ARREST VAN HET HOF (Tiende kamer)
1 augustus 2025 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Milieu – Richtlijn 2011/92/EU – Milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten – Artikel 6 – Raadpleging van de instanties die op grond van hun specifieke verantwoordelijkheden op milieugebied of op grond van hun lokale of regionale bevoegdheden met het project te maken kunnen krijgen, en van het betrokken publiek – Inspraak van het publiek bij de besluitvorming – Artikel 6, lid 3, onder b) – Draagwijdte van het begrip ‚voornaamste rapporten en adviezen’”
In zaak C‑461/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunal Superior de Justicia de Galicia (hoogste rechterlijke instantie van de autonome regio Galicië, Spanje) bij beslissing van 21 juni 2024, ingekomen bij het Hof op 28 juni 2024, in de procedure
Asociación Autonómica Ambiental e Cultural Petón do Lobo
tegen
Dirección Xeral de Planificación Enerxética e Recursos Naturais,
Eurus Desarrollos Renovables SLU,
wijst
HET HOF (Tiende kamer),
samengesteld als volgt: D. Gratsias, kamerpresident, E. Regan en J. Passer (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: N. Emiliou,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
|
– |
de Asociación Autonómica Ambiental e Cultural Petón do Lobo, vertegenwoordigd door M. Díaz Amor, procuradora, en R. F. García Mondelo, abogado, |
|
– |
de Dirección Xeral de Planificación Enerxética e Recursos Naturais, vertegenwoordigd door S. Centeno Huerta, abogada, en M. Pillado Quintáns, letrado, |
|
– |
Eurus Desarrollos Renovables SLU, vertegenwoordigd door M. J. Gandoy Fernández, procuradora, en Í. Muniozguren Martínez, abogado, |
|
– |
de Spaanse regering, vertegenwoordigd door A. Gavela Llopis en P. Pérez Zapico als gemachtigden, |
|
– |
de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller en P.‑L. Krüger als gemachtigden, |
|
– |
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Noll-Ehlers en N. Ruiz García als gemachtigden, |
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
|
1 |
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 6, lid 3, van richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB 2012, L 26, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 (PB 2014, L 124, blz. 1) (hierna: „MEB-richtlijn”). |
|
2 |
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds de Asociación Autonómica Ambiental e Cultural Petón do Lobo (hierna: „vereniging Petón do Lobo”), een milieuvereniging, en anderzijds de Dirección Xeral de Planificación Enerxética e Recursos Naturais (directoraat-generaal Energieplanning en Natuurlijke Hulpbronnen) van de autonome gemeenschap Galicië (Spanje) en Eurus Desarrollos Renovables SLU over de verwerping van het beroep dat die vereniging heeft ingesteld tegen het besluit om aan deze onderneming een vergunning voor de bouw van een windmolenpark te verlenen. |
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
|
3 |
In de overwegingen 16 tot en met 19 van de MEB-richtlijn staat te lezen:
|
|
4 |
De overwegingen 31 tot en met 33 en overweging 36 van richtlijn 2014/52 vermelden:
[...]
|
|
5 |
Artikel 1, lid 2, van de MEB-richtlijn luidt: „In deze richtlijn wordt verstaan onder: [...]
[...]
|
|
6 |
Artikel 3 van deze richtlijn bepaalt: „1. Bij de milieueffectbeoordeling worden de directe en indirecte aanzienlijke effecten van een project per geval op passende wijze geïdentificeerd, beschreven en beoordeeld op de volgende factoren:
2. De in lid 1 bedoelde effecten op de factoren die zijn beschreven in de eerste alinea omvatten de verwachte effecten die voortvloeien uit de kwetsbaarheid van het project voor risico’s op zware ongevallen en/of rampen die relevant zijn voor het project in kwestie.” |
|
7 |
Artikel 5 van die richtlijn luidt als volgt: „1. Wanneer een milieueffectbeoordeling is vereist, dient de opdrachtgever een milieueffectbeoordelingsrapport op te stellen en in te dienen. De door de opdrachtgever te verstrekken informatie bevat ten minste:
Wanneer er een advies wordt uitgebracht op grond van lid 2, is het milieueffectbeoordelingsrapport gebaseerd op dat advies en bevat de informatie die redelijkerwijs mag worden vereist om tot een gemotiveerde conclusie over de aanzienlijke milieueffecten van het project te komen, waarbij rekening wordt gehouden met de bestaande kennis en beoordelingsmethodes. Om overlappingen van beoordelingen te voorkomen, houdt de opdrachtgever bij het opstellen van het milieueffectbeoordelingsrapport rekening met de beschikbare resultaten van andere op grond van nationale of Uniewetgeving uitgevoerde relevante beoordelingen. 2. Op verzoek van de opdrachtgever brengt de bevoegde instantie, met inachtneming van de door de opdrachtgever verstrekte informatie, met name over de specifieke kenmerken van het project (inclusief de locatie en de technische capaciteit ervan) en over de te verwachten milieueffecten ervan, een advies uit over de reikwijdte en het detailleringsniveau van de door de opdrachtgever in het milieueffectbeoordelingsrapport op te nemen informatie overeenkomstig lid 1 van dit artikel. De bevoegde instantie raadpleegt de in artikel 6, lid 1, bedoelde instanties voordat zij haar advies uitbrengt. De lidstaten kunnen de bevoegde instanties er tevens toe verplichten een advies als bedoeld in de eerste alinea, te verstrekken, ongeacht of de opdrachtgever daarom verzoekt. 3. Om de volledigheid en kwaliteit van het milieueffectbeoordelingsrapport te waarborgen, dient:
4. Zo nodig zorgen de lidstaten ervoor dat instanties die over relevante informatie beschikken, in het bijzonder gelet op artikel 3, deze informatie ter beschikking stellen aan de opdrachtgever.” |
|
8 |
Artikel 6 van de MEB-richtlijn bepaalt: „1. De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de instanties die op grond van hun specifieke verantwoordelijkheden op milieugebied of op grond van hun lokale of regionale bevoegdheden met het project te maken kunnen krijgen, de gelegenheid krijgen om advies uit te brengen over de door de opdrachtgever verstrekte informatie en over de aanvraag om een vergunning, waarbij in voorkomend geval rekening wordt gehouden met de in artikel 8 bis, lid 3, genoemde gevallen. Daartoe wijzen de lidstaten in het algemeen of per geval de te raadplegen instanties aan. Deze instanties worden in kennis gesteld van de krachtens artikel 5 verzamelde informatie. Nadere regelingen betreffende deze raadplegingen worden door de lidstaten vastgesteld. 2. Om te zorgen dat het betrokken publiek daadwerkelijk inspraak krijgt in de besluitvormingsprocedure, wordt het publiek in een vroegtijdig stadium van de in artikel 2, lid 2, bedoelde milieubesluitvormingsprocedures en ten laatste zodra er redelijkerwijs informatie kan worden verstrekt, langs elektronische weg en via openbare bekendmakingen of andere passende middelen op de hoogte gebracht van de volgende kwesties:
3. De lidstaten zorgen ervoor dat het volgende binnen een redelijke termijn aan het betrokken publiek ter beschikking wordt gesteld:
4. Het betrokken publiek dient in een vroeg stadium reële mogelijkheden tot inspraak in de in artikel 2, lid 2, bedoelde milieubesluitvormingsprocedures te krijgen en heeft daartoe het recht, wanneer alle opties open zijn, opmerkingen en meningen kenbaar te maken aan de bevoegde instantie(s) voordat het besluit over de vergunningsaanvraag wordt genomen. [...] 6. Er wordt voor de verschillende fasen in redelijke termijnen voorzien met voldoende tijd om:
7. De termijn waarbinnen het betrokken publiek wordt geraadpleegd over het in artikel 5, lid 1, bedoelde milieueffectbeoordelingsrapport bedraagt ten minste 30 dagen.” |
|
9 |
Artikel 7, leden 2 tot en met 5, van deze richtlijn luidt als volgt: „2. Wanneer een lidstaat die krachtens lid 1 informatie ontvangt, aangeeft dat hij voornemens is aan de in artikel 2, lid 2, bedoelde milieubesluitvormingsprocedures deel te nemen, zendt de lidstaat op het grondgebied waarvan men het project wil uitvoeren, voor zover hij dit nog niet heeft gedaan, de betrokken lidstaat de informatie toe die krachtens artikel 6, lid 2, moet worden verstrekt en die krachtens artikel 6, lid 3, onder a) en b), ter beschikking moet worden gesteld. 3. Ieder van de betrokken lidstaten zorgt er tevens voor, voor zover het hem betreft, dat:
[...] 5. De nadere regelingen voor de toepassing van de leden 1 tot en met 4 van dit artikel, met inbegrip van de vaststelling van de raadplegingstermijnen, worden bepaald door de betrokken lidstaten op basis van de in artikel 6, leden 5 tot 7, bedoelde regelingen en termijnen en moeten het betrokken publiek op het grondgebied van de getroffen lidstaat reële inspraakmogelijkheden verschaffen in de milieubesluitvormingsprocedures als bedoeld in artikel 2, lid 2, voor het project.” |
Spaans recht
|
10 |
Artikel 33, lid 1, van Ley estatal 21/2013 de evaluación ambiental (wet 21/2013 betreffende milieubeoordelingen) van 9 december 2013 (BOE nr. 296 van 11 december 2013, blz. 98151), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „wet 21/2013”), luidt als volgt: „De gewone milieueffectbeoordeling omvat de volgende stappen:
|
|
11 |
Artikel 35, lid 1, van deze wet bepaalt: „Onverminderd het bepaalde in artikel 34, lid 6, stelt de opdrachtgever het milieueffectrapport op dat, ten minste, de volgende informatie bevat, zoals gespecificeerd in bijlage VI:
|
|
12 |
In artikel 36 van die wet is bepaald: „1. De opdrachtgever legt het project en het milieueffectrapport voor aan de voor vergunningverlening bevoegde instantie, die deze gedurende ten minste 30 werkdagen ter inzage legt, na voorafgaande bekendmaking in het Boletín Oficial del Estado [(staatsblad)] of in het desbetreffende publicatieblad en op haar website. Deze terinzagelegging vindt plaats in een stadium van de materiële vergunningsprocedure voor het project waarin alle opties voor de bepaling van de inhoud, de omvang en de definitie van het project openstaan. [...] 2. In het bericht van aanvang van de terinzagelegging wordt door de voor vergunningverlening bevoegde instantie of, in voorkomend geval, de voor milieuzaken bevoegde instantie een samenvatting van de vergunningsprocedure voor het project opgenomen, die ten minste de volgende informatie bevat:
3. De voor vergunningverlening bevoegde instantie of, in voorkomend geval, de voor milieuzaken bevoegde instantie, treft maatregelen om ervoor te zorgen dat de documenten die aan ter inzage moeten worden gelegd, op een zo ruim mogelijke schaal onder het publiek worden verspreid via elektronische of andere communicatiemiddelen.” |
|
13 |
Artikel 37 van wet 21/2013 bepaalt: „1. Tegelijkertijd met de fase van de terinzagelegging raadpleegt de voor vergunningverlening bevoegde instantie de betrokken overheidsinstanties en de betrokkenen over de mogelijke aanzienlijke effecten van het project, met inbegrip van een analyse van de aanzienlijke nadelige milieueffecten die kunnen voortvloeien uit de kwetsbaarheid van het project voor risico’s op zware ongevallen of rampen die van invloed zijn op het project. [...] 2. De voor vergunningverlening bevoegde instantie moet de volgende, naar behoren met redenen omklede rapporten opvragen:
Binnen het kader van hun bevoegdheden kunnen de autonome regio’s andere rapporten dan de bovengenoemde rapporten aanwijzen die verplicht moeten worden opgevraagd. 3. De raadplegingen gebeuren via een kennisgeving die ten minste de volgende informatie bevat:
De raadpleging van de betrokken overheidsdiensten en de betrokkenen geschiedt langs elektronische weg, door middel van aankondigingen of op enige andere wijze, op voorwaarde dat kan aangetoond worden dat de raadpleging heeft plaatsgevonden. 4. De betrokken overheidsinstanties en de betrokkenen beschikken vanaf de ontvangst van de kennisgeving over een termijn van ten hoogste 30 werkdagen om de rapporten op te stellen en opmerkingen te maken die zij relevant achten. 5. De voor vergunningverlening bevoegde instantie stelt de betrokken overheidsinstanties en de betrokkenen alle andere dan de in lid 3 bedoelde informatie ter beschikking die alleen kan worden verkregen na het verstrijken van de in artikel 36 bedoelde termijn voor de terinzagelegging en die relevant is voor het besluit over de uitvoering van het project.” |
|
14 |
Artikel 38, lid 2, van wet 21/2013 luidt als volgt: „Indien de opdrachtgever als gevolg van de fase van terinzagelegging en de raadplegingen van de betrokken overheidsinstanties en de betrokkenen wijzigingen in het project of in het milieueffectrapport aanbrengt die aanzienlijke gevolgen voor het milieu met zich meebrengen die afwijken van die welke oorspronkelijk waren voorzien, wordt overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 36 en 37 een nieuwe fase van terinzagelegging en raadplegingen georganiseerd die in elk geval voorafgaat aan de opstelling van de milieueffectverklaring.” |
|
15 |
Overeenkomstig artikel 41, lid 1, van wet 21/2013 stelt „[d]e voor milieuzaken bevoegde instantie [...], na voltooiing van de technische analyse van het dossier van de milieueffectbeoordeling, [...] de milieueffectverklaring op”. Volgens artikel 41, lid 2, bevat deze verklaring met name „[e]en samenvatting van het resultaat van het proces van terinzagelegging en van de raadpleging van de betrokken overheidsinstanties en de betrokkenen en van de wijze waarop daarmee rekening is gehouden”. |
|
16 |
Artikel 33 van Ley autonómica gallega 8/2009 por la que se regula el aprovechamiento eólico en Galicia y se crean el canon eólico y el Fondo de Compensación Ambiental (wet van de autonome regio Galicië 8/2009 betreffende de benutting van windenergie in Galicië en tot invoering van de windenergieheffing en tot oprichting van het milieucompensatiefonds) van 22 december 2009 (BOE nr. 30 van 4 februari 2010, blz. 9842), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „wet 8/2009”), bepaalt in de leden 10 tot en met 12 en 15: „10. De voor de behandeling verantwoordelijke eenheid legt, in het geval van een gewone milieubeoordeling, het uitvoeringsproject en het milieueffectrapport tegelijkertijd ter inzage door de bekendmaking ervan in de ‚Diario Oficial de Galicia’ [(publicatieblad van de autonome gemeenschap Galicië)] en op de website van het bevoegde regionale departement voor energie. [...] 11. Gedurende bovengenoemde termijn kan elke belanghebbende persoon, entiteit of instantie opmerkingen maken die hij of zij dienstig acht, dan wel verzoeken om een onderzoek van het dossier en de technische documentatie of een overeengekomen gedeelte daarvan. De aanvrager wordt in kennis gesteld van de gemaakte opmerkingen, zodat hij binnen een termijn van maximaal twee weken op de inhoud van die opmerkingen kan reageren en deze reactie kan meedelen aan de voor de behandeling verantwoordelijke eenheid. 12. Gelijktijdig met de terinzagelegging hoort en raadpleegt de voor de behandeling verantwoordelijke eenheid de betrokken overheidsinstanties en de belanghebbende personen, waarbij ten minste de verplichte rapporten worden opgevraagd die zijn aangewezen voor de milieubeoordeling en waarbij de betrokken gemeenteraden worden gehoord. [...] 15. De voor de behandeling verantwoordelijke eenheid stuurt de ontvangen rapporten en opmerkingen naar de opdrachtgever zodat hij zich hiernaar kan richten en/of deze in aanmerking kan nemen bij de opstelling van het uitvoeringsproject en het milieueffectrapport, teneinde de nodige wijzigingen en aanpassingen aan te brengen in elk van deze documenten. De opdrachtgever heeft maximaal een maand de tijd om de aangepaste definitieve documenten in te dienen om de procedure voort te zetten. [...]” |
|
17 |
Artikel 34, lid 1, van wet 8/2009 bepaalt dat „[n]adat de administratieve vergunningsprocedure is uitgevoerd en vaststaat dat de aanvrager toegang heeft tot het transmissienetwerk of het distributienetwerk, naargelang het geval, en dat hij een aansluitpunt heeft verkregen met een van deze netwerken, [...] het bevoegde directoraat-generaal voor energie binnen een termijn van maximaal twee maanden, te rekenen van de ontvangst van de volledige documentatie door de instantie die verantwoordelijk is voor het afhandelen van de procedure, een besluit [neemt] over de verlening van de voorafgaande administratieve vergunning en de administratieve bouwvergunning voor het windmolenpark”. |
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
|
18 |
Op 22 december 2017 heeft Eurus Desarrollos Renovables SLU, als opdrachtgever, de autoriteiten van de autonome regio Galicië verzocht om verlening van een voorafgaande administratieve vergunning en een administratieve vergunning voor de bouw van de installaties van het windmolenpark „A Raña III”, gelegen in de gemeente Mazaricos (Spanje). Bij haar aanvraag zaten verschillende documenten, waaronder een in artikel 35 van wet 21/2013 bedoeld milieueffectrapport van het project in kwestie. |
|
19 |
Nadat de eerste voorlopige rapporten waren opgesteld, vond de fase van terinzagelegging gedurende 30 dagen plaats, naar aanleiding waarvan verschillende opmerkingen zijn ingediend. |
|
20 |
Tegelijkertijd hebben de instanties die bevoegd zijn op het gebied van onder meer bosbouw, waterbeheer, natuurlijk en cultureel erfgoed, toerisme, gezondheid, elektriciteit en veiligheid in de luchtvaart, hun rapporten ingediend overeenkomstig artikel 37 van wet 21/2013. |
|
21 |
Op 17 juni 2022 heeft de Dirección Xeral de Calidade Ambiental, Sostibilidade e Cambio Climático (directoraat-generaal Milieukwaliteit, Duurzaamheid en Klimaatverandering) van de autonome gemeenschap Galicië de in artikel 41 van wet 21/2013 bedoelde milieueffectverklaring opgesteld. |
|
22 |
Nadat Eurus Desarrollos Renovables de gevraagde technische documentatie had ingediend, heeft het directoraat-generaal Energieplanning en Natuurlijke Hulpbronnen van de autonome gemeenschap Galicië haar op 30 juni 2022 de gevraagde vergunningen verleend. |
|
23 |
Bij de Tribunal Superior de Justicia de Galicia (hoogste rechterlijke instantie van de autonome regio Galicië, Spanje), de verwijzende rechter, is door de vereniging Petón do Lobo beroep ingesteld tegen het stilzwijgende besluit tot verwerping van haar administratief beroep tot nietigverklaring van het besluit van 30 juni 2022. |
|
24 |
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat deze vereniging in het kader van haar beroep een middel tot nietigverklaring aanvoert waarmee zij stelt dat het uiteindelijk goedgekeurde project niet ter inzage werd gelegd en in dit verband verwijst naar een arrest van 14 januari 2022 van de verwijzende rechter. In dat arrest heeft deze rechter in een vergelijkbare zaak en op basis van dezelfde nationale en regionale regeling geoordeeld dat deze regeling, voor zover daarin niet was bepaald dat de in artikel 37 van wet 21/2013 bedoelde rapporten naar de betrokkenen werden verzonden zodat deze hun opmerkingen konden indienen, in strijd was met het in artikel 6, lid 3, van de MEB-richtlijn neergelegde vereiste van informatieverstrekking aan het publiek. |
|
25 |
Dat arrest is vernietigd bij arrest van de Sala de lo Contencioso-Administrativo del Tribunal Supremo (afdeling bestuursrechtspraak van de hoogste rechterlijke instantie, Spanje) van 21 december 2023, met name op grond dat de MEB-richtlijn de lidstaten verschillende procedurele opties bood voor het tijdstip waarop het betrokken publiek moest worden voorgelicht en de instanties die op grond van hun specifieke verantwoordelijkheden op milieugebied of op grond van hun lokale of regionale bevoegdheden met het project te maken kunnen krijgen, moesten worden geraadpleegd. |
|
26 |
De verwijzende rechter is echter van oordeel dat de instanties die beslissen over vergunningaanvragen voor projecten met milieueffecten op grond van artikel 6 van de MEB-richtlijn verplicht zijn drie voorafgaande maatregelen te nemen. Met de eerste twee, waarvan de chronologische volgorde van uitvoering niet is vastgelegd, wordt het grote publiek de gelegenheid gegeven te worden gehoord over het project en worden rapporten van de op verschillende gebieden bevoegde instanties verzameld. De derde maatregel wordt daarna genomen en heeft tot doel de voornaamste rapporten en adviezen van deze instanties aan het betrokken publiek te bezorgen, zodat dit publiek vóór de vaststelling van het definitieve besluit opmerkingen kan maken. |
|
27 |
Volgens die rechter is de krachtens artikel 6, lid 3, van de MEB-richtlijn aan de lidstaten opgelegde verplichting namelijk duidelijk, te weten dat zij ervoor moeten zorgen dat deze voornaamste rapporten ter beschikking worden gesteld van het betrokken publiek, zodat dit publiek zijn aan lid 4 van dat artikel ontleende recht kan uitoefenen om binnen een termijn van ten minste 30 dagen zijn opmerkingen en meningen kenbaar te maken voordat het besluit over de milieueffectbeoordeling van het project in kwestie wordt genomen. |
|
28 |
Hij is van oordeel dat de in artikel 37, lid 2, van wet 21/2013 bedoelde rapporten vallen onder de uitdrukking „de voornaamste rapporten en adviezen” in artikel 6, lid 3, onder b), van de MEB-richtlijn, omdat de inhoud van deze rapporten rechtstreekse en belangrijke gevolgen heeft voor de milieueffectbeoordeling van een project daar die rapporten waardevolle technische informatie bevatten die is verstrekt door de instanties die gespecialiseerd zijn op de in artikel 3 van deze richtlijn genoemde gebieden. De inhoud van de in artikel 37, lid 2, onder a) tot en met g), en onder i), van wet 21/2013 bedoelde rapporten levert op zijn minst informatie op die essentieel en relevant is voor de beoordeling van een project dat „aanzienlijke gevolgen voor het milieu” kan hebben in de zin van de MEB-richtlijn. |
|
29 |
Wet 21/2013 voorziet echter niet in een maatregel die ná de ontvangst van deze rapporten moet worden genomen en het betrokken publiek een reële kans biedt om deel te nemen aan de beoordelingsprocedure. Artikel 37, lid 5, van wet 21/2013 vult dit hiaat niet, omdat in deze bepaling niet duidelijk wordt aangegeven om welke informatie het gaat. Ook wordt hierin enkel bepaald dat deze informatie eenvoudigweg „ter beschikking” wordt gesteld, zonder dat is voorzien in een echte procedure die de uitoefening mogelijk maakt van het door artikel 6, lid 4, van de MEB-richtlijn aan het betrokken publiek toegekende „recht [om] opmerkingen en meningen kenbaar te maken”. |
|
30 |
De verwijzende rechter is dan ook van oordeel dat de vereisten van artikel 6, lid 3, van de MEB-richtlijn mogelijk niet adequaat in de artikelen 36, 37 en 38 van wet 21/2013 en de artikelen 33 en 34 van wet 8/2009 zijn omgezet. |
|
31 |
Tegen deze achtergrond heeft de Tribunal Superior de Justicia de Galicia de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
|
|
32 |
Bij beschikking van de president van het Hof van 10 september 2024, Asociación Petón do Lobo (C‑461/24, EU:C:2024:758), is het verzoek van de verwijzende rechter om de onderhavige prejudiciële verwijzing te behandelen volgens de versnelde procedure van artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof afgewezen. Bij dezelfde beschikking heeft de president van het Hof met toepassing van artikel 53, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist dat de onderhavige zaak bij voorrang zou worden behandeld. |
Beantwoording van de prejudiciële vragen
|
33 |
Met zijn drie vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de MEB-richtlijn, en in het bijzonder artikel 6, lid 3, onder b), ervan, aldus moet worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat volgens welke, in het kader van een milieueffectbeoordelingsprocedure voor een aan deze richtlijn onderworpen project, de instanties die op grond van hun specifieke verantwoordelijkheden op milieugebied of op grond van hun lokale of regionale bevoegdheden met het project te maken kunnen krijgen tegelijkertijd met het betrokken publiek worden geraadpleegd, zonder dat dit publiek vervolgens het recht heeft om zijn opmerkingen en meningen over de in dit kader door de geraadpleegde instanties gegeven adviezen kenbaar te maken aan de voor de vergunning van dat project bevoegde instanties. |
|
34 |
Volgens artikel 1, lid 2, onder g), ii), van de MEB-richtlijn omvat het milieueffectbeoordelingsproces „de uitvoering van raadplegingen zoals bedoeld in artikel 6 en, voor zover relevant, artikel 7”. |
|
35 |
Overeenkomstig artikel 6 van de MEB-richtlijn moeten enerzijds de instanties worden geraadpleegd die op grond van hun specifieke verantwoordelijkheden op milieugebied of op grond van hun lokale of regionale bevoegdheden met het project te maken kunnen krijgen, en anderzijds het betrokken publiek. |
|
36 |
Het recht van het betrokken publiek om te worden geraadpleegd is een essentieel onderdeel van het beoordelingsproces waarin de MEB-richtlijn voorziet. |
|
37 |
Zoals in overweging 16 van richtlijn 2011/92 is vermeld, biedt werkelijke inspraak bij het nemen van beslissingen het publiek namelijk de gelegenheid om zijn mening en bezorgdheid te uiten die van belang kunnen zijn voor die beslissingen, en stelt het de besluitvormers in staat daarmee rekening te houden, hetgeen de verantwoording en de transparantie van de besluitvorming vergroot en bijdraagt tot de bewustheid bij het publiek van milieuvraagstukken en tot de steun aan de genomen beslissingen. |
|
38 |
Daartoe bepaalt artikel 6, leden 2 en 3, van de MEB-richtlijn om te beginnen dat een geheel van gegevens over aan een milieueffectbeoordeling onderworpen projecten, naargelang het geval, aan het publiek moet worden meegedeeld „in een vroegtijdig stadium van de [besluitvormingsprocedures] en ten laatste zodra er redelijkerwijs informatie kan worden verstrekt” of „binnen een redelijke termijn” aan het betrokken publiek ter beschikking wordt gesteld. Lid 4 van dit artikel bepaalt vervolgens dat „[h]et betrokken publiek [...] in een vroeg stadium reële mogelijkheden tot inspraak in de [besluitvormingsprocedures dient] te krijgen en [...] daartoe het recht [heeft], wanneer alle opties open zijn, opmerkingen en meningen kenbaar te maken aan de bevoegde instantie(s) voordat het besluit over de vergunningsaanvraag wordt genomen”. Ten slotte bepaalt lid 7 van dat artikel dat de termijn waarbinnen het betrokken publiek wordt geraadpleegd over het in artikel 5, lid 1, van de MEB-richtlijn bedoelde milieueffectbeoordelingsrapport ten minste 30 dagen bedraagt. |
|
39 |
Uit deze bepalingen volgt ten eerste dat zowel de mededeling aan het publiek of het beschikbaar stellen aan het betrokken publiek van de informatie die als basis dient voor de inspraak van het publiek in het kader van de beoordelings- en vergunningsprocedure voor de onder de MEB-richtlijn vallende projecten, als de aan het betrokken publiek geboden mogelijkheid om opmerkingen en meningen over deze informatie en, meer algemeen, over het betrokken project en de milieueffecten ervan over te leggen, in een vroeg stadium plaatsvinden en in elk geval alvorens een besluit over de vergunning voor dat project wordt vastgesteld (zie in die zin arrest van 24 februari 2022, Namur-Est Environnement,C‑463/20, EU:C:2022:121, punten 70 en 71). |
|
40 |
Ten tweede moet die inspraak reëel zijn, hetgeen impliceert dat het betrokken publiek niet alleen op nuttige en volledige wijze een standpunt kan innemen over het betrokken project en de milieueffecten ervan, maar dit ook kan doen op een tijdstip waarop alle opties denkbaar zijn (arrest van 24 februari 2022, Namur-Est Environnement,C‑463/20, EU:C:2022:121, punt 72). |
|
41 |
Wat betreft de raadpleging van de instanties die op grond van hun specifieke verantwoordelijkheden op milieugebied of op grond van hun lokale of regionale bevoegdheden met het project te maken kunnen krijgen, bepaalt artikel 6, lid 1, van de MEB-richtlijn in wezen dat deze instanties de gelegenheid moeten krijgen om advies uit te brengen over de door de opdrachtgever verstrekte informatie en over de aanvraag om een vergunning. |
|
42 |
Niettemin moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat artikel 6, lid 1, van de MEB-richtlijn niet preciseert in welk stadium van het beoordelings- en vergunningsproces voor de aan deze richtlijn onderworpen projecten deze instanties moeten worden geraadpleegd. Deze bepaling bepaalt integendeel dat de nadere regels voor deze raadpleging door de lidstaten worden vastgesteld. |
|
43 |
Het tijdstip van een dergelijke raadpleging volgt evenmin uit de andere bepalingen van dat artikel 6. Lid 6 van deze bepaling verwijst in het bijzonder naar de raadpleging van, ten eerste, de instanties die op grond van hun specifieke verantwoordelijkheden op milieugebied of op grond van hun lokale of regionale bevoegdheden met het project te maken kunnen krijgen, en ten tweede, van het betrokken publiek, zonder te vermelden in welke volgorde die raadplegingen moeten plaatsvinden. |
|
44 |
Dit wordt evenmin verduidelijkt in artikel 1, lid 2, onder g), ii), van de MEB-richtlijn, noch overigens in artikel 7, lid 3, van de MEB-richtlijn, dat de raadpleging betreft die in voorkomend geval moet plaatsvinden in een andere lidstaat die door een project vermoedelijk aanzienlijke effecten zal ondervinden. |
|
45 |
In de tweede plaats vermeldt artikel 6, leden 2 en 3, van de MEB-richtlijn onder de informatie die aan het publiek moet worden verstrekt of aan het betrokken publiek ter beschikking moet worden gesteld, niet de adviezen die de in artikel 6, lid 1, bedoelde instanties hebben geformuleerd. Artikel 6, lid 4, van de MEB-richtlijn bepaalt evenmin dat het betrokken publiek het recht heeft om opmerkingen of meningen kenbaar te maken aan de voor de vergunning van het project bevoegde instanties over de adviezen die door de in artikel 6, lid 1, van deze richtlijn bedoelde instanties zijn uitgebracht. |
|
46 |
Wat meer in het bijzonder artikel 6, lid 3, onder b), van de MEB-richtlijn betreft, dat verwijst naar de terbeschikkingstelling aan het betrokken publiek van „de voornaamste rapporten en adviezen die aan de bevoegde instanties zijn uitgebracht”, zij opgemerkt dat ook deze bepaling niet verwijst naar artikel 6, lid 1, van deze richtlijn, maar daarentegen naar het recht van de lidstaten. |
|
47 |
Bovendien kan, gelet op het doel van de MEB-richtlijn, het begrip „rapporten en adviezen die aan de bevoegde instanties zijn uitgebracht” in artikel 6, lid 3, onder b), van de MEB-richtlijn weliswaar alle documenten omvatten die relevant zijn voor de milieueffectbeoordeling van het project in kwestie, waarover deze instanties beschikken, maar moet worden opgemerkt dat de draagwijdte van artikel 6, lid 3, onder b), beperkt is tot de voornaamste rapporten en adviezen die aan de bevoegde instanties zijn uitgebracht „op het tijdstip waarop het betrokken publiek wordt geïnformeerd in overeenstemming met lid 2”. |
|
48 |
Hoewel derhalve niet kan worden uitgesloten dat de meest relevante adviezen die krachtens artikel 6, lid 1, van de MEB-richtlijn door de in laatstgenoemde bepaling bedoelde betrokken instanties zijn geformuleerd, krachtens lid 3, onder b), van dat artikel 6 aan het betrokken publiek moeten worden meegedeeld wanneer deze adviezen aan de bevoegde instanties zijn uitgebracht op het tijdstip waarop dit betrokken publiek wordt geïnformeerd, kan uit die bepaling dus evenmin worden afgeleid dat die adviezen in elk geval deel moeten uitmaken van de informatie die als basis dient voor de raadpleging van het betrokken publiek. |
|
49 |
Uit de bewoordingen van de MEB-richtlijn vloeit dus niet voort dat de raadpleging, krachtens artikel 6, lid 1, van deze richtlijn, van de instanties die op grond van hun specifieke verantwoordelijkheden op milieugebied of op grond van hun lokale of regionale bevoegdheden met het project te maken kunnen krijgen, vóór de raadpleging van het betrokken publiek moet plaatsvinden, en uit die bewoordingen vloeit evenmin voort dat het betrokken publiek in elk geval het recht heeft om opmerkingen en meningen kenbaar te maken aan de voor de vergunning van het project bevoegde instanties over de adviezen die door de in artikel 6, lid 1, van die richtlijn bedoelde instanties zijn uitgebracht. |
|
50 |
Derhalve staat het de lidstaten vrij om aan de ene kant de instanties te raadplegen die op grond van hun specifieke verantwoordelijkheden op milieugebied of op grond van hun lokale of regionale bevoegdheden met het project te maken kunnen krijgen, en tegelijkertijd aan de andere kant het betrokken publiek, zonder dat dit publiek vervolgens het recht heeft om zijn opmerkingen en meningen over de in dit kader door de geraadpleegde instanties gegeven adviezen kenbaar te maken aan de voor de vergunning van dat project bevoegde instanties, zoals in casu het geval was. |
|
51 |
Aangezien in de overwegingen 16 tot en met 19 van richtlijn 2011/92 de nadruk wordt gelegd op de doelstelling van werkelijke inspraak van het publiek bij het nemen van beslissingen, moet daaraan worden toegevoegd dat uit de bewoordingen van artikel 6, leden 2 en 4, en lid 6, onder b), en artikel 7, lid 5, van deze richtlijn volgt dat de Uniewetgever bij de formulering van die artikelen rekening heeft gehouden met deze doelstelling, zonder evenwel uitdrukkelijk te eisen dat de instanties die op grond van hun specifieke verantwoordelijkheden op milieugebied of op grond van hun lokale of regionale bevoegdheden met het project te maken kunnen krijgen voorafgaand aan het betrokken publiek worden geraadpleegd, of dat dit publiek het recht heeft om zijn opmerkingen en meningen over de in dit kader door de geraadpleegde instanties gegeven adviezen kenbaar te maken aan de voor de vergunning van dat project bevoegde instanties. |
|
52 |
Overigens heeft de Uniewetgever in artikel 6, lid 7, van de MEB-richtlijn het in artikel 5 van de MEB-richtlijn bedoelde beoordelingsrapport gekozen als het beginpunt van de termijn van ten minste 30 dagen waarover het betrokken publiek, wanneer het wordt geraadpleegd, in elk geval moet beschikken. Dit wijst erop dat dit verband in de ogen van de wetgever van wezenlijk belang is voor een werkelijke inspraak van het publiek bij het nemen van beslissingen. |
|
53 |
Uit de overwegingen 31 tot en met 33 van richtlijn 2014/52 volgt bovendien dat de Uniewetgever er met de wijzigingen van artikel 5 van en bijlage IV bij richtlijn 2011/92 op heeft toegezien dat de door de opdrachtgever in dat verslag verstrekte gegevens en informatie volledig en van voldoende kwaliteit zijn en dat daartoe de deskundigen die betrokken zijn bij de voorbereiding van de milieueffectbeoordelingsrapporten van een aan de MEB-richtlijn onderworpen project gekwalificeerd en bekwaam moeten zijn. |
|
54 |
Hieruit volgt dat het betrokken publiek kan worden geacht werkelijk inspraak te hebben, aangezien het met het oog op zijn raadpleging in het kader van de beoordelings- en vergunningsprocedure voor de onder de MEB-richtlijn vallende projecten beschikt over alle in artikel 6, leden 2 en 3, van deze richtlijn bedoelde informatie en vooral, gedurende ten minste 30 dagen, over het overeenkomstig de vereisten van artikel 5 van deze richtlijn en bijlage IV daarbij opgestelde milieueffectbeoordelingsrapport. Daartoe is het daarentegen niet noodzakelijk dat het betrokken publiek in elk geval het recht heeft om zich in het kader van deze raadpleging ook uit te spreken over de adviezen die de in artikel 6, lid 1, van de MEB-richtlijn bedoelde instanties hebben uitgebracht. |
|
55 |
Zoals de Duitse regering en de Commissie in hun schriftelijke opmerkingen in wezen hebben benadrukt, zou een andere oplossing bovendien buitensporig omslachtig kunnen zijn voor de betrokken nationale autoriteiten en de procedure kunnen vertragen, hetgeen niet verenigbaar zou zijn met het in overweging 36 van richtlijn 2014/52 genoemde doel van een efficiënte besluitvorming. |
|
56 |
Niettemin zij eraan herinnerd dat artikel 6, lid 3, onder c), van de MEB-richtlijn de lidstaten verplicht om, overeenkomstig de bepalingen van richtlijn 2003/4, andere informatie dan de in artikel 6, lid 2, bedoelde die relevant is en die pas beschikbaar wordt nadat het betrokken publiek overeenkomstig deze laatste bepaling is geïnformeerd, ter beschikking te stellen van het betrokken publiek. |
|
57 |
Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vragen worden geantwoord dat de MEB-richtlijn zich niet verzet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat volgens welke, in het kader van een milieueffectbeoordelingsprocedure voor een aan deze richtlijn onderworpen project, de instanties die op grond van hun specifieke verantwoordelijkheden op milieugebied of op grond van hun lokale of regionale bevoegdheden met het project te maken kunnen krijgen tegelijkertijd met het betrokken publiek worden geraadpleegd, zonder dat dit publiek vervolgens het recht heeft om zijn opmerkingen en meningen over de in dit kader door de geraadpleegde instanties gegeven adviezen kenbaar te maken aan de voor de vergunning van dat project bevoegde instanties. |
Kosten
|
58 |
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. |
|
Het Hof (Tiende kamer) verklaart voor recht: |
|
Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014, |
|
moet aldus worden uitgelegd dat |
|
zij zich niet verzet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat volgens welke, in het kader van een milieueffectbeoordelingsprocedure voor een aan deze richtlijn onderworpen project, de instanties die op grond van hun specifieke verantwoordelijkheden op milieugebied of op grond van hun lokale of regionale bevoegdheden met het project te maken kunnen krijgen tegelijkertijd met het betrokken publiek worden geraadpleegd, zonder dat dit publiek vervolgens het recht heeft om zijn opmerkingen en meningen over de in dit kader door de geraadpleegde instanties gegeven adviezen kenbaar te maken aan de voor de vergunning van dat project bevoegde instanties. |
|
ondertekeningen |
( *1 ) Procestaal: Spaans.