Zaak C‑318/24 PPU [Breian] ( i )

P.P.R.

(verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Curte de Apel Brașov)

Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 29 juli 2024

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in strafzaken – Europees aanhoudingsbevel – Kaderbesluit 2002/584/JBZ – Overlevering van gezochte personen aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteiten – Eerbiediging van de grondrechten – Structurele of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van de uitvaardigende lidstaat betreft – Gebreken inzake het ontbreken van bewijs voor de eedaflegging van rechters – Verbod van onmenselijke of vernederende behandeling – Detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaat – Beoordeling door de uitvoerende rechterlijke autoriteit – Weigering van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel door de uitvoerende rechterlijke autoriteit – Gevolgen van deze weigering voor de uitvoerende rechterlijke autoriteit van een andere lidstaat”

  1. Justitiële samenwerking in strafzaken – Kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten – Prejudiciële vragen – Ontvankelijkheid – Vragen van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit over de verplichtingen van de rechterlijke autoriteit die een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer legt – Ontvankelijke vragen

    (Art. 267 VWEU; kaderbesluit 2002/584 van de Raad, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299)

    (zie punten 30‑32)

  2. Justitiële samenwerking in strafzaken – Kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten – Overlevering van veroordeelde of verdachte personen aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteiten – Verplichting om de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen te eerbiedigen – Recht op toegang tot een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld – Structurele of fundamentele gebreken wat betreft de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van de uitvaardigende lidstaat – Gebreken inzake de benoemingsprocedure van de leden van de rechterlijke macht – Gevaar van aantasting van het grondrecht op een eerlijk proces – Verificatie door de uitvoerende rechterlijke autoriteit – Omvang – Gevolgen

    (Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 47, tweede alinea; kaderbesluit 2002/584 van de Raad, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299, art. 1, lid 3)

    (zie punten 37, 38, 76‑82)

  3. Justitiële samenwerking in strafzaken – Kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten – Overlevering van veroordeelde of verdachte personen aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteiten – Verplichting om de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen te eerbiedigen – Weigering om een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen vanwege gevaar voor aantasting van het grondrecht op een eerlijk proces – Gevolgen van de weigering – Gevolgen voor de uitvoerende autoriteiten van andere lidstaten – Verplichting om de tenuitvoerlegging van dat aanhoudingsbevel te weigeren – Geen – Verplichting voor elke uitvoerende autoriteit om na te gaan of er sprake is van een grond die de weigering van de tenuitvoerlegging rechtvaardigt

    (Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 47, tweede alinea; kaderbesluit 2002/584 van de Raad, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299, art. 1, lid 3, art. 3, punt 2, en art. 15, lid 1)

    (zie punten 39‑46, 55, dictum 1)

  4. Justitiële samenwerking in strafzaken – Kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten – Overlevering van veroordeelde of verdachte personen aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteiten – Verplichting om de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen te eerbiedigen – Weigering om een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen vanwege gevaar voor aantasting van het grondrecht op een eerlijk proces – Gevolgen van de weigering – Gevolgen voor de uitvaardigende autoriteit – Mogelijkheid voor de uitvaardigende autoriteit om dat aanhoudingsbevel te handhaven – Voorwaarden

    (Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 47, tweede alinea; kaderbesluit 2002/584 van de Raad, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299, art. 1, lid 3)

    (zie punten 47‑49, 52‑55, dictum 1)

  5. Justitiële samenwerking in strafzaken – Kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten – Overlevering van veroordeelde of verdachte personen aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteiten – Verplichting om de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen te eerbiedigen – Recht op toegang tot een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld – Structurele of fundamentele gebreken wat betreft de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van de uitvaardigende lidstaat – Beoordeling van het gevaar voor aantasting van het grondrecht op een eerlijk proces – Verwijdering van het internationale opsporingsbericht met betrekking tot de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd – Omstandigheid die op zich geen rechtvaardiging vormt voor de weigering om het aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen – Omstandigheid waarmee in het kader van die beoordeling rekening kan worden gehouden

    (Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 47, tweede alinea; kaderbesluit 2002/584 van de Raad, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299, art. 1, lid 3)

    (zie punten 59‑61, dictum 2)

  6. Prejudiciële vragen – Voorlegging aan het Hof – Uitleggingsvragen – Verplichting tot verwijzing – Omvang – Weigering om een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen – Rechterlijke autoriteit die dat aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd en die moet beslissen of dit bevel wordt gehandhaafd dan wel ingetrokken – Geen verplichting tot verwijzing – Voorwaarde – Beslissing van die autoriteit die volgens het nationale recht vatbaar is voor hoger beroep

    (Art. 267 VWEU; kaderbesluit 2002/584 van de Raad, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299)

    (zie punten 65‑69, dictum 3)

  7. Justitiële samenwerking in strafzaken – Kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten – Overlevering van veroordeelde of verdachte personen aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteiten – Verplichting om de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen te eerbiedigen – Recht op toegang tot een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld – Structurele of fundamentele gebreken wat betreft de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van de uitvaardigende lidstaat – Gebreken inzake de benoemingsprocedure van de leden van de rechterlijke macht – Onzekerheid over de regelmatigheid van de eedaflegging van de rechters van de rechtsprekende formatie – Omstandigheden die op zich geen rechtvaardiging vormen voor de weigering om het aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen

    (Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 47, tweede alinea; kaderbesluit 2002/584 van de Raad, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299, art. 1, lid 3)

    (zie punten 84‑88, dictum 4)

  8. Justitiële samenwerking in strafzaken – Kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten – Overlevering van veroordeelde of verdachte personen aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteiten – Beginselen van wederzijds vertrouwen en loyale samenwerking – Recht van de rechterlijke autoriteit die een Europees aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd om als partij deel te nemen aan de procedure betreffende de tenuitvoerlegging van dit aanhoudingsbevel voor de uitvoerende rechterlijke autoriteit – Geen

    (Kaderbesluit 2002/584 van de Raad, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299, art. 15 en 19)

    (zie punten 90, 93, 95, 96, dictum 5)

  9. Justitiële samenwerking in strafzaken – Kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten – Overlevering van veroordeelde of verdachte personen aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteiten – Gevolgen van de vaststelling van het gevaar voor onmenselijke of vernederende behandeling van degene tegen wie het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd

    (Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 4; kaderbesluit 2002/584 van de Raad, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299, art. 1, lid 3)

    (zie punten 101, 102)

  10. Justitiële samenwerking in strafzaken – Kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten – Overlevering van veroordeelde of verdachte personen aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteiten – Verplichting om de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen te eerbiedigen – Detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaat – Gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling – Verificatie door de uitvoerende rechterlijke autoriteit – Omvang – Verplichting om de uitvaardigende rechterlijke autoriteit te verzoeken om aanvullende gegevens betreffende de detentieomstandigheden – Geen mogelijkheid om de toepassing te eisen van een strengere maatstaf inzake detentieomstandigheden dan die waarin het Handvest van de grondrechten voorziet

    (Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 4; kaderbesluit 2002/584 van de Raad, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299, art. 1, lid 3, en art. 15, leden 2 en 3)

    (zie punten 103‑112, 114‑117, 119‑122, dictum 6)

Samenvatting

Het Hof, dat door de Curte de Apel Brașov (rechter in tweede aanleg Brașov, Roemenië) is verzocht om een prejudiciële beslissing, verduidelijkt in het kader van een prejudiciële spoedprocedure zijn rechtspraak over de grond tot weigering van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) in verband met het gevaar voor schending van de grondrechten van de betrokkene in geval van zijn overlevering aan de Roemeense autoriteiten.

Op 17 december 2020 heeft de Curte de Apel Brașov een EAB uitgevaardigd tegen P.P.R. met het oog op de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf. P.P.R. is in 2022 in Frankrijk aangehouden, maar niet overgeleverd aan de Roemeense autoriteiten. In een arrest van 29 november 2023 heeft de cour d’appel de Paris (rechter in tweede aanleg Parijs, Frankrijk) de tenuitvoerlegging van het EAB geweigerd op grond dat er een gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat voor bij wet is ingesteld. ( 1 ) Volgens deze rechter is er sprake van structurele en fundamentele gebreken met betrekking tot de rechterlijke macht in Roemenië, aangezien het onzeker is waar de processen-verbaal van de eedaflegging van rechters worden bewaard, waardoor twijfel rijst over de regelmatige samenstelling van de gerechten in die lidstaat. Voorts was in casu het proces-verbaal van de eedaflegging van een rechter van de rechtsprekende formatie die de gevangenisstraf heeft opgelegd onvindbaar en heeft een andere rechter van die rechtsprekende formatie alleen de eed als openbaar aanklager afgelegd. Bovendien is bij beslissing van de afdeling verzoekschriften van de Commission for the Control of Interpol’s Files (CCF) (commissie voor de controle van dossiers van Interpol) het internationale opsporingsbericht tegen P.P.R. uit de Interpol-databank verwijderd omdat de gegevens met betrekking tot P.P.R. niet in overeenstemming waren met de regels van Interpol inzake de verwerking van persoonsgegevens. Volgens de cour d’appel de Paris bleek uit deze beslissing dat er ernstige bezorgdheid bestond over met name de eerbiediging van de grondrechten tijdens de procedure tegen P.P.R. in Roemenië.

Op 29 april 2024 is P.P.R. in Malta aangehouden krachtens het tegen hem uitgevaardigde EAB. Op dezelfde dag heeft de Maltese uitvoerende rechterlijke autoriteit de verwijzende rechter om aanvullende informatie verzocht, waarbij zij heeft aangegeven dat P.P.R. zich had beroepen op het arrest van de cour d’appel de Paris van 29 november 2023.

Vervolgens heeft de Maltese rechter op 20 mei 2024 besloten om P.P.R. niet aan de Roemeense autoriteiten over te leveren, daar op grond van de hem ter beschikking staande informatie over de detentieomstandigheden in Roemenië niet kon worden geconcludeerd dat het verbod van onmenselijke en vernederende behandeling of bestraffing, zoals neergelegd in artikel 4 van het Handvest, zou worden nageleefd, indien P.P.R. zou worden overgeleverd aan de Roemeense autoriteiten.

In die omstandigheden heeft de verwijzende rechter het Hof een aantal prejudiciële vragen voorgelegd die in wezen betrekking hebben op: i) de gevolgen die voor andere uitvoerende autoriteiten en voor de uitvaardigende autoriteit voortvloeien uit een beslissing van een uitvoerende autoriteit om de tenuitvoerlegging van een EAB te weigeren; ii) de redenen voor de beslissingen van de Franse en Maltese uitvoerende autoriteiten om de tenuitvoerlegging van het door de uitvaardigende autoriteit uitgevaardigde EAB te weigeren; en iii) zijn eigen verplichting om zich na een dergelijke weigering tot het Hof te wenden en zijn recht om deel te nemen aan de procedure voor de autoriteit die het EAB uitvoert.

Beoordeling door het Hof

Wat in de eerste plaats de gevolgen van een beslissing tot weigering van de tenuitvoerlegging van een EAB voor andere uitvoerende autoriteiten betreft, merkt het Hof op dat het kaderbesluit betreffende het EAB ( 2 ) niet voorziet in de mogelijkheid of de verplichting voor een uitvoerende autoriteit van een lidstaat om de tenuitvoerlegging van een EAB te weigeren op de enkele grond dat de tenuitvoerlegging ervan door de uitvoerende autoriteit van een andere lidstaat is geweigerd, zonder zelf na te gaan of er sprake is van een grond die de weigering van de tenuitvoerlegging rechtvaardigt. Zo is de uitvoerende autoriteit van een lidstaat niet verplicht de tenuitvoerlegging van een EAB te weigeren wanneer de uitvoerende autoriteit van een andere lidstaat eerder de tenuitvoerlegging van dat EAB heeft geweigerd op grond dat overlevering van de betrokkene zou kunnen leiden tot een aantasting van het grondrecht op een eerlijk proces. In haar eigen onderzoek naar het bestaan van een grond tot weigering van de tenuitvoerlegging moet die autoriteit echter rekening houden met de redenen voor de weigering van de eerste uitvoerende autoriteit.

Wat betreft de gevolgen van deze beslissing voor de uitvaardigende autoriteit merkt het Hof op dat kaderbesluit 2002/584 er niet aan in de weg staat dat deze autoriteit haar verzoek om overlevering op grond van een EAB handhaaft ondanks de weigering om dit ten uitvoer te leggen. Hoewel de uitvaardigende autoriteit na een dergelijke weigering niet verplicht is haar EAB in te trekken, moet een beslissing tot weigering van de tenuitvoerlegging haar er niettemin toe aanzetten oplettend te zijn. Zij kan, vooral wanneer de omstandigheden niet zijn veranderd, een EAB niet handhaven wanneer een uitvoerende rechterlijke autoriteit op rechtmatige wijze heeft geweigerd ( 3 ) om aan dat EAB gevolg te geven wegens een reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces. Indien van een dergelijk gevaar met name ten gevolge van een wijziging van de omstandigheden geen sprake is, kan de enkele omstandigheid dat de uitvoerende autoriteit heeft geweigerd het EAB ten uitvoer te leggen, daarentegen geen beletsel vormen voor de uitvaardigende rechterlijke autoriteit om dat EAB te handhaven. Bovendien moet die autoriteit nagaan of de handhaving van het EAB, gelet op de specifieke omstandigheden van de zaak, evenredig is.

Wat in de tweede plaats de redenen betreft die ten grondslag liggen aan de beslissingen van de Franse en Maltese uitvoerende autoriteiten om de tenuitvoerlegging van het betrokken EAB te weigeren, herinnert het Hof er ten eerste aan dat de uitvoerende autoriteit bij de vaststelling of er sprake is van een reëel gevaar voor schending van het grondrecht op een eerlijk proces wegens structurele of fundamentele gebreken in de werking van het gerechtelijk apparaat van de uitvaardigende lidstaat, haar onderzoek moet baseren op zowel objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens met betrekking tot de werking van dat gerechtelijk apparaat, als een concrete en nauwkeurige analyse van de individuele situatie van de gezochte persoon. Bijgevolg is een beslissing van de CCF met betrekking tot de situatie van de persoon tegen wie een EAB is uitgevaardigd ( 4 ), ontoereikend om de weigering van de tenuitvoerlegging van dit EAB te rechtvaardigen. Die beslissing kan echter door de uitvoerende rechterlijke autoriteit in aanmerking worden genomen voor haar beslissing of de tenuitvoerlegging van het EAB dient te worden geweigerd.

Ten tweede is het Hof van oordeel dat de rechterlijke autoriteit die een EAB ten uitvoer legt dat is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf, de tenuitvoerlegging van dit EAB niet kan weigeren op grond van het feit dat het proces-verbaal van de eedaflegging van een rechter die deze straf heeft opgelegd, niet kan worden gevonden of op grond van het feit dat een andere rechter van die rechtsprekende formatie alleen de eed als openbaar aanklager heeft afgelegd. Niet elke onregelmatigheid die zich tijdens de procedure voor de benoeming van een rechter of bij zijn indiensttreding kan voordoen, kan namelijk twijfel doen rijzen over de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van die rechter en dus over de hoedanigheid van „onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld”, in de zin van het Unierecht, van een rechtsprekende formatie waarin hij zetelt. In het bijzonder kan de omstandigheid dat het nationale recht van een lidstaat mogelijk bepaalt dat een openbaar aanklager die bij zijn indiensttreding de eed heeft afgelegd, bij zijn latere benoeming tot rechter deze eed niet opnieuw hoeft af te leggen, geen structureel of fundamenteel gebrek met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht vormen. Voorts kan onzekerheid over de plaats waar de processen-verbaal van de eedaflegging van rechters van een lidstaat worden bewaard of het feit dat die processen-verbaal niet kunnen worden gevonden, in het bijzonder wanneer sinds de eedaflegging van de betrokken rechter meerdere jaren zijn verstreken, op zichzelf en bij gebreke van andere relevante bewijzen niet aantonen dat de betrokken rechters hun ambt hebben uitgeoefend zonder ooit de vereiste eed te hebben afgelegd. In elk geval kan de onzekerheid over de vraag of de rechters van een lidstaat vóór hun indiensttreding de eed hebben afgelegd overeenkomstig het nationale recht, niet worden aangemerkt als een structureel of fundamenteel gebrek met betrekking tot de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van die lidstaat, wanneer het nationale recht voorziet in doeltreffende rechtsmiddelen die het mogelijk maken zich te beroepen op een eventuele ontbrekende eedaflegging van de rechters die een bepaald vonnis hebben gewezen, en aldus dat vonnis te laten vernietigen. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of dergelijke rechtsmiddelen in het Roemeense recht bestaan.

Ten derde oordeelt het Hof dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit bij het onderzoek naar de detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaat de tenuitvoerlegging van een EAB niet mag weigeren op grond van gegevens betreffende de detentieomstandigheden in de penitentiaire inrichtingen van de uitvaardigende lidstaat die zij zelf heeft verzameld en waarover zij de uitvaardigende rechterlijke autoriteit niet om aanvullende gegevens heeft verzocht. Bovendien mag de uitvoerende rechterlijke autoriteit geen strengere maatstaf inzake detentieomstandigheden toepassen dan die waarin artikel 4 van het Handvest voorziet. In dit verband valt het loutere ontbreken van een „nauwkeurig plan voor de tenuitvoerlegging van de straf” of van „precieze criteria voor de vaststelling van een bepaalde tenuitvoerleggingsregeling” niet onder het begrip „onmenselijke of vernederende behandeling” in de zin van artikel 4 van het Handvest.

Ervan uitgaande dat de vaststelling van een dergelijk plan of van dergelijke criteria in de uitvoerende lidstaat vereist is, zij eraan herinnerd dat de lidstaten krachtens het beginsel van wederzijds vertrouwen gehouden kunnen zijn om aan te nemen dat de andere lidstaten de grondrechten eerbiedigen, zodat zij onder meer niet kunnen eisen dat een andere lidstaat een hoger nationaal niveau van bescherming van de grondrechten biedt dan door het Unierecht wordt verzekerd. Bijgevolg kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit de overlevering van de gezochte persoon niet weigeren op de enkele grond dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit haar geen „nauwkeurig plan voor de tenuitvoerlegging van de straf” of „precieze criteria voor de vaststelling van een bepaalde tenuitvoerleggingsregeling” heeft meegedeeld.

In de derde en laatste plaats legt het Hof wat de verplichtingen en rechten van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit uit dat deze autoriteit niet verplicht is het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken alvorens, gelet op de redenen op grond waarvan de uitvoerende rechterlijke autoriteit heeft geweigerd om een EAB ten uitvoer te leggen, te beslissen dit EAB in te trekken of te handhaven, tenzij de beslissing die zij zal moeten nemen volgens het nationale recht niet vatbaar is voor hoger beroep, in welk geval zij zich in beginsel tot het Hof dient te wenden. Die autoriteit kan enkel van deze verplichting worden ontheven wanneer zij heeft vastgesteld dat de opgeworpen vraag niet relevant is, dat de betrokken bepaling van het Unierecht door het Hof is uitgelegd, of dat de juiste toepassing van het Unierecht zo evident is dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan. Voorts is het Hof van oordeel dat de rechterlijke autoriteit die een EAB uitvaardigt, niet het recht heeft om als partij deel te nemen aan de procedure betreffende de tenuitvoerlegging van dit EAB voor de uitvoerende rechterlijke autoriteit. Een dergelijke deelneming is niet onontbeerlijk om de naleving te waarborgen van de beginselen van wederzijdse erkenning en loyale samenwerking die ten grondslag liggen aan de werking van het EAB-mechanisme.


( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.

( 1 ) Dit recht is neergelegd in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

( 2 ) Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (PB 2009, L 81, blz. 24) (hierna: „kaderbesluit 2002/584”).

( 3 ) Zie artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2002/584, waarin het volgende is bepaald: „Dit kaderbesluit kan niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, wordt aangetast.”

( 4 ) In casu heeft de CCF bij haar beslissing gelast dat het internationale opsporingsbericht tegen P.P.R. wordt verwijderd wegens een schending van de regels van Interpol inzake de verwerking van persoonsgegevens.