameld, met name wat de verhouding tussen de betrokkenen en de verwerkingsverantwoordelijke betreft;
c) de aard van de persoonsgegevens, met name of bijzondere categorieën van persoonsgegevens worden verwerkt, overeenkomstig artikel 9, en of persoonsgegevens over strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten worden verwerkt, overeenkomstig artikel 10;
d) de mogelijke gevolgen van de voorgenomen verdere verwerking voor de betrokkenen;
e) het bestaan van passende waarborgen, waaronder eventueel versleuteling of pseudonimisering.”
10 Artikel 9 AVG heeft als opschrift „Verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens” en bepaalt:
„1. Verwerking van persoonsgegevens waaruit ras of etnische afkomst, politieke opvattingen, religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen, of het lidmaatschap van een vakbond blijken, en verwerking van genetische gegevens, biometrische gegevens met het oog op de unieke identificatie van een persoon, of gegevens over gezondheid, of gegevens met betrekking tot iemands seksueel gedrag of seksuele gerichtheid zijn verboden.
2. Lid 1 is niet van toepassing wanneer aan een van de onderstaande voorwaarden is voldaan:
[...]
f) de verwerking is noodzakelijk voor de instelling, uitoefening of verdediging van een rechtsvordering of wanneer gerechten handelen in het kader van hun rechtsprekende taken;
[...]
3. De in lid 1 bedoelde persoonsgegevens mogen worden verwerkt voor de in lid 2, punt h), genoemde doeleinden wanneer die gegevens worden verwerkt door of onder de verantwoordelijkheid van een beroepsbeoefenaar die krachtens Unierecht of lidstatelijk recht of krachtens door nationale bevoegde instanties vastgestelde regels aan het beroepsgeheim is gebonden, of door een andere persoon die eveneens krachtens Unierecht of lidstatelijk recht of krachtens door nationale bevoegde instanties vastgestelde regels tot geheimhouding is gehouden.
4. De lidstaten kunnen bijkomende voorwaarden, waaronder beperkingen, met betrekking tot de verwerking van genetische gegevens, biometrische gegevens of gegevens over gezondheid handhaven of invoeren.”
11 Hoofdstuk III AVG („Rechten van de betrokkene”) omvat de artikelen 12 tot en met 23.
12 Artikel 13 AVG heeft als opschrift „Te verstrekken informatie wanneer persoonsgegevens bij de betrokkene worden verzameld” en bepaalt:
„1. Wanneer persoonsgegevens betreffende een betrokkene bij die persoon worden verzameld, verstrekt de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene bij de verkrijging van de persoonsgegevens al de volgende informatie:
a) de identiteit en de contactgegevens van de verwerkingsverantwoordelijke en, in voorkomend geval, van de vertegenwoordiger van de verwerkingsverantwoordelijke;
b) in voorkomend geval, de contactgegevens van de functionaris voor gegevensbescherming;
c) de verwerkingsdoeleinden waarvoor de persoonsgegevens zijn bestemd, alsook de rechtsgrond voor de verwerking;
d) de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, indien de verwerking op artikel 6, lid 1, punt f), is gebaseerd;
e) in voorkomend geval, de ontvangers of categorieën van ontvangers van de persoonsgegevens;
f) in voorkomend geval, dat de verwerkingsverantwoordelijke het voornemen heeft de persoonsgegevens door te geven aan een derde land of een internationale organisatie; of er al dan niet een adequaatheidsbesluit van de Commissie bestaat; of, in het geval van in artikel 46, artikel 47 of artikel 49, lid 1, tweede alinea, bedoelde doorgiften, welke de passende of geschikte waarborgen zijn, hoe er een kopie van kan worden verkregen of waar ze kunnen worden geraadpleegd.
2. Naast de in lid 1 bedoelde informatie verstrekt de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene bij de verkrijging van de persoonsgegevens de volgende aanvullende informatie om een behoorlijke en transparante verwerking te waarborgen:
a) de periode gedurende welke de persoonsgegevens zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria ter bepaling van die termijn;
b) dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken om inzage van en rectificatie of wissing van de persoonsgegevens of beperking van de hem betreffende verwerking, alsmede het recht tegen de verwerking bezwaar te maken en het recht op gegevensoverdraagbaarheid;
c) wanneer de verwerking op artikel 6, lid 1, punt a), of artikel 9, lid 2, punt a), is gebaseerd, dat de betrokkene het recht heeft de toestemming te allen tijde in te trekken, zonder dat dit afbreuk doet aan de rechtmatigheid van de verwerking op basis van de toestemming vóór de intrekking daarvan;
d) dat de betrokkene het recht heeft een klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit;
e) of de verstrekking van persoonsgegevens een wettelijke of contractuele verplichting is dan wel een noodzakelijke voorwaarde om een overeenkomst te sluiten, en of de betrokkene verplicht is de persoonsgegevens te verstrekken en wat de mogelijke gevolgen zijn wanneer deze gegevens niet worden verstrekt;
f) het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, met inbegrip van de in artikel 22, leden 1 en 4, bedoelde profilering, en, ten minste in die gevallen, nuttige informatie over de onderliggende logica, alsmede het belang en de verwachte gevolgen van die verwerking voor de betrokkene.
3. Wanneer de verwerkingsverantwoordelijke voornemens is de persoonsgegevens verder te verwerken voor een ander doel dan dat waarvoor de persoonsgegevens zijn verzameld, verstrekt de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene vóór die verdere verwerking informatie over dat andere doel en alle relevante verdere informatie als bedoeld in lid 2.
4. De leden 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing indien en voor zover de betrokkene reeds over de informatie beschikt.”
13 Artikel 17 AVG heeft als opschrift „Recht op gegevenswissing (‚recht op vergetelheid’)” en bepaalt:
„1. De betrokkene heeft het recht van de verwerkingsverantwoordelijke zonder onredelijke vertraging wissing van hem betreffende persoonsgegevens te verkrijgen en de verwerkingsverantwoordelijke is verplicht persoonsgegevens zonder onredelijke vertraging te wissen wanneer een van de volgende gevallen van toepassing is:
[...]
b) de betrokkene trekt de toestemming waarop de verwerking overeenkomstig artikel 6, lid 1, punt a), of artikel 9, lid 2, punt a), berust, in, en er is geen andere rechtsgrond voor de verwerking;
[...]
d) de persoonsgegevens zijn onrechtmatig verwerkt;
[...]”
3. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing voor zover verwerking nodig is:
[...]
e) voor de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering.”
14 Artikel 23 AVG heeft als opschrift „Beperkingen” en bepaalt:
„1. De reikwijdte van de verplichtingen en rechten als bedoeld in de artikelen 12 tot en met 22 en artikel 34, alsmede artikel 5 voor zover de bepalingen van dat artikel overeenkomen met de rechten en verplichtingen als bedoeld in de artikelen 12 tot en met 22, kan door middel van een Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke wetgevingsmaatregel die op de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker van toepassing is worden beperkt, op voorwaarde dat die beperking de wezenlijke inhoud van de grondrechten en fundamentele vrijheden onverlet laat en in een democratische samenleving een noodzakelijke en evenredige maatregel is ter waarborging van:
[...]
e) andere belangrijke doelstellingen van algemeen belang van de Unie of van een lidstaat, [...];
f) de bescherming van de onafhankelijkheid van de rechter en gerechtelijke procedures;
[...]
i) de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen;
j) de inning van civielrechtelijke vorderingen.
2. De in lid 1 bedoelde wetgevingsmaatregel bevat met name specifieke bepalingen met betrekking tot, in voorkomend geval, ten minste:
a) de doeleinden van de verwerking of van de categorieën van verwerking,
b) de categorieën van persoonsgegevens,
c) het toepassingsgebied van de ingevoerde beperkingen,
d) de waarborgen ter voorkoming van misbruik of onrechtmatige toegang of doorgifte,
e) de specificatie van de verwerkingsverantwoordelijke of de categorieën van verwerkingsverantwoordelijken,
f) de opslagperiodes en de toepasselijke waarborgen, rekening houdend met de aard, de omvang en de doeleinden van de verwerking of van de categorieën van verwerking,
g) de risico’s voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen, en
h) het recht van betrokkenen om van de beperking op de hoogte te worden gesteld, tenzij dit afbreuk kan doen aan het doel van de beperking.”
Duits recht
Grondwet van de Bondsrepubliek Duitsland
15 In artikel 92 van het Grundgesetz für die Bundesrepublik Deutschland (grondwet van de Bondsrepubliek Duitsland) van 23 mei 1949 (BGBl. 1949 I, blz. 1) is bepaald:
„De rechterlijke macht komt alleen toe aan de rechters. Zij wordt uitgeoefend door het Bundesverfassungsgericht [(federaal grondwettelijk hof)], door de bij deze grondwet ingestelde federale rechtbanken en door de rechtbanken van de deelstaten.”
Wetboek van burgerlijke rechtsvordering
16 § 138 van de Zivilprozessordnung (wetboek van burgerlijke rechtsvordering), in de versie die op het hoofdgeding van toepassing is, heeft als opschrift „Verplichting tot uiteenzetting van de feiten; waarheidsplicht” en bepaalt het volgende:
„(1) De partijen moeten hun verklaringen over feitelijke omstandigheden volledig en waarheidsgetrouw afleggen.
(2) Elke partij moet ten aanzien van de door de tegenpartij aangevoerde feiten een verklaring afleggen.
(3) Feiten die niet uitdrukkelijk worden betwist, worden geacht te zijn erkend, tenzij de bedoeling om deze te betwisten duidelijk blijkt uit de andere verklaringen van de partij.
(4) Een verklaring van onwetendheid is alleen toelaatbaar met betrekking tot feiten die noch eigen handelingen van de partij, noch het voorwerp van haar eigen waarneming waren.”
17 § 286 van dit wetboek heeft als opschrift „Vrije beoordeling van het bewijs” en bepaalt:
„(1) De rechter beslist of een feitelijke bewering als waar of niet waar moet worden beschouwd, rekening houdend met de volledige inhoud van de mondelinge behandelingen en het resultaat van eventueel afgenomen bewijs. De beslissing van de rechter bevat de gronden die tot zijn overtuiging hebben geleid.
(2) Alleen in de gevallen die in deze wet worden gespecificeerd, is de rechter gebonden aan wettelijke bewijsregels.”
18 § 355 van dat wetboek heeft als opschrift „Rechtstreekse bewijsvoering” en luidt als volgt:
„(1) De bewijsvoering vindt plaats voor de rechtbank die ten gronde uitspraak doet. Zij mag alleen in de bij deze wet bepaalde gevallen worden overgedragen aan een lid van deze rechtbank of aan een andere rechtbank.
(2) Tegen de beslissing waarbij de ene of de andere wijze van bewijsvoering wordt gelast, kan geen beroep worden ingesteld.”
Federale wet inzake gegevensbescherming
19 § 3 van het Bundesdatenschutzgesetz (federale wet inzake gegevensbeschermingswet) van 30 juni 2017 (BGBl. 2017 I, blz. 2097), in de versie die op het hoofdgeding van toepassing is, heeft als opschrift „Verwerking van persoonsgegevens door overheidsinstanties” en luidt:
„De verwerking van persoonsgegevens door een overheidsinstantie is toegestaan indien dit noodzakelijk is om een taak uit te voeren die onder de bevoegdheid van de verwerkingsverantwoordelijke valt of om het openbaar gezag uit te oefenen waarmee deze is bekleed.
[...]”
20 § 26 van de federale wet inzake gegevensbescherming, in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, heeft als opschrift „Verwerking van gegevens ten behoeve van de arbeidsverhouding” en bepaalt:
„(1) Persoonsgegevens van werknemers kunnen ten behoeve van de arbeidsverhouding worden verwerkt indien dit noodzakelijk is voor de beslissing om een arbeidsverhouding aan te gaan of indien dit, na de totstandkoming van de arbeidsverhouding, noodzakelijk is voor de uitvoering of beëindiging daarvan, of voor de uitoefening respectievelijk nakoming van de rechten en verplichtingen die betrekking hebben op de behartiging van werknemersbelangen en die voortvloeien uit een wet, een collectieve arbeidsovereenkomst of een bedrijfs- of dienstakkoord (collectieve overeenkomst). Met het oog op de opsporing van strafbare feiten mogen persoonsgegevens van werknemers alleen worden verwerkt wanneer op grond van te staven feitelijke aanwijzingen de verdenking bestaat dat de betrokkene in het kader van de arbeidsverhouding een strafbaar feit heeft gepleegd, de verwerking noodzakelijk is voor de opsporing, het beschermenswaardige belang van de werknemer bij uitsluiting van de verwerking niet zwaarder weegt en met name de aard en de omvang van de verwerking niet onevenredig zijn in verhouding tot de reden voor de verwerking.
(2) Wanneer voor de verwerking van persoonsgegevens van werknemers toestemming is verleend, moet bij de beoordeling of de toestemming vrijwillig is gegeven, met name rekening worden gehouden met de afhankelijkheid van de werknemer in de arbeidsverhouding en met de omstandigheden waarin de toestemming is gegeven. De toestemming kan met name vrijwillig zijn wanneer de werknemer een juridisch of economisch voordeel behaalt of wanneer de werkgever en de werknemer dezelfde belangen hebben. De toestemming moet schriftelijk of elektronisch worden verleend, tenzij wegens bijzondere omstandigheden een andere vorm geschikt is. De werkgever is verplicht om de werknemer schriftelijk in kennis te stellen van het doel van de gegevensverwerking en van zijn recht om op grond van artikel 7, lid 3, [AVG] zijn toestemming in te trekken.
[...]
(5) De verwerkingsverantwoordelijke moet passende maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat met name de in artikel 5 [AVG] neergelegde beginselen inzake de verwerking van persoonsgegevens worden nageleefd.
(6) De participatierechten van de representatieve werknemersorganisaties blijven ongewijzigd.
(7) De leden 1 tot en met 6 zijn ook van toepassing wanneer persoonsgegevens, met inbegrip van bijzondere categorieën persoonsgegevens, van werknemers worden verwerkt zonder dat zij in een bestand zijn opgenomen of bestemd zijn om daarin te worden opgenomen.
(8) Werknemers in de zin van deze wet zijn:
1. tewerkgestelden, met inbegrip van uitzendkrachten in de relatie met de inlener;
[...]”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
21 NTH, een onderneming die actief is in de sector van verwarming en airconditioning, was de werkgever van EM, die getrouwd was met de directeur van NTH.
22 Op 31 oktober 2019 is de arbeidsverhouding tussen NTH en EM beëindigd. Daarna, en tot zij op 26 juni 2022 van de directeur van NTH scheidde, bleef EM toegang hebben tot de bedrijfsruimten van NTH en gebruikmaken van de computers die zich daar bevonden.
23 Onmiddellijk na de scheiding stelde NTH vast – voornamelijk via haar werknemer F., de zoon van EM en de directeur van NTH – dat EM via het onlineverkoopplatform eBay voor eigen rekening goederen had verkocht waarvan NTH stelt eigenaar te zijn, voor een totale wederverkoopwaarde van 13 217,09 EUR. Gelet op de aankoopprijs van deze goederen en het bedrag van de administratiekosten die voortvloeien uit de noodzaak om ze te vervangen, zou het totale bedrag van de aldus door NTH geleden schade 46 567,91 EUR bedragen.
24 EM betwist dat zij deze goederen heeft verkocht zonder medeweten van NTH. Het ging namelijk hoofdzakelijk om goederen die door klanten zijn teruggezonden of om defecte of verouderde goederen die NTH niet had kunnen gebruiken en die dus geen waarde meer voor haar hadden. NTH heeft die goederen om niet overgedragen aan EM, die ze heeft verkocht om de kosten te dekken van het huishouden dat zij samen met de directeur van NTH runde.
25 Het Landesarbeitsgericht Niedersachsen (arbeidsrechter van de deelstaat Nedersaksen, Duitsland), de verwijzende rechter, wijst erop dat NTH kennis kreeg van de verkooptransacties van EM via toegang tot het privéaccount van EM op het onlineverkoopplatform eBay. Hiervoor heeft werknemer F. de gebruikersnaam en het wachtwoord van EM op dat verkoopplatform gebruikt.
26 Wat betreft de wijze waarop deze werknemer kennis heeft gekregen van de gebruikersnaam en het wachtwoord bevestigt de directeur van NTH dat werknemer F. ontdekte dat EM dat platform gebruikte door de browsegeschiedenis te raadplegen van de computer die NTH toebehoort en die door EM werd gebruikt, en dat hij het wachtwoord heeft achterhaald door een „familiedossier” te raadplegen dat op haar server was aangemaakt. EM verklaart echter dat zij dat wachtwoord niet had opgeslagen in de digitale opslag van NTH. EM stelt daarentegen dat de mobiele telefoon die zij gebruikte en op naam van het bedrijf was geregistreerd door de directeur van NTH als verloren werd opgegeven teneinde een nieuwe simkaart (subscriber identity module-kaart, abonnee-identiteitsmodulekaart) bij de betrokken telefoonmaatschappij te kunnen aanvragen. Hierdoor kon hij het aan die telefoon gekoppelde telefoonnummer gebruiken om op dat platform het wachtwoord van haar privéaccount te wijzigen en er toegang toe te krijgen.
27 De verwijzende rechter sluit niet uit dat de wijze waarop NTH de gegevens heeft verzameld om op de hoogte te zijn van de verkopen van EM op het onlineverkoopplatform eBay, onrechtmatig was.
28 Hoe dan ook geeft deze rechter aan dat hij geneigd is om aan te nemen dat de gegevens die NTH heeft verzameld een gegevensverwerking in de zin van de AVG vormen.
29 Volgens de verwijzende rechter kan uit de rechtspraak van het Hof echter niet duidelijk worden opgemaakt, allereerst, of de regels van het Duitse procesrecht voldoende nauwkeurig zijn om aan de vereisten van de AVG te voldoen, met name inzake de criteria die moeten worden toegepast om te bepalen in welke omstandigheden het gebruik van dergelijke gegevens verboden is, vervolgens, of de Duitse rechters zich op artikel 17, lid 3, onder e), AVG kunnen beroepen om die gegevens in het kader van de uitoefening van hun rechterlijke taak te verwerken, en ten slotte, welke criteria gelden wanneer uitvoerig moet worden beoordeeld of de verwerking van gegevens in het kader van de uitoefening van deze taak is toegestaan, in het bijzonder wanneer, zoals in het onderhavige geval, gegevens mogelijk op onrechtmatige wijze door een partij zijn verzameld.
30 In het bijzonder wijst de verwijzende rechter er in de eerste plaats op dat, krachtens artikel 6, lid 3, eerste alinea, AVG, de rechtsgrond voor de in lid 1, eerste alinea, onder c) en e), van dat artikel bedoelde verwerking, bij gebreke van Unierechtelijke bepalingen, wordt bepaald door het lidstatelijke recht dat op de verwerkingsverantwoordelijke van toepassing is en waarin – volgens de lezing van deze rechter van artikel 6, lid 3, tweede alinea, AVG – het doel van de verwerking moet worden vastgesteld. Bovendien stelt de verwijzende rechter dat uit de rechtspraak van het Hof in het arrest van 24 februari 2022, Valsts ieņēmumu dienests (Verwerking van persoonsgegevens voor fiscale doeleinden) (C‑175/20, EU:C:2022:124, punt 83), volgt dat de regeling waarop de verwerking is gebaseerd, om te voldoen aan het evenredigheidsvereiste, waarvan artikel 5, lid 1, onder c), AVG een specifieke uitdrukking vormt, duidelijke en nauwkeurige regels moet bevatten over de reikwijdte en de toepassing van de betrokken maatregel, alsmede minimumvereisten moet opleggen en in het bijzonder moet aangeven in welke omstandigheden en onder welke voorwaarden een maatregel die in een dergelijke verwerking voorziet, kan worden genomen.
31 Bijgevolg vraagt de verwijzende rechter zich af of artikel 6, lid 3, tweede alinea, AVG aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een rechter in de uitoefening van zijn rechterlijke taak een handeling vaststelt die een inmenging in de grondrechten van een partij inhoudt en de daarmee verband houdende gegevensverwerking verricht, het volstaat dat deze verwerking noodzakelijk is voor de uitvoering van een taak van algemeen belang of een taak die deel uitmaakt van de uitoefening van het openbaar gezag, dan wel of, met name gelet op artikel 8, lid 2, van het Handvest, moet worden geëist dat de rechtsgrondslag voor die verwerking preciseringen bevat over de omstandigheden waarin en de voorwaarden waaronder de door de partijen overgelegde gegevens door die rechter kunnen worden gebruikt.
32 Indien het Hof tot de slotsom komt dat voor de rechterlijke verwerking die met inmengingen in grondrechten gepaard gaan wettelijke regelingen vereist zijn die dergelijke preciseringen bevatten, wenst de verwijzende rechter te vernemen of nationale regels als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, voldoen aan de vereisten van de AVG. Deze regels bevatten namelijk geen aanwijzingen over de voorwaarden die vervuld moeten zijn of over de criteria die moeten worden afgewogen om te kunnen bepalen of een rechter rekening mag houden met de door een partij aangevoerde feiten of het door een partij aangeboden bewijs mag gebruiken. De verwijzende rechter vraagt zich met name af wat de gevolgen zijn van het ontbreken van een bepaling die de gevallen regelt waarin de betrokkene de persoonsgegevens waarop hij zich baseert, onrechtmatig heeft verkregen of wanneer hij zich baseert op bewijsmateriaal dat hij heeft verkregen door persoonsgegevens op onrechtmatige wijze te gebruiken. Hij vraagt zich ook af wat de invloed is van het feit dat de regels die in het Duitse recht het gebruik van dergelijke gegevens regelen, uitsluitend op rechtspraak zijn gebaseerd.
33 In de tweede plaats merkt de verwijzende rechter op dat het Bundesarbeitsgericht (hoogste federale rechter in arbeidszaken, Duitsland) in zijn rechtspraak heeft aangegeven dat uit artikel 17 AVG duidelijk volgt dat de verwerking van persoonsgegevens door een rechter zelfs mogelijk is wanneer het verzamelen van deze gegevens door een procespartij in een precontentieuze of buitengerechtelijke fase volgens de AVG of het nationale recht inzake gegevensbescherming onrechtmatig blijkt te zijn, zodat er geen reden is om het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing.
34 Hoewel artikel 17, lid 3, onder e), AVG nog steeds volgens het Bundesarbeitsgericht voorziet in een uitzondering op het recht op wissing van gegevens die onrechtmatig zijn verwerkt, voor zover deze verwerking „nodig” is voor de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering, heeft deze bepaling evenwel enkel betrekking op dat recht op gegevenswissing.
35 Hoe dan ook is de verwijzende rechter van oordeel dat de vraag rijst of artikel 6, lid 1, onder e), of artikel 9, lid 2, onder f), AVG de rechtsgrond vormt voor de verwerking van persoonsgegevens door nationale rechters in het kader van de uitoefening van hun rechterlijke taak, dan wel of zij zich ook kunnen beroepen op artikel 17, lid 3, onder e), AVG.
36 Voor het geval het Hof tot de slotsom zou komen dat artikel 17, lid 3, onder e), AVG een dergelijke rechtsgrond kan vormen voor de verwerking die wordt verricht in het kader van de uitoefening van de rechterlijke taak van de nationale rechters, vraagt de verwijzende rechter zich af hoe deze bepaling moet worden toegepast en of die bepaling een verbod inhoudt om gegevens te gebruiken, bijvoorbeeld wanneer gegevens oorspronkelijk niet op verkapte wijze zijn verzameld en de gegevensverzameling is gebruikt om een opzettelijk plichtverzuim aan te tonen.
37 In de derde plaats vraagt de verwijzende rechter zich af welke inhoudelijke criteria moeten gelden voor de gegevensverwerkingen in het kader van de uitoefening van een rechterlijke taak.
38 In het bijzonder vraagt deze rechter zich ten eerste af of de nationale rechters in het geval van onrechtmatig verkregen gegevens waarvan de authenticiteit en de materiële juistheid als zodanig niet worden betwist, een evenredigheidstoetsing en een grondige afweging van de betrokken belangen moeten verrichten. De verwijzende rechter stelt zich tevens de vraag of die rechters moeten beoordelen of een dergelijke situatie dient te worden onderscheiden van die waarin de andere partij zowel de wijze van verkrijging van de betrokken gegevens als onrechtmatig betwist als de authenticiteit en/of de materiële juistheid ervan.
39 Ten tweede benadrukt de verwijzende rechter dat EM het computersysteem van NTH reeds lang niet meer had gebruikt toen laatstgenoemde met het oog op het hoofdgeding een aantal van de daarin opgeslagen gegevens verzameld heeft. Bovendien merkt deze rechter op dat artikel 5, lid 1, onder e), AVG in essentie bepaalt dat persoonsgegevens niet langer mogen worden bewaard dan voor de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt noodzakelijk is. Hij vraagt zich dan ook af welke gevolgen voor de toepassing van deze bepaling moeten worden getrokken uit het feit dat die gegevens lang geleden waren verzameld, en zelfs gedurende een lange periode waren bewaard, en ten slotte dat er contractuele verplichtingen tot gegevenswissing waren die niet zijn nagekomen.
40 Ten derde vraagt de verwijzende rechter zich af of het voldoende is dat een partij zich beroept op een algemeen belang bij het voorleggen van bewijs, dan wel of het Unierecht niet vereist dat rekening wordt gehouden met andere aspecten waaruit blijkt dat het belang bij het verkrijgen van bewijs bescherming verdient ondanks de aantasting van het recht van de andere partij.
41 Ten vierde vraagt deze rechter zich af of de verzoekende werkgever zich in een situatie als die van het hoofdgeding kan beroepen op artikel 47, lid 2, van het Handvest om de door hem verzamelde en verwerkte persoonsgegevens te rechtvaardigen, en welke gevolgen moeten worden verbonden aan het feit dat die werkgever zijn informatieplichten krachtens artikel 13 AVG mogelijk niet is nagekomen.
42 Ten vijfde merkt de verwijzende rechter op dat het Hof in punt 55 van het arrest van 2 maart 2023, Norra Stockholm Bygg (C‑268/21, EU:C:2023:145), heeft geoordeeld dat de nationale rechter, om rekening te houden met artikel 5, lid 1, AVG en met name met het in punt c) van die bepaling neergelegde beginsel van „minimale gegevensverwerking”, moet bepalen of het verstrekken van persoonsgegevens toereikend en ter zake dienend is om het door de toepasselijke bepalingen van nationaal recht nagestreefde doel te verwezenlijken en of dit doel niet kan worden bereikt door gebruik te maken van minder indringende bewijzen met het oog op de bescherming van de persoonsgegevens van een groot aantal derden, zoals bijvoorbeeld door het horen van bepaalde getuigen. Hij vraagt zich dus af of deze oplossing kan worden toegepast op het onderhavige geval, aangezien bijvoorbeeld de gegevens van de kopers van het onlineverkoopplatform eBay betrokken zouden kunnen zijn.
43 In deze omstandigheden heeft het Landesarbeitsgericht Niedersachsen de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
„1) Voldoen de regelingen van artikel 92 [van de grondwet van de Bondsrepubliek Duitsland], alsook §§ 138, 286, 355 e.v. [van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, in de versie die op het hoofdgeding van toepassing is], in het geval van een onder artikel 6, lid 1, onder e), en lid 3, [AVG] vallende autonome gegevensverwerking in het kader van de [uitoefening van de] rechterlijke taak, aan het uit artikel 8, lid 2, en artikel 52, lid 1, van het [Handvest] en uit artikel 5, lid 1, onder c), [AVG] voortvloeiende lex-certavereiste, voor zover de gegevensverwerking in het kader van de uitoefening van de rechterlijke taak gepaard gaat met inmengingen in grondrechten van een partij of een derde?
2) a) Kan een nationale rechter bij de verwerking van gegevens – met name persoonsgegevens – zich erop beroepen dat deze verwerking hem op grond van artikel 17, lid 3, onder e), AVG is toegestaan of vormen uitsluitend de artikelen 6 en 9 AVG de grondslag voor een gegevensverwerking in het kader van de uitoefening van de rechterlijke taak?
b) Indien artikel 17, lid 3, onder e), AVG in beginsel een juridische basis voor gegevensverwerking in het kader van de [uitoefening van de] rechterlijke taak kan vormen:
aa) Geldt dit dan ook voor gevallen waarin deze gegevens oorspronkelijk op onrechtmatige wijze door een procespartij of een derde zijn verzameld?
bb) Leidt de verwerking van oorspronkelijk onrechtmatig verzamelde gegevens volgens het algemeen geldende beginsel van goede trouw [artikel 5, lid 1, onder a), AVG] in het afgeleide recht tot een beperking van de verwerking in het kader van de uitoefening van de rechterlijke taak, in die zin dat artikel 17, lid 3, onder e), AVG slechts onder bepaalde voorwaarden of binnen bepaalde grenzen van toepassing is?
cc) Is de regeling van artikel 17, lid 3, onder e), AVG aldus te verstaan dat een verbod op het gebruik in het kader van de uitoefening van de rechterlijke taak van oorspronkelijk onrechtmatig verkregen gegevens niet geldt – dus dat de rechter deze gegevens moet gebruiken – wanneer de gegevens oorspronkelijk niet op verkapte wijze zijn verzameld en deze zijn gebruikt om een opzettelijk plichtverzuim aan te tonen?
3) Ongeacht of de gegevensverwerking in het kader van de uitoefening van de rechterlijke taak, onder artikel 17, lid 3, onder e), of artikel 6, lid 1, [eerste alinea,] onder c) of e), artikel 6, lid 3, dan wel artikel 9 AVG of andere Unierechtelijke voorschriften valt:
a) Volgt uit de op de regels inzake de bescherming van persoonsgegevens betrekking hebbende beginselen van noodzakelijkheid en minimale gegevensverwerking als bedoeld in artikel 52, lid 1, tweede volzin, van het Handvest en artikel 5, lid 1, onder a), AVG, met name met het oog op de verwerking van gegevens die oorspronkelijk onrechtmatig zijn verzameld of opgeslagen, de noodzaak van een omvattende evenredigheidstoets en afweging door de rechter?
b) Welke gevolgen heeft artikel 5, lid 1, onder e), AVG, waarin is bepaald dat persoonsgegevens niet langer mogen worden bewaard dan voor het doeleinde ervan noodzakelijk is, voor de daaropvolgende gegevensverwerking in het kader van de uitoefening van de rechterlijke taak, met name in het geval dat
– het oorspronkelijke verzamelen van gegevens een ander doel had, of
– het oorspronkelijke onrechtmatige verzamelen van gegevens lang geleden plaatsvond, of
– een onrechtmatige opslag gedurende langere perioden in stand bleef, of
– het onrechtmatige verzamelen van gegevens betrekking heeft op gegevens die lang geleden – eventueel onrechtmatig – zijn opgeslagen, of
– de instantie dan wel de persoon die de gegevens heeft verwerkt of verzameld zich eenzijdig, op grond van een individuele overeenkomst of op grond van collectief recht ertoe verbindt om deze gegevens binnen een bepaalde periode te wissen, maar dit niet heeft gedaan?
c) Vloeit uit het Unierecht, met name uit artikel 8 van het Handvest, artikel 6, lid 1, [eerste alinea,] onder c) of e), artikel 6, lid 3, en artikel 9 AVG voort dat de nationale rechter bewijs dat is verkregen onder schending van persoonsrechten, slechts mag gebruiken wanneer de partij die de bewijslast draagt daarbij een legitiem belang heeft dat verder gaat dan eenvoudigweg het belang van het gebruik als bewijs, of vloeien uit het Unierecht in dit verband geen vereisten voort zodat het aan de nationale rechtsorde staat om hiervoor regelingen te treffen?
d) Volgt uit artikel 47, tweede alinea, van het Handvest, dat het recht op effectieve rechterlijke bescherming en met name op een eerlijk proces waarborgt, op grond van welk recht de partijen in een rechtsgeding in beginsel de mogelijkheid moeten hebben om voldoende te motiveren voor welk doel zij rechterlijke bescherming wensen en daarvoor bewijs te leveren, dat de verwerking in het kader van de rechterlijke taak van door de werkgever onrechtmatig verzamelde persoonsgegevens van de verzoekende werknemer alleen als onredelijk en onevenredig in engere zin kan worden aangemerkt wanneer het verzamelen van gegevens volgens het Unierecht een ernstige schending van de artikelen 7 en 8 van het Handvest is gebleken en andere mogelijke sancties voor de werkgever (bijvoorbeeld een schadevergoeding als bedoeld in artikel 82 AVG en het opleggen van administratieve geldboeten als bedoeld in artikel 83 AVG) geheel ontoereikend zouden zijn, of kan een onredelijkheid of onevenredigheid reeds uit andere, minder ernstige schendingen van het gegevensbeschermingsrecht bij de oorspronkelijke verzameling van gegevens voortvloeien?
e) Moet de rechter, bij zijn beslissing of hij de oorspronkelijk door een partij of derde verzamelde gegevens gebruikt voor een gegevensverwerking in het kader van de uitoefening van zijn rechterlijke taak, rekening houden met het feit of degene die de gegevens heeft verzameld zijn informatieplichten als bedoeld in artikel 13 AVG al dan niet heeft nageleefd? Zo ja: onder welke voorwaarden en volgens welke criteria moet de rechter hiermee rekening houden?
f) Strekt de verplichting voor de rechter om bij de verwerking van persoonsgegevens de AVG en het Handvest in acht te nemen, zich ook uit tot de persoonsgegevens van derden? Welke gevolgen heeft een eventuele schending jegens derden van het gegevensbeschermingsrecht die is begaan bij de oorspronkelijke verzameling van gegevens, voor de daaropvolgende gegevensverwerking door de rechter in het kader van de uitoefening van zijn rechterlijke taak in een geding tussen twee partijen? Kan een partij zich beroepen op een schending die niet jegens haarzelf maar jegens derden heeft plaatsgevonden, of niet?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Ontvankelijkheid
44 Vooraf zij eraan herinnerd dat er volgens vaste rechtspraak weliswaar een vermoeden van relevantie rust op de vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is om de juistheid te onderzoeken, maar dat dergelijke vragen niet-ontvankelijk zijn wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het opgeworpen vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen [zie in die zin arrest van 18 juni 2024, Bundesrepublik Deutschland (Gevolgen van een beslissing tot toekenning van de vluchtelingenstatus), C‑753/22, EU:C:2024:524, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
45 In casu moet worden opgemerkt dat de verwijzende rechter in zijn vragen herhaaldelijk verwijst naar artikel 9 AVG, dat betrekking heeft op bijzondere categorieën van persoonsgegevens, te weten gegevens waaruit ras of etnische afkomst, politieke opvattingen, religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen, of het lidmaatschap van een vakbond blijken, alsmede genetische en biometrische gegevens, voor zover deze worden verwerkt met het oog op de unieke identificatie van een natuurlijke persoon, of gegevens over gezondheid, of gegevens met betrekking tot iemands seksueel gedrag of seksuele gerichtheid.
46 Aangezien uit het dossier waarover het Hof beschikt blijkt dat het hoofdgeding geen betrekking heeft op dergelijke gegevens, moeten de prejudiciële vragen van de verwijzende rechter niet-ontvankelijk worden geacht voor zover zij betrekking hebben op de uitlegging van artikel 9 AVG.
Eerste vraag
47 Om te beginnen zij opgemerkt dat de gestelde vraag berust op de premisse dat de verwerking van persoonsgegevens door een rechter in het kader van de uitoefening van zijn rechterlijke taak enkel kan worden gebaseerd op artikel 6, lid 1, onder e), AVG, dat betrekking heeft op de verwerking van persoonsgegevens die noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen.
48 Ten eerste moet worden opgemerkt dat in bepaalde situaties voor dezelfde verwerking meerdere alternatieve rechtmatigheidsvoorwaarden kunnen gelden.
49 Ten tweede kunnen bepaalde verwerkingen van persoonsgegevens door een rechter weliswaar worden geacht noodzakelijk te zijn om een dergelijke taak van algemeen belang of een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag te vervullen, maar geldt voor de verwerking van persoonsgegevens die een rechter, zoals in het hoofdgeding, naar aanleiding van de bewijsaanbiedingen van de partijen kan verrichten specifiek dat zij in beginsel noodzakelijk is om te voldoen aan de op die rechter rustende wettelijke verplichting om uitspraak te doen over de toelaatbaarheid van deze bewijsaanbiedingen en, wanneer zij toelaatbaar zijn verklaard in het licht van de daartoe in het nationale recht vastgestelde criteria, om daarmee rekening te houden bij het nemen van zijn beslissing.
50 Het Hof is dan ook van oordeel dat, om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven, de verschillende vragen die in de onderhavige zaak zijn voorgelegd, moeten worden onderzocht in het licht van artikel 6, lid 1, onder c), AVG, en niet in het licht van artikel 6, lid 1, onder e), van deze verordening.
51 In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag in essentie wenst te vernemen of artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder c), en lid 3, AVG, gelezen in het licht van artikel 8, lid 2, en artikel 52 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die, wat het gebruik van persoonsgegevens in het kader van het onderzoek van de feiten en de bewijsvoering door een rechter betreft, enkel bepaalt dat het aan de partijen staat om omstandige en waarheidsgetrouwe feiten aan te voeren en deze rechter verplicht om deze gegevens volledig in aanmerking te nemen, alvorens in voorkomend geval daarover een beoordeling te verrichten, zonder aanwijzingen te bevatten over de omstandigheden waarin en de voorwaarden waaronder de door de partijen aangevoerde feiten en bewijzen die persoonsgegevens bevatten door die rechter kunnen worden gebruikt.
52 In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat het bij de huidige stand van het Unierecht uitsluitend een zaak van het nationale recht is om de regels vast te stellen met betrekking tot de aanvaarding en de beoordeling van feiten en bewijzen (zie in die zin arresten van 6 oktober 2020, La Quadrature du Net e.a., C‑511/18, C‑512/18 en C‑520/18, EU:C:2020:791, punt 223, en 5 april 2022, Commissioner of An Garda Síochána e.a., C‑140/20, EU:C:2022:258, punt 127).
53 Op grond van artikel 2, lid 1, AVG is deze verordening van toepassing op de „geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, alsmede op de verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen”, behoudens bepaalde in artikel 2, leden 2 en 3, van deze verordening bedoelde gevallen. Aangezien verwerkingen door rechters en andere gerechtelijke autoriteiten niet behoren tot de in artikel 2, leden 2 en 3, bedoelde gevallen, kan die verordening dus, zoals overigens wordt bevestigd in overweging 20 ervan, van toepassing zijn op verwerkingen door die rechters en autoriteiten.
54 Dienaangaande definieert artikel 4, punt 2, AVG het begrip „verwerking” als een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd via geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen, aligneren of combineren, afschermen, wissen of vernietigen van gegevens.
55 Uit het feit dat daarbij de uitdrukking „een bewerking” werd gebruikt, blijkt dat de Uniewetgever aan het begrip „verwerking” een ruime strekking heeft willen geven (arrest van 5 december 2023, Nacionalinis visuomenės sveikatos centras, C‑683/21, EU:C:2023:949, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
56 Het is juist dat een verwerking van persoonsgegevens slechts binnen het toepassingsgebied van de AVG valt indien die verwerking overeenkomstig artikel 2, lid 1, ervan geheel of gedeeltelijk geautomatiseerd is of, wanneer de verwerking niet-geautomatiseerd is, de betrokken gegevens in een bestand zijn opgenomen of bestemd zijn om daarin te worden opgenomen.
57 Evenwel moet, ten eerste, een verwerking van persoonsgegevens worden geacht geheel of gedeeltelijk geautomatiseerd te zijn in de zin van deze bepaling wanneer zij gepaard gaat met technische bewerkingen zonder menselijke tussenkomst (zie in die zin en naar analogie arrest van 6 november 2003, Lindqvist, C‑101/01, EU:C:2003:596, punt 26).
58 Ten tweede wordt een „bestand” in artikel 4, punt 6, AVG gedefinieerd als elk gestructureerd geheel van persoonsgegevens die volgens bepaalde criteria toegankelijk zijn, ongeacht of dit geheel gecentraliseerd of gedecentraliseerd is dan wel op functionele of geografische gronden is verspreid.
59 Zelfs indien de toelaatbaarheid van bewijsaanbiedingen niet onder de AVG valt, moet een rechter niettemin worden geacht persoonsgegevens te verwerken in de zin van deze verordening, met name wanneer hij documenten met persoonsgegevens toevoegt aan een dossier zoals dat van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde procedure, voor zover dit dossier onder het begrip „bestand” in de zin van artikel 2, lid 1, en artikel 4, punt 6, AVG valt.
60 Evenzo verricht een rechter een verwerking in de zin van de AVG wanneer dergelijke documenten in gedematerialiseerde vorm aan hem worden meegedeeld en hij deze gegevens raadpleegt, opvraagt, bewaart of gebruikt.
61 Aangezien elke doorzending van gegevens aan een andere verwerkingsverantwoordelijke dan de vorige een daarmee samenhangende gegevensverzameling door deze verwerkingsverantwoordelijke met zich meebrengt [zie in die zin arrest van 30 april 2024, La Quadrature du Net e.a. (Persoonsgegevens en bestrijding van namaak), C‑470/21, EU:C:2024:370, punt 62], moet een rechter met name worden geacht een dergelijke gegevensverzameling te verrichten wanneer hij op basis van gedematerialiseerde documenten die hem door een partij zijn overgelegd, bepaalde persoonsgegevens uit die documenten verzamelt.
62 In casu staat het aan de verwijzende rechter om in het licht van de voorgaande overwegingen na te gaan of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verwerkingen van persoonsgegevens kunnen worden geacht binnen het toepassingsgebied van de AVG te vallen, hetzij omdat het gaat om gegevens die volgens bepaalde criteria toegankelijk dienen te zijn vanuit het procesdossier van deze zaak, hetzij omdat zij geheel of gedeeltelijk geautomatiseerd zijn, wat met name het geval is indien het overgelegde bewijsmateriaal in gedematerialiseerde vorm is verstrekt en die verwerkingen erin bestonden dat persoonsgegevens op basis van dit bewijsmateriaal werden geraadpleegd, opgevraagd, bewaard of gebruikt.
63 In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat het hoofddoel van de AVG – zoals dat met name blijkt uit artikel 1 en uit de overwegingen 1, 2, 7 en 10 van deze verordening – bestaat in het waarborgen van een hoog niveau van bescherming van de fundamentele vrijheden en de grondrechten van natuurlijke personen, in het bijzonder van hun in artikel 8, lid 1, van het Handvest en artikel 16, lid 1, VWEU erkende recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met de verwerking van persoonsgegevens (zie in die zin arrest van 4 oktober 2024, Koninklijke Nederlandse Lawn Tennisbond, C‑621/22, EU:C:2024:858, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
64 Overeenkomstig deze doelstelling moet bij elke verwerking van persoonsgegevens die binnen het toepassingsgebied van de AVG valt, opdat die verwerking rechtmatig zou zijn, de in hoofdstuk II van deze verordening neergelegde beginselen en de in hoofdstuk III van die verordening genoemde rechten van de betrokkenen worden geëerbiedigd (zie in die zin arrest van 2 maart 2023, Norra Stockholm Bygg, C‑268/21, EU:C:2023:145, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
65 Krachtens artikel 6, lid 1, eerste alinea, AVG is een verwerking van persoonsgegevens die binnen het toepassingsgebied van deze verordening valt, slechts rechtmatig indien en voor zover zij ten minste aan één van de in die bepaling genoemde alternatieve rechtmatigheidsvoorwaarden voldoet [zie in die zin arrest van 5 juni 2023, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid en privéleven van rechters), C‑204/21, EU:C:2023:442, punt 335 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
66 Wat een verwerking betreft die is gebaseerd op de alternatieve rechtmatigheidsvoorwaarde van artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder c), AVG bepaalt artikel 6, lid 3, eerste alinea, AVG dat de rechtsgrond voor die verwerking moet worden vastgesteld bij Unierecht of bij het lidstatelijke recht dat op de verwerkingsverantwoordelijke van toepassing is.
67 Aangezien het Unierecht geen regels bevat betreffende de wijze waarop de feiten worden uiteengezet en het bewijs wordt geleverd voor de nationale rechters, vereist artikel 6, lid 3, eerste alinea, AVG derhalve dat een verwerking van persoonsgegevens die plaatsvindt op grond van deze alternatieve rechtmatigheidsvoorwaarde, een rechtsgrondslag heeft in het nationale recht (zie in die zin arrest van 2 maart 2023, Norra Stockholm Bygg, C‑268/21, EU:C:2023:145, punt 32).
68 Wat betreft de vorm en de inhoud die deze rechtsgrondslag moet hebben, en onverminderd de vereisten die gelden voor het geval bedoeld in de derde volzin van artikel 6, lid 3, AVG, wordt in die bepaling met betrekking tot verwerkingen als bedoeld in artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder c), enkel vereist dat het doel van deze verwerking in deze rechtsgrondslag is vastgesteld, dat die grondslag beantwoordt aan een doelstelling van algemeen belang en dat deze evenredig is aan dat doel.
69 Daarentegen blijkt uit artikel 6, lid 3, AVG of uit enige andere bepaling van deze verordening niet dat de doelstelling die met die rechtsgrondslag in het nationale recht wordt nagestreefd daarin moet worden vermeld, met dien verstande dat onder „doelstelling” de algemene doeleinden van de betrokken verwerking moeten worden begrepen en onder „doel” de specifieke en concrete doeleinden van die verwerking [zie in die zin arrest van 20 november 2025, Policejní prezidium (Opslag van biometrische en genetische gegevens), C‑57/23, EU:C:2025:905, punt 81].
70 Het is juist dat wanneer de wetgever van een lidstaat op grond van artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder c), AVG een rechtsgrondslag vaststelt die verwerkingen toestaat, deze wetgever het Unierecht ten uitvoer brengt, zodat een dergelijke rechtsgrondslag krachtens artikel 51 van het Handvest in overeenstemming moet zijn met het Handvest.
71 Zoals de verwijzende rechter benadrukt, heeft het Hof uit artikel 8, lid 2, van het Handvest – dat op zijn beurt slechts het vereiste van artikel 52 van het Handvest weerspiegelt en concretiseert volgens hetwelk elke beperking op de uitoefening van de in het Handvest erkende grondrechten met name bij wet moet worden gesteld [zie in die zin arrest van 20 november 2025, Policejní prezidium (Opslag van biometrische en genetische gegevens), C‑57/23, EU:C:2025:905, punt 51] – afgeleid dat elke rechtsgrond die een inmenging in het recht op bescherming van persoonsgegevens toestaat, zelf de reikwijdte moet vaststellen van de beperking op de uitoefening van dit recht die daaruit kan voortvloeien (zie in die zin arrest van 6 oktober 2020, Privacy International, C‑623/17, EU:C:2020:790, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
72 Voorts heeft het Hof met betrekking tot het in artikel 52 van het Handvest gestelde vereiste geoordeeld dat elke inmenging in het recht op bescherming van persoonsgegevens moet plaatsvinden met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, hetgeen vereist dat elke regeling die tot een dergelijke inmenging leidt, duidelijke en precieze regels bevat die de draagwijdte en de toepassing van de betrokken maatregel regelen en minimale vereisten opleggen, zodat de personen van wie de persoonsgegevens worden verwerkt over voldoende garanties beschikken dat die gegevens doeltreffend worden beschermd tegen het risico van misbruik en tegen elke onrechtmatige raadpleging en elk onrechtmatig gebruik van die gegevens [zie in die zin arresten van 24 februari 2022, Valsts ieņēmumu dienests (Verwerking van persoonsgegevens voor fiscale doeleinden), C‑175/20, EU:C:2022:124, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 16 november 2023, Roos e.a./Parlement, C‑458/22 P, EU:C:2023:871, punt 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
73 In het bijzonder moet de rechtsgrondslag voor een gegevensverwerking aangeven in welke omstandigheden en onder welke voorwaarden een maatregel die voorziet in de verwerking van dergelijke gegevens kan worden genomen, en aldus waarborgen dat de inmenging tot het strikt noodzakelijke wordt beperkt (zie in die zin arrest van 16 juli 2020, Facebook Ireland en Schrems, C‑311/18, EU:C:2020:559, punt 176 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
74 Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft het Hof echter ook gepreciseerd dat het begrip „wet” dat in artikel 8, lid 2, van het Handvest wordt gebruikt in de uitdrukking „grondslag waarin de wet voorziet” moet worden opgevat in zijn materiële en niet in zijn formele betekenis (zie in die zin arrest van 16 november 2023, Roos e.a./Parlement, C‑458/22 P, EU:C:2023:871, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
75 Bovendien houdt die betekenis van het begrip „wet” in de uitdrukking „bij de wet is voorzien” in artikel 8, lid 2, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden volgens die rechtspraak van het EHRM in dat dit begrip ziet op de geldende tekst zoals uitgelegd door de bevoegde rechters (zie in die zin EHRM, 23 januari 2025, H. W. tegen Frankrijk, CE:ECHR:2025:0123JUD001380521, punt 65).
76 Overigens wordt in overweging 41 AVG uitdrukkelijk vermeld dat wanneer in deze verordening naar een rechtsgrond of een wetgevingsmaatregel wordt verwezen, dit niet noodzakelijkerwijs vereist dat een door een parlement vastgestelde wetgevingshandeling nodig is, onverminderd de vereisten overeenkomstig de grondwettelijke orde van de lidstaat in kwestie. Deze rechtsgrond of wetgevingsmaatregel moet evenwel duidelijk en nauwkeurig zijn, en de toepassing daarvan moet voorspelbaar zijn voor degenen op wie deze van toepassing is, zoals vereist door de rechtspraak van het Hof en het EHRM.
77 Bijgevolg moet het in artikel 6, lid 3, AVG neergelegde vereiste om te voorzien in een rechtsgrond voor elke verwerking die is gebaseerd op de alternatieve rechtmatigheidsvoorwaarden van artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder c) en e), van deze verordening aldus worden opgevat dat het niet noodzakelijkerwijs impliceert dat er sprake is van een wetgevingshandeling, aangezien het begrip „lidstatelijk recht dat op de verwerkingsverantwoordelijke van toepassing is” ook nationale rechtspraak kan omvatten, voor zover deze duidelijk en nauwkeurig is en de toepassing ervan voorspelbaar is voor degenen op wie deze van toepassing is (zie in die zin arrest van 12 september 2024, HTB Neunte Immobilien Portfolio en Ökorenta Neue Energien Ökostabil IV, C‑17/22 en C‑18/22, EU:C:2024:738, punten 71 en 72).
78 Aangezien artikel 6, lid 3, tweede alinea, AVG vereist dat de rechtsgrond van de betrokken verwerking beantwoordt aan een doelstelling van algemeen belang en evenredig is aan het nagestreefde gerechtvaardigde doel, moet dergelijke rechtspraak bovendien ook aan die voorwaarden voldoen (zie in die zin arrest van 12 september 2024, HTB Neunte Immobilien Portfolio en Ökorenta Neue Energien Ökostabil IV, C‑17/22 en C‑18/22, EU:C:2024:738, punt 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
79 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wettelijke bepalingen niet voorzien in de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan opdat bewijsmateriaal of feiten die persoonsgegevens bevatten die eerder onrechtmatig zijn verwerkt, als toelaatbaar worden beschouwd. Om zich ervan te vergewissen dat deze bepalingen in overeenstemming zijn met de AVG dient de verwijzende rechter derhalve na te gaan of deze het voorwerp uitmaken van duidelijke en nauwkeurige rechtspraak waarvan de toepassing voorspelbaar is, die zelf bepaalt in welke omstandigheden en onder welke voorwaarden de door de partijen aangevoerde feiten en overgelegde bewijzen die persoonsgegevens bevatten door een rechter kunnen worden gebruikt, die beantwoordt aan een doelstelling van algemeen belang en die evenredig is aan dat doel.
80 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder c), en lid 3, AVG, gelezen in het licht van artikel 8, lid 2, en artikel 52 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling die, wat de verwerking van persoonsgegevens in het kader van het onderzoek van de feiten en de bewijsvoering door een rechter betreft, enkel bepaalt dat het aan de partijen staat om omstandige en waarheidsgetrouwe feiten aan te voeren en deze rechter verplicht om deze gegevens volledig in aanmerking te nemen, alvorens in voorkomend geval daarover een beoordeling te verrichten, zonder aanwijzingen te bevatten over de omstandigheden waarin en de voorwaarden waaronder de door de partijen aangevoerde feiten en bewijzen die persoonsgegevens bevatten door die rechter kunnen worden gebruikt, voor zover er duidelijke en nauwkeurige nationale rechtspraak bestaat waarvan de toepassing voorspelbaar is, die zelf bepaalt in welke omstandigheden en onder welke voorwaarden de door de partijen aangevoerde feiten en overgelegde bewijzen die persoonsgegevens bevatten door een rechter kunnen worden gebruikt, die beantwoordt aan een doelstelling van algemeen belang en die evenredig is aan dat doel.
Tweede vraag, onder a)
81 Met zijn tweede vraag, onder a), wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 17, lid 3, onder e), AVG aldus moet worden uitgelegd dat het een alternatieve rechtmatigheidsvoorwaarde stelt waaraan een verwerking kan voldoen om in overeenstemming te zijn met artikel 5, lid 1, onder a), van deze verordening en die verschilt van een van de in artikel 6, lid 1, eerste alinea, AVG opgesomde voorwaarden.
82 In dit verband zij eraan herinnerd dat krachtens artikel 5, lid 1, onder a), AVG elke verwerking van persoonsgegevens met name rechtmatig moet zijn, hetgeen – zoals in punt 64 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht – impliceert dat die verwerking in overeenstemming moet zijn met alle in hoofdstuk II AVG neergelegde beginselen en de in hoofdstuk III ervan genoemde rechten van de betrokkenen moet eerbiedigen.
83 Een van deze beginselen is vervat in artikel 6, lid 1, eerste alinea, AVG, dat een uitputtende en limitatieve lijst bevat van de gevallen waarin de verwerking van persoonsgegevens als rechtmatig kan worden beschouwd. Om als zodanig te kunnen worden aangemerkt overeenkomstig artikel 5, lid 1, onder a), AVG moet een verwerking dus onder een van de gevallen van artikel 6, lid 1, eerste alinea, AVG vallen [zie in die zin arrest van 4 mei 2023, Bundesrepublik Deutschland (Gerechtelijke elektronische postbus), C‑60/22, EU:C:2023:373, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
84 Het is juist dat het recht van de betrokkenen om van de verwerkingsverantwoordelijke wissing van hun gegevens te verkrijgen, met name – zoals blijkt uit artikel 17, lid 1, onder d), AVG – wanneer deze gegevens onrechtmatig zijn verwerkt, krachtens artikel 17, lid 3, onder e), AVG, niet van toepassing is wanneer die verwerking nodig is voor de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering.
85 Dat artikel 17, lid 3, onder e), AVG een uitzondering op dat recht op gegevenswissing invoert, betekent echter niet dat deze bepaling aldus moet worden uitgelegd dat zij als zodanig een alternatieve, autonome rechtmatigheidsvoorwaarde stelt waarop een verwerking van persoonsgegevens die nodig is voor de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering kan worden gebaseerd om in overeenstemming te zijn met artikel 5, lid 1, onder a), AVG. Aangezien de lijst van alternatieve rechtmatigheidsvoorwaarden van artikel 6, lid 1, eerste alinea, AVG uitputtend en limitatief is, zoals blijkt uit punt 83 van het onderhavige arrest, kan de in artikel 17, lid 3, onder e), van deze verordening bedoelde situatie namelijk niet worden beschouwd als een dergelijke alternatieve rechtmatigheidsvoorwaarde.
86 Gelet op een en ander moet op de tweede vraag, onder a), worden geantwoord dat artikel 17, lid 3, onder e), AVG aldus moet worden uitgelegd dat deze bepaling geen alternatieve rechtmatigheidsvoorwaarde stelt waaraan een verwerking kan voldoen om in overeenstemming te zijn met artikel 5, lid 1, onder a), AVG en die verschilt van een van de in artikel 6, lid 1, eerste alinea, AVG opgesomde voorwaarden.
Tweede vraag, onder b)
87 Gelet op het antwoord op de tweede vraag, onder a), hoeft de tweede vraag, onder b), niet te worden beantwoord.
Derde vraag, onder a)
88 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat het beginsel van „minimale gegevensverwerking”, waarop de derde vraag, onder a), uitsluitend betrekking heeft, niet is opgenomen in artikel 5, lid 1, onder a), AVG, zoals de verwijzende rechter lijkt aan te nemen in het licht van de bewoordingen van deze vraag, maar in artikel 5, lid 1, onder c), AVG.
89 Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt bovendien dat de verwijzende rechter, wanneer hij verwijst naar een evenredigheidstoets van de voorgenomen verwerking en een omvattende „afweging” van de betrokken belangen, zich afvraagt of het krachtens artikel 52, lid 1, tweede volzin, van het Handvest noodzakelijk is om voor elke verwerking van persoonsgegevens na te gaan of de daarbij verwerkte gegevens geschikt zijn om het met die verwerking nagestreefde doel te verwezenlijken en daarvoor strikt noodzakelijk zijn, en of de ernst van de inmenging in de grondrechten als gevolg van het gebruik van die gegevens voor de uitvoering van de betrokken verwerking in verhouding staat tot het belang dat de verwerkingsverantwoordelijke heeft bij het gebruik van deze gegevens om die verwerking te verrichten.
90 Derhalve wenst de verwijzende rechter met zijn derde vraag, onder a), in essentie te vernemen of artikel 5, lid 1, onder c), AVG, gelezen in samenhang met artikel 52, lid 1, tweede volzin, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het beginsel van „minimale gegevensverwerking” vereist dat een rechter ervoor zorgt dat bij elke door hem verrichte verwerking van persoonsgegevens het evenredigheidsbeginsel wordt geëerbiedigd door zich ervan te vergewissen dat de daarbij verwerkte gegevens geschikt en strikt noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van het met die verwerking nagestreefde doel, en dat de ernst van de inmenging in de grondrechten als gevolg van het gebruik van die gegevens voor de uitvoering van de betrokken verwerking in verhouding staat tot het belang dat deze rechter heeft bij het gebruik van die gegevens om die verwerking te verrichten.
91 In dit verband blijkt vooreerst uit artikel 52, lid 1, tweede volzin, van het Handvest dat met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel slechts beperkingen kunnen worden gesteld aan de uitoefening van de in het Handvest gewaarborgde grondrechten indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
92 Meer in het bijzonder moeten uitzonderingen op en beperkingen van de bescherming van persoonsgegevens binnen de grenzen van het strikt noodzakelijke blijven, met dien verstande dat wanneer er een keuze mogelijk is tussen meerdere geschikte maatregelen voor de verwezenlijking van de rechtmatig nagestreefde doelstellingen, de maatregel moet worden gekozen die het minst belastend is. Bovendien kan een doelstelling van algemeen belang niet rechtmatig worden nagestreefd zonder dat er rekening mee wordt gehouden dat deze doelstelling moet worden verzoend met de door de maatregel aangetaste grondrechten via een evenwichtige afweging tussen de doelstelling van algemeen belang en de op het spel staande rechten, om ervoor te zorgen dat de nadelen die door die maatregel worden veroorzaakt niet onevenredig zijn aan het nagestreefde doel. Bijgevolg moet de mogelijkheid om een beperking van de door de artikelen 7 en 8 van het Handvest gewaarborgde rechten te rechtvaardigen worden beoordeeld door de ernst te bepalen van de inmenging die een dergelijke beperking meebrengt, en moet er worden nagegaan of het belang van de met die beperking nagestreefde doelstelling van algemeen belang in verhouding staat tot die ernst (arrest van 21 maart 2024, Landeshauptstadt Wiesbaden, C‑61/22, EU:C:2024:251, punt 83 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
93 Bijgevolg vereist de eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel dat beperkingen op de door het Handvest gewaarborgde grondrechten slechts kunnen worden gesteld indien, ten eerste, de betrokken maatregel een of meer door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang nastreeft en daadwerkelijk geschikt is om die doelstellingen te verwezenlijken, ten tweede, de daaruit voortvloeiende inmengingen beperkt blijven tot het strikt noodzakelijke, in die zin dat die doelstellingen redelijkerwijs niet even doeltreffend kunnen worden bereikt op een andere wijze die de grondrechten van de betrokken personen minder aantast en, ten derde, die inmengingen niet onevenredig zijn aan de doelstellingen in kwestie, wat met name een afweging vereist van die doelstellingen en van de ernst van die inmengingen (arrest van 21 maart 2024, Landeshauptstadt Wiesbaden, C‑61/22, EU:C:2024:251, punt 84 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
94 Voorts bepaalt artikel 5, lid 1, onder c), AVG dat de persoonsgegevens die worden verwerkt, toereikend en ter zake dienend moeten zijn en beperkt moeten blijven tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, zodat bij de verwerking van persoonsgegevens het beginsel van „minimale gegevensverwerking” in acht moet worden genomen [zie in die zin arrest van 22 juni 2021, Latvijas Republikas Saeima (Strafpunten), C‑439/19, EU:C:2021:504, punt 104].
95 Hoewel dit beginsel een „uitdrukking” is van het evenredigheidsbeginsel [zie in die zin arrest van 9 januari 2025, Mousse, C‑394/23, EU:C:2025:2, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak], betekent dit nog niet dat deze bepaling op zich uitvoering geeft aan het evenredigheidsbeginsel en dus aan de drie in punt 91 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte voorwaarden.
96 In dit verband zij opgemerkt dat de vereisten van artikel 5, lid 1, onder c), AVG, die volstaan om te rechtvaardigen dat deze bepaling kan worden beschouwd als een uitdrukking van het evenredigheidsbeginsel, waarborgen dat de keuze om gebruik te maken van bepaalde gegevens in plaats van andere voldoet aan de eerste twee voorwaarden die voortvloeien uit de eerbiediging van dat beginsel.
97 Ten eerste blijkt uit de betekenis zelf van de begrippen „toereikend” en „ter zake dienend” dat, wanneer gegevens aan deze twee vereisten voldoen, zij geschikt zijn om de doeleinden van de betrokken verwerking te verwezenlijken en a fortiori de doelstelling van die verwerking te bereiken. Ten tweede zijn deze gegevens, aangezien zij beperkt zijn tot hetgeen noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, ook beperkt tot wat noodzakelijk is voor de meer algemene doelstelling die wordt nagestreefd wanneer is besloten om voor de betrokken verwerking gebruik te maken van die gegevens.
98 Wat de derde in punt 91 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte voorwaarde betreft, moet worden vastgesteld dat het voldoen aan een van de in artikel 6, lid 1, eerste alinea, AVG genoemde alternatieve rechtmatigheidsvoorwaarden in beginsel reeds van dien aard is dat de verwerkingen waaraan de gegevens in kwestie kunnen worden onderworpen, worden beperkt tot die welke niet alleen noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van een legitiem doel, maar ook een gerechtvaardigd belang vertonen dat zwaarder weegt dan de ernst van de inmenging in de door de artikelen 7 en 8 van het Handvest gewaarborgde grondrechten die deze verwerkingen met zich meebrengen.
99 Wat de onder artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder c), AVG vallende verwerkingen betreft, te weten verwerkingen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust, bepaalt artikel 6, lid 3, tweede alinea, AVG dan ook uitdrukkelijk dat het Unierecht of het lidstatelijke recht – dat de rechtsgrond vormt voor dergelijke verwerkingen en dus de verplichting bevat waarvan de eerbieding vereist dat tot de verwerkingen wordt overgegaan – moet beantwoorden aan een doelstelling van algemeen belang en evenredig moet zijn met het nagestreefde gerechtvaardigde doel.
100 Aldus legt laatstgenoemde bepaling uitdrukkelijk het vereiste vast dat de wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust en die de basis vormt voor de verwerking van persoonsgegevens, het resultaat is van een afweging, bij de vaststelling van deze rechtsgrond, tussen de in de artikelen 7 en 8 van het Handvest neergelegde grondrechten op eerbiediging van het privéleven en op bescherming van persoonsgegevens enerzijds, en de doelstellingen die rechtmatig worden nagestreefd door het Unierecht of het lidstatelijke recht anderzijds (zie naar analogie arrest van 4 oktober 2024, Agentsia po vpisvaniyata, C‑200/23, EU:C:2024:827, punt 124 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
101 Aangezien overeenkomstig artikel 5, lid 1, onder c), AVG voor het verrichten van verwerkingen alleen gegevens mogen worden gebruikt die toereikend zijn, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de nagestreefde doeleinden, zullen, wanneer die verplichting het resultaat is van een dergelijke afweging, de gegevens die aan dergelijke vereisten voldoen noodzakelijkerwijs alleen die gegevens zijn waarvan de verwerking een gerechtvaardigd belang vertoont dat zwaarder weegt dan de ernst van de inmenging in de door de artikelen 7 en 8 van het Handvest gewaarborgde grondrechten die met die verwerkingen gepaard gaat.
102 Wat betreft de verwerkingen van persoonsgegevens die een rechter moet uitvoeren in het kader van het onderzoek van de bewijsaanbiedingen van de partijen, zij vastgesteld dat die verwerkingen noodzakelijk zijn voor de eerbiediging van het recht op een eerlijk proces, zodat deze rechter, om te voldoen aan het beginsel van „minimale gegevensverwerking”, enkel hoeft na te gaan of de door hem verwerkte gegevens voldoen aan de voorwaarden van artikel 5, lid 1, onder c), AVG, zonder in dit verband specifiek – en dus naast de verplichting van artikel 6, lid 3, tweede alinea, AVG dat de rechtsgrond die de betrokken verwerkingen oplegt evenredig is aan het nagestreefde gerechtvaardigde doel – de betrokken belangen tegen elkaar te hoeven afwegen, ongeacht of deze afweging omvattend is of niet.
103 Gelet op een en ander moet op de derde vraag, onder a), worden geantwoord dat artikel 5, lid 1, onder c), AVG, gelezen in samenhang met artikel 52, lid 1, tweede volzin, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het beginsel van „minimale gegevensverwerking” niet vereist dat een rechter ervoor zorgt dat bij elke door hem verrichte verwerking van persoonsgegevens het evenredigheidsbeginsel wordt geëerbiedigd door zich ervan te vergewissen dat de daarbij verwerkte gegevens geschikt en strikt noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van het met die verwerking nagestreefde doel, en dat de ernst van de inmenging in de grondrechten als gevolg van het gebruik van die gegevens voor de uitvoering van die verwerking in verhouding staat tot het belang dat deze rechter heeft bij het gebruik van die gegevens om die verwerking te verrichten, voor zover is voldaan aan de voorwaarden van artikel 5, lid 1, onder c), AVG.
Derde vraag, onder b) tot en met d)
104 Gelet op hetgeen in punt 49 van het onderhavige arrest is opgemerkt, moet worden aangenomen dat de verwijzende rechter met zijn derde vraag, onder b) tot en met d), in essentie wenst te vernemen of de artikelen 7 en 8 van het Handvest, artikel 5, lid 1, AVG, artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder c), AVG, gelezen in samenhang met artikel 6, lid 3, ervan, en het beginsel van „minimale gegevensverwerking” aldus moeten worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat een nationale rechter bewijzen gebruikt die persoonsgegevens bevatten en die in strijd met het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op bescherming van persoonsgegevens zijn verkregen door de partij die deze heeft overgelegd, wanneer die partij geen gerechtvaardigd belang bij een dergelijke verwerking heeft dat verder gaat dan het eenvoudigweg aantonen van de door haar aangevoerde feiten.
105 In dit verband moet ten eerste worden benadrukt dat het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op bescherming van persoonsgegevens, bedoeld in de artikelen 7 en 8 van het Handvest, weliswaar in bepaalde situaties in strijd kunnen zijn met het door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte, voor de verwerking van persoonsgegevens die onder de AVG vallen, maar dat de regelingen die het mogelijk maken om een juist evenwicht te vinden tussen de verschillende aan de orde zijnde grondrechten en belangen moeten worden geacht in deze verordening zelf te zijn vervat (zie in die zin arrest van 17 juni 2021, M.I.C.M., C‑597/19, EU:C:2021:492, punt 112).
106 In het bijzonder wordt de evenredigheid van mogelijke inbreuken op het recht op eerbiediging van het privéleven en op het recht op bescherming van persoonsgegevens als bedoeld in de artikelen 7 en 8 van het Handvest door een verwerking die binnen het toepassingsgebied van de AVG valt, gewaarborgd door de gecombineerde toepassing van de beginselen van artikel 5, lid 1, van deze verordening en de vereisten die inherent zijn aan elke alternatieve rechtmatigheidsvoorwaarde van artikel 6, lid 1, eerste alinea, van die verordening, in voorkomend geval gelezen in samenhang met artikel 6, lid 3, ervan.
107 Voor zover de voorwaarden voor een rechtmatige verwerking van persoonsgegevens op grond van die verordening zijn vervuld, wordt deze verwerking in beginsel derhalve ook geacht te voldoen aan de in de artikelen 7 en 8 van het Handvest neergelegde vereisten [arrest van 5 juni 2023, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid en privéleven van rechters), C‑204/21, EU:C:2023:442, punt 332].
108 Ten tweede en zoals de advocaat-generaal in punt 32 van zijn conclusie in essentie heeft benadrukt, verbiedt noch artikel 5, lid 1, AVG, noch een van de andere in de hoofdstukken II en III van deze verordening genoemde rechten en beginselen een overheidsinstantie, zoals een rechter, om rekening te houden met persoonsgegevens die eerder onrechtmatig, in de zin van die verordening, zijn verwerkt door de persoon die deze gegevens aan haar heeft overgelegd.
109 Het is juist dat artikel 5, lid 1, onder a), AVG als beginsel stelt dat een verwerking van persoonsgegevens niet alleen rechtmatig en transparant maar ook behoorlijk moet zijn.
110 Uit overweging 39 van deze verordening blijkt echter dat het doel van dit behoorlijkheidsbeginsel, dat samenvalt met het doel dat wordt nagestreefd met het transparantiebeginsel, erin bestaat ervoor te zorgen dat de betrokkenen op de hoogte zijn van het bestaan van een verwerking van hun persoonsgegevens en dat zij bij die gelegenheid de informatie ontvangen die zij nodig hebben om hun rechten uit te oefenen.
111 De gevolgen van het feit dat de verwerkte gegevens eerder het voorwerp zijn geweest van een onrechtmatige verwerking – in de zin van artikel 5, lid 1, onder a), van de AVG – door de partij die ze heeft overgelegd, hangen dan ook af van de alternatieve rechtmatigheidsvoorwaarde die de verwerkingsverantwoordelijke ter rechtvaardiging van die verwerking heeft ingeroepen. Sommige van deze alternatieve voorwaarden kunnen namelijk wegens de daarin gestelde vereisten niet van toepassing zijn wanneer er sprake is van dergelijke gegevens.
112 Wat de alternatieve rechtmatigheidsvoorwaarde van artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder f), AVG betreft, sluit het feit dat de verwerkingsverantwoordelijke wist of had moeten weten dat bepaalde hem verstrekte gegevens voordien onrechtmatig waren verzameld of bewaard uit dat het verzamelen van die gegevens door de verwerkingsverantwoordelijke na de verstrekking ervan kan worden geacht gerechtvaardigde belangen na te streven en dus te voldoen aan die alternatieve rechtmatigheidsvoorwaarde.
113 Evenwel moet worden vastgesteld dat de verwerking van persoonsgegevens door een rechter in verband met de persoonsgegevens in de bewijsaanbiedingen van de partijen in beginsel noodzakelijk is om te voldoen aan een op die rechter rustende wettelijke verplichting, te weten de verplichting om uitspraak te doen over de toelaatbaarheid van die bewijsaanbiedingen en, wanneer deze toelaatbaar zijn verklaard in het licht van de daartoe in het nationale recht vastgestelde criteria, om daarmee rekening te houden bij het nemen van zijn beslissing.
114 Artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder c), AVG bevat geen enkel vereiste dat uitsluit dat een rechter zich op deze alternatieve rechtmatigheidsvoorwaarde kan baseren wanneer de betrokken persoonsgegevens in een bewijsaanbieding voordien onrechtmatig zijn verwerkt, in de zin van die verordening, door de persoon die deze gegevens heeft verstrekt.
115 Het is juist dat artikel 6, lid 3, AVG bepaalt dat de rechtsgrond voor de in artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder c), van deze verordening bedoelde verwerkingen van persoonsgegevens moet worden vastgesteld bij Unierecht of lidstatelijk recht dat op de verwerkingsverantwoordelijke van toepassing is, dat die rechtsgrond specifieke bepalingen kan bevatten om de toepassing van de regels van deze verordening aan te passen aan de daarmee nagestreefde eisen en dat het Unierecht of het lidstatelijke recht hoe dan ook moet beantwoorden aan een doelstelling van algemeen belang en evenredig moet zijn aan het nagestreefde gerechtvaardigde doel (zie in die zin arrest van 2 maart 2023, Norra Stockholm Bygg, C‑268/21, EU:C:2023:145, punt 31).
116 Wat die evenredigheidsvoorwaarde en de vereisten ervan betreft, dient te worden opgemerkt dat volgens de in punt 91 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, ten eerste, de rechtsgrond voor de betrokken verwerking moet beantwoorden aan de nagestreefde doelstelling van algemeen belang, ten tweede, hij uitsluitend verwerkingen mag toestaan die zich beperken tot het strikt noodzakelijke, hetgeen veronderstelt dat er geen andere maatregelen bestaan die de rechten en vrijheden van de betrokkenen minder aantasten om dat doel even doeltreffend te bereiken en, ten derde, deze rechtsgrond evenredig sensu stricto moet zijn, in die zin dat hij na afweging van alle relevante elementen geen verwerkingen mag toestaan die leiden tot beperkingen van de rechten en vrijheden van de betrokkenen die onevenredig zijn aan het belang bij de verwezenlijking van dat doel.
117 De omstandigheid dat de wettelijke verplichting die de verwerking van de persoonsgegevens in de bewijsaanbiedingen van de partijen noodzakelijk maakt, ook geldt voor persoonsgegevens die in strijd met het recht op eerbiediging van de privésfeer en het recht op bescherming van persoonsgegevens zijn verkregen door de partij die deze gegevens aan de rechter heeft verstrekt, lijkt niet uit te sluiten dat deze rechtsgrond aan die vereisten kan voldoen.
118 Wat om te beginnen het eerste in punt 91 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte vereiste betreft, moet in het geval van de verwerking van persoonsgegevens door een rechter de wettelijke verplichting voor deze rechter om uitspraak te doen over de toelaatbaarheid van de bewijsaanbiedingen van de partijen en, wanneer deze bewijsaanbiedingen toelaatbaar zijn, daarmee rekening te houden bij het nemen van zijn beslissing, worden geacht een doelstelling van algemeen belang na te streven, aangezien deze betrekking heeft op de eerbiediging van een grondrecht, te weten het in artikel 47 van het Handvest neergelegde recht op een eerlijk proces.
119 Vervolgens moet deze verplichting ook worden geacht de verwezenlijking van deze doelstelling van algemeen belang mogelijk te maken en daartoe strikt noodzakelijk te zijn, ook al zijn de betrokken gegevens onrechtmatig verkregen. Aangezien het recht op een eerlijk proces vereist dat een rechter zich uitspreekt over de toelaatbaarheid van de bewijsaanbiedingen van de partijen en, wanneer dergelijke bewijsaanbiedingen toelaatbaar zijn, daarmee rekening houdt bij het nemen van zijn beslissing, lijkt er met name geen andere maatregel te zijn die even doeltreffend is als die welke erin bestaat rechters toe te staan om persoonsgegevens die zijn opgenomen in de bewijsaanbiedingen van de partijen te verwerken.
120 Ten slotte zij eraan herinnerd dat, zoals in overweging 4 AVG wordt bevestigd, het recht op bescherming van persoonsgegevens evenwel geen absolute gelding heeft, maar in relatie tot de functie ervan in de samenleving moet worden beschouwd en overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel moet worden afgewogen tegen andere grondrechten, zoals het door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht op daadwerkelijke rechtsbescherming (zie in die zin arrest van 2 maart 2023, Norra Stockholm Bygg, C‑268/21, EU:C:2023:145, punt 49).
121 Gelet op de wezenlijke functie die het recht op een eerlijk proces in de samenleving vervult, lijkt het feit dat een rechter wordt verplicht om de in de bewijsaanbiedingen van de partijen opgenomen persoonsgegevens te verwerken, ook wanneer die gegevens zijn verkregen in strijd met het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op bescherming van persoonsgegevens, geen onevenredige inbreuk te vormen op die rechten, zoals deze worden gewaarborgd door de artikelen 7 en 8 van het Handvest.
122 Bijgevolg voldoet de verplichting die overeenkomstig het recht op een eerlijk proces op een rechter rust om alle in bewijsaanbiedingen opgenomen persoonsgegevens te verwerken aan de vereisten van artikel 6, lid 3, AVG, ook al heeft deze verplichting betrekking op gegevens die in strijd met de persoonsrechten zijn verkregen en heeft de partij die deze gegevens aan die rechter heeft verstrekt geen gerechtvaardigd belang bij een dergelijke verwerking dat verder gaat dan het eenvoudigweg aantonen van de aangevoerde feiten.
123 Niettemin moeten de bij die gelegenheden gebruikte gegevens overeenkomstig artikel 5, lid 1, onder c), AVG beperkt blijven tot de gegevens die toereikend, ter zake dienend en noodzakelijk zijn voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt.
124 Wat dienaangaande in de eerste plaats de persoonsgegevens betreft die worden gebruikt bij de verwerkingen die een rechter verricht om te beslissen of de bewijsaanbiedingen toelaatbaar zijn en of de door een partij aangevoerde feiten relevant zijn in het licht van de ter zake toepasselijke regels van het nationale recht, moet worden benadrukt dat het recht op een eerlijk proces, zoals erkend in artikel 47 van het Handvest, impliceert dat de partijen de bewijsaanbiedingen die zij relevant achten, aan een rechter kunnen voorleggen.
125 Wat rechtsvorderingen betreft die ertoe strekken de rechten te beschermen die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, betekent het feit dat een rechter, om uitspraak te kunnen doen over de toelaatbaarheid van bewijsaanbiedingen, persoonsgegevens moet verwerken in principe dus niet dat het beginsel van „minimale gegevensverwerking” wordt geschonden, aangezien dergelijke gegevens in dit stadium juist toereikend, ter zake dienend en noodzakelijk zijn om die rechter in staat te stellen zich over die toelaatbaarheid uit te spreken. Hetzelfde geldt voor rechtsvorderingen waarbij het Unierecht niet wordt ingeroepen, wanneer aan de partijen door het recht van de betrokken lidstaat een recht wordt toegekend met een strekking die vergelijkbaar is met het door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht op een eerlijk proces.
126 Nadat een rechter heeft vastgesteld dat aan hem overgelegde documenten die persoonsgegevens bevatten toelaatbaar zijn in het licht van de daartoe in het nationale recht vastgestelde regels, moet die rechter daarentegen, alvorens deze in het dossier op te nemen, onderzoeken of die gegevens beperkt blijven tot die welke noodzakelijk zijn voor de nagestreefde doeleinden, namelijk hem in staat stellen een zo goed mogelijke beslissing te nemen in het licht van de relevante omstandigheden van de zaak en het beginsel van hoor en wederhoor in acht te nemen, dan wel of hij bepaalde maatregelen dient te nemen om het aantal betrokken gegevens te verminderen, zoals een gedeeltelijke of volledige anonimisering van de betrokken documenten, zonder afbreuk te doen aan de rechten van de andere partijen.
127 De omstandigheid dat de betrokken gegevens zijn verkregen in strijd met het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op bescherming van persoonsgegevens als bedoeld in de artikelen 7 en 8 van het Handvest, is op zich echter niet doorslaggevend, aangezien de criteria van artikel 5, lid 1, onder c), AVG vereisen dat die gegevens toereikend, ter zake dienend en beperkt zijn tot wat noodzakelijk is voor de nagestreefde doeleinden.
128 Wat in de tweede plaats de persoonsgegevens betreft die worden gebruikt bij de verwerkingen die een rechter verricht om zijn beslissing te nemen, moeten, gelet op het recht op een eerlijk proces, alle gegevens in documenten die toelaatbaar zijn verklaard en in het dossier zijn opgenomen, in beginsel worden beschouwd als toereikend, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor het doel van die verwerkingen, aangezien die rechter overeenkomstig dit recht op een eerlijk proces al die bewijzen in aanmerking moet nemen om met name de relevantie ervan te beoordelen.
129 Wat in de derde en laatste plaats de openbaarmaking van dergelijke gegevens door een rechter in het kader van de betekening of bekendmaking van zijn vonnis betreft, vereist een dergelijke verwerking – teneinde ervoor te zorgen dat die gegevens beperkt blijven tot hetgeen noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt – dat die rechter niet alleen rekening houdt met de noodzaak om de tenuitvoerlegging van de beslissing mogelijk te maken, derden te informeren die ook door de betrokken feiten kunnen worden geraakt en de justitiabelen te beschermen tegen misbruik van een geheime rechtspleging (zie in die zin EHRM, 2 juni 2022, Straume tegen Litouwen, CE:ECHR:2022:0602JUD005940214, § 124), maar met name ook met de mogelijkheid om bepaalde maatregelen te nemen, zoals anonimisering of pseudonimisering van die gegevens, teneinde de aantasting van het recht op bescherming van persoonsgegevens waartoe een dergelijke openbaarmaking kan leiden, tot een minimum te beperken.
130 Gelet op een en ander moet op de derde vraag, onder b) tot en met d), worden geantwoord dat de artikelen 7 en 8 van het Handvest, artikel 5, lid 1, AVG, artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder c), AVG, gelezen in samenhang met artikel 6, lid 3, ervan, en het beginsel van „minimale gegevensverwerking” aldus moeten worden uitgelegd dat zij er niet aan in de weg staan dat een nationale rechter bewijzen gebruikt die persoonsgegevens bevatten en die in strijd met het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op bescherming van persoonsgegevens zijn verkregen door de partij die deze heeft overgelegd, wanneer die partij geen gerechtvaardigd belang bij een dergelijke verwerking heeft dat verder gaat dan het eenvoudigweg aantonen van de door haar aangevoerde feiten. Alvorens die gegevens aan de partijen of aan derden openbaar te maken moet deze rechter daarentegen nagaan of die gegevens beperkt zijn tot hetgeen noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor die openbaarmaking plaatsvindt en, in voorkomend geval, bepaalde maatregelen nemen om de aantasting van het recht op bescherming van persoonsgegevens waartoe een dergelijke openbaarmaking kan leiden, tot een minimum te beperken.
Derde vraag, onder e)
131 Met zijn derde vraag, onder e), wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 13, leden 1 en 2, AVG aldus moet worden uitgelegd dat het er zich tegen verzet dat een nationale rechter in het kader van de uitoefening van zijn rechterlijke taak gegevens gebruikt die zijn verzameld door een persoon die de krachtens die bepaling op hem rustende informatieverplichtingen niet heeft nageleefd.
132 In dit verband volgt uit artikel 13, leden 1 en 2, AVG dat wanneer persoonsgegevens betreffende een betrokkene bij die persoon worden verzameld, de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene bij de verkrijging van die gegevens de in die leden genoemde informatie verstrekt.
133 Aangezien deze bepaling deel uitmaakt van hoofdstuk III AVG, moeten die leden worden geacht voorwaarden vast te stellen waaraan moet worden voldaan opdat het verzamelen van persoonsgegevens rechtmatig is.
134 Overigens draagt de in artikel 13 AVG neergelegde verplichting bij tot de verwezenlijking van het in artikel 5, lid 1, onder a), AVG – dat deel uitmaakt van hoofdstuk II van deze verordening – vastgestelde vereiste dat elke verwerking van persoonsgegevens behoorlijk en transparant moet zijn, zodat zij ook uit dien hoofde moet worden nageleefd.
135 Zonder dat hoeft te worden vastgesteld of artikel 17, lid 3, onder e), AVG, teneinde het nuttig effect ervan te waarborgen, aldus moet worden uitgelegd dat het feit dat de betrokken partij de gegevens in kwestie heeft verzameld zonder aan die verplichting te voldoen, niet tot gevolg heeft dat de verwerking bestaande in het overleggen van bewijzen die deze gegevens bevatten aan een rechter, als onrechtmatig moet worden beschouwd, moet echter in herinnering worden gebracht dat, zoals in punt 108 van het onderhavige arrest is vastgesteld, noch artikel 5, lid 1, AVG noch een van de andere in de hoofdstukken II en III van deze verordening genoemde rechten en beginselen een verwerkingsverantwoordelijke op algemene en absolute wijze verbiedt om rekening te houden met persoonsgegevens die eerder onrechtmatig zijn verwerkt, in de zin van de AVG, door de persoon die deze gegevens aan hem heeft overgelegd.
136 Bijgevolg moet op de derde vraag, onder e), worden geantwoord dat artikel 13, leden 1 en 2, AVG aldus moet worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat een nationale rechter in het kader van de uitoefening van zijn rechterlijke taak gegevens gebruikt die zijn verzameld door een partij of een derde die de krachtens die bepaling op haar of hem rustende informatieverplichtingen niet heeft nageleefd.
Derde vraag, onder f)
137 Met zijn derde vraag, onder f), wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de AVG aldus moet worden uitgelegd dat een rechter in het kader van de uitoefening van zijn rechterlijke taak ervoor moet zorgen dat deze verordening wordt nageleefd wanneer hij persoonsgegevens verwerkt die betrekking hebben op derden die geen partij zijn in de bij hem aanhangige procedure, en of het Unierecht vereist dat een van de partijen in die procedure zich erop kan beroepen dat die gegevens door de andere partij onrechtmatig, in de zin van die verordening, zijn verzameld of bewaard, in strijd met de rechten die deze derden aan die verordening ontlenen.
138 In dit verband blijkt uit artikel 288 VWEU dat een verordening een handeling van algemene strekking is, die verbindend is in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk is in elke lidstaat.
139 Aangezien de in hoofdstuk II AVG neergelegde beginselen van toepassing zijn los van de procedurele situatie van de betrokkenen en ongeacht of de verwerkingsverantwoordelijke een rechter is, moet deze verordening, gelezen in samenhang met artikel 288 VWEU, aldus worden uitgelegd dat een rechter in het kader van de uitoefening van zijn rechterlijke taak die verordening moet naleven wanneer hij persoonsgegevens verwerkt die betrekking hebben op derden die geen partij zijn in de bij hem aanhangige procedure.
140 Daarentegen valt de vraag of een partij zich kan beroepen op een onrechtmatigheid die ten aanzien van een derde is begaan, bij gebreke van een Unierechtelijke bepaling ter zake, onder de procedurele autonomie van de lidstaten.
141 Het is juist dat de procedureregels voor rechtsvorderingen die ertoe strekken de rechten te beschermen die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, krachtens het beginsel van procedurele autonomie, dat bij gebreke van een Unierechtelijke bepaling van toepassing is, niet ongunstiger mogen zijn dan die welke voor soortgelijke situaties naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken (doeltreffendheidsbeginsel) (zie in die zin arrest van 6 oktober 2020, La Quadrature du Net e.a., C‑511/18, C‑512/18 en C‑520/18, EU:C:2020:791, punt 223 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
142 Bovendien moeten deze procedureregels ook in overeenstemming zijn met het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest, dat overeenkomstig artikel 51 ervan van toepassing is in alle situaties waarin de lidstaten het Unierecht ten uitvoer brengen.
143 Evenwel moet worden vastgesteld dat noch het doeltreffendheidsbeginsel noch het door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht op een eerlijk proces in beginsel vereist dat de partijen in een gerechtelijke procedure de mogelijkheid wordt geboden om zich te beroepen op een schending van de AVG ten aanzien van derden die geen partij zijn in die procedure.
144 Bijgevolg moet op de derde vraag, onder f), worden geantwoord dat de AVG aldus moet worden uitgelegd dat een rechter in het kader van de uitoefening van zijn rechterlijke taak ervoor moet zorgen dat deze verordening wordt nageleefd wanneer hij persoonsgegevens verwerkt die betrekking hebben op derden die geen partij zijn in een procedure. Het Unierecht vereist niet dat een van de partijen in die procedure zich erop kan beroepen dat die gegevens door de andere partij onrechtmatig, in de zin van die verordening, zijn verzameld of bewaard, in strijd met de rechten die deze derden aan die verordening ontlenen.
Kosten
145 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder c), en lid 3, van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), gelezen in het licht van artikel 8, lid 2, en artikel 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”),
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich niet verzet tegen een nationale regeling die, wat de verwerking van persoonsgegevens in het kader van het onderzoek van de feiten en de bewijsvoering door een rechter betreft, enkel bepaalt dat het aan de partijen staat om omstandige en waarheidsgetrouwe feiten aan te voeren en deze rechter verplicht om deze gegevens volledig in aanmerking te nemen, alvorens in voorkomend geval daarover een beoordeling te verrichten, zonder aanwijzingen te bevatten over de omstandigheden waarin en de voorwaarden waaronder de door de partijen aangevoerde feiten en bewijzen die persoonsgegevens bevatten door die rechter kunnen worden gebruikt, voor zover er duidelijke en nauwkeurige nationale rechtspraak bestaat waarvan de toepassing voorspelbaar is, die zelf bepaalt in welke omstandigheden en onder welke voorwaarden de door de partijen aangevoerde feiten en overgelegde bewijzen die persoonsgegevens bevatten door een rechter kunnen worden gebruikt, die beantwoordt aan een doelstelling van algemeen belang en die evenredig is aan dat doel.
2) Artikel 17, lid 3, onder e), van verordening 2016/679
moet aldus worden uitgelegd dat
deze bepaling geen alternatieve rechtmatigheidsvoorwaarde stelt waaraan een verwerking kan voldoen om in overeenstemming te zijn met artikel 5, lid 1, onder a), van deze verordening en die verschilt van een van de in artikel 6, lid 1, eerste alinea, ervan opgesomde voorwaarden.
3) Artikel 5, lid 1, onder c), van verordening 2016/679, gelezen in samenhang met artikel 52, lid 1, tweede volzin, van het Handvest,
moet aldus worden uitgelegd dat
het beginsel van „minimale gegevensverwerking” niet vereist dat een rechter ervoor zorgt dat bij elke door hem verrichte verwerking van persoonsgegevens het evenredigheidsbeginsel wordt geëerbiedigd door zich ervan te vergewissen dat de daarbij verwerkte gegevens geschikt en strikt noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van het met die verwerking nagestreefde doel, en dat de ernst van de inmenging in de grondrechten als gevolg van het gebruik van die gegevens voor de uitvoering van die verwerking in verhouding staat tot het belang dat deze rechter heeft bij het gebruik van die gegevens om die verwerking te verrichten, voor zover is voldaan aan de voorwaarden van artikel 5, lid 1, onder c), van verordening 2016/679.
4) De artikelen 7 en 8 van het Handvest, artikel 5, lid 1, van verordening 2016/679, artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder c), van deze verordening, gelezen in samenhang met artikel 6, lid 3, ervan, en het beginsel van „minimale gegevensverwerking”
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij er niet aan in de weg staan dat een nationale rechter bewijzen gebruikt die persoonsgegevens bevatten en die in strijd met het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op bescherming van persoonsgegevens zijn verkregen door de partij die deze heeft overgelegd, wanneer die partij geen gerechtvaardigd belang bij een dergelijke verwerking heeft dat verder gaat dan het eenvoudigweg aantonen van de door haar aangevoerde feiten. Alvorens die gegevens aan de partijen of aan derden openbaar te maken moet deze rechter daarentegen nagaan of die gegevens beperkt zijn tot hetgeen noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor die openbaarmaking plaatsvindt en, in voorkomend geval, bepaalde maatregelen nemen om de aantasting van het recht op bescherming van persoonsgegevens waartoe een dergelijke openbaarmaking kan leiden, tot een minimum te beperken.
5) Artikel 13, leden 1 en 2, van verordening 2016/679
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich er niet tegen verzet dat een nationale rechter in het kader van de uitoefening van zijn rechterlijke taak gegevens gebruikt die zijn verzameld door een partij of een derde die de krachtens die bepaling op haar of hem rustende informatieverplichtingen niet heeft nageleefd.
6) Verordening 2016/679
moet aldus worden uitgelegd dat
een rechter in het kader van de uitoefening van zijn rechterlijke taak ervoor moet zorgen dat deze verordening wordt nageleefd wanneer hij persoonsgegevens verwerkt die betrekking hebben op derden die geen partij zijn in een procedure. Het Unierecht vereist niet dat een van de partijen in die procedure zich erop kan beroepen dat die gegevens door de andere partij onrechtmatig, in de zin van die verordening, zijn verzameld of bewaard, in strijd met de rechten die deze derden aan die verordening ontlenen.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.