ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
29 januari 2026 ( *1 )
[Zoals gerectificeerd bij beschikking van 19 maart 2026]
„Prejudiciële verwijzing – Douane-unie – Verordening (EEG) nr. 2913/92 – Communautair douanewetboek – Verordening (EU) nr. 952/2013 – Douanewetboek van de Unie – Invoer van goederen – Douanewaarde – Onderwaardering – Bijkomende methoden voor de vaststelling van de douanewaarde – Methode gebaseerd op de ‚laagste aanvaardbare prijs’, berekend op basis van geaggregeerde statistische waarden die op het niveau van de Europese Unie zijn vastgesteld – Toelaatbaarheid”
In de gevoegde zaken C‑72/24 [Keladis I] en C‑73/24 [Keladis II] ( i ),
betreffende verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Dioikitiko Protodikeio Thessalonikis (bestuursrechter in eerste aanleg Thessaloniki, Griekenland) bij beslissingen van 30 november 2023, ingekomen bij het Hof op 30 januari 2024, in de procedures
HF (C‑72/24),
WI (C‑73/24)
tegen
Anexartiti Archi Dimosion Esodon,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, kamerpresident, M. Condinanzi en R. Frendo (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: R. Norkus,
griffier: L. Carrasco Marco, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 29 januari 2025,
gelet op de opmerkingen van:
|
– |
[Zoals gerectificeerd bij beschikking van 19 maart 2026] HF en WI, vertegenwoordigd door A. N. Masouras, R. K. Ntanis en Th. Tsiatsios, dikigoroi, |
|
– |
Anexartiti Archi Dimosion Esodon, vertegenwoordigd door E. Giannakoulopoulou en I. Reïzakis als gemachtigden, |
|
– |
de Griekse regering, vertegenwoordigd door V. Baroutas, K. Georgiadis en K. Konsta als gemachtigden, |
|
– |
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek, L. Halajová en J. Vláčil als gemachtigden, |
|
– |
de Spaanse regering, vertegenwoordigd door S. Núñez Silva als gemachtigde, |
|
– |
de Franse regering, vertegenwoordigd door P. Chansou en B. Travard als gemachtigden, |
|
– |
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Herold, F. Moro en I. Zervas als gemachtigden, |
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 mei 2025,
het navolgende
Arrest
|
1 |
De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van de artikelen 29 tot en met 31 en 81 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB 1992, L 302, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 82/97 van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 1996 (PB 1997, L 17, blz. 1) (hierna: „CDW”), de artikelen 150 tot en met 153 en 181 bis van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening [nr. 2913/92] van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB 1993, L 253, blz. 1, met rectificatie in PB 1994, L 268, blz. 32), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 3254/94 van de Commissie van 19 december 1994 (PB 1994, L 346, blz. 1) (hierna: „uitvoeringsverordening van het CDW”), de artikelen 70 tot en met 74 en 177 van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB 2013, L 269, blz. 1; hierna: „DWU”), de artikelen 141 tot en met 143 en artikel 144, lid 2, onder f), van uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van verordening [nr. 952/2013] van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB 2015, L 343, blz. 558; hierna: „uitvoeringsverordening van het DWU”), en artikel 7, lid 2, onder f), van de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel 1994 (PB 1994, L 336, blz. 119), opgenomen in bijlage 1 A bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) (PB 1994, L 336, blz. 3), ondertekend te Marrakesh en goedgekeurd bij besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde (1986‑1994) voortvloeiende overeenkomsten (PB 1994, L 336, blz. 1). |
|
2 |
Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van gedingen tussen enerzijds twee natuurlijke personen, namelijk HF (zaak C‑72/24), eigenaar van een textielbedrijf in Grevena (Griekenland), en WI (zaak C‑73/24), werknemer van een groothandel in de textielsector, en anderzijds de Anexartiti Archi Dimosion Esodon (onafhankelijke autoriteit voor overheidsinkomsten, Griekenland). Het gaat om een aantal naheffingsaanslagen betreffende de belasting over de toegevoegde waarde (btw) op invoer van textielproducten uit Turkije. |
Toepasselijke bepalingen
Internationaal recht
|
3 |
Artikel 7 van de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel 1994 bepaalt: „1. Indien de douanewaarde van de ingevoerde goederen niet met toepassing van de artikelen 1 tot en met 6 kan worden vastgesteld, wordt deze waarde vastgesteld met redelijke middelen die verenigbaar zijn met de beginselen en algemene bepalingen van de onderhavige Overeenkomst en van artikel VII van [de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel] 1994 en op basis van de in het land van invoer beschikbare gegevens. 2. De uit hoofde van dit artikel vastgestelde douanewaarde is niet gebaseerd op: [...]
[...]” |
Unierecht
CDW
|
4 |
Artikel 6, lid 3, CDW bepaalde: „De schriftelijk genomen beschikkingen waarbij verzoeken niet worden ingewilligd of die ongunstige gevolgen hebben voor de personen tot wie zij zijn gericht, worden door de douaneautoriteiten met redenen omkleed. In deze beschikkingen dient melding te worden gemaakt van de mogelijkheid tot beroep als bedoeld in artikel 243.” |
|
5 |
Artikel 29, lid 1, van dit wetboek luidde: „1. De douanewaarde van ingevoerde goederen is de transactiewaarde van die goederen, dat wil zeggen de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs indien zij voor uitvoer naar het douanegebied van de [Europese] Gemeenschap worden verkocht, [...].” |
|
6 |
Artikel 30 van dat wetboek was als volgt verwoord: „1. Indien de douanewaarde niet met toepassing van artikel 29 kan worden vastgesteld, dient achtereenvolgens te worden nagegaan welke van de punten a), b), c) en d) van lid 2 van toepassing is. De douanewaarde dient in dit geval te worden vastgesteld met toepassing van het eerste punt dat die vaststelling mogelijk maakt, behoudens wanneer op verzoek van de aangever de volgorde van de punten c) en d) dient te worden omgekeerd. Slechts indien de douanewaarde niet met toepassing van een bepaald punt kan worden vastgesteld, mag het onmiddellijk daaropvolgende punt worden toegepast, in de krachtens dit lid vastgestelde volgorde. 2. De met toepassing van dit artikel vastgestelde douanewaarden zijn:
3. De aanvullende voorwaarden en uitvoeringsbepalingen van lid 2 worden vastgesteld volgens de procedure van het Comité.” |
|
7 |
Artikel 31 van dat wetboek bepaalde: „1. Indien de douanewaarde van de ingevoerde goederen niet met toepassing van de artikelen 29 en 30 kan worden vastgesteld, wordt zij aan de hand van de in de Gemeenschap beschikbare gegevens vastgesteld met gebruikmaking van redelijke middelen die in overeenstemming zijn met de beginselen en de algemene bepalingen van:
en
2. De met toepassing van lid 1 vastgestelde douanewaarde berust niet op: [...]
|
|
8 |
Artikel 78 CDW was als volgt geformuleerd: „1. De douaneautoriteiten kunnen na de vrijgave van de goederen ambtshalve of op verzoek van de aangever tot herziening van de aangifte overgaan. 2. De douaneautoriteiten kunnen, na de goederen te hebben vrijgegeven en teneinde zich van de juistheid van de vermeldingen in de aangifte te vergewissen, overgaan tot een controle van de handelsdocumenten en -gegevens aangaande de in‑ of uitvoertransacties ten aanzien van de betrokken goederen en aangaande de handelstransacties die later in verband met deze goederen plaatsvinden. Deze controles kunnen worden uitgeoefend bij de aangever en bij elke persoon die beroepshalve direct of indirect bij de genoemde transacties is betrokken, alsmede bij elke andere persoon die beroepshalve over de genoemde documenten en gegevens beschikt. De douaneautoriteiten kunnen eveneens overgaan tot het onderzoek van de goederen wanneer deze nog kunnen worden aangebracht. 3. Indien uit de herziening van de aangifte of uit de controles achteraf blijkt dat de bepalingen die voor de betrokken douaneregeling gelden, op grond van onjuiste of onvolledige gegevens zijn toegepast, nemen de douaneautoriteiten, met inachtneming van de eventueel vastgestelde bepalingen, de nodige maatregelen om een en ander recht te zetten, rekening houdend met de nieuwe gegevens waarover zij beschikken.” |
|
9 |
Artikel 81 van dit wetboek luidde: „Indien een zending bestaat uit goederen waarvan de tariefindeling verschillend is en voor het opstellen van de aangifte van elk dezer goederen volgens zijn tariefindeling werk en kosten zou meebrengen die in geen verhouding staan tot het bedrag van de verschuldigde rechten bij invoer, kunnen de douaneautoriteiten er op verzoek van de aangever mee instemmen dat de gehele zending wordt aangegeven als goederen die aan het hoogste recht bij invoer zijn onderworpen.” |
|
10 |
Artikel 221, lid 1, van dat wetboek bepaalde: „Het bedrag van de rechten dient onmiddellijk na de boeking op een daartoe geëigende wijze aan de schuldenaar te worden medegedeeld.” |
Uitvoeringsverordening van het CDW
|
11 |
Artikel 142, lid 1, onder c) en d), van de uitvoeringsverordening van het CDW was verwoord als volgt: „In de zin van deze titel wordt verstaan onder: [...]
|
|
12 |
Artikel 150, lid 1, van de uitvoeringsverordening van het CDW bepaalde: „Voor de toepassing van artikel 30, lid 2, onder a), [CDW] (de transactiewaarde van identieke goederen) wordt de douanewaarde vastgesteld op basis van de transactiewaarde van identieke goederen die zijn verkocht op hetzelfde handelsniveau en in nagenoeg dezelfde hoeveelheid als de goederen waarvan de waarde wordt bepaald. Indien een dergelijke verkoop niet wordt vastgesteld, wordt gebruikgemaakt van de transactiewaarde van identieke goederen die zijn verkocht op een verschillend handelsniveau en/of in verschillende hoeveelheden, aangepast teneinde rekening te houden met verschillen in handelsniveau en/of hoeveelheid, mits dergelijke aanpassingen kunnen worden gegrond op bewijzen waaruit duidelijk blijkt dat zij redelijk en exact zijn en daargelaten of daaruit een verhoging of een verlaging van de waarde voortvloeit.” |
|
13 |
In artikel 151, leden 1 en 5, van deze verordening was het volgende opgenomen: „1. Voor de toepassing van artikel 30, lid 2, onder b), [CDW] (de transactiewaarde van soortgelijke goederen) wordt de douanewaarde vastgesteld op basis van de transactiewaarde van soortgelijke goederen die zijn verkocht op hetzelfde handelsniveau en in nagenoeg dezelfde hoeveelheid als de goederen waarvan de waarde wordt bepaald. Indien een dergelijke verkoop niet bekend is, wordt gebruikgemaakt van de transactiewaarde van soortgelijke goederen die zijn verkocht op een verschillend handelsniveau en/of in verschillende hoeveelheden, aangepast teneinde rekening te houden met verschillen in handelsniveau en/of hoeveelheid, mits dergelijke aanpassingen kunnen worden gestaafd met bewijzen waaruit duidelijk blijkt dat zij redelijk en exact zijn en daargelaten of daaruit een verhoging of een verlaging van de waarde voortvloeit. [...] 5. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder transactiewaarde van ingevoerde soortgelijke goederen verstaan een overeenkomstig artikel 29 [CDW] eerder vastgestelde douanewaarde, aangepast overeenkomstig lid 1 en lid 2 van het onderhavige artikel.” |
|
14 |
Voorts werd in artikel 152 van die verordening bepaald: „1.
[...] 5. Voor de toepassing van lid 1, onder b), is de ‚vroegste datum’ de datum waarop verkopen van de ingevoerde goederen dan wel ingevoerde identieke of soortgelijke goederen tot stand komen in een hoeveelheid die voldoende is om de prijs per eenheid vast te stellen.” |
|
15 |
Artikel 181 bis van die verordening luidde: „1. De douaneautoriteiten behoeven de douanewaarde van ingevoerde goederen niet op basis van de methode van de transactiewaarde vast te stellen indien zij overeenkomstig de in lid 2 omschreven procedure, wegens gegronde twijfel, niet ervan overtuigd zijn dat de aangegeven waarde met de in artikel 29 [CDW] omschreven totale betaalde of te betalen prijs overeenkomt. 2. Wanneer bij de douaneautoriteiten de in lid 1 bedoelde twijfel bestaat, kunnen zij overeenkomstig artikel 178, lid 4, om aanvullende informatie vragen. Indien deze twijfel blijft bestaan, stellen de douaneautoriteiten, alvorens een definitieve beslissing te nemen, de betrokkene, desgevraagd schriftelijk, in kennis van de redenen voor die twijfel en bieden zij hem een redelijke gelegenheid daarop te antwoorden. De definitieve beslissing en de redenen daarvoor worden de betrokkene schriftelijk meegedeeld.” |
|
16 |
Artikel 198 van die verordening bepaalde: „1. Wanneer een douaneaangifte verscheidene artikelen omvat, worden de op elk artikel betrekking hebbende vermeldingen beschouwd als een afzonderlijke aangifte. 2. De onderdelen van fabrieksinstallaties die onder één enkele code van de gecombineerde nomenclatuur [opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief‑ en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1987, L 256, blz. 1)] worden ingedeeld, worden als één enkel goed beschouwd.” |
|
17 |
Bijlage 23 („Aantekeningen voor de interpretatie van de douanewaarde”) bij die verordening bepaalt met betrekking tot de interpretatie van artikel 31, lid 1, CDW in punt 2 dat „[d]e krachtens [deze bepaling] te bezigen methoden voor de bepaling van de waarde [...] die [dienen] te zijn welke zijn neergelegd in [artikel 29 tot en met artikel 30], lid 2, [van dit wetboek,] doch een redelijke soepelheid in de toepassing van die methoden zou in overeenstemming zijn met de doelstellingen en bepalingen van artikel 31, lid 1[, van dit wetboek]”. Daartoe worden in punt 3 van die bijlage enkele voorbeelden gegeven ter illustratie van wat onder „redelijke soepelheid” moet worden verstaan. Zo staat er voor de toepassing van de aftrekmethode dat „de eis ‚binnen negentig dagen’[, bedoeld in artikel 152, lid 1, onder b), van de uitvoeringsverordening van het CDW,] [...] soepel [zou] kunnen worden toegepast”. |
DWU
|
18 |
De artikelen 70 en 74 DWU bevatten de regels betreffende de vaststelling van de douanewaarde van goederen, die inhoudelijk in wezen identiek zijn aan die van de artikelen 29 tot en met 31 CDW. In het bijzonder artikel 74, lid 3, DWU bevat soortgelijke bewoordingen als artikel 31, lid 1, CDW. Bovendien is artikel 177, lid 1, DWU, dat betrekking heeft op de methode voor de vereenvoudiging van douaneaangiften, in wezen ook identiek aan artikel 81 CDW. |
|
19 |
Artikel 77 DWU („In het vrije verkeer brengen en tijdelijke invoer”) is in wezen identiek aan artikel 201 CDW. |
Uitvoeringsverordening van het DWU
|
20 |
Artikel 140 („Niet-aanvaarding van de aangegeven transactiewaarden”) van de uitvoeringsverordening van het DWU bepaalt: „1. Wanneer de douaneautoriteiten gegronde twijfels hebben of de aangegeven transactiewaarde overeenstemt met het totale betaalde of te betalen bedrag zoals bedoeld in artikel 70, lid 1, [DWU], kunnen zij de aangever om aanvullende informatie vragen. 2. Wanneer hun twijfels niet worden weggenomen, kunnen de douaneautoriteiten besluiten dat de waarde van de goederen niet kan worden vastgesteld overeenkomstig artikel 70, lid 1, [DWU].” |
|
21 |
Artikel 142, leden 2 en 5, van de uitvoeringsverordening van het DWU luidt: „2. Bij gebrek aan een eenheidsprijs zoals bedoeld in lid 1, wordt als eenheidsprijs de prijs gebruikt waartegen de ingevoerde goederen of de in dezelfde staat verkerende ingevoerde identieke of soortgelijke goederen in het douanegebied van de [Europese] Unie worden verkocht op het vroegste tijdstip na de invoer van de te waarderen goederen, en in ieder geval binnen 90 dagen na die invoer. [...] 5. Bij het vaststellen van de douanewaarde wordt het volgende afgetrokken van de in overeenstemming met de leden 1 tot en met 4 bedoelde eenheidsprijs:
|
|
22 |
Artikel 144 („Fall-backmethode”) van deze verordening luidt als volgt: „1. Voor het vaststellen van de douanewaarde krachtens artikel 74, lid 3, [DWU] kan bij de toepassing van de in artikel 70 en artikel 74, lid 2, [DWU] vastgestelde methoden een redelijke soepelheid worden betracht. De aldus vastgestelde douanewaarde dient zoveel mogelijk op eerder vastgestelde douanewaarden te worden gebaseerd. 2. Wanneer de douanewaarde niet met toepassing van lid 1 kan worden vastgesteld, worden andere passende methoden gebruikt. In dit geval wordt de douanewaarde niet vastgesteld op basis van een van de volgende zaken: [...]
|
|
23 |
Artikel 222 („Artikelen”) van die verordening bepaalt: „1. Wanneer een douaneaangifte twee of meer artikelen omvat, worden de op elk artikel betrekking hebbende vermeldingen in die aangifte beschouwd als een afzonderlijke douaneaangifte. 2. Tenzij specifieke goederen die deel uitmaken van een zending aan verschillende maatregelen zijn onderworpen, worden goederen die deel uitmaken van een zending voor de toepassing van lid 1 beschouwd als één artikel wanneer aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
|
Richtlijn 2006/112
|
24 |
In de overwegingen 43 en 44 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1) staat het volgende te lezen:
|
|
25 |
Artikel 2, lid 1, onder d), van deze richtlijn bepaalt: „De volgende handelingen zijn aan de btw onderworpen: [...]
|
|
26 |
Artikel 71, lid 1, van die richtlijn luidt: „Wanneer goederen vanaf het binnenbrengen ervan in de Gemeenschap onder een van de in de artikelen 156, 276 en 277 bedoelde regelingen of situaties, onder een regeling voor tijdelijk invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten of onder een regeling voor extern douanevervoer worden geplaatst, vindt het belastbare feit pas plaats en wordt de belasting pas verschuldigd op het tijdstip waarop de goederen aan die regelingen of situaties worden onttrokken. Wanneer de ingevoerde goederen echter onderworpen zijn aan invoerrechten, aan landbouwheffingen of aan heffingen van gelijke werking die zijn ingesteld in het kader van een gemeenschappelijk beleid, vindt het belastbare feit plaats en wordt de belasting verschuldigd op het tijdstip waarop het belastbare feit en het verschuldigd worden ter zake van deze rechten zich voordoen.” |
|
27 |
Artikel 85 van die richtlijn bepaalt dat voor de invoer van goederen de maatstaf van heffing bestaat in de waarde die in de geldende bepalingen van Unierecht als de douanewaarde wordt omschreven. |
|
28 |
Artikel 201 van richtlijn 2006/112 is als volgt verwoord: „Bij invoer is de btw verschuldigd door degene(n) die de lidstaat van invoer als de tot voldoening van de belasting gehouden personen heeft aangewezen of erkend.” |
|
29 |
Artikel 250, lid 1, van deze richtlijn bepaalt: „Iedere belastingplichtige moet een btw-aangifte indienen waarop alle gegevens staan die nodig zijn om het bedrag van de verschuldigde belasting [...] vast te stellen, [...].” |
Grieks recht
Douanewetboek
|
30 |
In artikel 29, leden 1 en 6, van Nomos 2960/2001 – Ethnikos Teloniakos Kodikas (wet nr. 2960/2001 houdende het nationaal douanewetboek) (FEK A’ 265), zoals gewijzigd bij Nomos 3583/2007 – Anamorfosi tou Ethnikou teloneiakou Kodika kai alles diataxeis (wet nr. 3583/2007) – Hervorming van het nationale douanewetboek en andere bepalingen (FEK A’ 142)] (hierna: „douanewetboek”) is het volgende opgenomen: „1. Een douaneschuld is de verplichting van een natuurlijke of rechtspersoon jegens een douaneautoriteit om alle douanerechten en belastingen, met inbegrip van de [btw], alsmede alle andere door de staat opgelegde rechten en belastingen te betalen die verschuldigd zijn met betrekking tot goederen en die overeenkomstig de desbetreffende bepalingen op die goederen worden toegepast. [...] 6. Tot voldoening van de douaneschuld is gehouden de persoon die de aangifte verricht, de persoon in wiens naam de aangifte van accijns en andere belastingen wordt ingediend, alsmede ieder ander jegens wie krachtens de douanewetgeving een schuld ontstaat. [...]” |
|
31 |
Artikel 33, lid 1, van het douanewetboek bepaalt: „Nadat hij de goederen bij de douane heeft aangebracht, moet de eigenaar van de goederen of zijn wettelijke vertegenwoordiger volgens de geldende wetgeving een aangifte indienen om de goederen onder een douaneregeling te plaatsen of een andere douanebestemming te geven, overeenkomstig de specifieke bepalingen van de communautaire wetgeving.” |
|
32 |
Artikel 155 van het douanewetboek luidt: „1. Als smokkelhandel wordt beschouwd: [...]
2. Als smokkelhandel worden beschouwd: [...]
[...]
[...]” |
Wet nr. 2859/2000 houdende het btw-wetboek
|
33 |
Artikel 35, lid 3, van Nomos 2859/2000 – Kyrosi Kodika Forou Prostithemenis Axias (wet nr. 2859/2000 houdende het btw-wetboek) (FEK A’ 248) schrijft voor: „Voor de invoer van goederen is de btw-plichtige de persoon die als de eigenaar van de ingevoerde goederen wordt beschouwd, overeenkomstig de bepalingen van de douanewetgeving.” |
Hoofdgedingen en prejudiciële vragen
Zaak C‑72/24
|
34 |
In 2014 heeft HF voor zijn handelsactiviteit in Griekenland textielproducten uit Turkije aangekocht. |
|
35 |
De douaneaangiften voor deze producten zijn bij de Griekse douaneautoriteiten (hierna: „douaneautoriteiten”) ingediend volgens de vereenvoudigde aangifteprocedure van artikel 81 CDW, waarin is bepaald dat deze douaneautoriteiten er op verzoek van de aangever mee kunnen instemmen dat indien een zending bestaat uit goederen waarvan de tariefindeling verschillend is, de gehele zending wordt aangegeven als goederen die aan het hoogste recht bij invoer zijn onderworpen. |
|
36 |
Volgens de verwijzende rechter was de invoer van deze goederen in Griekenland vrijgesteld van douanerechten, maar moest deze wel aan btw bij invoer worden onderworpen op basis van de douanewaarde die de invoerende vennootschap in haar invoeraangiften had opgegeven. |
|
37 |
In 2016 hebben de douaneautoriteiten, naar aanleiding van een klacht over de onderwaardering van ingevoerde goederen, een onderzoek ingesteld waaruit bleek dat er gegronde aanwijzingen waren dat de douanewaarde in verschillende aangiften onjuist was en dat de in deze aangiften aangewezen ontvanger van de goederen niet de werkelijke eigenaar van de goederen was. |
|
38 |
Vanwege hun twijfels hebben de douaneautoriteiten op 14 december 2016 een controle achteraf uitgevoerd van al deze douaneaangiften, op basis waarvan zij tot de conclusie zijn gekomen dat er achter 289 valse invoeraangiften een stelsel van smokkel zat. In dat verband hebben de douaneautoriteiten opgemerkt dat dit stelsel, via een ingewikkeld fraudemechanisme, erin bestond dat douanewaarden werden aangegeven die aanzienlijk lager waren dan de rendabele minimumwaarden. |
|
39 |
De douaneautoriteiten waren echter van mening dat zij, aangezien het onmogelijk was om de goederen in kwestie aan een fysieke controle achteraf te onderwerpen en gezien de algemene beschrijving van de goederen op de desbetreffende facturen, niet in staat waren de werkelijke prijzen te reconstrueren die voor deze goederen aan de Turkse leveranciers waren betaald. |
|
40 |
In deze omstandigheden hebben de douaneautoriteiten, teneinde de douanewaarde van de desbetreffende goederen vast te stellen, de „drempelprijs” of de „laagst aanvaardbare prijs” (lowest acceptable price) (hierna: „LAP”) gehanteerd met behulp van een risicobeoordelingsinstrument dat is gebaseerd op gegevens voor de hele Unie en dat is ontwikkeld door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF). |
|
41 |
Uit het dossier waarover het Hof beschikt blijkt dat deze methode erin bestaat eerst een „gecorrigeerde gemiddelde prijs” (cleaned average price) (hierna: „CAP”) te berekenen, ook wel de „eerlijke prijs” (fair price of fair value) genoemd. De CAP’s, uitgedrukt als een prijs per kilogram, worden berekend op basis van de maandelijkse invoerprijzen van de betrokken producten uit Turkije die worden gehaald uit Comext, de door Eurostat beheerde referentiedatabase met gedetailleerde statistische gegevens over de internationale goederenhandel. |
|
42 |
Vervolgens wordt een gemiddelde voor de hele Unie berekend op basis van het rekenkundig, dat wil zeggen niet-gewogen, gemiddelde van de CAP’s van alle lidstaten. Voor de berekening van dat gemiddelde worden extreme waarden (outliers), dat wil zeggen abnormaal hoge of lage waarden, buiten beschouwing gelaten. |
|
43 |
Tot slot wordt een waarde berekend die overeenkomt met 50 % van de CAP’s. Dit is de LAP. Deze prijs, die eveneens wordt uitgedrukt als een prijs per kilogram, wordt door de douaneautoriteiten van de lidstaten gebruikt als risicoprofiel of als risicodrempelwaarde om invoeraangiften met een bijzonder lage waarde, en dus met een hoog risico op onderwaardering, te kunnen detecteren. |
|
44 |
Uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt dat de douaneautoriteiten van alle lidstaten beschikken over een communicatiesysteem, het antifraude-informatiesysteem (Anti-Fraud Information System; hierna: „AFIS”), waaraan ook OLAF deelneemt. Dit systeem, en meer specifiek het bijbehorende instrument voor automatische monitoring (Automated Monitoring Tool; hierna: „AMT”), helpt hen gevallen van onderwaardering opsporen. |
|
45 |
In het kader van de onderhavige zaak hebben de douaneautoriteiten op basis van de aldus berekende LAP de „prijs per eenheid” in de zin van artikel 30, lid 2, onder c), CDW vastgesteld. De autoriteiten hebben deze keuze gerechtvaardigd door te stellen dat het onmogelijk was zich te baseren op, ten eerste, de fictieve transactiewaarde van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde producten, die opzettelijk ondergewaardeerd waren, en ten tweede, de transactiewaarde van identieke of soortgelijke producten, gelet op de onvolledige beschrijving van de producten in de bij de douaneaangiften gevoegde facturen. Bovendien hebben de autoriteiten de goederen in het hoofdgeding niet fysiek kunnen controleren tijdens hun controle achteraf, aangezien de goederen niet in beslag konden worden genomen. |
|
46 |
Volgens de douaneautoriteiten heeft geen van de deelnemers aan het in het hoofdgeding aan de orde zijnde smokkelnetwerk verklaringen afgelegd waaruit blijkt dat de gehanteerde douanewaarden veel hoger waren dan de werkelijk betaalde prijzen. |
|
47 |
Deze autoriteiten hebben aldus vastgesteld dat het bedrag aan frauduleus ontdoken btw voor alle goederen die frauduleus waren aangegeven via het smokkelnetwerk in het hoofdgeding, 6211300,18 EUR bedroeg. |
|
48 |
Wat de betrokkenheid van HF bij dit smokkelnetwerk betreft, blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat hij in de loop van 2014 goederen in zijn bezit had waarvoor in het kader van dat netwerk een valse aangifte van de douanewaarde was ingediend, waardoor hij krachtens het nationale recht de ontdoken btw bij invoer over deze goederen verschuldigd is. |
|
49 |
HF heeft tegen de in het hoofdgeding aan de orde zijnde naheffingsaanslagen beroep ingesteld bij de Dioikitiko Protodikeio Thessalonikis (bestuursrechter in eerste aanleg Thessaloniki, Griekenland), de verwijzende rechter. Hij heeft aangevoerd dat de vaststelling van de douanewaarde van de betrokken goederen op basis van de LAP’s onwettig is, aangezien deze LAP’s, als statistische gegevens over de prijzen bij invoer, wel kunnen worden gebruikt om de aangegeven waarde van die goederen in twijfel te trekken, maar niet als methode om de douanewaarde ervan vast te stellen. Bovendien stelt hij onherroepelijk te zijn vrijgesproken van smokkel bij vonnis van de Trimeles Plimmeleiodikeio Grevenon (strafrechtbank, zitting hebbend met drie rechters, Grevena, Griekenland). |
|
50 |
Allereerst is de verwijzende rechter van oordeel dat hij slechts gebonden is aan de onherroepelijke vrijspraak door de Trimeles Plimmeleiodikeio Grevenon voor zover in de naheffingsaanslagen in het hoofdgeding verhoogde heffingen zijn opgelegd aan HF die nietig moeten worden verklaard. Hij is evenwel van oordeel dat HF nog steeds aansprakelijk is voor de ontdoken btw bij invoer. |
|
51 |
Wat het gebruik van „statistische waarden” bij de vaststelling van de douanewaarde van de betrokken goederen betreft, merkt de verwijzende rechter om te beginnen op dat deze waarden door de douaneautoriteiten kunnen worden gebruikt om aan te tonen dat er redelijke twijfel bestaat over de juistheid van de aangegeven transactiewaarde. Evenzo kunnen deze waarden volgens deze rechter overeenkomstig het arrest van 8 maart 2022, Commissie/Verenigd Koninkrijk (Bestrijding van onderwaarderingsfraude) (C‑213/19, EU:C:2022:167), worden gebruikt om het verlies van eigen middelen van de Unie te bepalen dat is veroorzaakt door lidstaten die geen doeltreffende controles op fraude verrichten. |
|
52 |
Vervolgens merkt de verwijzende rechter op dat het Hof in de punten 38 tot en met 41 en 44 van het arrest van 16 juni 2016, EURO 2004. Hungary (C‑291/15, EU:C:2016:455), heeft geoordeeld dat „statistisch gemiddelde waarden” als grondslag kunnen dienen om aan te tonen dat de bevoegde douaneautoriteiten van een lidstaat gegronde, zo niet redelijke twijfel kunnen hebben over de juistheid van de aangegeven transactiewaarde, zodat deze buiten beschouwing kan worden gelaten en de „hiërarchisch” vastgestelde alternatieve methoden voor de vaststelling van de douanewaarde kunnen worden toegepast, ongeacht de echtheid van de facturen en andere documenten die de transactiewaarde van de ingevoerde goederen onderbouwen, wanneer op verzoek geen gegevens zijn overgelegd aan de hand waarvan de juistheid van de aangegeven transactiewaarde kan worden vastgesteld. |
|
53 |
Ten slotte heeft het Hof in de punten 51 en 53 tot en met 56 van het arrest van 9 juni 2022, Baltic Master (C‑599/20, EU:C:2022:457), met betrekking tot de fall-backmethode van artikel 31, lid 1, CDW geoordeeld dat gegevens in een nationale gegevensbank betreffende goederen die onder dezelfde code van het geïntegreerde tarief van de Europese Unie (hierna: „Taric-code”) vallen en afkomstig zijn van dezelfde verkoper als de betrokken goederen, „in de Gemeenschap beschikbare gegevens” zijn in de zin van deze bepaling, op grond waarvan de douanewaarde van de betrokken goederen kan worden bepaald. |
|
54 |
De verwijzende rechter betwijfelt echter of statistische gemiddelden, en met name de LAP’s, kunnen worden gebruikt om de douanewaarde van de betrokken goederen vast te stellen in het kader van de methoden van de artikelen 29 en 30 CDW, en meer in het bijzonder in het kader van de bijkomende methode van artikel 30, lid 2, onder c), van dat wetboek, die in casu wordt gebruikt. De douaneautoriteiten hebben immers deze methode gebruikt om de douanewaarde vast te stellen, hoewel die bepaling verwijst naar identieke of soortgelijke goederen. Bovendien is deze LAP klaarblijkelijk niet berekend overeenkomstig de in artikel 152, lid 1, onder b), van de uitvoeringsverordening van het CDW bedoelde termijn. |
|
55 |
Voorts is deze rechter van oordeel dat het gebruik van de LAP voor de vaststelling van de douanewaarde van ingevoerde goederen neerkomt op het gebruik van minimumprijzen, die per definitie „fictief” zijn, hetgeen in strijd zou zijn met de in de internationale handel gebruikelijke methoden. |
|
56 |
Die rechter vraagt zich ook af of het gebruik van de LAP kan worden ingepast in de procedure waarin artikel 81 CDW voorziet. |
|
57 |
Tot slot betwijfelt die rechter of de nationale bepalingen die vastleggen wie is aangewezen of erkend als belastingplichtige voor de btw, voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn om HF, als bezitter van de goederen, hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van de ontdoken btw bij invoer. |
|
58 |
Tegen deze achtergrond heeft de Dioikitiko Protodikeio Thessalonikis de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
|
Zaak C‑73/24
|
59 |
De feiten en de motivering in de verwijzingsbeslissing in zaak C‑73/24 zijn vergelijkbaar met die in de verwijzingsbeslissing in zaak C‑72/24, behoudens dat, ten eerste, het beroep is ingesteld bij de verwijzende rechter door WI, werkneemster van een groothandel in textielproducten uit Turkije, die gezien de omstandigheden op de hoogte moet zijn geweest van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde smokkelnetwerk, aangezien zij grotendeels verantwoordelijk was voor het beheer van die onderneming, en ten tweede, de desbetreffende douaneaangiften zijn ingediend tussen maart 2014 en december 2016. |
|
60 |
Gelet daarop heeft de Dioikitiko Protodikeio Thessalonikis de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen, die in soortgelijke bewoordingen zijn geformuleerd als de vragen in het verzoek om een prejudiciële beslissing in zaak C‑72/24:
|
Procedure bij het Hof
Voeging
|
61 |
Bij beslissing van de president van het Hof van 25 maart 2024 zijn de zaken C‑72/24 en C‑73/24 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en voor het arrest. |
Verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling
|
62 |
Bij akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 3 juli 2025, hebben verzoekers in het hoofdgeding, HF en WI, verzocht om heropening van de mondelinge behandeling overeenkomstig artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Ter ondersteuning van hun verzoek voeren zij kort samengevat aan dat de advocaat-generaal zich in zijn conclusie heeft gebaseerd op feitelijke gegevens die afwijken van die welke door de verwijzende rechter zijn vastgesteld, en dat zij het niet eens zijn met bepaalde beoordelingen in de conclusie van de advocaat-generaal. In het bijzonder betwisten HF en WI de beoordelingen inzake het onderzoek van de drempelprijzen in het kader van de methode voor de vaststelling van de douanewaarde als bedoeld in artikel 31, lid 1, CDW en artikel 74, lid 3, DWU. |
|
63 |
Er zij aan herinnerd dat de advocaat-generaal op grond van artikel 252, tweede alinea, VWEU in het openbaar in volkomen onpartijdigheid en onafhankelijkheid met redenen omklede conclusies neemt aangaande zaken waarin zulks overeenkomstig het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie is vereist. Het Hof is noch door de conclusie van de advocaat-generaal, noch door de motivering op grond waarvan hij tot die conclusie komt, gebonden (arrest van 19 maart 2020, Sánchez Ruiz e.a., C‑103/18 en C‑429/18, EU:C:2020:219, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
64 |
In dat verband dient voorts te worden opgemerkt dat het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Reglement voor de procesvoering niet voorzien in de mogelijkheid voor de in artikel 23 van dat Statuut bedoelde partijen of belanghebbenden om opmerkingen in te dienen in antwoord op de conclusie van de advocaat-generaal. Het feit dat een partij het oneens is met de conclusie van de advocaat-generaal, kan als zodanig geen grond voor de heropening van de mondelinge behandeling opleveren, ongeacht welke kwesties hij in zijn conclusie heeft onderzocht (arrest van 19 maart 2020, Sánchez Ruiz e.a., C‑103/18 en C‑429/18, EU:C:2020:219, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
65 |
Aangezien HF en WI met hun ingediende verzoek tot heropening van de mondelinge fase van de procedure enerzijds beogen een reactie te kunnen geven op het standpunt van de advocaat-generaal in diens conclusie en anderzijds een aantal gestelde rectificaties willen aankaarten die in strijd zijn met de informatie in de verwijzingsbeslissing in zaak C‑72/24, kan daaraan geen gevolg worden gegeven. |
|
66 |
Het is juist dat het Hof volgens artikel 83 van zijn Reglement voor de procesvoering in elke stand van het geding, de advocaat-generaal gehoord, de heropening van de mondelinge behandeling kan gelasten, onder meer wanneer het zich onvoldoende voorgelicht acht of wanneer een partij na afsluiting van deze behandeling een nieuw feit aanbrengt dat van beslissende invloed kan zijn voor de beslissing van het Hof, of wanneer een zaak moet worden beslecht op grond van een argument waarover de partijen of de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde belanghebbenden hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen. |
|
67 |
In casu beschikt het Hof over alle noodzakelijke gegevens om de vragen van de verwijzende rechter te beantwoorden. Bovendien brengt het verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling geen enkel nieuw feit aan het licht dat van beslissende invloed kan zijn voor de beslissing die het Hof in de onderhavige zaken moet geven. |
|
68 |
Gelet op het voorgaande ziet het Hof, de advocaat-generaal gehoord, geen aanleiding om de heropening van de mondelinge behandeling te gelasten. |
Beantwoording van de prejudiciële vragen
|
69 |
Vooraf zij eraan herinnerd dat krachtens artikel 288, lid 2, DWU de artikelen 70 tot en met 74 daarvan van toepassing zijn vanaf 1 mei 2016. Aangezien de feiten in het hoofdgeding in zaak C‑73/24 zich echter zowel vóór als na deze datum hebben afgespeeld, moeten voor de beantwoording van de gestelde vragen de bepalingen van zowel het CDW als het DWU worden uitgelegd. |
|
70 |
In dit verband zijn de regels voor de vaststelling van de douanewaarde van goederen, zoals neergelegd in de artikelen 70 en 74 DWU, in wezen identiek aan de regels die zijn neergelegd in de artikelen 29 tot en met 31 CDW. De rechtspraak met betrekking tot deze bepalingen van het CDW is dus in beginsel ook van toepassing op de overeenkomstige bepalingen van het DWU. |
Eerste tot en met derde vraag in zaak C‑72/24 en eerste tot en met derde vraag in zaak C‑73/24
|
71 |
Met zijn eerste tot en met derde vraag in zaak C‑72/24 en zijn eerste tot en met derde vraag in zaak C‑73/24, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 30 en artikel 31, lid 1 en lid 2, onder f) en g), CDW en artikel 74 DWU aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat, wanneer tijdens een controle achteraf enerzijds een fysieke controle van de ingevoerde goederen onmogelijk is en anderzijds de omschrijving daarvan op de bij de douaneaangifte gevoegde documenten in algemene en vage termen is gesteld, zodat de douanewaarde niet kan worden bepaald op basis van de transactiewaarde van die goederen overeenkomstig artikel 29 CDW en artikel 70 DWU, deze waarde wordt bepaald op basis van de LAP, berekend aan de hand van geaggregeerde statistische waarden die op het niveau van de Unie zijn vastgesteld. |
|
72 |
Om te beginnen zij in herinnering gebracht dat het Unierecht betreffende de vaststelling van de douanewaarde een billijk, uniform en neutraal systeem beoogt in te voeren dat het gebruik van willekeurige of fictieve douanewaarden uitsluit. De douanewaarde moet bijgevolg de werkelijke economische waarde van een ingevoerd goed weergeven en derhalve rekening houden met alle elementen van dat goed die een economische waarde vertegenwoordigen (zie in die zin arrest van 15 mei 2025, Tauritus, C‑782/23, EU:C:2025:353, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
73 |
Bovendien is de correcte vaststelling van de douanewaarde van de goederen noodzakelijk om de effectieve en volledige inning van de traditionele eigen middelen in de vorm van douanerechten en btw te waarborgen. Aangezien er een rechtstreeks verband bestaat tussen de inning van ontvangsten uit inzonderheid de btw en de terbeschikkingstelling van de overeenkomstige middelen aan de Commissie, staat het uiteindelijk aan de lidstaten om overeenkomstig de verplichtingen die krachtens artikel 325, lid 1, VWEU op hen rusten de financiële belangen van de Unie te beschermen tegen fraude en alle andere onwettige activiteiten die deze belangen schaden, en om de nodige maatregelen te nemen om te waarborgen dat deze belasting en bijgevolg die middelen daadwerkelijk en volledig worden geïnd [zie in die zin arrest van 8 maart 2022, Commissie/Verenigd Koninkrijk (Bestrijding van onderwaarderingsfraude), C‑213/19, EU:C:2022:167, punt 346]. |
|
74 |
De artikelen 29 tot en met 31 CDW en de artikelen 70 tot en met 74 DWU leggen uitdrukkelijk een hiërarchie vast tussen de verschillende methoden voor de vaststelling van de douanewaarde waarin die wetboeken voorzien, zodat het een invoerder niet vrijstaat om te kiezen welke methode hij toepast (zie in die zin arrest van 15 mei 2025, Tauritus, C‑782/23, EU:C:2025:353, punt 53). |
|
75 |
Bijgevolg moet de douanewaarde van ingevoerde goederen in de eerste plaats worden bepaald volgens de transactiewaardemethode als bedoeld in artikel 29 CDW en artikel 70 DWU. Die methode wordt namelijk als de meest geschikte beschouwd. De in de artikelen 30 en 31 CDW en in artikel 74 DWU genoemde methoden moeten worden beschouwd als bijkomende methoden die alleen mogen worden gebruikt wanneer de douanewaarde van de goederen niet kan worden bepaald door toepassing van artikel 29 CDW of artikel 70 DWU. Dat geldt in het bijzonder voor de in artikel 31 CDW en artikel 74, lid 3, DWU vermelde fall-backmethode, die enkel van toepassing is wanneer de douanewaarde niet volgens de transactiewaardemethode noch volgens een van de in artikel 30 CDW en artikel 74, lid 2, DWU vermelde bijkomende methoden kan worden vastgesteld (zie in die zin arresten van 16 juni 2016, EURO 2004. Hungary, C‑291/15, EU:C:2016:455, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 15 mei 2025, Tauritus, C‑782/23, EU:C:2025:353, punten 52 en 54). |
|
76 |
Bovendien bepalen artikel 181 bis van de uitvoeringsverordening van het CDW en artikel 140 van de uitvoeringsverordening van het DWU dat de douaneautoriteiten de douanewaarde van ingevoerde goederen niet noodzakelijkerwijs op basis van de methode van de transactiewaarde behoeven vast te stellen indien gegronde twijfel bestaat dat de aangegeven waarde van die goederen met de totale betaalde of te betalen prijs daarvan overeenkomt. Wanneer deze twijfel blijft bestaan, kunnen zij dan ook besluiten de opgegeven prijs niet te aanvaarden, na eventueel om aanvullende informatie of documenten te hebben gevraagd en na de betrokkene een redelijke gelegenheid te hebben geboden om te reageren op de redenen voor die twijfel (zie in die zin arrest van 16 juni 2016, EURO 2004. Hungary, C‑291/15, EU:C:2016:455, punt 31]. |
|
77 |
In casu blijkt uit de aan het Hof verstrekte gegevens dat de douanewaarde van de goederen op grond van artikel 29, lid 1, CDW en artikel 70, lid 1, DWU niet kan worden bepaald aan de hand van de transactiewaarde van de ingevoerde goederen. Het staat aan de verwijzende rechter om dit na te gaan. In dit verband heeft deze rechter erop gewezen dat de douaneautoriteiten zich niet op de transactiewaarde van de betrokken goederen konden baseren, aangezien zij bij de controle achteraf hadden vastgesteld dat deze opzettelijk ondergewaardeerd waren. Bovendien heeft – volgens het relaas van die rechter – geen van de deelnemers aan het in het hoofdgeding aan de orde zijnde smokkelnetwerk verklaringen afgelegd waaruit blijkt dat de door de douaneautoriteiten gehanteerde douanewaarden veel hoger waren dan de werkelijk betaalde prijzen. |
|
78 |
In dergelijke omstandigheden wordt de douanewaarde, zoals in punt 75 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, overeenkomstig artikel 30 CDW of artikel 74, leden 1 en 2, DWU vastgesteld door de in die bepalingen genoemde methoden achtereenvolgens toe te passen (zie in die zin arrest van 20 juni 2019, Oribalt Rīga, C‑1/18, EU:C:2019:519, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
79 |
In dit verband zij eraan herinnerd dat wanneer de douaneautoriteiten de douanewaarde vaststellen overeenkomstig artikel 30, lid 2, onder a) en b), CDW en artikel 74, lid 2, onder a) en b), DWU, zij hun beoordeling moeten baseren op gegevens die betrekking hebben op identieke of soortgelijke goederen. De vaststelling van de douanewaarde vereist dus een onderzoek van elementen zoals de materiële kenmerken, de kwaliteit, de reputatie, de onderlinge verwisselbaarheid van de goederen en het handelsniveau van de in aanmerking genomen verkopen (zie in die zin arrest van 9 juni 2022, FAWKES, C‑187/21, EU:C:2022:458, punt 48). |
|
80 |
Zoals de verwijzende rechter evenwel opmerkt, konden deze methoden voor de vaststelling van de douanewaarde van de goederen in casu niet worden toegepast omdat de goederen in de aan de douaneaangiften gehechte facturen onvoldoende waren omschreven en niet fysiek door de douaneautoriteiten konden worden geïnspecteerd tijdens hun controle achteraf, aangezien zij aan inbeslagneming waren ontsnapt. |
|
81 |
De methode voor de vaststelling van de douanewaarde als bedoeld in artikel 30, lid 2, onder c), CDW en artikel 74, lid 2, onder c), DWU – die in casu wordt gebruikt – gaat uit van de waarde gebaseerd op de prijs per eenheid waartegen de ingevoerde goederen of identieke en soortgelijke ingevoerde goederen in het douanegebied van de Unie zijn verkocht. |
|
82 |
Opgemerkt zij dat, aangezien de douaneautoriteiten volgens de verwijzende rechter niet in staat waren de ingevoerde goederen fysiek te controleren om vast te stellen of zij identiek dan wel soortgelijk waren aan de goederen die zij voor de bepaling van de douanewaarde moesten gebruiken, en aangezien de omschrijving van deze goederen in de aan de douaneaangiften gehechte facturen onvolledig was, zij niet over de nodige informatie beschikten om de methode van artikel 30, lid 2, onder c), CDW en artikel 74, lid 2, onder c), DWU toe te passen. Het staat aan de verwijzende rechter om dit na te gaan. |
|
83 |
Verder kan de douanewaarde, met het oog op de toepassing van de methode voor de bepaling ervan als bedoeld in artikel 30, lid 2, onder d), CDW en artikel 74, lid 2, onder d), DWU, worden gebaseerd op een berekende waarde die gelijk is aan de som van verschillende elementen, waarvan een bedrag voor winst en bedrijfskosten dat gelijk moet zijn aan het bedrag dat gewoonlijk in aanmerking wordt genomen wanneer producenten in het land van uitvoer goederen van dezelfde aard of dezelfde soort als die waarvan de waarde dient te worden bepaald, voor uitvoer naar de Unie verkopen. |
|
84 |
Gezien de in punt 80 van dit arrest in herinnering gebrachte aanwijzingen van de verwijzende rechter, konden de douaneautoriteiten de douanewaarde in casu echter evenmin vaststellen op grond van artikel 30, lid 2, onder d), CDW en artikel 74, lid 2, onder d), DWU. Het staat echter aan die rechter om dit na te gaan. |
|
85 |
Gelet op een en ander zij eraan herinnerd dat wanneer de douanewaarde van de ingevoerde goederen evenmin op basis van artikel 30 CDW en artikel 74, leden 1 en 2, DWU kan worden vastgesteld, zij overeenkomstig artikel 31 CDW en artikel 74, lid 3, DWU wordt vastgesteld (zie in die zin arrest van 16 juni 2016, EURO 2004. Hungary, C‑291/15, EU:C:2016:455, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
86 |
In casu vraagt de verwijzende rechter zich af of voor de berekening van de douanewaarde van de betrokken goederen kan worden uitgegaan van een LAP, berekend op basis van geaggregeerde statistische waarden die op het niveau van de Unie zijn vastgesteld, nu de goederen niet langer voor fysieke controle kunnen worden teruggeroepen en de algemene beschrijving ervan in de desbetreffende facturen onvoldoende gegevens oplevert om hun werkelijke waarde vast te stellen. |
|
87 |
Vooraf moet worden opgemerkt dat dergelijke statistische gegevens geen oplossing bieden voor de bovengenoemde belemmeringen voor het gebruik van een van de waarderingsmethoden waarin artikel 30 CDW en artikel 70 DWU voorzien. Op het niveau van de Unie verzamelde statistische gegevens, zoals de LAP, bevatten immers geen elementen die kunnen worden gebruikt voor de vaststelling van de douanewaarde overeenkomstig artikel 30, lid 2, onder a) en b), CDW en artikel 74, lid 2, onder a) en b), DWU, omdat zij geaggregeerd en vertrouwelijk zijn (zie naar analogie arrest van 9 juni 2022, FAWKES, C‑187/21, EU:C:2022:458, punten 53‑55). |
|
88 |
Bovendien kunnen dergelijke gegevens, gelet op de in punt 80 van het onderhavige arrest genoemde omstandigheden, evenmin worden gebruikt bij het bepalen van de douanewaarde op grond van artikel 30, lid 2, onder c), CDW en artikel 74, lid 2, onder c), DWU. |
|
89 |
Hetzelfde geldt voor de methode voor de vaststelling van de douanewaarde als bedoeld in artikel 30, lid 2, onder d), CDW en artikel 74, lid 2, onder d), DWU, aangezien uit de toelichtingen in het dossier waarover het Hof beschikt niet blijkt dat de specifieke informatie die voor deze vaststelling vereist is, zoals uiteengezet in punt 83 van dit arrest, in de LAP wordt meegenomen. |
|
90 |
Derhalve moet worden nagegaan of een LAP, berekend op basis van geaggregeerde statistische waarden die op het niveau van de Unie zijn vastgesteld, kan worden gebruikt voor de vaststelling van de douanewaarde van de betrokken goederen overeenkomstig artikel 31 CDW en artikel 74, lid 3, DWU. |
|
91 |
Daartoe zij eraan herinnerd dat krachtens artikel 31, lid 1, CDW en artikel 74, lid 3, DWU, indien de douanewaarde van de ingevoerde goederen niet kan worden vastgesteld met toepassing van de artikelen 29 en 30 CDW respectievelijk artikel 74, leden 1 en 2, DWU, die waarde wordt vastgesteld aan de hand van de in de Unie beschikbare gegevens, met gebruikmaking van redelijke middelen die in overeenstemming zijn met de beginselen en de algemene bepalingen van de internationale overeenkomsten en van de bepalingen in hoofdstuk 3 van die wetboeken. |
|
92 |
Wat in de eerste plaats de vraag betreft of artikel 31, lid 1, CDW zich niet verzet tegen het gebruik van een LAP, moet worden opgemerkt dat het in bijlage 23 bij de uitvoeringsverordening van het CDW opgenomen punt 2 van de aantekening voor de interpretatie van de douanewaarde betreffende deze bepaling benadrukt dat de krachtens die bepaling te bezigen methoden voor de bepaling van de waarde, de methoden dienen te zijn welke zijn neergelegd in artikel 29 tot en met artikel 30, lid 2, CDW, doch dat een „redelijke soepelheid” in de toepassing van die methoden in overeenstemming zou zijn met de doelstellingen en bepalingen van artikel 31, lid 2, van dat wetboek. |
|
93 |
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde ingevoerde goederen, waarvan de douaneautoriteiten van mening zijn dat de transactiewaarde te laag is aangegeven, in de douaneaangiften in het algemeen worden omschreven als textielproducten. |
|
94 |
In dit verband zij eraan herinnerd dat het Hof enerzijds heeft verwezen naar het begrip „redelijke soepelheid” in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van 9 juni 2022, Baltic Master (C‑599/20, EU:C:2022:457), waarin de verwijzende rechter zich afvroeg of, gelet op het heterogene karakter van de onderdelen die onder deze Taric-code vallen en de afwezigheid van een gedetailleerde omschrijving van de ingevoerde goederen, de douanewaarde van die goederen in het voor hem aanhangige geding op basis van de transactiewaarde van soortgelijke goederen kan worden vastgesteld krachtens artikel 31, lid 1, CDW, hoewel het begrip „soortgelijke goederen”, dat is gedefinieerd in artikel 142, lid 1, onder d), van de uitvoeringsverordening van het CDW, veronderstelt dat de ingevoerde goederen homogeen zijn, hetgeen moeilijk te rijmen valt met de verscheidenheid aan producten die onder die Taric-code vallen. |
|
95 |
In die zaak heeft het Hof benadrukt dat de definitie van het begrip „soortgelijke goederen” in dit artikel 142, lid 1, onder d), uitvoeringsverordening van het CDW betrekking heeft op de bepaling van de douanewaarde krachtens artikel 30, lid 2, onder b), CDW. Hoewel uit punt 2 van de in punt 92 van het onderhavige arrest bedoelde interpretatieve aantekening volgt dat de krachtens artikel 31 van dat wetboek te bezigen methoden de methoden moeten zijn die zijn neergelegd in artikel 29 tot en met artikel 30, lid 2, ervan, verduidelijkt dit punt dat deze methoden met een redelijke soepelheid moeten worden toegepast, met name bij de beoordeling van het begrip „soortgelijke goederen” (arrest van 9 juni 2022, Baltic Master, C‑599/20, EU:C:2022:457, punt 52). Het Hof heeft erkend dat in een nationale gegevensbank aanwezige gegevens betreffende goederen die onder dezelfde Taric-code vallen en afkomstig zijn van dezelfde verkoper als de betrokken goederen, „in de Unie beschikbare gegevens” zijn in de zin van artikel 31, lid 1, CDW, op grond waarvan de douanewaarde van de betrokken goederen kan worden bepaald (zie in die zin arrest van 9 juni 2022, Baltic Master, C‑599/20, EU:C:2022:457, punten 52 en 54). |
|
96 |
Verder moet er ook aan worden herinnerd dat, zoals blijkt uit de in punt 73 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, het aan de lidstaten staat om overeenkomstig de verplichtingen die krachtens artikel 325, lid 1, VWEU op hen rusten de financiële belangen van de Unie te beschermen tegen fraude en alle andere onwettige activiteiten die die belangen schaden, en om de nodige maatregelen te nemen om te waarborgen dat die rechten en bijgevolg die middelen daadwerkelijk en volledig worden geïnd. Hieruit volgt dat de douaneautoriteiten een douanewaarde moeten vaststellen ingeval de aangever onvoldoende nauwkeurige of betrouwbare gegevens verstrekt over de douanewaarde van de betrokken goederen. |
|
97 |
Gelet op dit vereiste en op de „redelijke soepelheid” waarmee, overeenkomstig punt 2 van de in punt 92 van het onderhavige arrest bedoelde interpretatieve aantekening, de methoden voor de vaststelling van de douanewaarde zoals vastgelegd in artikel 29 tot en met artikel 30, lid 2, CDW moeten worden toegepast in het kader van artikel 31, lid 1, CDW, dient te worden erkend dat gegevens zoals de LAP, berekend op basis van geaggregeerde statistische waarden die op het niveau van de Unie zijn vastgesteld en zijn opgenomen in een Uniebrede databank, kunnen worden beschouwd als „in de Gemeenschap beschikbare gegevens” in de zin van artikel 31, lid 1, CDW, en derhalve in aanmerking kunnen worden genomen voor de vaststelling van de douanewaarde van de betrokken goederen. |
|
98 |
Dit geldt echter alleen indien, zoals vereist in artikel 31, lid 2, CDW, de douanewaarde die aldus overeenkomstig lid 1 zou worden bepaald, niet is gebaseerd op de in de punten f) en g) van die bepaling genoemde elementen. |
|
99 |
In dit verband wordt krachtens artikel 31, lid 2, onder f) en g), CDW de douanewaarde niet vastgesteld op basis van respectievelijk minimumdouanewaarden of van willekeurige of fictieve douanewaarden. |
|
100 |
Zoals blijkt uit de punten 40 tot en met 43 van dit arrest, worden de LAP’s vastgesteld op basis van de CAP’s, die worden berekend op basis van de uit Comext afkomstige maandelijkse invoerprijzen van de betrokken producten uit Turkije. Deze waarden blijken dan ook niet willekeurig, maar gebaseerd op objectieve en neutrale criteria [zie in die zin arrest van 8 maart 2022, Commissie/Verenigd Koninkrijk (Bestrijding van onderwaarderingsfraude), C‑213/19, EU:C:2022:167, punt 294]. |
|
101 |
Wat verder het in punt 99 van het onderhavige arrest vermelde verbod betreft om de douanewaarde vast te stellen op basis van minimumwaarden, moet, zoals de advocaat-generaal in punt 79 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, worden geoordeeld dat het eventuele gebruik van de LAP’s dit verbod zou kunnen schenden indien deze administratieve praktijk systematisch zou zijn en de betrokken marktdeelnemer de lagere prijzen op zijn aangifte niet zou mogen rechtvaardigen. In deze laatste situatie zou de weigering om rekening te houden met transactiewaarden onder een dergelijke drempel ertoe leiden dat de aangegeven waarden worden opgetrokken tot die drempel, hetgeen feitelijk neerkomt op een stelsel van minimumwaarden. |
|
102 |
Daarentegen moet worden geoordeeld dat het eventuele gebruik, in laatste instantie, van LAP’s berekend op basis van geaggregeerde statistische waarden die op het niveau van de Unie zijn vastgesteld, in omstandigheden als die van het hoofdgeding, op grond van artikel 31, lid 1, CDW, niet als een stelsel van minimumwaarden mag worden beschouwd indien de betrokken marktdeelnemer de aangegeven waarde bij de douaneautoriteiten heeft mogen rechtvaardigen. |
|
103 |
In casu is het dus aan de verwijzende rechter om na te gaan of de douaneautoriteiten, bij het gebruik van de statistische gegevens bestaande uit de LAP’s, verzoekers in het hoofdgeding de mogelijkheid hebben geboden om de lagere prijzen die zij in hun douaneaangiften hadden opgegeven te rechtvaardigen en aanvullende informatie te verstrekken in het kader van de administratieve procedure voor deze autoriteiten. |
|
104 |
Wat in de tweede plaats de vraag betreft of de LAP kan worden gebruikt op grond van artikel 74, lid 3, DWU, moet worden geoordeeld dat deze bepaling in dit verband moet worden gelezen in samenhang met artikel 144 van de uitvoeringsverordening van het DWU, dat in lid 1 ervan bepaalt dat voor het vaststellen van de douanewaarde krachtens artikel 74, lid 3, DWU bij de toepassing van de in artikel 70 en artikel 74, lid 2, DWU vastgestelde methoden een „redelijke soepelheid” kan worden betracht. |
|
105 |
Aangezien deze bepalingen identiek zijn aan die in de interpretatieve aantekening waarnaar in punt 92 van dit arrest is verwezen, zijn de overwegingen in de punten 94 tot en met 97 van dit arrest eveneens van toepassing op het DWU. |
|
106 |
Bovendien wordt deze conclusie in het kader van het DWU nog bevestigd door het feit dat krachtens artikel 144, lid 2, van de uitvoeringsverordening van het DWU, wanneer de douanewaarde niet met toepassing van lid 1 van dat artikel kan worden vastgesteld, „andere passende methoden” worden gebruikt. Voorts brengt die bepaling in herinnering dat deze methoden kunnen worden gebruikt op voorwaarde dat in dat geval de douanewaarde niet wordt vastgesteld op basis van met name een van de in lid 2, onder f) en g), bedoelde zaken, namelijk, respectievelijk minimumdouanewaarden en willekeurig vastgestelde of fictieve waarden. |
|
107 |
Aangezien deze bepalingen identiek zijn aan die waarnaar in punt 99 van dit arrest is verwezen, zijn de overwegingen in de punten 98 tot en met 103 van dit arrest ook van toepassing op artikel 144, lid 2, van de uitvoeringsverordening van het DWU. |
|
108 |
Gelet op een en ander zij erop gewezen dat gegevens als de LAP’s die zijn berekend op basis van geaggregeerde statistische waarden die op het niveau van de Unie zijn vastgesteld, moeten worden beschouwd als in het douanegebied van de Unie beschikbare gegevens in de zin van artikel 74, lid 3, DWU, die a priori in aanmerking kunnen worden genomen voor de vaststelling van de douanewaarde van de betrokken goederen. Wanneer de ingevoerde goederen al in het vrije verkeer zijn gebracht – waardoor zij niet langer kunnen worden teruggeroepen voor controle ter vaststelling van hun werkelijke waarde – en de bij de douaneaangiften gevoegde documenten in algemene en vage termen zijn gesteld, kan immers alleen een statistische methode worden gebruikt om de waarde van deze goederen te schatten. |
|
109 |
Evenwel moet nog worden bepaald of statistische waarden zoals de LAP’s, die worden gebruikt om de douanewaarde van de betrokken goederen vast te stellen, gegevens zijn die kunnen worden opgenomen in de motivering van de beschikkingen van de douaneautoriteiten, zoals vereist door artikel 6, lid 3, CDW en artikel 22, lid 6, DWU. |
|
110 |
Dienaangaande moet worden beklemtoond dat het recht op behoorlijk bestuur, als afspiegeling van een algemeen beginsel van het Unierecht, vereisten meebrengt die de lidstaten bij de uitvoering van het Unierecht moeten eerbiedigen (arrest van 9 november 2017, LS Customs Services, C‑46/16, EU:C:2017:839, punt 39). |
|
111 |
Van deze vereisten is de verplichting voor nationale autoriteiten om hun besluiten te motiveren van bijzonder belang, aangezien die verplichting degene tot wie het besluit gericht is in staat stelt om zich zo goed mogelijk te kunnen verdedigen en met kennis van zaken te beoordelen of het zinvol is om beroep in te stellen tegen dat besluit. Het dient tevens de rechter de gelegenheid te geven, toezicht uit te oefenen op de wettigheid van die besluiten (arrest van 9 november 2017, LS Customs Services, C‑46/16, EU:C:2017:839, punt 40). |
|
112 |
Wat meer in het bijzonder besluiten van de douaneautoriteiten betreft, herinneren artikel 6, lid 3, CDW en artikel 22, lid 6, DWU aan de verplichting dat hun schriftelijk genomen besluiten met redenen dienen te zijn omkleed wanneer deze ongunstige gevolgen hebben voor de personen tot wie zij zijn gericht. |
|
113 |
De mededeling van het bedrag van de rechten moet de schuldenaar overeenkomstig artikel 221, lid 1, CDW passende informatie waarborgen en hem in staat stellen zijn rechten met kennis van zaken te verdedigen (arrest van 9 november 2017, LS Customs Services, C‑46/16, EU:C:2017:839, punt 42). |
|
114 |
Bovendien blijkt uit de punten 74 en 75 van het onderhavige arrest dat de methoden voor de vaststelling van de douanewaarde waarin de artikelen 29 tot en met 31 CDW voorzien, een onderlinge subsidiariteitsband hebben (zie in die zin arrest van 9 november 2017, LS Customs Services, C‑46/16, EU:C:2017:839, punt 43). |
|
115 |
Onder deze omstandigheden moet de motiveringsplicht van de douaneautoriteiten in het kader van de uitvoering van die bepalingen, ten eerste op duidelijke en ondubbelzinnige wijze de redenen kenbaar maken waarom zij geen gebruik hebben gemaakt van een of meerdere methoden voor de vaststelling van de douanewaarde (arrest van 9 november 2017, LS Customs Services, C‑46/16, EU:C:2017:839, punt 44). |
|
116 |
Ten tweede houdt deze verplichting in dat die autoriteiten in hun besluit tot vaststelling van het bedrag van de verschuldigde invoerrechten dienen uiteen te zetten op basis van welke gegevens de douanewaarde van de betrokken goederen is bepaald, zowel om de adressaat van het besluit in staat te stellen zijn rechten zo goed mogelijk te verdedigen en met volledige kennis van zaken te beslissen of het zinvol is om beroep daartegen in te stellen, als om de rechter de gelegenheid te geven zijn toezicht op de wettigheid van dat besluit uit te oefenen (arrest van 9 november 2017, LS Customs Services, C‑46/16, EU:C:2017:839, punt 45). |
|
117 |
Het Hof heeft evenwel geoordeeld dat vertrouwelijke gegevens uit een gegevensbank die is opgezet om met behulp van statistische onderzoeksmethoden bedrijfsmodellen op te sporen die mogelijkerwijs als fraude kunnen worden aangemerkt, geen deel uitmaken van de door artikel 6, lid 3, CDW en artikel 22, lid 6, DWU vereiste motivering. Bijgevolg kan de gegevensbank die deze gegevens bevat niet worden geacht ter beschikking van de douaneautoriteiten te staan voor de vaststelling van de douanewaarde in de zin van artikel 30, lid 2, onder a) en b), CDW en artikel 74, lid 2, onder a) en b), DWU (zie in die zin arrest van 9 juni 2022, FAWKES, C‑187/21, EU:C:2022:458, punt 55). |
|
118 |
De lidstaten berekenen de LAP’s aan de hand van een percentage van de statistische waarden in de AMT en gebruiken deze als risicoprofiel, zodat zij in beginsel niet aan marktdeelnemers kunnen worden bekendgemaakt. |
|
119 |
Zoals de advocaat-generaal in punt 89 van zijn conclusie heeft opgemerkt, moet het motiveringsvereiste evenwel worden aangepast aan de aard van elk douanebesluit. Bijgevolg moet in het douanebesluit van het hoofdgeding expliciet worden vermeld dat de methode voor de vaststelling van de douanewaarde als bedoeld in artikel 31 CDW en artikel 74, lid 3, DWU is toegepast. |
|
120 |
Aangezien de LAP’s slechts als laatste redmiddel mogen worden gebruikt, is hun incidentele verstrekking aan marktdeelnemers – binnen strikte grenzen en alleen voor zover noodzakelijk – bovendien uitzonderlijk denkbaar teneinde de lidstaten in staat te stellen om de verplichtingen te vervullen die, zoals blijkt uit de in punt 73 van dit arrest aangehaalde rechtspraak, krachtens artikel 325, lid 1, VWEU op hen rusten. Deze verplichtingen bestaan erin de financiële belangen van de Unie te beschermen tegen fraude en alle andere onwettige activiteiten die deze belangen schaden, door de nodige maatregelen te nemen om te waarborgen dat de douanerechten en de btw daadwerkelijk en volledig worden geïnd. |
|
121 |
Bijgevolg moet worden erkend dat gegevens zoals de LAP’s, berekend op basis van geaggregeerde statistische waarden die op het niveau van de Unie zijn vastgesteld, „in de Gemeenschap beschikbare gegevens” zijn in de zin van artikel 31, lid 1, CDW en artikel 74, lid 3, DWU, op grond waarvan de douanewaarde van de betrokken goederen kan worden bepaald (zie naar analogie arrest van 9 juni 2022, Baltic Master, C‑599/20, EU:C:2022:457, punt 54). |
|
122 |
Voorts moet nog worden opgemerkt dat het gebruik van de LAP’s op grond van artikel 31, lid 1, CDW en artikel 74, lid 3, DWU niet onverenigbaar is met de beginselen, de algemene bepalingen van internationale overeenkomsten en de andere bepalingen waarnaar deze voorschriften verwijzen. Het gaat dus om een „passende methode” als bedoeld in artikel 144, lid 2, van de uitvoeringsverordening van het DWU. |
|
123 |
Gelet op een en ander moet op de eerste tot en met de derde vraag in zaak C‑72/24 en de eerste tot en met de derde vraag in zaak C‑73/24 worden geantwoord dat artikel 31, lid 1 en lid 2, onder f) en g), CDW en artikel 74, lid 3, DWU, gelezen in samenhang met artikel 144, lid 1 en lid 2, onder f) en g), van de uitvoeringsverordening van het DWU, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich er niet tegen verzetten dat, wanneer tijdens een controle achteraf enerzijds een fysieke controle van de ingevoerde goederen onmogelijk is en anderzijds de omschrijving daarvan op de bij de douaneaangifte gevoegde documenten in algemene en vage termen is gesteld, zodat de douanewaarde van de ingevoerde goederen niet kan worden bepaald overeenkomstig de artikelen 29 en 30 CDW en artikel 70 en artikel 74, lid 2, DWU, deze waarde wordt bepaald op basis van de LAP, berekend op basis van geaggregeerde statistische waarden die op het niveau van de Unie zijn vastgesteld, mits de betrokken marktdeelnemer de lagere prijzen op de aangifte mag rechtvaardigen. |
Vierde vraag in zaak C‑72/24
|
124 |
Met zijn vierde vraag in zaak C‑72/24 wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of de uitsluiting van de toepassing van minimumwaarden en het voorbehoud ten gunste van de beginselen en algemene bepalingen van de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel 1994, zoals neergelegd in artikel 31, lid 2, CDW, ook gelden in het kader van de in artikel 30 van dit wetboek bedoelde methoden voor de vaststelling van de douanewaarde. |
|
125 |
Gelet op het antwoord op de eerste tot en met de derde vraag in zaak C‑72/24 en op de eerste tot en met de derde vraag in zaak C‑73/24, hoeft de vierde vraag in zaak C‑72/24 niet te worden beantwoord. Aangezien daaruit volgt dat de vaststelling van de douanewaarde op basis van een LAP onder bepaalde voorwaarden alleen kan plaatsvinden volgens de in artikel 31 CDW bedoelde methode voor de vaststelling van de douanewaarde, hoeft niet te worden onderzocht of de uitsluiting van de toepassing van minimumwaarden en het voorbehoud ten gunste van de beginselen en algemene bepalingen van de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel 1994, zoals neergelegd in artikel 31, leden 1 en 2, CDW, ook gelden in het kader van artikel 30 van dat wetboek. |
Vierde vraag in zaak C‑73/24
|
126 |
Met zijn vierde vraag in zaak C‑73/24 wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 31, lid 1, CDW en artikel 74, lid 3, DWU aldus moeten worden uitgelegd dat, indien zij het gebruik van een LAP – berekend op basis van geaggregeerde statistische waarden die op het niveau van de Unie zijn vastgesteld voor de bepaling van de douanewaarde van ingevoerde goederen – niet uitsluiten, de invoerhandelingen waarop deze gegevens zijn gebaseerd, moeten plaatsvinden op hetzelfde tijdstip of nagenoeg hetzelfde tijdstip als de invoerhandelingen die het voorwerp zijn van de controle achteraf, en in voorkomend geval, of het maximale tijdsinterval tussen de aldus gecontroleerde invoerhandelingen en de invoerhandelingen waarop de LAP betrekking heeft, bij analogie kan worden vastgesteld op 90 dagen, zoals bedoeld in artikel 152, lid 1, onder b), van de uitvoeringsverordening van het CDW en in artikel 142, lid 2, van de uitvoeringsverordening van het DWU. |
|
127 |
Zoals in punt 72 van het onderhavige arrest is uiteengezet, beoogt het Unierecht betreffende de vaststelling van de douanewaarde van ingevoerde goederen een billijk, uniform en neutraal systeem in te voeren dat het gebruik van willekeurige of fictieve douanewaarden uitsluit. De douanewaarde moet bijgevolg de werkelijke economische waarde van een ingevoerd goed weergeven en dus rekening houden met alle elementen van dat goed die een economische waarde vertegenwoordigen. |
|
128 |
De douaneautoriteiten zijn in dit kader gehouden om alle informatiebronnen en gegevensbanken te raadplegen waarover zij beschikken om de douanewaarde van dat goed zo precies en zo waarheidsgetrouw mogelijk te bepalen (arrest van 9 juni 2022, FAWKES, C‑187/21, EU:C:2022:458, punt 68). |
|
129 |
Wat artikel 30, lid 2, onder a) en b), CDW en artikel 74, lid 2, onder a) en b), DWU betreft, heeft het Hof geoordeeld dat het vereiste dat rekening wordt gehouden met de transactiewaarde van goederen die „op hetzelfde of nagenoeg hetzelfde tijdstip” zijn uitgevoerd als de goederen waarvan de waarde moet worden bepaald, beoogt ervoor te zorgen dat gebruik wordt gemaakt van transacties die hebben plaatsgevonden op een datum die voldoende dicht bij de uitvoerdatum ligt, om het risico te voorkomen dat de handelspraktijken en de marktvoorwaarden die van invloed zijn op de prijzen van de goederen waarvan de waarde moet worden bepaald, wezenlijk veranderen (zie in die zin arrest van 9 juni 2022, FAWKES, C‑187/21, EU:C:2022:458, punt 70). |
|
130 |
Bij de vaststelling van de douanewaarde overeenkomstig deze bepalingen kan de douaneautoriteit zich dus beperken tot het gebruik van gegevens over transactiewaarden die betrekking hebben op een periode van 90 dagen, waarvan 45 dagen vóór en 45 dagen na de inklaring van de te waarderen goederen. Deze periode lijkt namelijk voldoende dicht bij de datum van uitvoer te liggen om het risico te vermijden dat de handelspraktijken en de marktvoorwaarden die van invloed zijn op de prijzen van de goederen waarvan de waarde moet worden bepaald, wezenlijk veranderen (zie in die zin arrest van 9 juni 2022, FAWKES, C‑187/21, EU:C:2022:458, punten 71 en 73). |
|
131 |
Bovendien zij eraan herinnerd dat artikel 152, lid 1, onder a), van de uitvoeringsverordening van het CDW en artikel 142, lid 1, van de uitvoeringsverordening van het DWU de basisregel bevatten dat – wanneer met het oog op de vaststelling van de douanewaarde van de ingevoerde goederen overeenkomstig artikel 30, lid 2, onder c), CDW en artikel 74, lid 2, onder c), DWU, de prijs per eenheid wordt bepaald van de ingevoerde goederen of van ingevoerde identieke of soortgelijke goederen die in de Unie worden verkocht in de staat waarin zij zijn ingevoerd – er moet worden uitgegaan van de prijs per eenheid waartegen, op of omstreeks het tijdstip van invoer van de goederen waarvan de waarde wordt bepaald, de ingevoerde goederen dan wel ingevoerde identieke of soortgelijke goederen in de grootste totale hoeveelheid worden verkocht aan personen die niet zijn verbonden met de personen van wie zij deze goederen kopen, onder voorbehoud van aftrek van de in artikel 152, lid 1, onder a), i) tot en met iii), van de uitvoeringsverordening van het CDW genoemde elementen (zie in die zin arrest van 20 juni 2019, Oribalt Rīga, C‑1/18, EU:C:2019:519, punt 31). |
|
132 |
Bij wijze van uitzondering op deze basisregel bepalen artikel 152, lid 1, onder b), van de uitvoeringsverordening van het CDW en artikel 142, lid 2, van de uitvoeringsverordening van het DWU dat indien noch de ingevoerde goederen noch ingevoerde identieke of soortgelijke goederen worden verkocht op of omstreeks het tijdstip van de invoer van de goederen waarvan de waarde wordt bepaald, de douanewaarde van de ingevoerde goederen wordt gebaseerd op de prijs per eenheid waartegen deze goederen dan wel ingevoerde identieke of soortgelijke goederen in dezelfde staat in de Unie worden verkocht op de vroegste datum na de invoer van de goederen waarvan de waarde wordt bepaald, doch in ieder geval binnen 90 dagen na die invoer (zie in die zin arrest van 20 juni 2019, Oribalt Rīga, C‑1/18, EU:C:2019:519, punt 32). |
|
133 |
Om de douanewaarde zo nauwkeurig en zo waarheidsgetrouw mogelijk te bepalen volgens de methode van artikel 30, lid 2, onder c), CDW en artikel 74, lid 2, onder c), DWU, moet de douanewaarde van de betrokken goederen dus worden bepaald op een moment dat zo dicht mogelijk bij hun invoer ligt. De in artikel 152, lid 1, onder b), van de uitvoeringsverordening van het CDW en artikel 142, lid 2, van de uitvoeringsverordening van het DWU vermelde termijn van 90 dagen vormt dan ook een uitzondering op het beginsel van artikel 152, lid 1, onder a), en artikel 142, lid 1, van deze respectieve verordeningen en moet derhalve strikt worden uitgelegd (zie in die zin arrest van 20 juni 2019, Oribalt Rīga, C‑1/18, EU:C:2019:519, punt 33). |
|
134 |
In dit verband moet worden opgemerkt dat dergelijke overwegingen ook gelden wanneer de douanewaarde wordt vastgesteld op grond van artikel 31, lid 1, CDW en artikel 74, lid 3, DWU, aangezien deze waarde in alle gevallen de werkelijke economische waarde van de ingevoerde goederen moet weergeven. Hieruit volgt dat, wat de vaststelling van de douanewaarde van de betrokken goederen op basis van een LAP betreft, deze waarde zo precies en zo waarheidsgetrouw mogelijk moet worden vastgesteld. De gebruikte gegevens moeten dus in beginsel betrekking hebben op goederen die zijn ingevoerd op een tijdstip dat zo dicht mogelijk bij de invoer van de te waarderen goederen ligt. |
|
135 |
Zoals in punt 92 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, wordt in het in bijlage 23 bij de uitvoeringsverordening van het CDW opgenomen punt 2 van de aantekening voor de interpretatie van de douanewaarde betreffende artikel 31, lid 1, CDW bovendien benadrukt dat de krachtens die bepaling te bezigen methoden voor de bepaling van de waarde, de methoden dienen te zijn welke zijn neergelegd in artikel 29 tot en met artikel 30, lid 2, van dat wetboek, doch dat een redelijke soepelheid in de toepassing van die methoden in overeenstemming zou zijn met de doelstellingen en bepalingen van artikel 31, lid 2, van dat wetboek. Als voorbeeld van wat onder „redelijke soepelheid” moet worden verstaan, bepaalt punt 3 van deze interpretatieve aantekening dat, met betrekking tot de methode voor de vaststelling van de douanewaarde als bedoeld in artikel 30, lid 2, onder b), CDW, de termijn van 90 dagen, zoals bedoeld in artikel 152, lid 1, onder b), van de uitvoeringsverordening van het CDW, „soepel zou kunnen worden toegepast”. |
|
136 |
Hieruit volgt dat deze termijn bij analogie ook kan worden gehanteerd wanneer de douanewaarde op basis van artikel 31, lid 1, CDW wordt bepaald aan de hand van geaggregeerde statistische waarden die op het niveau van de Unie zijn vastgesteld, zij het dat deze termijn soepel kan worden toegepast. |
|
137 |
Wat betreft de redelijke soepelheid waarmee de termijn van 90 dagen in dit kader kan worden toegepast, zij eraan herinnerd dat het Hof met betrekking tot artikel 30, lid 2, onder a) en b), CDW heeft geoordeeld dat wanneer in die periode van 90 dagen geen identieke of soortgelijke goederen zijn uitgevoerd, het aan de douaneautoriteit staat om te onderzoeken of identieke of soortgelijke goederen zijn uitgevoerd over een langere periode, die echter niet te ver verwijderd is van de datum van uitvoer van de goederen waarvan de waarde moet worden bepaald, mits de handelspraktijken en de marktvoorwaarden die van invloed zijn op de prijzen van die goederen, gedurende die langere periode in wezen dezelfde zijn gebleven (zie in die zin arrest van 9 juni 2022, FAWKES, C‑187/21, EU:C:2022:458, punt 72). Dergelijke overwegingen zijn derhalve eveneens geldig wanneer de douanewaarde van de goederen wordt bepaald op grond van artikel 31, lid 1, CDW en artikel 74, lid 3, DWU. |
|
138 |
In casu blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat de statistische gegevens in de AMT betrekking hebben op een periode van 48 maanden. Ter terechtzitting heeft de Commissie evenwel gepreciseerd dat deze gegevens thans betrekking hebben op een periode van één maand in plaats van op 48 maanden. Het staat aan de verwijzende rechter om dit na te gaan. |
|
139 |
In beginsel kan de toepassing van een termijn van 48 maanden evenwel afbreuk doen aan het doel – als bedoeld in de in punt 128 van dit arrest aangehaalde rechtspraak – om de douanewaarde van de betrokken goederen zo precies en zo waarheidsgetrouw mogelijk vast te stellen. |
|
140 |
Zoals de advocaat-generaal in punt 96 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, zou de vaststelling van een dergelijke lange termijn slechts bij wijze van uitzondering en als laatste redmiddel gerechtvaardigd zijn, wanneer er geen betrouwbaardere informatie beschikbaar is en, zoals blijkt uit punt 73 van dit arrest, de doelstelling van bescherming van de financiële belangen van de Unie, zoals erkend in artikel 325 VWEU, niet op een andere manier kan worden bereikt, met name wanneer ervoor moet worden gezorgd dat de douanerechten en de btw, die traditionele eigen middelen zijn, daadwerkelijk en volledig worden geïnd. |
|
141 |
Ten slotte kunnen de voorgaande overwegingen ook gelden wanneer de douanewaarde van de goederen wordt vastgesteld op grond van artikel 74, lid 3, DWU. In dit verband moet worden opgemerkt dat, hoewel de aantekening voor de interpretatie van de douanewaarde betreffende artikel 31, lid 1, CDW, zoals opgenomen in bijlage 23 van de uitvoeringsverordening van het CDW, geen equivalent heeft in de uitvoeringsverordening van het DWU, artikel 144, lid 1, van die laatste uitvoeringsverordening tevens bepaalt dat, voor het vaststellen van de douanewaarde krachtens artikel 74, lid 3, DWU, bij de toepassing van de in artikel 70 en artikel 74, lid 2, DWU vastgestelde methoden een „redelijke soepelheid” kan worden betracht. Een termijn van 90 dagen is dus ook passend wanneer toepassing wordt gemaakt van artikel 144, lid 2, van de uitvoeringsverordening van het DWU, onder voorbehoud van de overwegingen in de punten 132, 134 en 135 van dit arrest. |
|
142 |
Gelet op een en ander dient op de vierde vraag in zaak C‑73/24 te worden geantwoord dat artikel 31, lid 1, CDW en artikel 74, lid 3, DWU aldus moeten worden uitgelegd dat wanneer de douanewaarde wordt bepaald aan de hand van een LAP, die is berekend op basis van geaggregeerde statistische waarden die op het niveau van de Unie zijn vastgesteld, de invoerhandelingen waarop deze gegevens zijn gebaseerd moeten plaatsvinden op hetzelfde tijdstip of nagenoeg hetzelfde tijdstip als de invoerhandelingen die het voorwerp zijn van de controle achteraf, en de termijn van 90 dagen, bedoeld in artikel 152, lid 1, onder b), van de uitvoeringsverordening van het CDW en in artikel 142, lid 2, van de uitvoeringsverordening van het DWU, eveneens bij analogie van toepassing is, waarbij deze termijn met een redelijke soepelheid kan worden toegepast. |
Vijfde vraag in zaak C‑72/24 en vijfde vraag in zaak C‑73/24
|
143 |
Met zijn vijfde vraag in zaak C‑72/24 en zijn vijfde vraag in zaak C‑73/24, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 81 CDW en artikel 177 DWU aldus moeten worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat de douaneautoriteiten, na een controle achteraf, de douanewaarde van de betrokken goederen herzien op grond van de in die artikelen vastgestelde methode tot vereenvoudiging van douaneaangiften, welke op het tijdstip van invoer van die goederen op verzoek van de aangever was toegepast. |
|
144 |
Voor het bepalen van de draagwijdte van een bepaling van Unierecht dient rekening te worden gehouden met zowel de bewoordingen en de context als de doelstellingen van deze bepaling (arrest van 29 september 2015, Gmina Wrocław, C‑276/14, EU:C:2015:635, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
145 |
Wat de formulering betreft, moet eraan worden herinnerd dat – overeenkomstig artikel 81 CDW, dat in wezen is overgenomen in artikel 177 DWU – indien een zending bestaat uit goederen waarvan de tariefindeling verschillend is en voor het opstellen van de aangifte van elk dezer goederen volgens zijn tariefindeling werk en kosten zou meebrengen die in geen verhouding staan tot het bedrag van de verschuldigde rechten bij invoer, de douaneautoriteiten er op verzoek van de aangever mee kunnen instemmen dat de gehele zending wordt aangegeven als goederen die aan het hoogste recht bij invoer zijn onderworpen. |
|
146 |
In dit verband moet worden vastgesteld dat, zoals de Franse regering in haar bij het Hof ingediende opmerkingen stelt, uit deze bewoordingen niet blijkt dat de toepassing van de daarin omschreven procedure tot vereenvoudiging van douaneaangiften met groepering van de Taric-codes van de goederen gevolgen zou hebben voor de methoden en gegevens die de douaneautoriteiten kunnen gebruiken om de douanewaarde van de ingevoerde goederen achteraf te bepalen in geval van twijfel over de aangegeven waarde. |
|
147 |
Bovendien blijkt uit artikel 81 CDW en artikel 177 DWU dat de procedure voor de vereenvoudiging van douaneaangiften wordt ingeleid op uitdrukkelijk verzoek van de aangever, met als doel dat bij de indiening van de aangifte de gehele zending – bestaande uit goederen met verschillende tariefindelingen – wordt belast volgens de tariefindeling die het hoogste invoerrecht oplevert. Dit veronderstelt dat het verzoek van de aangever geldig blijft voor de gehele procedure tot vaststelling van de douanewaarde van die goederen, ook indien er achteraf een controle plaatsvindt. |
|
148 |
Bijgevolg blijkt uit de bewoordingen van artikel 81 CDW en artikel 177 DWU niet dat de procedure tot vereenvoudiging van douaneaangiften met groepering van de Taric-codes uitsluitend geldt voor het moment van invoer, noch dat zij niet kan worden toegepast bij een herziening van de douanewaarde van de betrokken goederen na een controle achteraf. |
|
149 |
Deze uitlegging wordt bevestigd door de interpretatie van de context waarin deze artikelen zijn opgenomen en door de doelstellingen die zij nastreven. |
|
150 |
Wat deze context betreft, zij eraan herinnerd dat artikel 198, lid 1, van de uitvoeringsverordening van het CDW en artikel 222, lid 1, van de uitvoeringsverordening van het DWU bepalen dat wanneer een douaneaangifte verscheidene artikelen omvat, de op elk artikel betrekking hebbende vermeldingen in die aangifte worden beschouwd als een afzonderlijke douaneaangifte. Artikel 222, lid 2, van de uitvoeringsverordening van het DWU bepaalt evenwel dat goederen die deel uitmaken van een zending, als één enkel artikel worden beschouwd wanneer zij met name zijn onderworpen aan een aanvraag voor vereenvoudiging in overeenstemming met artikel 177 DWU. |
|
151 |
Wat de doelstelling van artikel 81 CDW en artikel 177 DWU betreft, moet worden opgemerkt dat, zoals in wezen in deze artikelen is bepaald, het doel van de procedure tot vereenvoudiging erin bestaat om werk en kosten die niet in verhouding staan tot het bedrag van de verschuldigde rechten bij invoer of uitvoer te vermijden. Het zou dan ook in strijd zijn met dit doel indien de douaneautoriteiten bij een controle achteraf elk goed afzonderlijk in aanmerking zouden moeten nemen wanneer de aangever om toepassing van de procedure tot vereenvoudiging van douaneaangiften heeft verzocht. |
|
152 |
Bovendien moet worden benadrukt – en dit blijkt ook uit de opmerkingen van de Commissie voor het Hof – dat indien de betrokken marktdeelnemer uitdrukkelijk heeft verzocht om voor de gehele zending van de betrokken goederen douanerechten te worden aangerekend volgens de tariefindeling van de goederen die het hoogste invoerrecht opleveren, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij eveneens heeft ingestemd met toepassing van dezelfde vereenvoudigingsregels bij een herziening van de douanewaarde van die goederen. |
|
153 |
Gelet op een en ander dient op de vijfde vraag in zaak C‑72/24 en op de vijfde vraag in zaak C‑73/24 te worden geantwoord dat artikel 81 CDW en artikel 177 DWU aldus moeten worden uitgelegd dat zij er niet aan in de weg staan dat de douaneautoriteiten, na een controle achteraf, de douanewaarde van de betrokken goederen herzien op grond van de in die artikelen vastgestelde methode tot vereenvoudiging van douaneaangiften, welke op het tijdstip van invoer van die goederen op verzoek van de aangever was toegepast. |
Zesde vraag in zaak C‑72/24
|
154 |
Volgens vaste rechtspraak is het in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof de taak van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan hij het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vragen indien nodig te herformuleren. Tevens kan het Hof rekening houden met bepalingen van het Unierecht waarvan de nationale rechter bij de formulering van zijn vraag geen melding heeft gemaakt. Dat een nationale rechter bij de formulering van een prejudiciële vraag formeel gesproken heeft gerefereerd aan bepaalde voorschriften van het Unierecht, staat er namelijk niet aan in de weg dat het Hof die rechter alle uitleggingsgegevens verschaft die nuttig kunnen zijn voor de beslechting van de bij hem aanhangige zaak, ongeacht of hij naar die voorschriften heeft verwezen in zijn vragen. In dit verband staat het aan het Hof om uit alle door de nationale rechter verschafte gegevens en met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing de elementen van het Unierecht te putten die uitlegging behoeven gelet op het voorwerp van het geding [arrest van 22 december 2022, Ministre de la Transition écologique en Premier ministre (Staatsaansprakelijkheid voor luchtverontreiniging), C‑61/21, EU:C:2022:1015, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. |
|
155 |
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de verwijzende rechter, om het bij hem aanhangige geschil te kunnen beslechten, wenst te vernemen of HF, als natuurlijke persoon die eigenaar is van de goederen, overeenkomstig de nationale regelgeving aansprakelijk kan worden gesteld voor de betaling van de btw bij invoer. |
|
156 |
Bovendien bepaalt artikel 201 van richtlijn 2006/112 dat de btw bij invoer verschuldigd is door degene(n) die de lidstaat van invoer als de tot voldoening van de belasting gehouden personen heeft aangewezen of erkend. |
|
157 |
Gelet daarop moet worden vastgesteld dat de verwijzende rechter met zijn zesde vraag in zaak C‑72/24 in essentie wenst te vernemen of artikel 201 van richtlijn 2006/112 aldus moet worden uitgelegd dat de persoon die, met het oog op de betaling van de btw bij invoer, als eigenaar van de ingevoerde goederen wordt beschouwd, voor die belasting aansprakelijk kan zijn indien die persoon uitdrukkelijk als zodanig wordt aangewezen of erkend volgens de nationale bepalingen. |
|
158 |
Om te beginnen zij eraan herinnerd dat de btw bij invoer en de douanerechten volgens vaste rechtspraak enkele belangrijke kenmerken gemeen hebben: zij ontstaan doordat goederen in de Unie worden ingevoerd en vervolgens in het economische verkeer van de lidstaten worden gebracht. Dit parallellisme wordt bevestigd door het feit dat de lidstaten op grond van artikel 71, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2006/112 het belastbare feit en het verschuldigd worden van de btw bij invoer mogen verbinden met het belastbare feit en het verschuldigd worden van de invoerrechten [arrest van 12 mei 2022, U.I. (Indirecte douanevertegenwoordiger), C‑714/20, EU:C:2022:374, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. |
|
159 |
Uit de bewoordingen van artikel 201 van richtlijn 2006/112, volgens hetwelk de btw bij invoer „verschuldigd [is] door degene(n) die de lidstaat van invoer als de tot voldoening van de belasting gehouden personen heeft aangewezen of erkend”, blijkt dat dit artikel de lidstaten beoordelingsvrijheid laat om de personen aan te wijzen die tot voldoening van deze belasting gehouden zijn, hetgeen wordt bevestigd door overweging 43 van die richtlijn, waarin staat dat de lidstaten vrijelijk moeten kunnen bepalen wie tot voldoening van de belasting bij invoer gehouden is [arrest van 12 mei 2022, U.I. (Indirecte douanevertegenwoordiger), C‑714/20, EU:C:2022:374, punt 55]. |
|
160 |
Uit dat artikel volgt dus dat de lidstaten ten minste één persoon moeten aanwijzen die gehouden is die belasting te betalen. Het staat hun met andere woorden vrij meer dan één persoon aan te wijzen, hetgeen ook blijkt uit overweging 44 van de btw-richtlijn, volgens welke de lidstaten moeten kunnen bepalen dat een ander dan de tot voldoening van de belasting gehouden persoon hoofdelijk verplicht is de belasting te voldoen [arrest van 12 mei 2022, U.I. (Indirecte douanevertegenwoordiger), C‑714/20, EU:C:2022:374, punt 56]. |
|
161 |
Gelet op de beoordelingsvrijheid die artikel 201 van richtlijn 2006/112 de lidstaten verleent, staat het hun dus vrij om ter uitvoering van dit artikel te bepalen dat de schuldenaren van de douanerechten ook gehouden zijn de btw bij invoer te betalen [arrest van 12 mei 2022, U.I. (Indirecte douanevertegenwoordiger), C‑714/20, EU:C:2022:374, punt 57]. |
|
162 |
Evenwel is het onontbeerlijk dat de rechtssituatie die uit nationale omzettingsmaatregelen voortvloeit, voldoende nauwkeurig en duidelijk is om de betrokken particulieren in staat te stellen kennis te krijgen van de omvang van hun rechten en plichten [arrest van 12 mei 2022, U.I. (Indirecte douanevertegenwoordiger), C‑714/20, EU:C:2022:374, punt 60]. |
|
163 |
Bovendien vereist het beginsel van rechtszekerheid met name dat rechtsregels duidelijk, nauwkeurig en voorzienbaar zijn, in het bijzonder wanneer die regels nadelige gevolgen kunnen hebben voor particulieren en ondernemingen [arrest van 12 mei 2022, U.I. (Indirecte douanevertegenwoordiger), C‑714/20, EU:C:2022:374, punt 61]. |
|
164 |
In die omstandigheden staat het aan de lidstaten om ter uitvoering van artikel 201 van richtlijn 2006/112 de tot voldoening van de btw bij invoer gehouden persoon of personen met inachtneming van het rechtszekerheidsbeginsel aan te wijzen of te erkennen door middel van voldoende duidelijke en nauwkeurige nationale bepalingen [arrest van 12 mei 2022, U.I. (Indirecte douanevertegenwoordiger), C‑714/20, EU:C:2022:374, punt 62]. |
|
165 |
Hieruit volgt dat elke aanwijzing door een lidstaat van de persoon die, met het oog op de betaling van de btw bij invoer, als eigenaar van de ingevoerde goederen wordt beschouwd, uitdrukkelijk en ondubbelzinnig in dergelijke nationale bepalingen moet zijn vastgelegd. |
|
166 |
In casu staat het aan de verwijzende rechter, die als enige bevoegd is om zijn nationale recht uit te leggen, om aan de hand van het Griekse recht te beoordelen of dit recht de eigenaar van de ingevoerde goederen uitdrukkelijk en ondubbelzinnig aanwijst of erkent als de tot voldoening van de btw bij invoer gehouden persoon. |
|
167 |
Gelet op een en ander moet op de zesde vraag in zaak C‑72/24 worden geantwoord dat artikel 201 van richtlijn 2006/112 aldus moet worden uitgelegd dat de persoon die, met het oog op de betaling van de btw bij invoer, als eigenaar van de ingevoerde goederen wordt beschouwd, voor die belasting aansprakelijk kan zijn indien die persoon uitdrukkelijk en ondubbelzinnig als zodanig wordt aangewezen of erkend volgens de nationale bepalingen. |
Kosten
|
168 |
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. |
|
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht: |
|
|
|
|
|
ondertekeningen |
( *1 ) Procestaal: Grieks.
( i ) Dit zijn fictieve namen, die niet overeenkomen met de werkelijke naam van enige partij in de procedures.