CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. RICHARD DE LA TOUR
van 10 april 2025 ( 1 )
Gevoegde zaken C‑758/24 [Alace] en C‑759/24 [Canpelli] ( i )
LC (C‑758/24)
en
CP (C‑759/24)
tegen
Commissione Territoriale per il riconoscimento della Protezione Internazionale di Roma – sezione procedure alla frontiera II
[verzoek van het Tribunale Ordinario di Roma (rechter in eerste aanleg Rome, Italië) om een prejudiciële beslissing]
„Prejudiciële verwijzing – Internationale bescherming – Richtlijn 2013/32/EU – Gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming – Artikelen 36 en 37 – Reikwijdte van het begrip ‚veilig land van herkomst’ en het daaraan verbonden concept – Vermoeden van veiligheid van het land van herkomst – Wijze van aanmerking – Aanmerking, bij nationale wet, van een derde land dat mogelijk onvoldoende bescherming biedt tegen het risico van vervolging of ernstige schade ten aanzien van bepaalde categorieën personen – Beoordelingsmarge van de lidstaten – Mogelijkheid om uitzonderingen te maken voor beperkte en duidelijk identificeerbare categorieën personen – Artikel 46, leden 1 en 3 – Recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel – Openbaarmaking van informatiebronnen – Bevoegdheid van de nationale rechter om de rechtmatigheid van de aanmerkingshandeling te beoordelen”
I. Inleiding
|
1. |
Het begrip „veilig land van herkomst”, waarvan het beginsel en de wijze van toepassing worden gedefinieerd in de artikelen 36 en 37 van en bijlage I bij richtlijn 2013/32/EU ( 2 ), biedt de lidstaten de mogelijkheid om een bijzondere regeling voor het behandelen van verzoeken om internationale bescherming te treffen, waardoor de procedure kan worden versneld en deze aan de grens of in transitzones kan worden gevoerd, op grond dat verzoekers uit een dergelijk land worden verondersteld voldoende te zijn beschermd tegen het risico van vervolging of ernstige schending van hun grondrechten. |
|
2. |
De invoering van het begrip „veilig land van herkomst” in het Unierecht heeft tal van vragen doen rijzen, waaronder vragen over de legitimiteit en objectiviteit van de beoordeling die de lidstaten in dit verband hanteren. ( 3 ) Reeds in 1992, toen dit concept in het internationale vluchtelingenrecht werd ingevoerd, stelde Guy Serle Goodwin-Gill daarover in een gezaghebbende bijdrage de volgende vragen: „Who then is to say that countries are safe? And by whose standards? Secret men in secret rooms reading secret memos? No.” ( 4 ) |
|
3. |
De onderhavige zaken roepen juist de vraag op naar de omvang van de bevoegdheden van de lidstaten bij het aanwijzen van veilige landen van herkomst en sluiten aan bij het arrest van 4 oktober 2024, Ministerstvo vnitra České republiky, Odbor azylové a migrační politiky ( 5 ). De prejudiciële vragen van de Tribunale ordinario di Roma (rechter in eerste aanleg Rome, Italië) zijn in casu gesteld in het bijzondere geval van twee verzoekers om internationale bescherming die beiden onderdaan zijn van een derde land dat door de Italiaanse wetgever als veilig land van herkomst is aangemerkt, te weten Bangladesh, en bijgevolg naar het detentiecentrum in Gjadër (Albanië) zijn gebracht, waar hun verzoek volgens een versnelde procedure „aan de grens” is behandeld en vervolgens als kennelijk ongegrond is afgewezen. ( 6 ) |
|
4. |
De eerste drie prejudiciële vragen hebben betrekking op de toepassing van het begrip „veilig land van herkomst” en hebben tot doel meer duidelijkheid te krijgen over de verplichtingen die in dit verband op de lidstaten rusten teneinde een doeltreffende rechterlijke toetsing in de zin van artikel 46 van richtlijn 2013/32 en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ( 7 ) te waarborgen. De verwijzende rechter verzoekt het Hof namelijk te verduidelijken in hoeverre een lidstaat een derde land bij een handeling met kracht van wet als veilig land van herkomst kan aanwijzen zonder dat de verzoeker uit het betrokken land en de nationale rechter bij wie beroep is ingesteld tegen het jegens die verzoeker genomen afwijzende besluit, de rechtmatigheid van een dergelijke aanmerking kunnen betwisten respectievelijk toetsen in het kader van een volledig ex-nunc-onderzoek van het verzoek om internationale bescherming, omdat de informatiebronnen waarop die aanmerking is gebaseerd, niet openbaar zijn gemaakt. |
|
5. |
De vierde prejudiciële vraag heeft betrekking op het begrip „veilig land van herkomst” zelf en heeft tot doel meer duidelijkheid te krijgen over de bewoordingen van bijlage I bij richtlijn 2013/32. Nu uit beschikbare informatiebronnen over de algemene situatie van Bangladesh blijkt dat er een risico van vervolging of ernstige schade bestaat voor bepaalde categorieën personen die in dat land wonen, vraagt de verwijzende rechter het Hof namelijk of een lidstaat een derde land als veilig land van herkomst kan aanwijzen indien een deel van de bevolking ( 8 ) van dat land mogelijk onvoldoende bescherming geniet. |
II. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
|
6. |
Overwegingen 18, 40 en 42 van richtlijn 2013/32 luiden als volgt:
[...]
[...]
|
|
7. |
Artikel 31 („Behandelingsprocedure”) van die richtlijn bepaalt in lid 8, onder b): „De lidstaten kunnen bepalen dat een behandelingsprocedure overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen in hoofdstuk II wordt versneld en/of aan de grens of in transitzones wordt gevoerd overeenkomstig artikel 43 indien: [...]
|
|
8. |
Artikel 36 („Het begrip ‚veilig land van herkomst’”) van die richtlijn bepaalt: „1. Een derde land dat op grond van deze richtlijn als veilig land van herkomst is aangemerkt, kan voor een bepaalde verzoeker, nadat zijn verzoek afzonderlijk is behandeld, alleen als veilig land van herkomst worden beschouwd wanneer:
en wanneer hij geen substantiële redenen heeft opgegeven om het land in zijn specifieke omstandigheden niet als een veilig land van herkomst te beschouwen ten aanzien van de vraag of hij voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet in aanmerking komt overeenkomstig richtlijn 2011/95/EU[ ( 9 )]. 2. De lidstaten stellen verdere nationale wetsvoorschriften en -bepalingen vast voor de toepassing van het begrip ‚veilig land van herkomst’.” |
|
9. |
Artikel 37 („Nationale aanmerking van derde landen als veilig land van herkomst”) van richtlijn 2013/32 luidt als volgt: „1. De lidstaten kunnen voor de behandeling van verzoeken om internationale bescherming wetgeving handhaven of invoeren met het oog op de nationale aanmerking, overeenkomstig bijlage I, van veilige landen van herkomst. 2. De lidstaten onderzoeken de situatie in derde landen die overeenkomstig dit artikel als veilige landen van herkomst zijn aangemerkt, regelmatig opnieuw. 3. De beoordeling of een land een veilig land van herkomst is overeenkomstig dit artikel dient te stoelen op een reeks informatiebronnen, waaronder in het bijzonder informatie uit andere lidstaten, het [Asielagentschap van de Europese Unie (EUAA) ( 10 )], de UNHCR, de Raad van Europa en andere relevante internationale organisaties. 4. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de landen die overeenkomstig dit artikel als veilige landen van herkomst worden aangemerkt.” |
|
10. |
Artikel 46 van die richtlijn, betreffende het „[r]echt op een daadwerkelijk rechtsmiddel”, bepaalt: „1. De lidstaten zorgen ervoor dat voor verzoekers een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie openstaat tegen:
[...] 3. Teneinde aan lid 1 te voldoen, zorgen de lidstaten ervoor dat een daadwerkelijk rechtsmiddel een volledig en ex-nunc-onderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden omvat, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig richtlijn [2011/95], zulks ten minste in beroepsprocedures voor een rechterlijke instantie van eerste aanleg. [...]” |
|
11. |
Bijlage I („Aanmerking van veilige landen van herkomst voor de toepassing van artikel 37, lid 1”) van richtlijn 2013/32 luidt als volgt: „Een land wordt als veilig land van herkomst beschouwd wanneer op basis van de rechtstoestand, de toepassing van de rechtsvoorschriften in een democratisch stelsel en de algemene politieke omstandigheden kan worden aangetoond dat er algemeen gezien en op duurzame wijze geen sprake is van vervolging in de zin van artikel 9 van richtlijn [2011/95], noch van foltering of onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, noch van bedreiging door willekeurig geweld in het kader van een internationaal of intern gewapend conflict. Bij deze beoordeling wordt onder meer rekening gehouden met de mate waarin bescherming wordt geboden tegen vervolging of mishandeling door middel van:
|
B. Italiaans recht
1. Wetsbesluit nr. 25/2008
|
12. |
Artikel 2 bis, leden 1 tot en met 4, van decreto legislativo n. 25 – Attuazione della direttiva 2005/85/EG recante norme minime per le procedure appente negli Stati membri ai fini del riconoscimento e della revoca dello status di rifugiato (wetsbesluit nr. 25 tot uitvoering van richtlijn 2005/85/EG betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus [PB 2005, L 326, blz. 13]) ( 15 ) van 28 januari 2008, zoals gewijzigd bij decreto-legge n. 158 – Disposizioni urgenti in materia di procedure per il riconoscimento della protezione internazionale (voorlopig wetsbesluit nr. 158 houdende spoedmaatregelen inzake de toekenning van internationale bescherming) ( 16 ) van 23 oktober 2024 ( 17 ) bepaalt: „1. Overeenkomstig de bij Unierecht vastgestelde kwalificatiecriteria en de bevindingen ontleend aan de door de relevante internationale organisaties aangeleverde informatie, worden de volgende landen beschouwd als veilige landen van herkomst: Albanië, Algerije, Bangladesh, Bosnië en Herzegovina, Egypte, Gambia, Georgië, Ghana, Ivoorkust, Kaapverdië, Kosovo, Noord-Macedonië, Marokko, Montenegro, Peru, Senegal, Servië, Sri Lanka en Tunesië. 2. Een land dat geen lidstaat van de Europese Unie is, kan als veilig land van herkomst worden beschouwd wanneer op basis van het rechtssysteem, de toepassing van de rechtsvoorschriften in een democratisch stelsel en de algemene politieke situatie kan worden aangetoond dat er algemeen gezien en op duurzame wijze geen sprake is van vervolging [...], noch van foltering of onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, noch van bedreiging door willekeurig geweld in het kader van een internationaal of intern gewapend conflict. Bij de aanmerking van een veilig land van herkomst kunnen uitzonderingen worden gemaakt voor categorieën personen. 3. Bij de in lid 2 bedoelde beoordeling wordt onder meer rekening gehouden met de mate waarin bescherming wordt geboden tegen vervolging of mishandeling door middel van:
4. De beoordeling of een land dat geen lidstaat van de Europese Unie is een veilig land van herkomst is, wordt gebaseerd op informatie die wordt verstrekt door de Commissione nazionale per il diritto di asilo [nationale commissie voor asielrecht, Italië], die ook gebruikmaakt van informatie die wordt verzameld door het in artikel 5, lid 1, bedoelde documentatiecentrum [...], alsmede van andere informatiebronnen, waaronder met name informatie van andere lidstaten [...], het [EUAA], de [UNHCR], de Raad van Europa en andere relevante internationale organisaties. 4. bis De lijst van veilige landen van herkomst wordt op gezette tijden bijgewerkt bij een handeling die kracht van wet heeft en wordt aan de [...] Commissie meegedeeld. Met het oog op de bijwerking van de in lid 1 bedoelde lijst stelt de Consiglio dei Ministri [ministerraad, Italië] jaarlijks uiterlijk op 15 januari een verslag vast waarin hij, rekening houdend met de vereisten inzake veiligheid en continuïteit van de internationale betrekkingen en met de in lid 4 bedoelde informatie, een stand van zaken geeft van de situatie in de landen die op de lijst staan en die in de landen die hij in de lijst wil opnemen. De regering stuurt het verslag door naar de bevoegde parlementaire commissies.” |
|
13. |
Artikel 9, lid 2 bis, van wetsbesluit nr. 25/2008 luidt: „De beslissing tot afwijzing van het door de verzoeker ingediende verzoek [...], wordt enkel gebaseerd op het feit dat de verzoeker niet heeft aangetoond dat er ernstige gronden zijn om aan te nemen dat het als veilig aangemerkt land van herkomst, gelet op de bijzondere omstandigheden van de verzoeker, niet veilig is.” |
|
14. |
Artikel 28 ter, lid 1, onder b), van dit wetsbesluit bepaalt: „[...] het verzoek [wordt] als kennelijk ongegrond beschouwd wanneer een van de volgende gevallen zich voordoet: [...]
|
2. Interministerieel besluit
|
15. |
Artikel 1, lid 2, van het decreto – Aggiornamento della lista dei Paesi di origine sicuri prevista dall’articolo 2-bis del decreto legislativo 28 gennaio 2008, n. 25 [besluit tot bijwerking van de lijst van veilige landen van herkomst in de zin van artikel 2 van wetsbesluit (nr. 25/2008)] ( 18 ) van 7 mei 2024 luidt als volgt: „Bij de behandeling van verzoeken om internationale bescherming wordt de specifieke situatie van de verzoeker beoordeeld in het licht van de informatie in de informatiebladen over de herkomstlanden die in de in de preambule bedoelde nota zijn vermeld.” |
III. Feiten van de hoofdgedingen en prejudiciële vragen
|
16. |
De verzoekers in de hoofdgedingen zijn onderdanen van Bangladesh. Na door de Italiaanse autoriteiten op zee te zijn gered, zijn zij overeenkomstig artikel 3, leden 2 en 3, van het in voetnoot 6 van deze conclusie genoemde protocol naar het detentiecentrum van Gjadër gebracht, waar zij elk op 16 oktober 2024 een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend. |
|
17. |
Overeenkomstig de relevante nationale bepalingen zijn deze verzoeken in het kader van een versnelde grensprocedure behandeld door de Commissione Territoriale per il riconoscimento della Protezione Internazionale di Roma – sezione procedure alla frontiera II (territoriale commissie voor de erkenning van internationale bescherming te Rome – afdeling grensprocedures II, Italië). Bij besluiten van 17 oktober 2024 heeft deze laatste hun verzoeken kennelijk ongegrond verklaard, aangezien zij er niet in waren geslaagd het vermoeden van veiligheid van hun land van herkomst te weerleggen. |
|
18. |
Op 25 oktober 2024 heeft ieder van verzoekers tegen deze besluiten beroep ingesteld bij de Tribunale ordinario di Roma, die de behandeling van de zaak heeft geschorst en het Hof heeft verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
|
|
19. |
Bij beslissing van de president van het Hof van 21 november 2024 zijn de zaken C‑758/24 en C‑759/24 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling alsook voor het arrest. |
|
20. |
De verwijzende rechter heeft verzocht om toepassing van de prejudiciële spoedprocedure van artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Bij beslissing van 19 november 2024 heeft het Hof dit verzoek afgewezen. |
|
21. |
De verwijzende rechter heeft tevens, subsidiair, verzocht om behandeling van de onderhavige zaken volgens de versnelde prejudiciële procedure van artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering. Op 21 november 2024 heeft de president van het Hof dit verzoek ingewilligd. |
|
22. |
LC (zaak C‑758/24) en CP (zaak C‑759/24), de Italiaanse, de Bulgaarse, de Tsjechische, de Duitse, de Griekse, de Franse, de Cypriotische, de Letse, de Litouwse, de Hongaarse, de Maltese, de Nederlandse, de Oostenrijkse, de Poolse, de Slowaakse, de Finse en de Zweedse regering alsmede de Commissie hebben schriftelijke en/of mondelinge opmerkingen ingediend. Ter terechtzitting van 25 februari 2025 hebben zij de mondelinge vragen van het Hof kunnen beantwoorden. |
IV. Analyse
A. Ontvankelijkheid
|
23. |
In haar opmerkingen voert de Italiaanse regering aan dat de eerste, de tweede en de vierde prejudiciële vraag niet-ontvankelijk zijn. |
|
24. |
Ten eerste betoogt deze regering dat de verwijzende rechter niet verduidelijkt welke Unierechtelijke regel van toepassing is op de wijze waarop derde landen als veilige landen van herkomst worden aangemerkt en zich verzet tegen een dergelijke aanmerking door middel van een wetgevingshandeling. |
|
25. |
Er moet echter worden vastgesteld dat de verwijzende rechter in de punten 17 tot en met 28 van zijn verzoek een uitputtende opsomming geeft van de relevante bepalingen van internationaal recht, het Unierecht en het Italiaanse recht. Voorlopig wetsbesluit nr. 158/2024, waarnaar hij verwijst, verwijst voorts in de considerans uitdrukkelijk naar zowel richtlijn 2013/32 als verordening 2024/1348 en het arrest CV, zodat het rechtskader duidelijk is geformuleerd. |
|
26. |
Ten tweede betoogt de Italiaanse regering dat de gevraagde uitlegging van de wijze waarop die aanmerking plaatsvindt, irrelevant is voor de beslechting van het hoofdgeding, aangezien zij geen concrete gevolgen heeft voor de specifieke situatie van verzoekers en de uitkomst van hun beroepen. ( 19 ) In dit verband wijst die regering erop dat Bangladesh in het interministerieel besluit reeds als veilig land van herkomst was aangemerkt. Volgens die regering heeft voorlopig wetsbesluit nr. 158/2024 alleen de landen waarvoor op grond van het arrest CV territoriale uitzonderingen bestonden, uitgesloten van de lijst van veilige landen van herkomst, en hebben de door dat arrest aangebrachte wijzigingen in de procedure tot vaststelling van de lijst van veilige landen van herkomst geen invloed op de procedure voor de beoordeling en herziening van de veiligheidsvoorwaarden van elk van de op die lijst geplaatste landen. |
|
27. |
De prejudiciële vragen worden echter niet vanuit die invalshoek gesteld. Zoals de verwijzende rechter benadrukt, hebben de bij voorlopig wetsbesluit nr. 158/2024 ingevoerde wijzigingen een evidente invloed op de mogelijkheden en de wijze van rechterlijke toetsing van die aanmerking, aangezien dat besluit tot gevolg heeft gehad dat de aanmerking van derde landen als veilige landen van herkomst kracht van wet heeft gekregen, zonder dat de Italiaanse wetgever enige toelichting heeft gegeven over de feitelijk gebruikte beoordelingsmethode en ‑criteria, noch over de bronnen waaruit de relevante informatie over de algemene situatie van de betrokken landen zijn afgeleid. |
|
28. |
Ten derde betoogt de Italiaanse regering dat de vierde vraag abstract en hypothetisch is, aangezien de verwijzende rechter geen enkel onderzoek heeft verricht om vast te stellen dat Bangladesh voor bepaalde categorieën personen geen veilig land van herkomst is en dat verzoekers tot een van die categorieën behoren. |
|
29. |
Aangezien de aanmerking van een derde land als veilig land van herkomst echter belangrijke procedurele gevolgen heeft voor de wijze waarop verzoeken om internationale bescherming van verzoekers uit dat land worden behandeld, is een dergelijke vraag noch abstract noch hypothetisch in het kader van de rechtmatigheidstoetsing van die aanmerking. |
|
30. |
Ik ben derhalve van mening dat er geen enkele belemmering is voor de ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen. |
B. Ten gronde
|
31. |
De verwijzende rechter verwijst in elk van zijn prejudiciële vragen naar de artikelen 36, 37 en 38 van richtlijn 2013/32. Het is weliswaar zo dat de artikelen 36 en 37 van deze richtlijn het beginsel en de wijze van toepassing van het begrip „veilig land van herkomst” definiëren, maar artikel 38 verduidelijkt de voorwaarden voor de toepassing van een ander rechtsbegrip, namelijk het begrip „veilig derde land”. Gelet op het feit dat de hoofdgedingen geen betrekking hebben op een „veilig derde land” en aangezien dit begrip door andere regels wordt beheerst, zal ik deze vragen uitsluitend in het licht van de artikelen 36 en 37 van die richtlijn behandelen. |
1. Eerste prejudiciële vraag: aard van de regeling waarbij derde landen als veilige landen van herkomst worden aangemerkt
|
32. |
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen van het Hof te vernemen of de artikelen 36 en 37 van richtlijn 2013/32 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat een lidstaat derde landen door middel van een wetgevingshandeling als veilige landen van herkomst aanmerkt. |
|
33. |
Deze vraag vindt haar oorsprong in het feit dat de Italiaanse autoriteiten vóór de vaststelling van voorlopig wetsbesluit nr. 158/2024 derde landen in twee fasen als veilige landen van herkomst aanmerkten. In eerste instantie stelde de wet het rechtskader van die aanmerking vast (methode, criteria, informatiebronnen, beoordelingselementen), terwijl de bevoegde administratieve instantie vervolgens bij interministerieel besluit de veilige landen van herkomst aanmerkte op basis van de informatiebladen betreffende die landen. |
|
34. |
Bij voorlopig wetsbesluit nr. 158/2024 is deze regeling echter gewijzigd en is deze aanmerking overgelaten aan de Italiaanse wetgever. Artikel 2 bis van wetsbesluit nr. 25/2008 wijst aldus een aantal derde landen, waaronder Bangladesh, aan als veilige landen van herkomst. Deze bemoeienis van de wetgever lijkt in het nationale recht een belangrijke wijziging in de procesvoering te hebben ingevoerd. De keuze om derde landen niet meer als veilige landen van herkomst aan te merken door middel van een bestuurlijke handeling, maar door middel van een wetgevingshandeling, beperkt namelijk, juist vanwege de aard van die regeling, de rechterlijke toetsing van de rechtmatigheid van die aanmerking, die de gewone rechter zou moeten kunnen verrichten. Daardoor wordt de verzoeker beperkt in de uitoefening van zijn recht van verweer. In dat verband benadrukt verzoeker in zaak C‑759/24 dat de nationale rechter dan een toetsing aan de grondwet zou moeten verrichten in het kader van een incident in het hoofdgeding. |
|
35. |
Deze eerste vraag over de aard van de nationale regeling levert op zich geen bijzondere moeilijkheden op. |
|
36. |
Geen enkele bepaling van richtlijn 2013/32 vermeldt namelijk welke instantie(s) van de lidstaten moet(en) worden belast met het aanwijzen van veilige landen van herkomst op nationaal niveau, al dan niet door plaatsing op een nationale lijst, noch welk instrument daarvoor moet worden gebruikt. Artikel 37, lid 1, van die richtlijn bepaalt alleen dat „[d]e lidstaten voor de behandeling van verzoeken om internationale bescherming wetgeving [kunnen] handhaven of invoeren met het oog op de nationale aanmerking, overeenkomstig bijlage I, van veilige landen van herkomst”. Het woord „wetgeving” („legislation” in de Engelse taalversie of „normativa” in de Italiaanse taalversie) moet in de ruimste zin worden opgevat, dat wil zeggen dat daaronder handelingen van wetgevende, regelgevende of bestuurlijke aard vallen. |
|
37. |
De lidstaten beschikken bijgevolg over een ruime beoordelingsmarge ten aanzien van de keuze van de procedurele middelen en wijzen voor de aanmerking van derde landen als veilige landen van herkomst in hun nationale recht. Niets staat eraan in de weg dat deze aanmerking voortvloeit uit een handeling met kracht van wet, aangezien die keuze in feite onder de hun toegekende institutionele en procedurele autonomie valt. |
|
38. |
Uit artikel 288, derde alinea, VWEU volgt evenwel dat deze keuzevrijheid niet afdoet aan de verplichting van de lidstaten om alle maatregelen te treffen die nodig zijn om de voorrang van het Unierecht te waarborgen en de volle werking van de betrokken richtlijn te verzekeren, overeenkomstig het daarmee nagestreefde doel en de daarin neergelegde verplichtingen. ( 20 ) Hieruit volgt dat de handeling waarbij een lidstaat derde landen als veilige landen van herkomst aanmerkt, geen enkele invloed mag hebben op de verplichtingen die op hem rusten met betrekking tot de naleving van de basisbeginselen en de fundamentele waarborgen van hoofdstuk II van richtlijn 2013/32 en in het bijzonder de eerbiediging van het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel dat krachtens artikel 46 van deze richtlijn toekomt aan personen die om internationale bescherming verzoeken. |
|
39. |
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging te antwoorden dat de artikelen 36 en 37 van richtlijn 2013/32 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een praktijk van een lidstaat die een derde land door middel van een wetgevingshandeling als veilig land van herkomst aanmerkt, voor zover op die manier de voorrang van het Unierecht wordt gewaarborgd en de volle werking van die richtlijn, overeenkomstig de daarin neergelegde verplichtingen en de daarmee nagestreefde doelstellingen, wordt verzekerd. |
|
40. |
Tegen deze achtergrond stelt de verwijzende rechter zijn tweede en derde vraag. |
2. Tweede en derde prejudiciële vraag: openbaarmaking van informatiebronnen met het oog op rechterlijke toetsing van de handeling waarbij een derde land wordt aangemerkt als veilig land van herkomst
|
41. |
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen van het Hof te vernemen of de artikelen 36 en 37 en artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een praktijk van een lidstaat die een derde land door middel van een wetgevingshandeling als veilig land van herkomst aanmerkt zonder dat de verzoeker uit het betrokken land en de nationale rechter bij wie beroep is ingesteld tegen het ten aanzien van de verzoeker genomen afwijzende besluit, de rechtmatigheid van een dergelijke aanmerking kunnen betwisten respectievelijk toetsen aan de voorwaarden van bijlage I bij deze richtlijn, omdat de informatiebronnen waarop die aanmerking is gebaseerd, niet openbaar zijn gemaakt. |
|
42. |
Bovendien wenst de verwijzende rechter met zijn derde vraag van het Hof te vernemen of de nationale rechter in die omstandigheden de rechtmatigheid van een dergelijke aanmerking kan toetsen aan de voorwaarden van die bijlage op basis van de informatie die hij zelf heeft gehaald uit de informatiebronnen die in artikel 37, lid 3, van die richtlijn worden genoemd. |
|
43. |
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat deze vragen hun oorsprong vinden in het feit dat hetgeen blijkt uit de beschikbare informatie over de algemene situatie van Bangladesh op het eerste gezicht in tegenspraak lijkt met het vermoeden van artikel 2 bis van wetsbesluit nr. 25/2008 dat dit land een veilig land van herkomst is. Anders dan onder de vorige regeling, zou de handeling waarbij derde landen als veilige landen van herkomst worden aangemerkt, echter geen melding maken van de specifieke informatiebronnen op grond waarvan de Italiaanse wetgever de veiligheid van dat land heeft beoordeeld en met name het vermogen van dat land om zijn bevolking voldoende bescherming te bieden tegen het risico van vervolging of ernstige schade. De verwijzende rechter is bijgevolg van oordeel dat bij gebreke van toegang tot die informatie zowel de betrokken verzoeker als de rechterlijke instantie waarbij hij zijn beroep heeft ingesteld, de mogelijkheid wordt ontnomen om de rechtmatigheid van een dergelijk vermoeden van veiligheid te betwisten respectievelijk te toetsen door de herkomst, de gezaghebbendheid, de betrouwbaarheid, de relevantie, de actualiteit en de volledigheid van deze bronnen te controleren. |
|
44. |
Bovengenoemde vragen hebben dus geen betrekking op de toetsing door deze rechter van de uitvoering van artikel 36, lid 1, van richtlijn 2013/32, dat bepaalt dat het vermoeden van veiligheid van het betrokken land in een individueel geval terzijde moet worden geschoven wanneer na een subjectieve en gedetailleerde beoordeling van een verzoek blijkt dat dit land wegens de individuele situatie van een verzoeker niet veilig is. Zij hebben uitsluitend betrekking op het geval waarin de verzoeker de aanmerking van zijn land van herkomst als veilig land van herkomst op zichzelf betwist. |
|
45. |
Uit de overwegingen 25 en 50 en artikel 46, lid 1, van richtlijn 2013/32 volgt dat verzoekers om internationale bescherming die afkomstig zijn uit een derde land dat als veilig land van herkomst is aangemerkt en wier verzoek volgens een versnelde procedure wordt behandeld, het recht moeten hebben op een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie tegen de beslissingen die aan de grens of in de transitzones ten aanzien van hen worden genomen. Artikel 46, lid 3, van deze richtlijn definieert de reikwijdte van dit recht door te verduidelijken dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de rechterlijke instantie waarbij de beslissing inzake het betrokken verzoek om internationale bescherming wordt aangevochten, „een volledig en ex-nunc-onderzoek [verricht] van zowel de feitelijke als juridische gronden, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig richtlijn [2011/95]”. |
|
46. |
Verder zij eraan herinnerd dat volgens de rechtspraak van het Hof de kenmerken van het in artikel 46 van richtlijn 2013/32 bedoelde rechtsmiddel moeten worden bepaald in overeenstemming met artikel 47 van het Handvest, dat een herbevestiging van het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming vormt. ( 21 ) |
|
47. |
Overeenkomstig deze beginselen heeft het Hof in het arrest van 28 juli 2011, Samba Diouf ( 22 ), geoordeeld dat de redenen op grond waarvan een administratieve instantie heeft beslist om het asielverzoek volgens een versnelde procedure te behandelen, vatbaar moesten zijn voor rechterlijke toetsing. ( 23 ) Het is eveneens op grond van die beginselen dat het Hof meer recentelijk in zijn arrest CV heeft geoordeeld dat het door artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32 gewaarborgde recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel eist dat de bevoegde rechterlijke instantie er in het kader van het door de Uniewetgever vereiste volledige en ex-nunc-onderzoek, op basis van de elementen van het dossier en de elementen die haar in de loop van het geding ter ore zijn gekomen, rekening mee houdt dat de in bijlage I bij die richtlijn geformuleerde materiële voorwaarden voor een dergelijke aanmerking niet zijn vervuld, ook wanneer dit niet uitdrukkelijk tot staving van dit beroep is aangevoerd. ( 24 ) Volgens het Hof is het derhalve aan de lidstaten om hun nationale recht zodanig in te richten dat de behandeling van de bedoelde beroepen een onderzoek, door die bevoegde rechterlijke instantie, omvat van alle elementen feitelijk en rechtens aan de hand waarvan hij een geactualiseerde beoordeling van het specifieke geval kan maken, waaronder de rechtmatigheid van de aanmerking van een derde land als veilig land van herkomst. ( 25 ) |
|
48. |
Hieruit volgt dat de enkele omstandigheid dat een derde land bij een wetgevingshandeling als veilig land van herkomst is aangemerkt, niet tot gevolg kan hebben dat die handeling aan de rechtmatigheidstoets wordt onttrokken, want anders zou artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32 elk nuttig effect verliezen. Voor zover die wetgevingshandeling door een land als veilig aan te merken bepaalt welke verzoeken om internationale bescherming kunnen worden behandeld in het kader van een versnelde procedure en/of in een procedure die aan de grens of in transitzones kan worden gevoerd, overeenkomstig artikel 31, lid 8, onder b), van die richtlijn, geeft die wetgevingshandeling uitvoering aan het Unierecht en moet zij, ongeacht haar benaming of haar vorm in het nationale recht, ervoor zorgen dat de materiële en procedurele waarborgen die het Unierecht biedt aan personen die om internationale bescherming verzoeken, worden geëerbiedigd. |
|
49. |
Ondanks de standpunten die verschillende lidstaten in hun opmerkingen op dit punt hebben ingenomen, lijkt het mij dan ook van wezenlijk belang dat de nationale wetgever zorgt voor voldoende en adequate openbaarmaking van de gegevens en de informatiebronnen op grond waarvan kon worden vastgesteld dat de betrokken landen veilig zijn in de zin van artikel 37, lid 1, van richtlijn 2013/32, wanneer deze aanmerking voor de bevoegde administratieve of rechterlijke instantie wordt betwist. |
|
50. |
Het is waar dat noch artikel 37, lid 3, van richtlijn 2013/32, noch enige andere bepaling van deze richtlijn van de lidstaat openbaarmaking verlangt van de informatiebronnen waarop het vermoeden van veiligheid van het betrokken land is gebaseerd. |
|
51. |
Zowel de opzet als de doelstellingen van richtlijn 2013/32 pleiten daar echter voor. Openbaarmaking draagt bij aan een behoorlijke en volledige behandeling en zorgt ervoor dat verzoekers uit een derde land dat als veilig land van herkomst is aangemerkt, daadwerkelijk toegang hebben tot de waarborgen en fundamentele beginselen die hem door de Uniewetgever zijn toegekend, overeenkomstig de in de overwegingen 18 en 20 van die richtlijn genoemde doelstellingen. |
|
52. |
Ten eerste versterkt openbaarmaking van informatiebronnen de geloofwaardigheid en de gezaghebbendheid van het vermoeden van veiligheid, hetgeen ertoe bijdraagt dat de procedures voor de behandeling van verzoeken om internationale bescherming sneller en doeltreffender verlopen. Een wettelijk vermoeden, zoals dat van artikel 2 bis van wetsbesluit nr. 25/2008, wordt gewoonlijk omschreven als het gevolg dat de wet of de rechter verbindt aan een bekend feit betreffende een onbekend feit waarvan het bestaan aannemelijk wordt door het bekende feit. ( 26 ) Er is dus geen enkele objectieve zekerheid dat verzoekers in hun land van herkomst voldoende bescherming genieten. Hoe zeker het vermoeden is, hangt af van de zekerheid van de feiten waarop dat vermoeden is gebaseerd, van hun gezaghebbendheid, betrouwbaarheid, relevantie, actualiteit, volledigheid en van de juistheid van de gevolgen die de nationale wetgever daaraan heeft verbonden. |
|
53. |
Ten tweede heeft de Uniewetgever, door te eisen dat het verzoek van een onderdaan van een derde land dat als veilig land van herkomst is aangemerkt ( 27 ), steeds op individuele basis wordt behandeld, de bevoegde administratieve instantie niet willen reduceren tot een eenvoudige registratiekamer. Ongeacht of de regeling waarbij derde landen als veilige landen van herkomst worden aangemerkt van wetgevende, regelgevende of bestuurlijke aard is, blijft deze instantie verantwoordelijk voor een „behoorlijke behandeling” van het verzoek en dient er op te worden gewezen dat die instantie daartoe over „passende middelen” moet beschikken, waaronder personeel dat goed is opgeleid in het gebruik van informatie over de herkomstlanden of juridische deskundigenrapporten (artikel 4, leden 1 en 3, van richtlijn 2013/32). Hieruit volgt dat de gegevens waaruit het vermogen of juist het onvermogen van het land van herkomst blijkt om bescherming te bieden tegen daden van vervolging of ernstige schendingen van grondrechten, beslissend zijn zowel bij de algemene beoordeling die leidt tot de vaststelling van een vermoeden van veiligheid van het betrokken land, als, mutatis mutandis, bij de individuele beoordeling van de situatie van de verzoeker, die in voorkomend geval tot weerlegging van dat vermoeden leidt. ( 28 ) De belangrijkste elementen van de beoordeling blijven dezelfde en zijn gebaseerd op de waarde en de relevantie van de informatiebronnen. |
|
54. |
Het feit dat het vermoeden van veiligheid weerlegbaar is betekent dus dat de bevoegde administratieve instantie in staat moet zijn om de samenhang en de aannemelijkheid van de verklaringen van de verzoeker [artikel 4, lid 5, onder c), van richtlijn 2011/95] en de ernst van de door hem aangevoerde redenen ter weerlegging van dat vermoeden (artikel 36, lid 1, van richtlijn 2013/32) te beoordelen aan de hand van die informatiebronnen. |
|
55. |
De weerlegbaarheid van het vermoeden van veiligheid houdt tevens in dat de verzoeker in staat moet worden gesteld te weten om welke redenen zijn land van herkomst wordt geacht veilig te zijn, zodat hij dit vermoeden doeltreffender kan weerleggen door zijn individuele situatie te onderscheiden van de algemene situatie waarop dat vermoeden is gebaseerd. In het algemeen wordt het verlenen van internationale bescherming op basis van informatiebronnen nauwelijks door de verzoeker betwist. Dit geldt echter niet in geval van weigering. Daarom moet elk vermoeden van veiligheid van een derde land gebaseerd zijn op een procedure die transparantie waarborgt bij het verzamelen en verwerken van informatie over de algemene situatie van dat land, informatie op basis waarvan de nationale wetgever heeft besloten dat dit land als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt. Zoals blijkt uit de bepalingen van artikel 37, lid 3, van richtlijn 2013/32 en ondanks het feit dat de daarin opgenomen lijst niet uitputtend is, is hier geen plaats voor of behoefte aan gevoelige of vertrouwelijke informatie. ( 29 ) |
|
56. |
De openbaarmaking van deze informatiebronnen zou daarom kunnen worden geacht te vallen onder de samenwerkingsplicht die krachtens artikel 4, lid 1, in fine, van richtlijn 2011/95 op de lidstaat rust. |
|
57. |
Ten derde is voldoende en adequate openbaarmaking van de informatiebronnen waarop het vermoeden van veiligheid is gebaseerd, volgens mij onlosmakelijk verbonden met het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel dat artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32 toekent aan een verzoeker die afkomstig is uit een derde land dat als veilig land van herkomst is aangemerkt en die aan een versnelde procedure wordt onderworpen. |
|
58. |
De doeltreffendheid van de door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde rechterlijke toetsing eist dat deze verzoeker kennis kan nemen van de gronden waarop het besluit tot afwijzing van zijn verzoek om internationale bescherming is gebaseerd. ( 30 ) Aangezien deze gronden dezelfde zijn als die waarop het vermoeden van veiligheid van zijn land van herkomst berust, stelt openbaarmaking van die bronnen hem in staat zijn rechten te verdedigen en met volledige kennis van zaken te beslissen of hij er baat bij heeft zich tot de bevoegde rechterlijke instantie te wenden. |
|
59. |
Zoals het Hof heeft geoordeeld, eist de doeltreffendheid van de rechterlijke toetsing bovendien dat de bevoegde rechterlijke instantie een volledig en ex-nunc-onderzoek verricht van zowel de feitelijke als de juridische gronden betreffende het verzoek om internationale bescherming. Onder meer dient hij na te gaan of de in bijlage I bij richtlijn 2013/32 geformuleerde materiële voorwaarden voor een dergelijke aanmerking niet zijn geschonden. ( 31 ) Dit betekent dus dat die instantie toegang moet hebben tot de informatiebronnen die daartoe door de nationale wetgever worden gebruikt. |
|
60. |
Door, ten vierde, te zorgen voor openbaarmaking van deze informatiebronnen biedt de wetgever van een lidstaat alle relevante nationale instanties van de andere lidstaten een gemeenschappelijke en uniforme referentiebasis, zodat de kans dat die instanties uiteenlopende besluiten nemen met betrekking tot verzoekers uit hetzelfde land van herkomst, zo niet wordt uitgesloten, dan toch op zijn minst wordt beperkt. |
|
61. |
Het staat namelijk vast dat de criteria van bijlage I bij richtlijn 2013/32 in algemene en abstracte bewoordingen zijn omschreven en dat de omstandigheden waaruit het vermogen of juist het onvermogen van een land blijkt om zijn bevolking voldoende bescherming te bieden, per lidstaat en per nationale instantie zeer verschillend worden beoordeeld. ( 32 ) Zoals Guy Serle Goodwin-Gill ( 33 ) opmerkte: „er is voldoende informatie [...] Maar laten we wel wezen, er is een probleem met de geverifieerde informatie: die beperkt de opties en werkt beide kanten op. In het ene geval lijkt die ons te zeggen dat er geen enkel risico bestaat, terwijl die in een ander geval het tegendeel bevestigt.” ( 34 ) |
|
62. |
Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat, ondanks het stilzwijgen van de teksten, de opzet van het begrip „veilig land van herkomst” en de doelstellingen die de Uniewetgever in dit verband nastreeft, impliceren dat de lidstaten toegang verlenen tot de informatiebronnen op basis waarvan zij het vermoeden van veiligheid van de betrokken landen baseren, temeer daar de in artikel 37, lid 3, van richtlijn 2013/32 bedoelde bronnen openbare bronnen zijn. Deze toegang kan worden geregeld in de vorm en volgens de procedures waarin het nationale recht voorziet, bijvoorbeeld door de informatiebronnen te hechten aan de handeling waarbij derde landen als veilige landen van herkomst worden aangemerkt of aan een bijlage daarbij, of door deze later, op verzoek van de verzoeker of de bevoegde administratieve of rechterlijke instantie, toe te sturen. |
|
63. |
Bij gebreke van openbaarmaking van deze bronnen gebiedt de doeltreffendheid van de rechterlijke toetsing dat de bevoegde rechterlijke instantie, die over de op dit gebied vereiste deskundigheid beschikt, haar beoordeling baseert op de informatiebronnen die zij het meest relevant acht voor de beoordeling van de rechtmatigheid van die aanmerking. ( 35 ) In tegenstelling tot een gewone procedure wordt een versnelde grensprocedure voor een verzoeker uit een derde land dat als veilig land van herkomst is aangemerkt, gevoerd op basis van een vooraf vastgestelde lijst. Aangezien de beoordeling van de veiligheid van een land aan verandering onderhevig is en ingeval de veiligheid niet regelmatig opnieuw wordt beoordeeld, mag deze instantie niet worden verhinderd de algemene civiele, juridische en politieke situatie van het land te actualiseren. |
|
64. |
Gelet op het bovenstaande geef ik het Hof in overweging voor recht te verklaren dat de artikelen 36 en 37 en artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een praktijk van een lidstaat die een derde land bij een wetgevingshandeling als veilig land van herkomst aanmerkt, voor zover de nationale rechter bij wie beroep is ingesteld tegen het besluit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming dat is ingediend door een uit dat land afkomstige verzoeker, op grond van de door artikel 46, lid 3, opgelegde eis van een volledig en ex-nunc-onderzoek, beschikt over de informatiebronnen op basis waarvan de nationale wetgever heeft besloten dat het betrokken land veilig is. |
|
65. |
Bij gebreke van openbaarmaking van deze informatiebronnen kan de bevoegde rechterlijke instantie de rechtmatigheid van een dergelijke aanmerking toetsen aan de voorwaarden van bijlage I bij die richtlijn op basis van de informatie die zij zelf heeft gehaald uit de informatiebronnen die in artikel 37, lid 3, van die richtlijn worden genoemd. |
3. Vierde prejudiciële vraag: de mogelijkheid om een derde land aan te merken als veilig land van herkomst, terwijl bepaalde categorieën personen er onvoldoende bescherming genieten
|
66. |
Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen van het Hof te vernemen of artikel 36 en artikel 37, lid 1, van richtlijn 2013/32 en bijlage I daarbij aldus moeten worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat een lidstaat een derde land van herkomst aanmerkt als veilig land van herkomst voor de behandeling van verzoeken om internationale bescherming, terwijl bepaalde categorieën personen in dat land mogelijk onvoldoende bescherming genieten tegen het risico van vervolging of ernstige schade. |
|
67. |
Op deze vraag zijn twee antwoorden mogelijk, die elk voortvloeien uit een mijns inziens juridisch verdedigbare uitlegging. |
|
68. |
Het eerste berust op een strikte en enigszins idealistische uitlegging van de basisdefinitie van het begrip „veilig land van herkomst” van bijlage I bij richtlijn 2013/32 en houdt in dat een dergelijke aanmerking niet mogelijk is. Volgens de verwijzende rechter is deze oplossing in lijn met het arrest CV. Als het Hof voor deze oplossing kiest, kan een lidstaat een derde land slechts als veilig land van herkomst aanmerken indien wordt aangetoond dat de rechtstoestand en politieke situatie van dat land kenmerkend zijn voor een democratisch regime in het kader waarvan de onderdanen en staatlozen die er verblijven, voldoende bescherming genieten tegen het risico van vervolging of ernstige schade, ongeacht waar zij zich bevinden op het grondgebied van dat land en ongeacht hun ras, nationaliteit, politieke of religieuze overtuiging of de sociale groep waartoe zij behoren. |
|
69. |
Een dergelijke oplossing zou beogen te waarborgen dat uit een dergelijk land afkomstige personen in principe geen enkele reële behoefte aan internationale bescherming hebben en zou de mogelijkheid bieden om alle door de onderdanen van dat land ingediende verzoeken op dezelfde wijze te behandelen. In een context die wordt gekenmerkt door een hoge migratiedruk, lijkt deze oplossing mij het begrip „veilig land van herkomst” echter een deel van zijn nuttig effect te ontnemen. Het nadeel van deze oplossing zou namelijk zijn dat landen die vanwege hun instellingen de rechtsstaat en de eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden waarborgen, maar die nog tekortschieten ten aanzien van een of meer beperkte en identificeerbare categorieën personen, niet op de nationale lijsten van veilige landen van herkomst worden geplaatst. De lidstaten zouden bijgevolg verplicht zijn om alle door de onderdanen van die landen ingediende verzoeken volgens de gewone procedure te behandelen, terwijl de overgrote meerderheid van deze verzoekers geen reële behoefte aan internationale bescherming heeft. Dit zou leiden tot overbelasting van de diensten van de bevoegde nationale instanties en tot langere onderzoeksprocedures, hetgeen nadelig zou zijn voor verzoekers die wel een reële behoefte aan internationale bescherming hebben. |
|
70. |
Daarom geef ik het Hof in overweging om voor de tweede oplossing te kiezen. Deze houdt in dat aan de lidstaten een beoordelingsmarge wordt toegekend door hun toe te staan een derde land als veilig land van herkomst aan te merken, ook al hebben zij een of meerdere beperkte maar duidelijk identificeerbare categorieën personen erkend als personen die in dat land een risico lopen, en deze categorieën personen tegelijkertijd en uitdrukkelijk uit te sluiten van het daaraan verbonden vermoeden van veiligheid. |
|
71. |
Ik begrijp dat een dergelijke oplossing in tegenspraak lijkt te zijn met hetgeen het Hof in het arrest CV heeft geoordeeld. In dat arrest heeft het Hof erkend dat het de Uniewetgever is die over een beoordelingsmarge beschikt, niet de lidstaten ( 36 ), en heeft het zich verzet tegen de mogelijkheid van de lidstaten om territoriale uitzonderingen te maken. Ook geef ik graag toe dat de toepassing van het begrip „veilig land van herkomst” door een merkwaardige paradox heel wat complexer zou kunnen worden. |
|
72. |
Deze oplossing vindt echter niet alleen steun in de bewoordingen van richtlijn 2013/32, maar ook in de opzet en het doel van het stelsel waarvan dit begrip deel uitmaakt. Wanneer het asielstelsel van een lidstaat wordt blootgesteld aan een hoge migratiedruk en aan een groot aantal kennelijk ongegronde verzoeken van onderdanen uit bepaalde landen, is dit namelijk een evenwichtige oplossing die het mogelijk maakt om de doelstelling van een snelle behandeling van die verzoeken te verenigen met de noodzaak om te waarborgen dat alle verzoeken adequaat en in overeenstemming met de bepalingen van richtlijn 2013/32 worden behandeld. ( 37 ) Ook is het een pragmatische oplossing die rekening houdt met de huidige beperkingen van de nationale asielstelsels en met de ontwikkelingen in de regelgeving van de Unie met de inwerkingtreding van verordening 2024/1348 op 11 juni 2024. |
|
73. |
Ik stel voor op elk van deze punten terug te komen. |
|
74. |
In de eerste plaats blijft een dergelijke oplossing, indien voldoende beperkingen en waarborgen worden ingebouwd, trouw aan de bewoordingen van de definitie van het begrip „veilig land van herkomst”. |
|
75. |
Bijlage I, eerste alinea, van richtlijn 2013/32 bepaalt dat „[e]en land [...] als veilig land van herkomst [wordt] beschouwd wanneer op basis van de rechtstoestand, de toepassing van de rechtsvoorschriften in een democratisch stelsel en de algemene politieke omstandigheden kan worden aangetoond dat er algemeen gezien en op duurzame wijze geen sprake is van vervolging in de zin van artikel 9 van richtlijn [2011/95], noch van foltering of onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, noch van bedreiging door willekeurig geweld in het kader van een internationaal of intern gewapend conflict”. |
|
76. |
Ik zal geen enkele conclusie verbinden aan het gebruik van de bijwoorden „uniformément” (uniform) en „jamais” (nooit) in de Franse taalversie van bijlage I bij richtlijn 2013/32. ( 38 ) Uit een vergelijkend taalonderzoek van deze bijlage blijkt namelijk dat geen van beide bijwoorden een overeenkomstige betekenis heeft in de andere taalversies van die bijlage. Daarom kunnen de punten 68 en 69 van het arrest CV, waarnaar de verwijzende rechter uitdrukkelijk verwijst, mijns inziens niet naar analogie worden toegepast. |
|
77. |
De andere taalversies van bijlage I bij richtlijn 2013/32 stellen de aanmerking van een derde land als veilig land van herkomst afhankelijk van de voorwaarde dat kan worden aangetoond dat er algemeen gezien en „constant” ( 39 ) of algemeen gezien en „duurzaam” ( 40 ) (of „voortdurend” ( 41 ), „bestendig” ( 42 ), „systematisch” ( 43 ), „blijvend” ( 44 ) of „coherent” ( 45 )) „geen sprake is van vervolging”. Deze andere taalversies lijken beter overeen te komen met de wil van de Uniewetgever om rekening te houden met de stabiliteit van het derde land bij de aanmerking ervan als veilig land van herkomst ( 46 ), en stabiliteit is ook wat richtlijn 2011/95 als criterium eist voor de toepassing van de bepalingen inzake beëindiging van de internationale bescherming ( 47 ). Bovendien kan een vermoeden niet worden gebaseerd op iets dat vatbaar is voor verandering en kunnen lidstaten er dus niet van uitgaan dat een land over het vermogen beschikt om voldoende bescherming te bieden tegen het risico van vervolging of ernstige schade, indien uit de toegestane informatiebronnen blijkt dat die bescherming slechts incidenteel kan worden geboden. |
|
78. |
Ik zal mijn analyse dan ook toespitsen op de betekenis van de woorden „algemeen gezien”, die alle taalversies van bijlage I bij richtlijn 2013/32 gemeen hebben. |
|
79. |
Uit semantisch oogpunt verwijzen de woorden „algemeen”, „in het algemeen” of „algemeen gezien” naar gebeurtenissen, feiten of andere omstandigheden die zich in de meeste gevallen voordoen of die van toepassing zijn op een zeer groot aantal personen, zonder dat rekening wordt gehouden met bijzondere gevallen. Deze woorden bevatten dus een abstractie. ( 48 ) Ik leid hieruit af dat een derde land uit terminologisch oogpunt als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt indien in het licht van de verschillende criteria van bijlage I bij richtlijn 2013/32 vaststaat dat het niet elk van zijn onderdanen maar de meerderheid van hen beschermt tegen het risico van vervolging of ernstige schade, met dien verstande dat er bijzondere situaties kunnen bestaan waarin dat land onvoldoende bescherming tegen dergelijke schade biedt. Zo wordt in overweging 42 van deze richtlijn verduidelijkt dat deze aanmerking, gezien de aard van de beoordeling, geen „absolute” waarborg voor de veiligheid van de onderdanen van dat land vormt, omdat bij die beoordeling alleen rekening kan worden gehouden met de algemene civiele, juridische en politieke omstandigheden in dat land. De Uniewetgever erkent dus duidelijk dat het begrip „veilig land van herkomst” en het daaruit voortvloeiende vermoeden van veiligheid voortkomen uit een generalisering. |
|
80. |
In de tweede plaats getuigt de opzet van het begrip „veilig land van herkomst” van deze tweedeling tussen generalisering en uitzonderingen. Dit juridische begrip omvat namelijk twee aspecten: ten eerste, een objectief en algemeen aspect dat tot uiting komt in de aanmerking, in een handeling van algemene strekking, van derde landen als veilige landen van herkomst die voldoen aan de vereisten en criteria van artikel 37 van en bijlage I bij richtlijn 2013/32, en, ten tweede, een subjectief en specifiek aspect dat resulteert in een individuele behandeling van het verzoek, waarna de bevoegde nationale instantie overeenkomstig artikel 36, lid 1, van die richtlijn, gehouden kan zijn het vermoeden van veiligheid van het betrokken land af te wijzen. |
|
81. |
Hoewel de Uniewetgever van de bevoegde nationale autoriteiten verlangt dat zij het vermoeden van veiligheid van een land (ex post) naast zich neerleggen telkens wanneer zij na een individuele behandeling van een verzoek vaststellen dat de betrokkene wegens zijn individuele situatie in zijn land van herkomst kan worden blootgesteld aan een risico van vervolging of ernstige schade, zie ik geen zwaarwegende reden waarom een lidstaat, na de beoordeling van de algemene situatie in dat land, niet zou kunnen besluiten om de categorie of categorieën personen die hij reeds als risicogroep in dat land heeft geïdentificeerd, (ex ante) buiten de toepassing van dat vermoeden te laten. |
|
82. |
Ofschoon een dergelijke wijze van toepassing van het begrip „veilig land van herkomst” berust op een nauwgezet onderzoek van de criteria van bijlage I bij richtlijn 2013/32, biedt zij de lidstaten, in het bijzonder de lidstaten die een hoge migratiedruk kennen en veel kennelijk ongegronde verzoeken ontvangen, namelijk de mogelijkheid om de doelstellingen van deze richtlijn na te streven. |
|
83. |
In dit verband herinner ik eraan dat de lidstaten, overeenkomstig de overwegingen 18 en 20 van die richtlijn, de behandelingsprocedure moeten kunnen versnellen wanneer een verzoek om internationale bescherming waarschijnlijk ongegrond is, en tegelijkertijd moeten zorgen voor een „behoorlijke en volledige behandeling”. ( 49 ) Wanneer een lidstaat erin slaagt aan te tonen dat een land aan de overgrote meerderheid van zijn bevolking stabiele en toereikende veiligheidsvoorwaarden waarborgt overeenkomstig de criteria van bijlage I bij richtlijn 2013/32, en de categorie of categorieën personen kan identificeren die in dat land een potentiële risicogroep zijn, beoogt deze lidstaat de doelstelling van een snelle behandeling van verzoeken om internationale bescherming die wegens het land van herkomst van de betrokkene mogelijk kennelijk ongegrond zijn, te verenigen met het waarborgen van een behoorlijke en volledige behandeling van verzoeken die worden ingediend door categorieën personen die zijn uitgesloten van de toepassing van het begrip „veilig land van herkomst” en wier verzoeken worden behandeld volgens de gewone procedure van artikel 31, leden 1 tot en met 7, van deze richtlijn. |
|
84. |
In lijn met de resolutie van Londen ( 50 ) blijven met deze oplossing de doeltreffendheid en snelheid van de onderzoeksprocedure behouden voor alle personen die om internationale bescherming verzoeken, doordat de druk op bepaalde nationale asielstelsels wordt verminderd en de middelen kunnen worden gericht op verzoekers die werkelijk internationale bescherming nodig hebben. Zoals de Griekse regering in haar opmerkingen benadrukt, versterkt de uitsluiting van bepaalde categorieën personen van de toepassing van dit begrip juist de bescherming van verzoekers uit een veilig land van herkomst in plaats van deze te verzwakken. De Nederlandse regering voegt daaraan toe dat een dergelijke regeling deze categorieën personen vrijstelt van de verplichting om het vermoeden van veiligheid van hun land van herkomst te weerleggen. |
|
85. |
In de derde plaats kan mijns inziens voor deze wijze van toepassing van het begrip „veilig land van herkomst” worden gekozen op grond van artikel 36, lid 2, van richtlijn 2013/32. Door te bepalen dat „[d]e lidstaten [...] verdere nationale wetsvoorschriften en -bepalingen [vaststellen] voor de toepassing van [dit begrip]” ( 51 ), kent de Uniewetgever de lidstaten een zekere beoordelingsmarge toe, die zij volgens mij kunnen gebruiken voor legitieme doelen. Het kan zijn dat zij bijvoorbeeld een hoger niveau van bescherming van de grondrechten voor bepaalde categorieën personen willen waarborgen. In tijden van grote instroom van verzoekers willen zij misschien de financiële en andere middelen van hun nationale asielstelsel zo goed mogelijk verdelen om de bevoegde nationale instanties niet te belasten met kennelijk ongegronde verzoeken. |
|
86. |
Ik wijs er echter op dat wanneer een lidstaat verdere voorschriften of bepalingen vaststelt voor de toepassing van het begrip „veilig land van herkomst” in zijn nationale recht, hij uitvoering geeft aan het Unierecht, zodat zijn beoordelingsmarge door dat recht wordt begrensd. |
|
87. |
De aan de lidstaten toegekende beoordelingsmarge mag dus niet worden uitgeoefend op een wijze die afbreuk doet aan de algemene doelstellingen van richtlijn 2013/32, in het bijzonder de doelstelling die ten grondslag ligt aan het begrip „veilig land van herkomst” en het nuttige effect daarvan. ( 52 ) |
|
88. |
Dit betekent dat de lidstaat bij zijn beoordeling van de algemene situatie van het derde land ook de categorie of categorieën personen aanmerkt die een risico lopen, zodat deze uitdrukkelijk worden uitgesloten van de toepassing van het begrip „veilig land van herkomst” en het daaraan verbonden vermoeden van veiligheid. De bevoegde nationale autoriteit waarbij een verzoek om internationale bescherming wordt ingediend, moet de personen die onder deze categorieën vallen namelijk onmiddellijk kunnen identificeren en onderscheiden teneinde de gewone behandelingsprocedure van artikel 31, leden 1 tot en met 7, van richtlijn 2013/32 in te leiden. |
|
89. |
Elke niet-geformaliseerde uitsluiting zou leiden tot een verzwakking van de bescherming van uit de betrokken landen afkomstige personen die om internationale bescherming verzoeken. |
|
90. |
Dit betekent ook dat een dergelijke wijze van toepassing van het begrip „veilig land van herkomst” geen afbreuk doet aan de verplichting van de lidstaat om toe te zien op de naleving van de vereisten van bijlage I bij richtlijn 2013/32, in het bijzonder het vereiste om te waarborgen dat de rechtstoestand en de politieke situatie van het betrokken land een democratisch regime kenmerken waarin de bevolking in het algemeen duurzaam wordt beschermd tegen het risico van vervolging of ernstige schade. |
|
91. |
Dit concept verplicht de lidstaten om uitzonderingen met betrekking tot personen te beperken tot een vrij klein aantal personen, omdat anders het risico bestaat dat het vermoeden van veiligheid dat ten grondslag ligt aan de aanmerking van het betrokken derde land als veilig land van herkomst, op losse schroeven komt te staan. Het uitzonderen van te veel personen, te veel categorieën personen die een risico lopen, zou in werkelijkheid namelijk betekenen dat het land van herkomst niet veilig is. |
|
92. |
Indien een derde land als veilig land van herkomst zou worden aangemerkt, terwijl melding wordt gemaakt van verschillende categorieën personen die blootstaan aan het risico van vervolging of ernstige schade (bijvoorbeeld LHBTQIA+-personen, slachtoffers van gendergerelateerd geweld, waaronder genitale verminking van vrouwen, etnische en religieuze minderheden, personen die worden beschuldigd van politieke misdrijven en personen die ter dood zijn veroordeeld), waarvan sommige niet meteen identificeerbaar zijn, zou het begrip „veilig land van herkomst” dus op een fictie berusten. Gelet op hun aard en reikwijdte zouden die uitzonderingen immers eerder het bestaan aantonen van fundamentele en structurele tekortkomingen of gebreken in de naleving van de op het betrokken derde land rustende verplichtingen ten aanzien van zijn bevolking, en een dergelijke aanmerking zou passend noch redelijk zijn in het licht van de vereisten van bijlage I bij richtlijn 2013/32. |
|
93. |
Het is dus aan de lidstaten om de hun toegekende beoordelingsmarge met strikte inachtneming van het evenredigheidsbeginsel zo uit te oefenen dat de door hen aan te merken landen en de daaraan verbonden uitsluiting van risicocategorieën geschikt zijn om de verwezenlijking van de door de Uniewetgever nagestreefde doelstellingen op samenhangende en stelselmatige wijze te waarborgen. ( 53 ) |
|
94. |
Ten slotte ben ik in de vierde en laatste plaats van mening dat een dergelijke uitlegging het mogelijk maakt rekening te houden met verordening 2024/1348, die op 11 juni 2024 in werking is getreden. ( 54 ) Artikel 61, lid 2, van deze verordening staat de lidstaten namelijk uitdrukkelijk toe derde landen aan te wijzen als veilige landen van herkomst en daarbij uitzonderingen te maken voor duidelijk identificeerbare categorieën personen. ( 55 ) Hoewel die verordening overeenkomstig artikel 79, lid 2, daarvan pas van toepassing is vanaf 12 juni 2026, maakt deze nu reeds deel uit van de rechtsorde van de Unie en het zou volgens mij paradoxaal zijn om van de lidstaten die er thans voor hebben gekozen derde landen aan te wijzen als veilige herkomstlanden en daarbij uitzonderingen hebben gemaakt voor bepaalde categorieën personen, te eisen dat zij deze wijze van toepassing intrekken, terwijl op grond van de overgangsmaatregelen van artikel 75 van die verordening van hen gevraagd wordt om zich voldoende voor te bereiden op de uitvoering van genoemde verordening. |
|
95. |
Gelet op het bovenstaande geef ik het Hof in overweging voor recht te verklaren dat artikel 36 en artikel 37, lid 1, van richtlijn 2013/32 en bijlage I daarbij aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich er niet tegen verzetten dat een lidstaat een derde land aanmerkt als veilig land van herkomst met het oog op de behandeling van verzoeken om internationale bescherming en daarbij beperkte categorieën personen aanwijst als personen die in dat land mogelijk aan een risico van vervolging of ernstige schade blootstaan, voor zover, ten eerste, de rechtstoestand en de politieke situatie van dat land kenmerkend zijn voor een democratisch regime in het kader waarvan de bevolking in het algemeen duurzaam wordt beschermd tegen een dergelijk risico en, ten tweede, deze lidstaat tegelijkertijd deze categorieën personen uitdrukkelijk uitsluit van de toepassing van het begrip veilig land van herkomst en het daaraan verbonden vermoeden van veiligheid. |
V. Conclusie
|
96. |
Gelet op het bovenstaande geef ik het Hof in overweging de vragen van de Tribunale ordinario di Roma te beantwoorden als volgt:
|
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( i ) Dit zijn fictieve namen die niet overeenkomen met de werkelijke namen van enige partij in de procedure.
( 2 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB 2013, L 180, blz. 60).
( 3 ) Zie met name de algemene nota van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen (UNHCR) over het begrip land en de vluchtelingenstatus van 26 juli 1991, alsmede resolutie 1471 (2005) „Versnelde asielprocedures in de lidstaten van de Raad van Europa”, die op 5 oktober 2005 is aangenomen door de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa, punt 8.2, onder 3. Zie met betrekking tot de rechtsleer met name Labayle, H., „Le droit d’asile en France: normalisation ou neutralisation”, Revue française de droit administratif, Dalloz, Parijs, nr. 2, 1997, blz. 242‑280; Martenson, H., en McCarthy, J., „‚In General, No Serious Risk of Persecution’: Safe Country of Origin Practices in Nine European States”, Journal of Refugee Studies, deel 11, Oxford University Press, Oxford, nr. 3, 1998, blz. 304‑325; Costello, C., „The Asylum Procedures Directive and the Proliferation of Safe Country Practices: Deterrence, Deflection and the Dismantling of International Protection?”, European Journal of Migration and Law, deel 7, Wolters Kluwer, Den Haag, nr. 1, 2005, blz. 35‑70; John-Hopkins, M., „The Emperor’s New Safe Country Concepts: A UK Perspective on Sacrificing Fairness on the Altar of Efficiency”, International Journal of Refugee Law, deel 21, Oxford University Press, Oxford, nr. 2, 2009, blz. 218‑255; Teitgen-Colly, C., „Le concept de pays sûr”, in Broyelle, C., en Julien-Laferrière, F., Mélanges François Julien-Laferrière, Bruylant, Brussel, 2011, blz. 525‑576; Hunt, M., „The Safe Country of Origin Concept in European Asylum Law: Past, Present and Future”, International Journal of Refugee Law, deel 26, Oxford University Press, Oxford, nr. 4, 2014, blz. 500‑535, en Costello, C., „Safe Country? Says Who?”, International Journal of Refugee Law, deel 28, Oxford University Press, Oxford, nr. 4, 2016, blz. 601‑622.
( 4 ) Vrij vertaald: „Wie kan eigenlijk bepalen of landen veilig zijn? En volgens welke criteria? Geheime mannen die geheime memo’s lezen in geheime kamers? Nee.” Zie Goodwin-Gill, G.S., „Safe Country, Says Who?”, International Journal of Refugee Law, deel 4, Oxford University Press, Oxford, nr. 2, 1992, blz. 248‑250, in het bijzonder blz. 249.
( 5 ) C‑406/22, EU:C:2024:841 (hierna: „arrest CV”).
( 6 ) Besluit genomen ter uitvoering van de Protocollo tra il Governo della Repubblica italiana e il Consiglio dei ministri della Repubblica di Albania per il rafforzamento della collaborazione in materia migratoria nonche’ norme di coordinamento con l’ordinamento interno (protocol tussen de regering van de Italiaanse Republiek en de ministerraad van de Republiek Albanië ter versterking van de samenwerking op het gebied van migratie en de coördinatie met de nationale rechtsorde), gesloten te Rome op 6 november 2023 en geratificeerd bij wet nr. 14 van 21 februari 2024 (GURI nr. 44 van 22 februari 2024, blz. 1).
( 7 ) Hierna: „Handvest”.
( 8 ) Met de term „bevolking” bedoel ik niet alleen de onderdanen van het betrokken derde land, maar ook staatlozen die hun gewone verblijfplaats in dat land hebben gehad, overeenkomstig artikel 36, lid 1, van richtlijn 2013/32.
( 9 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB 2011, L 337, blz. 9).
( 10 ) De EUAA is in de plaats gekomen van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO).
( 11 ) Ondertekend te Rome op 4 november 1950; hierna: „EVRM”.
( 12 ) Aangenomen op 16 december 1966 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en in werking getreden op 23 maart 1976.
( 13 ) Aangenomen te New York door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 10 december 1984, United Nations Treaty Series, deel 1465, blz. 85, nr. 24841 (1987).
( 14 ) Ondertekend te Genève op 28 juli 1951 [United Nations Treaty Series, deel 189, blz. 150, nr. 2545 (1954)], in werking getreden op 22 april 1954 en aangevuld bij het Protocol betreffende de status van vluchtelingen, gesloten te New York op 31 januari 1967 en in werking getreden op 4 oktober 1967.
( 15 ) GURI nr. 40 van 16 februari 2008, blz. 11.
( 16 ) GURI nr. 249 van 23 oktober 2024, blz. 1; hierna: „wetsbesluit nr. 25/2008”.
( 17 ) Hierna: „voorlopig wetsbesluit nr. 158/2024”. Dit voorlopig wetsbesluit is vastgesteld op grond van met name punt 2 van het dictum van het arrest CV. Er is rekening gehouden met, ten eerste, „de bijzondere noodzaak en de urgentie om veilige landen van herkomst aan te wijzen, gelet op [dat arrest], met uitsluiting van landen die wat betreft bepaalde delen van hun grondgebied niet voldoen aan de voorwaarden voor een dergelijke aanwijzing”, en, ten tweede, verordening (EU) 2024/1348 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Unie en tot intrekking van richtlijn 2013/32/EU (PB L, 2024/1348), in het bijzonder artikel 61, lid 2, van die verordening „die weliswaar van toepassing is vanaf 12 juni 2026, maar waarin het gemeenschappelijke standpunt van de lidstaten is vastgelegd”.
( 18 ) GURI nr. 105, van 7 mei 2024, blz. 23; hierna: „interministerieel besluit”.
( 19 ) De Griekse regering heeft tevens aangevoerd dat de derde vraag niet-ontvankelijk is, omdat zij hypothetisch is indien de verwijzende rechter met zijn vraag de plaatsing van het derde land op de nationale lijst van veilige landen van herkomst in het algemeen ter discussie wil stellen en niet in het kader van de bijzondere situatie van de verzoeker.
( 20 ) Zie in die zin arrest van 31 maart 2022, Lombard Lízing (C‑472/20, EU:C:2022:242, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 21 ) Zie arrest CV (punt 86 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 22 ) C‑69/10, EU:C:2011:524.
( 23 ) Zie punt 58 van dit arrest.
( 24 ) Zie punt 3 van het dictum van dit arrest.
( 25 ) Zie arrest CV (punt 87 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 26 ) Zie Cornu, G., Vocabulaire juridique, PUF, Paris, 15e druk, 2024.
( 27 ) Artikel 4, lid 3, onder a), van richtlijn 2011/95 eist dat de bevoegde administratieve instantie rekening houdt met „alle relevante feiten in verband met het land van herkomst op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen, met inbegrip van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen [van dat land] en de wijze waarop deze worden toegepast” (wat in wezen overeenkomt met de elementen die reeds in aanmerking zijn genomen om een derde land als veilig land van herkomst aan te merken).
( 28 ) Zie in die zin arrest van 20 maart 2021, Secretary of State for the Home Department (C-255/19, EU:C:2021:36, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 29 ) Zie in die zin Goodwin-Gill, G. S., „Safe Country, Says Who?”, op. cit.
( 30 ) Zie naar analogie arresten van 23 oktober 2014, Unitrading (C‑437/13, EU:C:2014:2318, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 29 april 2021, Banco de Portugal e.a. (C‑504/19, EU:C:2021:335, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 31 ) Zie punt 47 van deze conclusie.
( 32 ) Zo heeft de Conseil d’État (hoogste bestuursrechter, Frankrijk) in zijn arrest nr. 375474 van 10 oktober 2014 de plaatsing van de Republiek Kosovo op de nationale lijst van veilige landen van herkomst nietig verklaard, maar deze plaatsing bevestigd wat de Republiek Albanië betreft (zie met name punten 14 en 16 van dat arrest), terwijl de Raad van State (België) in zijn arrest nr. 228/902, dat enkele dagen later, op 23 oktober 2014, is gewezen, het tegenovergestelde heeft gedaan door een koninklijk besluit waarbij de Republiek Kosovo op de lijst van veilige landen van herkomst was geplaatst te bekrachtigen, maar dit besluit wat betreft de Republiek Albanië ongeldig te verklaren, waarbij, kort gezegd, werd geoordeeld dat de situatie in laatstgenoemd land onvoldoende stabiel was.
( 33 ) Goodwin-Gill, G. S., „Safe Country, Says Who?”, op. cit.
( 34 ) Vrije vertaling.
( 35 ) Zie bijvoorbeeld arrest EHRM van 21 november 2019, Ilias en Ahmed tegen Hongarije (CE:ECHR:2019:1121JUD004728715, § 141), waarin het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft geoordeeld dat de bevoegde instanties verplicht zijn om alle relevante informatie te verzamelen die algemeen beschikbaar is voor hun beoordeling.
( 36 ) Zie punt 81 van dit arrest.
( 37 ) Zie arrest CV (punten 78 en 79 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en arrest van 4 oktober 2024, Elliniko Symvoulio gia tous Prosfyges et Ypostirixi Prosfygon sto Aigaio (C‑134/23, EU:C:2024:838, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 38 ) Het bijwoord „uniformément” suggereert dat een derde land slechts als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt indien het een uniforme bescherming tegen het risico van vervolging of ernstige schade op zijn grondgebied en/of ten aanzien van zijn onderdanen of ingezetenen biedt, waarbij de toevoeging van het bijwoord „nooit” impliceert dat het bovendien om een absolute bescherming gaat.
( 39 ) In de Deense („til stadighed”), de Duitse („durchgängig”), de Italiaanse („costantemente”), de Letse („konsekventi”), de Maltese ("konsistentement”), de Roemeense („consecvent”) en de Zweedse („genomgående”) taalversie.
( 40 ) In de Griekse („mónima”), de Kroatische („trajno”) en de Nederlandse („duurzame”) taalversie.
( 41 ) In de Finse taalversie („jatkuvasti”).
( 42 ) In de Sloveense taalversie („redno”).
( 43 ) In de Spaanse („sistemática”), de Tsjechische („soustavně”), de Engelse („consistenlty”), de Litouwse („sistemingai”), de Poolse („konsekwentnie”), de Portugese („sistemático”) en de Slowaakse („sústavne”) taalversie.
( 44 ) In de Estse taalversie („järjekindlat”).
( 45 ) In de Hongaarse taalversie („következetesen”).
( 46 ) Zie de conclusies van de Raad van 30 november 1992 betreffende landen waar in het algemeen geen ernstig risico van vervolging bestaat (hierna: „resolutie van Londen”) [punt 4, onder (D)].
( 47 ) Zie artikel 11, lid 2, en artikel 16, lid 2, van richtlijn 2011/95.
( 48 ) Het Dictionnaire de l’Académie française definieert de bijwoordelijke uitdrukkingen „d’une manière ou de manière générale”, „d’une façon ou de façon générale”, „en général”, of „en règle générale”, als over het geheel genomen, afgezien van bijzondere gevallen, meestal.
( 49 ) Zie arrest CV (punt 78 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 50 ) Zie punt 2 van die resolutie.
( 51 ) Hoewel in de Franse taalversie van artikel 36, lid 2, van richtlijn 2013/32 het woord „notion” (begrip) wordt gebruikt, wordt in alle andere taalversies van deze bepaling het woord „concept” (concept/begrip) gebruikt, met uitzondering van de Hongaarse taalversie, waarin de term „principe” (beginsel) wordt gebruikt.
( 52 ) Zie naar analogie arrest van 12 december 2019, Bevándorlási és Menekültügyi Hivatal (Gezinshereniging – Zus van een vluchteling) (C‑519/18, EU:C:2019:1070, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 53 ) Zie arrest van 7 november 2024, Corván en Bacigán (C‑289/23 et C‑305/23, EU:C:2024:934, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zo kunnen sommige lidstaten de landen waarvoor de Commissie het uitbreidingspakket heeft aangenomen (Albanië, Bosnië en Herzegovina, Kosovo, Montenegro, Noord-Macedonië, Servië, Georgië, Moldavië, Oekraïne en Turkije) als veilig beschouwen, maar zouden zij, binnen de grenzen van hun beoordelingsmarge en ter bescherming van de grondrechten van personen (waardoor een aanvullend beschermingsniveau wordt geboden), meteen kunnen bepalen dat dit concept niet wordt toegepast op beperkte en zeer specifieke categorieën van personen, bijvoorbeeld, wat Georgië betreft, door LHBTQIA+-personen uit te sluiten van het vermoeden van veiligheid.
( 54 ) Zie artikel 79, lid 1, van die verordening.
( 55 ) Dit artikel, dat moet worden gelezen in samenhang met overweging 80 van die verordening, bepaalt dat „[b]ij de aanwijzing op zowel het niveau van de Unie als nationaal niveau van een derde land als veilig land van herkomst [...] uitzonderingen [kunnen] worden gemaakt voor specifieke delen van zijn grondgebied of voor duidelijk identificeerbare categorieën personen”.