ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
16 april 2026 ( *1 )
„Hogere voorziening – Institutioneel recht – Verordening (EU) 2017/1939 – Europees Openbaar Ministerie – Artikel 42, lid 1 – Procedurele handelingen van het Europees Openbaar Ministerie die bedoeld zijn om rechtsgevolgen ten aanzien van derden te creëren – Rechterlijke toetsing door de nationale rechterlijke instanties – Exceptie van onwettigheid – Ontvankelijkheid – Exclusieve bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Unie om de wettigheid van handelingen van de Unie te toetsen – Artikel 86, leden 2 en 3, VWEU – Instellen van de rechtsvordering voor de nationale rechterlijke instanties – Machtiging van de Uniewetgever om de voorschriften voor de rechterlijke toetsing van de procedurele handelingen van het Europees Openbaar Ministerie vast te stellen – Niet-toegestane afwijking van artikel 263 VWEU – Geen – Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Recht op effectieve rechterlijke bescherming – Schending – Geen – Onbevoegdheid van het Gerecht”
Zaak C‑328/24 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 30 april 2024,
Constantin Mincu Pătrașcu Brâncuși, wonende te Boekarest (Roemenië), vertegenwoordigd door A. Şandru, avocat,
rekwirant,
andere partijen in de procedure:
Europees Openbaar Ministerie, vertegenwoordigd door L. De Matteis, E. Farhat en F.‑R. Radu als gemachtigden,
verweerder in eerste aanleg,
ondersteund door:
Europees Parlement, vertegenwoordigd door K. Cieslar en C. Ionescu Dima als gemachtigden,
interveniënt in hogere voorziening,
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún, kamerpresident, J. Passer, E. Regan, D. Gratsias (rapporteur) en B. Smulders, rechters,
advocaat-generaal: L. Medina,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
wijst het navolgende
Arrest
|
1 |
Met zijn hogere voorziening vordert Constantin Mincu Pătrașcu Brâncuși vernietiging van de beschikking van het Gerecht van de Europese Unie van 28 februari 2024, Mincu Pătrașcu Brâncuși/Europees Openbaar Ministerie (T‑385/23, EU:T:2024:143; hierna: „bestreden beschikking”), waarbij het Gerecht diens beroep heeft verworpen. Met dat beroep vorderde rekwirant nietigverklaring van het besluit van de tiende permanente kamer van het Europees Openbaar Ministerie (EOM) van 8 december 2022 waarbij deze kamer de hem betreffende zaak voor de rechter heeft gebracht (hierna: „litigieus besluit”), alsmede van latere handelingen. Tevens vorderde hij dat de bepalingen van het reglement van orde van het Europees Openbaar Ministerie die in strijd zijn met verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van de Europese Unie van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (PB 2017, L 283, blz. 1), niet-toepasselijk werden verklaard. |
Toepasselijke bepalingen
|
2 |
De overwegingen 30, 31, 36, 83 en 85 tot en met 89 van verordening 2017/1939 luiden als volgt:
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
|
|
3 |
Artikel 4 van die verordening, met als opschrift „Taken”, luidt als volgt: „Het EOM is belast met het instellen van onderzoek naar, het vervolgen en het voor de rechter brengen van daders van, en medeplichtigen aan, strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie […] schaden” […] Met betrekking daartoe stelt het EOM onderzoeken in, verricht het strafvervolgingshandelingen en treedt het op als openbaar aanklager bij de bevoegde rechtbanken van de lidstaten, totdat de zaak definitief is afgedaan.” |
|
4 |
Artikel 8 van die verordening, met als opschrift „Structuur van het EOM”, bepaalt: „1. Het EOM is een ondeelbaar orgaan van de Unie en treedt op als één dienst met een gedecentraliseerde structuur. 2. Het EOM bestaat uit een centraal en een decentraal niveau. 3. Het centrale niveau is het centrale kantoor, op de plaats waar de zetel van het EOM gevestigd is. Bij het centrale kantoor zitten het college, de permanente kamers, de Europese hoofdaanklager, de plaatsvervangend Europese hoofdaanklagers, de Europese aanklagers en de administratief directeur. 4. Het decentrale niveau wordt gevormd door de gedelegeerd Europese aanklagers, die werkzaam zijn in de lidstaten. […]” |
|
5 |
Artikel 10 van diezelfde verordening, met als opschrift „De permanente kamers”, bepaalt in de leden 1 tot en met 3 ervan: „1. De permanente kamers worden voorgezeten door de Europese hoofdaanklager of een van de plaatsvervangend Europese hoofdaanklagers, of een Europese aanklager die overeenkomstig het reglement van orde van het EOM wordt benoemd tot voorzitter. Naast de voorzitter hebben de permanente kamers twee vaste leden. Het aantal permanente kamers, de samenstelling ervan en de bevoegdheidsverdeling tussen de kamers, worden afgestemd op de functionele behoeften van het EOM en worden vastgesteld overeenkomstig het reglement van orde van het EOM. […] 2. De permanente kamers monitoren de onderzoeken en strafvervolgingen die door de gedelegeerd Europese aanklagers worden gevoerd, en geven daaraan leiding, overeenkomstig de leden 3, 4 en 5 van dit artikel. […] 3. In overeenstemming met de voorwaarden en procedures voorzien in deze verordening en in voorkomend geval na herziening van een door de behandelende gedelegeerd Europese aanklager ingediend ontwerpbesluit, nemen de permanente kamers besluiten over de volgende aspecten:
[…]” |
|
6 |
Artikel 13 van verordening 2017/1939, met als opschrift „De gedelegeerd Europese aanklagers”, bepaalt in lid 1: „De gedelegeerd Europese aanklagers treden namens het EOM in hun respectieve lidstaten op en hebben dezelfde bevoegdheden als nationale aanklagers met betrekking tot onderzoeken, strafvervolgingen en het voor de rechter brengen van zaken, in aanvulling op en met in achtneming van de bijzondere bevoegdheden en status die zij hebben, en onder de in deze verordening bepaalde voorwaarden. De gedelegeerd Europese aanklagers zijn verantwoordelijk voor de onderzoeken en strafvervolgingen die zij hebben ingesteld, die hun zijn toegewezen of die zij met gebruikmaking van hun evocatierecht hebben overgenomen. De gedelegeerd Europese aanklagers dienen de aanwijzingen en instructies op te volgen van de permanente kamer die is belast met een zaak, alsmede de instructies van de toezichthoudende Europese aanklager. De gedelegeerd Europese aanklagers zijn tevens verantwoordelijk voor het voor de rechter brengen van een zaak en hebben in het bijzonder de bevoegdheid een tenlastelegging te formuleren, deel te nemen aan de bewijsgaring en het aanwenden van beschikbare rechtsmiddelen in overeenstemming met het nationale recht.” |
|
7 |
Artikel 28 van deze verordening, met als opschrift „Voeren van het onderzoek”, luidt in lid 1: „De gedelegeerd Europese aanklager die een zaak behandelt, kan overeenkomstig deze verordening en het nationale recht zelf onderzoeks- en andere maatregelen treffen, dan wel de bevoegde autoriteiten in zijn lidstaat daartoe opdracht geven. Die autoriteiten zorgen er overeenkomstig het nationale recht voor dat alle instructies worden opgevolgd en treffen de maatregelen die hun zijn opgedragen. […]” |
|
8 |
Artikel 30 van die verordening, met als opschrift „Onderzoeksmaatregelen en andere maatregelen”, preciseert in lid 5 dat de procedures en de nadere voorwaarden voor het uitvoeren van de in dat artikel genoemde maatregelen worden beheerst door het toepasselijke nationale recht. |
|
9 |
Artikel 31 van deze verordening, met als opschrift „Grensoverschrijdende onderzoeken”, bepaalt in lid 3: „Indien voor de maatregel rechterlijke toestemming is vereist krachtens het recht van de lidstaat van de assisterende gedelegeerd Europese aanklager, wordt deze toestemming door laatstgenoemde verkregen overeenkomstig het recht van die lidstaat. […]” |
|
10 |
Artikel 36 van verordening 2017/1939, met als opschrift „Strafvervolging voor de nationale rechter” preciseert de wijze waarop de permanente kamer op basis van een door de gedelegeerd Europese aanklager voorgesteld ontwerpbesluit beslist om een zaak voor de rechter te brengen. Lid 5 van dat artikel bepaalt dat wanneer beslist is in welke lidstaat de strafvervolging zal geschieden, het nationale recht bepaalt welke de bevoegde nationale rechtbank in die lidstaat is. |
|
11 |
Artikel 37 van deze verordening, met als opschrift „Bewijsmateriaal”, bepaalt in lid 2: „Deze verordening doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de zittingsrechter om het bewijsmateriaal dat door de gedaagde of door de aanklagers van het EOM wordt aangevoerd, vrijelijk te beoordelen.” |
|
12 |
Artikel 41 van deze verordening, met als opschrift „Reikwijdte van de rechten van verdachten en beklaagden”, luidt als volgt: „1. De activiteiten van het EOM worden uitgevoerd met volledige inachtneming van de rechten van verdachte en beklaagde personen zoals verankerd in het Handvest, met inbegrip van het recht op een eerlijk proces en de rechten van de verdediging. 2. Elke verdachte of beklaagde tegen wie een strafprocedure van het EOM loopt, heeft ten minste de procedurele rechten als vastgesteld in de Uniewetgeving, […]: […] 3. Onverminderd de in dit hoofdstuk vastgestelde rechten, beschikken verdachten, beklaagden en andere personen die betrokken zijn bij de procedures van het Europees Openbaar Ministerie over alle procedurele rechten die zij op grond van het toepasselijke nationale recht hebben, […].” |
|
13 |
Artikel 42 van die verordening, met als opschrift „Rechterlijke toetsing”, luidt: „1. Procedurele handelingen van het EOM die bedoeld zijn om rechtsgevolgen ten aanzien van derden te creëren, moeten worden getoetst door de bevoegde nationale rechter overeenkomstig de voorschriften en procedures in het nationale recht. Hetzelfde geldt wanneer het EOM nalaat procedurele handelingen vast te stellen die bedoeld zijn om rechtsgevolgen ten aanzien van derden te creëren, wanneer het in het kader van deze verordening wettelijk verplicht is om deze vast te stellen. 2. Het Hof van Justitie is, overeenkomstig artikel 267 VWEU, bevoegd bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over:
3. In afwijking van lid 1 van dit artikel worden besluiten van het EOM om een zaak te seponeren, voor zover deze rechtstreeks op basis van het Unierecht worden aangevochten, voor het Hof van Justitie getoetst overeenkomstig artikel 263, vierde alinea, VWEU. 4. Het Hof van Justitie is overeenkomstig artikel 268 VWEU bevoegd kennis te nemen van geschillen over de vergoeding van schade veroorzaakt door het EOM. 5. Het Hof van Justitie is overeenkomstig artikel 272 VWEU bevoegd uitspraak te doen in geschillen betreffende arbitrale bedingen in door het EOM gesloten overeenkomsten. 6. Het Hof van Justitie is overeenkomstig artikel 270 VWEU bevoegd uitspraak te doen in elk geschil aangaande personeelszaken. 7. Het Hof van Justitie is bevoegd uitspraak te doen over het ontslag van de Europees hoofdaanklager en de Europese aanklagers, […]. 8. Dit artikel geldt behoudens rechterlijke toetsing door het Hof van Justitie overeenkomstig artikel 263, vierde alinea, VWEU, van besluiten van het EOM die gevolgen hebben voor de rechten van de betrokkenen uit hoofde van hoofdstuk VIII, en van besluiten van het EOM die geen procedurele handelingen zijn, zoals besluiten van het EOM inzake het recht op toegang van het publiek tot documenten, of overeenkomstig artikel 17, lid 3, van deze verordening aangenomen besluiten inzake het ontslag van gedelegeerd Europese aanklagers, of enig ander administratief besluit.” |
Voorgeschiedenis van het geding
|
14 |
De voorgeschiedenis van het geding, zoals deze in de punten 2 tot en met 4 van de bestreden beschikking is uiteengezet, kan worden samengevat als volgt. |
|
15 |
Bij besluit van 6 juli 2021 heeft het EOM bevolen om een onderzoek te openen, waarin rekwirant, Mincu Pătrașcu Brâncuși, op 25 mei 2022 de hoedanigheid van verdachte heeft gekregen. |
|
16 |
Bij het litigieuze besluit heeft de tiende permanente kamer van het EOM ten eerste gelast om rekwirant en andere verdachten te verwijzen naar de Tribunal Bucureşti (rechter in eerste aanleg Boekarest, Roemenië), en ten tweede gelast om de zaak te seponeren met betrekking tot bepaalde verdachten bij gebreke van relevant bewijs. |
|
17 |
Bij een telastlegging van 19 december 2022 werd rekwirant overeenkomstig artikel 35, lid 1, en artikel 38, lid 1, van het Roemeense strafwetboek voor de rechter gebracht wegens het in artikel 367, leden 1 en 2, van dit wetboek neergelegde strafbare feit van het oprichten van een criminele organisatie, alsook wegens medeplichtigheid aan het strafbare feit bestaande in het gebruik of de overlegging van valse, onjuiste of onvolledige verklaringen of documenten met als gevolg dat ten onrechte middelen of tegoeden uit de begroting van de Europese Unie zijn verkregen of ingehouden overeenkomstig artikel 48 van dat wetboek, gelezen in samenhang met artikel 18 bis, leden 1 en 3, van Lege nr. 78/2000 pentru prevenirea, descoperirea și sancționarea faptelor de corupție (wet nr. 78/2000 inzake de preventie, opsporing en bestraffing van corruptie, van 8 mei 2000 (Monitorul Oficial al României van 18 mei 2000, deel I, nr. 219). |
Beroep bij het Gerecht en bestreden beschikking
|
18 |
Bij een bij de griffie van het Gerecht op 7 juli 2023 neergelegd verzoekschrift heeft rekwirant op grond van artikel 263 VWEU beroep ingesteld waarbij hij het Gerecht heeft verzocht om het litigieuze besluit en de latere handelingen nietig te verklaren, en voorts om de bepalingen van het reglement van orde van het EOM die in strijd zijn met verordening 2017/1939 niet-toepasselijk te verklaren op grond van artikel 277 VWEU. |
|
19 |
Bij een afzonderlijke akte, die op 28 september 2023 bij de griffie van het Gerecht is ingediend, heeft het EOM op grond van artikel 130 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen, waarbij het Gerecht is verzocht het beroep niet-ontvankelijk te verklaren en rekwirant te verwijzen in de kosten. |
|
20 |
Zoals blijkt uit punt 8 van de bestreden beschikking, heeft het Gerecht krachtens artikel 130, leden 1 en 7, van zijn Reglement voor de procesvoering besloten om uitspraak te doen over deze exceptie van niet-ontvankelijkheid zonder de behandeling van de zaak voort te zetten. |
|
21 |
In punt 9 van deze beschikking heeft het Gerecht aangegeven dat het EOM in het kader van genoemde exceptie van niet-ontvankelijkheid drie gronden voor niet-ontvankelijkheid had aangevoerd. Ten eerste heeft het EOM betoogd dat het Gerecht niet bevoegd was om uitspraak te doen over de vordering tot nietigverklaring van het litigieuze besluit omdat artikel 263 VWEU niet van toepassing is op procedurele handelingen van het EOM. Ten tweede heeft het aangevoerd dat rekwirant geen procesbevoegdheid had. Ten derde was het EOM van mening dat, voor zover het beroep in de hoofdzaak niet-ontvankelijk was, de door rekwirant krachtens artikel 277 VWEU opgeworpen exceptie van onwettigheid niet-ontvankelijk moest worden verklaard. |
|
22 |
In de punten 10 tot en met 15 van die beschikking heeft het Gerecht de argumenten uiteengezet die het EOM ter ondersteuning van zijn eerste grond van niet-ontvankelijkheid aanvoerde. In essentie betoogde dit orgaan met deze argumenten dat het litigieuze besluit een procedurele handeling is in de zin van artikel 42, lid 1, van verordening 2017/1939, waarop artikel 263 VWEU niet van toepassing is en waarvan de rechterlijke toetsing behoort tot de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties, en niet tot die van het Gerecht. |
|
23 |
In de punten 16 tot en met 20 van die beschikking heeft het Gerecht het betoog samengevat dat rekwirant heeft geformuleerd in zijn opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid van het EOM. Voor zover artikel 42 van verordening 2017/1939 afwijkt van de exclusieve bevoegdheid van het Hof om rechtshandelingen van de Unie te toetsen, voldoet dat artikel volgens rekwirant niet aan de in artikel 47 van het Handvest neergelegde vereisten inzake het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en van het recht op een eerlijk proces en doet het afbreuk aan de in artikel 19 VEU geregelde bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Unie om de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en toepassing van de Verdragen van de Unie en de eerbiediging van de autonomie van het rechtsstelsel van de Unie te verzekeren. Dat artikel 42 moet dan ook worden uitgelegd in het licht van de andere regels en beginselen van de Unie op het gebied van de rechtspleging die rekening houden met het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en het recht op een eerlijk proces, zodat het beroep van rekwirant ontvankelijk is. |
|
24 |
In punt 21 van de bestreden beschikking heeft het Gerecht geoordeeld dat het mechanisme waarin de Uniewetgever voorziet om het toezicht op de procedurele handelingen van het EOM te waarborgen, een mechanisme sui generis is. |
|
25 |
In dit verband heeft het Gerecht er in punt 22 van die beschikking op gewezen dat artikel 42, lid 1, van verordening 2017/1939 met name bepaalt dat procedurele handelingen van het EOM die bedoeld zijn om rechtsgevolgen ten aanzien van derden te creëren, dienen te worden getoetst door de bevoegde nationale rechter overeenkomstig de voorschriften en procedures in het nationale recht. |
|
26 |
Bovendien heeft het Gerecht in punt 23 van die beschikking opgemerkt dat dit artikel 42 in de leden 3 en 8 ervan de bevoegdheid van de Unierechter overeenkomstig artikel 263 VWEU uitdrukkelijk beperkt tot besluiten van het EOM om een zaak te seponeren voor zover deze rechtstreeks op basis van het Unierecht worden aangevochten, alsmede tot besluiten van het EOM die gevolgen hebben voor de rechten van de betrokkenen uit hoofde van hoofdstuk VIII van verordening 2017/1939, en tot besluiten van het EOM die geen procedurele handelingen zijn, zoals besluiten inzake het recht op toegang van het publiek tot documenten, of overeenkomstig artikel 17, lid 3, van deze verordening aangenomen besluiten inzake het ontslag van gedelegeerd Europese aanklagers, of enig ander administratief besluit. |
|
27 |
In punt 24 van die beschikking heeft het Gerecht vastgesteld dat het litigieuze besluit, voor zover het betrekking heeft op rekwirant, een procedurele handeling van het EOM vormt die niet valt onder de in artikel 42, leden 3 en 8, van die verordening bedoelde besluiten, omdat het EOM bij dit besluit de zaak voor de rechter heeft gebracht. |
|
28 |
Wat betreft het argument van rekwirant dat het Gerecht zich bevoegd moet verklaren op grond van een uitlegging van dat artikel waarmee wordt beoogd te voldoen aan de vereisten van met name het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een eerlijk proces en geen afbreuk te doen aan de bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Unie, heeft het Gerecht in punt 26 van de bestreden beschikking aangegeven dat volgens vaste rechtspraak een beroep op een ruime uitlegging alleen mogelijk is voor zover die verenigbaar is met de bewoordingen van de betreffende bepaling, en dat zelfs het beginsel van uitlegging in overeenstemming met een norm met een hogere bindende kracht niet kan dienen als grondslag voor een uitlegging contra legem. |
|
29 |
In casu heeft het Gerecht in punt 27 van die beschikking geoordeeld dat uit de bewoordingen van artikel 42, leden 1 en 2, van verordening 2017/1939 ondubbelzinnig blijkt dat deze bepaling de nationale rechterlijke instanties de exclusieve bevoegdheid verleent om kennis te nemen van procedurele handelingen van het EOM die bedoeld zijn om rechtsgevolgen ten aanzien van derden te creëren, afgezien van de in lid 3 van dat artikel bedoelde uitzonderingen en van de in lid 8 ervan bedoelde besluiten van het EOM, en dat het Hof bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak kan doen over de geldigheid van die handelingen in het licht van de bepalingen van het Unierecht en over de uitlegging of de geldigheid van de bepalingen van die verordening. In punt 28 van die beschikking is het Gerecht tot de slotsom gekomen dat rekwirant een uitlegging contra legem van dat artikel 42 voorstelde, die dan ook niet toelaatbaar is. |
|
30 |
Bovendien heeft het Gerecht in punt 29 van de bestreden beschikking opgemerkt dat, ervan uitgaande dat rekwirant eveneens beoogde het betreden besluit te betwisten door met een exceptie van onwettigheid de geldigheid van artikel 42 van verordening 2017/1939 in twijfel te trekken in het licht van artikel 19 VEU, een dergelijke betwisting niet kon worden aanvaard omdat het Gerecht onbevoegd is om kennis te nemen van het beroep in de hoofdzaak. |
|
31 |
Tot slot heeft het Gerecht in de punten 30 en 31 van die beschikking met betrekking tot de vereisten inzake effectieve rechterlijke bescherming opgemerkt dat, zoals blijkt uit artikel 42, lid 2, van verordening 2017/1939, het Hof met name overeenkomstig artikel 267 VWEU bevoegd is om kennis te nemen van vragen over de uitlegging en de geldigheid van procedurele handelingen van het EOM en van bepalingen van Unierecht, met inbegrip van deze verordening. Aangezien rekwirant in beginsel de procedurele handelingen van het EOM kan betwisten voor de bevoegde nationale rechterlijke instanties, en zich in deze context kan beroepen op de onwettigheid van die verordening, staat het bijgevolg aan het Hof om zich, indien de nationale rechterlijke instantie de zaak bij het Hof aanhangig maakt, uit te spreken over de geldigheid van artikel 42 van die verordening, alsmede in voorkomend geval over de geldigheid van het reglement van orde van het EOM. |
|
32 |
In het licht van voorgaande overwegingen heeft het Gerecht in punt 32 van de bestreden beschikking de eerste grond van niet-ontvankelijkheid van het EOM toegewezen en bijgevolg het beroep verworpen omdat het niet bevoegd was om er kennis van te nemen. Daarbij heeft het Gerecht eveneens geoordeeld dat het niet noodzakelijk was om uitspraak te doen over de conclusies in verband met de bepalingen van het reglement van orde van het EOM, die betrekking hadden op de zaak ten gronde. |
Procedure bij het Hof en conclusies van partijen in hogere voorziening
|
33 |
Bij beschikking van 11 november 2024 heeft de president van het Hof het Europees Parlement toegelaten tot interventie aan de zijde van het EOM. |
|
34 |
Rekwirant verzoekt het Hof:
|
|
35 |
Het EOM, ondersteund door het Parlement, verzoekt het Hof:
|
Hogere voorziening
|
36 |
Ter ondersteuning van zijn hogere voorziening voert rekwirant primair aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Zijn beroep is immers verworpen zonder dat het betoog is onderzocht waarmee hij stelde dat artikel 42 van verordening 2017/1939 niet voldoet aan de in artikel 47 van het Handvest neergelegde vereisten inzake het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en het recht op een eerlijk proces en afbreuk doet aan de bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Unie die is neergelegd in artikel 19 VEU, gelezen in samenhang met artikel 86, lid 3, VWEU en artikel 263 VWEU. Subsidiair voert rekwirant in essentie aan dat het Gerecht heeft geweigerd om, gelet op de nauwe band tussen de door het EOM opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid en de beslechting van het beroep ten gronde, de beslissing over de ontvankelijkheid van het beroep aan te houden tot de uitspraak ten gronde. |
Ontvankelijkheid
|
37 |
Primair betoogt het EOM, ondersteund door het Parlement, dat de hogere voorziening niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het EOM stelt dat rekwirant geen argumenten naar voren brengt waarmee specifiek wordt aangegeven op welk punt de bestreden beschikking op een onjuiste rechtsopvatting zou berusten, en dat hij niet aangeeft welke bepalingen zijn geschonden, maar zich beperkt tot het verwijt dat het Gerecht de geldigheid van artikel 42 van verordening 2017/1939 niet heeft onderzocht en tot het herhalen van de middelen van zijn beroep, namelijk dat dit artikel in strijd is met primair Unierecht. |
|
38 |
Dienaangaande moet in herinnering worden gebracht dat volgens vaste rechtspraak uit artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU, uit artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, alsook uit artikel 168, lid 1, onder d), en artikel 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof volgt dat een hogere voorziening op straffe van niet-ontvankelijkheid van die hogere voorziening of van het betrokken middel, duidelijk moet aangeven tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd zij is gericht en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven (arrest van 4 oktober 2024, Aeris Invest/Commissie en GAR, C‑535/22 P, EU:C:2024:819, punt 105 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
39 |
Een hogere voorziening waarin uitsluitend de reeds voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten letterlijk worden herhaald, waaronder die welke steunden op feiten die door het Gerecht uitdrukkelijk van de hand zijn gewezen, en waarin zelfs geen argumenten naar voren worden gebracht waarmee specifiek wordt aangegeven op welk punt het bestreden arrest op een onjuiste rechtsopvatting zou berusten, voldoet niet aan die vereisten. Een dergelijke hogere voorziening beoogt in werkelijkheid slechts een nieuw onderzoek van het bij het Gerecht ingediende verzoek, iets waartoe het Hof niet bevoegd is (arrest van 4 oktober 2024, Aeris Invest/Commissie en GAR, C‑535/22 P, EU:C:2024:819, punt 105 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
40 |
De in eerste aanleg onderzochte rechtspunten kunnen in hogere voorziening evenwel opnieuw worden behandeld wanneer een rekwirant de uitlegging of de toepassing van het Unierecht door het Gerecht betwist. Indien een rekwirant zijn hogere voorziening niet aldus zou kunnen baseren op middelen en argumenten die al voor het Gerecht zijn aangevoerd, zou de procedure in hogere voorziening immers ten dele aan betekenis verliezen (arrest van 4 oktober 2024, Aeris Invest/Commissie en GAR, C‑535/22 P, EU:C:2024:819, punt 106 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
41 |
In casu moet ten eerste worden opgemerkt dat, anders dan het EOM betoogt, rekwirant in zijn hogere voorziening duidelijk en specifiek aangeeft op welk punt de bestreden beschikking op een onjuiste rechtsopvatting zou berusten, daar rekwirant betoogt dat het Gerecht heeft nagelaten zijn argumenten te onderzoeken die volgens hem aantonen dat artikel 42 van verordening 2017/1939 in strijd is met het primaire Unierecht. |
|
42 |
Ten tweede kan rekwirant, aangezien het Gerecht het beroep heeft verworpen door te overwegen dat artikel 42 van verordening 2017/1939 eraan in de weg stond dat een beroep tot nietigverklaring bij het Gerecht werd ingesteld tegen een procedurele handeling van het EOM, zich beroepen op de in punt 41 van het onderhavige arrest bedoelde argumenten die hij in eerste aanleg heeft aangevoerd, teneinde aan te tonen dat deze overweging berust op een onjuiste rechtsopvatting. |
|
43 |
Hieruit volgt dat de hogere voorziening ontvankelijk is. |
Eerste middel
Argumenten van partijen
|
44 |
Allereerst brengt rekwirant in herinnering dat hij voor het Gerecht heeft betoogd dat artikel 42 van verordening 2017/1939 niet voldeed aan de vereisten inzake het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en het recht op een eerlijk proces die in artikel 47 van het Handvest zijn verankerd, alsmede afbreuk deed aan de bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Unie om de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en de toepassing van de Verdragen van de Unie en de eerbiediging van de autonomie van het rechtsstelsel van de Unie te verzekeren overeenkomstig artikel 19 VEU, zoals uitgelegd door het Hof in punt 282 van het arrest van 3 september 2008, Kadi en El Barakaat International Foundation/Raad en Commissie (C‑402/05 P en C‑415/05 P, EU:C:2008:461). |
|
45 |
Ten eerste merkt hij in dit verband op dat de bewoordingen van artikel 86, lid 3, VWEU voorzien in de mogelijkheid dat bij verordening 2017/1939 de „voorschriften voor de rechterlijke toetsing” van de procedurele handelingen van het EOM worden vastgesteld, zonder dat uitdrukkelijk wordt verwezen naar de mogelijkheid om af te wijken van de bevoegdheidsregels van het Hof van Justitie van de Europese Unie krachtens artikel 263 VWEU, in tegenstelling tot andere bepalingen van het VWEU die uitdrukkelijk voorzien in een „afwijking” van de artikelen 258 en 259 VWEU. Aangezien er geen dergelijke rechtsgrondslag bestaat, kan een handeling van lagere rang, zoals deze verordening, niet afwijken van die bij regels van primair Unierecht vastgestelde bevoegdheid. Het arrest van 19 december 2018, Berlusconi en Fininvest (C‑219/17, EU:C:2018:1023, punten 48, 57 en 60), is wat dat betreft relevant aangezien het betrekking heeft op een situatie die gelijkenissen vertoont met de in de onderhavige zaak aan de orde zijnde situatie. Rekwirant verwijst eveneens naar het arrest van 6 maart 2018, Achmea (C‑284/16, EU:C:2018:158), en advies 1/20 [Advies uit hoofde van artikel 218, lid 11, VWEU (Gemoderniseerd Verdrag inzake het Energiehandvest)] van 16 juni 2022 (EU:C:2022:485). |
|
46 |
Ten tweede betoogt rekwirant inzake de beweerde schending van artikel 47 van het Handvest dat de nationale rechterlijke instanties niet beschikken over de expertise en de bevoegdheid om Uniehandelingen, zoals verordening 2017/1939 of het reglement van orde van het EOM, nietig te verklaren. Wanneer procedurele handelingen van dat orgaan worden vastgesteld op grond van het Unierecht moet de rechterlijke toetsing ervan derhalve toekomen aan de rechterlijke instanties van de Unie. Met het mechanisme van de prejudiciële verwijzing kan daarentegen niet worden voldaan aan de vereisten van een doeltreffende voorziening in rechte. De op de nationale rechterlijke instanties rustende verplichting om een zaak aanhangig te maken bij het Hof is namelijk niet afdwingbaar, zodat er een hoog risico bestaat dat het Unierecht niet of onjuist wordt toegepast, temeer daar de betrokken nationale rechterlijke instanties niet vertrouwd zijn met het Unierecht. |
|
47 |
Met de bestreden beschikking heeft het Gerecht het beroep tot nietigverklaring verworpen op basis van het uitgangspunt dat artikel 42 van verordening 2017/1939 verenigbaar is met het primaire Unierecht. Het heeft dit uitgangspunt evenwel niet uitdrukkelijk gemotiveerd, en heeft in het bijzonder de in de punten 44 tot en met 46 van het onderhavige arrest uiteengezette argumenten niet onderzocht terwijl die argumenten dat uitgangspunt nochtans in twijfel trekken. Volgens rekwirant heeft het Gerecht zich dus ten onrechte onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het beroep. |
|
48 |
Het EOM, ondersteund door het Parlement, betoogt ten eerste op basis van punt 29 van de bestreden beschikking dat de exceptie van onwettigheid van artikel 42 van die verordening niet kon worden behandeld het Gerecht onbevoegd om kennis te nemen van het beroep. Bovendien heeft het Gerecht juist en gedetailleerd uiteengezet waarom de uitlegging en de wettigheid van dat artikel niet kunnen worden onderzocht in het kader een beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 263 VWEU, daar de geldigheid van dat artikel 42 uitsluitend kan worden onderzocht in het kader van een prejudiciële verwijzing krachtens artikel 267 VWEU. |
|
49 |
Ten tweede betoogt het EOM dat de door rekwirant voorgestane uitlegging van artikel 42 van die verordening zou resulteren in een flagrante schending van artikel 86, leden 2 en 3, VWEU, doordat een niet in het VWEU opgenomen beroepsmogelijkheid bij de rechterlijke instanties van de Unie in het leven zou worden geroepen en die rechterlijke instanties zouden worden omgevormd tot de gewone rechter voor rechterlijke toetsing in zaken die onder de bevoegdheid van het EOM vallen, en dat ten nadele van de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties. |
|
50 |
Ten derde betoogt het EOM dat dit artikel 42 geen enkele van de door rekwirant aangehaalde bepalingen van primair Unierecht schendt, en dat dit artikel 42 overeenkomstig artikel 86, lid 3, VWEU een lex specialis is ten opzichte van artikel 263 VWEU. Dit blijkt tevens uit overweging 86 van verordening 2017/1939. |
|
51 |
Ten vierde betoogt het EOM dat artikel 42 van verordening 2017/1939, dat gestoeld is op meerdere juridische pijlers die de toegang tot de rechter en de rechten van de verdediging waarborgen, beoogt te garanderen dat alle aspecten betreffende de wettigheid van de procedurele handelingen van het EOM getoetst worden, en een doeltreffende voorziening in rechte biedt in alle situaties waar deze handelingen in strijd zouden zijn met het Unierecht of het nationale recht. In het bijzonder garandeert lid 1 van dit artikel een doeltreffende voorziening in rechte, aangezien de nationale rechterlijke instanties het best geplaatst zijn om de rechterlijke toetsing van die handelingen uit te voeren, en bovendien als enige bevoegd zijn om zowel het nationale recht als het Unierecht toe te passen. Bovendien geldt dat, indien een procedurele handeling van het EOM in strijd lijkt te zijn met het Unierecht, artikel 42, lid 2, onder a), overeenkomstig de regels zoals uiteengezet in punt 15 van het arrest van 22 oktober 1987, Foto-Frost (314/85, EU:C:1987:452), vereist dat de nationale rechterlijke instanties het Hof verzoeken om een prejudiciële beslissing over de geldigheid van deze handeling. |
|
52 |
Ten vijfde is de omstandigheid dat de procedurele handelingen van het EOM onderworpen zijn aan de rechterlijke toetsing door de nationale rechterlijke instanties een rechtstreeks gevolg van het feit dat de zaken die worden onderzocht door het EOM, overeenkomstig artikel 86 VWEU en artikel 36 van verordening 2017/1939 leiden tot strafvervolging voor de nationale rechterlijke instanties. De door rekwirant aangehaalde rechtspraak is volgens het EOM in dit verband niet van toepassing, aangezien de rechtsmiddelen in casu zijn vastgelegd in verordening 2017/1939, op grond van het VWEU, en niet in een internationaal verdrag. |
Beoordeling door het Hof
|
53 |
Uit vaste rechtspraak volgt dat het aan de rechterlijke instanties van de Unie staat om te onderzoeken, zelfs ambtshalve, of zij bevoegd zijn om kennis te nemen van een geschil, aangezien dat een kwestie van openbare orde is (zie in die zin arresten van 23 april 1986, Les Verts/Parlement, 294/83, EU:C:1986:166, punt 19, en 6 oktober 2020, Bank Refah Kargaran/Raad, C‑134/19 P, EU:C:2020:793, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
54 |
In de onderhavige zaak heeft het Gerecht, zoals blijkt uit de punten 25 tot en met 32 van de bestreden beschikking, geoordeeld dat het niet bevoegd was om kennis te nemen van het beroep tegen een procedurele handeling van het EOM in de zin van artikel 42, lid 1, van verordening 2017/1939, zonder dat het Gerecht de door de rekwirant aangevoerde argumenten heeft onderzocht die erop gericht waren aan te tonen dat dit artikel in strijd is met het primaire Unierecht omdat het afwijkt van de exclusieve bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Unie om de handelingen van de Unie te toetsen. |
|
55 |
Om te beginnen heeft het Gerecht namelijk in de punten 25 tot en met 28 van de bestreden beschikking geoordeeld dat de door rekwirant in zijn beroep verdedigde uitlegging van artikel 42 van verordening 2017/1939, namelijk dat het Gerecht zich bevoegd moet verklaren, met name om te voldoen aan de vereisten inzake het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en om geen afbreuk te doen aan de bevoegdheden van het Hof van Justitie van de Europese Unie, een contra legem uitlegging van dat artikel vormt. In dit verband heeft het opgemerkt dat uit de bewoordingen van de leden 1 en 2 van dat artikel ondubbelzinnig blijkt dat deze verordening de nationale rechterlijke instanties de exclusieve bevoegdheid verleent om kennis te nemen van procedurele handelingen van het EOM, afgezien van de in lid 3 van dat artikel bedoelde uitzonderingen en van bepaalde in lid 8 ervan bedoelde besluiten van het EOM, en dat het Hof slechts bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak kan doen over de geldigheid van die handelingen in het licht van de bepalingen van het Unierecht en over de uitlegging of de geldigheid van de bepalingen van die verordening. |
|
56 |
Voorts heeft het Gerecht in punt 29 van de bestreden beschikking geoordeeld dat, ervan uitgaande dat rekwirant eveneens beoogde om met een exceptie van onwettigheid de geldigheid van artikel 42 van verordening 2017/1939 in twijfel te trekken in het licht van artikel 19 VEU, een dergelijke betwisting niet kon worden aanvaard omdat het Gerecht onbevoegd is om kennis te nemen van het beroep in de hoofdzaak. |
|
57 |
Bovendien heeft het Gerecht in de punten 30 en 31 van die beschikking weliswaar ten overvloede in essentie gesuggereerd dat de vereisten inzake effectieve rechterlijke bescherming vervuld zijn omdat rekwirant in het kader van een beroep bij de bevoegde nationale rechterlijke instanties kan aanvoeren dat artikel 42, lid 1, van verordening 2017/1939 onwettig is en het Hof met name uitspraak kan doen over de geldigheid van dat artikel indien de zaak door die rechterlijke instanties op grond van lid 2 van dat artikel aanhangig wordt gemaakt, maar heeft het geen standpunt ingenomen over de vraag of die bepaling de exclusieve bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Unie om handelingen van de Unie te toetsen eerbiedigt. |
|
58 |
In dat verband dient te worden vastgesteld dat het Gerecht zich niet onbevoegd kan verklaren om kennis te nemen van een beroep zonder vooraf de gegrondheid te onderzoeken van alle argumenten die voor hem zijn aangevoerd en die juist beogen om zijn bevoegdheid dienaangaande vast te stellen. |
|
59 |
Wat meer bepaald punt 29 van de bestreden beschikking betreft, moet worden opgemerkt dat de vaste rechtspraak volgens welke de niet-ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak leidt tot de niet-ontvankelijkheid van de exceptie van onwettigheid die ter ondersteuning van dat beroep is aangevoerd (zie in die zin arrest van 5 maart 2020, Credito Fondiario/CRU, C‑69/19 P, EU:C:2020:178, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak), het Gerecht uiteraard niet kan toestaan om – op grond dat het onbevoegd is om kennis te nemen van het beroep in de hoofdzaak – zich onbevoegd te verklaren om argumenten te onderzoeken waarmee wordt beoogd om in het licht van het primaire Unierecht de geldigheid van een bepaling van afgeleid recht in twijfel te trekken wanneer het zich juist op die bepaling beroept om te oordelen dat het onbevoegd is. |
|
60 |
Uit de rechtspraak volgt dan ook dat, wanneer bij het Gerecht een exceptie van onwettigheid van een bepaling van afgeleid recht wordt aangevoerd waardoor het bestreden besluit van een orgaan van de Unie aan elke rechterlijke toetsing wordt onttrokken omdat die bepaling niet verenigbaar is met artikel 263 VWEU, het Gerecht dient te onderzoeken of die exceptie van onwettigheid gegrond is en zich in voorkomend geval bevoegd dient te verklaren om de wettigheid van dat besluit te toetsen op grond van artikel 263 VWEU teneinde een doeltreffende rechterlijke toetsing van dat besluit te verzekeren (zie in die zin en naar analogie arrest van 25 juni 2020, Satcen/KF, C‑14/19 P, EU:C:2020:492, punten 65, 72, 85 en 86). |
|
61 |
Uit de overwegingen in de punten 55 tot en met 60 van het onderhavige arrest volgt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door vast te stellen dat het onbevoegd was om kennis te nemen van het beroep tegen een procedurele handeling van het EOM in de zin van artikel 42, lid 1, van verordening 2017/1939, zonder te onderzoeken of het primaire Unierecht zich tegen een dergelijke vaststelling verzette. |
|
62 |
Het is evenwel vaste rechtspraak dat wanneer de motivering van een arrest of beschikking van het Gerecht blijk geeft van schending van het Unierecht, maar het dictum ervan op andere rechtsgronden gerechtvaardigd voorkomt, de hogere voorziening moet worden afgewezen (arrest van 28 oktober 2020, Associazione GranoSalus/Commissie, C‑313/19 P, EU:C:2020:869, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
63 |
Dat is in casu het geval. |
|
64 |
Wat in de eerste plaats het argument van rekwirant betreft dat artikel 42 van verordening 2017/1939 inbreuk maakt op de bevoegdheden van het Hof van Justitie van de Europese Unie, zoals vastgelegd in artikel 19 VEU en artikel 263 VWEU, moet in herinnering worden gebracht dat, zoals blijkt uit artikel 19, lid 1, VEU, het Hof en de rechters van de lidstaten waken over de eerbiediging van de rechtsorde en het gerechtelijk stelsel van de Unie, waarbij het aan het Hof staat om te zorgen voor de eerbiediging van de autonomie van de aldus bij de Verdragen geschapen rechtsorde van de Unie [advies 1/09 (Overeenkomst tot invoering van een gemeenschappelijk stelsel voor octrooigeschillenbeslechting) van 8 maart 2011, EU:C:2011:123, punten 66 en 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. |
|
65 |
In dat kader staat het aan de nationale rechters en het Hof om te waarborgen dat het recht van de Unie in alle lidstaten ten volle wordt toegepast en dat de justitiabelen de rechtsbescherming de rechten genieten die zij aan dat recht ontlenen. De nationale rechter vervult namelijk, in samenwerking met het Hof, een taak die hun gezamenlijk is opgedragen om de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en de toepassing van de Verdragen te waarborgen [zie in die zin advies 1/09 (Overeenkomst tot invoering van een gemeenschappelijk stelsel voor octrooigeschillenbeslechting) van 8 maart 2011, EU:C:2011:123, punten 68 en 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. |
|
66 |
Voorts heeft het VWEU overeenkomstig artikel 19, lid 3, VEU bij enerzijds de artikelen 263 en 277 VWEU en anderzijds artikel 267 VWEU een volledig stelsel van rechtsmiddelen en procedures in het leven geroepen, waarbij het toezicht op de wettigheid van de handelingen van de Unie aan de Unierechter is opgedragen (arrest van 3 oktober 2013, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad, C‑583/11 P, EU:C:2013:625, punt 92 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
67 |
Aldus worden natuurlijke of rechtspersonen die, wegens de ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 263, vierde alinea, VWEU, geen rechtstreeks beroep kunnen instellen tegen handelingen van de Unie van algemene strekking, beschermd tegen de toepassing van die handelingen ten aanzien van hen. Berust de uitvoering van die handelingen bij de instellingen van de Unie, dan kunnen die personen onder de voorwaarden bedoeld in artikel 263, vierde alinea, VWEU bij de Unierechter rechtstreeks beroep instellen tegen de uitvoeringshandelingen, en op grond van artikel 277 VWEU de onwettigheid van de betrokken algemene handeling aanvoeren tot staving van dat beroep. Berust de uitvoering bij de lidstaten, dan kunnen deze personen de ongeldigheid van de betrokken Uniehandeling aanvoeren voor de nationale rechter en deze verzoeken om krachtens artikel 267 VWEU dienaangaande prejudiciële vragen aan het Hof te stellen (arrest van 3 oktober 2013, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad, C‑583/11 P, EU:C:2013:625, punt 93 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
68 |
Evenwel moet in herinnering worden gebracht dat, teneinde rekening te houden met de specifieke aard van de taken en de structuur van het EOM – die, zoals uiteengezet in overweging 86 van verordening 2017/1939, afwijkt van die van alle andere organen en instanties van de Unie –, artikel 86, lid 3, VWEU de Uniewetgever de mogelijkheid biedt om bijzondere voorschriften vast te stellen voor de rechterlijke toetsing van de procedurele handelingen die het EOM in de uitoefening van zijn ambt verricht [arrest van 8 april 2025, Europees Openbaar Ministerie (Rechterlijke toetsing van procedurele handelingen), C‑292/23, EU:C:2025:255, punt 48]. |
|
69 |
Zoals het Hof reeds heeft opgemerkt, heeft de Uniewetgever van deze mogelijkheid gebruikgemaakt door artikel 42 van deze verordening vast te stellen, waarvan lid 1 bepaalt dat de procedurele handelingen van het EOM die bedoeld zijn om rechtsgevolgen ten aanzien van derden te creëren, moeten worden getoetst door de bevoegde nationale rechter overeenkomstig de voorschriften en procedures in het nationale recht [arrest van 8 april 2025, Europees Openbaar Ministerie (Rechterlijke toetsing van procedurele handelingen), C‑292/23, EU:C:2025:255, punt 49]. |
|
70 |
Dat dit orgaan van de Unie in hoge mate geïntegreerd is in de strafprocesrechtsstelsels van de lidstaten en binnen die stelsels zijn bevoegdheden uitoefent, rechtvaardigt namelijk – zoals blijkt uit overweging 87, eerste alinea, van die verordening – dat de nationale rechterlijke instanties bevoegd zijn ten aanzien van de in artikel 42, lid 1, van deze verordening bedoelde procedurele handelingen [zie in die zin arrest van 8 april 2025, Europees Openbaar Ministerie (Rechterlijke toetsing van procedurele handelingen), C‑292/23, EU:C:2025:255, punt 74]. |
|
71 |
Daarentegen worden in de leden 2 tot en met 8 van artikel 42 van verordening 2017/1939 de gevallen opgesomd waarin de rechterlijke toetsing van de werkzaamheden van het EOM onder de bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de Unie valt. In het bijzonder staat het overeenkomstig artikel 42, lid 2, onder a) en b), aan het Hof om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over vragen inzake de geldigheid van procedurele handelingen van dat orgaan die rechtstreeks op basis van het Unierecht worden opgeworpen bij een nationale rechterlijke instantie, evenals over de uitlegging en de geldigheid van „bepalingen van het recht van de Unie, met inbegrip van deze verordening”. Bovendien vallen de in lid 3 van dat artikel bedoelde besluiten van het EOM om een zaak te seponeren, voor zover deze rechtstreeks op basis van het Unierecht worden aangevochten, alsook de besluiten inzake de bescherming van persoonsgegevens en de „administratieve besluiten” van het EOM in de zin van lid 8 van dat artikel, binnen de werkingssfeer van artikel 263 VWEU [zie in die zin arrest van 8 april 2025, Europees Openbaar Ministerie (Rechterlijke toetsing van procedurele handelingen), C‑292/23, EU:C:2025:255, punten 55‑57]. |
|
72 |
Opgemerkt dient te worden dat, in tegenstelling tot wat rekwirant beweert, de verdeling van de bevoegdheden tussen de nationale rechterlijke instanties en de rechterlijke instanties van de Unie, zoals vastgelegd in artikel 42 van verordening 2017/1939, geenszins een ongeoorloofde afwijking vormt van de exclusieve bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de Unie op grond van artikel 263 VWEU om de wettigheid te toetsen van handelingen die door de organen of de instanties van de Unie zijn vastgesteld. |
|
73 |
In dat verband dient erop te worden gewezen dat de Uniewetgever, door uitsluitend de procedurele handelingen van het EOM die bedoeld zijn om rechtsgevolgen ten aanzien van derden te creëren te onderwerpen aan de rechterlijke toetsing door de nationale rechterlijke instanties, met uitzondering van de besluiten van het EOM om een zaak te seponeren, en door in de andere gevallen het Hof van Justitie van de Europese Unie bevoegd te verklaren overeenkomstig de bepalingen van het VWEU die deze bevoegdheid regelen en waarnaar in de desbetreffende leden van dat artikel 42 wordt verwezen, niet de grenzen heeft overschreden van de bevoegdheid die hem uitdrukkelijk bij artikel 86, lid 3, VWEU is toegekend om – volgens de bewoordingen van deze bepaling – „de voorschriften [vast te stellen] voor de rechterlijke toetsing van de procedurele handelingen die [het EOM] in de uitoefening van zijn ambt verricht”. |
|
74 |
Meer bepaald betekent het – door rekwirant aangevoerde – ontbreken van een uitdrukkelijke verwijzing in deze bewoordingen van artikel 86, lid 3, VWEU naar een afwijking van de in artikel 263 VWEU vastgestelde regels inzake de bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de Unie niet dat – zoals rekwirant stelt – deze bewoordingen de Uniewetgever uitsluitend machtigen om specifieke voorwaarden en nadere regels in te voeren in verband met beroepen die natuurlijke personen en rechtspersonen instellen tegen procedurele handelingen van het EOM maar niet om deze beroepen aan de bevoegdheid van deze rechterlijke instanties te onttrekken. |
|
75 |
Aldus blijkt ten eerste uit artikel 86, lid 2, VWEU dat het EOM bevoegd is voor het opsporen, vervolgen en voor de bevoegde rechterlijke instanties van de lidstaten brengen van daders van en medeplichtigen aan strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie schaden, alsook voor de rechtsvordering bij die bevoegde rechterlijke instanties in verband met deze strafbare feiten. Ten tweede staat het op grond van artikel 86, leden 1 en 3, VWEU aan de Uniewetgever om niet alleen voorschriften vast te stellen voor de rechterlijke toetsing van de procedurele handelingen van dat orgaan, maar ruimer, om dat orgaan op te richten en het statuut ervan, de voorwaarden voor de uitoefening van zijn functies, de voor zijn activiteiten geldende procedurevoorschriften en de voorschriften inzake de toelaatbaarheid van bewijs vast te stellen. |
|
76 |
Gelet op de specifieke aard van de taken die door het VWEU aan het EOM zijn toevertrouwd en die beogen dat de daders van en de medeplichtigen aan strafbare feiten waarvoor het EOM optreedt als openbaar aanklager worden veroordeeld door de bevoegde nationale rechterlijke instanties, en gelet op de omvang van de bevoegdheden die door dit verdrag worden verleend aan de Uniewetgever om het institutionele en procedurele kader waarbinnen het EOM zijn taken vervult te bepalen, moet de uitdrukking „voorschriften voor de rechterlijke toetsing van de procedurele handelingen [van het EOM]” in artikel 86, lid 3, VWEU bijgevolg aldus worden uitgelegd dat zij niet alleen de invoering van specifieke voorwaarden en nadere regels in verband met beroepen tegen deze procedurele handelingen kan omvatten, maar ook in voorkomend geval de vaststelling van specifieke voorschriften inzake de rechterlijke bevoegdheid. |
|
77 |
De vraag of de rechterlijke toetsing van genoemde procedurele handelingen onder de bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de Unie dan wel onder die van de nationale rechterlijke instanties moet vallen, hangt namelijk nauw samen met de bevoegdheidsverdeling die op het betreffende gebied tussen de instanties van de Unie en de nationale instanties wordt vastgesteld in de afgeleide rechtshandeling die, overeenkomstig artikel 86, lid 3, VWEU het statuut van het EOM, de voorwaarden voor de uitoefening van zijn functies en de daarop van toepassing zijnde procedurevoorschriften vaststelt (zie naar analogie arrest van 19 december 2018, Berlusconi en Fininvest, C‑219/17, EU:C:2018:1023, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
78 |
In het institutionele en procedurele kader dat bij verordening 2017/1939 is vastgesteld, worden – zoals dat in essentie wordt benadrukt in overweging 87, eerste alinea – de rechtsgevolgen van de procedurele handelingen van het EOM ten aanzien van derden grotendeels bepaald door het op deze handelingen toepasselijke nationale recht, ook wat betreft grensoverschrijdende onderzoeken die onder de artikelen 31 tot en met 33 van die verordening vallen [zie in die zin arrest van 21 december 2023, G. K. e.a. (Europees Openbaar Ministerie), C‑281/22, EU:C:2023:1018, punten 47‑54]. |
|
79 |
Ten eerste treden de gedelegeerd Europese aanklagers krachtens artikel 10, lid 2, van die verordening, gelezen in samenhang met artikel 13, lid 1, ervan, onder toezicht en leiding van de permanente kamers, namens het EOM in hun respectieve lidstaten op en hebben zij dezelfde bevoegdheden als nationale aanklagers met betrekking tot onderzoeken, strafvervolgingen en het voor de rechter brengen van zaken, met inachtneming van de bijzondere bevoegdheden en status die deze verordening hen verleent. |
|
80 |
Ten tweede kan de gedelegeerd Europese aanklager die een zaak behandelt krachtens artikel 28, lid 1, van verordening 2017/1939 overeenkomstig die verordening en het nationale recht zelf onderzoeks- en andere maatregelen treffen, dan wel de bevoegde autoriteiten in zijn lidstaat daartoe opdracht geven, waarbij de procedures en de nadere voorwaarden voor het uitvoeren van de maatregelen overeenkomstig artikel 30, lid 5, van die verordening worden beheerst door het toepasselijke nationale recht [zie in die zin arrest van 8 april 2025, Europees Openbaar Ministerie (Rechterlijke toetsing van procedurele handelingen), C‑292/23, EU:C:2025:255, punt 47]. Zoals kan worden afgeleid uit artikel 31, lid 3, van die verordening, gelezen in het licht van overweging 87, eerste alinea, ervan, kan de uitvoering van die maatregelen naargelang van dat recht met name vereisen dat een nationale rechter toestemming geeft. |
|
81 |
Ten derde gaat de permanente kamer overeenkomstig artikel 86, lid 2, VWEU en onder de in de artikel 36 van verordening 2017/1939 vastgestelde voorwaarden indien nodig over tot strafvervolging bij de nationale rechterlijke instanties door een besluit – zoals het litigieuze besluit – vast te stellen om de zaak voor de rechter te brengen, in voorkomend geval na te hebben vastgesteld welke nationale rechterlijke instantie in de betrokken lidstaat bevoegd is op basis van het nationale recht. |
|
82 |
Ten vierde heeft het Hof geoordeeld dat de beoordeling van de gevolgen van een procedurele handeling voor de rechten van personen tegen wie een onderzoek loopt, tot op zekere hoogte afhangt van de nationale procesregels en van de specifieke context van het strafonderzoek binnen het kader waarvan dit orgaan die handeling heeft vastgesteld, zodat de nationale rechterlijke instanties die bevoegd zijn om de rechterlijke toetsing van artikel 42, lid 1, van verordening 2017/1939 te verrichten, het meest geschikt zijn om die beoordeling te maken. Bovendien heeft het Hof ook opgemerkt dat deze bepaling moet worden gelezen in het licht van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, alsmede van de artikelen 47 en 48 van het Handvest, waarbij evenwel de procedurevoorschriften voor de toetsing door de nationale rechter onverlet blijven, welke toetsing de vorm kan aannemen van een incidentele toetsing, met name door de strafrechter, mits met die procedurevoorschriften wordt gewaarborgd dat er sprake is van een doeltreffende voorziening in rechte [zie in die zin arrest van 8 april 2025, Europees Openbaar Ministerie (Rechterlijke toetsing van procedurele handelingen), C‑292/23, EU:C:2025:255, punten 73 en 80]. |
|
83 |
Daarnaast moet worden opgemerkt dat de procedurele handelingen van het EOM een fase vormen in een strafrechtelijke procedure na afloop waarvan de uiteindelijke beslissingsbevoegdheid uitsluitend toekomt aan de bevoegde nationale rechterlijke instantie, die overeenkomstig artikel 37, lid 2, van verordening 2017/1939 vrijelijk het bewijsmateriaal beoordeelt dat met name door dat orgaan op basis van dergelijke handelingen wordt aangevoerd. |
|
84 |
Uit het voorgaande volgt dat de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties om een dergelijke rechterlijke toetsing te verrichten, geen ongeoorloofde afwijking van artikel 263 VWEU vormt. |
|
85 |
Zoals het EOM en het Parlement in essentie hebben opgemerkt, worden die overwegingen bevestigd door artikel 42, leden 2 tot en met 8, van verordening 2017/1939, volgens hetwelk de rechterlijke toetsing van de activiteiten van het EOM, behoudens de in lid 1 genoemde gevallen, onder de bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de Unie valt. |
|
86 |
In het bijzonder moet worden opgemerkt dat overeenkomstig artikel 267 VWEU en zoals bepaald in artikel 42, lid 2, van verordening 2017/1939, het Hof bevoegd is om bij wijze van prejudiciële beslissing met name uitspraak te doen over de geldigheid van de procedurele handelingen van het EOM – voor zover een dergelijke vraag over de geldigheid rechtstreeks op basis van het Unierecht wordt opgeworpen – en over de uitlegging of de geldigheid van Unierechtelijke bepalingen, waaronder die verordening. |
|
87 |
Evenzo bepaalt artikel 42, lid 8, van die verordening dat het Gerecht overeenkomstig artikel 263, vierde alinea, VWEU de rechterlijke toetsing verricht van de besluiten van het EOM die gevolgen hebben voor de rechten van de betrokkenen inzake de bescherming van persoonsgegevens, van de besluiten die geen procedurele handelingen zijn en van alle andere administratieve besluiten. |
|
88 |
Tot slot valt de toetsing van besluiten van het EOM om een zaak te seponeren overeenkomstig artikel 42, lid 3, en in afwijking van lid 1, ervan onder de bevoegdheid van de rechterlijke instanties van de Unie, voor zover deze rechtstreeks op basis van het Unierecht worden aangevochten. |
|
89 |
Wat in het bijzonder artikel 42, lid 3, van verordening 2017/1939 betreft, wordt met de in die bepaling ingevoerde uitzondering op de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties om procedurele handelingen van het EOM te toetsen bevestigd dat dit artikel de bevoegdheidsverdeling op dat gebied weergeeft tussen de nationale rechterlijke instanties en de rechterlijke instanties van de Unie. |
|
90 |
In het geval van een seponering zal de nationale rechterlijke instantie die ten gronde bevoegd is per definitie geen uitspraak doen over de door het EOM ingestelde vervolging waarvan dit orgaan afstand heeft gedaan. In een dergelijke situatie komt de uiteindelijke beslissingsbevoegdheid dus niet toe aan deze nationale rechterlijke instantie maar aan een orgaan van de Unie, namelijk het EOM. De rechterlijke instanties van de Unie kunnen evenwel enkel uitspraak doen op een beroep tegen een dergelijk besluit indien dat beroep rechtstreeks gebaseerd is op het Unierecht, omdat deze rechterlijke instanties in beginsel niet bevoegd zijn om nationale procesregels te onderzoeken en uit te leggen in het kader van de toetsing van de wettigheid van Uniehandelingen (zie in die zin arrest van 25 juli 2002, Unión de Pequeños Agricultores/Raad, C‑50/00 P, EU:C:2002:462, punt 43). |
|
91 |
Uit de voorgaande overwegingen volgt dat de Uniewetgever geen afbreuk heeft gedaan aan de bevoegdheden van het Hof van Justitie van de Europese Unie, zoals vastgelegd in artikel 19 VEU en artikel 263 VWEU, door aan de nationale rechterlijke instanties de bevoegdheid te verlenen om over te gaan tot rechterlijke toetsing van de procedurele handelingen van het EOM die bedoeld zijn om rechtsgevolgen ten aanzien van derden te creëren. |
|
92 |
Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door de arresten van 6 maart 2018, Achmea (C‑284/16, EU:C:2018:158), en 19 december 2018, Berlusconi en Fininvest (C‑219/17, EU:C:2018:1023, punten 48, 57 en 60), en advies 1/20 [Advies uit hoofde van artikel 218, lid 11, VWEU (Gemoderniseerd Verdrag inzake het Energiehandvest)] van 16 juni 2022 (EU:C:2022:485), die door rekwirant ter onderbouwing van zijn betoog zijn aangehaald. |
|
93 |
Om te beginnen heeft de situatie waarnaar wordt verwezen in de punten 48 en 57 van het arrest van 19 december 2018, Berlusconi en Fininvest (C‑219/17, EU:C:2018:1023), betrekking op de exclusieve bevoegdheid van de Unierechter om overeenkomstig artikel 263 VWEU incidenteel te beoordelen of de wettigheid van een besluit van de Europese Centrale Bank wordt aangetast door eventuele gebreken die de wettigheid aantasten van de handelingen die ter voorbereiding van dat besluit zijn vastgesteld door een centrale bank van een lidstaat. Deze situatie is dus niet vergelijkbaar met de situatie waarin de wettigheid van een procedurele handeling van het EOM wordt beoordeeld, waarbij die handeling – zoals is opgemerkt in punt 83 van het onderhavige arrest – een fase vormt van een strafrechtelijke procedure na afloop waarvan de uiteindelijke beslissingsbevoegdheid uitsluitend toekomt aan de bevoegde nationale rechterlijke instantie. |
|
94 |
Voorts zijn het arrest van 6 maart 2018, Achmea (C‑284/16, EU:C:2018:158), en advies 1/20 [Advies uit hoofde van artikel 218, lid 11, VWEU (Gemoderniseerd Verdrag inzake het Energiehandvest)] van 16 juni 2022 (EU:C:2022:485) in casu kennelijk irrelevant. Zij hebben immers respectievelijk betrekking op het voorleggen van geschillen die betrekking kunnen hebben op de uitlegging van het Unierecht aan een orgaan dat geen deel uitmaakt van het rechterlijk stelsel van de Unie, zoals bepaald in een door de lidstaten gesloten overeenkomst (zie in die zin arrest van 6 maart 2018, Achmea, C‑284/16, EU:C:2018:158, punt 58), en op de ontvankelijkheid van een verzoek om advies op grond van artikel 218, lid 11, VWEU [zie in die zin advies 1/20 (Advies uit hoofde van artikel 218, lid 11, VWEU) (Gemoderniseerd Verdrag inzake het Energiehandvest) van 16 juni 2022, EU:C:2022:485, punt 48]. |
|
95 |
In de tweede plaats dient het argument van rekwirant dat het recht op een doeltreffende voorziening in rechte is geschonden te worden afgewezen. Zoals is uiteengezet in punt 91 van het onderhavige arrest, heeft de Uniewetgever immers geen afbreuk gedaan aan de bevoegdheden van het Hof van Justitie van de Europese Unie, zoals vastgelegd in artikel 19 VEU en artikel 263 VWEU, door aan de nationale rechterlijke instanties de bevoegdheid te verlenen om over te gaan tot rechterlijke toetsing van de procedurele handelingen van het EOM die bedoeld zijn om rechtsgevolgen ten aanzien van derden te creëren. |
|
96 |
Volgens de rechtspraak van het Hof kan artikel 47 van het Handvest geen bevoegdheid voor het Hof in het leven roepen wanneer de Verdragen dit uitsluiten. Dit artikel heeft evenmin tot doel het systeem van rechterlijke toetsing van de Verdragen, met name de ontvankelijkheidsregels voor rechtstreekse beroepen bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, te wijzigen (zie in die zin arrest van 10 september 2024, KS e.a./Raad e.a., C‑29/22 P en C‑44/22 P, EU:C:2024:725, punt 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
97 |
Hoe dan ook moet worden vastgesteld dat artikel 42, lid 1, van verordening 2017/1939 het door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte eerbiedigt. |
|
98 |
Om te beginnen heeft het Hof reeds geoordeeld dat deze bepaling, gelezen in samenhang met artikel 41 van die verordening en in het licht van de overwegingen 83 en 85 tot en met 87 ervan, aldus moet worden uitgelegd dat de rechterlijke toetsing van de procedurele handelingen die bedoeld zijn om rechtsgevolgen ten aanzien van derden te creëren, het mogelijk maakt om te waarborgen dat het EOM de fundamentele rechten eerbiedigt van de personen ten aanzien van wie die handelingen rechtsgevolgen creëren, en met name om na te gaan of dat orgaan overeenkomstig de artikelen 47 en 48 van het Handvest het recht op een eerlijk proces en de rechten van de verdediging van verdachten en beklaagden in acht neemt. Bovendien moet bij de uitlegging van artikel 42 van verordening 2017/1939 rekening worden gehouden met overweging 88 van die verordening, waarin wordt vermeld dat met betrekking tot de door de nationale rechterlijke instanties verrichte toetsing van de wettigheid van deze handelingen in doeltreffende rechtsmiddelen moet worden voorzien door de lidstaten, overeenkomstig artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU [zie in die zin arrest van 8 april 2025, Europees Openbaar Ministerie (Rechterlijke toetsing van procedurele handelingen), C‑292/23, EU:C:2025:255, punten 70 en 78]. |
|
99 |
Voorts moet artikel 42, lid 1, van verordening 2017/1939 – zoals het EOM en het Parlement in essentie opmerken en zoals in de punten 85 tot en met 90 van het onderhavige arrest is uiteengezet – worden gelezen in het licht van de context van het gehele artikel 42 en van de opzet daarvan. |
|
100 |
Dienaangaande moet worden opgemerkt dat artikel 42, lid 1, van verordening 2017/1939 volledig in overeenstemming is met het door het VWEU ingevoerde volledige stelsel van rechtsmiddelen en procedures ter waarborging van het toezicht op de wettigheid van de handelingen van de Unie, aangezien het met name in samenhang staat met lid 2 van dat artikel, volgens hetwelk het mechanisme van de prejudiciële beslissing van toepassing is op de rechterlijke toetsing van de procedurele handelingen van het EOM, waardoor wordt gewaarborgd dat alle vragen omtrent de uitlegging of de geldigheid van het Unierecht, daaronder begrepen de procedurele handelingen van het EOM die worden betwist bij de bevoegde nationale rechterlijke instantie alsook deze verordening, door het Hof kunnen worden onderzocht in overeenstemming met de exclusieve bevoegdheid die bij artikel 267 VWEU aan deze instelling is verleend. |
|
101 |
Uit het voorgaande volgt dat het Gerecht onbevoegd is om kennis te nemen van het beroep tegen het litigieuze besluit. Bijgevolg heeft de in de punten 58 en 61 van dit arrest vastgestelde onjuiste rechtsopvatting geen invloed op het dictum van de bestreden beschikking. Het eerste middel is dan ook niet ter zake dienend en moet worden afgewezen. |
Tweede middel
Argumenten van partijen
|
102 |
Subsidiair voert rekwirant in essentie aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omdat het heeft geweigerd zijn beslissing over de ontvankelijkheid van het beroep aan te houden tot de uitspraak over de grond van de zaak. Volgens rekwirant houdt de exceptie van niet-ontvankelijkheid namelijk nauw verband met de uitspraak ten gronde op dit beroep, aangezien het Gerecht eerst ten gronde uitspraak moet doen over de aard en de gevolgen van het litigieuze besluit, alvorens te bepalen of dit besluit een handeling is die gevolgen heeft ten aanzien van rekwirant in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU. Voorts houdt de vraag of dit beroep ontvankelijk is verband met een nieuwe en fundamentele kwestie betreffende de rechtsorde van de Unie. |
|
103 |
Het EOM, ondersteund door het Parlement, betwist dit betoog. |
Beoordeling door het Hof
|
104 |
Om te beginnen moet worden opgemerkt dat, zoals blijkt uit de punten 22 tot en met 32 van het onderhavige arrest, het Gerecht het beroep heeft verworpen en daartoe uitsluitend de eerste exceptie van niet-ontvankelijkheid heeft onderzocht. Deze door het EOM aangevoerde exceptie was gebaseerd op de onbevoegdheid van het Gerecht om de wettigheid van het litigieuze besluit te toetsen. |
|
105 |
Gelet op het onderzoek van het eerste middel in de punten 53 tot en met 101 van het onderhavige arrest, dient te worden vastgesteld dat de vraag naar de bevoegdheid van het Gerecht geen verband houdt met de beslechting van het beroep ten gronde, aangezien de enige kwestie waarover het Gerecht uitspraak diende te doen, gelet op de argumenten van rekwirant tegen die exceptie van niet-ontvankelijkheid, de vraag betrof of artikel 42, lid 1, van verordening 2017/1939 in strijd is met het primaire Unierecht omdat daarin aan de nationale rechterlijke instanties de exclusieve bevoegdheid is toegekend om de procedurele handelingen die onder deze bepaling vallen te toetsen. Aangezien het Gerecht deze exceptie van niet-ontvankelijkheid heeft aanvaard, hoefde het dus niet in te gaan op de vraag of het litigieuze besluit rechtsgevolgen had ten aanzien van rekwirant, wat het overigens ook niet heeft gedaan. |
|
106 |
Voorts kan het Gerecht op grond van artikel 130, lid 7, van zijn Reglement voor de procesvoering niet worden verplicht om het onderzoek van een exceptie van onbevoegdheid of niet-ontvankelijkheid die is opgeworpen op grond van artikel 130, lid 1, van dat reglement te voegen met de zaak ten gronde, omdat deze exceptie een nieuwe en fundamentele kwestie betreffende de rechtsorde van de Unie opwerpt. |
|
107 |
Bijgevolg moeten het tweede middel en dus de hogere voorziening in haar geheel worden afgewezen. |
Kosten
|
108 |
Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is. |
|
109 |
Overeenkomstig artikel 138, lid 1, van dat Reglement, dat ingevolge artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. |
|
110 |
Aangezien Mincu Pătrașcu Brâncuși in het ongelijk is gesteld, moet hij overeenkomstig de vordering van het EOM worden verwezen in zowel zijn eigen kosten als die van het EOM. |
|
111 |
Volgens artikel 140, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, dragen de lidstaten en de instellingen die in het geding hebben geïntervenieerd, hun eigen kosten. |
|
112 |
In casu dient te worden beslist dat het Parlement zijn eigen kosten draagt. |
|
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart: |
|
|
|
|
ondertekeningen |
( *1 ) Procestaal: Roemeens.