Voorlopige editie

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

A. BIONDI

van 26 februari 2026 (1)

Zaak C802/24

NV Reibel

tegen

JSC VO Stankoimport

[verzoek van de Svea hovrätt (rechter in tweede aanleg Stockholm, Zweden) om een prejudiciële beslissing]

„ Prejudiciële verwijzing – Beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren – Verbod op de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik – Weigering van uitvoervergunning met gevolgen voor de uitvoering van een contract – Weigering tot terugbetaling van de vooruitbetaling – Aanhangigmaking bij een arbitrage-instantie – Artikel 11 van verordening (EU) nr. 833/2014, zoals gewijzigd – Begrip vordering die niet mag worden toegewezen’ – Arbitrabiliteit van geschillen betreffende beperkende maatregelen – Rechterlijke toetsing van arbitrale vonnissen – Intensiteit – Openbare orde van de Unie – Fundamenteel belang voor de vervulling van de aan de Unie opgedragen taken ”






Inhoud


I. Hoofdgeding, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof

II. Analyse

A. Verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, de mogelijkheid om gebruik te maken van mechanismen voor alternatieve geschillenbeslechting in het algemeen en arbitrage in het bijzonder

1. Noodzaak om de focus van de eerste prejudiciële vraag te verleggen naar het begrip „arbitrabiliteit”

2. Letterlijke, contextuele en teleologische uitlegging van artikel 11, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd

a) Letterlijke uitlegging van de „no claims clause”

b) Contextuele uitlegging van de „no claims clause”

c) Teleologische uitlegging van de „no claims clause”

3. Behoud van de specifieke kenmerken van de rechtsorde van de Unie

4. Conclusie van de analyse

B. Verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, en openbare orde van de Unie.

1. Openbare orde als grens aan de vrije wil van partijen

2. Verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, die wezenlijk is voor de rechtsorde van de Unie en aanvulling van de openbare orde van de Unie met artikel 11, lid 1, van deze verordening

3. Intensiteit van de toetsing van arbitrale vonnissen door de nationale rechter

C. Het begrip „vordering” in de zin van artikel 11, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd

1. Terug naar artikel 11, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd

2. Toepassing op het onderhavige geval

III. Conclusie


1.        Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing biedt het Hof de gelegenheid om een nieuw hoofdstuk te schrijven over de soms als ingewikkeld ervaren verhouding tussen het recht van de Unie en mechanismen voor alternatieve geschillenbeslechting. De vragen die aan de orde worden gesteld, zijn van groot belang, omdat ze hier worden gesteld in de specifieke context van de beperkende maatregelen die tegen Rusland zijn ingesteld naar aanleiding van de destabiliserende acties en vervolgens de invasie van Oekraïne, die een flagrante schending vormen van het internationaal recht en het Handvest van de Verenigde Naties en een van de ernstigste bedreigingen zijn voor de Europese veiligheid en de internationale orde sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog.

2.        De relatie tussen het Unierecht en arbitrage in het bijzonder wordt vaak beschreven aan de hand van de metafoor van twee schepen in de nacht(2) die elkaar nauwelijks opmerken in het donker, maar altijd zorgen voor voldoende afstand om botsingen te voorkomen, die hun communicatie tot het strikt noodzakelijke beperken en elkaar nooit kruisen, terwijl ze in tegengestelde richtingen varen.

3.        Maar het weglaten van nuances vertekent de realiteit. Die realiteit, waarover ik alle misverstanden wil wegnemen, bestaat ook uit contacten en gedeelde waarden. De rechtsorde van de Unie belet in beginsel niet dat particulieren die onder die rechtsorde vallen omdat zij op het grondgebied van de Unie een economische activiteit uitoefenen, geschillen die in het kader van die activiteit tussen hen kunnen ontstaan, aan arbitrage onderwerpen.(3) De rol van arbitrage als uiting van de wil van partijen en als instrument voor een snelle en efficiënte beslechting van geschillen(4), wordt nuttig geacht. De rechtspraak van het Hof is stevig gegrond op de erkenning van het belang van een arbitrageovereenkomst die de wil van de partijen weerspiegelt.(5) Ik voeg hieraan toe dat handelsarbitrage tegenwoordig een van de weinige doeltreffende vormen van internationale samenwerking is, aangezien deze tot doel heeft de toepassing van uniforme normen te waarborgen en het overnemen van juridische begrippen en grensoverschrijdende tenuitvoerlegging te vergemakkelijken.

4.        Teneinde een op wederzijdse verrijking gebaseerde relatie tussen het Unierecht en arbitrage tot stand te brengen, moet worden gezocht naar een noodzakelijk evenwicht tussen het aanpassingsvermogen en de flexibiliteit van deze wijze van geschillenbeslechting, enerzijds, en het behoud van de integriteit van de rechtsorde van de Unie en de wezenlijke kenmerken daarvan, anderzijds.

5.        De onderhavige zaak geeft het Hof ook de gelegenheid zich uit te spreken over de afbakening van de openbare orde van de Unie als grens aan de wilsautonomie van partijen en over de vaststelling van de intensiteit van de als doeltreffend bekendstaande rechterlijke toetsing van arbitrale vonnissen.

I.      Hoofdgeding, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof

6.        NV Reibel is een Belgische vennootschap die actief is op het gebied van logistiek en internationaal goederenvervoer. Op 8 december 2015 heeft Reibel een overeenkomst gesloten met de Russische onderneming JSC VO Stankoimport, die metaalproducten en machines in Rusland invoert. Krachtens deze overeenkomst zou Reibel onder andere goederen verkopen en leveren aan Stankoimport. De overeenkomst bevatte een arbitragebeding dat bepaalde dat alle geschillen, met uitzondering van die welke onder de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties vielen, aan arbitrage zouden worden onderworpen en dat in geval van arbitrage Zweeds recht van toepassing zou zijn. De overeenkomst bepaalde bovendien dat Europese sancties tegen Rusland niet als overmacht zouden worden aangemerkt en partijen niet zouden ontheffen van hun verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst.

7.        Vanwege het besluit van 23 maart 2017 van een Belgische overheidsinstantie konden de goederen die Reibel aan Stankoimport moest leveren, niet worden uitgevoerd, aangezien die instantie van mening was dat die goederen bestemd waren voor de productie van helikopteronderdelen en ze bijgevolg had gekwalificeerd als „producten voor tweeërlei gebruik” in de zin van verordening (EG) nr. 428/2009(6), waarvan de verkoop is verboden bij verordening (EU) nr. 833/2014(7). Het door Reibel bij de Belgische Raad van State tegen dit besluit ingestelde beroep werd verworpen.

8.        Een deel van het bedrag dat was verschuldigd voor deze levering, die dus nooit heeft plaatsgevonden, was echter door Stankoimport bij vooruitbetaling voldaan. Aangezien Reibel het vooruitbetaalde bedrag niet heeft terugbetaald, heeft Stankoimport de overeenkomst ontbonden en arbitrage aangevraagd.

9.        In een arbitraal vonnis van 5 december 2021 heeft het scheidsgerecht de vordering van Stankoimport tot terugbetaling van het aan Reibel vooruitbetaalde bedrag, vermeerderd met rente, toegewezen en Reibel verwezen in een deel van de kosten. Voor het overige heeft het scheidsgerecht de vordering tot veroordeling van Reibel om schadevergoeding te betalen wegens niet-nakoming van de overeenkomst en andere schade, vermeerderd met rente, afgewezen. Naar het oordeel van het scheidsgerecht viel de vordering tot terugbetaling van een vooruitbetaald bedrag, vermeerderd met rente, niet onder het begrip „vorderingen” die niet mogen worden toegewezen op grond van artikel 11 van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd(8), dat volgens dat gerecht dus geen betrekking had op een vordering tot terugbetaling van een bedrag dat werd betaald voor goederen die nooit zijn geleverd. Volgens het scheidsgerecht was de vordering van Stankoimport slechts gericht op herstel van de situatie van partijen van voor het sluiten van de overeenkomst. Het scheidsgerecht oordeelde echter dat de overige vorderingen wel onder artikel 11 vielen, aangezien Stankoimport daarmee poogde financieel voordeel te trekken uit de niet-nakoming door Reibel van een verboden transactie.

10.      Reibel heeft bij de Svea hovrätt (rechter in tweede aanleg Stockholm, Zweden), de verwijzende rechter, beroep tot vernietiging van het arbitrale vonnis ingesteld. Naar Zweeds recht mogen geschillen over kwesties die partijen in onderling overleg kunnen beslechten, ter beslissing worden voorgelegd aan een of meerdere arbiters.(9) Voorts is een arbitraal vonnis onder andere ongeldig wanneer daarin uitspraak is gedaan over een kwestie waarover arbiters volgens Zweeds recht niet mogen beslissen of wanneer het arbitrale vonnis of de wijze waarop het tot stand is gekomen kennelijk onverenigbaar is met Zweedse bepalingen van openbare orde.(10)

11.      Zoals verordening nr. 833/2014 vereist, voorziet het Zweedse recht bovendien in sanctieregels met betrekking tot straffen, vervolging, confiscatie en dwangmaatregelen in geval van niet-naleving van de uit deze verordening voortvloeiende verplichtingen.(11)

12.      In de eerste plaats moet de verwijzende rechter, gelet op de bepalingen van Zweeds recht inzake de vatbaarheid van geschillen voor beslechting door arbitrage („arbitrabiliteit”), bepalen of de partijen bij een transactie als die waarop de overeenkomst tussen Reibel en Stankoimport betrekking heeft en waaraan afbreuk wordt gedaan door maatregelen die zijn ingesteld op grond van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, het recht hebben om een buitengerechtelijke schikking te treffen over vorderingen als bedoeld in artikel 11, lid 1, van deze verordening. Het gaat dus om het vaststellen van de eventuele civielrechtelijke gevolgen van deze „no claims clause”.(12) Een ruime uitlegging van deze bepaling, die met name is ingegeven door de door het Hof erkende noodzaak om omzeiling van beperkende maatregelen te voorkomen(13), zou steun kunnen bieden aan de uitlegging dat ook civielrechtelijke sancties, zoals ongeldigheid, moeten worden opgelegd.

13.      In de tweede plaats vraagt de verwijzende rechter zich af of verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, onder Unierechtelijke regels van openbare orde valt. Het antwoord op deze vraag is bepalend, aangezien uit Zweeds recht volgt dat arbitrale vonnissen ongeldig kunnen worden verklaard wanneer zij kennelijk onverenigbaar met de Zweedse openbare orde blijken te zijn. Hetzelfde dient te gelden voor gevallen van strijdigheid met de openbare orde van de Unie.(14)

14.      In de derde plaats wenst de verwijzende rechter verduidelijking te krijgen over de draagwijdte en de uitlegging van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, teneinde te kunnen bepalen of een vordering tot terugbetaling van een vooruitbetaald bedrag met betrekking tot een overeenkomst waaraan op grond van deze verordening geen uitvoering kon worden gegeven, en de uit hoofde daarvan gevorderde rente, vallen onder vorderingen die niet mogen worden toegewezen in de zin van artikel 11, lid 1, van die verordening.

15.      In die omstandigheden heeft de Svea hovrätt de behandeling van de zaak geschorst en bij beslissing, ingekomen ter griffie van het Hof op 20 november 2024, het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moet verordening nr. 833/2014 aldus worden uitgelegd dat de partijen bij een overeenkomst geen buitengerechtelijke schikking mogen treffen over vorderingen die op grond van artikel 11, lid 1, van die verordening niet mogen worden toegewezen en dat minnelijke schikkingen tussen de partijen bij een overeenkomst over vorderingen die vallen onder artikel 11, lid 1, civielrechtelijk nietig zijn?

2)      Moet artikel 11 van verordening nr. 833/2014 aldus worden uitgelegd dat een nationale rechterlijke instantie die een verzoek behandelt tot vernietiging van een arbitraal vonnis waarin dat artikel is toegepast, ambtshalve moet bepalen of de toepassing van het recht door het scheidsgerecht verenigbaar is met verordening nr. 833/2014 en moet de nationale rechterlijke instantie in dat geval het arbitrale vonnis geheel of gedeeltelijk vernietigen of ongeldig verklaren indien het scheidsgerecht het recht heeft toegepast in strijd met de verordening?

3)      Moet artikel 11, lid 1, van verordening nr. 833/2014 aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan de toewijzing van een vordering indien de vordering betrekking heeft op:

a)      de terugbetaling van een vooruitbetaald bedrag voor goederen die nooit zijn geleverd vanwege maatregelen op grond van [verordening nr. 833/2014];

b)      rente over een onder a) genoemde vordering?”

16.      Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door Stankoimport, de Zweedse, de Belgische, de Estse, de Spaanse, de Franse en de Poolse regering en de Europese Commissie.

17.      NV Reibel, Stankoimport en de Zweedse, de Estse, de Franse, de Nederlandse en de Poolse regering hebben samen met de Commissie deelgenomen aan de terechtzitting voor het Hof van 28 oktober 2025.

II.    Analyse

18.      Om te beginnen moet worden vastgesteld dat de prejudiciële vragen van de verwijzende rechter ontvankelijk zijn, in tegenstelling tot wat Stankoimport stelt. Ten eerste is het namelijk uitsluitend de taak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid voor de te geven rechterlijke beslissing draagt om, rekening houdend met de bijzonderheden van de zaak, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, te beoordelen.(15) Ten tweede verschillen de aan het Hof voorgelegde vragen duidelijk van die welke aan de orde waren in de zaak die heeft geleid tot het arrest Rosneft.(16)

A.      Verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, de mogelijkheid om gebruik te maken van mechanismen voor alternatieve geschillenbeslechting in het algemeen en arbitrage in het bijzonder

19.      Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of het in overeenstemming is met verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, dat twee partijen gebruikmaken van een mechanisme voor alternatieve geschillenbeslechting, ook als het gaat om vorderingen die niet mogen worden toegewezen in de zin van artikel 11, lid 1, van die verordening. Als dat niet het geval is, wenst deze rechter te vernemen of moet worden aangenomen dat schikkingen die buiten het nationale gerechtelijke apparaat om zijn aangegaan en die betrekking hebben op die vorderingen, ongeldig moeten worden verklaard.

20.      Het Hof wordt dus verzocht de draagwijdte te definiëren van het verbod tot toewijzing van een vordering in de zin van artikel 11, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, en vast te stellen of deze draagwijdte zich uitstrekt tot het tegenhouden van iedere gebruikmaking van een mechanisme voor alternatieve geschillenbeslechting.

21.      In onderstaande redenering worden drie opeenvolgende stappen voorgesteld. Om te beginnen moet worden uitgelegd waarom de focus van de analyse van de eerste vraag moet worden verlegd naar de kwestie van de arbitrabiliteit van geschillen. Vervolgens moet artikel 11, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, worden uitgelegd aan de hand van de klassieke interpretatieve benadering. Tot slot moet worden nagegaan of de voorgestelde uitlegging de specifieke kenmerken en de autonomie van de rechtsorde van de Unie niet in gevaar brengt.(17)

1.      Noodzaak om de focus van de eerste prejudiciële vraag te verleggen naar het begrip „arbitrabiliteit

22.      Deze eerste vraag heeft tot doel om vast te stellen of artikel 11, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, toestaat dat gebruik wordt gemaakt van een buitengerechtelijke schikking over vorderingen die niet mogen worden toegewezen. Deze vraag lijkt evenwel nauw verband te houden met de arbitrabiliteit van dergelijke vorderingen.

23.      Arbitrabiliteit is een „abstracte, delicate, slecht omlijnde, ongrijpbare kwestie, die tot misverstanden of zelfs misinterpretatie leidt”.(18) Er bestaan ongeveer evenveel definities van als er lidstaten zijn.(19) De lidstaten zijn vrij om te bepalen wanneer arbitrage mogelijk is en dus om zelf vast te stellen waar de grenzen aan de vrije wil van partijen liggen. Wanneer het gaat om de mogelijkheid om de betrokken materie aan arbitrage te onderwerpen, wordt gesproken van objectieve arbitrabiliteit. Wanneer het gaat om de mogelijkheid voor de belanghebbende partij om arbitrage overeen te komen, kan arbitrabiliteit ook subjectief worden genoemd.(20)

24.      Het op 10 juni 1958 te New York ondertekende Verdrag over de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken (hierna: „Verdrag van New York”)(21), dat de Unie niet bindt, maar waarbij alle lidstaten partij zijn(22), bepaalt met betrekking tot arbitrabiliteit dat „[i]edere Verdragsluitende Staat [...] de schriftelijke overeenkomst [erkent] waarbij partijen zich ertoe verbinden alle of bepaalde geschillen die tussen hen zijn gerezen of zouden kunnen rijzen naar aanleiding van een bepaalde al dan niet contractuele rechtsbetrekking over een aangelegenheid die vatbaar is voor beslissing door arbitrage, aan arbitrage te onderwerpen”(23). Arbitrabiliteit wordt daarin alleen negatief gedefinieerd, aangezien „[d]e erkenning en tenuitvoerlegging van een scheidsrechterlijke uitspraak kan [...] worden geweigerd, indien de bevoegde autoriteit van het land waar de erkenning en tenuitvoerlegging wordt verzocht, constateert [...] dat het onderwerp van geschil volgens het recht van dat land niet vatbaar is voor beslissing door arbitrage”.(24)

25.      Naar Zweeds recht wordt de arbitrabiliteit van een geschil bepaald door de vraag of partijen buiten het gerechtelijk apparaat om tot een schikking mogen komen met betrekking tot de vordering in kwestie. Als dat het geval is, is het geschil vatbaar voor beslissing door arbitrage. Zo niet, dan kan het geschil niet door middel van arbitrage worden beslecht. Indien artikel 11, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen buitengerechtelijke schikkingen(25), zou het geschil tussen Reibel en Stankoimport dus op grond van het toepasselijke nationale recht niet vatbaar zijn voor beslissing door arbitrage. Volgens dat recht zou het arbitragebeding in de overeenkomst tussen Reibel en Stankoimport door de verwijzende rechter ongeldig moeten worden verklaard, zonder dat de rechter hoeft over te gaan tot toetsing van het arbitrale vonnis, dat dan elke rechtsgrondslag ontbeert.

26.      Beantwoording van de eerste prejudiciële vraag zoals deze is geformuleerd, zou het Hof in een lastige positie brengen, aangezien het begrip „buitengerechtelijke schikking over vorderingen” te ruim is. Er zijn vele vormen van buitengerechtelijke schikking en elk van deze vormen wordt gekenmerkt door verschillende werkingsregels en waarborgen. Het hoofdgeding werpt echter de zeer concrete vraag over gebruikmaking van arbitrage op. Dat is niet zomaar een wijze van geschillenbeslechting en heeft bijzondere kenmerken, waarmee bij de analyse absoluut rekening moet worden gehouden. De consequenties van de door het Hof gegeven uitlegging van het Unierecht hebben al eens geleid tot niet-vatbaarheid voor beslechting door arbitrage.(26)

27.      Daarom stel ik voor de eerste vraag toe te spitsen op de vraag of artikel 11, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, de partijen bij een overeenkomst toestaat om gebruik te maken van arbitrage met betrekking tot vorderingen die niet mogen worden toegewezen in de zin van die bepaling.

2.      Letterlijke, contextuele en teleologische uitlegging van artikel 11, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd

28.      Volgens de vaste rechtspraak vereist zowel de eenvormige toepassing van het Unierecht als het gelijkheidsbeginsel dat de bewoordingen van een bepaling van het Unierecht die voor de betekenis en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, normaliter in de gehele Unie autonoom en uniform worden uitgelegd overeenkomstig de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis ervan, waarbij rekening moet worden gehouden met de context waarin zij worden gebruikt en met het doel van de regeling waarvan zij deel uitmaken.(27)

a)      Letterlijke uitlegging van de „no claims clause”

29.      Vooraf merk ik op dat, wat de tekst van artikel 11, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, betreft, deze een „no claims clause” bevat, een bepaling die vaak wordt opgenomen in instrumenten van de Unie waarbij beperkende maatregelen worden ingesteld. Onder deze bepaling vallen met name vorderingen van Russische personen, entiteiten of lichamen(28) strekkende tot schadeloosstelling of soortgelijke vorderingen(29), ingediend op grond van het feit dat door de beperkende maatregelen van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, afbreuk wordt gedaan aan een contract of transactie.

30.      Artikel 11, lid 1, van verordening nr. 833/2014 is gericht tot de ontvanger van de betreffende vordering die gehouden is deze niet toe te wijzen. Zoals de Franse regering heeft opgemerkt, betekent niet-toewijzing van een vordering dat er geen gunstig gevolg aan moet worden gegeven.

31.      Uit de analyse van de bewoordingen van dit artikel blijkt dat deze geen enkele verwijzing lijken te bevatten naar het orgaan – in de ruime zin van het woord – waaraan de daarin bedoelde „vorderingen” worden voorgelegd. Deze constatering wordt bevestigd door de vermelding dat de vordering niet mag worden toegewezen, ongeacht de vorm die deze aanneemt.

32.      Uit die bewoordingen blijkt ook dat het opstellen en indienen van vorderingen als zodanig niet verboden is.(30) Overigens zegt het enkele feit dat een overeenkomst voorziet in de mogelijkheid van alternatieve geschillenbeslechting, waaronder arbitrage, niets over de uitkomst van die procedure, dat wil zeggen over het lot dat de „vordering” wacht.

33.      Het feit dat artikel 11, lid 2, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, verwijst naar de „procedure waartoe een vordering aanleiding geeft” en verduidelijkt dat het bewijs dat de vordering niet hoort te worden afgewezen, door de eiser moet worden geleverd, lijkt mij niet aan te geven dat er absoluut sprake moet zijn van een vordering in een gerechtelijke procedure. Het is waar dat hier gebruik wordt gemaakt van woorden die gewoonlijk worden gebruikt om te beschrijven wat er bij een rechterlijke instantie gebeurt. Dit kan echter niet bepalend zijn, aangezien „procedure” en „bewijs” ook kenmerken van alternatieve manieren van geschillenbeslechting zijn. Deze bepaling impliceert noodzakelijkerwijs dat er discussie mogelijk is over de vraag of een vordering onder het verbod van lid 1 valt, waarbij die discussie zich niet beperkt tot vorderingen bij rechterlijke instanties.(31)

34.      Uit de letterlijke uitlegging van artikel 11, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, volgt dus niet dat het de personen die binnen de werkingssfeer daarvan vallen, verboden is om naar aanleiding van overeenkomsten of transacties waaraan volgens hen afbreuk is gedaan door de bij de verordening ingestelde maatregelen, een vordering in te dienen bij niet-rechterlijke instanties en te trachten tot een oplossing te komen.

b)      Contextuele uitlegging van de „no claims clause”

35.      Uit de analyse van de context van artikel 11, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, komen twee belangrijke elementen naar voren. Ten eerste lijken aan de vrije wil van partijen om hun geschillen buiten de nationale rechter om te beslechten, een aantal waarschuwingen te zijn verbonden. Ten tweede blijkt uit die context dat de Uniewetgever wat de mogelijkheid van arbitrage betreft, niets heeft voorgeschreven met betrekking tot de inhoud van overeenkomsten.

36.      In de eerste plaats bevat artikel 12 van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, een zeer duidelijk verbod om niet bewust en opzettelijk deel te nemen aan het omzeilen van de verbodsbepalingen van deze verordening, met inbegrip van die welke voortvloeien uit artikel 2 van die verordening. Dit verbod gaat vergezeld van een regeling met doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties die de lidstaten krachtens artikel 8, lid 1, van deze verordening moeten toepassen.

37.      Daarnaast voorziet artikel 13 van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, in een ruime werkingssfeer aangezien deze verordening van toepassing is op het grondgebied van de Unie, maar ook op alle zich op of buiten het grondgebied van de Unie bevindende natuurlijke personen die onderdaan van een lidstaat zijn, op alle volgens het recht van een lidstaat erkende of opgerichte rechtspersonen, entiteiten of lichamen, binnen of buiten het grondgebied van de Unie, en op alle rechtspersonen, entiteiten of lichamen ten aanzien van alle geheel of gedeeltelijk binnen de Unie verrichte zakelijke transacties.(32)

38.      In de tweede plaats volgt uit de analyse van de context ook dat de Uniewetgever in verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, geen enkele verplichting heeft opgenomen om lopende overeenkomsten zodanig te wijzigen dat zij geen arbitragebeding bevatten. De Uniewetgever heeft evenmin voorgeschreven dat overeenkomsten die na de inwerkingtreding van deze verordening worden gesloten, geen bepalingen mogen bevatten die voorzien in de mogelijkheid van arbitrage of, meer in het algemeen, een mechanisme voor alternatieve geschillenbeslechting.

39.      Toch heeft de Uniewetgever met de vaststelling van artikel 12 octies, lid 1, dat in 2023 in verordening nr. 833/2014 is opgenomen(33), zich rechtstreeks bemoeid met de inhoud van de overeenkomsten door exporteurs te verplichten om vanaf 20 maart 2024 de wederuitvoer naar Rusland en de wederuitvoer voor gebruik in Rusland contractueel te verbieden.(34)

40.      Hoewel uit de letterlijke en contextuele analyse van artikel 11, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, volgt dat het een partij lijkt te zijn toegestaan om bij een arbitrage-instantie een vordering in te dienen die niet mag worden toegewezen, moet nog worden nagegaan of een dergelijke uitlegging het door deze bepaling nagestreefde doel niet in gevaar brengt.

c)      Teleologische uitlegging van de „no claims clause”

41.      Artikel 11, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, beoogt te voorkomen dat de door beperkende maatregelen getroffen subjecten „schadevergoeding kunnen verkrijgen voor de nadelige gevolgen van [die maatregelen] en strekt ertoe het bedrijfsleven te beschermen tegen de aanspraken die [...] tegenpartijen jegens hen zouden kunnen doen gelden op basis van of in verband met overeenkomsten op de uitvoering waarvan de genoemde maatregelen van toepassing waren”.(35)

42.      Dat doel kan slechts worden bereikt indien er in ondubbelzinnige bewoordingen op wordt gewezen dat „vorderingen” kunnen worden ingediend bij scheidsgerechten, maar dat deze niet mogen worden toegewezen. Deze verduidelijking is belangrijk in het licht van de bredere doelstelling van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, te weten „Rusland een hogere prijs te laten betalen voor zijn acties die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen, en [...] een vreedzame oplossing van deze crisis te bevorderen”.(36)

43.      Het lijkt dus mogelijk om het nagestreefde doel van de „no claims clause” te verwezenlijken, ook in geval van arbitrage en op voorwaarde dat doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties worden verbonden aan elke nalatigheid of medeplichtigheid van de marktdeelnemer in de Unie die leidt tot een schending van het verbod van artikel 11, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd.(37)

3.      Behoud van de specifieke kenmerken van de rechtsorde van de Unie

44.      Het Hof heeft reeds geoordeeld dat de „door de Verdragen ingestelde rechtsorde van de Unie [...] in beginsel niet [belet] dat particulieren die onder die rechtsorde vallen omdat zij op het grondgebied van de Unie een economische activiteit uitoefenen, geschillen die in het kader van die activiteit tussen hen kunnen ontstaan, aan arbitrage onderwerpen”.(38) Voor particulieren is arbitrage in beginsel mogelijk.(39) Die particulieren kunnen dus een overeenkomst sluiten waarin in duidelijke en nauwkeurige bewoordingen wordt bepaald dat alle of sommige daarop betrekking hebbende geschillen worden voorgelegd aan een arbitrage-instantie, en niet aan de rechter die bij gebreke van een dergelijke overeenkomst volgens de toepasselijke nationaalrechtelijke regels bevoegd zou zijn geweest.(40)

45.      De keuze van de Unie om beperkende maatregelen in te stellen ter verwezenlijking van de doelstellingen die zij op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid nastreeft, heeft bij de huidige stand van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd(41), geen negatieve gevolgen gehad voor de mogelijkheid van arbitrage.

46.      Niettemin lijkt het mij noodzakelijk te wijzen op de verwachtingen van het Unierecht ten aanzien van arbitrage.

47.      Arbitrage-instanties waaraan een vordering in de zin van artikel 11, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, wordt voorgelegd(42), zijn dus niet alleen gebonden aan het Unierecht, maar staan op hun niveau ook garant voor de juiste toepassing en de naleving ervan(43). Zij maken geen deel uit van het nationale gerechtelijke apparaat, en zijn dus ook niet betrokken bij de dialoog met het Hof, maar dat betekent niet dat zij buiten het Unierecht vallen.

48.      Arbitrage-instanties zijn dus verplicht hun verantwoordelijkheid te nemen. Zij dienen erop toe te zien dat het juiste evenwicht wordt gevonden tussen het „recht op autonomie” van de partijen en het belang van de lidstaat om de fundamentele waarden van zijn openbare orde te handhaven en te beschermen. Deze instanties zijn derhalve verplicht na te gaan hoe zij uitspraak kunnen doen zonder dat hun vonnis om redenen van openbare orde kan worden aangevochten bij de gerechten van het land waar de arbitrage is gevestigd. In de specifieke context van beperkende maatregelen van de Unie moeten zij bijzonder waakzaam zijn ten aanzien van constructies die kunnen worden gebruikt om die maatregelen te omzeilen, zoals rechtskeuze of afspraken inzake instemming met arbitrage, die tot doel hebben de bij de beperkende maatregelen ingestelde verboden te omzeilen. De flexibiliteit van de arbiter bij de toepassing van het recht wordt dus beperkt door de verplichting om de redenen van openbare orde van het land van de zetel van de arbitrage (lex arbitri) toe te passen.

49.      Indien de gekozen arbitrage-instantie in de Unie is gevestigd, moet zij de bepalingen van openbare orde van de lidstaat van haar zetel eerbiedigen, welke worden aangevuld met die van de Unie – zoals ik in het kader van mijn analyse van de tweede prejudiciële vraag zal aantonen – en is rechterlijke toetsing van het arbitrale vonnis mogelijk.(44) Dit is het geval in het hoofdgeding.

50.      Hoewel dit niet noodzakelijk is voor de beslechting van het onderhavige geding, voeg ik hieraan toe dat indien deze gekozen arbitrage-instantie zich buiten de Unie bevindt, deze keuze, ervan uitgaande dat zij vrijwillig is gemaakt, ten eerste de betrokken marktdeelnemer van de Unie zou kunnen blootstellen aan sancties wegens omzeiling van de maatregelen van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, indien deze zou leiden tot schending van het verbod van artikel 11, lid 1, van die verordening.

51.      Ten tweede sluit ik niet uit dat de openbare orde van de Unie extraterritoriale werking kan hebben op grond van artikel 13, onder e), van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, dat bepaalt dat de verordening van toepassing is op alle rechtspersonen, entiteiten of lichamen ten aanzien van alle geheel of gedeeltelijk binnen de Unie verrichte zakelijke transacties.

52.      Ten derde moet, aangezien arbitrale vonnissen niet uitvoerbaar zijn, een procedure tot erkenning en tenuitvoerlegging van het buitenlandse arbitrale vonnis worden gevoerd bij een rechterlijke instantie van de Unie. Het verzoek om erkenning en tenuitvoerlegging zal in dat kader slechts worden toegewezen op voorwaarde dat het vonnis in overeenstemming is met de openbare orde van de betrokken lidstaat, en dus van de Unie.

53.      In elk geval moet de vrijwillige tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis dat in strijd is met het verbod van artikel 11, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, leiden tot het vaststellen van sancties tegen de betrokken marktdeelnemer van de Unie wegens zijn betrokkenheid bij de omzeiling van de bij deze verordening ingestelde beperkende maatregelen.(45)

4.      Conclusie van de analyse

54.      Uit het voorgaande volgt dat artikel 11, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, aldus moet worden uitgelegd dat het zich er niet tegen verzet dat twee partijen bij een overeenkomst gebruikmaken van arbitrage met betrekking tot een vordering die niet mag worden toegewezen in de zin van die bepaling, met dien verstande dat hoe dan ook, ten eerste, tijdens of na die arbitrage geen genoegdoening kan worden verkregen van een vordering die in strijd is met die bepaling, en ten tweede, het arbitrale vonnis altijd door de rechter moet kunnen worden getoetst om de eerbiediging van de openbare orde van de Unie te waarborgen.

B.      Verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, en openbare orde van de Unie.

1.      Openbare orde als grens aan de vrije wil van partijen

55.      Het hoofdgeding wordt gekenmerkt door een arbitraal vonnis waarin het scheidsgerecht zich met name heeft uitgesproken over de vraag of de vordering van Stankoimport binnen de werkingssfeer viel van artikel 11, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd. Reibel heeft bij de verwijzende rechter beroep tot vernietiging van het arbitrale vonnis ingesteld. Volgens het nationale recht moet een dergelijk vonnis worden vernietigd in geval van schending van de openbare orde.

56.      Uit recente rechtspraak van het Hof blijkt dat het erkent dat de doeltreffendheid van de arbitrale rechtspleging, die moet worden gewaarborgd, tot gevolg heeft dat de toetsing van arbitrale vonnissen een specifiek karakter heeft.(46) Zodra evenwel een arbitrage-mechanisme in de Unie moet worden toegepast in het kader van geschillen betreffende de uitoefening van een economische activiteit op haar grondgebied, moet deze toepassing noodzakelijkerwijs verenigbaar zijn met de beginselen waarop de gerechtelijke structuur van de Unie is gebaseerd en daadwerkelijk de openbare orde van de Unie eerbiedigen.(47)

57.      Hoewel het vereiste van toetsing van de verenigbaarheid van arbitrale vonnissen met de openbare orde van de Unie voorheen sterk leek te worden bepaald door het nationale recht(48), aangevuld met de internationale verplichtingen van de lidstaten(49), lijkt het thans, in de meest recente rechtspraak van het Hof, op grond van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) en artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, een autonoom vereiste te zijn geworden(50).

58.      Hoewel het gaat om een aangepaste toetsing, is de rechterlijke toetsing van arbitrale vonnissen daarom niet minder doeltreffend.(51) Met dit vereiste kan arbitrage daarom geen optie zijn voor wie zich wenst te „onttrekken aan de beginselen en bepalingen van primair of afgeleid Unierecht die van wezenlijk belang zijn voor de door de Verdragen ingestelde rechtsorde of die van fundamenteel belang zijn voor de vervulling van de taken van de Unie”, aangezien deze beginselen en bepalingen deel uitmaken van de openbare orde van de Unie.(52) Deze rechterlijke toetsing, via het voorbehoud van de eerbiediging van de openbare orde, is daarom van fundamenteel belang voor het behoud van de kenmerken van de rechtsorde van de Unie en beantwoordt tegelijkertijd aan het specifieke karakter van arbitrage.

59.      De openbare orde van de Unie begrenst als zodanig dus de vrije wil van de partijen: particulieren zijn gehouden deze volledig in acht te nemen.(53) De openbare orde is, zoals het Hof heeft geoordeeld „een essentiële aanvulling op het gestructureerde netwerk van beginselen, regels en onderling samenhangende juridische betrekkingen tussen de Unie en haar lidstaten en tussen de lidstaten onderling”.(54)

2.      Verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, die wezenlijk is voor de rechtsorde van de Unie en aanvulling van de openbare orde van de Unie met artikel 11, lid 1, van deze verordening

60.      De openbare orde van de Unie is, net als die van de lidstaten, een dynamisch begrip. De criteria waaraan een beginsel of bepaling moet voldoen om van openbare orde te zijn, zijn door het Hof niet duidelijk gedefinieerd. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt evenwel dat het belang van een beginsel of bepaling zo groot moet zijn dat elke inbreuk daarop voor de betrokken rechtsorde dusdanig onaanvaardbaar is dat zij niet kan worden toegestaan.(55)

61.      Zo maken bepalingen als artikel 11 van het Handvest(56), de artikelen 101 en 102 VWEU(57), het vrije verkeer van werknemers, het vrij verrichten van diensten en het vrije verkeer van kapitaal van de Unie(58) of artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG(59) deel uit van de openbare orde van de Unie.

62.      De openbare orde van de Unie wordt ook negatief gedefinieerd. Zo heeft het Hof geoordeeld dat een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de toepassing van de bepalingen van de Eerste richtlijn (89/104/EEG)(60) in een rechterlijke uitspraak waarvan erkenning werd verzocht, geen schending van een fundamentele rechtsregel van de rechtsorde van de Unie vormde.(61)

63.      Gelet op de voorwaarden die het Hof recentelijk in herinnering heeft gebracht(62), lijdt het mijns inziens geen twijfel dat verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, van wezenlijk en/of fundamenteel belang is voor de vervulling van de aan de Unie opgedragen taken.

64.      Ik wijs erop dat in artikel 3 VEU de bevordering van de vrede, die de eerste van de in die bepaling vermelde doelstellingen is, als een van die taken wordt genoemd.(63) Lid 5 van dat artikel bepaalt dat de Unie in haar betrekkingen met de rest van de wereld haar waarden en belangen handhaaft en zich daarvoor inzet en dat zij bijdraagt aan de vrede en de veiligheid, het wederzijds respect tussen volkeren, de bescherming van de mensenrechten en de ontwikkeling van het internationaal recht, met inbegrip van de inachtneming van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties.

65.      Artikel 21 VEU wijst erop dat de Unie op internationaal gebied gehecht is aan de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten, de menselijke waardigheid en de naleving van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht.(64) Het beleid en het optreden van de Unie op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid zijn ingegeven door de doelstelling haar fundamentele waarden en belangen te beschermen, de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en de beginselen van het internationaal recht te consolideren en te ondersteunen, de vrede te handhaven, conflicten te voorkomen en de internationale veiligheid te versterken.(65)

66.      Verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, die is gebaseerd op artikel 215 VWEU, sluit aan bij deze doelstellingen, aangezien de daarbij ingestelde beperkende maatregelen voortvloeien uit het GBVB-besluit om de economische en financiële betrekkingen met Rusland te verbreken of te beperken. Uit overweging 2 van deze verordening volgt dat deze maatregelen tot doel hebben om „Rusland een hogere prijs te laten betalen voor zijn acties die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen, en [...] een vreedzame oplossing van deze crisis te bevorderen”. Het Hof heeft reeds erkend dat deze doelstellingen van het grootste belang zijn en stroken met de – zeker niet minder belangrijke – doelstelling van handhaving van de vrede en de internationale veiligheid, overeenkomstig de voor het externe optreden van de Unie geldende doelstellingen van artikel 21 VEU, die ik zojuist noemde.(66)

67.      Aangezien het vaste rechtspraak is dat het belang van de doelstellingen die worden nagestreefd met handelingen waarbij beperkende maatregelen worden ingesteld in het algemeen, en met verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, in het bijzonder, zelfs aanzienlijk negatieve gevolgen voor bepaalde marktdeelnemers kan rechtvaardigen(67), ben ik bovendien van mening dat deze gevolgen ook de vorm kunnen aannemen van een beperking van de contractuele autonomie van particulieren, een beperking(68) die noodzakelijkerwijs voortvloeit uit het feit dat de tegen Rusland ingestelde beperkende maatregelen ook deel uitmaken van de openbare orde van de Unie.

68.      Ik merk echter ook op dat het Hof altijd selectief te werk is gegaan en dat het van voornamelijk opzichzelfstaande beginselen of bepalingen heeft bevestigd dat zij van openbare orde zijn. Na bijvoorbeeld te hebben vastgesteld dat richtlijn 93/13 een maatregel vormt die onontbeerlijk is voor de vervulling van de aan de Unie opgedragen taken, moeten de nationale rechters zich uiteindelijk ervan vergewissen of het arbitrale vonnis verenigbaar is met artikel 6, lid 1, van deze richtlijn.(69)

69.      Derhalve acht ik het nodig en, gelet op de specificiteit van de bepalingen die als bepalingen van openbare orde worden erkend, voldoende om te erkennen dat artikel 11, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, deel uitmaakt van de openbare orde van de Unie. Zo wordt gewaarborgd dat de openbare orde de belangrijkste bepalingen van het Unierecht omvat, waarbij de werking van mechanismen zoals arbitrage niet te zeer wordt aangetast en de aan het Unierecht ontleende rechten voldoende beschermd blijven.

70.      Deze benadering zorgt er ook voor dat de openbare orde van de Unie daadwerkelijk bestaat uit bepalingen die rechtstreekse werking hebben en voor de justitiabelen rechten in het leven roepen die door de nationale rechter moeten worden gehandhaafd.(70)

71.      Artikel 11, lid 1, van verordening nr. 833/2014 strekt er namelijk toe de marktdeelnemers van de Unie te waarborgen dat zij niet zullen worden blootgesteld aan nadelige gevolgen van de wijziging van hun rechtspositie als gevolg van de inwerkingtreding van de beperkende maatregelen ten aanzien van Rusland. Met andere woorden, een wederpartij van een Russische entiteit die als gevolg van de maatregelen van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, zijn contractuele verplichtingen niet meer kan nakomen, kan zich beroepen op het uit deze bepaling voortvloeiende recht om de vorderingen van die entiteit niet te honoreren, en het is aan de nationale rechter om dit recht te beschermen. Niet alle bepalingen van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, creëren echter noodzakelijkerwijs rechten voor de justitiabelen.(71) Daarom volstaat het mijns inziens om zich te houden aan hetgeen de Uniewetgever in 2025 heeft vastgesteld, te weten dat „[d]e daadwerkelijke toepassing van de ‚no claims-clausule’ moet worden beschouwd als van openbare orde in de Unie en de lidstaten”.(72)

3.      Intensiteit van de toetsing van arbitrale vonnissen door de nationale rechter

72.      Arbitrale vonnissen kunnen op aangepaste wijze worden getoetst om ervoor te zorgen dat arbitragemechanismen zich kunnen ontwikkelen binnen het flexibele kader dat hen kenmerkt. De rechterlijke toetsing moet echter wel doeltreffend zijn.(73) Voor de lidstaten betekent dit vrijheid van middelen, maar wel een resultaatsverplichting.

73.      Het Hof heeft in het arrest Royal Football Club Seraing reeds duidelijk gemaakt wat het van een dergelijke toetsing verwacht.(74)Het arbitragemechanisme waarmee het Hof in dat arrest te maken had was weliswaar anders dan dat in de onderhavige zaak(75), maar ik kan mij niet voorstellen dat de effectieve rechterlijke bescherming van particulieren aan wie door het Unierecht rechten zijn toegekend die deel uitmaken van de openbare orde, anders zou kunnen zijn.

74.      Bijgevolg moeten, ten eerste, „de rechterlijke instanties van de lidstaten die deze toetsing dienen te verrichten, wanneer een dergelijk arbitraal vonnis – zoals in casu – een uitlegging of toepassing bevat van de beginselen of bepalingen die deel uitmaken van de openbare orde van de Unie en die aan particulieren rechten of vrijheden toekennen, een toetsing kunnen uitvoeren van de uitlegging die aan die beginselen of bepalingen is gegeven, van de rechtsgevolgen die aan die uitlegging zijn verbonden waar het gaat om de toepassing van die beginselen of bepalingen op het concrete geval, en van de juridische kwalificatie die in het licht van die uitlegging is gegeven aan de door de arbitrage-instantie vastgestelde en beoordeelde feiten”.(76) De rechterlijke toetsing richt zich dus uitsluitend op de bepalingen die deel uitmaken van de openbare orde van de Unie. Voor de overige bepalingen wordt ervan uitgegaan dat de arbitrage-instanties hun volle verantwoordelijkheid nemen.(77)

75.      Ten tweede „kunnen deze rechterlijke instanties zich er niet toe beperken in voorkomend geval vast te stellen dat een dergelijk vonnis geheel of gedeeltelijk onverenigbaar is met beginselen of bepalingen die deel uitmaken van de openbare orde van de Unie. [...] Veeleer moeten die rechterlijke instanties in het kader van hun respectieve bevoegdheden en overeenkomstig de toepasselijke nationale bepalingen aan de vaststelling van een dergelijke onverenigbaarheid ook alle nodige rechtsgevolgen kunnen verbinden. Zo niet, dan zou de rechterlijke toetsing namelijk niet doeltreffend zijn doordat deze onverenigbaarheid zou kunnen blijven voortbestaan.”(78) Ik zou hieraan willen toevoegen dat de eerbiediging van de openbare orde van de Unie en de voorrang die aan die openbare orde moet worden toegekend, niet zouden worden gewaarborgd indien de onverenigbaarheid blijft voortbestaan.(79)

76.      Wil de rechterlijke toetsing die is toegespitst op de wezenlijke bepalingen van de rechtsorde van de Unie, doeltreffend zijn, dan dient tot slot van de nationale rechterlijke instanties te worden geëist dat zij, in voorkomend geval ambtshalve(80), uitspraak doen over de kwestie van de verenigbaarheid van arbitrale vonnissen met de openbare orde van de Unie.(81)

77.      Ik merk op dat, wat het hoofdgeding betreft, een doeltreffende toetsing van arbitrale vonnissen lijkt te zijn gewaarborgd in Zweeds recht, aangezien de Zweedse rechter die met deze toetsing is belast, die vonnissen ongeldig moet verklaren indien zij kennelijk onverenigbaar zijn met de Zweedse openbare orde, waarvan de openbare orde van de Unie deel uitmaakt, of indien zij zijn gewezen op een wijze die kennelijk onverenigbaar is met die openbare orden.(82)

78.      Uit de voorgaande redenering volgt dat artikel 11, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, deel uitmaakt van de openbare orde van de Unie. Een nationale rechterlijke instantie waarbij een beroep tot vernietiging van een arbitraal vonnis wordt ingesteld, moet nagaan, in voorkomend geval ambtshalve, of de toepassing ervan door de arbitrage-instantie verenigbaar is met die bepaling. Indien wordt vastgesteld dat er sprake is van onverenigbaarheid met die bepaling, moet de betrokken rechterlijke instantie daaruit alle consequenties trekken die haar nationale recht voorschrijft en het op schending van de openbare orde van de Unie gebaseerde verzoek tot vernietiging van dat vonnis toewijzen om een eind te maken aan de onverenigbaarheid met de rechtsorde van de Unie.

C.      Het begrip „vordering” in de zin van artikel 11, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd

79.      Volgens het in het hoofdgeding aan de orde zijnde arbitrale vonnis heeft Stankoimport terugbetaling gevorderd van het aan Reibel vooruitbetaalde bedrag voor de levering van de goederen waarvan de uitvoer uiteindelijk niet was toegestaan, alsook betaling van rente. De verwijzende rechter, die met de toetsing van dit vonnis is belast, verzoekt het Hof vast te stellen of de vordering van Stankoimport tot terugbetaling van het vooruitbetaalde bedrag, vermeerderd met rente, valt onder „vorderingen” die niet mogen worden toegewezen in de zin van artikel 11, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd.

80.      Voor de beantwoording van deze vraag moet ik eerst terug naar de analyse van die bepaling, alvorens daaruit lering te trekken voor de kwalificatie van de door Stankoimport bij de arbitrage-instantie ingediende vordering.

1.      Terug naar artikel 11, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd

81.      Voor de uitlegging van dit begrip dient dezelfde analyse te worden gevolgd als die welke is beschreven in punt 28 hierboven.

82.      Gelet op de bewoordingen, de context en het nagestreefde doel van dit artikel en op het stelsel van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, in haar geheel beschouwd, ben ik van mening dat de door Stankoimport ingestelde vordering tot terugbetaling valt onder het begrip „vordering” die niet mag worden toegewezen.

83.      Zo is artikel 11, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, in de eerste plaats zeer ruim geformuleerd(83): de daarin bedoelde vorderingen hebben betrekking op „contracten en andere transacties”, ongeacht de vorm ervan, mits aan de uitvoering daarvan door de bij die verordening ingestelde maatregelen direct of indirect, geheel of gedeeltelijk, afbreuk is gedaan(84). Het geeft, uitsluitend ter illustratie, een opsomming van die vorderingen. Aangezien die opsomming begint met het woord „zoals”, is deze dus niet uitputtend. Zij omvat, maar is niet beperkt tot, vorderingen tot schadeloosstelling of soortgelijke vorderingen, zoals een vordering tot schuldvergelijking of een garantievordering.(85) Tot slot heeft artikel 11, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, niet alleen betrekking op vorderingen van individuele natuurlijke personen en rechtspersonen tegen wie de beperkende maatregelen zijn gericht, maar ook op vorderingen van elke andere Russische persoon, Russische entiteit of Russisch lichaam.

84.      In de tweede plaats, vanuit contextueel en systemisch oogpunt bekeken, beoogt de „no claims clause” de gevolgen te ondervangen die voortvloeien uit het feit dat verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, na haar inwerkingtreding, voorrang heeft boven elke daarmee onverenigbare contractuele bepaling.(86) Uit artikel 11, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, blijkt dat wanneer de vordering betrekking heeft op een contract of een transactie aan de uitvoering waarvan afbreuk is gedaan door de bij deze verordening ingestelde maatregelen, die vordering automatisch niet zal worden gehonoreerd, ongeacht of toewijzing van die vordering leidt tot schending van de andere in die verordening neergelegde maatregelen, dat wil zeggen tot een verboden transactie. Artikel 11 van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, is dus een opzichzelfstaande bepaling waarin alle voorwaarden voor de toepassing ervan zijn vervat.

85.      Wat in de derde plaats het nagestreefde doel van de „no claims clause” betreft, wijs ik erop dat dit soort bepalingen voor het eerst in een handeling van de Unie is opgenomen bij verordening (EEG) nr. 3541/92(87). Uit de considerans van deze verordening blijkt dat als gevolg van het embargo tegen Irak „het bedrijfsleven in de Gemeenschap en in derde landen het risico loopt met eisen van Iraakse zijde te worden geconfronteerd [en] [...] dat het noodzakelijk is het bedrijfsleven blijvend tegen zulke eisen te beschermen en te voorkomen dat Irak schadevergoeding verkrijgt voor de nadelige gevolgen van het embargo”.(88) In het kader van de beperkende maatregelen en zoals ik reeds heb vastgesteld(89), heeft de „no claims clause” tot doel de marktdeelnemers van de Unie die zich in een „onhoudbare situatie” bevinden(90), te beschermen tegen vorderingen die wederpartijen jegens hen kunnen hebben op grond van contracten of transacties aan de uitvoering waarvan door die maatregelen afbreuk is gedaan(91).

86.      Met betrekking tot de vraag of artikel 11 van verordening nr. 833/2014(92) geldig is in het licht van het evenredigheidsbeginsel, de vrijheid van ondernemerschap en het recht op eigendom, heeft het Hof geoordeeld dat „het belang van de [met verordening nr. 833/2014] nagestreefde doelstellingen – te weten de bescherming van de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne en de bevordering van een vreedzame oplossing van de crisis in dit land –, die onderdeel zijn van de ruimere doelstelling om overeenkomstig de in artikel 21 VEU genoemde doelstellingen van het externe optreden van de Unie de vrede en internationale veiligheid in stand te houden [...], zelfs aanzienlijke negatieve economische gevolgen voor bepaalde marktdeelnemers kan rechtvaardigen. In deze omstandigheden en rekening houdend met onder meer de geleidelijke intensivering van de door de Raad in reactie op de crisis in Oekraïne vastgestelde beperkende maatregelen, kan de inmenging in de vrijheid van ondernemerschap en het recht op eigendom van Rosneft niet als onevenredig worden beschouwd.”(93)

87.      Het feit dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vordering is ingediend door een persoon die valt onder de werkingssfeer van artikel 11, lid 1, onder b), van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, verandert mijns inziens niets aan deze vaststelling.(94)

88.      Uit de rechtspraak van het Hof volgt namelijk dat de zojuist genoemde aanzienlijke negatieve gevolgen ook moeten worden gedragen door degenen die op geen enkele wijze verantwoordelijk zijn voor de situatie naar aanleiding waarvan de betrokken maatregelen zijn vastgesteld, maar die met name in hun eigendomsrechten worden geraakt.(95)

89.      Wat de eventuele inbreuk op het eigendomsrecht van Stankoimport betreft, wil ik hoe dan ook benadrukken dat het feit dat Stankoimport een schuldvordering op Reibel heeft, zonder probleem kan worden vastgesteld bij een beslissing waarvan de tenuitvoerlegging wordt opgeschort(96) of bij een declaratoir vonnis waarbij deze vordering wordt veiliggesteld. Aangezien de beperkende maatregelen tijdelijk en omkeerbaar zijn(97), moet de aldus vastgestelde schuldvordering worden betaald wanneer de maatregelen worden opgeheven.

2.      Toepassing op het onderhavige geval

90.      De door Stankoimport ingestelde vordering tot terugbetaling van het vooruitbetaalde bedrag behoort mijns inziens tot de vorderingen die niet mogen worden toegewezen in de zin van artikel 11, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd. Aangezien de bijzaak de hoofdzaak volgt, geldt hetzelfde voor de vordering tot betaling van rente.

91.      Om te beginnen is de vordering ingediend door Stankoimport, een Russische marktdeelnemer.

92.      Vervolgens is de vordering ontegenzeglijk ingesteld wegens, en dus in verband met, de overeenkomst tussen Stankoimport en Reibel betreffende de levering van goederen.

93.      Tot slot werd de uitvoering van dit contract verhinderd door het verbod op de uitvoer van „producten voor tweeërlei gebruik”, dat voortvloeit uit artikel 2 van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd.(98) Aan deze uitvoering lijkt dus, direct, ten minste gedeeltelijk, afbreuk te zijn gedaan door de bij deze verordening ingestelde maatregelen.(99) Door zich te wenden tot de arbitrage-instantie, wilde Stankoimport zich ongetwijfeld baseren op niet-levering, en dus op niet-nakoming van de contractuele verplichtingen door Reibel, teneinde terugbetaling van het vooruitbetaalde bedrag te verkrijgen.

94.      Uit het voorgaande volgt dat artikel 11, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen toewijzing van een vordering tot terugbetaling van een bedrag dat is vooruitbetaald voor goederen waarvan de levering op grond van deze verordening is verhinderd, vermeerderd met rente over dat bedrag.

III. Conclusie

95.      Gelet op het bovenstaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de Svea hovrätt te beantwoorden als volgt:

„Artikel 11, lid 1, van verordening (EU) nr. 833/2014 van de Raad van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren, in de versie die van toepassing is op de datum van het betrokken arbitrale vonnis in het hoofdgeding,

moet aldus worden uitgelegd dat

–      het zich er niet tegen verzet dat twee partijen bij een overeenkomst gebruikmaken van arbitrage met betrekking tot een vordering die niet mag worden toegewezen in de zin van die bepaling, met dien verstande dat hoe dan ook, ten eerste, tijdens of na die arbitrage geen genoegdoening kan worden verkregen van een vordering die in strijd is met die bepaling, en ten tweede, het arbitrale vonnis altijd door de rechter moet kunnen worden getoetst om de eerbiediging van de openbare orde van de Unie te waarborgen;

–      het deel uitmaakt van de openbare orde van de Unie. Bijgevolg moet een nationale rechterlijke instantie waarbij een beroep tot vernietiging van een arbitraal vonnis wordt ingesteld, nagaan, in voorkomend geval ambtshalve, of de toepassing ervan door de arbitrage-instantie verenigbaar is met die bepaling. Indien wordt vastgesteld dat er sprake is van onverenigbaarheid met die bepaling, moet de betrokken rechterlijke instantie daaruit alle consequenties trekken die haar nationale recht voorschrijft en het op schending van de openbare orde van de Unie gebaseerde verzoek tot vernietiging van dat vonnis toewijzen om een eind te maken aan de onverenigbaarheid met de rechtsorde van de Unie;

–      het zich verzet tegen toewijzing van een vordering tot terugbetaling van een bedrag dat is vooruitbetaald voor goederen waarvan de levering op grond van verordening nr. 833/2014 is verhinderd, vermeerderd met rente over dat bedrag.”


1      Oorspronkelijke taal: Frans.


2      Geïnspireerd op het beroemde gedicht van Henry Wadsworth Longfellow, The Theologian’s tale; Elizabeth.


3      Zie arrest van 1 augustus 2025, Royal Football Club Seraing (C‑600/23, EU:C:2025:617, punt 78).


4      Richtlijn 2013/11/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende alternatieve beslechting van consumentengeschillen en tot wijziging van verordening (EG) nr. 2006/2004 en richtlijn 2009/22/EG (PB 2013, L 165, blz. 63).


5      Arrest van 22 februari 2024, Mytilinaios/DEI en Commissie en Commissie/DEI (C‑701/21 P en C‑739/21 P, EU:C:2024:146, punt 105 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


6      Verordening van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik (PB 2009, L 134, blz. 1).


7      Verordening van de Raad van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB 2014, L 229, blz. 1), hier aangehaald in de versie die voortvloeit uit de wijziging van deze verordening bij verordening (EU) nr. 1290/2014 van de Raad van 4 december 2014 tot wijziging van verordening (EU) nr. 833/2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren, en tot wijziging van verordening (EU) nr. 960/2014 tot wijziging van verordening (EU) nr. 833/2014 (PB 2014, L 349, blz. 30). Zie met name artikel 1, onder a), en artikel 2 van verordening nr. 833/2014, aldus gewijzigd.


8      Hieronder zal ik, tenzij anders vermeld, in deze analyseverwijzen naar „verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd” voor zover deze betrekking heeft op de versie van deze verordening die van toepassing was op de datum van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde arbitrale vonnis, dat wil zeggen de versie die voortvloeit uit uitvoeringsverordening (EU) 2019/1163 van de Commissie van 5 juli 2019 tot wijziging en opstelling van één lijst voor de bijlagen bij bepaalde verordeningen inzake beperkende maatregelen die de contactgegevens van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en het adres voor kennisgevingen aan de Europese Commissie bevatten (PB 2019, L 182, blz. 33).


      Artikel 11 van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, luidt als volgt:


      „1.       Vorderingen in verband met contracten of andere transacties aan de uitvoering waarvan, direct of indirect, geheel of gedeeltelijk, afbreuk is gedaan door de maatregelen die uit hoofde van onderhavige verordening zijn ingesteld, met inbegrip van vorderingen tot schadeloosstelling of soortgelijke vorderingen, zoals een vordering tot schuldvergelijking of een garantievordering, met name een vordering tot verlenging of uitbetaling van een obligatie, garantie of contragarantie, met name een financiële garantie of contragarantie, ongeacht de vorm hiervan, worden niet toegewezen indien deze vorderingen worden ingesteld door:


            a)      entiteiten als bedoeld onder b) of c) van artikel 5, lid 1, en onder c) en d) van artikel 5, lid 2, of welke zijn vermeld in de bijlagen III, IV, V en VI;


            b)      elke andere Russische persoon, Russische entiteit of Russisch lichaam;


            c)      een persoon, entiteit of lichaam, handelend voor rekening of ten behoeve van een van de in punt a) of punt b) van dit lid bedoelde personen, entiteiten of lichamen.


      2.       In elke procedure waartoe een vordering aanleiding geeft, moet het bewijs dat de vordering niet op grond van lid 1 hoort te worden afgewezen, door de eiser worden geleverd.


      3.       Dit artikel geldt onverminderd het recht van de personen, entiteiten en lichamen die in lid 1 worden genoemd, op toetsing door de rechter van de rechtmatigheid van de niet-nakoming van de contractuele verplichtingen in overeenstemming met deze verordening.”


9      Volgens § 1, lid 1, van de Lag (1999:116) om skiljeförarande (wet nr. 116 van 1999 inzake arbitrageprocedures; hierna: „arbitragewet”).


10      Volgens § 33, lid 1, van de arbitragewet.


11      Lagen (1996:95) om vissa internationella sanktioner (wet nr. 95 van 1996 inzake bepaalde internationale sancties).


12      De verwijzende rechter benadrukt dat het Hof thans een verzoek behandelt om een prejudiciële beslissing over verordening (EU) nr. 269/2014 van de Raad van 17 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen (PB 2014, L 78, blz. 6), waarin sprake is van soortgelijke vragen, te weten in de zaak Čiekuri-Shishki (C‑480/24, EU:C:2025:672).


13      De verwijzende rechter baseert zich hier op het arrest van 11 november 2021, Bank Sepah (C‑340/20, EU:C:2021:903, punt 56), en het arrest van 13 september 2018, Rosneft e.a./Raad (T‑715/14, EU:T:2018:544, punt 206).


14      De verwijzende rechter verwijst hier naar het arrest van 26 oktober 2006, Mostaza Claro (C‑168/05, EU:C:2006:675, punt 35).


15      Zie onder meer arrest van 30 oktober 2025, Attal et Associés (C‑321/24, EU:C:2025:836, punt 19).


16      Arrest van 28 maart 2017, Rosneft (C‑72/15, EU:C:2017:236). Ik herinner eraan dat deze vragen betrekking hadden op de bevoegdheid van het Hof om zich uit te spreken over de geldigheid van een GBVB-besluit, vervolgens op de geldigheid van een aantal bepalingen van dat besluit en van verordening nr. 833/2014, waaronder artikel 11, alsmede op de uitlegging van een aantal bepalingen van deze verordening. Het Hof heeft daarin dus de geldigheid van artikel 11 van verordening nr. 833/2014 getoetst aan het evenredigheidsbeginsel en de inmenging in de vrijheid van ondernemerschap en het eigendomsrecht (zie de punten 143‑151 van dat arrest).


17      Zie arrest van 6 maart 2018, Achmea (C‑284/16, EU:C:2018:158, punt 35).


18      Jarrosson, C., „L’arbitrabilité: présentation méthodologique”, Revue de jurisprudence commerciale, 1996, nr. 1, blz. 1.


19      Arbitrabiliteit is in de lidstaten geen uniform begrip. In Frankrijk, Spanje en Italië kunnen geschillen over rechten waarover vrijelijk kan worden beschikt (zie respectievelijk artikel 2059 van het Franse burgerlijk wetboek, artikel 2, lid 1, van de Spaanse wet 60/2003 van 23 december 2003 inzake arbitrage, en artikel 806 van het Italiaanse wetboek van burgerlijke rechtsvordering), door arbitrage worden beslecht. In Duitsland wordt arbitrabiliteit bepaald door de vermogensrechtelijke aard van de ingeroepen rechten (§ 1030, lid 1, van het Duitse wetboek van burgerlijke rechtsvordering). Pools recht voorziet in een soortgelijk beginsel (zie artikel 1157 van het Poolse wetboek van burgerlijke rechtsvordering).


20      Ravillon, L., „Que reste-t-il du concept d’inarbitrabilité?” in Manciaux, S., en Loquin, E. (red.), L’ordre public et l’arbitrage, Actes du colloque des 15 et 16 mars 2013, onder leiding van CREDIMI, LexisNexis 2014, blz. 57.


21      United Nations Treaty Series, deel 330, blz. 3.


22      Zie arrest van 1 augustus 2025, Royal Football Club Seraing (C‑600/23, EU:C:2025:617, punt 116).


23      Artikel II, lid 1, van het Verdrag van New York.


24      Artikel V, lid 2, onder a), van het Verdrag van New York.


25      Dit begrip omvat meer dan alleen arbitrage.


26      Zie arrest van 6 maart 2018, Achmea (C‑284/16, EU:C:2018:158, punt 60).


27      Zie voor een recent voorbeeld arrest van 15 januari 2026, Wunner (C‑77/24, EU:C:2026:1, punt 35).


28      Zie artikel 11, lid 1, onder b), van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd.


29      Wat de uitlegging van het begrip „vorderingen” in de zin van artikel 11, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, betreft, verwijs ik naar mijn analyse van de derde prejudiciële vraag.


30      Deze vaststelling lijkt in overeenstemming te zijn met de definitie van het begrip „vordering” in verordening nr. 269/2014, waaruit blijkt dat onder vordering wordt verstaan „elke vordering, ook wanneer deze de vorm van een rechtsvordering heeft” [zie artikel 1, onder a), van verordening nr. 269/2014], hoewel het te betreuren is dat verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, geen soortgelijke bepaling bevat.


31      In tegenstelling tot hetgeen volgt uit artikel 11, lid 3, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, dat uitdrukkelijk betrekking heeft op de toetsing door de rechter van de rechtmatigheid van de niet-nakoming van de contractuele verplichtingen.


32      Zie respectievelijk artikel 13, onder a) en onder c) tot en met e), van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd.


33      Zie overweging 23 en artikel 1, lid 28, van verordening (EU) 2023/2878 van de Raad van 18 december 2023 tot wijziging van verordening (EU) nr. 833/2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB L 2023/2878).


34      Interessant is dat de bij artikel 12 octies van verordening nr. 833/2014 ingevoerde verplichting exporteurs gelast ervoor te zorgen „dat het contract met de tegenpartij uit een derde land voorziet in passende corrigerende maatregelen in geval van schending van een overeenkomstig lid 1 aangegane contractuele verplichting” (zie artikel 12 octies, lid 3, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd). Bovendien zijn deze exporteurs ook verplicht de bevoegde nationale autoriteit in kennis te stellen van inbreuken op de contractuele verplichtingen door hun wederpartij bij de overeenkomst (zie artikel 12 octies, lid 4, van die verordening).


35      Over de beperkende maatregelen tegen het Libische regime, zie de conclusie van advocaat-generaal Mengozzi in de zaak SH (C‑168/17, EU:C:2018:798, punt 50).


36      Zie overweging 2 van de oorspronkelijke versie van verordening nr. 833/2014.


37      Zoals bepaald in artikel 8, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd.


38      Arrest van 1 augustus 2025, Royal Football Club Seraing (C‑600/23, EU:C:2025:617, punt 78).


39      Zie arrest van 1 augustus 2025, Royal Football Club Seraing (C‑600/23, EU:C:2025:617, punt 79).


40      Zie naar analogie arrest van 1 augustus 2025, Royal Football Club Seraing (C‑600/23, EU:C:2025:617, punt 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


41      Met de vaststelling van verordening (EU) 2025/1494 van de Raad van 18 juli 2025 tot wijziging van verordening (EU) nr. 833/2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB L 2025/1494), heeft de Uniewetgever in artikel 11 van verordening nr. 833/2014 een nieuw lid ingevoegd met betrekking tot de kwestie van de erkenning en tenuitvoerlegging van arbitrale uitspraken door de lidstaten, maar alleen als het gaat om arbitrage inzake investeringen in verband met beperkende maatregelen (zie overweging 22 van verordening 2025/1494 en artikel 11, lid 2 bis, van verordening nr. 833/2014, aldus gewijzigd). Voorts stel ik vast, ook al is dit voor de onderhavige zaak niet relevant, dat verordening nr. 833/2014 voorziet in een uitzondering op het verbod om direct of indirect transacties aan te gaan met Russische rechtspersonen, entiteiten of lichamen die op de lijst zijn geplaatst of die eigendom zijn van of handelen namens op de lijst geplaatste rechtspersonen, entiteiten of lichamen, voor transacties die strikt noodzakelijk zijn om in een lidstaat de toegang tot gerechtelijke, administratieve of arbitrageprocedures te waarborgen, alsmede voor de erkenning of uitvoering van een rechterlijke beslissing die of een arbitraal vonnis dat is uitgesproken in een lidstaat, indien dergelijke transacties in overeenstemming zijn met de doelstellingen van verordening nr. 833/2014 en verordening nr. 269/2014 [zie artikel 5 bis bis, lid 3, onder g), van verordening nr. 833/2014, ingevoerd bij verordening (EU) 2022/1269 van de Raad van 21 juli 2022 tot wijziging van verordening (EU) nr. 833/2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB 2022 L 193, blz. 1)].


42      Ik voeg hieraan toe dat contractpartijen die streven naar een buitengerechtelijke schikking zich als gevolg van artikel 12 van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, niet kunnen onttrekken aan de werking van het Unierecht: Reibel heeft in alle gevallen, ongeacht de overeengekomen vorm van geschillenbeslechting, de verplichting om geen gevolg te geven aan een vordering die is verboden door artikel 11, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, ook niet uit eigen beweging.


43      De redelijk oplettende marktdeelnemer in de Unie zorgt ervoor dat deze instanties zich op het grondgebied van de Unie bevinden. Op grond van artikel 13, onder e), van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, kan een dergelijke instantie die zich niet op het grondgebied van de Unie bevindt echter ook de verplichting hebben om ervoor te zorgen dat het Unierecht wordt nageleefd. Dit is echter niet aan de orde in het hoofdgeding, aangezien de arbiter Zweeds is.


44      De intensiteit van die toetsing zal ook in het kader van het onderzoek van de tweede prejudiciële vraag worden bepaald.


45      In dit verband past een waarschuwing aan de marktdeelnemers van de Unie die zich verplichten tot ondertekening van een beding als is opgenomen in de overeenkomst tussen Reibel en Stankoimport en waarvan de inhoud is weergegeven in punt 6 hierboven.


46      Zie arrest van 1 augustus 2025, Royal Football Club Seraing (C‑600/23, EU:C:2025:617, punt 84).


47      Zie arrest van 1 augustus 2025, Royal Football Club Seraing (C‑600/23, EU:C:2025:617, punt 82).


48      Zie arresten van 1 juni 1999, Eco Swiss (C‑126/97, EU:C:1999:269, punt 37) en 26 oktober 2006, Mostaza Claro (C‑168/05, EU:C:2006:675, punt 35).


49      Waaronder in de eerste plaats het Verdrag van New York, dat voorziet in rechterlijke toetsing van arbitrale vonnissen die betrekking hebben op de eerbiediging van de openbare orde: zie artikel V van dit Verdrag en arrest van 1 augustus 2025, Royal Football Club Seraing (C‑600/23, EU:C:2025:617, punt 116).


50      Zie arrest van 1 augustus 2025, Royal Football Club Seraing (C‑600/23, EU:C:2025:617, punt 83). De ontwikkeling in de richting van een autonoom vereiste bleek reeds uit het arrest van 21 december 2023, International Skating Union/Commissie (C‑124/21 P, EU:C:2023:1012, punt 193).


51      Het Hof preciseert de ruime draagwijdte ervan in punt 86 van het arrest van 1 augustus 2025, Royal Football Club Seraing (C‑600/23, EU:C:2025:617).


52      Arrest van 1 augustus 2025, Royal Football Club Seraing (C‑600/23, EU:C:2025:617, punt 87).


53      Zie arrest van 1 augustus 2025, Royal Football Club Seraing (C‑600/23, EU:C:2025:617, punt 87).


54      Zie arrest van 1 augustus 2025, Royal Football Club Seraing (C‑600/23, EU:C:2025:617, punt 87).


55      Met andere woorden, te weten die van advocaat-generaal Ćapeta: „Het is noodzakelijk om na te gaan of een vonnis strookt met de openbare orde, omdat deze regels van een zodanig openbaar belang kunnen zijn dat de toepassing ervan niet door de wil van partijen kan worden uitgesloten” [conclusie van de advocaat-generaal in de zaak Royal Football Club Seraing (C‑600/23, EU:C:2025:24, punt 72)].


56      Zie arrest van 4 oktober 2024, Real Madrid Club de Fútbol (C‑633/22, EU:C:2024:843, punten 66 en 67).


57      Zie arrest van 21 december 2023, International Skating Union/Commissie (C‑124/21 P, EU:C:2023:1012, punten 192 en 193 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


58      Zie arrest van 1 augustus 2025, Royal Football Club Seraing (C‑600/23, EU:C:2025:617, punt 89 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


59      Richtlijn van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29). Zie arrest van 26 oktober 2006, Mostaza Claro (C‑168/05, EU:C:2006:675, punten 36‑38). Zie tevens arrest van 6 oktober 2009, Asturcom Telecomunicaciones (C‑40/08, EU:C:2009:615, punten 51 en 52).


60      Richtlijn van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB 1989, L 40, blz. 1).


61      Zie arrest van 16 juli 2015, Diageo Brands (C‑681/13, EU:C:2015:471, punt 52).


62      Zie punt 58 hierboven.


63      Zie artikel 3, lid 1, VEU.


64      Zie artikel 21, lid 1, VEU.


65      Artikel 21, lid 2, onder a), b) en c), VEU.


66      Zie arresten van 28 maart 2017, Rosneft (C‑72/15, EU:C:2017:236, punten 115 en 150) en 17 september 2020, Rosneft e.a./Raad (C‑732/18 P, EU:C:2020:727, punt 115).


67      Zie arrest van 28 maart 2017, Rosneft (C‑72/15, EU:C:2017:236, punt 150).


68      In de rechtsorde van de Unie wordt de vrije wil van partijen niet alleen beperkt door naleving van de openbare orde: zie arresten van 6 juni 2000, Angonese (C‑281/98, EU:C:2000:296, punt 34); 20 september 2001, Courage en Crehan (C‑453/99, EU:C:2001:465, punt 24), en 11 december 2007, International Transport Workers’ Federation en Finnish Seamen’s Union (C‑438/05, EU:C:2007:772, punten 33 en 34).


69      Zie arrest van 6 oktober 2009, Asturcom Telecomunicaciones (C‑40/08, EU:C:2009:615, punten 51 en 53).


70      Zie naar analogie arrest van 1 augustus 2025, Royal Football Club Seraing (C‑600/23, EU:C:2025:617, punten 88 en 89).


71      Zie, ter vergelijking met artikel 11 van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, de artikelen 1, 6, 7, 9 en 14 van deze verordening.


72      Zie overweging 22 van verordening 2025/1494.


73      Zie arrest van 1 augustus 2025, Royal Football Club Seraing (C‑600/23, EU:C:2025:617, punt 95 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


74      Arrest van 1 augustus 2025 (C‑600/23, EU:C:2025:617).


75      Te weten eenzijdig aan de betrokken particulieren opgelegd: zie arrest van 1 augustus 2025, Royal Football Club Seraing (C‑600/23, EU:C:2025:617, punt 92 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en punten 93, 96 en 106).


76      Arrest van 1 augustus 2025, Royal Football Club Seraing (C‑600/23, EU:C:2025:617, punt 101).


77      Ik verwijs hier naar de punten 47 en 48 hierboven.


78      Arrest van 1 augustus 2025, Royal Football Club Seraing (C‑600/23, EU:C:2025:617, punten 102 en 103).


79      Om vast te stellen of er sprake is van een dergelijke onverenigbaarheid kunnen nationale rechterlijke instanties door het Hof worden bijgestaan in het kader van een prejudiciële verwijzingsprocedure die „een wezenlijk bestanddeel [vormt] van het door de Verdragen ingestelde systeem om [deze instanties] in staat te stellen de daadwerkelijke rechtsbescherming van de door particulieren aan het Unierecht ontleende rechten te verzekeren” [arrest van 1 augustus 2025, Royal Football Club Seraing (C‑600/23, EU:C:2025:617, punt 77)].


80      Zie naar analogie arrest van 14 september 2023, Tuk Tuk Travel (C‑83/22, EU:C:2023:664, punt 45).


81      Zie in die zin arrest van 1 augustus 2025, Royal Football Club Seraing (C‑600/23, EU:C:2025:617, punt 115).


82      Het woord „kennelijk” mag echter niet te restrictief worden uitgelegd, gelet op het vereiste waarop is gewezen in punt 75 hierboven en het nagestreefde doel om iedere onverenigbaarheid met de openbare orde van de Unie uit te bannen. Doeltreffendheid van de door het Unierecht aan particulieren toegekende rechten lijkt dus niet samen te gaan met het censureren van alleen die situaties waarin er sprake is van kennelijke onverenigbaarheid.


83      Zoals ook de Commissie benadrukt in haar werkdocument „Commission consolidated FAQs on the implementation of Council Regulation n° 833/2014 and Council Regulation n° 269/2014”, voor het laatst bijgewerkt op 23 januari 2026 (zie voetnoot 87, blz. 420, van dat document).


84      Cursivering van mij.


85      Tot verlenging of uitbetaling van een obligatie, garantie of contragarantie, met name een financiële garantie of contragarantie, ongeacht de vorm hiervan.


86      Zie punt 33 van het document „Actualisering van de beste praktijken van de EU voor de doeltreffende implementatie van beperkende maatregelen” (Raadsdocument van 27 juni 2022, 10572/22). Zie ook de conclusie van advocaat-generaal Norkus in de zaak Čiekuri-Shishki (C‑480/24, EU:C:2025:672, punt 68).


87      Verordening van de Raad van 7 december 1992 waarbij het verboden wordt gevolg te geven aan Iraakse eisen in verband met contracten en transacties op de uitvoering waarvan Resolutie 661 (1990) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties en verwante resoluties van toepassing zijn (PB 1992, L 361, blz. 1).


88      Vierde en vijfde overweging van verordening nr. 3541/92.


89      Zie punt 41 hierboven.


90      Volgens de formulering van advocaat-generaal Norkus in zijn conclusie in de zaak Čiekuri-Shishki (C‑480/24, EU:C:2025:672, punt 70).


91      Wanneer de „no claims clause” van toepassing is op vorderingen van de in artikel 11, lid 1, onder a) en c), van verordening nr. 833/2014 bedoelde personen en entiteiten, wordt ook beoogd om het voor deze personen onmogelijk te maken compensatie te krijgen voor de negatieve gevolgen van de tegen hen genomen maatregelen [zie naar analogie conclusie van advocaat-generaal Mengozzi in de zaak SH (C‑168/17, EU:C:2018:798, punt 50)].


92      Het Hof sprak zich toen uit over verordening nr. 833/2014 in de versie zoals gewijzigd bij verordening nr. 1290/2014 (zie voetnoot 7 hierboven).


93      Arrest van 28 maart 2017, Rosneft (C‑72/15, EU:C:2017:236, punt 150).


94      In het arrest van 28 maart 2017, Rosneft (C‑72/15, EU:C:2017:236), was een deel van de beperkingen die waren ingesteld bij verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1290/2014, specifiek gericht tegen de verzoekster in het hoofdgeding, een entiteit die viel onder artikel 11, lid 1, onder a), van die verordening.


95      Zie arrest van 11 november 2021, Bank Sepah (C‑340/20, EU:C:2021:903, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


96      Zie in die zin de conclusie van advocaat-generaal Norkus in de zaak Čiekuri-Shishki (C‑480/24, EU:C:2025:672, punten 61 en volgende).


97      Zie arrest van 13 maart 2025, Shuvalov/Raad (C‑271/24 P, EU:C:2025:180, punt 78) en van 5 februari 2026, VEB.RF/Raad (C‑572/24 P, EU:C:2026:74, punt 138).


98      Ik wijs erop dat de Belgische autoriteiten de betrokken goederen hebben aangemerkt als „producten voor tweeërlei gebruik” in de zin van verordening nr. 428/2009 (zie punt 7 hierboven).


99      Het is juist dat de overeenkomst in 2015 is gesloten, terwijl het verbod op de verkoop en uitvoer van goederen voor tweeërlei gebruik reeds van kracht was. Artikel 11, lid 1, van verordening nr. 833/2014, zoals gewijzigd, beperkt niet-toewijzing evenwel niet tot vorderingen in verband met contracten die op de datum van inwerkingtreding van de verordening reeds bestonden, hetgeen uiteraard zorgt voor een betere bescherming van de belangen van de marktdeelnemers van de Unie.