Voorlopige editie
CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
M. SZPUNAR
van 19 maart 2026 (1)
Zaak C‑842/24
DNO Yemen AS
tegen
Petrolin Trading Limited,
MOE Oil & Gas Yemen Limited,
The Ministry of Oil and Minerals (of The Republic of Yemen),
Yemen Oil & Gas Corporation / The Yemen Company,
Dove Energy Limited, geliquideerd
[verzoek van de Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]
„ Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Beperkende maatregelen in verband met de situatie in Jemen – Verbod om tegoeden onrechtstreeks ter beschikking te stellen aan personen, entiteiten of lichamen die onder de maatregelen vallen – Terbeschikkingstelling van tegoeden aan overheidsentiteiten die niet onder de maatregelen vallen maar die onder invloed staan van personen op wie de maatregelen van toepassing zijn ”
I. Inleiding
1. Beperkende maatregelen van de Europese Unie tegen natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen staan in de huidige geopolitieke context centraal in het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB). Aangezien zij doorgaans ten uitvoer worden gelegd door middel van een door de Raad op grond van artikel 215 VWEU vastgestelde verordening, zijn deze maatregelen rechtstreeks van toepassing in de rechtsorde van de lidstaten en zijn zij bindend voor al hun organen, met inbegrip van de nationale rechterlijke instanties. Dit geldt met name voor verordening (EU) nr. 1352/2014(2), die in de onderhavige zaak aan de orde is.
2. Het in artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1352/2014 neergelegde verbod om tegoeden of economische middelen rechtstreeks of onrechtstreeks aan bepaalde personen, entiteiten of lichamen ter beschikking te stellen, is een van de beperkende maatregelen die doorgaans worden vastgesteld. Dit verbod kan van invloed zijn op contractuele verplichtingen, met inbegrip van die welke het voorwerp zijn geweest van een arbitraal vonnis. Dit is de achtergrond van de onderhavige zaak.
3. In het kader van een beroep dat tegen een arbitraal vonnis is ingesteld omdat de tenuitvoerlegging van dit vonnis een door artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1352/2014 verboden terbeschikkingstelling van tegoeden zou vormen, stelt de Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk), de verwijzende rechter, het Hof drie prejudiciële vragen, die in wezen strekken tot verduidelijking van de draagwijdte van dat verbod, het vereiste bewijsniveau opdat dat verbod van toepassing is en de verdeling van de bewijslast.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Internationaal recht
4. Op 26 februari 2014 heeft de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties tijdens zijn 7119e vergadering resolutie 2140(2014) aangenomen. Deze resolutie luidt als volgt:
„De Veiligheidsraad,
[...]
Opnieuw bevestigend dat hij sterk gehecht is aan de eenheid, soevereiniteit, onafhankelijkheid en territoriale integriteit van Jemen,
[...]
Gezien de zorgwekkende politieke, economische, humanitaire en veiligheidsproblemen, waaronder het aanhoudende geweld in Jemen,
[...]
Overwegende dat de situatie in Jemen een bedreiging vormt voor de internationale vrede en veiligheid in de regio,
Handelend krachtens hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties[(3)],
[...]
11. Besluit dat alle lidstaten, gedurende een eerste periode van één jaar vanaf de aanneming van deze resolutie, onmiddellijk alle tegoeden, andere financiële activa en economische middelen die in het bezit zijn van of onder de rechtstreekse of onrechtstreekse zeggenschap staan van de aangewezen personen of entiteiten [...] of van personen of entiteiten die namens of in opdracht van hen handelen, of van entiteiten die in hun bezit zijn of onder hun zeggenschap staan, op hun grondgebied moeten bevriezen, en besluit voorts dat alle lidstaten ervoor moeten zorgen dat hun onderdanen of personen of entiteiten op hun grondgebied geen tegoeden, financiële activa of economische middelen ter beschikking stellen van deze personen of entiteiten, of het gebruik daarvan ten behoeve van hen toestaan;
[...]”
B. Unierecht
1. Verordening nr. 1352/2014
5. Artikel 2 van verordening nr. 1352/2014(4) bepaalt:
„1. Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan of eigendom zijn, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van een in bijlage I bij deze verordening genoemde natuurlijke persoon of rechtspersoon, entiteit of lichaam, worden bevroren.
2. Aan of ten behoeve van in bijlage I genoemde natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen worden geen tegoeden of economische middelen rechtstreeks of onrechtstreeks ter beschikking gesteld.”(5)
6. Artikel 3, lid 1, van deze verordening luidt:
“Bijlage I omvat natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten en lichamen waarvoor door het Sanctiecomité [van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties(6)] is vastgesteld dat zij handelingen verrichten of steunen die de vrede, de veiligheid of de stabiliteit van Jemen ondermijnen, [...].”
7. Artikel 11 van die verordening bepaalt:
„1. De bevriezing van tegoeden of economische middelen of de weigering om tegoeden of economische middelen beschikbaar te stellen, die plaatsvindt in het vertrouwen dat die maatregel in overeenstemming met deze verordening is, mag geen aanleiding geven tot enigerlei aansprakelijkheid van de natuurlijke persoon of rechtspersoon of de entiteit die, dan wel het lichaam dat die maatregel uitvoert, of van de directeuren of werknemers daarvan, tenzij het bewijs wordt geleverd dat de tegoeden en economische middelen als gevolg van nalatigheid zijn bevroren of ingehouden.
2. Handelingen van natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen geven geen aanleiding tot enigerlei aansprakelijkheid van de betrokkenen, indien zij niet wisten en geen gegronde reden hadden om te vermoeden dat hun handelingen een inbreuk zouden vormen op de bij deze verordening ingestelde verbodsmaatregelen.”
8. De lijst in bijlage I bij die verordening komt overeen met die in de bijlage bij besluit 2014/932. In de versie die ratione temporis van toepassing is op het hoofdgeding, stonden op die lijsten zes natuurlijke personen die tot de Houthi’s behoren of hun bondgenoten zijn. Vervolgens zijn aan deze lijst niet alleen de namen van andere personen(7) toegevoegd, maar ook de Houthi-beweging in haar geheel(8).
2. Richtsnoeren inzake beperkende maatregelen
9. Punt 55b van de richtsnoeren inzake de implementatie en evaluatie van de beperkende maatregelen (sancties) in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU(9) (hierna: „richtsnoeren inzake beperkende maatregelen”)(10) luidt als volgt:
„De bepalende criteria bij de vaststelling of een andere persoon of entiteit onder de zeggenschap staat van een persoon of entiteit, alleen of krachtens een overeenkomst met een andere aandeelhouder of derde partij, kunnen onder meer omvatten:
[...]
(d) het bezit van het recht tot het uitoefenen van een overheersende invloed op een rechtspersoon of entiteit ingevolge een met die rechtspersoon of entiteit aangegane overeenkomst of een bepaling in het memorandum of de akte van oprichting, wanneer het recht dat die rechtspersoon of entiteit beheerst een dergelijke overeenkomst of bepaling toestaat; of
(e) het hebben van de bevoegdheid tot het uitoefenen van het recht om de overheersende invloed als bedoeld in punt d) uit te oefenen zonder de houder van dat recht te zijn; of
(f) het hebben van het recht om alle of een deel van de activa van een rechtspersoon of entiteit te gebruiken; [...]
[...]
Indien aan een van deze criteria is voldaan, wordt de rechtspersoon of entiteit vermoed onder de zeggenschap te staan van een andere persoon of entiteit, tenzij per geval het tegendeel kan worden bewezen.”
10. Punt 55d van deze richtsnoeren preciseert:
„Indien de eigendom of zeggenschap overeenkomstig de bovenvermelde criteria is vastgesteld, wordt het ter beschikking stellen van tegoeden of andere economische middelen aan een niet op een lijst geplaatste rechtspersoon of entiteit die in het bezit is of onder controle staat van een wel op een lijst geplaatste persoon of entiteit, in beginsel beschouwd als het onrechtstreeks ter beschikking stellen van tegoeden of economische middelen aan een op een lijst geplaatste persoon of entiteit, tenzij per geval redelijkerwijs kan worden vastgesteld op basis van een risicogerichte aanpak, rekening houdend met alle ter zake doende omstandigheden, waaronder de onderstaande criteria, dat de tegoeden of economische middelen in kwestie niet zullen worden gebruikt door noch ten gunste van de bewuste op een lijst geplaatste persoon of entiteit.
Er dient onder meer rekening te worden gehouden met de volgende criteria:
(a) de datum waarop de contractuele verhouding tussen de betrokken entiteiten is aangegaan en de aard van de verhouding (bijv. koop-, verkoop- of distributieovereenkomst);
(b) het belang van de sector waarin de niet op een lijst geplaatste entiteit actief is voor de op een lijst geplaatste entiteit;
(c) de kenmerken van de ter beschikking gestelde tegoeden of economische middelen, waaronder het potentiële praktische gebruik ervan door, en de mate waarin zij gemakkelijk kunnen worden overgedragen aan, de op een lijst geplaatste entiteit.
[...]”
11. Punt 55e van die richtsnoeren bepaalt:
„Er zij op gewezen dat onder het onrechtstreeks ter beschikking stellen van tegoeden of economische middelen aan op een lijst geplaatste personen of entiteiten ook kan worden verstaan het ter beschikking stellen van deze zaken aan personen of entiteiten die niet in het bezit zijn of onder controle staan van op een lijst geplaatste entiteiten.”
C. Frans recht
12. Ingevolge artikel 1518 van de code de procédure civile (Frans wetboek van burgerlijke rechtsvordering) staat „[t]egen een in Frankrijk gedane uitspraak inzake internationale arbitrage [...] uitsluitend beroep tot nietigverklaring open”.
13. Artikel 1520, punt 5, van dit wetboek bepaalt: „Een beroep tot nietigverklaring staat slechts open indien: [...] de erkenning of de tenuitvoerlegging van het vonnis in strijd is met de internationale openbare orde.”
14. Volgens de rechtspraak van de verwijzende rechter staat het aan de rechter die kennisneemt van het beroep tot nietigverklaring om concreet na te gaan of de opneming van een arbitraal vonnis in de Franse rechtsorde een gekwalificeerde schending van de internationale openbare orde vormt.(11)
15. Volgens artikel 1527, tweede alinea, van de code de procédure civile verleent „[d]e verwerping van het beroep tot nietigverklaring [...] het exequatur aan het arbitrale vonnis of de bepalingen ervan die de rechterlijke toetsing hebben doorstaan”.
III. Hoofdgeding, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof
16. De Ministry of Oil and Minerals (of The Republic of Yemen) (hierna: „ministerie”) en Yemen Oil and Gas Corporation (hierna: „YOGC”), welke vennootschap volledig in handen is van de staat Jemen, hebben met DNO Yemen AS (hierna: „DNO”), Petrolin Trading (hierna: „Petrolin”), MOE Oil & Gas Yemen (hierna: „MOE”) en Dove Energy aardolie- en aardgasexploitatie- en productieverdelingsovereenkomsten gesloten die een arbitrageclausule bevatten.
17. In de loop van 2014 hebben DNO, Petrolin, MOE en Dove Energy te kennen gegeven dat zij zich uit deze overeenkomsten wensten terug te trekken. In 2015 hebben het ministerie en YOGC onder auspiciën van de internationale kamer van koophandel een arbitrageprocedure ingeleid en bij arbitraal vonnis van 15 juli 2019 dat is uitgesproken te Parijs (Frankrijk) zijn DNO, Petrolin en MOE veroordeeld tot betaling van schadevergoeding (hierna: „arbitraal vonnis”).
18. DNO, Petrolin en MOE hebben beroep ingesteld bij de cour d’appel de Paris (rechter in tweede aanleg Parijs, Frankrijk), waarbij zij met name aanvoerden dat dit vonnis in strijd was met de internationale openbare orde, aangezien door de tenuitvoerlegging ervan onrechtstreeks tegoeden ter beschikking zouden kunnen worden gesteld van op de lijst in bijlage I bij verordening nr. 1352/2014 geplaatste natuurlijke personen en rechtspersonen, entiteiten of lichamen (hierna: „aangewezen personen”) in de zin van artikel 2, lid 2, van deze verordening.
19. In de loop van 2014 is het conflict in Jemen tussen de door de internationale gemeenschap erkende regering (hierna: „wettige regering”) en de Houthi-beweging immers geëscaleerd nadat deze laatste de controle over de hoofdstad Sanaa had verkregen. In 2015 heeft een internationale coalitie geïntervenieerd ter ondersteuning van de wettige regering, die voorlopig in Aden (Jemen) zetelt. Het conflict en het daaruit voortvloeiende „uiteenvallen” van de Jemenitische economie en samenleving hebben geleid tot de instelling van parallelle bestuursstructuren: de Houthi-beweging maakt gebruik van de bestaande institutionele infrastructuren te Sanaa(12), terwijl de wettige regering steunt op de ontwikkeling van nieuwe institutionele capaciteiten(13).
20. Bij arrest van 5 oktober 2021 heeft de cour d’appel de Paris het door DNO, Petrolin en MOE ingestelde beroep verworpen op grond dat de in het kader van artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1352/2014 te verrichten toetsing moest plaatsvinden in het licht van de situatie op de dag waarop de rechter uitspraak doet, en moest berusten op ernstige, nauwkeurige en onderling overeenstemmende aanwijzingen op grond waarvan kan worden vastgesteld dat deze sanctieregeling niet is nageleefd.
21. In casu heeft deze rechter geoordeeld dat, om te kunnen spreken van een onrechtstreekse terbeschikkingstelling van tegoeden, moest worden aangetoond dat het ministerie en YOGC daadwerkelijk handelden „in naam, onder de zeggenschap van, of in opdracht van” de aangewezen personen en dat zij voornemens waren tegoeden ten behoeve van hen te gebruiken. Hij heeft zich in dit verband gebaseerd op de criteria van punt 55b van de richtsnoeren inzake beperkende maatregelen.
22. Dienaangaande heeft de cour d’appel de Paris ten eerste geoordeeld dat uit geen van de overgelegde gegevens kon worden afgeleid dat het ministerie – dat de wettige regering vertegenwoordigt, door de internationale gemeenschap is erkend en wordt ondersteund door de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds (IMF) – handelt onder de zeggenschap of in opdracht van de aangewezen personen, terwijl deze regering in het gewapende conflict in Jemen voornamelijk tegenover de Houthi-beweging staat.
23. Ten tweede heeft deze rechter geoordeeld dat, hoewel uit de overgelegde gegevens bleek dat zowel de wettige regering als de Houthi-beweging aanspraak hadden gemaakt op de zeggenschap over YOGC – deze situatie wordt in het hoofdgeding aangemerkt als „rivaliserende invloed” –, geenszins was aangetoond dat deze twee partijen in onderling overleg handelden en dat YOGC onder de zeggenschap van deze beweging stond. In dit verband heeft de verwijzende rechter zich gebaseerd op een brief van 23 augustus 2015 van de premier van de wettige regering aan de buitenlandse oliemaatschappijen, waarin hij hen uitnodigde om alleen zaken te doen met personen die onder het gezag van deze regering stonden, en waarin hun werd meegedeeld dat alle in februari 2015 vastgestelde besluiten, benoemingen en richtsnoeren van de Houthi-milities die aan het ministerie en aan de bij dit ministerie aangesloten autoriteiten en lichamen waren gericht, als nietig moesten worden beschouwd, niet mochten worden toegepast en, ten slotte, dat de buitenlandse marktdeelnemers de aan de staat verschuldigde bedragen niet mochten overmaken zolang zij niet op de hoogte waren gesteld van de plaats en het tijdstip van de overmaking.
24. Bovendien was deze rechter van oordeel dat de vermelding van de naam van een Houthi-minister op de officiële website van YOGC, die mogelijk was gehackt, en het verslag van het Jemenitische persagentschap Saba over een bijeenkomst in aanwezigheid van de Houthi-premier – waarbij de uitvoerend directeur van YOGC een korte uiteenzetting had gegeven over met name het rantsoeneringsprogramma voor benzine, diesel en gas voor huishoudelijk gebruik in de hoofdstad en in de door de Houthi’s gecontroleerde gouvernementen – niet volstonden om aan te tonen dat zeggenschap over YOGC was verworven.
25. Ten slotte heeft die rechter opgemerkt dat het ontbreken van een link naar de website van YOGC vanaf de officiële website van de wettige regering (beschikbaar op www.mom-ye.com) en het feit dat die website de voormalige overheidsdomeinnaam (www.mom-gov.ye) gebruikt die wordt gebezigd door de Houthi’s die de voormalige website van de overheid hebben bemachtigd, niet afdeed aan het feit dat de wettige regering ook aanspraak maakte op zeggenschap over YOGC.
26. In maart 2022 heeft de Republiek Jemen, vertegenwoordigd door het ministerie, een verzoek tot tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis ingediend bij de districtsrechtbank te Oslo (Noorwegen), die dit vonnis uitvoerbaar achtte en DNO heeft gelast de verschuldigde schadevergoeding te betalen. Deze beslissing is op 4 november 2023 definitief geworden.
27. Op 4 december 2023 heeft DNO het op grond van het arbitrale vonnis verschuldigde nettobedrag aan het ministerie overgemaakt. Bij brief van 13 december 2022 heeft YOGC op verzoek van DNO bevestigd dat zij al haar rechten uit hoofde van dit vonnis aan het ministerie had overgedragen en verklaard niet voornemens te zijn de reeds betaalde bedragen van het ministerie te vorderen.
28. DNO en Petrolin hebben tegen het arrest van de cour d’appel de Paris respectievelijk cassatieberoep en incidenteel cassatieberoep ingesteld bij de verwijzende rechter. Ter ondersteuning van hun op gekwalificeerde schending van de internationale openbare orde gebaseerde cassatieberoepen hebben deze vennootschappen in wezen aangevoerd dat de cour d’appel de Paris onjuist had gehandeld door, ten eerste, enkel te onderzoeken of YOGC niet in het bezit was of onder de zeggenschap stond van aangewezen personen, en, ten tweede, niet na te gaan of met de tenuitvoerlegging van het betrokken arbitrale vonnis aan deze personen tegoeden ter beschikking zouden worden gesteld of dreigden te worden gesteld.
29. In dit verband herinnert de verwijzende rechter in de eerste plaats aan de rechtspraak van het Hof volgens welke de uitdrukking „ter beschikking gesteld” ruim moet worden opgevat(14), alsook aan het preventieve doel van beperkende maatregelen(15).
30. In de tweede plaats benadrukt deze rechter dat de centrale vraag in de onderhavige zaak betrekking heeft op de criteria aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of er sprake is van onrechtstreekse terbeschikkingstelling van tegoeden aan aangewezen personen wegens de betaling, in het kader van de tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis(16), van de aan het ministerie en YOGC verschuldigde bedragen, met dien verstande dat laatstgenoemden geen aangewezen entiteiten zijn. Voorts merkt hij op dat de feitelijke situatie vragen doet rijzen met betrekking tot de bewijslast, gelet op de onzekere politieke situatie in Jemen.
31. Tegen deze achtergrond heeft de Cour de cassation de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Moet artikel 2, lid 2, van verordening [nr. 1352/2014], in het licht van de [...] richtsnoeren [inzake beperkende maatregelen], aldus worden uitgelegd dat onder onrechtstreekse terbeschikkingstelling kan worden verstaan het ter beschikking stellen van tegoeden aan overheidsentiteiten die niet onder de beperkende maatregelen vallen, indien vaststaat dat de onder die maatregelen vallende personen binnen die entiteiten een invloed uitoefenen die rivaliseert met die van de wettige regering die niet onder die maatregelen valt?
2) Wanneer het bestaan van deze rivaliserende invloed wordt vastgesteld, moet artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1352/2014 dan aldus worden uitgelegd dat de entiteiten waaraan de tegoeden ter beschikking worden gesteld, worden geacht onder zeggenschap te staan van de personen op wie de beperkende maatregelen van toepassing zijn? Zo ja, kan het tegendeel dan worden bewezen? Is het in dit verband relevant dat de wettige regering die niet onder de beperkende maatregelen valt, niet samenwerkt met de personen die onder deze maatregelen vallen?
3) Mocht op basis van de aan de nationale rechter overgelegde elementen niet kunnen worden beoordeeld of de beslissende invloed binnen de entiteit waaraan de tegoeden ter beschikking zijn gesteld, toekomt aan de wettige regering dan wel aan de personen op wie de sancties zijn gericht, volstaat dan het enkele redelijke risico dat deze tegoeden uiteindelijk volledig of ten dele ten goede zullen komen aan laatstgenoemden, om de sancties toe te passen?”
32. DNO, het ministerie, de Franse, de Italiaanse en de Nederlandse regering, alsmede de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Al deze partijen, met uitzondering van de Italiaanse en de Nederlandse regering, hebben deelgenomen aan de terechtzitting van 19 november 2025.
IV. Analyse
A. Eerste prejudiciële vraag
1. Opmerkingen vooraf
33. Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1352/2014 aldus moet worden uitgelegd dat het betrekking heeft op de overmaking van tegoeden, in het kader van de tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis, aan een niet-aangewezen overheidsentiteit, indien vaststaat dat binnen die entiteit zowel door aangewezen personen als door een niet-aangewezen entiteit rivaliserende invloed wordt uitgeoefend.
34. Om te beginnen merk ik op dat deze vraag niet uitdrukkelijk betrekking heeft op het begrip „zeggenschap” in de betekenis waarin dit begrip in het kader van de beperkende maatregelen wordt opgevat. Niettemin blijkt uit de motivering van de verwijzingsbeslissing dat de vragen van de verwijzende rechter voortvloeien uit de beslissing van de cour d’appel de Paris. Op basis van de punten 55b en 55d van de richtsnoeren inzake beperkende maatregelen, die betrekking hebben op het begrip „zeggenschap”, heeft deze rechter namelijk geoordeeld dat rivaliserende invloed(17) niet onder artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1352/2014 valt, aangezien het relevante criterium in de zin van deze bepaling in wezen is dat aangewezen personen zeggenschap hebben over de ontvanger van de tegoeden. Bovendien heeft de verwijzende rechter in zijn eerste vraag uitdrukkelijk naar deze richtsnoeren verwezen.
35. In het kader van de analyse van deze vraag zal ik dus om te beginnen kort herinneren aan de rechtspraak over de ruime uitlegging van het begrip „rechtstreekse en onrechtstreekse terbeschikkingstelling”. Vervolgens zal ik met betrekking tot dit begrip de relevantie verduidelijken van het bestaan – en het ontbreken – van zeggenschap. Ten slotte zal ik aantonen dat zelfs zonder zeggenschap het bestaan van rivaliserende invloed kan volstaan om vast te stellen dat tegoeden onrechtstreeks ter beschikking zijn gesteld in de zin van artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1352/2014.
2. Rechtstreekse of onrechtstreekse terbeschikkingstelling van tegoeden: een ruim opgevat begrip
36. Uit het arrest Möllendorf blijkt dat het gebruik van de woorden „rechtstreeks of onrechtstreeks” erop wijst dat het verbod op het ter beschikking stellen van tegoeden bijzonder ruim is geformuleerd. Zoals de verwijzende rechter in herinnering heeft gebracht, heeft de uitdrukking „ter beschikking gesteld” ook een ruime betekenis, die niet doelt op een bijzondere juridische kwalificatie maar alle handelingen omvat die volgens het toepasselijke nationale recht moeten worden verricht zodat een persoon daadwerkelijk de volle beschikkingsbevoegdheid over het betrokken goed kan verkrijgen.(18)
37. In de zaak die heeft geleid tot het arrest Afrasiabi e.a., heeft het Hof zich specifiek gebogen over het begrip „onrechtstreekse terbeschikkingstelling” in de context van de levering en installatie van een economisch middel bij een niet-aangewezen entiteit, onder de directie van een niet-aangewezen persoon die niettemin had gehandeld ten gunste van een aangewezen entiteit.(19)
38. In dit verband heeft het Hof allereerst vastgesteld(20) dat het feit dat wordt gehandeld in naam, onder de zeggenschap van of in opdracht van een aangewezen persoon ook een factor is die de opneming in een lijst van personen waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn rechtvaardigt.(21) Het Hof heeft vervolgens toegelicht dat diezelfde factor ook relevant is bij de beoordeling van de vraag of het verbod van onrechtstreekse terbeschikkingstelling van tegoeden is overtreden.(22) Tot slot heeft het Hof eveneens relevant geacht dat het voornemen bestond om het betrokken actief ten behoeve van een aangewezen persoon te gebruiken.(23)
39. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de cour d’appel de Paris zich op dezelfde factoren heeft gebaseerd.(24) Deze rechter heeft, na te hebben vastgesteld dat deze factoren niet aan de orde waren, derhalve geoordeeld dat het verbod van artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1352/2014 in casu niet van toepassing was.
40. De in het arrest Afrasiabi e.a. genoemde factoren kunnen mijns inziens echter niet worden gezien als een uitputtende lijst van omstandigheden op grond waarvan kan worden vastgesteld dat er sprake is van een onrechtstreekse terbeschikkingstelling van tegoeden. Zoals het Hof uitdrukkelijk heeft aangegeven, gaat het immers om relevante factoren. Elke andere uitlegging zou indruisen tegen de ruime opvatting van het begrip „terbeschikkingstelling van tegoeden”.
41. Deze ruime uitlegging moet worden gezien in de context van de noodzaak om de doeleinden van verordening nr. 1352/2014 te verwezenlijken, de doeltreffendheid van de daarin vastgestelde beperkende maatregelen te waarborgen en elk risico op omzeiling te voorkomen.(25)
42. In dit verband blijkt uit de considerans van resolutie 2140(2014) en uit overweging 5 van verordening nr. 1352/2014 dat de in casu aan de orde zijnde beperkende maatregelen ertoe strekken het hoofd te bieden aan de specifieke bedreiging van de internationale vrede en veiligheid in de regio door de situatie in Jemen. Volgens artikel 3 van deze verordening omvat bijlage I bij die verordening natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten en lichamen waarvoor door het Sanctiecomité is vastgesteld dat zij handelingen verrichten of steunen die de vrede, de veiligheid of de stabiliteit van Jemen ondermijnen. Net als de meeste door de Unie vastgestelde beperkende maatregelen zijn de betrokken maatregelen preventief bedoeld, in die zin dat zij beogen dit soort handelingen te verhinderen.(26)
43. Het verbod op het ter beschikking stellen van tegoeden heeft dus ten doel te vermijden dat tegoeden worden gebruikt voor het verrichten of steunen van handelingen die de vrede, de veiligheid of de stabiliteit in Jemen bedreigen.(27) Een uitlegging in die zin dat dit verbod zich uitsluitend beperkt tot situaties waarin sprake is van bezit of zeggenschap zou in strijd zijn met dit doel. Andere situaties kunnen onder dit verbod vallen.
44. Deze benadering lijkt in recentere rechtspraak te worden bevestigd. In de eerste plaats heeft het Hof in het arrest SH gepreciseerd dat, om te kunnen aannemen dat tegoeden indirect ter beschikking zijn gesteld aan een aangewezen persoon, zij aan deze persoon moeten kunnen worden doorgegeven of deze de beschikkingsbevoegdheid over die tegoeden moet hebben, met name gelet op het bestaan van juridische of financiële banden tussen de begunstigde van de tegoeden en die persoon.(28)
45. In de tweede plaats heeft het Hof, in het arrest E en F, vastgesteld dat de ruime opvatting van het begrip „terbeschikkingstelling” losstaat van het al dan niet bestaan van betrekkingen tussen de auteur van de betrokken terbeschikkingstellingshandeling en degene voor wie deze bestemd is(29). Het klopt dat in de zaak die aanleiding tot dat arrest heeft gegeven de verwijzende rechter zich afvroeg of het terbeschikkingstellingsverbod betrekking had op de overmaking van tegoeden aan een aangewezen entiteit door een niet-aangewezen lid van deze entiteit.(30) Niettemin ben ik van mening dat een dergelijke principiële vaststelling van het Hof, aangezien zij in overeenstemming is met de ruime opvatting van dit verbod, zich moet uitstrekken tot situaties waarin er geen formele betrekkingen bestaan tussen de auteur van de terbeschikkingstellingshandeling en degene voor wie deze bestemd is.
3. Relevantie van het bestaan van zeggenschap
46. Het lijkt erop dat de cour d’appel de Paris zich, onder de criteria die het Hof in het arrest Afrasiabi e.a. heeft genoemd om te bepalen of er sprake is van indirecte terbeschikkingstelling van tegoeden, in het bijzonder heeft gebaseerd op de zeggenschap die door aangewezen personen wordt uitgeoefend over de ontvanger van de tegoeden, in het licht van de punten 55b en 55d van de richtsnoeren inzake beperkende maatregelen. Daarom moet de relevantie van dit criterium worden verduidelijkt.
47. Volgens punt 55d van deze richtsnoeren wordt, indien in het licht van de in punt 55b van deze richtsnoeren genoemde criteria wordt vastgesteld dat er sprake is van zeggenschap, het ter beschikking stellen van tegoeden aan niet-aangewezen personen die in het bezit zijn van of onder zeggenschap staan van een aangewezen persoon, in beginsel beschouwd als een onrechtstreekse terbeschikkingstelling van tegoeden aan de aangewezen persoon.
48. Ondanks het feit dat die richtsnoeren geen bindende rechtsgevolgen hebben(31), ben ik toch van mening dat ook rekening moet worden gehouden met punt 55e ervan, dat, zoals DNO heeft aangevoerd, door de cour d’appel de Paris niet is vermeld.
49. Volgens dit punt is het verbod om tegoeden onrechtstreeks ter beschikking te stellen van aangewezen personen ook van toepassing wanneer er tussen deze aangewezen personen en de ontvanger van de tegoeden geen eigendoms- of zeggenschapsband bestaat.(32)
50. Het bestaan van zeggenschap wettigt dus in wezen het vermoeden dat er sprake is van een onrechtstreekse terbeschikkingstelling van tegoeden. Wanneer zeggenschap ontbreekt, moet deze kwestie van geval tot geval worden beoordeeld.
51. Volgens mij is een dergelijke uitlegging in overeenstemming met het arrest Afrasiabi e.a., zoals uitgelegd in punt 40 hierboven, en met de daaropvolgende rechtspraak die in de punten 44 en 45 van deze conclusie is vermeld.
52. Bijgevolg kan een nationale rechter niet tot de slotsom komen dat het verbod van artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1352/2014 niet van toepassing is op de enkele grond dat de rechtstreekse ontvanger van tegoeden niet onder zeggenschap staat van aangewezen personen in de zin van punt 55b van de richtsnoeren inzake beperkende maatregelen. Deze rechter moet daarentegen onderzoeken of deze tegoeden kunnen worden doorgegeven aan dergelijke personen dan wel of die personen daarover beschikkingsbevoegdheid hebben(33). Dit onderzoek hangt af van de bewijzen waarover de nationale rechter beschikt, zoals die welke in de punten 19 en 23 tot en met 25 van deze conclusie worden genoemd.
4. Rivaliserende invloed
53. Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat het verbod van artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1352/2014 ook de overmaking van tegoeden aan een niet-aangewezen entiteit kan omvatten wanneer vaststaat dat aangewezen personen op die entiteit een invloed uitoefenen die rivaliseert met die van een niet-aangewezen entiteit. Zoals de Italiaanse en de Nederlandse regering alsmede de Commissie in wezen hebben betoogd, moet dit verbod immers gelden voor alle feitelijke situaties waarin aangewezen personen toegang tot de tegoeden in kwestie kunnen krijgen.
54. Het arrest Petropars Iran e.a./Raad(34), dat door Franse regering is ingeroepen, doet daaraan niets af. De zaak die tot dat arrest heeft geleid, betrof immers het gezamenlijk houden van het maatschappelijk kapitaal van een onderneming door zowel een aangewezen als een niet-aangewezen entiteit. In die context is het Gerecht tot de slotsom gekomen dat het niet in het belang van de niet-aangewezen aandeelhouders was om de aangewezen aandeelhouder te helpen hun gemeenschappelijke dochteronderneming onder druk te zetten om te ontsnappen aan de gevolgen van de enkel tegen die aangewezen entiteit genomen beperkende maatregelen. Het Gerecht heeft ook benadrukt dat in een dergelijk geval het bestaan van gezamenlijke zeggenschap kon beletten dat de aangewezen entiteit haar dochteronderneming onder druk zette met het oog op de omzeiling van de tegen haar genomen beperkende maatregelen.(35)
55. In casu gaat het echter niet om het gezamenlijk houden van het maatschappelijk kapitaal van YOGC, maar om een feitelijke invloed waarop zowel de Houthi-beweging als de wettige regering aanspraak maakt, in een context van burgeroorlog. Gelet op deze rivaliserende invloed op YOGC kan mijns inziens dus niet worden uitgesloten dat tegoeden kunnen worden overgemaakt aan de Houthi-beweging of dat deze beweging daarover beschikkingsbevoegdheid heeft in de zin van het arrest SH(36), hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.
56. Ik geef het Hof derhalve in overweging om op de eerste prejudiciële vraag te antwoorden dat artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1352/2014 aldus moet worden uitgelegd dat de overmaking van tegoeden, in het kader van de tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis, aan een entiteit waarop zowel aangewezen personen als een niet-aangewezen entiteit een rivaliserende invloed uitoefenen, onder deze bepaling kan vallen wanneer die tegoeden aan deze personen kunnen worden doorgegeven of wanneer die personen daarover beschikkingsbevoegdheid hebben.
B. Derde prejudiciële vraag
57. Met zijn derde prejudiciële vraag, die vóór de tweede vraag moet worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1352/2014 aldus moet worden uitgelegd dat het in die bepaling neergelegde verbod van toepassing is wanneer er een redelijk risico bestaat dat de tegoeden die in het kader van de tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis aan een niet-aangewezen entiteit zijn overgemaakt, volledig of ten dele ten goede komen aan aangewezen personen.
58. Ik herinner eraan dat deze vraag is gesteld in het kader van een beroep tot nietigverklaring van een arbitraal vonnis waarbij DNO, Petrolin en MOE zijn veroordeeld tot overmaking van tegoeden aan het ministerie en aan YOGC. Bovendien is in dit vonnis niet onderzocht of deze overmaking in strijd was met verordening nr. 1352/2014 of met resolutie 2140(2014). Het staat dus niet aan de verwijzende rechter om na te gaan of DNO, Petrolin en MOE de tegoeden hadden moeten inhouden, maar om vast te stellen of dat arbitrale vonnis, gelet op de bewijzen waarover hij beschikt, nietig moet worden verklaard omdat de tenuitvoerlegging ervan in strijd is met de internationale openbare orde. Het is dus vanuit het perspectief van de nationale rechter, in het kader van een beroep tot nietigverklaring, dat moet worden vastgesteld welk bewijsniveau vereist is om tot het oordeel te komen dat het verbod op terbeschikkingstelling van tegoeden in de zin van artikel 2, lid 2, van deze verordening van toepassing is.
59. Het bewijsniveau kan immers verschillen naargelang van de context waarin die beoordeling plaatsvindt. Ik acht het dan ook nuttig om een onderscheid te maken tussen het bewijsniveau dat wordt vereist in het kader van een beroep tot nietigverklaring van een arbitraal vonnis, zoals in casu, het bewijsniveau dat van een marktdeelnemer wordt verlangd bij de beoordeling of er een risico bestaat dat een transactie in strijd is met artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1352/2014, en het bewijsniveau dat van de Raad wordt verlangd om beperkende maatregelen op te leggen.
1. Mate van zekerheid die wordt verlangd van een marktdeelnemer om tegoeden in te houden op grond van artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1352/2014
60. Blijkens artikel 18 van verordening nr. 1352/2014 is de territoriale en personele werkingssfeer van deze verordening vrij ruim. Die verordening is op het grondgebied van de Unie van toepassing op alle natuurlijke personen en rechtspersonen, entiteiten of lichamen ten aanzien van alle geheel of gedeeltelijk binnen de Unie verrichte zakelijke transacties.(37)
61. De marktdeelnemers die binnen deze werkingssfeer vallen, moeten zich er dus van vergewissen dat artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1352/2014 de nakoming van een contractuele verbintenis niet verbiedt.(38)
62. In dit verband moet artikel 11 van verordening nr. 1352/2014 in aanmerking worden genomen. Lid 1 van dit artikel bepaalt dat de weigering om tegoeden beschikbaar te stellen moet plaatsvinden „in het vertrouwen” dat die maatregel in overeenstemming met deze verordening is. Bovendien moeten de marktdeelnemers volgens de leden 1 en 2 van deze bepaling, in hun onderlinge samenhang gelezen, bij het onderzoek dat zij krachtens deze verordening moeten verrichten, een zekere zorgvuldigheid betrachten.(39) In de eerste plaats zijn zij niet aansprakelijk voor de inhouding van tegoeden, „tenzij het bewijs wordt geleverd dat de tegoeden [...] als gevolg van nalatigheid zijn [...] ingehouden”. In de tweede plaats leidt het beschikbaar stellen van tegoeden, ook al is dit op grond van die verordening verboden, niet tot aansprakelijkheid indien de marktdeelnemers niet wisten en geen gegronde reden hadden om te vermoeden dat hun handelingen in strijd met dit verbod waren.(40)
63. Ik ben van mening dat uit artikel 11 van verordening nr. 1352/2014 blijkt dat de mate van zekerheid die van een marktdeelnemer wordt verlangd om op grond van artikel 2, lid 2, van deze verordening tegoeden in te houden, vrij gering is en dat de te goeder trouw gedane en niet-nalatige aanname dat een dergelijke inhouding in overeenstemming is met die bepaling, in dit verband volstaat. Bovendien lijkt deze bepaling mij te stroken met „een risicogerichte aanpak”(41), waarbij in geval van onzekerheid de voorkeur wordt gegeven aan het inhouden van tegoeden.
2. Bewijsniveau dat van de Raad wordt verlangd voor het vaststellen van een besluit tot plaatsing op de lijst
64. Aangezien de vaststelling van beperkende maatregelen tegen natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen onder het GBVB valt, is eerst een besluit van de Raad tot vaststelling van het standpunt van de Unie met betrekking tot die maatregelen vereist (artikel 29 VEU) en vervolgens een handeling van die instelling op basis van artikel 215 VWEU.(42) In dit verband stelt de Raad in het algemeen verordeningen vast die in voorkomend geval voorzien in de bevriezing van tegoeden van personen die voldoen aan bepaalde criteria die verband houden met de doelstellingen die de betrokken maatregelen beogen te verwezenlijken, alsmede in een verbod om hun rechtstreeks of onrechtstreeks tegoeden of economische middelen te verstrekken.(43)
65. Overeenkomstig artikel 275, tweede alinea, VWEU kunnen personen op wie beperkende maatregelen van toepassing zijn, beroep instellen bij het Hof onder de voorwaarden van artikel 263, vierde alinea, VWEU.
66. In dit verband heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat de Unierechter bij de toetsing van de wettigheid van de redenen waarop het besluit van de Raad tot plaatsing van de naam van een persoon op een lijst van personen waarop beperkende maatregelen van toepassing zijn (hierna: „besluit tot plaatsing op de lijst”), zich ervan vergewist dat dit besluit, dat een individuele strekking heeft voor de betrokken persoon, op een voldoende solide feitelijke grondslag berust. De rechterlijke toetsing mag niet enkel een beoordeling van de abstracte waarschijnlijkheid van de aangevoerde redenen inhouden, maar strekt zich uit tot de vraag of die redenen, of ten minste één daarvan die op zich toereikend wordt geacht om als grondslag te dienen voor dat besluit, zijn gestaafd.(44)
67. Bij een dergelijke beoordeling moeten de bewijzen niet afzonderlijk maar in de context ervan worden onderzocht, waarbij de Raad voldoet aan de op hem rustende bewijslast indien hij de Unierechter een reeks voldoende concrete, nauwkeurige en onderling overeenstemmende aanwijzingen voorlegt op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de betrokkene ten minste aan één van de door de Raad gehanteerde aanwijzingscriteria voldoet. Bovendien staat het aan laatstgenoemde om aan te tonen dat de tegen de betrokken persoon in aanmerking genomen redenen gegrond zijn, en niet aan deze persoon om het negatieve bewijs te leveren dat die redenen ongegrond zijn.(45)
68. De Commissie betoogt in haar schriftelijke opmerkingen dat diezelfde vereisten „op vergelijkbare wijze” van toepassing zijn voor een nationale rechter wanneer een persoon weigert een arbitraal vonnis ten uitvoer te leggen met het argument dat die tenuitvoerlegging een door verordening nr. 1352/2014 verboden onrechtstreekse terbeschikkingstelling van tegoeden vormt. Om de redenen die ik hieronder zal uiteenzetten, deel ik dit standpunt niet volledig.
3. Vereist bewijsniveau in het kader van een beroep tot nietigverklaring van een arbitraal vonnis bij een nationale rechter
a) Lagere drempel dan die welke van de Raad wordt verlangd
69. In de eerste plaats vormt de nietigverklaring van een arbitraal vonnis waarbij wordt veroordeeld tot overmaking van tegoeden die onrechtstreeks ter beschikking kunnen worden gesteld van aangewezen personen, anders dan een besluit tot plaatsing op de lijst, geen maatregel van individuele strekking voor de betrokken personen.(46) Zij leidt evenmin tot de publieke schande en het publieke wantrouwen die door een besluit tot plaatsing op de lijst worden opgewekt ten aanzien van deze personen.(47) Het gaat er immers niet om het ministerie of YOGC op de lijst van bijlage I bij verordening nr. 1352/2014 te plaatsen. Deze bevoegdheid ligt uitsluitend bij de Raad.
70. In de tweede plaats is de Raad krachtens artikel 296 VWEU verplicht om dergelijke besluiten met redenen te omkleden en moet hij, overeenkomstig artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, het beginsel van behoorlijk bestuur in acht nemen.(48) Deze bepalingen zijn niet bindend voor een particuliere partij die in het kader van een beroep tot nietigverklaring betoogt dat het ter beschikking stellen van tegoeden door verordening nr. 1352/2014 verboden is.
71. In de derde plaats zijn de instrumenten waarover een marktdeelnemer beschikt, niet vergelijkbaar met die waarover de Raad beschikt, die op dit gebied een specifieke bevoegdheid heeft gekregen.
b) Hogere drempel dan die welke buiten het kader van een gerechtelijke procedure wordt vereist
72. Evenwel ben ik tevens van mening dat in het kader van een beroep tot nietigverklaring van een arbitraal vonnis, zoals in casu, de door artikel 11 van verordening nr. 1352/2014 vereiste vrij geringe mate van zekerheid niet van toepassing is.
73. In de eerste plaats mag niet uit het oog worden verloren dat de toepassing van artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1352/2014 op een dergelijk scenario in voorkomend geval de nietigverklaring kan meebrengen van een arbitraal vonnis dat rechtmatig is gewezen in het licht van de wilsautonomie van de partijen.(49) De rechtszekerheid en de doeltreffendheid van de arbitrageprocedure vereisen dat een dergelijke nietigverklaring tot het strikt noodzakelijke wordt beperkt.(50)
74. In de tweede plaats beschikt de nationale rechter, zoals de Commissie ter terechtzitting in antwoord op een vraag van het Hof heeft verklaard, over de bewijzen die zijn verstrekt door beide partijen, waaronder de partij waarvan potentiële banden met aangewezen personen aan de orde zijn. Dit impliceert noodzakelijkerwijs een beter inzicht in de omstandigheden in vergelijking met een situatie waarin een marktdeelnemer op grond van interne zorgvuldigheidsprocedures (due diligence)(51) moet beslissen of tegoeden moeten worden ingehouden.
c) Is een redelijk risico voldoende?
75. Uit het voorgaande volgt dat het bewijsniveau dat vereist is opdat een nationale rechter een arbitraal vonnis nietig verklaart wegens het verbod van artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1352/2014, lager moet zijn dan het bewijsniveau dat voor de Unierechter wordt verlangd in het kader van de nietigverklaring van een besluit tot plaatsing op de lijst. Dat niveau moet daarentegen hoger zijn dan het niveau dat buiten het kader van een gerechtelijke procedure om wordt verlangd. Vervolgens rijst de vraag of het bestaan van een redelijk risico dat aangewezen personen alle of een deel van de tegoeden ontvangen, volstaat om het verbod van deze bepaling toe te passen.
76. In dit verband stel ik om te beginnen vast dat noch artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1352/2014, noch enige andere bepaling van deze verordening rechtstreeks het bewijsniveau vaststelt dat vereist is voor de toepassing van het verbod om tegoeden ter beschikking te stellen. Dit betekent echter niet dat een dergelijke kwestie noodzakelijkerwijs valt onder de procesautonomie van de lidstaten.(52) Ik ben namelijk van mening dat het voor de toepassing van dit verbod vereiste bewijsniveau impliciet voortvloeit uit de door de Unie vastgestelde regelingen inzake beperkende maatregelen en dus moet worden bepaald op basis van het Unierecht.
77. Dienaangaande meen ik dat de ruime opvatting van het begrip „terbeschikkingstelling”, waarnaar ik in het kader van de analyse van de eerste prejudiciële vraag heb verwezen, alsook de aard zelf van de beperkende maatregelen en de doelstellingen die de vaststelling ervan rechtvaardigen, een bewijsniveau vereisen dat in wezen is gebaseerd op het bestaan van een redelijk risico. Hieruit volgt dat een dergelijk risico intrinsiek verbonden is met het begrip „onrechtstreekse terbeschikkingstelling” in de zin van artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1352/2014 en dus een integrerend deel van dat begrip moet vormen.(53)
78. Wat in de eerste plaats de doelstellingen betreft die de vaststelling van beperkende maatregelen in het kader van de situatie in Jemen rechtvaardigen(54), herinner ik er in het bijzonder aan dat het verbod van artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1352/2014 preventief bedoeld is, aangezien het beoogt te voorkomen dat de betrokken tegoeden worden gebruikt om handelingen te steunen of te verrichten die de vrede, de veiligheid of de stabiliteit van Jemen bedreigen.
79. Deze doelstelling en de noodzaak om het nuttig effect van verordening nr. 1352/2014 te waarborgen en te voorkomen dat deze verordening wordt omzeild, vereisen dat het verbod van artikel 2, lid 2, van die verordening wordt toegepast zodra er een redelijk risico bestaat dat de tegoeden volledig of ten dele ten goede komen aan aangewezen personen.
80. In de tweede plaats zijn beperkende maatregelen volgens vaste rechtspraak naar hun aard conservatoir, tijdelijk en omkeerbaar, aangezien zij worden geacht de personen op wie zij betrekking hebben niet hun eigendom te ontnemen.(55) Bovendien rechtvaardigt het belang van de met die maatregelen nagestreefde doeleinden zelfs aanzienlijke negatieve gevolgen voor bepaalde marktdeelnemers, ook voor die welke op geen enkele wijze verantwoordelijk zijn voor de situatie naar aanleiding waarvan de betrokken maatregelen zijn vastgesteld.(56)
81. Gelet op deze rechtspraak ben ik van mening dat het argument van het ministerie en van de Franse regering dat de nietigverklaring van het arbitrale vonnis tot gevolg zou hebben dat de door de internationale gemeenschap gesteunde wettige regering de betrokken tegoeden niet ontvangt, niet relevant is.
82. De toepassing van het verbod van artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1352/2014 is immers neutraal ten aanzien van de grond van het contractuele geding tussen met name DNO enerzijds en het ministerie en YOGC anderzijds. Zoals DNO ter terechtzitting terecht heeft opgemerkt, belet niets het ministerie om helemaal alleen een nieuwe arbitrageprocedure in te leiden. Ook staat niets eraan in de weg dat tegoeden aan YOGC worden overgemaakt zodra het risico van onrechtstreekse terbeschikkingstelling van tegoeden aan aangewezen personen niet meer bestaat, of wanneer deze personen niet langer op de lijst van bijlage I bij die verordening staan.(57)
83. In de derde plaats vindt de uitlegging volgens welke het verbod van artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1352/2014 van toepassing is wanneer er een redelijk risico bestaat dat een aangewezen persoon tegoeden ontvangt, eveneens steun in de rechtspraak van het Hof die uitvoering geeft aan de ruime betekenis van het begrip „terbeschikkingstelling van tegoeden”.
84. In het arrest SH heeft het Hof immers geoordeeld dat de mogelijkheid dat tegoeden worden doorgegeven aan een aangewezen persoon, onder het verbod van artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1352/2014 valt.(58)
85. Bovendien brengt het feit dat de tegoeden rechtstreeks of onrechtstreeks ter beschikking worden gesteld van een op de lijst geplaatste persoon, op zich het gevaar mee dat de tegoeden oneigenlijk worden gebruikt om activiteiten te ondersteunen die in strijd zijn met de doelstellingen van de beperkende maatregelen, los van de vraag of is bewezen dat die tegoeden door de betrokken entiteit daadwerkelijk zijn gebruikt voor dergelijke activiteiten.(59)
86. Voorts is het vaste rechtspraak dat in geval van bevriezing van de tegoeden van een entiteit die aan een aanwijzingscriterium voldoet een niet te verwaarlozen risico bestaat dat deze entiteit druk uitoefent op de entiteiten waarvan zij eigenaar is of waarover zij zeggenschap heeft om het effect van de tegen haar genomen maatregelen te omzeilen. De bevriezing van de tegoeden van deze in bezit zijnde of onder zeggenschap staande entiteiten is derhalve noodzakelijk en geschikt om de doeltreffendheid van de genomen maatregelen te verzekeren en te waarborgen dat deze maatregelen niet worden omzeild.(60)
87. Uit een dergelijke zeggenschap of een dergelijk bezit vloeit dus een niet te verwaarlozen risico voort dat de aangewezen entiteit de tegoeden ontvangt die toebehoren aan de in bezit zijnde of onder zeggenschap staande entiteiten. Dit risico rechtvaardigt dat de tegoeden van deze entiteiten worden bevroren in de zin van artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1352/2014.
88. De derde prejudiciële vraag gaat uit van de premisse dat reeds is aangetoond dat er een redelijk risico op een dergelijke ontvangst bestaat. Gelet op de in punt 86 van deze conclusie aangehaalde rechtspraak ben ik van mening dat het redelijke risico dat aangewezen personen uiteindelijk alle of een deel van de aan een niet op een lijst geplaatste entiteit ter beschikking gestelde tegoeden ontvangen, eveneens moet volstaan om artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1352/2014 toe te passen.
89. Bovendien kan de noodzaak om de volle werking van het Unierecht in het kader van een civiele procedure te waarborgen, in bepaalde omstandigheden een zekere versoepeling van de bewijsvoeringsregels met zich brengen.
90. Zoals ik bij het onderzoek van de tweede prejudiciële vraag zal uiteenzetten, lijkt deze versoepeling van toepassing te zijn op situaties waarin het voor de verzoekende partij in voorkomend geval duidelijk zeer moeilijk is om het relevante bewijsmateriaal te verzamelen, en voor zover het de verwerende partij is toegestaan om relevante gegevens over te leggen om zich tegen de aanspraak van de verzoekende partij te verzetten.(61)
91. In die omstandigheden lijkt het feit dat alle bewijzen waarover een nationale rechter beschikt op het eerste gezicht erop wijzen dat een Unierechtelijk verbod van toepassing is, voldoende om de wederpartij te verplichten rechtens genoegzaam aan te tonen dat dit niet het geval is.(62) Mijns inziens komt een dergelijk bewijsniveau in wezen overeen met het redelijke risico waarop de derde prejudiciële vraag betrekking heeft.
92. Voorts wil ik erop wijzen dat verschillende interveniënten hebben aangevoerd dat een louter hypothetisch en toekomstig risico dat een aangewezen persoon tegoeden ontvangt, niet kan volstaan om de toepassing van artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1352/2014 te rechtvaardigen. Hoewel ik het in beginsel eens ben met die benadering, ben ik van mening dat de in de derde vraag gehanteerde term „redelijk” het op zich mogelijk maakt om loutere hypothesen die niet zijn gebaseerd op concrete, nauwkeurige en onderling overeenstemmende aanwijzingen die een dergelijk risico kunnen staven, uit te sluiten. Hoe dan ook is het van belang dat de nationale rechter de beginselen die de nationale bewijsregeling kenmerken, niet zodanig toepast dat dit in de praktijk zou neerkomen op het aanvaarden van irrelevante of ontoereikende bewijzen.(63)
93. Ik geef het Hof derhalve in overweging om op de derde prejudiciële vraag te antwoorden dat artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1352/2014 aldus moet worden uitgelegd dat het in die bepaling neergelegde verbod van toepassing is wanneer er een redelijk risico bestaat dat de tegoeden die in het kader van de tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis aan een niet-aangewezen entiteit zijn overgemaakt, volledig of ten dele ten goede komen aan aangewezen personen.
C. Tweede prejudiciële vraag
94. Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1352/2014 aldus moet worden uitgelegd dat in het kader van een beroep tot nietigverklaring van een arbitraal vonnis waarbij een veroordeling tot betaling van schadevergoeding is uitgesproken, het feit dat aangewezen personen binnen een niet-aangewezen overheidsentiteit invloed uitoefenen die rivaliseert met die van een niet-aangewezen entiteit, het vermoeden wettigt dat deze personen zeggenschap uitoefenen over die overheidsentiteit. In voorkomend geval wenst de verwijzende rechter ook te vernemen of een dergelijk vermoeden onweerlegbaar is, met name gelet op het ontbreken van samenwerking tussen deze entiteit en die personen.
1. Geen vermoeden van zeggenschap
95. Ter beantwoording van deze vraag herinner ik er om te beginnen aan dat het begrip „vennootschap onder zeggenschap” op het gebied van beperkende maatregelen niet dezelfde strekking heeft als in het vennootschapsrecht wanneer het erom gaat de zakelijke verantwoordelijkheid vast te stellen van een vennootschap die juridisch onder het besluitvormend toezicht van een andere economische entiteit staat.(64)
96. Op het gebied van beperkende maatregelen ziet het begrip „vennootschap onder zeggenschap” immers op de situatie waarin de aangewezen persoon of entiteit de zakelijke keuzen kan beïnvloeden van een andere persoon of entiteit waarmee deze zakelijke relaties onderhoudt, zelfs wanneer er tussen deze beide personen of entiteiten geen enkele juridische band of band in de vorm van eigendom of deelneming in het kapitaal bestaat.(65)
97. Niettemin heeft de besluitvormingspraktijk van de Raad het mogelijk gemaakt om bepaalde „situaties” in kaart te brengen die impliceren dat een entiteit onder zeggenschap staat, waarbij een (niet-uitputtende) lijst is opgenomen in punt 55b van de richtsnoeren inzake beperkende maatregelen.(66)
98. Deze situaties zijn in wezen ook in bepaalde verordeningen ter zake „gecodificeerd”.(67) Een van die situaties is die waarin een persoon of entiteit het recht of de facto de bevoegdheid heeft om een overheersende invloed uit te oefenen. Indien aan een van die voorwaarden is voldaan, is er sprake van zeggenschap, tenzij per geval het tegendeel kan worden bewezen.(68)
99. Zoals blijkt uit de in punt 96 van deze conclusie vermelde rechtspraak kunnen weliswaar ook andere situaties relevant zijn, maar deze mogen niet het vermoeden rechtvaardigen dat de betrokken entiteit onder zeggenschap staat. Zoals blijkt uit punt 50 van deze conclusie, mogen deze situaties a fortiori evenmin het vermoeden rechtvaardigen dat tegoeden onrechtstreeks ter beschikking worden gesteld van een aangewezen persoon in de zin van artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1352/2014.(69) Tot die andere situaties behoort mijns inziens rivaliserende invloed.
100. Hieruit volgt dat het aan de rechter staat bij wie beroep is ingesteld tegen een arbitraal vonnis dat is gewezen ten gunste van een entiteit waarop aangewezen personen een rivaliserende invloed uitoefenen, om een beoordeling te verrichten die niet is gebaseerd op algemene vermoedens maar op een onderzoek van alle aan hem overgelegde bewijzen, waarbij rekening wordt gehouden met de context van die bewijzen teneinde uit te maken of op basis daarvan kan worden vastgesteld dat er een redelijk risico bestaat dat tegoeden onrechtstreeks aan die personen ter beschikking worden gesteld.
101. Om de verwijzende rechter een zo nuttig mogelijk antwoord te geven moet echter nog de verdeling van de bewijslast in het kader van een geding als het hoofdgeding worden verduidelijkt.
2. Verdeling van de bewijslast
102. Er zij aan herinnerd dat uit de verwijzingsbeslissing en uit de toelichting die de Franse regering ter terechtzitting heeft gegeven, blijkt dat het in het kader van een beroep tot nietigverklaring van een arbitraal vonnis aan de rechter staat om concreet na te gaan of de opneming van een arbitraal vonnis in de Franse rechtsorde een gekwalificeerde schending van de internationale openbare orde vormt.(70) Volgens deze regering staat het in wezen aan de partij die zich op een dergelijke schending beroept, om deze te bewijzen (of duidelijk aan te tonen). Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter rust in casu de bewijslast dus volledig op de persoon die schending van artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1352/2014 aanvoert.(71)
103. Opgemerkt moet echter worden dat een dergelijke bewijslast het voor zowel de verwijzende rechter als de verzoekende partij onmogelijk of buitensporig moeilijk kan maken om een schending van het verbod van artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1352/2014 vast te stellen, en daarmee de doeltreffendheid van dat verbod in gevaar kan brengen.(72)
104. De bewijzen die relevant zijn om deze schending vast te stellen of uit te sluiten, zijn immers moeilijk toegankelijk voor derden, met name in een context van burgeroorlog zoals in het onderhavige geval.
105. Het Hof heeft deze moeilijkheid reeds erkend in de context van besluiten tot plaatsing op de lijst, en heeft eraan herinnerd dat rekening kan worden gehouden met de context waarin deze maatregelen passen en in het bijzonder met het feit dat het moeilijk is om in een staat waar een burgeroorlog woedt nauwkeuriger bewijs te verkrijgen.(73)
106. Bovendien moet volgens de rechtspraak van het Gerecht, aangezien de Unie in derde landen geen onderzoeksbevoegdheden heeft, de beoordeling door de autoriteiten van de Unie zich de facto baseren op voor het publiek toegankelijke informatiebronnen, rapporten, persartikelen, verslagen van geheime diensten of andere soortgelijke informatiebronnen. Zo kan ter staving van het bestaan van bepaalde feiten gebruik worden gemaakt van persartikelen, wanneer zij voldoende concreet, nauwkeurig en onderling samenhangend zijn met betrekking tot de feiten die erin worden beschreven. Het Gerecht heeft eveneens geoordeeld dat het buitensporig en onevenredig zou zijn om van de Raad te verlangen dat hij zelf ter plaatse onderzoek verricht naar de juistheid van de feiten die door talrijke media worden gemeld.(74)
107. Mijns inziens gelden deze overwegingen des te meer in het kader van een beroep tot nietigverklaring van een arbitraal vonnis bij de nationale rechterlijke instanties.
108. Het staat immers aan de nationale rechterlijke instanties die in het kader van hun bevoegdheden belast zijn met de toepassing van de bepalingen van het Unierecht, om de volle werking van deze bepalingen te verzekeren.(75)
109. In het kader van de onderhavige zaak moet ook rekening worden gehouden met de wezenlijke aard van de betrokken bepalingen voor de rechtsorde van de Unie of met het fundamentele belang ervan voor de vervulling van de taken van de Unie.(76) In het kader van een beroep tot nietigverklaring van een arbitraal vonnis moet de naleving van dit soort bepalingen immers volledig en doeltreffend door de nationale rechterlijke instanties worden getoetst.(77)
110. Gelet op een en ander ben ik van mening dat, om de volle werking van artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1352/2014 te waarborgen, wanneer in het kader van een beroep tot nietigverklaring van een arbitraal vonnis wegens de vermeende toepassing van het in die bepaling neergelegde verbod alle bewijzen waarover de nationale rechter beschikt(78) erop wijzen dat er een redelijk risico bestaat dat aangewezen personen de aan een niet-aangewezen entiteit overgemaakte tegoeden ontvangen, het aan de verwerende partijen, in casu het ministerie en YOGC, staat om rechtens genoegzaam aan te tonen dat dit risico niet bestaat(79).
111. Volgens het aan het Hof overgelegde dossier hebben de bewijzen waarover de nationale rechterlijke instanties beschikken in wezen betrekking op de aanspraak van de Houthi-beweging op de zeggenschap over YOGC, op de vermelding op de officiële website van deze onderneming van de naam van een Houthi-minister, op het feit dat deze site de door de genoemde beweging gebruikte domeinnaam gebruikt („.ye”) en op de vermeende deelname van de Houthi-premier aan een bijeenkomst van YOGC, waarvan door een Jemenitisch persbureau melding wordt gemaakt.
112. In het licht van de zojuist in herinnering gebrachte rechtspraak(80) lijken deze elementen mij voldoende om erop te wijzen dat er een redelijk risico bestaat dat aangewezen personen de aan een niet-aangewezen entiteit overgemaakte tegoeden ontvangen, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.
113. In die omstandigheden en teneinde de doeltreffendheid van het verbod op terbeschikkingstelling van tegoeden te waarborgen, staat het aan de verwerende partijen om de verwijzende rechter gegevens te verstrekken waaruit blijkt dat dit risico in de praktijk niet bestaat. In dit verband kunnen zij met name aantonen dat zij interne procedures hebben ingesteld om dit risico te voorkomen, zoals firewalls, dat de website van YOGC het domein „.com” gebruikt of dat deze site is gehackt. Zoals blijkt uit punt 104 van deze conclusie, kunnen alleen deze partijen over dit soort informatie beschikken.
114. Bovendien kan de verwijzende rechter bij de beoordeling van de bewijskracht van elk van de elementen waarover hij beschikt, eveneens rekening houden met het feit dat de wettige regering niet samenwerkt met de Houthi-beweging.(81) Ik ben echter van mening dat deze omstandigheid niet doorslaggevend kan zijn. Het is immers niet de invloed van de Houthi-beweging op het ministerie, maar haar invloed op YOGC die de toepassing van artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1352/2014 kan rechtvaardigen. Het is dus de omvang van de invloed van het ministerie op YOGC die met name bepalend zal zijn om aan te tonen dat interne procedures zijn vastgesteld om te waarborgen dat de Houthi-beweging geen toegang tot de tegoeden zal hebben.
115. Voorts heeft het ministerie ter terechtzitting aangevoerd dat het risico van schending van het verbod van artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1352/2014 in casu niet bestond, aangezien DNO in december 2023 het op grond van het arbitrale vonnis verschuldigde bedrag aan het ministerie heeft overgemaakt en YOGC in 2022 heeft verklaard al haar aan dat vonnis ontleende rechten aan het ministerie te hebben overgedragen en niet voornemens te zijn de reeds aan het ministerie betaalde bedragen te vorderen.
116. Hoewel deze factoren door de verwijzende rechter in aanmerking kunnen worden genomen in het licht van het beginsel van de vrije bewijswaardering, kunnen zij mijns inziens niet doorslaggevend zijn om het ontbreken van dat risico te staven. Het verschuldigde bedrag is weliswaar aan het ministerie overgemaakt, maar dit neemt immers niet weg dat het arbitrale vonnis ook ten gunste van YOGC is gewezen. Bovendien kan de overdracht van de betrokken rechten ongedaan worden gemaakt, aangezien het een rechtshandeling betreft die enkel werking heeft tussen de betrokken partijen.
117. Bovendien is het volgens het ministerie in strijd met de rechtspraak, volgens welke het niet aan de betrokken persoon staat om het negatieve bewijs te leveren dat de tegen hem in aanmerking genomen redenen ongegrond zijn, om de bewijslast om te keren door deze bij de verwerende partij te leggen zodra is vastgesteld dat er een redelijk risico bestaat dat aangewezen personen de aan een niet-aangewezen entiteit overgemaakte tegoeden ontvangen.(82) Om de hieronder uiteengezette redenen deel ik dit standpunt niet.
118. In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat deze rechtspraak betrekking heeft op een besluit tot plaatsing op de lijst. Zoals ik reeds heb uiteengezet, gelden voor dat geval specifieke bewijsvereisten.
119. In de tweede plaats blijkt uit mijn analyse(83) dat deze omkering van de bewijslast noodzakelijk is om de doeltreffendheid van het verbod van artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1352/2014 te waarborgen. Dit is te verklaren door het feit dat het doorgaans de verwerende partij is die gemakkelijker over de relevante bewijzen beschikt om aan te tonen dat er geen redelijk risico bestaat dat aangewezen personen de aan een niet op een lijst geplaatste entiteit overgemaakte tegoeden ontvangen. Het komt er dus op aan een evenwicht te vinden tussen de verschillende belangen die op het spel staan, door regels vast te stellen die niet te streng zijn, met name wat dit negatieve bewijs betreft, maar ook niet te soepel zijn, waardoor in de praktijk de bewijslast volledig zou worden omgekeerd.(84)
120. Ik geef derhalve in overweging om op de tweede prejudiciële vraag te antwoorden dat artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1352/2014 aldus moet worden uitgelegd dat in het kader van een beroep tot nietigverklaring van een arbitraal vonnis wegens de vermeende toepassing van het in die bepaling neergelegde verbod, het feit dat aangewezen personen binnen een niet-aangewezen overheidsentiteit invloed uitoefenen die rivaliseert met die van een niet-aangewezen entiteit, niet het vermoeden wettigt dat die personen zeggenschap uitoefenen over die overheidsentiteit, met dien verstande dat wanneer in het kader van dat beroep tot nietigverklaring alle bewijzen waarover de nationale rechter beschikt erop wijzen dat er een redelijk risico bestaat dat aan een niet-aangewezen entiteit overgemaakte tegoeden ten goede komen van aangewezen personen, de niet-aangewezen entiteit rechtens genoegzaam moet aantonen dat een dergelijk risico niet bestaat.
V. Conclusie
121. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vragen van de Cour de cassation te beantwoorden als volgt:
„Artikel 2, lid 2, van verordening (EU) nr. 1352/2014 van de Raad van 18 december 2014 betreffende beperkende maatregelen in verband met de situatie in Jemen
moet aldus worden uitgelegd dat
– de overmaking van tegoeden, in het kader van de tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis, aan een entiteit waarop zowel aangewezen personen als een niet-aangewezen entiteit een rivaliserende invloed uitoefenen, onder deze bepaling kan vallen wanneer die tegoeden aan deze personen kunnen worden doorgegeven of wanneer die personen daarover beschikkingsbevoegdheid hebben;
– het in die bepaling neergelegde verbod van toepassing is wanneer er een redelijk risico bestaat dat de tegoeden die in het kader van de tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis aan een niet-aangewezen entiteit zijn overgemaakt, volledig of ten dele ten goede komen aan aangewezen personen;
– in het kader van een beroep tot nietigverklaring van een arbitraal vonnis wegens de vermeende toepassing van het in die bepaling neergelegde verbod, het feit dat aangewezen personen binnen een niet-aangewezen overheidsentiteit invloed uitoefenen die rivaliseert met die van een niet-aangewezen entiteit, niet het vermoeden wettigt dat die personen zeggenschap uitoefenen over die overheidsentiteit, met dien verstande dat wanneer in het kader van dat beroep tot nietigverklaring alle bewijzen waarover de nationale rechter beschikt erop wijzen dat er een redelijk risico bestaat dat aan een niet-aangewezen entiteit overgemaakte tegoeden ten goede komen van aangewezen personen, de niet-aangewezen entiteit rechtens genoegzaam moet aantonen dat een dergelijk risico niet bestaat.”
1 Oorspronkelijke taal: Frans.
2 Verordening van de Raad van 18 december 2014 betreffende beperkende maatregelen in verband met de situatie in Jemen (PB 2014, L 365, blz. 60).
3 Ondertekend te San Francisco (Verenigde Staten) op 26 juni 1945.
4 Zoals blijkt uit de considerans ervan, is deze verordening vastgesteld op de grondslag van artikel 215 VWEU en besluit 2014/932/GBVB van de Raad van 18 december 2014 betreffende beperkende maatregelen in verband met de situatie in Jemen (PB 2014, L 365, blz. 147).
5 In de meeste verordeningen van de Unie tot vaststelling van beperkende maatregelen is een identiek geformuleerd verbod opgenomen. De uitlegging die het Hof daaraan in zijn rechtspraak heeft gegeven, is dus in beginsel relevant voor de uitlegging van artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1352/2014.
6 Zie punt 19 van resolutie 2140(2014).
7 Zie bijlage I bij besluit 2014/932, zoals laatstelijk gewijzigd bij uitvoeringsbesluit (GBVB) 2022/2035 van de Raad van 24 oktober 2022 (PB 2022, L 274 I, blz. 4), en bijlage I bij verordening nr. 1352/2014, zoals laatstelijk gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) 2022/2034 van de Raad van 24 oktober 2022 (PB 2022, L 274 I, blz. 1).
8 Zie artikel 1 van uitvoeringsbesluit (GBVB) 2022/420 van de Raad van 14 maart 2022 tot uitvoering van besluit [2014/932] (PB 2022, L 86, blz. 4) en artikel 1 van uitvoeringsverordening (EU) 2022/419 van de Raad van 14 maart 2022 tot uitvoering van verordening [nr. 1352/2014] (PB 2022, L 86, blz. 1).
9 Richtsnoeren aangenomen door de Raad op 8 december 2003 (15579/03). Zij zijn bijgewerkt op 4 mei 2018 (5664/18). In deze conclusie zal ik naar laatstgenoemde versie verwijzen.
10 De bewoordingen van de punten 55b-55e van deze richtsnoeren komen in wezen overeen met die van de punten 64, 68 en 70 van het document van de Raad met als titel „Beste praktijken van de EU voor de doeltreffende uitvoering van beperkende maatregelen” (hierna: „document inzake beste praktijken”), in de versie van 3 juli 2024 (11623/24).
11 De verwijzende rechter refereert in dit verband aan het arrest van 17 mei 2023 (cassatieberoep nr. 21‑24.106, FR:CCASS:2023:C100324).
12 Uit het dossier waarover het Hof beschikt en uit de debatten ter terechtzitting blijkt dat de zetel van YOGC zich thans te Aden bevindt. In haar schriftelijke opmerkingen heeft DNO echter aangegeven dat de zetel van YOGC zich te Sanaa bevond. Bovendien heeft het ministerie ter terechtzitting toegelicht dat de Houthi-beweging een YOGC-„spiegelvennootschap” had opgericht die haar zetel te Sanaa zou hebben.
13 Zie het document „Action Document for Supporting Pathways for Economic Recovery in Yemen”, Annex II to the Commission Implementing Decision on the financing of the special measure in favour of Yemen for 2023 (actieplan ter ondersteuning van de wegen naar economisch herstel in Jemen, bijlage II bij het uitvoeringsbesluit van de Commissie betreffende de financiering van de speciale maatregel ten gunste van Jemen voor 2023), blz. 6.
14 Arrest Möllendorf en Möllendorf-Niehuus (C‑117/06, EU:C:2007:596, punt 51; hierna „arrest Möllendorf”).
15 Arrest van 11 november 2021, Bank Sepah (C‑340/20, EU:C:2021:903, punten 53 en 54; hierna: „arrest Bank Sepah”).
16 Ik wil erop wijzen dat de verwijzende rechter het Hof niet vraagt of de tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis als zodanig een „beschikbaarstelling van tegoeden” in de zin van artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1352/2014 vormt, noch, in voorkomend geval, welke gevolgen daaraan zouden moeten worden verbonden. Dit aspect is daarentegen aan de orde in de bij het Hof aanhangige zaak C‑701/25, Graudu sabiedrība. Mijn voorstel voor een antwoord in deze conclusie loopt dus niet vooruit op het door het Hof in die zaak te verrichten onderzoek. Hoe dan ook zijn de in casu aan de orde zijnde tegoeden reeds aan het ministerie overgemaakt (zie punt 27 van deze conclusie).
17 Zie punt 23 van deze conclusie.
18 Arrest Möllendorf, punten 50 en 51.
19 Arrest van 21 december 2011, Afrasiabi e.a. (C‑72/11, EU:C:2011:874, punt 50; hierna: „arrest Afrasiabi e.a.”).
20 Onder verwijzing naar met name de resolutie van de Verenigde Naties, die als basis had gediend voor de vaststelling van de beperkende maatregelen die in die zaak aan de orde waren.
21 Arrest Afrasiabi e.a., punt 51.
22 Arrest Afrasiabi e.a., punt 52.
23 Arrest Afrasiabi e.a., punt 53. Ik wijs erop dat artikel 7, lid 3, van verordening (EG) nr. 423/2007 van de Raad van 19 april 2007 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (PB 2007, L 103, blz. 1), waarnaar wordt verwezen in het arrest Afrasiabi e.a., verbiedt dat tegoeden „ter beschikking [worden] gesteld aan of ten behoeve van” aangewezen personen. Artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1352/2014 verwijst naar tegoeden die „ter beschikking [worden] gesteld” aan of ten behoeve van aangewezen personen.
24 Zie de punten 21 en 22 van deze conclusie.
25 Zie naar analogie het arrest Bank Sepah, punt 56. Zie ook het arrest van 12 maart 2026, EM System (C-84/24, EU:C:2026:181, punt 79), waarin het Hof heeft beklemtoond dat het, om het doel te bereiken dat met de beperkende maatregelen wordt nagestreefd, noodzakelijk is dat die maatregelen worden toegepast op een zo ruim mogelijke groep personen, groepen of entiteiten om te voorkomen dat zij worden omzeild.
26 Zie in die zin het arrest Bank Sepah, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
27 Zie naar analogie het arrest Bank Sepah, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
28 Arrest van 17 januari 2019, SH (C‑168/17, EU:C:2019:36, punt 62; hierna: „arrest SH”).
29 Arrest van 29 juni 2010, E en F (C‑550/09, EU:C:2010:382, punt 68).
30 Zie arrest van 29 juni 2010, E en F (C‑550/09, EU:C:2010:382, punt 63).
31 Zie arrest van 18 september 2024, Kozitsyn/Raad (T‑607/22 en T‑731/22, EU:T:2024:635, punt 65). Wat betreft de niet-bindende werking van het op 23 januari 2026 bijgewerkte document van de Commissie betreffende haar richtsnoeren, getiteld „Frequently asked questions on the implementation of Council Regulation No 833/2014 and Council Regulation No 269/2014” (veelgestelde vragen over de uitvoering van verordening nr. 833/2014 en verordening nr. 269/2014 van de Raad), zie de conclusie van advocaat-generaal Medina in de zaak Jemerak (C‑109/23, EU:C:2024:307, punt 69).
32 Zie in dezelfde zin ook het document „Frequently asked questions on the implementation of Council Regulation No 833/2014 and Council Regulation No 269/2014”, blz. 29.
33 Zie het arrest SH, punt 62.
34 Arrest van 5 mei 2015 (T‑433/13, EU:T:2015:255).
35 Arrest van 5 mei 2015, Petropars Iran e.a./Raad (T‑433/13, EU:T:2015:255, punt 80).
36 Punt 62 van dat arrest.
37 Zie naar analogie conclusie van advocaat-generaal Biondi in de zaak Reibel (C-802/24, EU:C:2026:110, punt 37).
38 Zie in die zin het arrest Möllendorf, punt 62. Zie ook het document inzake beste praktijken, punt 33.
39 Zie dienaangaande de conclusie van advocaat-generaal Bot in de zaak Afrasiabi e.a. (C‑72/11, EU:C:2011:737, punt 92).
40 Zie in die zin het arrest Afrasiabi e.a., punten 55 en 56.
41 Zie het document inzake beste praktijken, punt 68.
42 Zie overweging 3 van verordening nr. 1352/2014.
43 Zie arresten van 28 maart 2017, Rosneft (C‑72/15, EU:C:2017:236, punten 55, 88 en 89), en 10 september 2024, Neves 77 Solutions (C‑351/22, EU:C:2024:723, punt 45).
44 Zie in die zin arrest van 1 augustus 2025, Timchenko/Raad (C‑702/23 P, EU:C:2025:605, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45 Zie in die zin arrest van 1 augustus 2025, Timchenko/Raad (C‑702/23 P, EU:C:2025:605, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
46 Zie punt 66 van deze conclusie.
47 Zie arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi (C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 132 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
48 Zie arrest van 12 maart 2026, EM System (C 84/24, EU:C:2026:181, punt 102).
49 Zie arresten van 6 maart 2018, Achmea (C‑284/16, EU:C:2018:158, punt 55), en 1 augustus 2025, Royal Football Club Seraing (C‑600/23, EU:C:2025:617, punten 78 en 79; hierna: „arrest Royal Football Club Seraing”).
50 Zie in die zin arresten van 1 juni 1999, Eco Swiss (C‑126/97, EU:C:1999:269, punt 35), en 26 oktober 2006, Mostaza Claro (C‑168/05, EU:C:2006:675, punt 34), alsmede het arrest Royal Football Club Seraing (punt 84).
51 Zie het advies van de Commissie betreffende artikel 2, lid 2, van verordening (EU) nr. 269/2014 van de Raad, C(2021) 4223 final, blz. 4.
52 Zie naar analogie arrest van 4 juni 2009, T-Mobile Netherlands e.a. (C‑8/08, EU:C:2009:343, punten 46, 52 en 53).
53 Zie naar analogie arresten van 4 juni 2009, T-Mobile Netherlands e.a. (C‑8/08, EU:C:2009:343, punten 51‑53), en 21 januari 2016, Eturas e.a. (C‑74/14, EU:C:2016:42, punt 33).
54 Zie de punten 41 tot en met 43 van deze conclusie.
55 Zie arrest van 15 december 2022, Instrubel e.a. (C‑753/21 en C‑754/21, EU:C:2022:987, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
56 Zie arresten van 3 september 2008, Kadi en Al Barakaat International Foundation/Raad en Commissie (C‑402/05 P en C‑415/05 P, EU:C:2008:461, punt 361 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 1 augustus 2025, Timchenko/Raad (C‑703/23 P, EU:C:2025:608, punt 62).
57 Zie in die zin de conclusie van advocaat-generaal Mengozzi in de zaak SH (C‑168/17, EU:C:2018:798, punt 53).
58 Arrest SH, punt 62.
59 Arrest van 29 juni 2010, E en F (C‑550/09, EU:C:2010:382, punt 77).
60 Zie arresten van 13 maart 2012, Melli Bank/Raad (C‑380/09 P, EU:C:2012:137, punt 58), 22 september 2016, NIOC e.a./Raad (C‑595/15 P, EU:C:2016:721, punt 89), en 31 januari 2019, Islamic Republic of Iran Shipping Lines e.a./Raad (C‑225/17 P, EU:C:2019:82, punt 110).
61 Zie in die zin arrest van 21 december 2021, Bank Melli Iran (C‑124/20, EU:C:2021:1035, punten 65‑67; hierna: „arrest Bank Melli Iran”) en de conclusie van advocaat-generaal Hogan in die zaak (EU:C:2021:386, punt 95). Zie in die zin ook arrest van 21 juni 2017, W e.a. (C‑621/15, EU:C:2017:484, punten 28‑32).
62 Zie het arrest Bank Melli Iran (punt 67).
63 Zie naar analogie arrest van 21 juni 2017, W e.a. (C‑621/15, EU:C:2017:484, punten 34 en 35).
64 Zie arrest van 10 september 2019, HTTS/Raad (C‑123/18 P, EU:C:2019:694, punt 70).
65 Zie arrest van 10 september 2019, HTTS/Raad (C‑123/18 P, EU:C:2019:694, punt 71).
66 Zie punt 47 van deze conclusie.
67 Zie met name artikel 1, punt 6, van verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme (PB 2001, L 344, blz. 70), en artikel 1, onder j), van verordening (EU) nr. 269/2014 van de Raad van 17 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2014, L 78, blz. 6). Wat laatstgenoemde verordening betreft, zie ook overweging 6 van verordening (EU) 2025/2037 van de Raad van 23 oktober 2025 tot wijziging van verordening [nr. 269/2014] (PB L, 2025/2037).
68 Zie de richtsnoeren inzake beperkende maatregelen, punt 55b, in fine. Zie ook arrest van 12 maart 2026, EM System (C 84/24, EU:C:2026:181, punt 88).
69 Zie a contrario punt 55d van de richtsnoeren inzake beperkende maatregelen.
70 Zie punt 14 van deze conclusie.
71 Zie naar analogie het arrest Bank Melli Iran (punt 64).
72 Zie naar analogie het arrest Bank Melli Iran (punt 65).
73 Arrest van 21 april 2015, Anbouba/Raad (C‑605/13 P, EU:C:2015:248, punt 46). Zie ook arrest van 1 oktober 2020, Drex Technologies/Raad (C‑348/19 P, EU:C:2020:782, punt 89).
74 Arrest van 6 november 2024, Karić/Raad (T‑520/22, EU:T:2024:774, punt 82 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
75 Arrest van 17 september 2002, Muñoz en Superior Fruiticola (C‑253/00, EU:C:2002:497, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie ook, wat betreft het specifieke geval van verordeningen tot vaststelling van beperkende maatregelen, de conclusie van advocaat-generaal Norkus in de zaak Čiekuri-Shishki (C‑480/24, EU:C:2025:672, punt 41).
76 Ik merk op dat in casu geen van de prejudiciële vragen betrekking heeft op het openbare-orde-karakter van de door de Unie vastgestelde beperkende maatregelen. Dit punt is daarentegen aan de orde in de bij het Hof aanhangige zaken Reibel (C‑802/24) en Graudu sabiedrība (C‑701/25). Ik beperk mij er dan ook toe op te merken dat het belang van de doelstellingen die met de door de Unie vastgestelde beperkende maatregelen worden nagestreefd, onmiskenbaar lijkt te zijn (zie naar analogie het arrest Royal Football Club Seraing, punten 87‑89, en conclusie van advocaat-generaal Biondi in de zaak Reibel, C 802/24, EU:C:2026:110, punt 63). Hoe dan ook gaan alle interveniënten in de onderhavige zaak ervan uit dat artikel 2, lid 2, van verordening nr. 1352/2014 onder de openbare orde van de Unie valt. Bovendien valt deze bepaling onder de Franse internationale openbare orde. Zie met betrekking tot de verhouding tussen de openbare orde van de Unie en die van de lidstaten arrest van 4 oktober 2024, Real Madrid Club de Fútbol (C‑633/22, EU:C:2024:843, punt 39).
77 Zie in die zin het arrest Royal Football Club Seraing (punten 82 en 85‑87). Zie ook de conclusie van advocaat-generaal Biondi in de zaak Reibel (C 802/24, EU:C:2026:110, punt 58).
78 In de aanhangige zaak Čiekuri-Shishki (C‑480/24) gaat het om de vraag of de nationale rechter ambtshalve moet nagaan of een van de partijen bij de procedure een persoon is op wie beperkende maatregelen van toepassing zijn. In zijn conclusie in die zaak geeft advocaat-generaal Norkus in overweging deze vraag aldus te beantwoorden dat „de aangezochte rechter, wanneer daartoe aanwijzingen bestaan, verplicht is ambtshalve na te gaan of een van de procespartijen een persoon als bedoeld in artikel 2 of artikel 11, lid 1, onder a) of b), van verordening nr. 269/2014 is, en daartoe alle onderzoeksbevoegdheden dient aan te wenden waarover hij beschikt. In het bijzonder is hij verplicht om bij de gespecialiseerde bevoegde autoriteiten de noodzakelijke inlichtingen in te winnen om dit onderzoek te kunnen verrichten” (conclusie van advocaat-generaal Norkus in de zaak Čiekuri-Shishki, C‑480/24, EU:C:2025:672, punt 60).
79 Zie naar analogie het arrest Bank Melli Iran (punt 67). Zie naar analogie ook arresten van 27 oktober 1993, Enderby (C‑127/92, EU:C:1993:859, punten 14 en 18), en 31 mei 1995, Royal Copenhagen (C‑400/93, EU:C:1995:155, punten 24 en 26).
80 Zie de punten 105 en 106 van deze conclusie.
81 Zie in die zin de conclusie van advocaat-generaal Bot in de zaak Afrasiabi e.a. (C‑72/11, EU:C:2011:737, punt 58).
82 Arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi (C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 121).
83 Zie punt 104 van deze conclusie.
84 Zie naar analogie arrest van 15 oktober 2015, Nike European Operations Netherlands (C‑310/14, EU:C:2015:690, punt 29).