Voorlopige editie
CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. RICHARD DE LA TOUR
van 23 oktober 2025 (1)
Zaak C‑621/24
Landkreis Schweinfurt
tegen
FB
[verzoek van het Bundessozialgericht (hoogste federale rechter in socialezekerheidszaken, Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„ Prejudiciële verwijzing – Asielbeleid – Richtlijn 2013/33/EU – Opvang van verzoekers om internationale bescherming – Artikel 17 – Algemene bepalingen betreffende de materiële opvang – Draagwijdte van het vereiste dat een fatsoenlijke levensstandaard wordt gewaarborgd – Gelijke behandeling – Artikel 20, lid 1 – Beperking van materiële opvangvoorzieningen – Begrip ‚volgend verzoek’ – Nationale regeling die verzoekers ten aanzien van wie overeenkomstig verordening (EU) nr. 604/2013 een overdrachtsbesluit is genomen, uitsluit van het recht op prestaties ter dekking van de behoeften aan kleding en huishoudelijke gebruiks‑ en consumptiegoederen, tenzij zij bijzondere omstandigheden aantonen – Toelaatbaarheid ”
I. Inleiding
1. Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft in wezen de draagwijdte van het recht van personen die om internationale bescherming verzoeken(2), krachtens artikel 17, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 2013/33/EU(3), op materiële opvangvoorzieningen die hun een fatsoenlijke levensstandaard bieden die hun fysieke en geestelijke gezondheid beschermt en hun bestaansmiddelen garandeert op het grondgebied van de lidstaat waar zij asiel aanvragen(4).
2. Dit verzoek om een prejudiciële beslissing is ingediend in het kader van een geding tussen FB, een jonge Afghaanse staatsburger die om internationale bescherming heeft verzocht, en de Landkreis Schweinfurt (district Schweinfurt, Duitsland), over de rechtmatigheid van een besluit waarbij aan die persoon het recht op prestaties ter dekking van zijn behoeften aan kleding en huishoudelijke gebruiks‑ en consumptiegoederen werd ontzegd, op basis van het feit dat hij van het grondgebied zou worden verwijderd als gevolg van de tenuitvoerlegging van een op grond van verordening (EU) nr. 604/2013(5) genomen overdrachtsbesluit.
3. Het Bundessozialgericht (hoogste federale rechter in socialezekerheidszaken, Duitsland) vraagt het Hof allereerst of de ontvangende lidstaat verzoekers ten aanzien van wie op grond van die verordening een overdrachtsbesluit is genomen, een minder gunstige behandeling mag geven dan verzoekers die daarentegen op het grondgebied van die lidstaat zullen blijven.
4. De verwijzende rechter wenst vervolgens te vernemen of die lidstaat de verzoekers een fatsoenlijke levensstandaard biedt die hun bestaansmiddelen garandeert en hun fysieke en geestelijke gezondheid beschermt, wanneer hij hun verstrekkingen in natura toekent voor huisvesting, voedsel, lichaamsverzorging en gezondheidszorg, maar hen in beginsel uitsluit van kledinghulp en een uitkering ter dekking van hun behoeften aan huishoudelijke gebruiks‑ en consumptiegoederen.
5. Ten slotte vraagt die rechter het Hof of een dergelijke beperking van het recht op materiële opvangvoorzieningen kan worden vastgesteld op grond van artikel 20, lid 1, eerste alinea, onder c), van richtlijn 2013/33 op grond dat het verzoek van de onderdaan van een derde land in casu een volgend verzoek vormt als omschreven in artikel 2, onder q), van richtlijn 2013/32/EU(6).
6. Om te beginnen zal ik uiteenzetten waarom ik van mening ben dat artikel 17, lid 2, eerste alinea, en lid 5, van richtlijn 2013/33 zich verzet tegen een nationale regel die verzoekers ten aanzien van wie een overdrachtsbesluit is genomen, maar nog niet ten uitvoer is gelegd, in beginsel uitsluit van het recht op prestaties ter dekking van de behoeften aan kleding en huishoudelijke gebruiks‑ en consumptiegoederen. Ik baseer mij in dat verband op de beginselen die het Hof achtereenvolgens heeft geformuleerd in de arresten van 27 september 2012, Cimade en GISTI(7), 12 november 2019, Haqbin(8), 14 januari 2021, The International Protection Appeals Tribunal e.a.(9), en ten slotte 1 augustus 2022, Ministero dell’Interno (Intrekking van materiële opvangvoorzieningen)(10). Ik zal er met name op wijzen dat de verplichting van de ontvangende lidstaat om verzoekers een fatsoenlijke levensstandaard te bieden die hun bestaansmiddelen garandeert en hun fysieke en geestelijke gezondheid beschermt, vereist dat aan verzoekers die niet financieel onafhankelijk zijn, kledinghulp en een dagvergoeding worden toegekend en dit totdat zij daadwerkelijk worden overgebracht naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van hun verzoek om internationale bescherming.
7. Vervolgens zal ik uitleggen dat een dergelijke uitsluiting in casu niet kon worden gebaseerd op de bepalingen van artikel 20, lid 1, eerste alinea, onder c), van richtlijn 2013/33, aangezien een verzoek zoals dat van FB geen „volgend verzoek” vormde om de redenen die het Hof heeft uiteengezet in het arrest Khan Yunis en Baabda(11) van 19 december 2024, enkele maanden na de indiening van het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
1. Richtlijn 2013/32
8. Krachtens artikel 2, onder q), van richtlijn 2013/32 wordt verstaan onder „volgend verzoek” „een later verzoek om internationale bescherming dat wordt gedaan nadat een definitieve beslissing over een vorig verzoek is genomen, met inbegrip van de gevallen waarin de verzoeker zijn verzoek expliciet heeft ingetrokken en de gevallen waarin de beslissingsautoriteit een verzoek heeft afgewezen na de impliciete intrekking ervan overeenkomstig artikel 28, lid 1”.
2. Richtlijn 2013/33
9. Overwegingen 8, 11 en 35 van richtlijn 2013/33 luiden als volgt:
„(8) Om in de gehele Unie de gelijke behandeling van verzoekers te garanderen, moet deze richtlijn van toepassing zijn tijdens alle fasen en op alle soorten procedures betreffende verzoeken om internationale bescherming, in alle plaatsen en voorzieningen waar verzoekers worden gehuisvest, en zolang zij als verzoekers op het grondgebied van de lidstaten mogen blijven.
[...]
(11) Er moeten normen worden vastgesteld voor de opvang van verzoekers die voldoende zijn om een menswaardige levensstandaard en vergelijkbare levensomstandigheden in alle lidstaten te waarborgen.
[...]
(35) Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie[(12)] worden erkend. Deze richtlijn beoogt meer bepaald te waarborgen dat de menselijke waardigheid ten volle wordt geëerbiedigd en te bevorderen dat de artikelen 1, 4, 6, 7, 18, 21, 24 en 47 van het Handvest worden toegepast en dient dienovereenkomstig te worden uitgevoerd.”
10. Richtlijn 2013/33 heeft volgens artikel 1 ervan tot doel normen vast te stellen voor de opvang van verzoekers in de lidstaten.
11. Artikel 2, onder g), van die richtlijn definieert het begrip „materiële opvangvoorzieningen” als „de opvangvoorzieningen met inbegrip van huisvesting, voedsel en kleding, die in natura of in de vorm van uitkeringen of tegoedbonnen worden verstrekt of een combinatie van deze drie, alsmede een dagvergoeding”.
12. Overeenkomstig artikel 3, lid 1, is die richtlijn „van toepassing op alle onderdanen van derde landen [...] die een verzoek om internationale bescherming op het grondgebied [...] van een lidstaat indienen voor zover zij als verzoeker op het grondgebied mogen verblijven [...].”
13. Artikel 17 van richtlijn 2013/33, met als opschrift „Algemene bepalingen betreffende de materiële opvang en gezondheidszorg”, bepaalt in lid 2, eerste alinea, en in de leden 3 en 5 het volgende:
„2. De lidstaten zorgen ervoor dat de materiële opvangvoorzieningen voor verzoekers een [fatsoenlijke] levensstandaard bieden die hun bestaansmiddelen garandeert en hun fysieke en geestelijke gezondheid beschermt.
[...]
3. De lidstaten kunnen de toekenning van alle of bepaalde materiële opvangvoorzieningen en gezondheidszorg afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de verzoekers niet beschikken over de nodige middelen voor een levensstandaard die voldoende is om hun gezondheid te verzekeren, noch over de nodige bestaansmiddelen.
[...]
5. Wanneer de lidstaten materiële opvangvoorzieningen verstrekken in de vorm van uitkeringen of tegoedbonnen, wordt de hoogte daarvan vastgesteld op basis van de niveaus die door de betrokken lidstaat krachtens het recht of krachtens de praktijk zijn vastgesteld om nationale onderdanen een fatsoenlijke levensstandaard te bieden. De lidstaten kunnen verzoekers in dit opzicht minder gunstig behandelen dan eigen onderdanen met name indien de materiële steun gedeeltelijk in natura wordt verstrekt of indien die niveaus, die gelden voor onderdanen, een hogere levensstandaard beogen dan die welke deze richtlijn voor verzoekers voorschrijft.”
14. Artikel 20 van de richtlijn, met als opschrift „Beperking of intrekking van materiële opvangvoorzieningen”, luidt als volgt:
„1. De lidstaten kunnen de materiële opvangvoorzieningen beperken of, in uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde gevallen, intrekken indien een verzoeker:
[...]
c) een volgend verzoek als omschreven in artikel 2, onder q), van richtlijn [2013/32] heeft ingediend.
[...]
5. De [...] beslissingen tot beperking of intrekking van materiële opvangvoorzieningen [...] worden individueel, objectief en onpartijdig genomen en met redenen omkleed. De beslissingen worden genomen op grond van de specifieke situatie van de betrokkene, [...] met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel. De lidstaten zien erop toe dat verzoekers te allen tijde toegang hebben tot medische hulp overeenkomstig artikel 19 en zorgen ervoor dat alle verzoekers een waardige levensstandaard genieten.
6. De lidstaten zorgen ervoor dat er geen materiële opvangvoorzieningen beperkt of ingetrokken worden voordat er een beslissing genomen is overeenkomstig lid 5.”
3. Dublin III-verordening
15. Overwegingen 11 en 12 van de Dublin III-verordening luiden als volgt:
„(11) Richtlijn [2013/33] dient van toepassing te zijn op de procedure voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat volgens de voorschriften van deze verordening, behoudens de beperkingen betreffende de toepassing van die richtlijn.
(12) Richtlijn [2013/32] moet van toepassing zijn naast en onverminderd de bepalingen betreffende de bij deze verordening gereglementeerde procedurele vrijwaringen, behoudens de beperkingen betreffende de toepassing van die richtlijn.”
16. Artikel 18 van die verordening zet de „[v]erplichtingen van de verantwoordelijke lidstaat” uiteen als volgt:
„1. De verantwoordelijke lidstaat is verplicht:
[...]
c) een onderdaan van een derde land of een staatloze die zijn verzoek tijdens de behandeling heeft ingetrokken en die in een andere lidstaat een verzoek heeft ingediend of die zich zonder verblijfstitel ophoudt in een andere lidstaat, volgens de in de artikelen 23, 24, 25 en 29 bepaalde voorwaarden terug te nemen.
2. [...]
Voor de in lid 1, onder c) bedoelde gevallen, indien de verantwoordelijke lidstaat de behandeling van een verzoek had gestaakt omdat de verzoeker het verzoek had ingetrokken voordat in eerste aanleg een beslissing ten gronde was genomen, zorgt die lidstaat ervoor dat de verzoeker gerechtigd is te verzoeken dat de behandeling van zijn verzoek wordt afgerond, of een nieuw verzoek om internationale bescherming in te dienen dat niet wordt behandeld als een volgend verzoek als bedoeld in richtlijn [2013/32]. In dergelijke gevallen zorgen de lidstaten ervoor dat de behandeling van het verzoek wordt afgerond.
[...]”
B. Duits recht
1. Wet inzake materiële opvangvoorzieningen
17. § 1, lid 1, punt 5, van het Asylbewerberleistungsgesetz (wet inzake voorzieningen voor asielzoekers), in de versie die op 5 augustus 1997 is gepubliceerd(13), zoals voor het laatst gewijzigd bij artikel 18 van het Gesetz zur Stärkung der Impfprävention gegen COVID-19 und zur Änderung weiterer Vorschriften im Zusammenhang mit der COVID-19-Pandemie (wet ter versterking van de preventie door vaccinatie tegen COVID-19 en tot wijziging van andere bepalingen in verband met de COVID-19-pandemie)(14) van 10 december 2021 (hierna: „wet inzake materiële opvangvoorzieningen”), luidt als volgt:
„(1) Recht op de in deze wet bepaalde voorzieningen hebben buitenlandse onderdanen die daadwerkelijk op het federale grondgebied verblijven en die
[...]
5. onderworpen zijn aan een uitvoerbare verplichting om het grondgebied te verlaten, zelfs indien een verwijderingsbevel nog niet of niet meer uitvoerbaar is.”
18. § 1a van die wet, met als opschrift „Beperking van rechten”, bepaalt het volgende:
„(1) Personen die op grond van § 1, lid 1, punt 5, recht op voorzieningen hebben en voor wie een datum van vertrek en een vertrekmogelijkheid zijn vastgesteld, hebben geen recht op voorzieningen op grond van §§ 2, 3 en 6 vanaf de dag volgend op de datum van vertrek, tenzij het vertrek niet kon worden uitgevoerd om redenen waarvoor zij niet verantwoordelijk zijn. Totdat zij het land verlaten of uitgezet worden, ontvangen zij alleen nog voorzieningen ter dekking van hun behoefte aan voedsel en huisvesting, met inbegrip van verwarming en lichamelijke en gezondheidsverzorging. Alleen indien er in individuele gevallen sprake is van bijzondere omstandigheden, kunnen aan hen ook andere voorzieningen als bedoeld in § 3, lid 1, eerste volzin, worden toegekend. De voorzieningen worden in de regel in natura verstrekt.
[...]
(7) Personen die op grond van § 1, lid 1, punten 1 of 5, recht op voorzieningen hebben, wier asielverzoek bij een beslissing van het Bundesamt für Migration und Flüchtlinge [(federale dienst voor migratie en vluchtelingen, Duitsland)] op grond van § 29, lid 1, punt 1, juncto § 31, lid 6, van het Asylgesetz [(asielwet)(15) van 26 juni 1992] niet-ontvankelijk is verklaard, en voor wie verwijdering op grond van § 34a, lid 1, eerste volzin, tweede optie, van het Asylgesetz is gelast, ontvangen alleen voorzieningen overeenkomstig lid 1, ook al is de beslissing nog niet definitief. De eerste volzin is niet van toepassing indien een rechter de schorsende werking van het beroep tegen de verwijderingsmaatregel heeft gelast.”
19. § 3, lid 1, van de wet inzake materiële opvangvoorzieningen bepaalt het volgende:
„Personen die recht hebben op voorzieningen uit hoofde van § 1, ontvangen voorzieningen om in de behoefte aan voedsel, huisvesting, verwarming, kleding, gezondheidsverzorging en huishoudelijke gebruiks‑ en consumptiegoederen te voorzien (noodzakelijke behoeften). Daarnaast ontvangen zij voorzieningen om in de persoonlijke behoeften van het dagelijks leven te voorzien (noodzakelijke persoonlijke behoeften).”
20. § 6, lid 1, van die wet luidt als volgt:
„Andere voorzieningen kunnen met name worden toegekend, indien zij in individuele gevallen noodzakelijk zijn om in het levensonderhoud te voorzien of de gezondheid te waarborgen, om in de speciale behoeften van kinderen te voorzien of om aan een bestuursrechtelijke verplichting tot medewerking te voldoen. [...]”
2. Asielwet
21. § 29 van de asielwet, in de versie die op 2 september 2008 is gepubliceerd(16), zoals voor het laatst gewijzigd bij artikel 9 van het Gesetz zur Weiterentwicklung des Ausländerzentralregisters (wet inzake de ontwikkeling van het centraal register van vreemdelingen)(17) van 9 juli 2021, met als opschrift „Niet-ontvankelijke verzoeken”, bepaalt in lid 1, punt 1:
„Een asielverzoek is niet-ontvankelijk indien:
1. een andere staat
a) krachtens de [Dublin III]-verordening [...]
[...]
voor de toepassing van de asielprocedure verantwoordelijk is.”
22. § 34a, lid 1, van die wet luidt als volgt:
„Indien de vreemdeling moet worden uitgewezen [...] naar een voor de toepassing van de asielprocedure verantwoordelijke staat [...], gelast de federale dienst voor migratie en vluchtelingen de verwijdering naar de betrokken staat zodra vaststaat dat die verwijdering kan worden uitgevoerd. Dit geldt ook wanneer de vreemdeling een asielverzoek heeft ingediend in een andere staat die op grond van Unierechtelijke bepalingen dan wel bepalingen van een volkenrechtelijk verdrag verantwoordelijk is voor de toepassing van de asielprocedure, of wanneer hij dat asielverzoek heeft ingetrokken voordat de federale dienst voor migratie en vluchtelingen beslist heeft. [...]”
III. Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vragen
23. FB is een Afghaanse staatsburger die op 25 augustus 2021 op 19-jarige leeftijd Duitsland binnenkwam en op 6 september 2021 als verzoeker om internationale bescherming werd geregistreerd. De federale dienst voor migratie en vluchtelingen heeft Roemenië verzocht om hem terug te nemen op grond van het feit dat FB daar eerder, op 6 augustus 2021, een verzoek om internationale bescherming had ingediend, dat hij vervolgens impliciet zou hebben ingetrokken.(18)
24. Wat de materiële opvangvoorzieningen betreft die hem vanaf september 2021 werden toegekend, werd FB ondergebracht in een eerste opvangcentrum in het district Schweinfurt. Hij ontving de verstrekkingen in natura die in §§ 3 en 3a van de wet inzake materiële opvangvoorzieningen zijn vastgesteld, namelijk huisvesting met verwarming, onderhoud van de huisvesting, voedsel, kleding, energie voor de huisvesting, artikelen voor de persoonlijke hygiëne en toiletartikelen, en wifi-toegang. Bovendien ontving hij een uitkering ter dekking van zijn „noodzakelijke persoonlijke behoeften” ten bedrage van 101,25 EUR voor de periode van 6 tot en met 30 september 2021 en 121,50 EUR per maand vanaf oktober 2021.(19)
25. Nadat Roemenië had ingestemd met de terugname van FB, heeft de federale dienst voor migratie en vluchtelingen op 25 oktober 2021 een besluit genomen waarbij zijn verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk werd verklaard en zijn overdracht naar die lidstaat werd gelast.(20) De uiterste datum voor die overdracht werd vastgesteld op 22 april 2021. FB heeft beroep ingesteld tegen het overdrachtsbesluit, dat bij uitspraak van het Verwaltungsgericht Würzburg (bestuursrechter in eerste aanleg Würzburg, Duitsland) van 21 december 2021 is verworpen.
26. Na FB te hebben gehoord, heeft het district Schweinfurt bij besluit van 9 december 2021 de aan FB toegekende materiële opvangvoorzieningen beperkt op grond van § 1a, lid 7, van de wet inzake materiële opvangvoorzieningen.(21) Dat besluit was van toepassing voor de periode van 1 januari tot en met 30 juni 2022. Vanaf 1 januari 2022 ontving FB dus verstrekkingen in natura ter dekking van zijn behoeften op het gebied van huisvesting, voedsel, verwarming, lichaamsverzorging en gezondheidszorg, alsmede, in geval van ziekte, medische bijstand. Daarentegen verloor hij het recht op de prestaties ter dekking van zijn „noodzakelijke behoeften” op het gebied van kleding en huishoudelijke gebruiks‑ en consumptiegoederen, en zijn „noodzakelijke persoonlijke behoeften” als bedoeld in § 3, lid 1, tweede zin, van die wet, dat wil zeggen uitgaven voor vervoer, communicatie, vrije tijd, ontspanning, cultuur, huisvesting en maaltijden en andere goederen en diensten. Uit het litigieuze besluit, dat als bijlage bij het aan het Hof voorgelegde nationale dossier is gevoegd, blijkt dat FB geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die de toekenning van die andere prestaties rechtvaardigen. De aanvankelijk voor 19 januari 2022 en vervolgens voor 2 maart 2022 geplande overdrachten konden niet worden uitgevoerd om redenen die niet aan FB kunnen worden toegerekend, aangezien Roemenië vanaf 1 maart 2022 geen inkomende overdrachten meer aanvaardde vanwege de oorlog in Oekraïne. Op 23 februari 2022 werd FB overgebracht naar een ander district, waar hij voorzieningen genoot die in casu niet worden betwist. Het staat dus vast dat in de onderhavige zaak de litigieuze periode loopt van 1 januari 2022 tot en met 22 februari 2022.
27. FB heeft beroep ingesteld bij het Sozialgericht Würzburg (rechter in eerste aanleg, bevoegd in socialezekerheidszaken, Würzburg, Duitsland) om gunstiger materiële opvangvoorzieningen te verkrijgen en, in het bijzonder, een uitkering om in zijn noodzakelijke persoonlijke behoeften tijdens de litigieuze periode te voorzien.
28. Hoewel dit beroep door die rechter bij uitspraak van 20 januari 2023 werd verworpen, werd het daarentegen toegewezen door het Bayerisches Landessozialgericht (rechter van de deelstaat Beieren, bevoegd in socialezekerheidszaken, Duitsland) bij arrest van 31 mei 2023, op grond dat de beperking van § 1a, lid 7, van de wet inzake materiële opvangvoorzieningen vereiste dat het bestaan van gedrag in strijd met een verplichting werd aangetoond, hetgeen in de onderhavige zaak niet was vastgesteld. Het district Schweinfurt heeft vervolgens bij de verwijzende rechter beroep in Revision ingesteld tegen dat arrest.
29. In deze omstandigheden heeft het Bundessozialgericht de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
„1) Voldoet een regeling van een lidstaat die verzoekers [...], afhankelijk van hun status als personen die op grond van een uitvoerbaar terugkeerbesluit verplicht zijn het land binnen de overdrachtstermijn volgens [de Dublin III-verordening] te verlaten, uitsluitend recht geeft op huisvesting, voedsel, persoonlijke lichamelijke en gezondheidsverzorging en behandeling in geval van ziekte alsmede, afhankelijk van de omstandigheden van het individuele geval, kleding en huishoudelijke gebruiks‑ en consumptiegoederen, aan het minimumniveau in de zin van artikel 17, leden 2 en 5, van richtlijn [2013/33]?
2) Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord:
a) Dient artikel 20, lid 1, eerste alinea, onder c), van richtlijn [2013/33] juncto artikel 2, onder q), van richtlijn [2013/32], aldus te worden uitgelegd dat een volgend verzoek ook situaties omvat waarin de asielzoeker al eerder in een andere lidstaat een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend en de federale dienst voor migratie en vluchtelingen op grond daarvan het verzoek krachtens [de Dublin III-verordening] niet-ontvankelijk heeft verklaard en de verwijdering heeft gelast?
b) Is het tijdstip van intrekking [van het eerste verzoek] of de datum van een beslissing van de andere lidstaat [daarover] overeenkomstig artikel 27 of artikel 28 van richtlijn [2013/32] doorslaggevend voor de vraag of er in deze situatie sprake is van een volgend verzoek in de zin van artikel 2, onder q), van richtlijn [2013/32]?
c) Kan artikel 20, lid 1, eerste alinea, onder c), juncto artikel 20, leden 5 en 6, van richtlijn [2013/33] juncto het [Handvest] aldus worden uitgelegd dat het toelaatbaar is om de in het kader van de opvang toegekende voorzieningen te beperken tot voorzieningen die voldoen aan de behoefte aan voedsel en huisvesting, met inbegrip van verwarming, en persoonlijke lichamelijke en gezondheidsverzorging en voorzieningen bij ziekte alsmede, afhankelijk van het individuele geval, kleding en huishoudelijke gebruiks‑ en consumptiegoederen?”
30. FB, de Duitse en de Belgische regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Die partijen en belanghebbenden (met uitzondering van de Belgische regering) hebben deelgenomen aan de terechtzitting van 4 september 2025, tijdens welke zij ook de mondelinge vragen van het Hof hebben beantwoord.
IV. Analyse
A. Inleidende opmerking
31. Gezien de inhoud van de besprekingen tijdens de terechtzitting voor het Hof, lijkt het mij nuttig om een inleidende opmerking te maken over de draagwijdte van de door de verwijzende rechter gestelde vragen.
32. Ter terechtzitting heeft de Duitse regering betoogd dat artikel 27, lid 3, onder a), van de Dublin III-verordening, dat de betrokkene het recht verleent om in de betrokken lidstaat te blijven in afwachting van de uitkomst van zijn beroep of zijn bezwaar tegen het overdrachtsbesluit, aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan de toepassing van richtlijn 2013/33. Volgens die regering had FB, zodra het overdrachtsbesluit ten aanzien van hem definitief was geworden, namelijk niet langer het recht om op het Duitse grondgebied te verblijven en viel hij bijgevolg buiten de werkingssfeer van die richtlijn, zoals omschreven in artikel 3, lid 1, daarvan, ook al was de overdracht niet daadwerkelijk uitgevoerd.
33. Ik merk op dat dit argument niet naar voren is gebracht door de Duitse regering in haar schriftelijke opmerkingen en het onderzoek ervan valt naar mijn mening buiten het kader van het door de verwijzende rechter afgebakende geding. Deze rechter gaat namelijk uit van de premisse dat FB voor de betrokken periode binnen de werkingssfeer van richtlijn 2013/33 valt, ondanks de verwerping van het beroep dat hij tegen het besluit tot overdracht naar Roemenië heeft ingesteld en het definitieve karakter van dat besluit. In die context verzoekt die rechter het Hof enkel om een uitlegging van artikel 17, leden 2 en 5, en artikel 20 van die richtlijn, wat betreft de draagwijdte van het recht van die verzoeker op materiële opvangvoorzieningen die hem een fatsoenlijke levensstandaard garanderen. Ik herinner eraan dat het volgens vaste rechtspraak uitsluitend aan de nationale rechter staat om het voorwerp te bepalen van de vragen die hij aan het Hof wil stellen.(22)
34. In die omstandigheden kan het Hof naar mijn mening het voorwerp van de door de verwijzende rechter gestelde vragen niet uitbreiden door deze te onderzoeken in het licht van artikel 27, lid 3, van de Dublin III-verordening en door na te gaan of FB, doordat de in die bepaling vastgestelde rechtsmiddelen waren uitgeput, niet langer het recht had om op Duits grondgebied te verblijven – ook al was het overdrachtsbesluit niet ten uitvoer gelegd – en bijgevolg niet langer binnen de werkingssfeer van richtlijn 2013/33 viel. Aangezien die vraag het door die rechter afgebakende kader ruimschoots overschrijdt, ben ik van mening dat het Hof zich moet beperken tot de uitlegging van de bepalingen van die richtlijn waarnaar die rechter uitdrukkelijk verwijst.
B. Voorwaarden voor de toepassing van de algemene bepalingen betreffende de materiële opvang als bedoeld in artikel 17 van richtlijn 2013/33 (eerste vraag)
35. Met zijn eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in essentie van het Hof te vernemen of artikel 17, lid 2, eerste alinea, en lid 5, van richtlijn 2013/33 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan de bevoegde autoriteit de prestaties ter dekking van de behoeften aan kleding en huishoudelijke gebruiks‑ en consumptiegoederen, die in natura of in de vorm van uitkeringen worden verstrekt, intrekt voor verzoekers ten aanzien van wie een overdrachtsbesluit is genomen op grond van de Dublin III-verordening, tenzij zij het bestaan van bijzondere omstandigheden aantonen.
36. Deze vraag vereist een analyse van de behandeling die de ontvangende lidstaat moet geven aan een verzoeker die zal worden overgedragen aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming, alvorens de draagwijdte te onderzoeken van het in artikel 17, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 2013/33 neergelegde vereiste dat een fatsoenlijke levensstandaard wordt gewaarborgd. Ik zal deze vraag onderzoeken in het licht van de situatie van een verzoeker die, net als FB, niet over eigen middelen beschikte, zoals tijdens de terechtzitting is verduidelijkt.
1. Behandeling die moet worden gegeven aan verzoekers ten aanzien van wie een overdrachtsbesluit is genomen
37. Overeenkomstig het opschrift ervan bevat artikel 17 van richtlijn 2013/33 de algemene bepalingen betreffende de materiële opvang.
38. In lid 2 van dat artikel worden het voorwerp en het doel van de materiële opvangvoorzieningen omschreven, waarbij van de lidstaten wordt verlangd dat zij ervoor zorgen dat die voorzieningen voor „verzoekers” een fatsoenlijke levensstandaard bieden die hun bestaansmiddelen garandeert en hun fysieke en geestelijke gezondheid beschermt.
39. In lid 5 van dat artikel worden de regels vastgesteld voor de vaststelling van de hoogte van de uitkeringen of tegoedbonnen die daartoe worden verstrekt, en wordt bepaald dat de lidstaten verzoekers minder gunstig kunnen behandelen dan eigen onderdanen met name indien de materiële steun gedeeltelijk in natura wordt verstrekt of indien die niveaus, die gelden voor onderdanen, een hogere levensstandaard beogen dan die welke richtlijn 2013/33 voor verzoekers voorschrijft.
40. De verwijzende rechter vraagt het Hof of, afgezien van het verschil in behandeling dat is toegestaan tussen een verzoeker en een onderdaan van de lidstaat, de ontvangende lidstaat bovendien verzoekers ten aanzien van wie een besluit tot overdracht naar de voor de behandeling van hun verzoek verantwoordelijke lidstaat is genomen, anders mag behandelen door deze laatsten een minder gunstige behandeling te geven dan andere verzoekers.
41. Gelet op het doel van richtlijn 2013/33 en de bewoordingen die daarvoor worden gehanteerd, bestaat er geen twijfel over dat de Uniewetgever niet de bedoeling had een variabel opvangsysteem in te voeren waarbij de opvangvoorzieningen voor de verzoeker in de praktijk zouden afhangen van de vraag of de lidstaat waar hij zich bevindt, de lidstaat is die definitief over zijn verzoek om internationale bescherming zal beslissen. Met uitzondering van de bijzondere bepalingen die deze wetgever uitdrukkelijk heeft vastgesteld met betrekking tot kwetsbare personen (artikelen 21‑25 van die richtlijn), personen die in bewaring zijn genomen (artikel 10 van die richtlijn) en personen die vanwege hun gedrag zijn gestraft (artikel 20 van die richtlijn), kan op basis van geen enkel element, noch tekstueel, noch contextueel, noch teleologisch, een dergelijk verschil in behandeling worden vastgesteld.
42. Ten eerste voorziet geen van de instrumenten van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel in de huidige stand van het Unierecht in een specifieke rechtspositie voor verzoekers ten aanzien van wie een overdrachtsbesluit is genomen, noch in een bijzondere rechtsregeling voor hen.(23)
43. Aldus heeft het Hof met betrekking tot richtlijn 2013/33 in het arrest IPAT reeds geoordeeld dat „verzoekers op wie de bij de Dublin III-verordening ingestelde ‚procedures betreffende verzoeken om internationale bescherming’ van toepassing zijn, kennelijk binnen de personele werkingssfeer van die richtlijn [...] vallen”(24) en dat die richtlijn geen enkel onderscheid maakt naargelang jegens de verzoeker al dan niet een procedure van overdracht loopt.(25) Het Hof heeft opgemerkt dat de Uniewetgever het begrip „verzoeker” in artikel 2, onder b), van die richtlijn op uniforme en transversale wijze gebruikt, waarbij wordt verwezen naar „één categorie verzoekers”, namelijk alle onderdanen van derde landen en staatlozen die een verzoek om internationale bescherming indienen waarover nog geen definitieve beslissing is genomen.(26) Aangezien een overdrachtsbesluit geen besluit vormt waarbij definitief uitspraak wordt gedaan over een verzoek om internationale bescherming, heeft het Hof geoordeeld dat een dergelijk besluit niet tot gevolg kan hebben dat de betrokkene zijn hoedanigheid van „verzoeker” in de zin van die bepaling en de aan die hoedanigheid verbonden rechten verliest.(27) Vastgesteld moet worden dat artikel 17, lid 2, van die richtlijn zonder enig onderscheid verwijst naar „verzoekers”.
44. Ten tweede heeft richtlijn 2013/33 niet tot doel de integratie van verzoekers in de ontvangende lidstaat te waarborgen, maar ervoor te zorgen dat daadwerkelijk in hun noodzakelijke en onmiddellijke behoeften wordt voorzien om, overeenkomstig de overwegingen 11 en 35 van die richtlijn, de eerbiediging van hun grondrechten te waarborgen.
45. In dat verband heeft het Hof geoordeeld dat de eerbiediging van de menselijke waardigheid en het recht op asiel, die respectievelijk in artikel 1 en artikel 18 van het Handvest worden erkend, niet alleen geldt voor verzoekers die zich op het grondgebied bevinden van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van hun verzoek, maar ook voor verzoekers die wachten op een beslissing over de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is(28)
46. Die redenering moet worden uitgebreid tot verzoekers die wachten op hun daadwerkelijke overdracht naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van hun verzoek. Het begrip „opvang” vereist namelijk dat rekening wordt gehouden met een objectief criterium, namelijk de plaats waar de verzoeker zich bevindt, en niet met de regels van de Dublin III-verordening en de daarmee verband houdende praktijk, die tot gevolg hebben dat de datum van de overdracht en de uitvoering daarvan uiteindelijk onzeker blijven. Het Hof heeft dat overigens terecht benadrukt door eraan te herinneren dat het uitsluiten van verzoekers van bepaalde materiële opvangvoorzieningen geen rechtvaardiging vindt in de korte duur van de procedure tot bepaling van de verantwoordelijke lidstaat, rekening houdend met de termijnen voor de procedure voor overname en terugname en overdracht zoals bedoeld in de artikelen 21 tot en met 25 en artikel 29 van de Dublin III-verordening, en gezien de situatie waarin de overdracht niet binnen de gestelde termijnen wordt uitgevoerd.(29) De onderhavige zaak is hiervan een illustratie, niet alleen omdat de maximale termijn waarbinnen het overdrachtsbesluit ten uitvoer moest worden gelegd zes maanden bedroeg – hetgeen een buitengewoon lange periode is indien de verzoeker, die niet financieel onafhankelijk is, geen kledinghulp of dagvergoeding ontvangt –, maar ook omdat het besluit nooit ten uitvoer is gelegd.
47. Het uitsluiten van verzoekers van materiële opvangvoorzieningen op grond dat zij zich niet „op de juiste plaats” bevinden overeenkomstig de in de Dublin III-verordening vastgestelde verantwoordelijkheidscriteria, zou een schending van hun grondrechten inhouden. Objectief gezien bevinden zij zich in een situatie die vergelijkbaar is met die van verzoekers die verblijven in de lidstaat die verantwoordelijk is voor hun verzoek of wachten op de bepaling van die lidstaat. Hun behoeften zijn identiek: hoewel zij niet onderworpen zijn aan de medewerkingsverplichtingen die de behandeling van hun verzoek met zich meebrengt, moeten zij niettemin worden gehuisvest, van voedsel en kleding worden voorzien en over een geldbedrag beschikken dat hen in staat stelt een minimum aan waardigheid en autonomie te behouden om gebruik te kunnen maken van de rechten die hun door richtlijn 2013/33 worden toegekend.
48. Een dergelijke benadering zou ook voorbijgaan aan het doel van richtlijn 2013/33, zoals verwoord in overweging 8, namelijk „om in de gehele Unie de gelijke behandeling van verzoekers te garanderen, [door van toepassing te zijn] tijdens alle fasen en op alle soorten procedures betreffende verzoeken om internationale bescherming, in alle plaatsen en voorzieningen waar verzoekers worden gehuisvest, en zolang zij als verzoekers op het grondgebied van de lidstaten mogen blijven”.(30) De procedure voor overdracht en overname en terugname van een verzoeker door de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek, die wordt gevolgd overeenkomstig de Dublin III-verordening, is naar haar aard een „procedure betreffende verzoeken om internationale bescherming”.(31) Uit overweging 11 juncto artikel 20, lid 5, van die verordening volgt bovendien dat de opvangnormen van richtlijn 2013/33 van toepassing zijn op de procedure tot bepaling van de verantwoordelijke lidstaat, aangezien die procedure pas wordt beëindigd wanneer de lidstaat de verzoeker overneemt of terugneemt. Het Hof heeft dat bevestigd in het arrest IPAT door te oordelen dat de verplichting van de betrokken lidstaat om de verzoeker opvangvoorzieningen te verlenen „uitsluitend eindigt op het moment waarop deze persoon definitief aan de aangezochte lidstaat wordt overgedragen”.(32)
49. Ten derde en ten slotte, zou het in strijd zijn met het doel van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel indien de ontvangende lidstaat de opvang van verzoekers zou mogen onderbreken op grond dat hij niet de voor de behandeling van hun verzoek verantwoordelijke lidstaat is. Een aanzienlijk deel van de verzoekers zou dan immers worden onderworpen aan nationale normen die veel minder gunstig zijn dan de geharmoniseerde regels van dat stelsel. Het is duidelijk dat een dergelijke maatregel niet zou toelaten om „de continuïteit van de bij [de Dublin III-verordening] en [de] andere desbetreffende rechtsinstrumenten op asielgebied toegekende bescherming en rechten te waarborgen”, zoals de Uniewetgever in artikel 31 van die verordening beoogt.
50. Gelet op het voorgaande ben ik dan ook van mening dat artikel 17, lid 2, eerste alinea, en lid 5, van richtlijn 2013/33 zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan verzoekers ten aanzien van wie een besluit tot overdracht naar de voor de behandeling van hun verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat is genomen, minder gunstig worden behandeld dan andere verzoekers.
51. Thans moet het tweede aspect van de eerste vraag van de verwijzende rechter worden onderzocht: biedt een lidstaat verzoekers een fatsoenlijke levensstandaard die hun bestaansmiddelen garandeert en hun fysieke en geestelijke gezondheid beschermt, indien hij hen uitsluit van kledinghulp en een dagvergoeding voor de aankoop van huishoudelijke gebruiks‑ en consumptiegoederen?
2. Draagwijdte van het vereiste dat een fatsoenlijke levensstandaard wordt gewaarborgd
52. Ik herinner eraan dat artikel 17, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 2013/33 het beginsel vastlegt dat nationale maatregelen inzake materiële opvangvoorzieningen voor verzoekers een fatsoenlijke levensstandaard moeten bieden die hun bestaansmiddelen garandeert en hun fysieke en geestelijke gezondheid beschermt.
53. Teneinde vast te stellen in welke mate en op welke wijze de door die bepaling vereiste opvang dient te gebeuren, verzoekt de verwijzende rechter het Hof om de draagwijdte te verduidelijken van het vereiste dat een fatsoenlijke levensstandaard wordt gewaarborgd, alsmede de inhoud van de daaruit voortvloeiende verplichtingen voor de lidstaten te preciseren.
54. In het economisch recht verwijst de term „levensstandaard” naar het economisch en sociaal welzijn van een persoon of een groep personen, en met name naar hun vermogen om in hun essentiële en niet-essentiële behoeften te voorzien. In het kader van richtlijn 2013/33 verwijst de Uniewetgever zowel naar het vereiste van een „fatsoenlijke” levensstandaard als naar dat van een „waardige” levensstandaard, zonder de draagwijdte van die vereisten te definiëren. Daarom wenst die rechter te vernemen of er een parallel kan worden getrokken tussen die vereisten.
55. In de eerste plaats bevat artikel 17, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 2013/33 geen uitdrukkelijke verwijzing naar het recht van de lidstaten om de betekenis en de draagwijdte van het begrip „fatsoenlijke levensstandaard” te bepalen. Overeenkomstig vaste rechtspraak moet dat begrip dus autonoom en op eenvormige wijze worden uitgelegd, niet alleen rekening houdend met de letterlijke formulering van de bepaling, maar ook met de context ervan en de doelstelling van de betrokken richtlijn.(33)
56. Op basis van die methode heeft het Hof de draagwijdte bepaald van het in artikel 20, lid 5, van richtlijn 2013/33 neergelegde vereiste inzake het behoud van een waardige levensstandaard; het is de lidstaten namelijk verboden om de verzoeker in een toestand van zeer verregaande materiële behoeftigheid te brengen waardoor hij niet in staat zou zijn om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften zoals wonen, eten, zich kleden en zich wassen, hetgeen zijn fysieke of geestelijke gezondheid zou schaden dan wel hem in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid.(34) In het arrest Cimade en GISTI had het Hof reeds geoordeeld dat een asielzoeker de bescherming niet mag worden ontnomen die door de in richtlijn 2003/9 vastgestelde minimumnormen voor opvang wordt geboden, al was het maar in de periode tussen de indiening van zijn verzoek en het tijdstip waarop hij daadwerkelijk wordt overgedragen, omdat dit met name het risico met zich meebrengt dat het doel van die richtlijn en de vereisten van artikel 1 van het Handvest, volgens welke de menselijke waardigheid moet worden geëerbiedigd en beschermd, worden miskend.(35)
57. In artikel 17, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 2013/33 vereist de Uniewetgever niet dat de materiële opvangvoorzieningen een „waardige” levensstandaard bieden, maar een „fatsoenlijke” levensstandaard.
58. Ik wijs erop dat de lidstaten die levensstandaard moeten bieden door middel van de „materiële opvangvoorzieningen”, die daar dus de bestanddelen van vormen. Die voorzieningen worden in artikel 2, onder g), van richtlijn 2013/33 omschreven als „huisvesting, voedsel en kleding, die in natura of in de vorm van uitkeringen of tegoedbonnen worden verstrekt of een combinatie van deze drie, alsmede een dagvergoeding”. Hoewel de Uniewetgever de lidstaten een beoordelingsmarge laat met betrekking tot de vorm waarin die voorzieningen worden geboden, definieert hij nauwkeurig de inhoud ervan door de te vervullen behoeften te specificeren. Zoals blijkt uit het gebruik van de voegwoorden „en” en „alsmede”, zijn de materiële opvangvoorzieningen cumulatief en moeten zij worden beschouwd als onlosmakelijk met elkaar verbonden, aangezien zij het middel zijn om een fatsoenlijke levensstandaard te bieden voor verzoekers die niet financieel onafhankelijk zijn. In de context van artikel 17, lid 2, eerste alinea, van die richtlijn wordt het recht op een fatsoenlijke levensstandaard dus opgevat als een samengesteld recht waarvan de uitoefening afhankelijk is van de gelijktijdige verwezenlijking van elk van die voorzieningen.(36)
59. Bijgevolg mogen de lidstaten geen „à la carte”-regeling invoeren door een van die bestanddelen te verwijderen of weg te laten. In dat verband wijs ik erop dat de bewoordingen van artikel 17, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 2013/33 verschillen van die van artikel 17, lid 3, van die richtlijn, dat de lidstaten toestaat om „alle of bepaalde” voorzieningen toe te kennen wanneer de verzoeker over eigen middelen beschikt. Daaruit volgt dat de lidstaten op grond van artikel 17, lid 2, eerste alinea, van die richtlijn zich niet kunnen onttrekken aan hun verplichting om te voorzien in de behoeften van de verzoeker op het gebied van huisvesting, voedsel en kleding en hem een dagvergoeding toe te kennen.
60. In de tweede plaats houdt de term „fatsoenlijk” in dat er prestaties worden toegekend die niet zozeer de toegang tot een reeks economische, sociale en culturele rechten garanderen, maar wel de bestaansmiddelen van de verzoeker en de bescherming van zijn fysieke en geestelijke gezondheid waarborgen. In artikel 17, lid 3, van richtlijn 2013/33 verwijst de Uniewetgever overigens uitdrukkelijk naar de nodige middelen voor een „levensstandaard die voldoende is om [de] gezondheid te verzekeren”(37) van de verzoeker en naar „de nodige bestaansmiddelen”. Dat houdt in dat prestaties worden toegekend waarvan de inhoud is afgestemd op de individuele situatie van de verzoeker in een bepaalde samenleving en op een bepaald tijdstip.(38) De bewoordingen van artikel 17, lid 5, van die richtlijn zijn in dat verband bijzonder verhelderend, aangezien daarin wordt bepaald dat de hoogte van de uitkeringen of tegoedbonnen die worden verstrekt in het kader van de materiële opvangvoorzieningen, moet worden vastgesteld „op basis van de niveaus die door de betrokken lidstaat [...] zijn vastgesteld”. Als de kledinghulp echter in natura wordt verstrekt, ben ik van mening dat die de verzoeker in staat moet stellen toegang te krijgen tot kleding en schoeisel die er redelijk fatsoenlijk uitzien, aangepast zijn aan het geslacht en de leeftijd, geschikt zijn voor het seizoen en in voldoende hoeveelheid beschikbaar zijn.
61. Gezien die tekstuele elementen gaat het in artikel 17, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 2013/33 bedoelde vereiste dat een fatsoenlijke levensstandaard wordt gewaarborgd, hoewel het de elementaire behoeften van de verzoeker dekt, dus verder dan het recht op louter overleven. De verzoeker moet een waardig leven kunnen leiden met toegang tot middelen die voldoende en geschikt zijn om te voorzien in zijn behoeften op het gebied van huisvesting, voedsel, kleding en verzorging, en om een minimale autonomie te genieten in een bepaalde samenleving en op een bepaald tijdstip.(39)
62. De context van die bepaling ondersteunt de uitlegging volgens welke dat vereiste een veel ruimere materiële draagwijdte heeft dan dat van het behoud van een waardige levensstandaard.
63. Het vereiste dat een fatsoenlijke levensstandaard wordt gewaarborgd, is namelijk van toepassing in de context van het verlenen van de materiële opvangvoorzieningen, waarbij de wijze waarop dit gebeurt is vastgelegd in artikel 17 van richtlijn 2013/33, terwijl het vereiste dat een waardige levensstandaard wordt behouden, van toepassing is in de context van de beperking of zelfs de intrekking van die voorzieningen als bedoeld in artikel 20 van die richtlijn.(40) Dit laatste vereiste vormt dus een uitzondering die alleen van toepassing is in situaties die worden gekenmerkt door rechtsmisbruik of met de rechtsregels strijdig gedrag van de verzoeker. Door te eisen dat de integriteit en waardigheid van de verzoeker worden gewaarborgd, terwijl alle of een deel van de materiële opvangvoorzieningen worden ingetrokken, stelt de Uniewetgever een minimumdrempel vast waaronder de lidstaten niet mogen gaan.
64. Daarentegen vormt het in artikel 17, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 2013/33 bedoelde vereiste inzake de waarborging van een fatsoenlijke levensstandaard de norm en heeft dat vereiste noodzakelijkerwijs een ruimere materiële draagwijdte. Dat blijkt ook uit het arrest van 27 februari 2014, Saciri e.a.(41), waarin het Hof eist dat de materiële opvangvoorzieningen, en met name de daarvoor verstrekte uitkering, volstaan om verzoekers een „menswaardige levensstandaard te bieden die voldoende is” om hun gezondheid te verzekeren en bestaansmiddelen te waarborgen.
65. Ten slotte zou het verwijderen uit de in artikel 17, lid 2, van richtlijn 2013/33 bedoelde materiële opvangvoorzieningen van de prestaties ter dekking van de behoeften aan kleding en huishoudelijke gebruiks‑ en consumptiegoederen duidelijk in strijd zijn met het door de Uniewetgever nagestreefde doel.
66. Wat kledinghulp betreft, wordt algemeen aanvaard dat kleding een voorwaarde is voor het genot van de mensenrechten in het algemeen.(42) Ik herinner eraan dat volgens het Hof de behoefte aan kleding een „elementaire” behoefte is, net als de behoefte aan huisvesting en voedsel, aangezien zij bijdraagt tot de eerbiediging van de menselijke waardigheid. Het dragen van gescheurde en vuile kleding is overigens het meest zichtbare en veelzeggende teken van armoede. Kleding draagt niet alleen bij tot de bescherming van de geestelijke gezondheid, maar ook vanzelfsprekend tot het behoud van de lichamelijke gezondheid van de betrokkene, aangezien geschikte kleding het lichaam beschermt tegen slecht weer, koude, regen en dergelijke. Kleding is ook een middel om het nuttig effect van de rechten van de verzoeker te waarborgen, zoals het recht om zich vrij te verplaatsen, een beroepsopleiding te volgen of toegang te krijgen tot de arbeidsmarkt.
67. De dagvergoeding vormt eveneens een essentieel onderdeel van de materiële opvangvoorzieningen, aangezien die, zoals de Commissie tijdens de terechtzitting herhaaldelijk heeft benadrukt, de verzoeker in staat stelt een minimum aan autonomie te genieten. Die vergoeding, waarover de verzoeker vrij kan beschikken, die is bedoeld als „zakgeld” en waarvan het bedrag door elke lidstaat wordt vastgesteld, moet hem in staat stellen essentiële consumptiegoederen aan te schaffen, zoals producten voor persoonlijke hygiëne of vervoersbewijzen. Volgens het Asielagentschap van de Europese Unie (EUAA)(43) dient die vergoeding verschillende doelen: ten eerste, verzoekers in staat stellen ten minste op een bestaansminimum te leven, wat verder gaat dan voorzien in de basisbehoeften huisvesting, voedsel en kleding; ten tweede bevorderen dat verzoekers deelnemen aan het sociaal-culturele leven van de lidstaat waar ze verblijven, en ten derde verzoekers een zekere mate van financiële autonomie geven.(44) Ik zou hieraan willen toevoegen dat die vergoeding verzoekers ook in staat stelt om te voldoen aan hun verplichting tot medewerking in het kader van de procedure tot behandeling van hun verzoek om internationale bescherming, door te reageren op de verschillende oproepen en door naar de onderhoudsgesprekken te gaan, en hen ook in staat stelt om gebruik te maken van de rechten die hun worden toegekend, bijvoorbeeld om een beroepsopleiding te volgen of toegang te krijgen tot gezondheidszorg.
68. In dat verband merk ik op dat in het internationaal recht wordt erkend dat het recht op een fatsoenlijke levensstandaard – ook wel aangeduid als het recht op een „behoorlijke” of „passende” levensstandaard – vereist dat eenieder niet alleen toegang heeft tot voldoende voedsel, geschikte huisvesting, geschikte kleding en de nodige medische zorg en sociale voorzieningen, maar ook tot andere economische, sociale en culturele rechten die in een bepaalde samenleving op een bepaald tijdstip noodzakelijk zijn, zoals het recht op onderwijs of het recht op werk.(45) Goederen en diensten moeten in voldoende hoeveelheid en kwaliteit beschikbaar zijn, aangepast aan geslacht of leeftijd en cultureel passend zijn. Hoewel er uiteenlopende meningen bestaan over de precieze omvang van dat recht, wordt dus algemeen aanvaard dat het verband houdt met de uitoefening van andere rechten, waarvan sommige minder dwingend zijn dan andere, en gebaseerd is op het recht op menselijke waardigheid.(46) In puur economische termen is de Wereldbank bijvoorbeeld van mening dat een fatsoenlijke levensstandaard inhoudt dat de betrokken persoon boven de armoedegrens van de betrokken samenleving leeft. Volgens de Wereldbank moet voor de waarborging van een fatsoenlijke levensstandaard in twee soorten uitgaven worden voorzien: de uitgaven die nodig zijn om zich te voeden en basisbenodigdheden aan te schaffen, en de extra uitgaven die de kosten van deelname aan het dagelijks leven in de samenleving weerspiegelen en die per land verschillen.(47)
69. Uit de bovenstaande overwegingen volgt dat het in artikel 17, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 2013/33 neergelegde vereiste dat een fatsoenlijke levensstandaard wordt gewaarborgd zich ertegen verzet dat een lidstaat een verzoeker de prestaties ontzegt ter dekking van zijn behoeften aan kleding en huishoudelijke gebruiks‑ en consumptiegoederen.
70. Een nationale regel zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, komt mij des te problematischer voor aangezien hij berust op een automatische uitsluiting van die prestaties.
71. Ik herinner er in dat verband aan dat artikel 17, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 2013/33 gebaseerd is op een principiële toekenning van de dagvergoeding en de prestaties ter dekking van de behoeften van de verzoeker op het gebied van huisvesting, voedsel en kleding. Die principiële toekenning is des te meer geboden omdat de verzoeker niet financieel onafhankelijk is en niet onmiddellijk toegang heeft tot de arbeidsmarkt om in zijn eigen onderhoud te voorzien en zich zo een bepaalde levensstandaard te verzekeren. De ontvangende lidstaat mag die materiële opvangvoorzieningen slechts geheel of gedeeltelijk intrekken indien de verzoeker over eigen middelen beschikt als bedoeld in artikel 17, lid 3, van die richtlijn, of wanneer hij misbruik heeft gemaakt van het opvangstelsel of aan hem een sanctie is opgelegd wegens een ernstige inbreuk op de regels van het opvangcentrum of ernstige vormen van geweld, als bedoeld in artikel 20, leden 1 tot en met 4, van die richtlijn.
72. Een wettelijke regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, berust echter op het tegenovergestelde beginsel van dat waarop artikel 17, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 2013/33 is gebaseerd, aangezien zij een principiële uitsluiting inhoudt van de prestaties ter dekking van de behoeften van de verzoeker op het gebied van kleding en huishoudelijke gebruiks‑ en consumptiegoederen. Uit de debatten ter terechtzitting blijkt dat het administratieve besluit tot uitsluiting van die prestaties automatisch wordt genomen zodra een overdrachtsbesluit is genomen, zonder dat daarbij rekening wordt gehouden met de individuele situatie van de verzoeker. De verzoeker is vervolgens verplicht een verzoek in te dienen bij de bevoegde nationale autoriteit, waarbij hij alleen om herstel van de kledinghulp kan verzoeken als hij bijzondere omstandigheden kan aantonen.(48) In casu komt het mij voor dat het litigieuze besluit is genomen zonder dat daaraan een individueel onderzoek is voorafgegaan om de behoeften van FB en de gevolgen van zijn uitsluiting van kledinghulp en van de uitkering voor de voortzetting van zijn verblijf op het nationale grondgebied te beoordelen.
73. Gelet op al die overwegingen ben ik van mening dat artikel 17, lid 2, eerste alinea, en lid 5, van richtlijn 2013/33 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die een verzoeker automatisch uitsluit van de prestaties ter dekking van zijn behoeften aan kleding en huishoudelijke gebruiks‑ en consumptiegoederen enkel en alleen omdat ten aanzien van hem een overdrachtsbesluit is genomen op grond van de Dublin III-verordening.
C. Beperking of intrekking van materiële opvangvoorzieningen wegens de indiening van een volgend verzoek (tweede vraag)
74. De verwijzende rechter stelt zijn tweede prejudiciële vraag voor het geval dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wettelijke regeling niet voldoet aan het in artikel 17, lid 2, eerste alinea, en lid 5, van richtlijn 2013/33 neergelegde vereiste dat een fatsoenlijke levensstandaard wordt gewaarborgd.
75. Met zijn drie subvragen wenst de verwijzende rechter vast te stellen of een regeling als de onderhavige kan worden gerechtvaardigd op grond van artikel 20, lid 1, eerste alinea, onder c), van richtlijn 2013/33, op grond waarvan de ontvangende lidstaat de materiële opvangvoorzieningen kan beperken wanneer een verzoeker een volgend verzoek als omschreven in artikel 2, onder q), van richtlijn 2013/32 heeft ingediend. Volgens die rechter zou het in Duitsland ingediende verzoek om internationale bescherming namelijk een „volgend verzoek” in de zin van die laatste bepaling kunnen vormen. Geen van beide bepalingen geeft echter uitsluitsel over de vraag of er ook sprake is van een volgend verzoek in een geval waarbij meerdere lidstaten betrokken zijn. Bovendien vraagt de verwijzende rechter of een dergelijke regeling voldoet aan de uitdrukkelijk in artikel 20, leden 5 en 6, van die richtlijn neergelegde waarborgen, en dan met name de eerbiediging van de menselijke waardigheid.
76. Allereerst moet worden opgemerkt dat deze vragen aan het Hof zijn voorgelegd voordat het Hof in het arrest Khan Yunis en Baabda, waarnaar ik verwijs, essentiële verduidelijkingen heeft gegeven over het begrip „volgend verzoek”.
77. In dat arrest heeft het Hof in wezen bevestigd dat het in artikel 2, onder q), van richtlijn 2013/32 gedefinieerde begrip „volgend verzoek” betrekking heeft op de situatie waarin een verzoeker een nieuw verzoek indient nadat een andere lidstaat reeds een beslissing heeft genomen op een eerder door hem ingediend verzoek.(49) Het Hof heeft echter duidelijk gemaakt dat de eerste lidstaat waar de verzoeker zijn verzoek heeft ingediend, een „definitieve beslissing” over dat verzoek moet hebben genomen in de zin van artikel 2, onder e), van die richtlijn(50)
78. Uit de informatie in de verwijzingsbeslissing blijkt echter dat het nieuwe verzoek dat FB op 6 september 2021 in Duitsland heeft ingediend, niet kan worden aangemerkt als een „volgend verzoek” in de zin van artikel 2, onder q), van richtlijn 2013/32, waardoor artikel 20, lid 1, eerste alinea, onder c), van richtlijn 2013/33 niet van toepassing is. Zo zijn alle deelnemers aan de terechtzitting het erover eens dat dat verzoek is ingediend vóór de vaststelling van een definitieve beslissing over het verzoek dat FB eerder op 6 augustus 2021 in Roemenië had ingediend en vervolgens impliciet had ingetrokken.
79. Een termijn van vier weken was duidelijk te kort om de Roemeense autoriteiten in staat te stellen een volledig onderzoek van dat eerste verzoek uit te voeren, op basis waarvan zij konden vaststellen of FB voldeed aan de voorwaarden om de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus te verkrijgen.
80. Bovendien werd het besluit waarbij het door FB in Duitsland ingediende verzoek niet-ontvankelijk werd verklaard, genomen vóór het verstrijken van de termijn van negen maanden die de lidstaten krachtens artikel 28, lid 2, van richtlijn 2013/32 in acht moeten nemen alvorens een nieuw verzoek als volgend verzoek te behandelen in geval van impliciete intrekking van het eerste verzoek.
81. Ten slotte begrijp ik dat Duitsland, overeenkomstig artikel 20, lid 5, en artikel 23, lid 1, van de Dublin III-verordening, van oordeel was dat Roemenië verantwoordelijk was en om terugname van FB heeft verzocht op grond van artikel 18, lid 1, onder c), van die verordening, omdat FB een nieuw verzoek bij de Duitse autoriteiten had ingediend nadat hij het eerder bij de Roemeense autoriteiten ingediende verzoek impliciet had ingetrokken. Roemenië heeft op grond van dat artikel aanvaard de betrokkene terug te nemen. Naar mijn mening veronderstelt die grondslag echter dat het eerste verzoek niet is afgewezen en dat er bijgevolg geen definitieve beslissing is genomen.(51)
82. In die omstandigheden geef ik het Hof in overweging te oordelen dat artikel 2, onder q), van richtlijn 2013/32, waarnaar wordt verwezen in artikel 20, lid 1, eerste alinea, onder c), van richtlijn 2013/33, aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „volgend verzoek” niet ziet op de situatie waarin een verzoeker een nieuw verzoek indient in een lidstaat voordat een andere lidstaat een definitieve beslissing heeft genomen over een eerder door hem ingediend verzoek.
V. Conclusie
83. Gelet op bovenstaande overwegingen geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vragen van het Bundessozialgericht te beantwoorden als volgt:
„1) Artikel 17, lid 2, eerste alinea, en lid 5, van richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming,
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich verzet tegen een nationale regeling die een verzoeker om internationale bescherming automatisch uitsluit van de prestaties ter dekking van zijn behoeften aan kleding en huishoudelijke gebruiks‑ en consumptiegoederen enkel en alleen omdat ten aanzien van hem een overdrachtsbesluit is genomen op grond van verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend.
2) Artikel 2, onder q), van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, waarnaar wordt verwezen in artikel 20, lid 1, eerste alinea, onder c), van richtlijn 2013/33,
moet aldus worden uitgelegd dat
het begrip ‚volgend verzoek’ niet ziet op de situatie waarin een verzoeker om internationale bescherming een nieuw verzoek indient in een lidstaat voordat een andere lidstaat een definitieve beslissing heeft genomen over een eerder door hem ingediend verzoek.”
1 Oorspronkelijke taal: Frans.
2 Hierna: „verzoekers”.
3 Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (PB 2013, L 180, blz. 96).
4 Hierna: „ontvangende lidstaat”.
5 Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB 2013, L 180, blz. 31; hierna: „Dublin III-verordening”).
6 Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB 2013, L 180, blz. 60).
7 C‑179/11, EU:C:2012:594; hierna: „arrest Cimade en GISTI”.
8 C‑233/18, EU:C:2019:956.
9 C‑322/19 en C‑385/19, EU:C:2021:11; hierna: „arrest IPAT”.
10 C‑422/21, EU:C:2022:616. Zie ook de thans aanhangige zaak Sidi Bouzid (C‑184/24).
11 C‑123/23 en C‑202/23, EU:C:2024:1042; hierna: „arrest Khan Yunis en Baabda”.
12 Hierna: „Handvest”.
13 BGBl. 1997 I, blz. 2022.
14 BGBl. 2021 I, blz. 5162.
15 BGBl. 1992 I, blz. 1126.
16 BGBl. 2008 I, blz. 1798.
17 BGBl. 2021 I, blz. 2467.
18 Deze situatie komt overeen met die van artikel 28, lid 1, tweede alinea, onder b), van richtlijn 2013/32.
19 Uit het nationale recht volgt dat de „noodzakelijke persoonlijke behoeften” van verzoekers de uitgaven voor vervoer, communicatie, vrije tijd, ontspanning, cultuur, huisvesting en maaltijden en andere goederen en diensten omvatten.
20 Hierna: „overdrachtsbesluit”.
21 Hierna: „litigieus besluit”.
22 Zie arresten van 23 oktober 1997, Franzén (C‑189/95, EU:C:1997:504, punt 79), en 17 oktober 2024, Sony Computer Entertainment Europe (C‑159/23, EU:C:2024:887, punt 28).
23 Zie in dat verband mijn conclusie in de gevoegde zaken The International Protection Appeals Tribunal e.a. (C‑322/19 en C‑385/19, EU:C:2020:642, punt 53).
24 Arrest IPAT (punt 65), cursivering van mij. Zie ook de punten 61‑73, en met name punt 67, van dat arrest. In dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat artikel 15 van richtlijn 2013/33 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die een verzoeker uitsluit van een opvangvoorziening, namelijk toegang tot de arbeidsmarkt, op de enkele grond dat jegens hem een overdrachtsbesluit is vastgesteld krachtens de Dublin III-verordening. Het arrest IPAT is gebaseerd op de beginselen die het Hof in de punten 36‑50 van het arrest Cimade en GISTI heeft geformuleerd. In laatstgenoemd arrest heeft het Hof geoordeeld dat een lidstaat waarbij een verzoek om internationale bescherming is ingediend, verplicht is de minimale opvangvoorzieningen te verstrekken die zijn vastgesteld in richtlijn 2003/9/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten (PB 2003, L 31, blz. 18), die is ingetrokken en vervangen door richtlijn 2013/33, ook aan een verzoeker ten aanzien van wie hij besluit een andere lidstaat om overname of terugname te verzoeken overeenkomstig verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB 2003, L 50, blz. 1), die is ingetrokken en vervangen door de Dublin III-verordening.
25 Zie arrest IPAT (punt 64).
26 Zie arresten IPAT (punt 67) en Cimade en GISTI (punt 40).
27 Zie in die zin arrest IPAT (punten 64 en 68).
28 Zie arrest Cimade en GISTI (punten 42 en 43).
29 Zie arrest Cimade en GISTI (punten 44 en 45).
30 Cursivering van mij.
31 Zie mijn conclusie in de gevoegde zaken The International Protection Appeals Tribunal e.a. (C‑322/19 en C‑385/19, EU:C:2020:642, punt 67).
32 Zie arrest IPAT (punt 68).
33 Zie arresten van 17 november 1983, Merck (292/82, EU:C:1983:335, punt 12); 29 februari 2024, Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl (Latere godsdienstige bekering) (C‑222/22, EU:C:2024:192, punt 25), en 4 september 2025, Casa Judeţeană de Asigurări de Sănătate Mureș e.a. (C‑489/23, EU:C:2025:651, punt 31).
34 Zie arrest van 1 augustus 2022, Ministero dell’Interno (Intrekking van materiële opvangvoorzieningen) (C‑422/21, EU:C:2022:616, punten 39 en 40), waarin wordt verwezen naar het arrest van 12 november 2019, Haqbin (C‑233/18, EU:C:2019:956, punten 46‑48).
35 Zie arrest Cimade en GISTI (punt 56).
36 Zie in dat verband in het internationaal recht Eide, A., en Eide, W. B., „Adequate Standard of Living”, in Moeckli, D., e.a., International Human Rights Law, 4edruk, Oxford University Press, Oxford, 2022, blz. 187‑208.
37 Cursivering van mij.
38 Zie hierover Smith, R. K. M., International Human Rights Law, 10edruk, Oxford University Press, Oxford, 2022, met name hoofdstuk 16, met als opschrift „The right to an adequate standard of living”, blz. 307‑321, punt 16.1.2, alsook Eide, A., en Eide, W. B., „Article 25”, in Alfredsson, G., en Eide, A., The Universal Declaration of Human Rights: a Common Standard of Achievement, Kluwer Law International, Den Haag, 2023, blz. 523‑550.
39 Zie Eide, A., en Eide, W. B., „Adequate Standard of Living”, op. cit., in het bijzonder punt 2. Zie ook Trebilcock, A., „La notion de droit à un niveau de vie suffisant”, in Thouvenin, J.‑M., en Trebilcock, A., Le droit international social: Droits Économiques, Sociaux et Culturels, blz. 1664‑1680, in het bijzonder punt 19.
40 Zie ook overwegingen 11 en 35 van richtlijn 2013/33.
41 C‑79/13, EU:C:2014:103, punt 40.
42 Over de vraag of er een recht op geschikte kleding bestaat, zie Graham, L. D., „Reasserting the Right to Adequate Clothing in International Human Rights Law”, Human Rights Law Review, deel 24, nr. 1, 2024.
43 Het EUAA is in de plaats gekomen van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO).
44 EASO, Richtsnoer voor opvangvoorzieningen: operationele normen en indicatoren, september 2016, blz. 33.
45 Dit recht is met name vastgelegd in artikel 25, lid 1, van de op 10 december 1948 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties aangenomen Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, waarin staat dat „[e]enieder [...] recht [heeft] op een levensstandaard, die hoog genoeg is voor de gezondheid en het welzijn van zichzelf en zijn gezin, waaronder inbegrepen voeding, kleding, huisvesting en geneeskundige verzorging en de noodzakelijke sociale diensten, alsmede het recht op voorziening in geval van werkloosheid, ziekte, invaliditeit, overlijden van de echtgenoot, ouderdom of een ander gemis aan bestaansmiddelen, ontstaan ten gevolge van omstandigheden onafhankelijk van zijn wil” (zie Eide, A., en Eide, W. B., „Article 25”, op. cit., in het bijzonder blz. 531 en 532). Dit recht is ook vastgelegd in artikel 11 van het op 16 december 1966 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties aangenomen en op 3 januari 1976 in werking getreden Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, dat in lid 1 bepaalt dat „[d]e Staten die partij zijn bij dit Verdrag [...] het recht [erkennen] van eenieder op een behoorlijke levensstandaard voor zichzelf en zijn gezin, daarbij inbegrepen toereikende voeding, kleding en huisvesting, en op steeds betere levensomstandigheden”.
46 Zie Trebilcock, A., op. cit., in het bijzonder punten 14, 20 en 21, en Smith, R. K. M., op. cit., in het bijzonder punt 16.1.
47 Zie Eide, A., en Eide, W. B., „Adequate Standard of Living”, op. cit., in het bijzonder punt 2.
48 Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de verzoeker in het kader van de vaststelling van het litigieuze besluit werd „gehoord”.
49 Zie arrest Khan Yunis en Baabda (punt 53).
50 Zie arrest Khan Yunis en Baabda (punt 74). Het begrip „definitieve beslissing” betekent overeenkomstig artikel 2, onder e), van richtlijn 2013/32 „een beslissing of de onderdaan van een derde land of de staatloze de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus wordt verleend overeenkomstig richtlijn 2011/95/EU [van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB 2011, L 337, blz. 9)], waartegen geen rechtsmiddel meer openstaat in het kader van hoofdstuk V [van richtlijn 2013/32] [...]”.
51 Overeenkomstig artikel 18, lid 2, tweede alinea, van de Dublin III-verordening staat het in dat geval aan de aangezochte lidstaat om ervoor te zorgen dat „de verzoeker gerechtigd is te verzoeken dat de behandeling van zijn verzoek wordt afgerond, of een nieuw verzoek om internationale bescherming in te dienen dat niet wordt behandeld als een volgend verzoek” (cursivering van mij).