ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer)
5 juni 2025 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Internationaal luchtvervoer – Verdrag van Montreal – Aansprakelijkheid van luchtvaartmaatschappijen – Artikel 19 – Schade voortvloeiend uit vertraging in het luchtvervoer van passagiers, bagage of goederen – Artikel 31, lid 2 – Termijnen voor protest – Protest vóór de datum waarop de betrokken bagage ter beschikking van de geadresseerde is gesteld”
In zaak C‑292/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Landgericht Frankfurt am Main (rechter in tweede aanleg Frankfurt am Main, Duitsland) bij beslissing van 2 januari 2024, ingekomen bij het Hof op 25 april 2024, in de procedure
AD
tegen
Iberia Líneas Aéreas de España SA Operadora Unipersonal,
wijst
HET HOF (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: S. Rodin (rapporteur), kamerpresident, N. Piçarra en O. Spineanu-Matei, rechters,
advocaat-generaal: M. Szpunar,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
|
– |
AD, vertegenwoordigd door M. Hotes, Rechtsanwalt, |
|
– |
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. von Rintelen en N. Yerrell als gemachtigden, |
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
|
1 |
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 31, lid 2, tweede volzin, van het op 28 mei 1999 te Montreal gesloten Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer, dat op 9 december 1999 door de Europese Gemeenschap is ondertekend en namens haar is goedgekeurd bij besluit 2001/539/EG van de Raad van 5 april 2001 (PB 2001, L 194, blz. 38) (hierna: „Verdrag van Montreal”) en dat voor de Europese Unie in werking is getreden op 28 juni 2004. |
|
2 |
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen AD, een vliegtuigpassagier, en Iberia Líneas Aéreas de España SA Operadora Unipersonal (hierna: „Iberia”), een luchtvaartmaatschappij, over de aansprakelijkheid van Iberia voor de schade die voortvloeit uit de vertraging in het luchtvervoer van de bagage van AD en de personen die met hem reisden. |
Toepasselijke bepalingen
Verdrag van Montreal
|
3 |
Volgens de derde overweging van het Verdrag van Montreal erkennen de staten die partij zijn bij het verdrag „het belang van het waarborgen van bescherming van de belangen van consumenten in het internationale luchtvervoer en de noodzaak van billijke schadevergoeding gegrond op het beginsel van restitutie”. |
|
4 |
De vijfde overweging van dit verdrag bepaalt dat „een gezamenlijk optreden van de staten ter verdere harmonisatie en codificatie van enige bepalingen tot regeling van het internationale luchtvervoer door middel van een nieuw verdrag het beste middel is om een billijk evenwicht van de belangen te bereiken”. |
|
5 |
Artikel 19 van het Verdrag van Montreal, „Vertraging”, bepaalt: „De vervoerder is aansprakelijk voor de schade voortvloeiend uit vertraging in het luchtvervoer van passagiers, bagage of goederen. De vervoerder is echter niet aansprakelijk voor de schade voortvloeiend uit vertraging indien hij bewijst dat hij en zijn hulppersonen alle maatregelen hebben genomen die redelijkerwijs gevergd konden worden om de schade te vermijden, of dat het hun onmogelijk was dergelijke maatregelen te nemen.” |
|
6 |
Artikel 31 van dit verdrag, met als opschrift „Termijnen voor protest”, bepaalt: „1. De aanneming door de geadresseerde, zonder protest, van de aangegeven bagage of de goederen, vestigt, behoudens tegenbewijs, het vermoeden, dat de bagage en de goederen in goede staat en in overeenstemming met het vervoersdocument of de gegevens vastgelegd door de andere middelen bedoeld in artikel 3, tweede lid, en artikel 4, tweede lid, zijn afgeleverd. 2. In geval van beschadiging moet de geadresseerde protest doen aan de vervoerder onmiddellijk na ontdekking van de beschadiging en uiterlijk binnen een termijn van zeven dagen voor de aangegeven bagage en van veertien dagen voor de goederen, te rekenen van de aanneming. In geval van vertraging moet het protest worden gedaan uiterlijk binnen eenentwintig dagen, te rekenen van de dag waarop de bagage of de goederen te zijner beschikking zijn gesteld. 3. Elk protest moet schriftelijk worden ingebracht en overhandigd of verzonden binnen de voorgeschreven termijnen. 4. Bij gebreke van protest binnen de voorgeschreven termijnen is elke rechtsvordering tegen de vervoerder niet-ontvankelijk, tenzij in geval van diens bedrog.” |
Unierecht
|
7 |
Artikel 3, lid 1, van verordening (EG) nr. 2027/97 van de Raad van 9 oktober 1997 betreffende de aansprakelijkheid van luchtvervoerders met betrekking tot het luchtvervoer van passagiers en hun bagage (PB 1997, L 285, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 889/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 13 mei 2002 (PB 2002, L 140, blz. 2), bepaalt dat „[d]e aansprakelijkheid van een luchtvervoerder van de Gemeenschap met betrekking tot de passagiers en hun bagage is onderworpen aan alle bepalingen van het Verdrag van Montreal die op die aansprakelijkheid betrekking hebben”. |
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
|
8 |
Op 15 december 2021 hebben AD en twee andere personen een vlucht geboekt bij Iberia van Frankfurt am Main (Duitsland) naar Panama City (Panama) met een tussenstop in Madrid (Spanje). Aangezien hun bagage niet tijdig in Panama City was aangekomen, heeft AD diezelfde dag de vermissing van die bagage gemeld en telefonisch contact opgenomen met de bagageafhandelaar van Iberia. |
|
9 |
Wegens deze situatie hebben AD en de personen die met hem reisden, de verdere reis uitgesteld en heeft AD in een contactformulier van Iberia meegedeeld dat hij uiterlijk op 18 december 2021 persoonlijk contact met Iberia wilde hebben en dat zij anders vervangende aankopen zouden doen en hun reis zouden voortzetten. Aangezien Iberia geen antwoord heeft gegeven, hebben zij vervangende aankopen verricht. Pas na de vervangende aankopen is de bagage op 20 december 2021 in Panama City afgeleverd. |
|
10 |
Bij het Amtsgericht Frankfurt am Main (rechter in eerste aanleg Frankfurt am Main, Duitsland) heeft AD van Iberia op grond van zijn eigen en de aan hem overgedragen rechten van de personen die met hem reisden, terugbetaling gevorderd van de kosten van die vervangende aankopen, de reiskosten en de prijs van een vervangend vliegticket. |
|
11 |
Bij vonnis van 30 januari 2023 heeft deze rechter deze vordering afgewezen op grond dat de termijn voor protest van artikel 31, lid 2, tweede volzin, van het Verdrag van Montreal niet in acht was genomen en er ook geen sprake was van de uitzondering als bedoeld in artikel 31, lid 4, van het Verdrag van Montreal. |
|
12 |
AD heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld bij het Landgericht Frankfurt am Main (rechter in tweede aanleg Frankfurt am Main, Duitsland), de verwijzende rechter. |
|
13 |
AD is van mening dat met zijn melding waarin Iberia werd verzocht om uiterlijk op 18 december 2021 contact met hem op te nemen, een vroegtijdige schademelding heeft plaatsgevonden die Iberia voldoende over de dreigende schade heeft geïnformeerd en met inachtneming van de termijn van artikel 31, lid 2, tweede volzin, van het Verdrag van Montreal is gedaan. Aangezien Iberia wist dat er binnen de door AD gestelde termijn geen persoonlijk contact met hem was opgenomen en dat de betrokken bagage op die datum nog niet was afgeleverd, was zij op dat tijdstip al op de hoogte van het ontstaan van schade in de zin van die bepaling. Het stellen van een nieuwe termijn na het overhandigen van die bagage was dus niet noodzakelijk. |
|
14 |
Iberia is daarentegen van mening dat pas na het overhandigen van de bagage werkelijk kan worden beoordeeld of er schade is. |
|
15 |
Gelet op het voorgaande heeft het Landgericht Frankfurt am Main de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Vormt artikel 31, lid 2, tweede volzin, van het Verdrag van Montreal een absolute vervaltermijn en moet het noodzakelijkerwijs aldus worden uitgelegd dat het protest binnen 21 dagen na het terugkrijgen van de bagage moet geschieden of kan er ook al vóór de teruggave van de bagage protest worden gedaan?” |
Beantwoording van de prejudiciële vraag
|
16 |
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 31, lid 2, tweede volzin, van het Verdrag van Montreal aldus moet worden uitgelegd dat protest wegens vertraging in het vervoer van bagage absoluut moet geschieden binnen 21 dagen te rekenen vanaf de datum waarop de betrokken bagage ter beschikking van de geadresseerde is gesteld of er vóór die datum protest kan worden gedaan. |
|
17 |
In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2027/97, zoals gewijzigd bij verordening nr. 889/2002, bepaalt dat de aansprakelijkheid van luchtvervoerders van de Europese Unie ten aanzien van de passagiers en hun bagage onderworpen is aan alle bepalingen van het Verdrag van Montreal die op die aansprakelijkheid betrekking hebben. |
|
18 |
Bijgevolg vormen de bepalingen van het Verdrag van Montreal sinds de datum van de inwerkingtreding ervan voor de Unie, te weten 28 juni 2004, een integrerend bestanddeel van de rechtsorde van de Unie en is het Hof bevoegd om een prejudiciële beslissing te geven over de uitlegging ervan (zie in die zin arrest van 17 februari 2016, Air Baltic Corporation, C‑429/14, EU:C:2016:88, punten 22 en 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
19 |
Wat die uitlegging betreft, wordt er in artikel 31 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969 (United Nations Treaty Series, deel 1155, blz. 331), dat het internationale gewoonterecht weerspiegelt en waarvan de bepalingen deel uitmaken van de rechtsorde van de Unie, op gewezen dat een verdrag te goeder trouw moet worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het verdrag in hun context en in het licht van het voorwerp en het doel van het verdrag (arrest van 20 oktober 2022, Laudamotion, C‑111/21, EU:C:2022:808, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
20 |
Dienaangaande blijkt om te beginnen uit de bewoordingen van artikel 31, lid 2, tweede volzin, van het Verdrag van Montreal dat in geval van vertraging bij de aanneming van bagage of goederen de geadresseerde van die bagage zijn protest aan de vervoerder moet doen uiterlijk 21 dagen na de dag waarop de bagage of de betrokken goederen hem ter beschikking zijn gesteld. |
|
21 |
Deze bepaling voorziet weliswaar in een vervaltermijn van 21 dagen vanaf de datum waarop de bagage ter beschikking wordt gesteld om protest te doen, maar bepaalt slechts de laatste dag van de termijn na afloop waarvan er in beginsel niet meer geldig protest kan worden gedaan. Een letterlijke uitlegging van de bewoordingen van deze bepaling suggereert dat er protest kan worden gedaan op elk moment tussen de vaststelling van vertraging bij de aflevering van bagage of goederen en het verstrijken van deze termijn en dus ook vóór die datum. |
|
22 |
In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat artikel 31, lid 2, van het Verdrag van Montreal weliswaar niet uitdrukkelijk voorziet in de mogelijkheid om protest te doen vóór de datum waarop de betrokken bagage ter beschikking wordt gesteld, maar dat deze bepaling aldus kan worden uitgelegd dat op grond daarvan protest kan worden gedaan vóór die datum. |
|
23 |
Vervolgens moet worden nagegaan of deze aan de bewoordingen van artikel 31, lid 2, tweede volzin, van het Verdrag van Montreal ontleende uitlegging steun vindt in de context van deze bepaling. |
|
24 |
In dit verband moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat artikel 31, lid 1, van het Verdrag van Montreal bepaalt dat de aanneming door de geadresseerde, zonder protest, van de aangegeven bagage, behoudens tegenbewijs, het vermoeden oplevert dat de bagage in goede staat en in overeenstemming met het vervoersdocument of de gegevens vastgelegd door de andere middelen bedoeld in artikel 3, tweede lid, van dat verdrag, is afgeleverd. |
|
25 |
Protest als aan de orde in het hoofdgeding, dat door een passagier bij de luchtvervoerder is ingediend, is dus bedoeld om de luchtvervoerder ervan in kennis te stellen dat de geregistreerde bagage niet in goede staat en/of in overeenstemming met het vervoersdocument of de gegevens vastgelegd door de andere middelen bedoeld in artikel 3, tweede lid, van dat verdrag, is afgeleverd (zie in die zin arrest van 12 april 2018, Finnair, C‑258/16, EU:C:2018:252, punt 50), in het bijzonder waar het gaat om het tijdstip waarop die levering moest plaatsvinden. |
|
26 |
In de tweede plaats bepaalt artikel 19, eerste volzin, van het Verdrag van Montreal dat „[d]e vervoerder […] aansprakelijk [is] voor de schade voortvloeiend uit vertraging in het luchtvervoer van passagiers, bagage of goederen”. |
|
27 |
Hieruit volgt dat artikel 31, lid 1, van dit verdrag, gelezen in het licht van artikel 19, eerste volzin, van dit verdrag, aldus moet worden uitgelegd dat een door de betrokken passagier ingebracht protest zoals dat in het hoofdgeding, bedoeld is om de luchtvervoerder in kennis te stellen van de schade als gevolg van vertraging in het luchtvervoer van bagage of goederen (zie naar analogie arrest van 12 april 2018, Finnair, C‑258/16, EU:C:2018:252, punt 52). |
|
28 |
Derhalve moet worden vastgesteld dat uit de context van artikel 31, lid 2, tweede volzin, van het Verdrag van Montreal ook volgt dat schade als gevolg van vertraging in het luchtvervoer van bagage aan de luchtvervoerder moet kunnen worden gemeld zodra de betrokken passagier op de hoogte is van die vertraging en uiterlijk binnen 21 dagen na de datum waarop deze bagage hem ter beschikking is gesteld, zonder dat deze passagier hoeft te wachten totdat die bagage hem ter beschikking is gesteld. |
|
29 |
Deze vaststelling wordt overigens bevestigd door het feit dat, zoals blijkt uit artikel 19, tweede volzin, van het Verdrag van Montreal, de vervoerder niet aansprakelijk is voor de schade voortvloeiend uit vertraging indien hij bewijst dat hij en zijn hulppersonen alle maatregelen hebben genomen die redelijkerwijs gevergd konden worden om de schade te vermijden, of dat het hun onmogelijk was dergelijke maatregelen te nemen. |
|
30 |
Zoals de verwijzende rechter in wezen heeft opgemerkt in het verzoek om een prejudiciële beslissing, kan de betrokken vervoerder doordat er bij hem protest betreffende vertraging in het vervoer van bagage is gedaan vóór de datum waarop de betrokken bagage ter beschikking van de geadresseerde wordt gesteld, immers zo spoedig mogelijk de gegevens verzamelen die nodig zijn om dat bewijs te kunnen leveren, en aldus worden ontheven van zijn aansprakelijkheid op grond van die bepaling. |
|
31 |
Ten slotte is de in punt 22 van het onderhavige arrest gegeven uitlegging ook in overeenstemming met de doelstellingen van het Verdrag van Montreal. De staten die partij zijn bij het verdrag, erkennen volgens de derde overweging van dit verdrag namelijk „het belang van het waarborgen van bescherming van de belangen van consumenten in het internationale luchtvervoer en de noodzaak van billijke schadevergoeding gegrond op het beginsel van restitutie” en hebben daarom besloten te voorzien in een stelsel van risicoaansprakelijkheid van luchtvervoerders. Zoals blijkt uit de vijfde overweging van het verdrag, impliceert een dergelijk stelsel een „billijk evenwicht van de belangen” van de luchtvaartmaatschappijen en de passagiers [zie in die zin arrest van 6 juli 2023, Austrian Airlines (Eerste hulp aan boord van een luchtvaartuig),C‑510/21, EU:C:2023:550, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. |
|
32 |
Een uitlegging van artikel 31, lid 2, tweede volzin, van dat verdrag die uitsluit dat de betrokken passagiers protest wegens vertraging bij het vervoer van bagage kunnen aantekenen vóór de datum waarop hun bagage hun ter beschikking is gesteld, zou afbreuk doen aan dat evenwicht door het aantekenen van het protest afhankelijk te stellen van een extra voorwaarde die niet noodzakelijk is, en zou overigens in strijd zijn met de belangen van de vervoerders, zoals blijkt uit punt 30 van het onderhavige arrest. |
|
33 |
Uit het voorgaande volgt dat op de gestelde vraag moet worden geantwoord dat artikel 31, lid 2, tweede volzin, van het Verdrag van Montreal aldus moet worden uitgelegd dat er protest wegens vertraging in het vervoer van bagage kan worden gedaan vóór de datum waarop de betrokken bagage ter beschikking van de geadresseerde is gesteld. |
Kosten
|
34 |
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. |
|
Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht: |
|
Artikel 31, lid 2, tweede volzin, van het op 28 mei 1999 te Montreal gesloten Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer, dat op 9 december 1999 door de Europese Gemeenschap is ondertekend en namens haar is goedgekeurd bij besluit 2001/539/EG van de Raad van 5 april 2001 |
|
moet aldus worden uitgelegd dat |
|
er protest wegens vertraging in het vervoer van bagage kan worden gedaan vóór de datum waarop de betrokken bagage ter beschikking van de geadresseerde is gesteld. |
|
ondertekeningen |
( *1 ) Procestaal: Duits.