ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
16 april 2026 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Grenscontroles, asiel en immigratie – Richtlijn 2013/32/EU – Gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van internationale bescherming – Verzoek om internationale bescherming – Artikel 43 – Grensprocedure – Kwalificatie van een procedure die wordt toegepast in een plaats van bewaring die geografisch is gelegen op het grondgebied van een lidstaat, maar door het nationale recht wordt gelijkgesteld met een plaats aan de grens – Toegang tot het grondgebied van die lidstaat na een termijn van vier weken – Artikel 31, lid 7 – Voorrangsbehandeling van een verzoek om internationale bescherming – Richtlijn 2013/33/EU – Normen voor de opvang van personen die om internationale bescherming verzoeken – Artikel 8 – Bewaring op dezelfde plaats op basis van twee verschillende beslissingen”
In de gevoegde zaken C‑50/24–C‑56/24 [Danané e.a.] ( i ),
betreffende zeven verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (België) bij beslissingen van 22 januari 2024, ingekomen bij het Hof op 26 januari 2024, in de procedures
X (C‑50/24),
X (C‑51/24),
X (C‑52/24),
X (C‑53/24),
X (C‑54/24),
X (C‑55/24),
X (C‑56/24)
tegen
Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún, kamerpresident, J. Passer (rapporteur), E. Regan, D. Gratsias en B. Smulders, rechters,
advocaat-generaal: N. Emiliou,
griffier: G. Chiapponi, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 27 februari 2025,
gelet op de opmerkingen van:
|
– |
X (C‑51/24) en X (C‑52/24), vertegenwoordigd door S. Manesse, avocat, |
|
– |
X (C‑53/24), vertegenwoordigd door Z. Chihaoui, advocaat, |
|
– |
de Belgische regering, vertegenwoordigd door M. Jacobs, C. Pochet en M. Van Regemorter als gemachtigden, |
|
– |
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door S. Šindelková, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden, |
|
– |
de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller en R. Kanitz als gemachtigden, |
|
– |
de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door W. Ferrante, avvocato dello Stato, |
|
– |
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Azéma, F. Blanc-Simonetti en J. Hottiaux als gemachtigden, |
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 juni 2025,
het navolgende
Arrest
|
1 |
De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van artikel 31, leden 7 en 8, en de artikelen 43 en 46 van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB 2013, L 180, blz. 60, met rectificatie in PB 2021, L 84, blz. 28), gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) en artikel 8 van richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (PB 2013, L 180, blz. 96). |
|
2 |
Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van zeven gedingen tussen onderdanen van derde landen die per vliegtuig op de luchthaven van Brussel in België zijn aangekomen en de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (België) (hierna: „Commissaris-generaal”) over beslissingen van laatstgenoemde tot afwijzing van hun verzoeken om internationale bescherming. |
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 2013/32
|
3 |
De overwegingen 18 en 38 van richtlijn 2013/32 luiden als volgt:
[…]
|
|
4 |
Artikel 2, onder f), van deze richtlijn bepaalt: „In deze richtlijn wordt verstaan onder: […]
|
|
5 |
Artikel 4, leden 1 en 2, van die richtlijn bepaalt: „1. De lidstaten wijzen voor alle procedures een beslissingsautoriteit aan die verzoeken naar behoren dient te behandelen overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn. […] 2. De lidstaten kunnen in de onderstaande gevallen bepalen dat een andere dan de in lid 1 genoemde autoriteit verantwoordelijk is voor: […]
|
|
6 |
Artikel 26, lid 1, van deze richtlijn bepaalt: „De lidstaten mogen een persoon niet in bewaring houden uitsluitend omdat hij een verzoeker is. De gronden voor en de voorwaarden met betrekking tot bewaring en de waarborgen voor in bewaring gehouden verzoekers, zijn in overeenstemming met [richtlijn 2013/33].” |
|
7 |
Artikel 31 van richtlijn 2013/32, met als opschrift „Behandelingsprocedure”, bepaalt in de leden 1, 2, 7 en 8: „1. De lidstaten behandelen verzoeken om internationale bescherming in een behandelingsprocedure overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen in hoofdstuk II. 2. De lidstaten zorgen ervoor dat de behandelingsprocedure zo spoedig mogelijk wordt afgerond, onverminderd een behoorlijke en volledige behandeling. […] 7. De lidstaten kunnen voorrang verlenen aan de behandeling van een verzoek om internationale bescherming overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen in hoofdstuk II, in het bijzonder:
8. De lidstaten kunnen bepalen dat een behandelingsprocedure overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen in hoofdstuk II wordt versneld en/of aan de grens of in transitzones wordt gevoerd overeenkomstig artikel 43 indien:
|
|
8 |
Artikel 33, lid 2, van deze richtlijn bepaalt: „De lidstaten kunnen een verzoek om internationale bescherming alleen als niet-ontvankelijk beschouwen wanneer:
|
|
9 |
Artikel 40 van deze richtlijn, met als opschrift „Volgende verzoeken”, bepaalt in lid 1: „Indien een persoon die in een lidstaat internationale bescherming heeft aangevraagd, aldaar verdere verklaringen heeft afgelegd of een volgend verzoek heeft ingediend, onderzoekt deze lidstaat deze verdere verklaringen of de elementen van het volgende verzoek in het kader van de behandeling van het vorige verzoek of in het kader van de toetsing van de beslissing waartegen beroep of bezwaar is aangetekend, voor zover de bevoegde autoriteiten rekening kunnen houden met alle elementen die aan de nadere verklaringen of het volgende verzoek in dit kader ten grondslag liggen.” |
|
10 |
Artikel 43 van die richtlijn, met als opschrift „Grensprocedures”, bepaalt: „1. De lidstaten kunnen procedures invoeren om, overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen van hoofdstuk II, aan de grens of in transitzones van de lidstaten een beslissing te nemen over:
2. De lidstaten zorgen ervoor dat een beslissing in het kader van de in lid 1 voorgeschreven procedures binnen een redelijke termijn wordt genomen. Wanneer niet binnen vier weken een beslissing is genomen, wordt aan de verzoeker toegang tot het grondgebied van de lidstaat verleend zodat zijn verzoek kan worden behandeld overeenkomstig de andere bepalingen van deze richtlijn. 3. Wanneer het door de aankomst van grote aantallen onderdanen van derde landen of staatlozen die aan de grens of in een transitzone verzoeken om internationale bescherming indienen, in de praktijk onmogelijk is om aldaar de bepalingen van lid 1 toe te passen, kunnen deze procedures ook worden toegepast indien en zolang de onderdanen van derde landen of staatlozen op normale wijze worden ondergebracht op plaatsen nabij de grens of de transitzone.” |
|
11 |
Artikel 46 van richtlijn 2013/32, met als opschrift „Recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel”, bepaalt in lid 1: „De lidstaten zorgen ervoor dat voor verzoekers een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie openstaat tegen:
[…]” |
Richtlijn 2013/33
|
12 |
Overweging 18 van richtlijn 2013/33 luidt: „Verzoekers in bewaring moeten worden behandeld met volledige eerbiediging van de menselijke waardigheid en hun opvang moet zijn toegesneden op de behoeften van verzoekers in die situatie. […]” |
|
13 |
Artikel 6 van deze richtlijn heeft als opschrift „Documenten” en bepaalt in de leden 1 en 2: „1. De lidstaten zorgen ervoor dat binnen drie dagen nadat een verzoek om internationale bescherming ingediend is, aan de verzoeker een op zijn naam afgegeven document wordt verstrekt waaruit zijn status van verzoeker blijkt of waarin staat dat hij of zij op het grondgebied van de lidstaat mag verblijven zolang zijn of haar verzoek hangende of in behandeling is. […] 2. De lidstaten kunnen besluiten dit artikel niet toe te passen wanneer de verzoeker in bewaring wordt gehouden en gedurende de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat is ingediend aan de grens, of in het kader van een procedure waarin wordt beslist over het recht van de verzoeker om het grondgebied van een lidstaat te betreden. […]” |
|
14 |
Artikel 8 van die richtlijn, met als opschrift „Bewaring”, bepaalt: „1. De lidstaten houden een persoon niet in bewaring om de enkele reden dat hij een verzoeker is overeenkomstig [richtlijn 2013/32]. 2. In de gevallen waarin zulks nodig blijkt en op grond van een individuele beoordeling van elk geval, mogen de lidstaten een verzoeker in bewaring houden wanneer andere, minder dwingende maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast. 3. Een verzoeker mag alleen in bewaring worden gehouden:
[…] De redenen voor bewaring worden vastgelegd in het nationale recht. […]” |
|
15 |
Artikel 9 van deze richtlijn bepaalt in de leden 1, 3 en 5: „1. Een verzoeker wordt slechts in bewaring gehouden voor een zo kort mogelijke termijn en slechts zo lang de in artikel 8, lid 3, genoemde redenen van toepassing zijn. Administratieve procedures die verband houden met de in artikel 8, lid 3, genoemde redenen voor bewaring, worden met de nodige zorgvuldigheid uitgevoerd. Vertraging in de administratieve procedure die niet aan de verzoeker kan worden toegeschreven, is geen reden om de bewaring te laten voortduren. […] 3. Wanneer de bewaring wordt bevolen door een administratieve instantie, zorgen de lidstaten er ambtshalve of op verzoek van de verzoeker voor dat de rechtmatigheid van de bewaring door de rechter met spoed wordt getoetst. […] […] 5. De bewaring wordt, op verzoek van de verzoeker en/of ambtshalve, met redelijke tussenpozen door een rechterlijke instantie opnieuw bezien, in het bijzonder wanneer het om een bewaring van langere duur gaat of wanneer zich nieuwe omstandigheden voordoen of nieuwe informatie beschikbaar komt die van invloed kunnen zijn op de rechtmatigheid van de bewaring.” |
Verordening 2016/399
|
16 |
Artikel 2, punten 1 en 2, van verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) (PB 2016, L 77, blz. 1) bepaalt: „In deze verordening wordt verstaan onder:
|
Belgisch recht
Wet van 15 december 1980
|
17 |
Artikel 51/5, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Belgisch Staatsblad, 31 december 1980, blz. 14584), in de op de hoofdgedingen toepasselijke versie (hierna: „wet van 15 december 1980”), bepaalt: „Zodra de vreemdeling aan de grens of in het Rijk een eerste of een volgend verzoek om internationale bescherming bij één van de door de Koning ter uitvoering van artikel 50, § 3, tweede lid, aangewezen overheden heeft ingediend, gaat de minister of zijn gemachtigde, met toepassing van de Europese regelgeving die België bindt, over tot het vaststellen van de staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek. Te dien einde, wanneer er op basis van een individuele beoordeling een significant risico op onderduiken van de persoon bestaat, en enkel voor zover de vasthouding evenredig is en er geen andere, minder dwingende maatregelen effectief kunnen worden toegepast, kan de vreemdeling in een welbepaalde plaats vastgehouden worden voor de tijd die noodzakelijk is voor het vaststellen van de staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, zonder dat de duur van de vasthouding zes weken te boven mag gaan. […]” |
|
18 |
Artikel 57/6, § 2, van deze wet bepaalt: „De [Commissaris-generaal] beslist bij voorrang, indien: 1° de verzoeker zich bevindt in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in de artikelen 74/8, § 1 of 74/9, §§ 2 en 3 of het voorwerp uitmaakt van een veiligheidsmaatregel zoals bedoeld in artikel 68; […]” |
|
19 |
Artikel 57/6/4 van genoemde wet heeft artikel 43 van richtlijn 2013/32 omgezet in de Belgische rechtsorde en bepaalt: „De [Commissaris-generaal] is bevoegd om ten aanzien van de vreemdeling die tracht het Rijk binnen te komen zonder aan de in artikelen 2 en 3 gestelde voorwaarden te voldoen en die aan de grens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend, aldaar het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren op basis van artikel 57/6, § 3 of aldaar een beslissing te nemen over de grond van het verzoek in een van de situaties voorzien in artikel 57/6/1, § 1, eerste lid, a), b), c), d), e), f), g), i) of j). Indien het eerste lid niet kan worden toegepast, beslist de [Commissaris-generaal] dat een verder onderzoek noodzakelijk is, waarna de verzoeker door de minister of zijn gemachtigde toegelaten wordt het Rijk binnen te komen overeenkomstig artikel 74/5, § 4, 4°. Indien niet binnen de vier weken, na ontvangst van het verzoek om internationale bescherming dat door de minister of zijn gemachtigde werd overgezonden, door de [Commissaris-generaal] een beslissing is genomen, wordt de verzoeker eveneens door de minister of zijn gemachtigde toegelaten het Rijk binnen te komen overeenkomstig artikel 74/5, § 4, 5°.” |
|
20 |
Artikel 74/5, §§ 1, 2 en 4, van de wet van 15 december 1980 bepaalt: „§ 1. In een welbepaalde plaats, gesitueerd in het grensgebied, mag worden vastgehouden, in afwachting van de machtiging om in het Rijk toegelaten te worden of van zijn terugdrijving van het grondgebied:
Geen vreemdeling mag worden vastgehouden om de enkele reden dat hij een verzoek om internationale bescherming heeft gedaan. § 2. De Koning kan in het rijk andere plaatsen aanduiden, die gelijkgesteld worden met de plaatsen zoals bedoeld in § 1. De vreemdeling die in een van deze andere plaatsen wordt vastgehouden, wordt niet beschouwd als zijnde gemachtigd om het rijk binnen te komen. […] § 4. Toegelaten wordt het Rijk binnen te komen: […]
|
|
21 |
Artikel 74/6 van deze wet bepaalt: „§ 1. Wanneer het, op basis van een individuele beoordeling, nodig blijkt en er geen andere, minder dwingende maatregelen effectief kunnen worden toegepast, kan de minister of zijn gemachtigde een verzoeker om internationale bescherming, in een welbepaalde plaats in het Rijk vasthouden:
[…]” |
|
22 |
Artikel 74/8 van dezelfde wet bepaalt: „§ 1. De nodige maatregelen kunnen worden genomen opdat de betrokkene de plaats waar hij wordt opgesloten, ter beschikking gesteld van de Regering of vastgehouden overeenkomstig de artikelen 7, 8bis, § 4, 27, 29, tweede lid, 44septies, § 1, 51/5, § 1, tweede lid, of § 4, derde lid, 51/5/1, § 1, tweede lid, of § 2, derde lid, 57/32, § 2, tweede lid, 74/5 of 74/6, niet zonder de vereiste toestemming verlaat. […] § 2. De Koning bepaalt het regime en de werkingsmaatregelen die toepasbaar zijn op het gesloten centrum waar de vreemdeling kan worden vastgehouden, overeenkomstig de bepalingen vermeld in § 1, eerste lid. […]” |
Ministerieel besluit van 25 oktober 2010
|
23 |
Het ministerieel besluit van 25 oktober 2010 tot aanduiding van de woonunits, als bedoeld in het artikel 74/8, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Belgisch Staatsblad, 3 november 2010, blz. 65884) bepaalt in artikel 1: „De volgende woonunits zijn plaatsen als bedoeld in het artikel 74/8, § 1, van de wet van 15 december 1980 […]:
|
Koninklijk besluit van 17 februari 2012
|
24 |
Het koninklijk besluit van 17 februari 2012 tot bepaling van een plaats als bedoeld in artikel 74/8, § 2, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Belgisch Staatsblad, 15 maart 2012, blz. 15767) bepaalt in artikel 1: „Het gebouw ‚Transitcentrum Caricole’, gelegen aan de Tervuursesteenweg 302, te 1820 Steenokkerzeel, is een plaats als bedoeld in artikel 74/8, § 2, van de wet van 15 december 1980 […].” |
Hoofdgedingen en prejudiciële vragen
|
25 |
De aan de hoofdgedingen ten grondslag liggende feiten kunnen als volgt worden samengevat. |
|
26 |
Verzoekers in de hoofdgedingen zijn onderdanen van derde landen die tussen september en oktober 2023 per vliegtuig op de luchthaven van Brussel zijn aangekomen en op de dag van hun aankomst of op de dag daarna op die plaats verzoeken om internationale bescherming hebben ingediend. |
|
27 |
Naar aanleiding van deze verzoeken zijn jegens deze verzoekers beslissingen tot weigering van toegang genomen op grond dat zij niet voldeden aan de vereisten van de wet van 15 december 1980, gevolgd door beslissingen „tot het vasthouden in een welbepaalde plaats in het grensgebied”, in casu in het „transitcentrum Caricole” in de omgeving van de luchthaven van Brussel of in de accommodatie van Sint-Gillis-Waas (België), die door de minister van Binnenlandse Zaken waren uitgesproken op basis van artikel 74/5, § 1, 2°, van deze wet. Deze plaatsen liggen geografisch gezien niet aan de grens of in een transitzone, maar worden krachtens artikel 74/5, § 2, van deze wet gelijkgesteld met plaatsen „gesitueerd in het grensgebied”. |
|
28 |
In België bestonden er ten tijde van de aan de hoofdgedingen ten grondslag liggende feiten namelijk geen plaatsen van bewaring aan de grenzen of in transitzones, aangezien de infrastructuur op de Belgische luchthavens ontoereikend was gebleken voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming en voor de eerbiediging van hun grondrechten. |
|
29 |
Uit de verwijzingsbeslissing volgt dat de in punt 27 van het onderhavige arrest genoemde beslissingen „tot het vasthouden in een welbepaalde plaats in het grensgebied”, beslissingen zijn die zijn gebaseerd op artikel 8, lid 3, onder c), van richtlijn 2013/33, op grond waarvan een verzoeker om internationale bescherming in bewaring kan worden gehouden om een beslissing te nemen over diens recht om het grondgebied te betreden. |
|
30 |
Na een termijn van vier weken hebben verzoekers in de hoofdgedingen overeenkomstig artikel 43, lid 2, van richtlijn 2013/32 toestemming gekregen om het Belgische grondgebied binnen te komen. Wel werden zij krachtens beslissingen die de Commissaris-generaal binnen die termijn had genomen op grond van artikel 74/5, §§ 4 en 5, en artikel 74/6, § 1, 2°, van de wet van 15 december 1980, in bewaring gehouden op de in punt 27 van het onderhavige arrest bedoelde plaatsen. Uit de verwijzingsbeslissing volgt dat deze beslissingen, voor zover verzoekers in de hoofdgedingen op basis daarvan in bewaring worden gehouden, zijn gebaseerd op artikel 8, lid 3, onder b), van richtlijn 2013/33. Volgens die bepaling kan een verzoeker in bewaring worden gehouden om de gegevens te verkrijgen die ten grondslag liggen aan zijn verzoek om internationale bescherming en die niet zouden kunnen worden verkregen als de betrokkene niet in bewaring zou worden gehouden, met name in geval van risico op onderduiken van de verzoeker. |
|
31 |
In de zaken C‑51/24 en C‑53/24 zijn verzoekers in de hoofdgedingen door de Commissaris-generaal gehoord tijdens een persoonlijk onderhoud voordat de in het vorige punt bedoelde beslissing om hen in bewaring te houden werd genomen. De verzoekers in de hoofdgedingen in de zaken C‑52/24 en C‑54/24 tot en met C‑56/24 zijn gehoord nadat deze beslissing jegens hen was genomen. |
|
32 |
Na dit onderhoud met verzoekers heeft de Commissaris-generaal beslissingen genomen houdende weigering van de vluchtelingenstatus en de subsidiairebeschermingsstatus, alsmede, in zaak C‑51/24, een beslissing om het verzoek als niet-ontvankelijk te beschouwen. |
|
33 |
Verzoekers in de hoofdgedingen hebben tegen die beslissingen beroep ingesteld bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (België), de verwijzende rechter. |
|
34 |
Voor deze rechter hebben sommige partijen schending van artikel 57/6/4 van de wet van 15 december 1980 aangevoerd. |
|
35 |
De verwijzende rechter merkt op dat deze bepaling artikel 43, leden 1 en 2, van richtlijn 2013/32 in het nationale recht heeft omgezet. Hij preciseert dat personen als verzoekers in de hoofdgedingen vallen binnen de werkingssfeer van artikel 43 wat betreft de behandeling van hun verzoek om internationale bescherming in het kader van een grensprocedure, en die van artikel 8, lid 3, onder c), van richtlijn 2013/33 wat betreft hun plaatsing in een plaats van bewaring die is gelegen op het grondgebied, maar door een regelgevende tekst wordt gelijkgesteld met een plaats die is gelegen in het grensgebied. |
|
36 |
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vraagt zich af of de bepalingen van het Belgische recht op grond waarvan, ten eerste, de grensprocedure wordt toegepast op personen die op dergelijke plaatsen worden vastgehouden en, ten tweede, dergelijke personen na het verstrijken van de in artikel 43, lid 2, van richtlijn 2013/32 gestelde termijn van vier weken nog steeds worden vastgehouden, op een andere grondslag, op dezelfde plaats, die echter niet langer wordt aangemerkt als „plaats gesitueerd in het grensgebied”, maar als „plaats op het grondgebied”, verenigbaar zijn met het Unierecht. |
|
37 |
In die omstandigheden heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
|
|
38 |
Bij beslissing van de president van het Hof van 14 maart 2024 zijn de zaken C‑50/24 tot en met C‑56/24 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling alsook voor het arrest. |
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
|
39 |
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 43 van richtlijn 2013/32 aldus moet worden uitgelegd dat een procedure voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat aan de grens of in een transitzone wordt ingediend door een verzoeker die tijdens deze procedure in bewaring wordt gehouden in een plaats op het grondgebied van de betrokken lidstaat die geografisch niet nabij de grens van die staat is gelegen, maar die door de nationale regelgeving wordt gelijkgesteld met een plaats nabij de grens, binnen de werkingssfeer van artikel 43 valt. |
|
40 |
Artikel 43, lid 1, van richtlijn 2013/32 biedt de lidstaten de mogelijkheid om specifieke procedures in te voeren om aan hun grenzen of in hun transitzones een beslissing te nemen over de ontvankelijkheid, krachtens artikel 33 van deze richtlijn, van een verzoek om internationale bescherming dat op deze plaatsen is gedaan, of, in een van de in artikel 31, lid 8, van deze richtlijn genoemde gevallen, over de inhoud van dit verzoek, voor zover deze procedures in overeenstemming zijn met de fundamentele beginselen en waarborgen in hoofdstuk II van deze richtlijn. Krachtens artikel 43, lid 2, van richtlijn 2013/32 moeten deze specifieke procedures binnen een redelijke termijn worden gevoerd, met dien verstande dat de betrokken lidstaat, wanneer niet binnen vier weken is besloten om het verzoek om internationale bescherming af te wijzen, aan de verzoeker toegang tot zijn grondgebied moet verlenen en diens verzoek na afloop van deze termijn van vier weken moet worden behandeld overeenkomstig de op grond van het gewone recht te volgen procedure (arrest van 14 mei 2020, Országos Idegenrendészeti Főigazgatóság Dél-alföldi Regionális Igazgatóság, C‑924/19 PPU en C‑925/19 PPU, EU:C:2020:367, punt 235). |
|
41 |
Volgens de rechtspraak van het Hof moet bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling rekening worden gehouden met de bewoordingen, de context ervan en de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt (zie arresten van 17 november 1983, Merck, 292/82, EU:C:1983:335, punt 12, en 1 augustus 2025, Alace en Canpelli, C‑758/24 en C‑759/24, EU:C:2025:591, punt 91). |
|
42 |
Wat de bewoordingen van artikel 43 van richtlijn 2013/32 betreft, moet worden opgemerkt dat deze bepaling niet spreekt van bewaring en dus evenmin van een eventuele bewaring in het kader van een grensprocedure. |
|
43 |
Hieruit volgt dat de bewoordingen van deze bepalingen op zich niet de mogelijkheid bieden om de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat aan de grens of in een transitzone is ingediend, uit te sluiten van de werkingssfeer ervan wanneer de plaats waar de verzoeker in bewaring wordt gehouden niet geografisch in het grensgebied van de betrokken lidstaat is gelegen, maar door de nationale regelgeving voor een grensprocedure met een dergelijke plaats wordt gelijkgesteld. |
|
44 |
Niettemin volgt uit artikel 43, lid 2, van richtlijn 2013/32 dat de verzoeker toegang wordt verleend tot het grondgebied van de betrokken lidstaat wanneer niet binnen vier weken is besloten om het verzoek om internationale bescherming af te wijzen. Hieruit moet worden afgeleid dat een dergelijke verzoeker, zolang deze termijn niet is verstreken, in het kader van een grensprocedure kan worden geacht het grondgebied van die lidstaat niet te mogen binnenkomen. |
|
45 |
Zoals de advocaat-generaal in punt 44 van zijn conclusie in wezen opmerkt, lijkt dit aan te tonen dat de aanwezigheid van een verzoeker om internationale bescherming in een plaats van bewaring die op het grondgebied van de betrokken lidstaat ligt, maar geografisch niet in het grensgebied van die lidstaat ligt, niet uitsluit dat de grensprocedure wordt toegepast. |
|
46 |
Wat de context van artikel 43 van richtlijn 2013/32 betreft, moet worden opgemerkt dat geen van de bepalingen van deze richtlijn, met name artikel 26, lid 1, ervan, dat de bepaling inzake bewaring vormt, en artikel 31, lid 8, van die richtlijn, dat de lidstaten toestaat om in de daarin bedoelde gevallen gebruik te maken van de procedures van artikel 43 van deze richtlijn, een aanwijzing bevat op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de lidstaten in het kader van een grensprocedure in de zin van artikel 43 niet bevoegd zijn een verzoeker om internationale bescherming in bewaring te houden in een plaats die geografisch niet in het grensgebied van een bepaalde lidstaat is gelegen. |
|
47 |
Verder stelt richtlijn 2013/33 in de artikelen 8 tot en met 11 ervan weliswaar de vereisten vast die van toepassing zijn op de bewaring van verzoekers om internationale bescherming en verwijst zij in verschillende bepalingen naar de situatie van deze verzoekers tijdens een procedure krachtens artikel 43 van richtlijn 2013/32, maar geen van de bepalingen van richtlijn 2013/33 verplicht om die verzoeker in dat kader in bewaring te houden aan de grens of in een transitzone. |
|
48 |
Wat ten slotte de doelstellingen van artikel 43 van richtlijn 2013/32 betreft, volgt uit overweging 38 van deze richtlijn dat met de grensprocedure wordt beoogd de lidstaten de mogelijkheid te bieden beslissingen te nemen over de talrijke verzoeken om internationale bescherming die zijn gedaan aan de grens of in een transitzone „voordat een beslissing over de toegang van de verzoeker [tot het grondgebied] wordt genomen”. |
|
49 |
Het is de lidstaten dus toegestaan om personen die om internationale bescherming verzoeken de verplichting op te leggen om maximaal vier weken aan hun grenzen of in een van hun transitzones te verblijven om, alvorens te beslissen of deze personen recht hebben op toegang tot hun grondgebied, te onderzoeken of hun verzoek niet-ontvankelijk is krachtens artikel 33 van richtlijn 2013/32 dan wel of dit ongegrond moet worden verklaard overeenkomstig artikel 31, lid 8, van deze richtlijn (arrest van 14 mei 2020, Országos Idegenrendészeti Főigazgatóság Dél-alföldi Regionális Igazgatóság, C‑924/19 PPU en C‑925/19 PPU, EU:C:2020:367, punt 237). |
|
50 |
De grensprocedures hebben dus tot doel de lidstaten in staat te stellen een eerste schifting te maken onder de verzoeken om internationale bescherming, alvorens alleen de derdelanders wier verzoeken bij die procedure niet zijn afgewezen formeel toegang te geven tot hun grondgebied. Zoals de advocaat-generaal in punt 38 van zijn conclusie opmerkt, wordt de verwezenlijking van die doelstelling niet beïnvloed door de plaats waar die derdelander zich tijdens de behandeling van zijn verzoek fysiek bevindt en vereist zij niet dat die behandeling plaatsvindt aan de grens van deze staten. |
|
51 |
Moest artikel 43 van richtlijn 2013/32 daarentegen aldus worden uitgelegd dat, in het kader van de uitvoering van een grensprocedure, de bewaring van een verzoeker om internationale bescherming verplicht aan de grens van de betrokken lidstaat of in een transitzone moet plaatsvinden, dan zou deze uitvoering in bepaalde gevallen uiterst moeilijk of zelfs onmogelijk kunnen blijken, of in voorkomend geval negatieve gevolgen kunnen hebben voor de eerbiediging van de waarborgen die de richtlijnen 2013/32 en 2013/33 aan verzoekers bieden, en in het algemeen voor de eerbiediging van hun grondrechten en, in het bijzonder, hun menselijke waardigheid, in strijd met de in overweging 18 van laatstgenoemde richtlijn genoemde doelstelling. |
|
52 |
Zoals de advocaat-generaal in de punten 39 en 40 van zijn conclusie in de kern heeft benadrukt, kan, afhankelijk van de geografische en infrastructurele bijzonderheden van de lidstaten, de verplichte bewaring van verzoekers aan de grens of in een transitzone in het bijzonder leiden tot structurele en ruimtelijke beperkingen of zelfs tot het gebruik van accommodatie die onverenigbaar is met de fundamentele beginselen en waarborgen in hoofdstuk II van richtlijn 2013/32, alsook met de waarborgen en voorwaarden van de artikelen 9 tot en met 11 van richtlijn 2013/33 en, in voorkomend geval, met de eerbiediging van hun waardigheid. |
|
53 |
Bovendien zou het, zoals de Italiaanse regering heeft opgemerkt, voor lidstaten met grote grensgebieden aan zee uiterst moeilijk of zelfs onmogelijk kunnen zijn om artikel 43 van richtlijn 2013/32 toe te passen indien dat aldus moest worden uitgelegd dat de lidstaten het verzoek om internationale bescherming moeten behandelen aan hun geografische grens, zonder enige mogelijkheid om de verzoeker over te plaatsen naar een plaats op het nationale grondgebied die wordt gelijkgesteld met een plaats nabij de grens. |
|
54 |
Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 43 van richtlijn 2013/32 aldus moet worden uitgelegd dat een procedure voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat aan de grens of in een transitzone wordt ingediend door een verzoeker die tijdens deze procedure in bewaring wordt gehouden in een plaats op het grondgebied van de betrokken lidstaat die geografisch niet nabij de grens van die staat is gelegen, maar die door de nationale regelgeving wordt gelijkgesteld met een plaats nabij de grens, binnen de werkingssfeer van artikel 43 valt. |
Tweede vraag
|
55 |
Met de eerste twee delen van zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter ten eerste in wezen te vernemen of artikel 43 van richtlijn 2013/32 aldus moet worden uitgelegd dat de behandeling van een verzoek om internationale bescherming na het verstrijken van de in artikel 43, lid 2, van die richtlijn bepaalde termijn van vier weken nog steeds binnen de werkingssfeer van artikel 43 valt. Ten tweede vraagt deze rechter zich af of het verenigbaar is met het Unierecht dat dezelfde plaats van bewaring in het kader van een procedure voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming aanvankelijk wordt beschouwd als een „plaats […] in het grensgebied” en vervolgens, na het verstrijken van deze termijn van vier weken, als een „plaats op het grondgebied”. |
|
56 |
Zoals blijkt uit de in punt 40 van het onderhavige arrest vermelde rechtspraak, heeft het Hof reeds opgemerkt dat krachtens artikel 43, lid 2, van richtlijn 2013/32 de in lid 1 van dat artikel 43 bedoelde specifieke procedures binnen een redelijke termijn moeten worden gevoerd, met dien verstande dat de betrokken lidstaat, wanneer niet binnen vier weken is besloten om het verzoek om internationale bescherming af te wijzen, aan de verzoeker toegang tot zijn grondgebied moet verlenen en diens verzoek na afloop van deze termijn moet worden behandeld overeenkomstig de andere bepalingen van deze richtlijn. |
|
57 |
Voorts kunnen volgens artikel 43, lid 3, van richtlijn 2013/32, wanneer het door de aankomst van grote aantallen onderdanen van derde landen of staatlozen die aan de grens of in een transitzone verzoeken om internationale bescherming indienen, in de praktijk onmogelijk is om aldaar de bepalingen van lid 1 van artikel 43 toe te passen, deze procedures ook worden toegepast indien en zolang de onderdanen van derde landen of staatlozen op normale wijze worden ondergebracht op plaatsen nabij de grens of de transitzone. |
|
58 |
Hieruit volgt dat, onder voorbehoud van de toepasselijkheid van artikel 43, lid 3, van deze richtlijn, de behandeling van een dergelijk verzoek na de termijn van vier weken niet langer binnen de werkingssfeer van de in lid 1 van artikel 43 bedoelde grensprocedures valt. |
|
59 |
Wat betreft de vraag of dezelfde plaats van bewaring in het kader van een procedure voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming aanvankelijk kan worden gelijkgesteld met een „plaats […] in het grensgebied” en vervolgens, nadat de verzoeker toestemming heeft gekregen om het grondgebied binnen te komen wegens het verstrijken van de termijn van vier weken, kan worden beschouwd als een „plaats op het grondgebied”, zij eraan herinnerd dat, zoals in wezen blijkt uit het onderzoek van de eerste vraag, artikel 43 van richtlijn 2013/32 zich er niet tegen verzet dat de verzoeker bij de behandeling van een dergelijk verzoek in het kader van een grensprocedure in bewaring wordt gehouden op een plaats die wordt gelijkgesteld met een plaats „nabij de grens”, maar zich binnen het grondgebied bevindt. |
|
60 |
Wanneer het de verzoeker overeenkomstig artikel 43, lid 2, van richtlijn 2013/32 is toegestaan het grondgebied binnen te komen, maar het met name gelet op de grond van artikel 8, lid 3, onder b), van richtlijn 2013/33 nodig blijkt om hem in bewaring te blijven houden, verzet artikel 43, lid 2, zich er dus niet tegen dat deze maatregel wordt voortgezet op dezelfde plaats van bewaring, die dan wordt beschouwd als een „plaats op het grondgebied”. |
|
61 |
Bovendien staat niets in de bewoordingen van de andere bepalingen van richtlijn 2013/32 aan een dergelijke mogelijkheid in de weg. Met name artikel 26 van die richtlijn, dat betrekking heeft op bewaring en in lid 1 ervan bepaalt dat de gronden voor en de voorwaarden met betrekking tot bewaring, alsmede de waarborgen voor in bewaring gehouden verzoekers, in overeenstemming moeten zijn met richtlijn 2013/33, beperkt deze mogelijkheid op geen enkele wijze. |
|
62 |
Hieruit volgt dat het de lidstaten vrijstaat om dezelfde plaats van bewaring een dergelijke dubbele kwalificatie te geven, voor zover zij waarborgen dat de aldaar gevoerde behandelingsprocedures overeenkomstig artikel 31, lid 1, en artikel 43, lid 1, van richtlijn 2013/32 in overeenstemming zijn met de uitgangspunten en waarborgen zoals bedoeld in hoofdstuk II van deze richtlijn, en voor zover deze staten tevens waarborgen, overeenkomstig artikel 26, lid 1, van die richtlijn, dat de gronden voor en de voorwaarden met betrekking tot bewaring, alsmede de waarborgen die zijn bedoeld om de rechten van in bewaring gehouden verzoekers te beschermen, in overeenstemming zijn met richtlijn 2013/33, in het bijzonder met de artikelen 8 en 9 ervan. |
|
63 |
De betrokken lidstaat moet er, in het belang van deze verzoekers wier rechtssituatie bij het verstrijken van de in artikel 43, lid 2, van richtlijn 2013/32 genoemde termijn van vier weken is gewijzigd zonder verandering in hun materiële situatie in dezelfde plaats van bewaring, echter nog wel voor zorgen dat die verzoekers uiterlijk bij de vaststelling van de tweede beslissing om hen op grond van artikel 8 van richtlijn 2013/33 in bewaring te houden, in kennis worden gesteld van deze wijziging van hun rechtssituatie, namelijk dat zij als gevolg van het verstrijken van die termijn toestemming hebben om het grondgebied te betreden. Voor zover deze lidstaat tijdens de grensprocedure gebruik heeft gemaakt van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2013/33, op grond waarvan hij kan besluiten dit artikel niet toe te passen, moet die lidstaat bovendien in voorkomend geval het in lid 1 van dat artikel bedoelde document of het in lid 2 van dat artikel bedoelde gelijkwaardige bescheid aan de verzoeker verstrekken. |
|
64 |
Gelet op een en ander dient op de eerste twee delen van de tweede vraag te worden geantwoord dat, ten eerste, artikel 43 van richtlijn 2013/32 aldus moet worden uitgelegd dat de behandeling van een verzoek om internationale bescherming na het verstrijken van de in artikel 43, lid 2, van die richtlijn bepaalde termijn van vier weken niet langer binnen de werkingssfeer van artikel 43 valt, maar binnen die van de andere bepalingen van deze richtlijn, en, ten tweede, deze richtlijn zich er niet tegen verzet dat dezelfde plaats van bewaring, in het kader van een procedure ter behandeling van een dergelijk verzoek, aanvankelijk wordt gelijkgesteld met een „plaats […] in het grensgebied” en vervolgens, nadat de verzoeker toestemming heeft gekregen om het grondgebied binnen te komen wegens het verstrijken van die termijn, wordt beschouwd als een „plaats op het grondgebied”. De betrokken lidstaat moet er evenwel voor zorgen dat deze verzoeker uiterlijk bij de vaststelling van de beslissing om hem op grond van artikel 8 van richtlijn 2013/33 in bewaring te houden, in kennis wordt gesteld van de wijziging van zijn rechtssituatie, namelijk dat hij als gevolg van het verstrijken van die termijn toestemming heeft om het grondgebied binnen te komen en, in voorkomend geval, dat hem het in artikel 6, lid 1, van richtlijn 2013/33 bedoelde document of, overeenkomstig artikel 6, lid 2, van deze richtlijn, een gelijkwaardig bescheid wordt verstrekt. |
|
65 |
Met het derde deel van zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof in wezen te vernemen wat de gevolgen zijn voor de temporele en materiële bevoegdheid van de beslissingsautoriteit van het feit dat de verzoeker in bewaring blijft in dezelfde plaats, die aanvankelijk wordt gelijkgesteld met een „plaats […] in het grensgebied” en vervolgens wegens het verstrijken van de in artikel 43, lid 2, van richtlijn 2013/32 gestelde termijn van vier weken wordt aangemerkt als een „plaats op het grondgebied”. |
|
66 |
Artikel 2, onder f), van deze richtlijn definieert de beslissingsautoriteit als elk semi-rechterlijk of administratief orgaan in een lidstaat dat met de behandeling van verzoeken om internationale bescherming is belast en bevoegd is daarover in eerste aanleg een beslissing te nemen. |
|
67 |
Daarenboven volgt uit artikel 4, lid 1, van die richtlijn dat de lidstaten voor alle procedures een beslissingsautoriteit aanwijzen die de bedoelde verzoeken naar behoren dient te behandelen. |
|
68 |
In die omstandigheden moet, zoals de advocaat-generaal in punt 62 van zijn conclusie heeft opgemerkt, worden opgemerkt dat de voortzetting van de bewaring van de verzoeker en de verandering in de juridische kwalificering van de plaats van die bewaring na het verstrijken van de in artikel 43, lid 2, van richtlijn 2013/32 gestelde termijn van vier weken, op zichzelf niet van invloed zijn op de bevoegdheid van de beslissingsautoriteit. |
|
69 |
Het is immers veeleer het verstrijken van die termijn – in die zin dat dit de verschuiving van de grensprocedure naar een andere procedure voor de behandeling van verzoeken om internationale bescherming meebrengt – dat, voor zover de betrokken lidstaat verschillende beslissingsautoriteiten heeft aangewezen om die procedures uit te voeren, van invloed kan zijn op de beslissingsbevoegdheid met betrekking tot die verzoeken. In casu lijkt uit de verwijzingsbeslissing naar voren te komen dat zowel in het kader van de grensprocedure als in het kader van de andere daaropvolgende procedure dezelfde autoriteit, namelijk de Commissaris-generaal, de beslissingsautoriteit is. |
|
70 |
Het verstrijken van deze termijn van vier weken heeft ook tot gevolg dat de materiële beperkingen, vastgesteld in artikel 43, lid 1, van richtlijn 2013/32, en de aan die termijn inherente temporele beperkingen, genoemd in lid 2 van dat artikel 43, die gelden voor de beslissingen die in het kader van grensprocedures kunnen worden genomen, niet langer van toepassing zijn op de beslissingsautoriteit, die nu in het kader van een andere procedure beslist. |
|
71 |
Op het derde deel van de tweede vraag moet dus worden geantwoord dat artikel 43 van richtlijn 2013/32 aldus moet worden uitgelegd dat de voortzetting van de bewaring van de verzoeker om internationale bescherming en de verandering in de juridische kwalificering van de plaats van die bewaring overeenkomstig de nationale regelgeving, na het verstrijken van de in artikel 43, lid 2, van deze richtlijn gestelde termijn van vier weken, op zich geen invloed hebben op de bevoegdheid van de beslissingsautoriteit, met dien verstande dat het verstrijken van deze termijn tot gevolg heeft dat de materiële en temporele beperkingen die voortvloeien uit dat artikel 43 niet langer van toepassing zijn. |
Derde en vierde vraag
|
72 |
Met zijn derde en vierde vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een verzoek om internationale bescherming, dat aanvankelijk is behandeld in het kader van een grensprocedure in de zin van artikel 43 van richtlijn 2013/32, na het verstrijken van de in lid 2 van artikel 43 genoemde termijn van vier weken met voorrang kan worden behandeld overeenkomstig artikel 31, lid 7, van deze richtlijn, wanneer de verzoeker in bewaring blijft om de in artikel 8, lid 3, onder b), van richtlijn 2013/33 bedoelde reden, zowel wanneer alle onderzoeksstappen, met inbegrip van het persoonlijk onderhoud, binnen deze termijn van vier weken zijn verricht, als wanneer dat onderhoud niet binnen die termijn heeft plaatsgevonden. In deze context betwijfelt de verwijzende rechter ook of dergelijke omstandigheden verenigbaar zijn met het uitzonderlijke karakter van het gebruik van bewaring overeenkomstig artikel 8 van laatstgenoemde richtlijn. |
|
73 |
Voor zover de Belgische regering stelt dat de vierde vraag niet-ontvankelijk is omdat de verwijzende rechter niet uiteenzet waarom hij van mening is dat een antwoord op deze vraag noodzakelijk is voor de beslechting van de hoofdgedingen, volstaat het om te beginnen erop te wijzen dat deze vraag moet worden opgevat als een verwijzing naar de derde vraag, aangezien daarin de uitdrukking „een dergelijke toepassing van de nationale regelgeving” is gebruikt. Uit de verwijzingsbeslissing volgt dus impliciet maar noodzakelijkerwijs dat de redenen waarom deze rechter van oordeel is dat een antwoord op de vierde vraag noodzakelijk is, in wezen dezelfde zijn als die op grond waarvan hij de derde vraag heeft gesteld. In die omstandigheden en gelet op het vermoeden van relevantie dat op de prejudiciële vragen rust, moet deze vierde vraag als ontvankelijk worden beschouwd. |
|
74 |
Er zij aan herinnerd dat de beslissingsautoriteit in het kader van de grensprocedure krachtens artikel 33 van richtlijn 2013/32 alleen bevoegd is te beslissen over de ontvankelijkheid van het verzoek om internationale bescherming of over de gegrondheid van dat verzoek, maar slechts in een van de in artikel 31, lid 8, van deze richtlijn bedoelde gevallen. Na het verstrijken van de termijn van vier weken waardoor de grensprocedure in tijd is begrensd, krijgt deze autoriteit echter haar bevoegdheid op grond van het gewone recht terug. |
|
75 |
In dit verband kan de lidstaat volgens artikel 31, lid 7, van die richtlijn in bepaalde situaties voorrang verlenen aan de behandeling van een verzoek om internationale bescherming overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen in hoofdstuk II van die richtlijn. Uit het gebruik in deze bepaling van de woorden „in het bijzonder” blijkt dat deze bepaling een niet-uitputtende lijst bevat van de situaties waarin de lidstaten een dergelijke voorrangsbehandeling kunnen uitvoeren. |
|
76 |
Hieraan moet worden toegevoegd dat een dergelijke voorrangsbehandeling van de procedures waarin de verzoeker in bewaring blijft, beantwoordt aan de doelstelling van richtlijn 2013/32 om de procedure voor de behandeling van verzoeken om internationale bescherming spoedig te behandelen, welke doelstelling tot uitdrukking komt in overweging 18 van deze richtlijn en wordt genoemd in artikel 31, lid 2, ervan, en tevens wordt benadrukt in artikel 9, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2013/33, wat de administratieve procedures in verband met de in artikel 8, lid 3, van laatstgenoemde richtlijn genoemde redenen voor bewaring betreft. |
|
77 |
In deze context beperkt het feit dat alle onderzoeksstappen vóór het verstrijken van de in artikel 43, lid 2, van richtlijn 2013/32 gestelde termijn van vier weken zijn verricht, niet de mogelijkheid voor de beslissingsautoriteit om een verzoek om internationale bescherming met voorrang te behandelen. In dit verband moet in navolging van de Belgische regering worden opgemerkt dat de Uniewetgever, door te bepalen dat de onder de grensprocedure aangevangen behandeling van een verzoek om internationale bescherming vervolgens wordt voortgezet overeenkomstig de andere procedures waarin deze richtlijn voorziet, noodzakelijkerwijs heeft toegestaan dat tijdens of na de grensprocedure verrichte onderzoeksstappen rechtsgeldig kunnen bijdragen tot de onderbouwing van een beslissing die op grond van die andere procedures is genomen. |
|
78 |
Zoals de advocaat-generaal in punt 71 van zijn conclusie opmerkt, zou het tegen de behoefte aan een efficiënte en snelle procedure voor de behandeling van verzoeken om internationale bescherming indruisen om te verlangen dat de beslissingsautoriteit een nieuw onderzoek begint en geen rekening houdt met de onderzoeksstappen die zijn verricht tijdens de in artikel 43, lid 2, van richtlijn 2013/32 genoemde periode van vier weken. |
|
79 |
Evenwel moet worden benadrukt dat onderzoeksstappen die niet voldoen aan de fundamentele beginselen en waarborgen in hoofdstuk II van richtlijn 2013/32, niet kunnen worden aangevoerd voor een beslissing over het verzoek om internationale bescherming, noch in het kader van een gewone procedure, noch in het kader van een grensprocedure, zoals volgt uit respectievelijk artikel 31, lid 1, en artikel 43, lid 1, van deze richtlijn. Bovendien doet het gebruik van dergelijke onderzoeksstappen geen afbreuk aan het recht van de verzoeker om verdere verklaringen af te leggen, met name door nieuwe gegevens over te leggen dat hij in de praktijk in het kader van de grensprocedure niet aan de bevoegde autoriteit had kunnen voorleggen en dat deze autoriteit overeenkomstig artikel 40, lid 1, van deze richtlijn dient te onderzoeken. |
|
80 |
Hieraan moet nog worden toegevoegd dat het feit dat alle onderzoeksstappen al dan niet zijn verricht voordat de in artikel 43, lid 2, van die richtlijn gestelde termijn van vier weken verstrijkt, als zodanig geen beperking vormt voor de mogelijkheid voor de beslissingsautoriteit om de verzoeker in bewaring te houden op grond van artikel 8, lid 3, onder b), van richtlijn 2013/33, dat bewaring toestaat om de gegevens te verkrijgen die ten grondslag liggen aan het verzoek om internationale bescherming en die niet zouden kunnen worden verkregen als de betrokkene niet in bewaring zou worden gehouden, met name in geval van risico op onderduiken van de verzoeker. |
|
81 |
Een dergelijke voortzetting van de bewaring moet echter overeenkomstig artikel 26, lid 1, van richtlijn 2013/32 voldoen aan alle vereisten van de artikelen 8 en volgende van richtlijn 2013/33. |
|
82 |
In het bijzonder volgt uit artikel 8, lid 2, van richtlijn 2013/33 dat een persoon slechts in bewaring kan worden gehouden in de gevallen waarin zulks nodig blijkt op grond van een individuele beoordeling van elk geval en wanneer andere, minder dwingende maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast. Voorts volgt uit artikel 9, lid 1, van die richtlijn dat een verzoeker slechts in bewaring kan worden gehouden voor een zo kort mogelijke termijn en slechts zo lang de in artikel 8, lid 3, van die richtlijn genoemde redenen van toepassing zijn. Hieruit volgt dat de nationale autoriteiten een persoon die om internationale bescherming verzoekt alleen in bewaring kunnen houden nadat per geval is nagegaan of een dergelijke bewaring evenredig is aan de ermee nagestreefde doelen (arrest van 14 mei 2020, Országos Idegenrendészeti Főigazgatóság Dél-alföldi Regionális Igazgatóság, C‑924/19 PPU en C‑925/19 PPU, EU:C:2020:367, punt 258 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
83 |
Bovendien kan een persoon die om internationale bescherming verzoekt, overeenkomstig artikel 8, lid 3, eerste alinea, van richtlijn 2013/33 slechts in bewaring worden gehouden om een van de limitatief opgesomde redenen; elk van die redenen beantwoordt aan een specifieke behoefte en is naar haar aard autonoom (arrest van 14 mei 2020, Országos Idegenrendészeti Főigazgatóság Dél-alföldi Regionális Igazgatóság, C‑924/19 PPU en C‑925/19 PPU, EU:C:2020:367, punt 250 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
84 |
Vanuit dit oogpunt is er weliswaar geen enkele bepaling in richtlijn 2013/33 die een bepaalde termijn stelt waarna de lidstaten de bewaring van personen die om internationale bescherming verzoeken moeten beëindigen, maar vereist artikel 9 van deze richtlijn dat de verzoeker doeltreffende procedurele waarborgen geniet waarmee zijn bewaring kan worden beëindigd zodra deze niet langer noodzakelijk is of niet langer evenredig is aan het ermee nagestreefde doel (zie in die zin arrest van 14 mei 2020, Országos Idegenrendészeti Főigazgatóság Dél-alföldi Regionális Igazgatóság, C‑924/19 PPU en C‑925/19 PPU, EU:C:2020:367, punten 263 en 264 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zo bepaalt artikel 9 ten eerste, in lid 3, eerste alinea, dat bewaring met spoed door een rechter wordt getoetst en ten tweede, in lid 5, dat de voortzetting van de bewaring, ambtshalve of op verzoek van de betrokken verzoeker, met redelijke tussenpozen door een rechterlijke instantie opnieuw wordt bezien. |
|
85 |
Wat meer bepaald de praktijk betreft om de behandeling van een verzoek om internationale bescherming aan te vangen in het kader van een grensprocedure, waarbij de verzoeker in bewaring wordt gehouden om de reden van artikel 8, lid 3, onder c), van richtlijn 2013/33 en de bewaring van de verzoeker vervolgens, na het verstrijken van de in artikel 43, lid 2, van richtlijn 2013/32 gestelde termijn van vier weken, wordt verlengd om een andere reden, namelijk die van artikel 8, lid 3, onder b), van richtlijn 2013/33, moet de bevoegde autoriteit per geval naar behoren nagaan of die verlenging noodzakelijk is om dat doel te bereiken en of dit doel niet even doeltreffend kan worden bereikt met minder dwingende maatregelen. |
|
86 |
Hieruit volgt dat het gebruik van de in het vorige punt genoemde praktijk niet automatisch en systematisch kan plaatsvinden zonder inbreuk te maken op de artikelen 8 en 9 van laatstgenoemde richtlijn. |
|
87 |
Gelet op een en ander moet op de derde en de vierde vraag worden geantwoord dat artikel 31, lid 7, en artikel 43 van richtlijn 2013/32 aldus moeten worden uitgelegd dat zij er niet aan in de weg staan dat, ten eerste, de beslissingsautoriteit na het verstrijken van de in lid 2 van dat artikel 43 gestelde termijn van vier weken de in het kader de grensprocedure aangevangen behandeling van een verzoek om internationale bescherming met voorrang voortzet, ook wanneer de verzoeker in bewaring blijft om de reden van artikel 8, lid 3, onder b), van richtlijn 2013/33 en, ten tweede, deze autoriteit zich baseert op onderzoeksstappen die tijdens deze procedure zijn verricht, mits de in hoofdstuk II van richtlijn 2013/32 genoemde fundamentele beginselen en waarborgen in elk stadium van de behandeling van dat verzoek in acht worden genomen en, met betrekking tot deze voortzetting van de bewaring, aan alle vereisten van de artikelen 8 en 9 van richtlijn 2013/33 wordt voldaan. |
Vijfde vraag
|
88 |
Met zijn vijfde wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 31, leden 7 en 8, en de artikelen 43 en 46 van richtlijn 2013/32, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat de bevoegde rechter bij de behandeling van een beroep tegen een beslissing die is genomen in het kader van een behandelingsprocedure die aanvankelijk onder de grensprocedure viel, ambtshalve dient op te werpen dat de termijn van vier weken van artikel 43, lid 2, van deze richtlijn is overschreden. |
|
89 |
Om te beginnen moet worden opgemerkt dat hoewel het klopt dat de grensprocedure van artikel 43 van richtlijn 2013/32 wordt aangevangen vanuit de optiek dat binnen de in artikel 43, lid 2, van die richtlijn genoemde termijn van vier weken een beslissing wordt genomen over de ontvankelijkheid van het verzoek om internationale bescherming krachtens artikel 33 van richtlijn 2013/32, of over de inhoud van dat verzoek in een van de in artikel 31, lid 8, van deze richtlijn bedoelde gevallen, de lidstaten desondanks niet verplicht zijn om binnen die termijn een beslissing te nemen. Artikel 43, lid 2, van deze richtlijn bepaalt immers uitdrukkelijk dat wanneer binnen die termijn geen beslissing is genomen, aan de verzoeker toegang tot het grondgebied wordt verleend zodat zijn verzoek om internationale bescherming kan worden behandeld overeenkomstig de andere bepalingen van richtlijn 2013/32. |
|
90 |
In casu staat vast dat de beslissingen waartegen verzoekers in de hoofdgedingen beroep hebben ingesteld, zijn vastgesteld in het kader van de gewone procedure. |
|
91 |
Uit de antwoorden op de andere prejudiciële vragen volgt dat, anders dan de premisse waarvan de verwijzende rechter lijkt uit te gaan, niet aan de rechtmatigheid van deze beslissingen kan worden afgedaan door de enkele omstandigheid dat deze termijn van vier weken is overschreden, noch door de enkele omstandigheid dat deze verzoekers na die termijn in bewaring zijn gehouden. |
|
92 |
Aangezien het antwoord op de vijfde vraag daarmee niet noodzakelijk lijkt voor de beslechting van de hoofdgedingen, behoeft deze vraag niet te worden beantwoord. |
Kosten
|
93 |
Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. |
|
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht: |
|
|
|
|
ondertekeningen |
( *1 ) Procestaal: Frans.
( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.