Voorlopige editie
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
18 juni 2026 (*)
„ Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 2003/6/EG – Artikel 3 – Verordening (EU) nr. 596/2014 – Artikel 10 – Wederrechtelijke mededeling van voorwetenschap – Handel met voorwetenschap en marktmisbruik – Financiële diensten – Artikel 21 – Openbaarmaking of verspreiding van informatie in de media – Openbaarmaking van voorwetenschap in de media door een politicus – Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 – Artikel 10 – Artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Vrijheid van meningsuiting – Artikel 52, leden 1 en 3, van het Handvest van de grondrechten – Uitlegging en beperking van de uitoefening van die vrijheid ”
In zaak C‑376/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de cour d’appel de Bruxelles (hof van beroep Brussel, België) bij beslissing van 8 mei 2024, ingekomen bij het Hof op 28 mei 2024, in de procedure
MT
tegen
Directiecomité van de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten (FSMA),
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, kamerpresident, T. von Danwitz, vicepresident van het Hof, waarnemend rechter van de Vierde kamer, M. Condinanzi (rapporteur), N. Jääskinen en R. Frendo, rechters,
advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,
griffier: M. Siekierzyńska, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 22 mei 2025,
gelet op de opmerkingen van:
– MT, vertegenwoordigd door J. Bourtembourg, J. Uyttendaele en M. Uyttendaele, avocats,
– het directiecomité van de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten (FSMA), vertegenwoordigd door X. Dieux, avocat,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Auvret, G. Goddin en G. von Rintelen als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 september 2025,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van, ten eerste, artikel 3 van richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (marktmisbruik) (PB 2003, L 96, blz. 16) en, ten tweede, de artikelen 10 en 21 van verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik (verordening marktmisbruik) en houdende intrekking van richtlijn [2003/6] en richtlijnen 2003/124[/EG], 2003/125/EG en 2004/72/EG van de Commissie (PB 2014, L 173, blz. 1), gelezen in het licht van de artikelen 11 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), artikel 10 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het gelijkheidsbeginsel.
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen MT en het directiecomité van de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten (FSMA) over het besluit van die autoriteit om MT een geldboete op te leggen wegens het meedelen van voorwetenschap aan journalisten over het voornemen van de Belgische Staat een deel van zijn deelneming in het kapitaal van Bpost te verkopen aan de in Nederland gevestigde vennootschap PostNL. Bpost is een naamloze vennootschap van publiek recht en de belangrijkste speler in de Belgische postsector. Meer dan 50 % van haar kapitaal was in handen van de Belgische Staat, en haar aandelen waren genoteerd aan Euronext Brussel (België).
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 2003/6
3 In de overwegingen 2, 12 en 44 van richtlijn 2003/6 stond te lezen:
„(2) Voor een geïntegreerde en efficiënte financiële markt is marktintegriteit nodig. Een goede werking van de effectenmarkten en vertrouwen van het publiek in de markten zijn noodzakelijke voorwaarden voor economische groei en welvaart. Marktmisbruik schaadt de integriteit van de financiële markten en schendt het vertrouwen van het publiek in effecten en derivaten.
[...]
(12) Marktmisbruik omvat handel met voorwetenschap en marktmanipulatie. De wetgeving tegen handel met voorwetenschap dient hetzelfde doel als wetgeving tegen marktmanipulatie: het waarborgen van de integriteit van de Europese financiële markten en het vergroten van het vertrouwen van de beleggers in deze markten. [...]
[...]
(44) Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het [Handvest] en in het bijzonder in artikel 11 hiervan, alsmede in artikel 10 [EVRM]. In dit verband belet niets in deze richtlijn de lidstaten om hun constitutionele regels inzake de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting in de media toe te passen.”
4 Artikel 1 van deze richtlijn bepaalde het volgende:
„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
1) ‚voorwetenschap’: niet openbaar gemaakte informatie die concreet is en die rechtstreeks of middellijk betrekking heeft op een of meer emittenten van financiële instrumenten of op een of meer financiële instrumenten en die, indien zij openbaar zou worden gemaakt, een aanzienlijke invloed zou kunnen hebben op de koers van deze financiële instrumenten of van daarvan afgeleide financiële instrumenten.
[...]”
5 Artikel 2 van die richtlijn luidde als volgt:
„1. De lidstaten verbieden de in de tweede alinea bedoelde personen die over voorwetenschap beschikken om gebruik te maken van deze voorwetenschap door, voor eigen rekening of voor rekening van derden, rechtstreeks of middellijk de financiële instrumenten waarop deze voorwetenschap betrekking heeft te verkrijgen of te vervreemden, of te trachten deze te verwerven of te vervreemden.
De eerste alinea is van toepassing op iedere persoon die in het bezit van die informatie is:
a) vanwege zijn hoedanigheid als lid van de bestuurs-, leidinggevende of toezichthoudende organen van de emittent, of
b) vanwege zijn deelneming in het kapitaal van de emittent, of
c) vanwege het feit dat hij toegang heeft tot de informatie vanwege de uitoefening van zijn werk, beroep of functie, of
d) vanwege criminele activiteiten.
[...]”
6 Artikel 3 van die richtlijn bepaalde:
„De lidstaten verbieden iedere persoon [op wie] de verbodsbepaling van artikel 2 van toepassing is:
a) voorwetenschap aan een derde mede te delen, tenzij dit gebeurt in het kader van de normale uitoefening van [zijn] werk, beroep of functie;
b) op grond van voorwetenschap een derde aan te bevelen of ertoe aan te zetten om financiële instrumenten waarop die voorwetenschap betrekking heeft, te verkrijgen of te vervreemden, of door een andere persoon te doen verkrijgen of vervreemden.”
7 Richtlijn 2003/6 is met ingang van 3 juli 2016 ingetrokken bij verordening nr. 596/2014.
Verordening nr. 596/2014
8 De overwegingen 2, 7, 23, 24 en 77 van verordening nr. 596/2014 luiden als volgt:
„(2) Voor een geïntegreerde, efficiënte en transparante financiële markt is marktintegriteit nodig. Een goede werking van de effectenmarkten en vertrouwen van het publiek in de markten zijn noodzakelijke voorwaarden voor economische groei en welvaart. Marktmisbruik schaadt de integriteit van de financiële markten en schendt het vertrouwen van het publiek in effecten en derivaten.
[...]
(7) Marktmisbruik is het begrip dat onwettige gedragingen op de financiële markten omvat. In het kader van deze verordening moet het worden geïnterpreteerd als handel met voorwetenschap, wederrechtelijke mededeling van voorwetenschap en marktmanipulatie. Dergelijke gedragingen zijn een belemmering voor volledige en reële markttransparantie, die voor alle marktdeelnemers op geïntegreerde financiële markten een eerste vereiste is om handelstransacties te kunnen verrichten.
[...]
(23) Het essentiële kenmerk van handel met voorwetenschap is dat een oneerlijk voordeel wordt behaald uit voorwetenschap ten nadele van derde partijen die niet van deze informatie op de hoogte zijn en dat, in het verlengde hiervan, sprake is van ondermijning van de integriteit van financiële markten en het beleggersvertrouwen. Bijgevolg is het verbod op handel met voorwetenschap van toepassing wanneer een persoon die over voorwetenschap beschikt ongerechtvaardigd voordeel haalt uit het voordeel dat deze informatie hem verschaft door in overeenstemming met deze informatie transacties aan te gaan door voor eigen rekening of voor rekening van een derde, direct of indirect, financiële instrumenten waar die wetenschap betrekking op heeft te kopen of te verkopen, of te proberen deze instrumenten te kopen of te verkopen, of een koop- of verkoopopdracht met betrekking tot deze instrumenten te annuleren of te wijzigen, of te proberen te annuleren of te wijzigen. [...]
(24) [...] De vraag of een persoon het verbod op handel met voorwetenschap heeft overtreden, of een poging daartoe heeft ondernomen, moet worden beantwoord op basis van de doelstelling van deze verordening, die erin bestaat de integriteit van de financiële markten te beschermen en het beleggersvertrouwen te vergroten, dat op zijn beurt berust op de zekerheid dat beleggers op voet van gelijkheid zullen verkeren en beschermd worden tegen het misbruik van voorwetenschap.
[...]
(77) Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen die zijn erkend in het [Handvest] in acht. Derhalve dient deze verordening te worden uitgelegd en toegepast overeenkomstig deze rechten en beginselen. Er moet in het bijzonder aandacht worden geschonken aan de in deze verordening vermelde persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting in andere media, en aan de regels of codes van het journalistieke beroep, aangezien zij worden gewaarborgd in de [Europese] Unie en in de lidstaten, en erkend worden in artikel 11 van het [Handvest] en in andere bepalingen ter zake.”
9 Artikel 1 van deze verordening bepaalt het volgende:
„In deze verordening wordt een gemeenschappelijk regelgevend kader vastgelegd inzake handel met voorwetenschap, wederrechtelijke mededeling van voorwetenschap en marktmanipulatie (marktmisbruik), en ook maatregelen ter voorkoming van marktmisbruik teneinde de integriteit van de financiële markten in de Unie te waarborgen en de bescherming van beleggers en hun vertrouwen in die markten te versterken.”
10 Artikel 7 van die verordening heeft als opschrift „Voorwetenschap” en bepaalt in de leden 1 en 4:
„1. Voor de toepassing van deze verordening omvat voorwetenschap de volgende soorten informatie:
a) niet openbaar gemaakte informatie die concreet is en die rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking heeft op een of meer uitgevende instellingen of op een of meer financiële instrumenten en die, indien zij openbaar zou worden gemaakt, een significante invloed zou kunnen hebben op de koers van deze financiële instrumenten of daarvan afgeleide financiële instrumenten;
[...]
4. Voor de toepassing van lid 1 wordt onder informatie die, indien deze openbaar zou worden gemaakt, waarschijnlijk een significante invloed zou hebben op de koers van financiële instrumenten, daarvan afgeleide financiële instrumenten, daaraan gerelateerde spotcontracten voor grondstoffen of geveilde producten gebaseerd op emissierechten, informatie verstaan waarvan een redelijk handelende belegger waarschijnlijk gebruik zou maken om er zijn beleggingsbeslissingen ten dele op te baseren.
[...]”
11 Artikel 10 van die verordening heeft als opschrift „Wederrechtelijke mededeling van voorwetenschap” en bepaalt:
„1. Voor de toepassing van deze verordening is sprake van wederrechtelijke mededeling van voorwetenschap als een persoon die over voorwetenschap beschikt deze voorwetenschap bekendmaakt aan enige andere persoon, tenzij de bekendmaking plaatsvindt uit hoofde van de normale uitoefening van werk, beroep of functie.
[...]
2. Voor de toepassing van deze verordening vormt de verdere doorgifte van aanbevelingen of aansporingen [...] wederrechtelijke mededeling van voorwetenschap onder dit artikel wanneer de persoon die de aanbeveling of aansporing bekendmaakt, wist of had moeten weten dat deze op voorwetenschap was gebaseerd.”
12 Artikel 14 van verordening nr. 596/2014, met als opschrift „Verbod op handel met voorwetenschap en wederrechtelijke mededeling van voorwetenschap”, luidt als volgt:
„Het is verboden om:
a) te handelen met voorwetenschap of [te] trachten te handelen met voorwetenschap;
b) iemand anders aan te raden om te handelen met voorwetenschap of iemand anders ertoe aan te zetten om te handelen met voorwetenschap, of
c) voorwetenschap wederrechtelijk mee te delen.”
13 Artikel 21 van deze verordening heeft als opschrift „Openbaarmaking of verspreiding van informatie in de media” en schrijft voor:
„Voor de toepassing van artikel 10 [...] wanneer informatie openbaar wordt gemaakt of wordt verspreid en wanneer aanbevelingen worden verstrekt of verspreid ten behoeve van journalistieke doeleinden of andere uitdrukkingsvormen in de media, wordt deze openbaarmaking of verspreiding van informatie beoordeeld met inachtneming van de bepalingen inzake de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting in andere media, en de journalistieke gedragscodes, tenzij:
a) de betrokkenen of personen die nauw met hen verbonden zijn, rechtstreeks of onrechtstreeks een voordeel of winst behalen uit de openbaarmaking of de verspreiding van de betreffende informatie, of
b) de openbaarmaking of de verspreiding wordt verricht met de bedoeling de markt te misleiden op het gebied van het aanbod van, de vraag naar of de koers van financiële instrumenten.”
Belgisch recht
14 Bij wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten (Belgisch Staatsblad van 4 september 2002, blz. 39121), in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „wet van 2 augustus 2002”), zijn richtlijn 2003/6 en richtlijn 2003/124/EG van de Commissie van 22 december 2003 tot uitvoering van richtlijn [2003/6] van het Europees Parlement en de Raad wat de definitie en openbaarmaking van voorwetenschap en de definitie van marktmanipulatie betreft (PB 2003, L 339, blz. 70) in Belgisch recht omgezet.
15 Artikel 2, 14°, van deze wet definieert het begrip „voorwetenschap” als volgt:
„[...] niet openbaar gemaakte informatie die concreet is en die rechtstreeks of middellijk betrekking heeft op een of meer emittenten van financiële instrumenten of op een of meer financiële instrumenten en die, indien zij openbaar zou worden gemaakt, een aanzienlijke invloed zou kunnen hebben op de koers van deze financiële instrumenten of van daarvan afgeleide financiële instrumenten.
[...]
Onder informatie die een aanzienlijke invloed zou kunnen hebben op de koers van financiële instrumenten of van daarvan afgeleide financiële instrumenten wordt informatie verstaan waarvan een redelijk handelende belegger waarschijnlijk gebruik zal maken om er zijn beleggingsbeslissingen ten dele op te baseren.
De in de eerste, tweede en derde alinea opgenomen informatie wordt geacht concreet te zijn indien zij betrekking heeft op een situatie die bestaat of waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat zij zal ontstaan, dan wel op een gebeurtenis die heeft plaatsgevonden of waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat zij zal plaatsvinden, en indien de informatie concreet genoeg is om er een conclusie uit te trekken omtrent de mogelijke invloed van bovenbedoelde situatie of gebeurtenis op de koers van de financiële instrumenten.”
16 Artikel 25, lid 1, van die wet bepaalt:
„1. „Het is aan eenieder verboden:
1° die over informatie beschikt waarvan hij weet of zou moeten weten dat het voorkennis betreft: [...]
a) gebruik te maken van deze voorkennis door, voor eigen of voor andermans rekening, rechtstreeks of onrechtstreeks de financiële instrumenten waarop deze voorkennis betrekking heeft of aanverwante financiële instrumenten te verkrijgen of te vervreemden of te pogen deze te verkrijgen of te vervreemden;
b) deze voorkennis aan iemand anders mede te delen, tenzij dit gebeurt binnen het kader van de normale uitoefening van zijn werk, beroep of functie;
c) op grond van voorwetenschap een derde aan te bevelen of ertoe aan te zetten om financiële instrumenten waarop die voorwetenschap betrekking heeft, te verkrijgen of te vervreemden, of door een andere persoon te doen verkrijgen of vervreemden.
[...]
4° informatie of geruchten te verspreiden, via de media, het internet of om het even welk ander kanaal, die valse of misleidende signalen geven of kunnen geven over financiële instrumenten, waarbij de betrokken persoon wist of had moeten weten dat de informatie vals of misleidend was.
Wat de journalisten betreft die in hun beroepshoedanigheid handelen, wordt elke eventuele tekortkoming, met name op het vlak van de verificatie van informatie, beoordeeld in het licht van de voor dat beroep geldende deontologische reglementeringen of verplichtingen.”
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
17 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat MT, een Belgisch politicus die lid is van de socialistische partij, van januari 2013 tot oktober 2014 minister van Overheidsbedrijven was in de Belgische federale regering. Ten tijde van de feiten van het hoofdgeding was MT onder meer secretaris-generaal van het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten – Solidaris (NVSM) en een invloedrijk lid van de socialistische partij, die na de parlementsverkiezingen van 25 mei 2014 in de oppositie is beland.
18 In 2015 toonde de Belgische regering zich bereid het aandeel van de staat in het kapitaal van overheidsbedrijven te verlagen tot minder dan 50 %. Dit heeft geleid tot een parlementair debat en tot de goedkeuring van de wet van 16 december 2015 tot wijziging van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven (Belgisch Staatsblad van 12 januari 2016, blz. 763), die het mogelijk maakte om beursgenoteerde autonome overheidsbedrijven, zoals Bpost, te privatiseren.
19 Op grond van deze wet werden de statuten van Bpost op 11 mei 2016 tijdens de gewone en buitengewone algemene vergadering van haar aandeelhouders gewijzigd teneinde de privatisering van Bpost mogelijk te maken. Op 12 mei 2016 maakte een Belgische krant in een commentaar op de uitkomst van deze aandeelhoudersvergaderingen melding van de „privatisering van Bpost”.
20 Op 27 mei 2016 verklaarde MT, in antwoord op een vraag tijdens een radioprogramma van RTBF, dat Bpost op zeer korte termijn haar statuut van overheidsbedrijf zou verliezen, dat „de staat [...] een deel van zijn aandelen [zou] verkopen [...] en dat het echt een kwestie van uren [was]”. Hij voegde daaraan toe dat het verlies van de hoedanigheid van overheidsbedrijf zou plaatsvinden in het kader van een integratie met een andere Europese postexploitant, aangezien er werd onderhandeld over de verkoop van 10 % van de aandelen van Bpost aan het Nederlandse postbedrijf PostNL.
21 MT heeft deze informatie op diezelfde dag bevestigd en aangevuld tegenover een journalist van het internetportaal www.lavenir.net, alsook in een interview met de krant Le Soir. Daarbij verwees hij opnieuw naar het plan van de Belgische Staat om een deel van diens belang in Bpost af te stoten, en gaf hij aan dat dit belang na de overdracht ongeveer 30 tot 40 % zou bedragen.
22 Op die datum, 27 mei 2016, was er volgens de verwijzingsbeslissing een reëel vooruitzicht dat de privatisering van de Belgische post op korte termijn zou plaatsvinden gelet op de voortgang van de lopende vertrouwelijke onderhandelingen met het Nederlandse postbedrijf PostNL. Bovendien was volgens het tijdschema van de onderhandelaars een persbericht gepland voor 6 juni 2016, waarin de afronding van de betrokken transactie zou worden aangekondigd.
23 Na de verklaringen van MT heeft Bpost, waarvan de aandelen waren genoteerd aan Euronext Brussel, de FSMA echter onmiddellijk verzocht de handel in haar aandelen op te schorten. Daardoor werden de onderhandelingen tussen Bpost en PostNL over een eventuele fusie van beide ondernemingen stopgezet en heeft de fusie niet plaatsgevonden.
24 In die context heeft het directiecomité van de FSMA op 28 juli 2016 besloten een onderzoek in te stellen naar de verklaringen van MT in de media. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft de sanctiecommissie van de FSMA verschillende voorlopige beslissingen genomen, waartegen MT beroep heeft ingesteld. Die beroepen zijn evenwel allemaal verworpen.
25 Bij besluit van 11 mei 2023 heeft de sanctiecommissie van de FSMA vastgesteld dat MT artikel 25, lid 1, 1°, onder b), van de wet van 2 augustus 2002 niet had nageleefd door buiten de uitoefening van zijn werk, beroep of functie voorwetenschap mee te delen, en heeft zij hem een administratieve geldboete van 12 500 EUR opgelegd.
26 MT heeft tegen dat besluit beroep ingesteld bij de cour d’appel de Bruxelles (hof van beroep Brussel, België), de verwijzende rechter, waarbij hij primair heeft aangevoerd dat hij zich in de media als politicus had uitgesproken om de toekomst van de overheidssector te verdedigen en een democratisch debat daarover op gang te brengen. Hij beroept zich met name op de in artikel 21 van verordening nr. 596/2014 bedoelde uitzondering inzake de openbaarmaking of verspreiding van informatie in de media, en stelt dat hij heeft gehandeld in de normale uitoefening van zijn functie als voormalig minister van Overheidsbedrijven en dat deze openbaarmaking noodzakelijk was om zijn taak als lid van een politieke oppositiepartij te vervullen. Voorts betoogt hij dat hij uit die openbaarmaking geen enkel voordeel heeft behaald en dat hij niet de bedoeling had om de markten te manipuleren. Ten slotte voert hij aan dat elke beperking van de door artikel 11 van het Handvest en artikel 10 EVRM gewaarborgde vrijheid van meningsuiting en persvrijheid strikt moet worden uitgelegd.
27 Het directiecomité van de FSMA betoogt dat, zelfs indien wordt aangenomen dat artikel 21 van verordening nr. 596/2014 niet uitsluitend van toepassing is op professionele journalisten, alleen personen die een met de journalistiek vergelijkbare functie of een vergelijkbaar beroep uitoefenen aanspraak kunnen maken op de in die bepaling neergelegde uitzondering en dat deze niet kan worden uitgebreid tot uitspraken van politici. Het directiecomité van de FSMA voegt hieraan toe dat de openbaarmaking in kwestie hoe dan ook noch noodzakelijk noch evenredig was aan het doel om een publiek debat over de privatisering van Belgische overheidsbedrijven op gang te brengen, en dat een dergelijk debat ook met andere middelen tot stand had kunnen worden gebracht. Bovendien is dat comité van mening dat de uitzondering op het verbod van verspreiding of openbaarmaking van voorwetenschap bij de uitoefening van werk, beroep of functie slechts kan worden ingeroepen indien een nauw verband bestaat tussen die verspreiding of openbaarmaking en het betrokken werk of de betrokken functie, hetgeen in casu niet het geval was.
28 De verwijzende rechter merkt op dat zowel artikel 3 van richtlijn 2003/6 als artikel 10 van verordening nr. 596/2014 voorzien in een afwijking van het algemene verbod op de verspreiding of openbaarmaking van voorwetenschap wanneer die verspreiding of openbaarmaking plaatsvindt in het kader van „de normale uitoefening van werk, beroep of functie”.
29 Deze rechter vraagt zich af wat de grenzen zijn van de vrijheid van meningsuiting van een politicus zoals MT en merkt op dat deze in casu geen enkel financieel voordeel heeft behaald uit de openbaarmaking van voorwetenschap aan de pers en die informatie enkel heeft bekendgemaakt teneinde een publiek debat op gang te brengen. De verwijzende rechter vraagt zich met name af of artikel 21 van verordening nr. 596/2014 op MT van toepassing is als gunstigere bepaling dan die van richtlijn 2003/6, nu MT beweert te hebben gehandeld in de uitoefening van zijn functie als voormalig minister en lid van een oppositiepartij met de bedoeling het publiek te waarschuwen voor een plan om een vooraanstaand overheidsbedrijf te privatiseren. Meer in het algemeen vraagt de verwijzende rechter zich af of MT zich kan beroepen op de uitzondering op het verbod op openbaarmaking van voorwetenschap wanneer die openbaarmaking heeft plaatsgevonden in de uitoefening van zijn functie, rekening houdend met het feit dat die functie normaliter weliswaar geen openbaarmaking in de media impliceert, maar dit in casu gebeurde om een publiek debat over een kwestie van algemeen belang op gang te brengen.
30 De verwijzende rechter is dan ook van oordeel dat de beslechting van het hoofdgeding afhangt van de uitlegging van met name artikel 3 van richtlijn 2003/6 en de artikelen 10 en 21 van verordening nr. 596/2014.
31 In deze omstandigheden heeft de cour d’appel de Bruxelles de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Moet artikel 3 van richtlijn 2003/6, gelezen in het licht van de artikelen 11 en 52 van het [Handvest], artikel 10 EVRM en het gelijkheidsbeginsel, voor zover het betrekking heeft op het verbod om ‚voorwetenschap aan een derde mede te delen, tenzij dit gebeurt in het kader van de normale uitoefening van [zijn] werk, beroep of functie’ aldus worden uitgelegd dat het verboden is dat voorwetenschap in de media (radio en websites van gedrukte media) wordt meegedeeld door een persoon die politicus, voormalig minister en lid van een oppositiepartij is, die in die hoedanigheid in de media verschijnt, en die met de verspreiding van die voorwetenschap een openbaar debat over een kwestie van algemeen belang wil uitlokken, teneinde kritiek te leveren op een privatiseringsplan, maar wiens positie normaliter niet gepaard gaat met dergelijke verspreiding van voorwetenschap in de media?
2) Moet artikel 21 van verordening nr. 596/2014 betreffende marktmisbruik, gelezen in het licht van dezelfde beginselen als in de vorige vraag, aldus worden uitgelegd dat de werkingssfeer ervan beperkt is tot de openbaarmaking of verspreiding van voorwetenschap door journalisten, of is het ook van toepassing op de openbaarmaking of verspreiding van voorwetenschap in de media door een persoon, zoals een politicus die voormalig minister en lid van een oppositiepartij is, die met de verspreiding van die voorwetenschap een openbaar debat over een kwestie van algemeen belang wil uitlokken teneinde kritiek te leveren op een privatiseringsplan?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
32 Volgens vaste rechtspraak is het, in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof de hem voorgelegde vragen indien nodig te herformuleren. Voorts kan het Hof bepalingen van het recht van de Unie in aanmerking nemen die door de nationale rechter in zijn vraag niet zijn genoemd [zie in die zin arresten van 20 maart 1986, Tissier, 35/85, EU:C:1986:143, punt 9, en 26 maart 2026, Isergartler, C‑618/24, EU:C:2026:251, punt 24].
33 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 3, onder a), van richtlijn 2003/6, voor zover het toestaat dat voorwetenschap wordt meegedeeld in het kader van de normale uitoefening van werk, beroep of functie, gelezen in het licht van de artikelen 11 en 52 van het Handvest, artikel 10 EVRM en het gelijkheidsbeginsel, aldus moet worden uitgelegd dat het verbiedt dat een politicus voorwetenschap in de media openbaar maakt of verspreidt teneinde kritiek te uiten op de lopende privatisering van een overheidsbedrijf en een publiek debat over een kwestie van algemeen belang op gang te brengen. Artikel 3, onder a), van richtlijn 2003/6, dat van toepassing was ten tijde van de feiten van het hoofdgeding, komt overeen met artikel 10, lid 1, van verordening nr. 596/2014.
34 Gelet op het feit dat richtlijn 2003/6 met ingang van 3 juli 2016 is ingetrokken en vervangen door verordening nr. 596/2014 en dat deze verordening, met name in artikel 21 betreffende de openbaarmaking of verspreiding van informatie in de media, een specifieke regeling heeft ingevoerd ingeval de openbaarmaking plaatsvindt „ten behoeve van journalistieke doeleinden of andere uitdrukkingsvormen in de media”, die de verwijzende rechter minder streng acht dan de regeling waarin richtlijn 2003/6 voorziet, wenst hij met zijn tweede vraag in wezen te vernemen of artikel 21 van toepassing is op de openbaarmaking of verspreiding van voorwetenschap in de media door een politicus, teneinde te beoordelen of een dergelijke gunstigere regeling van toepassing kan zijn op de feiten van het hoofdgeding.
35 Wat de vraag betreft of artikel 21 van verordening nr. 596/2014 op het betreffende gebied minder streng is dan de bepalingen van richtlijn 2003/6, zodat het van toepassing is op het hoofdgeding op grond van de door artikel 49, lid 1, van het Handvest gewaarborgde retroactieve toepassing van de gunstigere wet (lex mitior), heeft het Hof reeds geoordeeld dat deze vraag afhangt van het antwoord op de vraag hoe dat artikel 21 moet worden uitgelegd. Het Hof heeft tevens vastgesteld dat artikel 10 van die verordening overeenkomt met artikel 3, onder a), van richtlijn 2003/6 en dus op zichzelf beschouwd niet kan worden geacht een minder strenge regel te bevatten dan die waarin laatstgenoemde bepaling voorzag, maar dat uit de verwijzing naar artikel 10 van verordening nr. 596/2014 in artikel 21 van deze verordening volgt dat deze artikelen nauw met elkaar samenhangen en dus niet afzonderlijk kunnen worden toegepast. Derhalve behoort de vraag of de artikelen 10 en 21 van verordening nr. 596/2014 van toepassing zijn op het hoofdgeding, tot het onderzoek ten gronde van de prejudiciële vragen (arrest van 15 maart 2022, Autorité des marchés financiers, C‑302/20, EU:C:2022:190, punten 59 en 60).
36 Gelet op het voorgaande lijkt het niet uitgesloten dat het hoofdgeding binnen de werkingssfeer van artikel 10 van verordening nr. 596/2014 valt en niet binnen die van artikel 3 van richtlijn 2003/6.
37 Bijgevolg moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn twee vragen, die samen moeten worden onderzocht, in essentie wenst te vernemen of artikel 3, onder a), van richtlijn 2003/6, artikel 10, lid 1, van verordening nr. 596/2014 en artikel 21 van die verordening, gelezen in het licht van de artikelen 11 en 52 van het Handvest, artikel 10 EVRM en het gelijkheidsbeginsel, aldus moeten worden uitgelegd dat de openbaarmaking van voorwetenschap in de media door een politicus teneinde kritiek te uiten op de lopende privatisering van een overheidsbedrijf en een publiek debat over een kwestie van algemeen belang op gang te brengen, onder de normale uitoefening van zijn functie kan vallen in de zin van artikel 3, onder a), van richtlijn 2003/6 en artikel 10, lid 1, van verordening nr. 596/2014, en of artikel 21 op een dergelijke openbaarmaking van toepassing kan zijn.
38 Voor het antwoord op die vraag moet in herinnering worden gebracht dat artikel 10, lid 1, van verordening nr. 596/2014 bepaalt dat er sprake is van wederrechtelijke mededeling van voorwetenschap – hetgeen verboden is krachtens artikel 14, onder c), van deze verordening – als een persoon die beschikt over voorwetenschap, deze aan enige andere persoon bekendmaakt, tenzij de bekendmaking plaatsvindt in het kader van de normale uitoefening van zijn werk, beroep of functie.
39 Zoals het Hof reeds heeft vastgesteld, komt artikel 10, lid 1, van verordening nr. 596/2014, gelezen in samenhang met artikel 14, onder c), van deze verordening, in wezen overeen met artikel 3, onder a), van richtlijn 2003/6, op grond waarvan de lidstaten verplicht waren de mededeling van voorwetenschap te verbieden. Met name bevat artikel 10 van verordening nr. 596/2014 dezelfde uitzondering op het verbod om voorwetenschap mee te delen als bovengenoemde bepaling van die richtlijn, doordat het bepaalt dat de mededeling van voorwetenschap niet wederrechtelijk is wanneer zij plaatsvindt in het kader van de normale uitoefening van werk, beroep of functie (zie in die zin arrest van 15 maart 2022, Autorité des marchés financiers, C‑302/20, EU:C:2022:190, punt 76).
40 Om de draagwijdte van deze uitzondering te bepalen zij eraan herinnerd dat het doel van verordening nr. 596/2014 – zoals met name blijkt uit de overwegingen 2 en 24 en artikel 1 ervan – erin bestaat de integriteit van de financiële markten van de Unie te waarborgen en het vertrouwen van de beleggers in deze markten te vergroten, welk vertrouwen onder meer berust op de omstandigheid dat zij op voet van gelijkheid verkeren en dat zij zullen worden beschermd tegen het ongeoorloofde gebruik van voorwetenschap (zie in die zin arresten van 15 maart 2022, Autorité des marchés financiers, C‑302/20, EU:C:2022:190, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 16 april 2026, Brännelius, C‑229/24, EU:C:2026:298, punt 51).
41 Derhalve moet de uitzondering van artikel 10, lid 1, van verordening nr. 596/2014 – net zoals die van artikel 3, onder a), van richtlijn 2003/6 – in beginsel restrictief worden uitgelegd. Dit vereist dat er een „nauw verband” bestaat tussen de openbaarmaking van voorwetenschap en de „normale” uitoefening van werk, beroep of functie om die openbaarmaking te rechtvaardigen, aangezien de mededeling van voorwetenschap slechts niet wederrechtelijk is indien zij strikt noodzakelijk is voor die uitoefening en het evenredigheidsbeginsel eerbiedigt (zie in die zin arrest van 15 maart 2022, Autorité des marchés financiers, C‑302/20, EU:C:2022:190, punt 78 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42 Niettemin heeft het Hof reeds erkend dat, in het licht van artikel 21 van verordening nr. 596/2014, het vereiste van een nauwe band in de zin van artikel 10, lid 1, van deze verordening bijzondere kenmerken vertoont die verband houden met de aard van een openbaarmaking „ten behoeve van journalistieke doeleinden”, zodat de artikelen 10 en 21 van die verordening in een dergelijke context aldus moeten worden uitgelegd dat de openbaarmaking van voorwetenschap ten behoeve van journalistieke doeleinden niet wederrechtelijk is wanneer zij moet worden geacht noodzakelijk te zijn voor de uitoefening van werk, beroep of functie en te stroken met het evenredigheidsbeginsel (zie in die zin arrest van 15 maart 2022, Autorité des marchés financiers, C‑302/20, EU:C:2022:190, punten 81 en 89).
43 In casu kan niet bij voorbaat worden uitgesloten dat de openbaarmaking van voorwetenschap door een politicus onder de normale uitoefening van zijn functie kan vallen en dus rechtmatig is in de zin van artikel 10, lid 1, van verordening nr. 596/2014.
44 Dit is met name het geval wanneer een politicus, los van de uitoefening van parlementaire functies, een actief en invloedrijk lid is van een oppositiepartij, waarvan de rol essentieel is in een democratische samenleving, en hij met de openbaarmaking van voorwetenschap beoogt het beleid van de regering of de parlementaire meerderheid te betwisten of aan de kaak te stellen, alsook de belangen te verdedigen van een deel van het electoraat dat deze regering en meerderheid niet steunt, door hun eisen en standpunten onder de aandacht te brengen in het publieke debat.
45 Bovendien heeft een dergelijke politicus er belang bij zijn standpunt over actuele kwesties aan het publiek kenbaar te maken en in het kader van een debat van algemeen belang kritiek te uiten op de uitvoerende macht (zie in die zin EHRM, 27 oktober 2020, Kiliçdaroğlu tegen Turkije, CE:ECHR:2020:1027JUD001655818, §§ 48 en 49).
46 In dit verband verduidelijkt de verwijzende rechter dat MT ten tijde van de feiten van het hoofdgeding voormalig minister en invloedrijk lid van een politieke oppositiepartij was en dat hij in die hoedanigheid op de radio en in de gedrukte media informatie over de aanstaande privatisering van de belangrijkste postexploitant in België openbaar heeft gemaakt. Zoals uitdrukkelijk in de eerste vraag is vermeld, merkt deze rechter op dat zijn functie weliswaar gewoonlijk niet inhield dat dergelijke voorwetenschap via de media werd verspreid, maar dat die openbaarmaking juist heeft plaatsgevonden om een publiek debat over een kwestie van algemeen belang op gang te brengen en kritiek te uiten op een gevoelige en bijzonder belangrijke aanstaande privatisering van een overheidsbedrijf.
47 In die omstandigheden valt de openbaarmaking van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde voorwetenschap, onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, mogelijkerwijs onder de normale uitoefening van de functie van MT en ontsnapt zij aldus aan het verbod van artikel 10, lid 1, van verordening nr. 596/2014, mits is voldaan aan de andere voorwaarden die uit die bepaling voortvloeien in de zin van de in punt 41 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak.
48 Aangezien de in het hoofdgeding aan de orde zijnde openbaarmaking in de media heeft plaatsgevonden, moet tevens worden nagegaan of artikel 21 van die verordening van toepassing is op een dergelijke openbaarmaking, zoals de verwijzende rechter met zijn tweede vraag wenst te vernemen. Die bepaling regelt uitdrukkelijk de bekendmaking van voorwetenschap in de media en vereist dat voor de toepassing van artikel 10 van die verordening met name rekening wordt gehouden met de regels inzake de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting.
49 In dit verband bepaalt artikel 21 van verordening nr. 596/2014 dat de openbaarmaking van informatie ten behoeve van journalistieke doeleinden of andere uitdrukkingsvormen in de media, voor de toepassing van onder meer artikel 10 van deze verordening wordt beoordeeld met inachtneming van de bepalingen inzake de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting in andere media, en de journalistieke gedragscodes, tenzij de persoon die de informatie openbaar maakt dan wel nauw met hem verbonden personen rechtstreeks of middellijk voordeel behalen of de openbaarmaking wordt verricht met de bedoeling de markt te misleiden.
50 Zoals het Hof reeds heeft verklaard vormt artikel 21 van verordening nr. 596/2014 geen van artikel 10 van deze verordening afwijkende autonome grondslag om vast te stellen of de mededeling van voorwetenschap ten behoeve van journalistieke doeleinden of andere uitdrukkingsvormen in de media, al dan niet wederrechtelijk is. Die vaststelling moet gebaseerd zijn op artikel 10 van verordening nr. 596/2014, waarbij rekening moet worden gehouden met de verduidelijkingen in artikel 21 van deze verordening (arrest van 15 maart 2022, Autorité des marchés financiers, C‑302/20, EU:C:2022:190, punt 75).
51 Voor de onderhavige zaak moet eraan worden herinnerd dat bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening moet worden gehouden met haar bewoordingen, maar ook met haar context en met de doelstellingen en het oogmerk van de regeling waarvan zij deel uitmaakt, teneinde uit te maken of de openbaarmaking of verspreiding van voorwetenschap ten behoeve van journalistieke doeleinden of „andere uitdrukkingsvormen in de media” in de zin van artikel 21 van verordening nr. 596/2014 betrekking heeft op het geval waarin een politicus voorwetenschap openbaar maakt of verspreidt in de gedrukte media of in andere media, zoals met name de radio (arrest van 15 maart 2022, Autorité des marchés financiers, C‑302/20, EU:C:2022:190, punt 63).
52 Wat de bewoordingen van artikel 21 van verordening nr. 596/2014 betreft dient te worden vastgesteld dat de woorden „andere uitdrukkingsvormen in de media” in algemene zin betrekking hebben op de openbaarmaking of verspreiding van informatie in de media, zoals ook blijkt uit het opschrift van artikel 21. Zij hebben derhalve niet noodzakelijk uitsluitend betrekking op openbaarmakingen van informatie door journalisten of met journalistieke doeleinden, maar ook op openbaarmakingen door andere personen, van wie de rol en functie evenwel per geval moet worden onderzocht met inachtneming van alle omstandigheden van de concrete zaak.
53 Wat de context van verordening nr. 596/2014 en de met deze verordening nagestreefde doelstellingen betreft, volgt met name uit overweging 2 dat die verordening tot doel heeft de integriteit van de financiële markten te waarborgen door marktmisbruik – zoals handel met voorwetenschap en wederrechtelijke mededeling van voorwetenschap – te verbieden. Voorts blijkt uit overweging 77 van verordening nr. 596/2014 dat deze doelstelling moet worden nagestreefd met eerbiediging van de grondrechten en de beginselen die zijn erkend in het Handvest, in het bijzonder de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting in andere media, zoals zij in de Unie en in de lidstaten worden gewaarborgd, in artikel 11 van het Handvest worden erkend en voorts in artikel 21 van verordening nr. 596/2014 worden vermeld (arrest van 15 maart 2022, Autorité des marchés financiers, C‑302/20, EU:C:2022:190, punt 65).
54 Teneinde rekening te houden met het belang dat in elke democratische samenleving aan die fundamentele vrijheden toekomt, dienen de begrippen „journalistieke doeleinden” en „andere uitdrukkingsvormen in de media” in artikel 21 van die verordening ruim te worden uitgelegd (zie in die zin arrest van 15 maart 2022, Autorité des marchés financiers, C‑302/20, EU:C:2022:190, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
55 Uit de bewoordingen van artikel 21 van verordening nr. 596/2014 alsmede uit de context ervan en uit de doelstellingen van deze verordening volgt derhalve dat de openbaarmaking van voorwetenschap in de media door een politicus onder de uitdrukking „of andere uitdrukkingsvormen in de media” kan vallen, zodat artikel 21 van die verordening op een dergelijk geval van toepassing kan zijn.
56 Er zij evenwel nog op gewezen dat de toepassing van artikel 21 van verordening nr. 596/2014 ook afhangt van de vraag of is voldaan aan de twee in die bepaling gestelde en in punt 49 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte negatieve voorwaarden, namelijk dat de betrokken persoon of nauw met hem verbonden personen geen rechtstreeks of middellijk voordeel of winst behalen uit die openbaarmaking en dat die persoon niet de bedoeling heeft om met die openbaarmaking de markt te misleiden.
57 In dit verband moet in de eerste plaats worden verduidelijkt dat het voordeel of de winst in kwestie in beginsel een economisch karakter moet hebben, in die zin dat het voordeel of de winst rechtstreeks of middellijk een positieve invloed moet hebben op de vermogenssituatie van de persoon die de informatie verspreidt of van personen die nauw met hem verbonden zijn, zelfs indien die invloed pas later merkbaar wordt. Zoals blijkt uit overweging 23 van deze verordening, is het essentiële kenmerk van handel met voorwetenschap immers dat een oneerlijk voordeel wordt behaald uit voorwetenschap in de vorm van markttransacties. Bijgevolg kan een louter politiek voordeel, met uitsluiting van enig economisch voordeel, dat de betrokken persoon of de politieke partij waartoe hij behoort eventueel uit een dergelijke verspreiding heeft behaald, niet worden aangemerkt als een „voordeel” of „winst” in de zin van artikel 21 van verordening nr. 596/2014.
58 Wat in de tweede plaats de vraag betreft of MT met zijn verklaringen de bedoeling had de markt te misleiden, blijkt – onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter – zowel uit de verwijzingsbeslissing als uit het aan het Hof overgelegde dossier dat dit in casu niet het geval was.
59 Met betrekking tot de gevolgen die moeten worden verbonden aan de toepassing van artikel 21 van verordening nr. 596/2014 voor de toepassing van artikel 10 ervan, moet eraan worden herinnerd dat de in artikel 21 neergelegde uitzondering aldus moet worden uitgelegd dat het nuttig effect van laatstgenoemde bepaling wordt beschermd gelet op het doel ervan, dat tevens wordt vermeld in overweging 77 van die verordening, waarvan de inhoud in wezen identiek is aan die van overweging 44 van richtlijn 2003/6, te weten de eerbiediging van de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting in andere media, die met name worden gewaarborgd door artikel 11 van het Handvest (zie in die zin arrest van 15 maart 2022, Autorité des marchés financiers, C‑302/20, EU:C:2022:190, punt 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
60 Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld vormt de in artikel 11 van het Handvest gewaarborgde vrijheid van meningsuiting en informatie een van de wezenlijke grondslagen van een democratische en pluralistische samenleving en behoort zij tot de waarden waarop de Unie volgens artikel 2 VEU berust. Inmengingen in de door dit artikel 11 gewaarborgde rechten en vrijheden moeten daarom in een dergelijke context beperkt blijven tot hetgeen strikt noodzakelijk is (arrest van 4 oktober 2024, Real Madrid Club de Fútbol, C‑633/22, EU:C:2024:843, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
61 Bovendien moet bij de uitlegging van artikel 11 van het Handvest volgens artikel 52, lid 3, ervan rekening worden gehouden met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over artikel 10 EVRM (arrest van 15 maart 2022, Autorité des marchés financiers, C‑302/20, EU:C:2022:190, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
62 Dienaangaande blijkt uit vaste rechtspraak van het EHRM dat uitzonderingen op de vrijheid van meningsuiting strikt moeten worden uitgelegd en dat artikel 10, lid 2, EVRM nauwelijks ruimte laat voor beperkingen van de vrijheid van meningsuiting op het gebied van politieke standpunten en kwesties van algemeen belang. Zaken van algemeen belang zijn kwesties die de legitieme interesse van het publiek kunnen wekken of die de aandacht van het publiek trekken of het publiek kennelijk bezighouden, met name omdat zij het welzijn van burgers of het maatschappelijke leven betreffen (arrest van 4 oktober 2024, Real Madrid Club de Fútbol, C‑633/22, EU:C:2024:843, punten 53 en 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
63 In deze context wijst het EHRM tevens op de fundamentele rol die de pers in een democratische samenleving speelt, zodat de waarborgen die eraan moeten worden verleend van bijzonder belang zijn. Hoewel de pers bepaalde grenzen niet mag overschrijden, in het bijzonder wat de bescherming van de reputatie of de rechten van anderen betreft, is het niettemin haar taak om, in overeenstemming met haar plichten en verantwoordelijkheden, informatie en ideeën over alle kwesties van algemeen belang te communiceren. In het andere geval zou de pers haar onmisbare rol van public watchdog (publieke waakhond) niet kunnen spelen. Bijgevolg moet een groot gewicht worden toegekend aan het belang dat de democratische samenleving heeft bij het waarborgen en handhaven van de persvrijheid, wanneer overeenkomstig artikel 10, lid 2, EVRM moet worden vastgesteld of de inmenging in kwestie evenredig is aan het nagestreefde legitieme doel (arrest van 4 oktober 2024, Real Madrid Club de Fútbol, C‑633/22, EU:C:2024:843, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
64 Uitspraken van een politicus die bedoeld zijn om een publiek debat op gang te brengen over kwesties van algemeen belang en die kunnen worden beschouwd als een mededeling van voorwetenschap, zoals de aanstaande privatisering van een overheidsbedrijf, kunnen evenwel vallen onder de vrijheid van meningsuiting van een dergelijke persoon op het gebied van politieke standpunten en kwesties van algemeen belang, in de zin van de in punt 62 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak.
65 Zoals het Hof herhaaldelijk heeft verduidelijkt, hebben de in artikel 11 van het Handvest verankerde rechten en vrijheden geen absolute gelding, maar moeten zij worden beschouwd in relatie tot hun functie in de samenleving (zie in die zin arresten van 6 oktober 2020, La Quadrature du Net e.a., C‑511/18, C‑512/18 en C‑520/18, EU:C:2020:791, punt 120 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 4 oktober 2024, Real Madrid Club de Fútbol, C‑633/22, EU:C:2024:843, punt 47).
66 Zoals blijkt uit artikel 52, lid 1, van het Handvest, staat het Handvest immers beperkingen op de uitoefening van deze rechten en vrijheden toe mits deze beperkingen bij wet worden gesteld, zij de wezenlijke inhoud van genoemde rechten en vrijheden eerbiedigen en, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
67 Bij de beoordeling van het uit artikel 10, lid 1, van verordening nr. 596/2014 voortvloeiende vereiste dat een mededeling van voorwetenschap noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie van politicus, alsmede bij de beoordeling van de evenredigheid van die mededeling, moet dan ook in aanmerking worden genomen dat artikel 10, lid 1 als beperking van het door artikel 11 van het Handvest gewaarborgde grondrecht moet worden uitgelegd in overeenstemming met artikel 52, lid 1, van het Handvest (zie in die zin arrest van 15 maart 2022, Autorité des marchés financiers, C‑302/20, EU:C:2022:190, punt 81).
68 Zoals de advocaat-generaal in punt 109 van zijn conclusie in essentie heeft opgemerkt, is de beperking van de vrijheid van meningsuiting van MT die voortvloeit uit het verbod om de in het hoofdgeding aan de orde zijnde voorwetenschap openbaar te maken, ten eerste bij wet voorzien, namelijk bij verordening nr. 596/2014 en bij de wet van 2 augustus 2002. Ten tweede eerbiedigt zij de wezenlijke inhoud van de betrokken rechten en vrijheden, aangezien dat verbod niet in absolute zin wordt opgelegd, gelet op de artikelen 10 en 21 van die verordening. Ten derde en ten slotte streeft zij in beginsel een doelstelling van algemeen belang na, te weten de bescherming van de integriteit van de financiële markten.
69 Bovendien staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde openbaarmaking noodzakelijk en evenredig is, maar het Hof is niettemin bevoegd om aan die rechter aanwijzingen te geven die hem in staat stellen uitspraak te doen (zie in die zin arrest van 28 februari 2018, MA.T.I. SUD en Duemme SGR, C‑523/16 en C‑536/16, EU:C:2018:122, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
70 In dit verband moet bij de beoordeling of een dergelijke openbaarmaking noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie van een politicus, rekening worden gehouden met de noodzaak om in de uitoefening van die functie publieke debatten over kwesties van algemeen belang zoals een voorgenomen privatisering van een nationaal postbedrijf op gang te kunnen brengen.
71 In het kader van deze toetsing moet de verwijzende rechter met name rekening houden met de context waarin die openbaarmaking heeft plaatsgevonden.
72 Aangezien MT volgens de verwijzende rechter met de openbaarmaking van de informatie over de aanstaande privatisering van Bpost beoogde een publiek debat op gang te brengen over een kwestie van algemeen belang, moet met name worden nagegaan of die openbaarmaking noodzakelijk was om dat doel te bereiken, gelet op het feit dat in België reeds een debat over de privatisering van overheidsbedrijven had plaatsgevonden tijdens de besprekingen die voorafgingen aan de in punt 18 van het onderhavige arrest vermelde vaststelling van de wet van 16 december 2015 en dat – zoals in punt 22 van het onderhavige arrest is vermeld – volgens het tijdschema van de onderhandelaars op 6 juni 2016 een persbericht zou worden gepubliceerd waarin de afronding van de privatiseringstransactie zou worden aangekondigd. Tevens moet worden onderzocht of de openbaarmaking van die informatie, waarbij in casu nadere gegevens werden verstrekt over de identiteit van de bij de transactie betrokken partijen en over het aandeel dat de Belgische Staat nadien nog in het kapitaal van Bpost zou behouden, het meest geschikte middel vormde om de publieke opinie in kennis te stellen van een gebeurtenis die de betrokken lidstaat aanging en aldus een publiek debat aan te zwengelen.
73 Wat de vraag betreft of de openbaarmaking van de betrokken voorwetenschap in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel, moet worden onderzocht of de beperking van de vrijheid van meningsuiting die het gevolg zou zijn van het verbod op deze openbaarmaking, buitensporig zou zijn ten opzichte van de schade die door die openbaarmaking zou kunnen worden toegebracht aan de integriteit van de financiële markten (zie in die zin arrest van 15 maart 2022, Autorité des marchés financiers, C‑302/20, EU:C:2022:190, punt 84).
74 Tot de factoren die de verwijzende rechter bij deze beoordeling in aanmerking dient te nemen behoort ten eerste het mogelijk afschrikkende effect van een dergelijke beperking op de uitoefening van de functie van de betrokken politicus en met name op de mogelijkheid om zijn vrijheid van meningsuiting op het gebied van politieke standpunten te waarborgen, in de zin van de in punt 62 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak.
75 Ten tweede moet ook worden nagegaan of de openbaarmaking van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde voorwetenschap evenredig is aan het nagestreefde doel om een publiek debat op gang te brengen over kwesties van algemeen belang die de legitieme interesse van het publiek kunnen wekken of die het publiek kennelijk bezighouden, en of een dergelijke openbaarmaking niet buitensporig is ten opzichte van de schade die zij zou kunnen toebrengen aan de integriteit van de financiële markten.
76 Ten derde moet rekening worden gehouden met de negatieve gevolgen van de betreffende openbaarmaking van voorwetenschap voor de integriteit van de financiële markten. Het staat aan de verwijzende rechter om met name te onderzoeken of die openbaarmaking tot handel met voorwetenschap heeft kunnen leiden, waardoor beleggers financiële verliezen hebben geleden en het vertrouwen in de financiële markten is verdwenen (zie in die zin arrest van 15 maart 2022, Autorité des marchés financiers, C‑302/20, EU:C:2022:190, punt 87).
77 Gelet op een en ander dient op de gestelde vragen te worden geantwoord dat artikel 3, onder a), van richtlijn 2003/6, artikel 10, lid 1, van verordening nr. 596/2014 en artikel 21 van die verordening, gelezen in het licht van de artikelen 11 en 52 van het Handvest, artikel 10 EVRM en het gelijkheidsbeginsel, aldus moeten worden uitgelegd dat de openbaarmaking van voorwetenschap in de media door een politicus teneinde kritiek te uiten op de lopende privatisering van een overheidsbedrijf en een publiek debat over een kwestie van algemeen belang op gang te brengen, onder de normale uitoefening van zijn functie kan vallen in de zin van artikel 3, onder a), van richtlijn 2003/6 en artikel 10, lid 1, van verordening nr. 596/2014, en dat artikel 21 van die verordening op een dergelijke openbaarmaking van toepassing kan zijn, voor zover deze openbaarmaking, beoordeeld met inachtneming van de vrijheid van meningsuiting van deze politicus, noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn functie en in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel.
Kosten
78 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 3, onder a), van richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (marktmisbruik), artikel 10, lid 1, van verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik (verordening marktmisbruik) en houdende intrekking van richtlijn [2003/6] en richtlijnen 2003/124[/EG], 2003/125/EG en 2004/72/EG van de Commissie, en artikel 21 van die verordening, gelezen in het licht van de artikelen 11 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 10 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en het gelijkheidsbeginsel,
moeten aldus worden uitgelegd dat
de openbaarmaking van voorwetenschap in de media door een politicus teneinde kritiek te uiten op de lopende privatisering van een overheidsbedrijf en een publiek debat over een kwestie van algemeen belang op gang te brengen, onder de normale uitoefening van zijn functie kan vallen in de zin van artikel 3, onder a), van richtlijn 2003/6 en artikel 10, lid 1, van verordening nr. 596/2014, en dat artikel 21 van die verordening op een dergelijke openbaarmaking van toepassing kan zijn, voor zover deze openbaarmaking, beoordeeld met inachtneming van de vrijheid van meningsuiting van deze politicus, noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn functie en in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel.
ondertekeningen
* Procestaal: Frans.