Voorlopige editie
ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
9 juli 2026 (*)
„ Hogere voorziening – Staatssteun – Sector warmte-krachtkoppeling – Hervorming van de steunregeling voor warmte-krachtkoppeling – Besluit van de Europese Commissie waarbij steun verenigbaar met de interne markt wordt verklaard – Begrip ‚staatssteun’ – Met staatsmiddelen bekostigde maatregelen – Voorwaarde inzake het bestaan van een verplichte heffing ”
In zaak C‑242/24 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 3 april 2024,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Bouchagiar, C.‑M. Carrega en C. Kovács als gemachtigden,
rekwirante,
andere partij in de procedure:
Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door J. Möller en R. Kanitz als gemachtigden,
verzoekster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, kamerpresident, T. von Danwitz, vicepresident van het Hof, waarnemend rechter van de Vierde kamer, M. Condinanzi (rapporteur), N. Jääskinen en R. Frendo, rechters,
advocaat-generaal: D. Spielmann,
griffier: D. Dittert, hoofd van een administratieve eenheid,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 11 juni 2025,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 oktober 2025,
het navolgende
Arrest
1 Met haar hogere voorziening verzoekt de Europese Commissie om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 24 januari 2024, Duitsland/Commissie (T‑409/21, EU:T:2024:34; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht besluit C(2021) 3918 final van de Commissie van 3 juni 2021 betreffende steunmaatregel SA.56826 (2020/N) – Duitsland – Hervorming 2020 van de steunregeling voor warmte-krachtkoppeling, en steunmaatregel SA.53308 (2019/N) – Duitsland – Wijziging van de steunregeling voor bestaande warmte-krachtcentrales [§ 13 van het Gesetz zur Neuregelung des Kraft-Wärme-Kopplungsgesetzes (wet tot nieuwe regeling van de wet betreffende warmte-krachtkoppeling) van 21 december 2015 (BGBl. 2015 I, blz. 2498; hierna: „KWKG 2016”)] (hierna: „bestreden besluit”), waarbij de Commissie vaststelt dat verschillende maatregelen (hierna: „betrokken maatregelen”) tot ondersteuning van elektriciteitsproductie door warmte-krachtcentrales (combined heat and power; hierna: „CHP”) staatssteun vormen, nietig heeft verklaard.
Voorgeschiedenis van het geding en litigieus besluit
2 De voorgeschiedenis van het geding en het litigieuze besluit zijn uiteengezet in de punten 2 tot en met 26 van het bestreden arrest. Zij kunnen voor het onderhavige arrest als volgt worden samengevat.
De litigieuze maatregelen en de financiering ervan
3 Op 28 januari 2019 en 23 september 2020 hebben de Duitse autoriteiten bij de Europese Commissie een reeks maatregelen aangemeld die voortvloeiden uit wijzigingen van het KWKG 2016. Sommige van deze maatregelen werden nog in december 2020 gewijzigd. Deze wijzigingen, in hun geheel beschouwd, en de maatregelen die zij inhouden, zijn in overeenstemming met de sinds 1 januari 2021 geldende wetgeving inzake steun voor CHP (hierna: „KWKG 2020”). Een laatste wijziging betrof de maximering van de heffing ten gunste van waterstofproducenten als bedoeld in § 27 KWKG 2020.
4 Het KWKG 2020 heeft met name tot doel de energie-efficiëntie en de bescherming van het klimaat en het milieu te verbeteren door de nettoproductie van CHP-elektriciteit tegen 2025 te verhogen.
5 Daartoe voorziet deze wet in een reeks steunmaatregelen voor, ten eerste, de opwekking van elektriciteit door nieuwgebouwde, gemoderniseerde en verbeterde hoogrenderende CHP-centrales, ten tweede, energie-efficiënte netten voor stadsverwarming en -koeling, ten derde, warmte- en koudeopslaginstallaties en, ten vierde, elektriciteitsopwekking in bestaande, hoogrenderende, gasgestookte CHP-centrales in de stadsverwarmingssector (hierna samen: „CHP-steunmaatregelen”). Ten vijfde voorziet het KWKG 2020 ook in een steunmaatregel voor de sector van de productie van industriële gassen, waarin de productie van waterstof de grootste toegevoegde waarde vormt.
6 Deze verschillende maatregelen, waartegen de Commissie opkomt, nemen de vorm aan van ofwel een premie, die in bepaalde gevallen kan worden aangevuld met een bonus en die boven op de inkomsten uit de verkoop tegen de marktprijs van de opgewekte elektriciteit komt, ofwel een maximering van het bedrag van de heffing die netbeheerders kunnen doorrekenen aan waterstofproducenten. Dit laatste is uitsluitend het geval voor de sector van de productie van industriële gassen, waarin de productie van waterstof de grootste toegevoegde waarde vormt.
7 De steun wordt toegekend via aanbestedingen die worden georganiseerd door de nationale regelgevende instantie, te weten de Bundesnetzagentur (federale energietoezichthouder, Duitsland) (hierna: „BNetzA”), of rechtstreeks op grond van het KWKG 2020. In dit laatste geval hebben de begunstigden recht op deze steun wanneer zij aan de subsidiabiliteitscriteria voldoen. Zij moeten daarvoor een aanvraag indienen, die door het Bundesamt für Wirtschaft und Ausfuhrkontrolle (federaal agentschap voor economie en exportcontrole, Duitsland) (hierna: „BAFA”) wordt gecontroleerd. Indien de begunstigden aan al deze criteria voldoen, moet het BAFA een erkenning afgeven waarin wordt bevestigd dat zij in aanmerking komen voor steun.
8 Het mechanisme voor de financiering van CHP-steunmaatregelen wordt door het Gerecht als volgt beschreven.
9 Ten eerste is elke distributie- of transmissienetbeheerder wettelijk verplicht om aan de begunstigden van de CHP-steunmaatregelen die op zijn net zijn aangesloten, de in het KWKG 2020 vastgestelde bedragen over te maken, en hebben deze begunstigden recht op die bedragen (hierna: „KWKG-steun”).
10 Meer bepaald betalen de distributienetbeheerders KWKG-steun voor elektriciteit die wordt opgewekt door warmte-krachtkoppeling in nieuwgebouwde, gemoderniseerde en verbeterde hoogrenderende warmte-krachtcentrales en in bestaande en afgeschreven, hoogrenderende en gasgestookte warmte-krachtcentrales.
11 De transmissienetbeheerders verlenen KWKG-steun voor de aanleg en uitbreiding van energie-efficiënte netten voor stadsverwarming en ‑koeling en voor de bouw en verbetering van warmte- en koudeopslaginstallaties.
12 Om ervoor te zorgen dat elke netbeheerder wordt gecompenseerd voor de aanvullende financiële lasten die voortvloeien uit zijn verplichtingen uit hoofde van het KWKG 2020, heeft deze wet een mechanisme ingevoerd waarbij die last billijk wordt verdeeld over de (distributie- of transmissie)netbeheerders in verhouding tot het verbruik van de op hun net aangesloten afnemers en vervolgens wordt gecompenseerd.
13 Zo betalen de transmissienetbeheerders in een eerste fase aan de distributienetbeheerders het totaalbedrag terug dat deze laatsten aan de begunstigden van de CHP-steunmaatregelen hebben overgemaakt.
14 In een tweede fase berekenen de transmissienetbeheerders het totale bedrag van de betalingen die zij hebben verricht aan respectievelijk de begunstigden van de CHP-steunmaatregelen en de distributienetbeheerders, zoals in de punten 11 en 13 van het onderhavige arrest is aangegeven. Dit totaalbedrag wordt vervolgens gedeeld door het totale elektriciteitsverbruik.
15 Het resultaat van deze berekening geeft de gemiddelde belasting per kilowattuur (kWh) elektriciteit voor de litigieuze maatregelen weer. De distributienetbeheerders moeten aan de transmissienetbeheerders een bedrag betalen dat overeenkomt met deze gemiddelde belasting voor elk kWh elektriciteit dat zij aan de eindafnemers hebben geleverd (hierna: „KWKG-heffing”).
16 Het bedrag van de KWKG-heffing wordt jaarlijks door de transmissienetbeheerders onder het toezicht van het BAFA en de BNetzA berekend volgens de in het KWKG 2020 vastgestelde methode. Het wordt uitgedrukt in een uniform bedrag per kWh verbruikte elektriciteit, onder voorbehoud van het verlaagde tarief waarvoor bepaalde categorieën gebruikers in aanmerking komen.
17 Ten tweede hebben netbeheerders het recht – zonder wettelijk verplicht te zijn – om de KWKG-heffing in rekening te brengen bij de berekening van de nettarieven die zij van hun afnemers vragen voor elk kWh elektriciteit dat in Duitsland via het elektriciteitsnet wordt geleverd. Bij wijze van uitzondering hebben transmissienetbeheerders het recht om een verlaagde KWKG-heffing aan te vragen voor energie-intensieve verbruikers zoals waterstofproducenten.
18 Het KWKG 2020 voorziet in een jaarlijkse begrotingslimiet van 1,8 miljard EUR voor de financiering van de litigieuze maatregelen en dus voor de totale KWKG-heffing.
Litigieus besluit
19 Op 3 juni 2021 heeft de Commissie het litigieuze besluit vastgesteld.
20 De Commissie heeft de betrokken maatregelen aangemerkt als staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. Zij heeft met name vastgesteld dat zij met staatsmiddelen werden gefinancierd. Zij is inzonderheid in de punten 220 en 221 van het litigieuze besluit tot de slotsom gekomen dat de CHP-steunmaatregelen werden gefinancierd met inkomsten uit een de jure door de staat opgelegde verplichte bijdrage, die overeenkomstig de wetgeving werden beheerd en toegewezen. Voorts was de Commissie van mening dat de maatregel ter maximering van de KWKG-heffing ten gunste van waterstofproducenten een afstand van staatsmiddelen vormde.
21 Zij heeft niettemin vastgesteld dat de litigieuze maatregelen op grond van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU verenigbaar waren met de interne markt, en heeft dan ook besloten geen bezwaar te maken.
Beroep bij het Gerecht en bestreden arrest
22 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 9 juli 2021, heeft de Bondsrepubliek Duitsland beroep ingesteld tot nietigverklaring van het litigieuze besluit voor zover daarin is vastgesteld dat de litigieuze maatregelen staatssteun vormen. Ter ondersteuning van haar beroep voert de Bondsrepubliek Duitsland één middel aan, te weten onjuiste uitlegging en toepassing van artikel 107, lid 1, VWEU voor zover de Commissie heeft vastgesteld dat de ondernemingen waarop de betrokken maatregelen betrekking hadden, steun ontvingen die met staatsmiddelen werd bekostigd.
23 In punt 36 van het bestreden arrest heeft het Gerecht op basis van het arrest van 12 januari 2023, DOBELES HES (C‑702/20 en C‑17/21, EU:C:2023:1, punten 38, 39 en 42), geoordeeld dat zowel middelen die middels een belasting of andere krachtens de nationale wetgeving verplichte heffingen worden geïnd en die overeenkomstig deze wetgeving worden beheerd en verdeeld, als bedragen die constant onder staatscontrole en daarmee ter beschikking van de bevoegde nationale autoriteiten staan, kunnen worden aangemerkt als „staatsmiddelen” in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, en dat deze twee criteria alternatieve criteria zijn voor het begrip „staatsmiddelen” in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU.
24 Het Gerecht heeft eerst in de punten 41 tot en met 118 van het bestreden arrest nagegaan of de CHP-steunmaatregelen met staatsmiddelen werden gefinancierd, en vervolgens in de punten 119 tot en met 126 van dat arrest onderzocht of de maatregel ter maximering van de KWKG-heffing ten gunste van waterstofproducenten met dergelijke middelen werd gefinancierd.
25 Wat de CHP-steunmaatregelen betreft, heeft het Gerecht om te beginnen in de punten 56 tot en met 90 van het bestreden arrest onderzocht of de KWKG-steun of de KWKG-heffing een belasting of een andere verplichte heffing in de zin van het eerste van de in punt 23 van het onderhavige arrest genoemde criteria vormde. Vervolgens heeft het Gerecht in de punten 91 tot en met 100 van het bestreden arrest onderzocht of de bedragen van die steun of heffing constant onder staatscontrole stonden in de zin van het tweede van deze criteria. Ten slotte heeft het Gerecht in de punten 101 tot en met 117 van dat arrest de argumenten van de Commissie betreffende de toepassing van de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 13 maart 2001, PreussenElektra (C‑379/98, EU:C:2001:160), op de onderhavige zaak verworpen.
26 Wat in de eerste plaats het eerste van de genoemde criteria betreft, heeft het Gerecht in punt 57 van het bestreden arrest herinnerd aan de rechtspraak volgens welke middelen als „staatsmiddelen” in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU moeten worden beschouwd indien zij afkomstig zijn uit krachtens de wetgeving van de betrokken lidstaat verplichte bijdragen en overeenkomstig deze wetgeving worden beheerd en verdeeld.
27 Bij de toepassing van deze rechtspraak op de onderhavige zaak heeft het Gerecht om te beginnen in punt 67 van het bestreden arrest met name geoordeeld dat de verplichte betalingen die netbeheerders deden aan de begunstigden van de CHP-steunmaatregelen, dat wil zeggen de betalingen die plaatsvonden in een fase die het heeft aangemerkt als het „eerste niveau” van de elektriciteitstoeleveringsketen, enkel de toewijzing van de middelen overeenkomstig de wet betroffen, aangezien deze beheerders wettelijk verplicht waren om financiële steun te verlenen aan die begunstigden. Het Gerecht was echter van oordeel dat deze betalingen geen enkele aanwijzing verschaften over de herkomst van de door de netbeheerders gebruikte middelen. Volgens het Gerecht zou de opvatting dat deze betalingen een belasting of andere verplichte heffing in de zin van de relevante rechtspraak vormen, erop neerkomen dat de financiering van de CHP-steunmaatregelen wordt verward met de toekenning van de middelen aan de begunstigden.
28 Vervolgens heeft het Gerecht in de punten 68 tot en met 70 van zijn arrest een onderscheid gemaakt tussen de situatie in de onderhavige zaak, waarin de netbeheerders geen enkele wettelijke verplichting hebben om de KWKG-heffing door te berekenen aan hun afnemers verderop in de keten, namelijk in de fase die het heeft aangemerkt als het „tweede niveau” van de elektriciteitstoeleveringsketen, en de situatie als bedoeld in de rechtspraak waarop de Commissie zich heeft gebaseerd om te stellen dat de middelen die de netbeheerders hadden gebruikt om hun betalingsverplichtingen jegens de begunstigden van de CHP-steunmaatregelen na te komen, afkomstig waren van de staat.
29 Bovendien heeft het Gerecht in de punten 71 en 72 van het bestreden arrest geoordeeld dat de Commissie niet had uitgelegd op welk moment en door wie de middelen werden beheerd.
30 Ten slotte heeft het Gerecht in de punten 73 tot en met 77 van dat arrest geoordeeld dat de mogelijkheid voor de netbeheerders om de last van de CHP-steunmaatregelen te laten dragen door hun afnemers, volstond om uit te sluiten dat deze beheerders de „uiteindelijke schuldenaren van [die] last” zijn en dus rechtens verplicht zijn een bijdrage te betalen.
31 Wat in de tweede plaats het tweede van de in punt 23 van het onderhavige arrest genoemde criteria betreft, namelijk de constante staatscontrole op de betrokken bedragen, heeft het Gerecht in de punten 93 en 94 van het bestreden arrest vastgesteld dat de Commissie in het litigieuze besluit niet is nagegaan of aan dit criterium is voldaan, maar dat deze omstandigheid geen onjuiste rechtsopvatting oplevert, aangezien de twee betrokken criteria alternatief zijn. Het Gerecht heeft hoe dan ook in punt 98 van dat arrest geoordeeld dat in casu niet aan dit tweede criterium is voldaan.
32 In de derde plaats heeft het Gerecht in de punten 101 tot en met 117 van het bestreden arrest geoordeeld dat de Commissie in casu ten onrechte heeft vastgesteld dat de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 13 maart 2001, PreussenElektra (C‑379/98, EU:C:2001:160), niet van toepassing is op grond van het feit dat de CHP-steunmaatregelen geen „eenvoudige prijsregulering” in de zin van dat arrest vormen.
33 Na te hebben geconcludeerd dat de CHP-steunmaatregelen niet met staatsmiddelen zijn gefinancierd, heeft het Gerecht in de punten 119 tot en met 126 van het bestreden arrest geoordeeld dat de maximering van de KWKG-heffing ten gunste van waterstofproducenten evenmin kan worden gelijkgesteld met een afstand van staatsmiddelen.
34 Op basis van deze motivering heeft het Gerecht het enige middel van de Bondsrepubliek Duitsland toegewezen en het litigieuze besluit nietig verklaard.
Conclusies van partijen
35 Met zijn hogere voorziening verzoekt de Commissie het Hof:
– het bestreden arrest te vernietigen;
– het beroep in eerste aanleg ongegrond te verklaren;
– subsidiair:
– het bestreden arrest te vernietigen voor zover het betrekking heeft op de in overweging 198, punten a) tot en met d), van het litigieuze besluit bedoelde maatregelen, te weten de CHP-steunmaatregelen;
– het beroep in eerste aanleg ongegrond te verklaren, en
– de Bondsrepubliek Duitsland te verwijzen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en van de hogere voorziening.
36 De Bondsrepubliek Duitsland verzoekt het Hof:
– de hogere voorziening af te wijzen en
– de Commissie te verwijzen in de kosten.
Hogere voorziening
37 Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert de Commissie één middel aan, namelijk dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van het begrip „staatsmiddelen” in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU en bij de juridische kwalificatie van de feiten.
38 Dit middel bestaat uit twee onderdelen. Volgens het eerste onderdeel heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van de financiële last van de CHP-steunmaatregelen. Volgens het tweede onderdeel heeft het de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 13 maart 2001, PreussenElektra (C‑379/98, EU:C:2001:160), onjuist toegepast.
Eerste onderdeel van het enige middel
Argumenten van partijen
39 In het eerste onderdeel betoogt de Commissie dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de door de distributienetbeheerders gedragen financiële last van de CHP-steunmaatregelen geen belasting of andere verplichte heffing in de zin van de rechtspraak van het Hof vormt en dat bijgevolg in casu geen staatsmiddelen zijn ingezet.
40 Zij betoogt dat het Gerecht zich in dit verband heeft gebaseerd op drie beoordelingen, die alle blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting.
41 In de eerste plaats heeft het Gerecht volgens de Commissie in de punten 65 tot en met 70 en punt 89 van het bestreden arrest geoordeeld dat bij de vaststelling dat er sprake is van staatsmiddelen elke verwarring tussen het gebruik en de herkomst van de middelen dient te worden voorkomen. De persoon die een verplichte heffing verschuldigd is, moet dus worden onderscheiden van degene die de steun verschuldigd is en die uit dien hoofde de met een dergelijke heffing overeenkomende bedragen aan de begunstigde betaalt. Volgens het Gerecht is er geen sprake van staatsmiddelen, aangezien in casu één enkele persoon beide hoedanigheden heeft: elke distributienetbeheerder is de KWKG-heffing verschuldigd en is tevens verantwoordelijk voor de betaling van de KWKG-steun aan de begunstigden van de CHP-steunmaatregelen.
42 De Commissie is daarentegen van mening dat niets in artikel 107, lid 1, VWEU of de door het Gerecht aangehaalde rechtspraak de eis rechtvaardigt dat er een driehoeksverhouding bestaat tussen degene die de heffing verschuldigd is, degene die verantwoordelijk is voor de betaling van de steun en degene die de steun ontvangt. Volgens haar is alleen het bestaan van een verplichte heffing doorslaggevend.
43 In de tweede plaats stelt de Commissie dat het Gerecht haar in de punten 71, 72 en 88 van het bestreden arrest heeft verweten dat zij niet heeft aangetoond dat de uit de KWKG-steun voortvloeiende middelen overeenkomstig de nationale wetgeving werden geïnd en beheerd. Het Gerecht ziet hierin volgens haar een aanvullende voorwaarde naast die van het bestaan van een verplichte heffing.
44 De Commissie is daarentegen van mening dat niet hoeft te worden voldaan aan andere criteria, zoals die volgens welke de middelen overeenkomstig de nationale wetgeving dienen te worden beheerd en verdeeld, aangezien het loutere feit dat een belasting of een verplichte heffing verschuldigd is, volstaat om vast te stellen dat er sprake is van staatsmiddelen, met dien verstande dat een belasting ook door particuliere entiteiten kan worden geïnd. In casu is er wel degelijk sprake van een eenzijdig bij wet aan een specifieke categorie van personen opgelegde betalingsverplichting, en dus van een belasting of een verplichte heffing.
45 De vermelding in punt 35 van het arrest van 12 januari 2023, DOBELES HES (C‑702/20 en C‑17/21, EU:C:2023:1), dat de bedragen „overeenkomstig deze wetgeving worden beheerd en verdeeld” houdt verband met de noodzaak om de situatie in de zaak die tot dat arrest heeft geleid te onderscheiden van die in de zaken die hebben geleid tot de arresten van 15 juli 2004, Pearle e.a. (C‑345/02, EU:C:2004:448), en 30 mei 2013, Doux Élevage en Coopérative agricole UKL-ARREE (C‑677/11, EU:C:2013:348). In die zaken hebben de overheidsinstanties enkel een heffing die door een privaatrechtelijke vereniging voor een groep van eveneens privaatrechtelijke entiteiten was ingesteld en werd beheerd, verplicht gesteld. Die situatie is volgens de Commissie niet vergelijkbaar met de onderhavige, aangezien de Duitse Staat de KWKG-steun heeft ingevoerd en alle nodige maatregelen heeft genomen om de betrokken bedragen overeenkomstig de Duitse wetgeving te “beheren en verdelen”. Door het tegendeel te oordelen, heeft het Gerecht ook blijk gegeven van een onjuiste juridische kwalificatie van de feiten.
46 Subsidiair voegt de Commissie daaraan toe dat de eerste twee beoordelingen van het Gerecht hoe dan ook op een andere, in de punten 71 en 72 van het bestreden arrest begane fout berusten, in die zin dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat het mechanisme voor de verdeling van de financiële last tussen de netbeheerders niet als „beheer van middelen” kon worden beschouwd, aangezien het uitsluitend een compensatie van de last tussen netbeheerders tot stand bracht. Volgens de Commissie vloeide de financiële last voor de distributienetbeheerders in werkelijkheid niet voort uit de betaling van de KWKG-steun, die hun door de transmissienetbeheerders werd terugbetaald, maar uit de betaling van de KWKG-heffing die zij aan die laatsten verschuldigd waren. Voorts is het Gerecht voorbijgegaan aan de rol van het BAFA en de BNetzA bij de keuze van de begunstigden van de CHP-steunmaatregelen en de vaststelling van het bedrag van de betalingen overeenkomstig de wet. Een dergelijk mechanisme maakt het dus mogelijk om de financiële last van deze maatregelen te „beheren en verdelen”.
47 Ten slotte merkt de Commissie op dat het Gerecht in de punten 73 tot en met 76 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat zij niet heeft aangetoond dat de distributienetbeheerders daadwerkelijk aan een verplichte heffing waren onderworpen, aangezien zij de heffing op hun afnemers konden afwentelen.
48 Volgens de Commissie is de enkele mogelijkheid om de meerkosten door te berekenen aan derden niet ter zake dienend voor de vaststelling dat er sprake is van staatsmiddelen, zoals blijkt uit het arrest van 28 maart 2019, Duitsland/Commissie (C‑405/16 P, EU:C:2019:268, punten 65‑71).
49 De Bondsrepubliek Duitsland is van mening dat alle argumenten ter ondersteuning van het eerste onderdeel van het enige middel moeten worden afgewezen.
Beoordeling door het Hof
50 Volgens vaste rechtspraak moet voor de kwalificatie als „staatssteun” in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU aan vier voorwaarden zijn voldaan, te weten dat er sprake is van een maatregel van de staat of een „met staatsmiddelen” bekostigde maatregel, dat deze maatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kan beïnvloeden, dat hij de begunstigde ervan een selectief voordeel verschaft en dat hij de mededinging vervalst of dreigt te vervalsen (arrest van 26 september 2024, Covestro Deutschland en Duitsland/Commissie, C‑790/21 P en C‑791/21 P, EU:C:2024:792, punt 146 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
51 Wat de eerste van deze voorwaarden betreft, is het eveneens vaste rechtspraak dat een maatregel kan worden aangemerkt als een maatregel van de staat of een „met staatsmiddelen” bekostigde maatregel indien hij, ten eerste, direct of indirect met staatsmiddelen is bekostigd en, ten tweede, aan een lidstaat kan worden toegerekend (arrest van 26 september 2024, Covestro Deutschland en Duitsland/Commissie, C‑790/21 P en C‑791/21 P, EU:C:2024:792, punt 147 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
52 Wat meer in het bijzonder de voorwaarde betreft dat het voordeel „met staatsmiddelen” is bekostigd, heeft het Hof in zijn rechtspraak twee criteria ontwikkeld aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of middelen waarmee krachtens de nationale wetgeving een tariefvoordeel wordt toegekend, staatsmiddelen in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU vormen (arrest van 26 september 2024, Covestro Deutschland en Duitsland/Commissie, C‑790/21 P en C‑791/21 P, EU:C:2024:792, punt 148 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
53 In de eerste plaats vormen middelen die via een belasting of andere krachtens de nationale wetgeving verplichte heffingen worden geïnd en die overeenkomstig deze wetgeving worden beheerd en verdeeld, „staatsmiddelen” in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU (arrest van 26 september 2024, Covestro Deutschland en Duitsland/Commissie, C‑790/21 P en C‑791/21 P, EU:C:2024:792, punt 149 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In dit verband volstaat de omstandigheid dat de financiële last van de heffing feitelijk wordt gedragen door een bepaalde categorie personen niet om aan te tonen dat de uit deze heffing afkomstige middelen „staatsmiddelen” in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU zijn. Deze heffing moet tevens verplicht zijn op grond van het nationale recht (arrest van 12 januari 2023, DOBELES HES, C‑702/20 en C‑17/21, EU:C:2023:1, punt 36).
54 In de tweede plaats is het feit dat de bedragen constant onder staatscontrole en dus ter beschikking van de bevoegde nationale autoriteiten staan, voldoende om ze als „staatsmiddelen” in de zin van die bepaling aan te merken (arrest van 26 september 2024, Covestro Deutschland en Duitsland/Commissie, C‑790/21 P en C‑791/21 P, EU:C:2024:792, punt 150 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
55 De in de punten 53 en 54 van het onderhavige arrest genoemde criteria vormen alternatieve criteria op basis waarvan kan worden vastgesteld of een maatregel „met staatsmiddelen” is bekostigd in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU (arrest van 26 september 2024, Covestro Deutschland en Duitsland/Commissie, C‑790/21 P en C‑791/21 P, EU:C:2024:792, punt 151 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
56 Hieruit volgt dat aan de hand van twee alternatieve voorwaarden kan worden aangetoond dat de middelen staatsmiddelen in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU zijn. Volgens de eerste voorwaarde moet er een verplichte heffing zijn ten laste van de eindverbruikers of eindafnemers; volgens de tweede voorwaarde moet de staat controle uitoefenen over het beheer van de regeling en met name over de middelen of de beheerders van die middelen (zie in die zin arrest van 26 september 2024, Covestro Deutschland en Duitsland/Commissie, C‑790/21 P en C‑791/21 P, EU:C:2024:792, punt 152).
57 Uit punt 93 van het bestreden arrest, waartegen in het kader van de hogere voorziening niet wordt opgekomen, blijkt dat de Commissie in het litigieuze besluit enkel het eerste van deze twee criteria heeft toegepast. Na in de punten 56 tot en met 90 van het bestreden arrest dit eerste criterium te hebben onderzocht, is het Gerecht in de punten 91 tot en met 100 van dat arrest weliswaar niettemin nagegaan of in casu was voldaan aan het tweede van de in punt 56 van het onderhavige arrest genoemde criteria, maar heeft het geoordeeld dat aan geen van deze criteria was voldaan. Aangezien het eerste onderdeel van het enige middel echter enkel betrekking heeft op de analyse die het Gerecht in de punten 65 tot en met 89 van het bestreden arrest heeft verricht, is in het kader van dit onderdeel alleen het eerste van die criteria aan de orde.
58 Wat de argumenten ter ondersteuning van dit onderdeel betreft, moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat, voor zover de Commissie met haar eerste grief in wezen aanvoert dat het Gerecht in de punten 65 tot en met 70 en 89 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de vaststelling dat er sprake is van staatsmiddelen vereist dat er een „driehoeksverhouding” bestaat tussen degene die de heffing verschuldigd is, de verantwoordelijke voor de betaling van de steun en de begunstigde ervan, kan worden volstaan met de opmerking dat deze bewoordingen weliswaar, zoals blijkt uit punt 47 van dat arrest, door de Bondsrepubliek Duitsland in het kader van haar beroep in eerste aanleg zijn gebruikt, maar door het Gerecht niet zijn overgenomen in die betwiste punten van het bestreden arrest. Deze grief mist dus feitelijke grondslag.
59 Met deze grief voert de Commissie echter ook aan dat het bestaan van een verplichte heffing bepalend is om te kunnen spreken van „staatsmiddelen” in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, en verwijt zij het Gerecht dat het heeft geoordeeld dat de verplichte toewijzing van middelen van een categorie particuliere marktdeelnemers aan een andere categorie particuliere marktdeelnemers niet volstaat om aan te tonen dat staatsmiddelen zijn ingezet.
60 In dit verband moet worden opgemerkt dat het Gerecht in punt 64 van het bestreden arrest terecht heeft herinnerd aan de in punt 53 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak volgens welke middelen slechts als „staatsmiddelen” in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU kunnen worden aangemerkt indien zij met name afkomstig zijn uit belastingen of andere krachtens de nationale wetgeving verplichte heffingen.
61 Het Gerecht heeft dit beginsel op het onderhavige geval toegepast en daarbij in de punten 67 en 70 van het bestreden arrest geoordeeld dat de Commissie zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de op de netbeheerders rustende verplichting om de KWKG-steun te betalen aan de begunstigden van de CHP-steunmaatregelen, volstond om vast te stellen dat er sprake was van een belasting of een andere verplichte heffing waaruit zou blijken dat staatsmiddelen werden ingezet. Het heeft verduidelijkt dat op basis van deze omstandigheid enkel kan worden vastgesteld dat de middelen in overeenstemming met de wet zijn toegewezen, zonder dat hieruit blijkt waar de middelen vandaan komen die de netbeheerders gebruiken om hun verplichtingen na te komen. Ter onderbouwing van deze vaststelling heeft het Gerecht in de punten 68 en 69 van het bestreden arrest verwezen naar het criterium van de doorberekening van de uit de toewijzing van de middelen voortvloeiende financiële last aan een derde, teneinde de herkomst van de betrokken middelen vast te stellen en op basis hiervan te bepalen of er eventueel staatsmiddelen zijn ingezet.
62 Het Hof heeft reeds geoordeeld dat het voor de vaststelling dat er staatsmiddelen worden ingezet niet volstaat dat de netbeheerders de meerkosten die het gevolg zijn van hun verplichting om elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen tegen de bij wet vastgestelde tarieven af te nemen, doorberekenen in de verkoopprijs van elektriciteit aan hun eindafnemers, wanneer deze compensatie enkel voortvloeit uit een praktijk en niet uit een wettelijke verplichting (zie in die zin arresten van 28 maart 2019, Duitsland/Commissie, C‑405/16 P, EU:C:2019:268, punten 70 en 71, en 12 januari 2023, DOBELES HES, C‑702/20 en C‑17/21, EU:C:2023:1, punt 37).
63 Overigens is in de rechtspraak in wezen altijd rekening gehouden met het bestaan van een verplichte heffing die wordt gedragen door de eindverbruikers van elektriciteit op het „tweede niveau” van de elektriciteitstoeleveringsketen, waarmee de middelen worden gefinancierd die worden gebruikt voor de toekenning van steun op het „eerste niveau” van die keten, zoals de advocaat-generaal in de punten 66 en 67 van zijn conclusie heeft opgemerkt. Deze verplichte heffing is met name in aanmerking genomen in de arresten van 17 juli 2008, Essent Netwerk Noord e.a. (C‑206/06, EU:C:2008:413, punt 66); 19 december 2013, Association Vent De Colère! e.a. (C‑262/12, EU:C:2013:851, punten 22‑24); 28 maart 2019, Duitsland/Commissie (C‑405/16 P, EU:C:2019:268, punten 64‑71); 15 mei 2019, Achema e.a. (C‑706/17, EU:C:2019:407, punten 57 en 64); 12 januari 2023, DOBELES HES (C‑702/20 en C‑17/21, EU:C:2023:1, punten 30, 36 en 37); 7 maart 2024, Fallimento Esperia en GSE (C‑558/22, EU:C:2024:209, punten 76 en 77); 26 september 2024, Covestro Deutschland en Duitsland/Commissie (C‑790/21 P en C‑791/21 P, EU:C:2024:792, punt 178), en 26 september 2024, WEPA Hygieneprodukte e.a./Commissie (C‑795/21 P en C‑796/21 P, EU:C:2024:807, punt 124).
64 Uit de in de punten 62 en 63 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak blijkt dat de aan de begunstigde verleende steun, om als staatssteun te kunnen worden aangemerkt, ten laste moet komen van de staatsbegroting, hetgeen veronderstelt dat er een voldoende rechtstreekse band bestaat tussen die steun en een vermindering van die begroting, of een voldoende concreet economisch risico dat die begroting zal worden belast. Vanuit deze optiek heeft het Hof ook geoordeeld dat voor entiteiten die losstaan van de overheid en die verplicht zijn elektriciteit af te nemen, het beslissende element in dit verband is dat zij door de staat zijn belast met het beheer van staatsmiddelen, en niet dat zij louter verplicht zijn om met hun eigen financiële middelen aankopen te doen (zie in die zin arrest van 28 maart 2019, Duitsland/Commissie, C‑405/16 P, EU:C:2019:268, punten 58‑60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
65 Hieruit volgt dat bij gebreke van enige verplichte doorberekening aan de eindafnemers van de financiële last die overeenkomt met een door de netbeheerders verschuldigde toeslag op de verkoopprijs van elektriciteit, niet kan worden geoordeeld dat de middelen waaruit deze toeslag wordt gefinancierd afkomstig zijn van een belasting of een andere verplichte heffing en dus staatsmiddelen vormen in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU.
66 In casu blijkt uit de vaststellingen van het Gerecht in punt 60 van het bestreden arrest dat de Commissie niet betwist dat de distributienetbeheerders, die verplicht zijn de KWKG-steun te betalen aan de begunstigden van de betrokken maatregelen, weliswaar het recht hebben om de daaruit voortvloeiende financiële last, die overeenkomt met de KWKG-heffing, door te berekenen aan hun eindafnemers, maar daartoe juridisch niet verplicht zijn. In die omstandigheden heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie niet heeft aangetoond dat de CHP-steunmaatregelen de inzet van staatsmiddelen in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU inhielden.
67 Bijgevolg zijn de tegen de punten 65 tot en met 70 en 89 van het bestreden arrest gerichte argumenten ter ondersteuning van de eerste grief van het eerste onderdeel van het enige middel van de Commissie ongegrond.
68 Wat in de tweede plaats de tweede grief van de Commissie betreft, die is gericht tegen de punten 71, 72 en 88 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht in wezen heeft geoordeeld dat het voor de kwalificatie van middelen als staatsmiddelen niet volstaat dat zij worden gefinancierd door een belasting of andere krachtens de nationale wetgeving verplichte heffingen, maar dat deze middelen eveneens overeenkomstig die wetgeving moeten worden beheerd en verdeeld, kan worden volstaan met de vaststelling dat deze grief niet ter zake dienend is.
69 Overeenkomstig de in punt 53 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, waarnaar het Gerecht terecht heeft verwezen in de punten 57 en 64 van het bestreden arrest, komt het criterium dat de betrokken middelen overeenkomstig de nationale wetgeving moeten worden beheerd en verdeeld immers boven op het criterium dat deze middelen afkomstig moeten zijn uit een belasting of andere verplichte heffingen. In dit verband geeft de Commissie een onjuiste lezing van punt 35 van het arrest van 12 januari 2023, DOBELES HES (C‑702/20 en C‑17/21, EU:C:2023:1), wanneer zij stelt dat de vermelding van het eerste van deze criteria enkel beoogt de situatie in dat arrest te onderscheiden van de situatie die aan de orde was in de in punt 45 van het onderhavige arrest genoemde arresten, aangezien uit dat arrest van 12 januari 2023 geen enkele beperking in die zin valt af te leiden. Dit criterium is overigens reeds in het arrest van 2 juli 1974, Italië/Commissie (173/73, EU:C:1974:71, punt 35), vastgesteld als autonoom criterium om te kunnen spreken van de inzet van staatsmiddelen, naast het criterium van de herkomst van de betrokken middelen.
70 Uit de punten 58 tot en met 66 van het onderhavige arrest blijkt dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de middelen waarmee de litigieuze maatregelen zijn gefinancierd, geen verplichte heffing vormen.
71 Zelfs indien het Gerecht blijk zou hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van het criterium dat de middelen die door een verplichte heffing zijn gegenereerd, overeenkomstig de nationale wetgeving moeten worden beheerd en verdeeld, zou een dergelijke fout dus geen gevolgen hebben voor de gegrondheid van de vaststelling dat er in casu geen sprake is van een dergelijke heffing.
72 Om dezelfde redenen faalt ook het in punt 46 van het onderhavige arrest uiteengezette subsidiaire betoog van de Commissie dat het Gerecht in wezen het criterium dat de middelen overeenkomstig de nationale wetgeving moeten worden beheerd en verdeeld, onjuist heeft toegepast.
73 Wat in de derde plaats de derde grief van de Commissie betreft, die betrekking heeft op de punten 73 tot en met 76 van het bestreden arrest, kan worden volstaan met de opmerking dat uit de analyse van de eerste grief van het onderhavige onderdeel van het enige middel blijkt dat de verplichte doorberekening van de financiële last van de CHP-steunmaatregelen wel degelijk relevant is voor de beoordeling of er sprake was van staatsmiddelen. In het bijzonder volgt uit punt 62 van het onderhavige arrest dat de Commissie het arrest van 28 maart 2019, Duitsland/Commissie (C‑405/16 P, EU:C:2019:268), onjuist leest wanneer zij stelt dat het Hof daarin heeft geoordeeld dat de enkele mogelijkheid om de meerkosten door te berekenen aan derden irrelevant is voor de vraag of staatsmiddelen worden ingezet. Deze grief is bijgevolg ongegrond.
74 Gelet op het voorgaande moet het eerste onderdeel van het enige middel van de hogere voorziening worden afgewezen.
Tweede onderdeel van het enige middel
Argumenten van partijen
75 Met het tweede onderdeel van het enige middel, dat subsidiair is aangevoerd, betoogt de Commissie dat het Gerecht in de punten 101 tot en met 117 van het bestreden arrest de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 13 maart 2001, PreussenElektra (C‑379/98, EU:C:2001:160), onjuist heeft toegepast.
76 Om te beginnen is de Commissie van mening dat het Hof in deze rechtspraak louter heeft geoordeeld dat alleen gevallen waarin de staat ingrijpt door de marktprijzen te reguleren – bijvoorbeeld door minimumprijzen, gereguleerde prijzen of minimale aankoopvolumes vast te stellen – geen aanleiding geven tot de inzet van staatsmiddelen. In casu voorziet het KWKG 2020 echter niet in een dergelijke prijsregulering. De netbeheerders zijn immers verplicht de KWKG-steun te betalen aan de begunstigden van de CHP-steunmaatregelen die op hun net zijn aangesloten, ongeacht of zij elektriciteit afnemen. De staat legt dus rechtstreekse betalingsverplichtingen op tussen particuliere partijen, zonder dat deze verplichtingen op enige contractuele verhouding berusten.
77 Voorts zou een ruime uitlegging van de in die rechtspraak bedoelde uitzondering er volgens de Commissie op neerkomen dat een lidstaat die aan particuliere marktdeelnemers betalingsverplichtingen oplegt, om het even welke industriële sector of specifieke onderneming zou kunnen ondersteunen.
78 Ten slotte herinnert de Commissie aan de rechtspraak die met name voortvloeit uit het arrest van 11 augustus 1995, Dubois en Général cargo services (C‑16/94, EU:C:1995:268, punten 15 en 21), en die betrekking heeft op het begrip „belasting” in de zin van de artikelen 30 en 110 VWEU. Volgens haar kan uit deze rechtspraak worden afgeleid dat het bepalende element is of de betaling de tegenprestatie vormt voor een bepaalde dienst die daadwerkelijk en individueel aan de marktdeelnemer is verleend, in welk geval die betaling niet onder het begrip „belasting” valt, dan wel of zij dient ter financiering van de uitvoering van een openbare dienst, in welk geval zij daar wel onder valt. In een dergelijke context is de particuliere herkomst van de middelen, waarop het Gerecht zich baseert, niet relevant, aangezien elke vorm van heffing gebruikmaakt van particuliere middelen. In dit verband beroept de Commissie zich tevens op het arrest van 28 maart 2019, Duitsland/Commissie (C‑405/16 P, EU:C:2019:268), dat volgens haar door het Gerecht in punt 111 van het bestreden arrest onjuist is uitgelegd, en op het arrest van 7 maart 2024, Fallimento Esperia en GSE (C‑558/22, EU:C:2024:209), waarin volgens haar wordt bevestigd dat de situatie waarin sprake is van een „afnameverplichting” moet worden onderscheiden van die waarin de staat een betalingsverplichting oplegt, die in feite een verplichte heffing is.
79 De Bondsrepubliek Duitsland betwist dit betoog.
Beoordeling door het Hof
80 Ter beoordeling van dit onderdeel van het enige middel moet eraan worden herinnerd dat het Hof in punt 59 van het arrest van 13 maart 2001, PreussenElektra (C-379/98, EU:C:2001:160), heeft vastgesteld dat de aan particuliere elektriciteitsbedrijven opgelegde verplichting om tegen vastgestelde minimumprijzen elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen af te nemen, geen enkele rechtstreekse of zijdelingse overdracht van staatsmiddelen aan de producenten van dit soort elektriciteit met zich meebrengt. In de punten 60 en 61 van dat arrest heeft het Hof hier in wezen uit afgeleid dat het feit dat de afnameverplichting bij wet is opgelegd en aan bepaalde ondernemingen een onbetwistbaar voordeel verleent, bij gebreke van een dergelijke overdracht van staatsmiddelen geen grond is om die verplichting te kwalificeren als een steunmaatregel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU.
81 Om te beginnen kan dus worden volstaan met de opmerking dat het Gerecht, anders dan de Commissie stelt, in de punten 105 tot en met 108 van het bestreden arrest in wezen terecht heeft overwogen dat het Hof niet heeft geoordeeld dat alleen een door de wettelijke regeling van een lidstaat opgelegde prijsregeling niet als staatssteun kan worden aangemerkt. In werkelijkheid heeft het Hof enkel aangegeven dat het feit dat aan particuliere elektriciteitsbedrijven de verplichting wordt opgelegd om tegen vastgestelde minimumprijzen elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen af te nemen, geen staatssteun vormt wanneer deze verplichting niet leidt tot een directe of indirecte overdracht van staatsmiddelen aan de ondernemingen die dit soort elektriciteit produceren.
82 In de zaak die heeft geleid tot het arrest van 13 maart 2001, PreussenElektra (C‑379/98, EU:C:2001:160), werd de betaling die voortvloeide uit het verschil tussen de marktprijs en de bij wet opgelegde minimumprijs namelijk niet gefinancierd met staatsmiddelen, maar gedekt door de eigen financiële middelen van de betrokken elektriciteitsbedrijven, aangezien deze last uitsluitend werd verdeeld over die ondernemingen en de particuliere toeleverende netexploitanten.
83 Uit de analyse van het eerste onderdeel van het onderhavige enige middel volgt dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat dit ook in de onderhavige zaak het geval is.
84 Hieruit volgt dat het Gerecht evenmin blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 112 van het bestreden arrest te oordelen dat de Commissie, om vast te stellen dat de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 13 maart 2001, PreussenElektra (C‑379/98, EU:C:2001:160), niet van toepassing is, los van de vraag of de CHP-steunmaatregelen al dan niet een „eenvoudige prijsregulering” vormden, moest aantonen dat het voordeel voor de begunstigden van die maatregelen niet door de netbeheerders – die particuliere entiteiten zijn – met hun eigen financiële middelen was toegekend. Het Gerecht heeft evenmin blijk gegeven van een onjuiste opvatting door in punt 114 van het bestreden arrest te oordelen dat de netbeheerders hun eigen financiële middelen gebruiken om de in het KWKG 2020 vastgestelde bedragen toe te kennen aan de begunstigden van de CHP-steunmaatregelen in de zin van de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 13 maart 2001, PreussenElektra (C‑379/98, EU:C:2001:160), aangezien de Commissie niet heeft aangetoond dat is voldaan aan een van de in de punten 53 en 54 van het onderhavige arrest genoemde alternatieve criteria.
85 Hieruit volgt voorts dat de grief dat de volgens de Commissie uit deze rechtspraak voortvloeiende uitzondering restrictief moet worden uitgelegd, eveneens ongegrond is. Zoals reeds blijkt uit punt 80 van het onderhavige arrest, heeft het Hof in het arrest van 13 maart 2001, PreussenElektra (C‑379/98, EU:C:2001:160), immers geen uitzondering ingevoerd, maar enkel artikel 107, lid 1, VWEU uitgelegd, met name het in die bepaling gestelde vereiste dat, zoals in punt 50 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, de kwalificatie als „staatssteun” met name veronderstelt dat er sprake is van een maatregel van de staat of een „met staatsmiddelen” bekostigde maatregel.
86 Voor zover deze uitlegging volgens de Commissie erop neerkomt dat een lidstaat die aan particuliere marktdeelnemers betalingsverplichtingen zou opleggen, om het even welke industriële sector of specifieke onderneming zou kunnen ondersteunen, kan worden volstaan met de opmerking dat volgens vaste rechtspraak alleen voordelen die rechtstreeks of zijdelings met staatsmiddelen worden bekostigd, als staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU worden beschouwd. Het in deze bepaling gemaakte onderscheid tussen „steunmaatregelen van de staten” en „steunmaatregelen die met staatsmiddelen worden bekostigd”, betekent namelijk niet dat alle door een staat verleende voordelen steunmaatregelen zijn, ongeacht of zij met staatsmiddelen worden bekostigd, maar wil alleen zeggen dat het begrip „steunmaatregel” zowel ziet op de voordelen die rechtstreeks door de staat worden toegekend, als op die welke worden toegekend door een publiek- of privaatrechtelijk lichaam dat door de staat is ingesteld of aangewezen om de steun te beheren (arresten van 13 maart 2001, PreussenElektra, C‑379/98, EU:C:2001:160, punt 58, en 27 januari 2022, Fondul Proprietatea, C‑179/20, EU:C:2022:58, punt 91).
87 Wat ten slotte de relevantie betreft van de rechtspraak waarop de Commissie zich baseert, moet ten eerste worden opgemerkt dat het Hof in het arrest van 11 augustus 1995, Dubois en Général cargo services (C‑16/94, EU:C:1995:268), niet werd verzocht om artikel 107 VWEU uit te leggen, maar om te beoordelen of een last die op goederen drukt omdat zij de grens overschrijden, al dan niet valt onder het verbod van de artikelen van het EG-Verdrag die door de artikelen 28 en 30 VWEU zijn vervangen. Bovendien heeft het Hof in punt 21 van dat arrest weliswaar geoordeeld dat laatstgenoemde bepalingen van toepassing zijn op een „doorgangsheffing” die dient ter vergoeding van de kosten die door een particuliere onderneming zijn gemaakt om een openbare dienst te vervullen, maar in casu is noch de KWKG-steun, noch de KWKG-heffing bedoeld om op het eerste niveau van de elektriciteitstoeleveringsketen de kosten te compenseren die voortvloeien uit de vervulling van een openbare dienst. Bijgevolg beroept de Commissie zich tevergeefs op dat arrest om aan te tonen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat zij niet heeft aangetoond dat de CHP-steunmaatregelen met staatsmiddelen werden bekostigd.
88 Wat ten tweede het arrest van 28 maart 2019, Duitsland/Commissie (C‑405/16 P, EU:C:2019:268), betreft, kan worden volstaan met de vaststelling dat dit arrest, zoals de advocaat-generaal in wezen heeft opgemerkt in de punten 108 en 109 van zijn conclusie, geen overwegingen bevat op grond waarvan kan worden geoordeeld dat alleen het bestaan van een marktprijsregeling in het kader van een wederkerige verhouding tussen particulieren de vaststelling rechtvaardigt dat er geen staatsmiddelen worden ingezet.
89 Ten derde geldt hetzelfde voor het arrest van 7 maart 2024, Fallimento Esperia en GSE (C‑558/22, EU:C:2024:209). Zoals blijkt uit de punten 74 tot en met 77 van dat arrest, kon namelijk worden vastgesteld dat staatsmiddelen waren ingezet, omdat een entiteit die met de staat kon worden gelijkgesteld het overschot aan groenestroomcertificaten die aan de orde waren in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, had gekocht met de inkomsten uit een tariefcomponent die door de nationale wettelijke regeling aan de elektriciteitsverbruikers was opgelegd en aan die entiteit was overgemaakt voor de aankoop van die certificaten.
90 Gelet op het voorgaande is ook het tweede onderdeel van het enige middel ongegrond, zodat de hogere voorziening in haar geheel moet worden afgewezen.
Kosten
91 Volgens artikel 184, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is.
92 Ingevolge artikel 138, lid 1, van dat Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen voor zover dit is gevorderd.
93 Aangezien het enige middel van de Commissie is verworpen, dient zij overeenkomstig de vordering van de Bondsrepubliek Duitsland te worden verwezen in haar eigen kosten alsook in de kosten die de Bondsrepubliek Duitsland in het kader van de onderhavige hogere voorziening heeft gemaakt.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) De Europese Commissie wordt verwezen in haar eigen kosten alsook in de kosten die de Bondsrepubliek Duitsland in het kader van de onderhavige hogere voorziening heeft gemaakt.
ondertekeningen
* Procestaal: Duits.