Voorlopige editie
CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
R. NORKUS
van 2 oktober 2025 (1)
Zaak C‑516/24 [Winderwill] (i)
BC, vertegenwoordigd door zijn wettelijke vertegenwoordiger,
tegen
LG
[verzoek van het Amtsgericht Schleswig (rechter in eerste aanleg Schleswig, Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„ Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Aanhangigmaking van een zaak bij een gerecht – Indiening van een verzoek om rechtsbijstand met het oog op een wijzigingsverzoek betreffende onderhoudsverplichtingen – Latere indiening van een wijzigingsverzoek betreffende onderhoudsverplichtingen bij de gerechten van een andere lidstaat ”
1. Het rechtskader van de onderhavige prejudiciële verwijzing wordt gevormd door verordening (EG) nr. 4/2009(2) betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen. Met de vraag van de verwijzende rechter wordt het Hof verzocht om zich, binnen het juridische en feitelijke kader van de onderhavige zaak, te buigen over de uitlegging van het begrip stuk dat „gelijkwaardig” is met een stuk dat het geding inleidt in de zin van artikel 9, onder a), van deze verordening. Meer in het bijzonder zal het Hof zich moeten uitspreken over de vraag of een verzoek om rechtsbijstand(3), dat de onderhoudsgerechtigde heeft ingediend teneinde de onderhoudsplichtige voor de rechter te dagen, onder dat begrip kan vallen.
I. Toepasselijke bepalingen
A. Internationaal recht
2. Artikel 3, lid 1, van het Haagse Protocol(4) bepaalt:
„Tenzij in dit protocol anders is bepaald, worden onderhoudsverplichtingen beheerst door het recht van de staat waar de schuldeiser zijn gewone verblijfplaats heeft.”
3. Artikel 4 van dit protocol bevat bijzondere regels ten voordele van bepaalde schuldeisers, die onder meer van toepassing zijn in het geval van onderhoudsverplichtingen van ouders jegens hun kinderen. Lid 3 van dit artikel luidt als volgt:
„Onverminderd artikel 3 is de lex fori van toepassing indien de schuldeiser de zaak heeft aangebracht bij de bevoegde autoriteit van de staat waar de schuldenaar zijn gewone verblijfplaats heeft. Indien de schuldeiser echter niet op grond van dit recht onderhoud van de schuldenaar kan verkrijgen, is het recht van de staat waar de schuldeiser zijn gewone verblijfplaats heeft, van toepassing.”
B. Unierecht
Verordening nr. 4/2009
4. In overweging 1 van verordening nr. 4/2009 wordt aangegeven dat deze verordening door de Uniewetgever is vastgesteld ter verwezenlijking van zijn doel een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te handhaven en te ontwikkelen waarin het vrije verkeer van personen gewaarborgd is.
5. Blijkens overweging 9 ervan beoogt deze verordening de verkrijging te vergemakkelijken van een beslissing met betrekking tot een aanspraak op levensonderhoud, die automatisch en zonder enige andere formaliteit uitvoerbaar is in een andere lidstaat.
6. Overeenkomstig overweging 36 en hoofdstuk V ervan, met als opschrift „Toegang tot de rechter”, beoogt genoemde verordening de instelling van een bijzonder regime voor rechtsbijstand op het gebied van onderhoudsverplichtingen, waarin is voorzien in een volledige tegemoetkoming in de kosten verbonden aan procedures betreffende onderhoudsverplichtingen jegens kinderen jonger dan 21 jaar die door tussenkomst van de centrale autoriteiten aanhangig worden gemaakt.
7. Uit overweging 44 van dezelfde verordening blijkt dat zij verordening (EG) nr. 44/2001(5) dient te wijzigen door in de plaats te treden van de bepalingen daarvan die betrekking hebben op onderhoudsverplichtingen.
8. Artikel 3 van verordening nr. 4/2009 bepaalt:
„In de lidstaten zijn op het gebied van onderhoudsverplichtingen bevoegd:
a) het gerecht van de plaats waar de verweerder zijn gewone verblijfplaats heeft, of
b) het gerecht van de plaats waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft, of
[...]”
9. Artikel 9, onder a), van deze verordening, met als opschrift „Aanhangigmaking van een zaak bij een gerecht”, luidt:
„Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt een zaak geacht bij een gerecht te zijn aangebracht:
a) op het tijdstip waarop het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk bij het gerecht wordt ingediend, mits de verzoeker vervolgens niet heeft nagelaten te doen wat hij met het oog op de betekening of de kennisgeving van het stuk aan de verweerder moest doen [...]”.
10. Artikel 12 van genoemde verordening, met als opschrift „Aanhangigheid”, bepaalt:
„1. Wanneer voor gerechten van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen verzoeken aanhangig zijn die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, houdt het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht zijn uitspraak ambtshalve aan totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat.
2. Wanneer de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat, verklaart het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zich onbevoegd.”
11. Artikel 15 van dezelfde verordening luidt:
„Het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen wordt bepaald overeenkomstig het [Haagse Protocol van 2007] in de lidstaten die door dit protocol gebonden zijn.”
C. Duits recht
1. FamFG
12. Het Gesetz über das Verfahren in Familiensachen und in den Angelegenheiten der freiwilligen Gerichtsbarkeit (wet betreffende procedures in familierechtelijke zaken en niet-contentieuze procedures; hierna: „FamFG”) bepaalt in § 76, lid 1, ervan:
„Tenzij hierna anders bepaald, zijn de bepalingen van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering inzake rechtsbijstand van overeenkomstige toepassing op de toegang tot [rechtsbijstand als bedoeld in het FamFG].”
13. § 77, lid 1, FamFG bepaalt:
„Alvorens [rechtsbijstand] te verlenen, kan de rechter de andere betrokken partijen in de gelegenheid stellen om opmerkingen in te dienen. In procedures op verzoekschrift moet de verwerende partij in de gelegenheid worden gesteld om haar standpunt kenbaar te maken over de vraag of aan de voorwaarden voor verlening van die bijstand is voldaan, tenzij dit om bijzondere redenen niet wenselijk lijkt.”
14. § 113, lid 1, FamFG luidt:
„In huwelijks- en familiezaken [...] zijn de algemene en bijzondere regels van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering van overeenkomstige toepassing op bij de rechter aanhangig gemaakte procedures.”
2. ZPO
15. De Zivilprozessordnung (wetboek van burgerlijke rechtsvordering; hierna: „ZPO”) bepaalt in § 114, lid 1, ervan:
„Een partij die op grond van haar persoonlijke en financiële situatie de proceskosten niet, slechts ten dele of slechts in verschillende termijnen kan betalen, verkrijgt desgevraagd rechtsbijstand, indien de vordering of het verweer in rechte voldoende kans van slagen biedt en niet vexatoir lijkt. Voor grensoverschrijdende rechtsbijstand binnen de Europese Unie zijn voorts §§ 1076 tot en met 1078 van toepassing.”
16. § 117 ZPO bepaalt:
„1. Het verzoek om rechtsbijstand moet worden ingediend bij de rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt; dit verzoek kan worden ingediend door middel van een verklaring ter griffie. Het verzoek moet de feiten van het geding uiteenzetten en de bewijsmiddelen vermelden. [...]
2. Bij het verzoek dient de partij een verklaring omtrent haar persoonlijke en economische situatie (gezinssituatie, beroep, vermogen, inkomen en lasten) alsook de relevante bewijzen te voegen. Deze verklaring en bewijzen mogen alleen met instemming van de partij aan de wederpartij worden betekend, tenzij de wederpartij civielrechtelijk recht heeft op informatie over het inkomen en het vermogen van de verzoekende partij. Alvorens deze verklaring aan de wederpartij wordt betekend, moet de verzoekende partij in de gelegenheid worden gesteld haar opmerkingen te maken. Zij wordt in kennis gesteld van de betekening van deze verklaring.
3. Met het oog op vereenvoudiging en harmonisering van de procedure kan het federale ministerie van Justitie, met toestemming van de Bundesrat, bij verordening verklaringsformulieren invoeren. [...]
4. Voor zover er voor de in lid 2 bedoelde verklaring formulieren zijn ingevoerd, moet de partij daarvan gebruikmaken. [...]”
17. § 118, lid 1, ZPO luidt:
„De wederpartij moet in de gelegenheid worden gesteld om haar standpunt kenbaar te maken over de vraag of aan de voorwaarden voor verlening van rechtsbijstand is voldaan, tenzij dit om bijzondere redenen niet wenselijk lijkt. Deze standpuntbepaling kan worden ingediend door middel van een verklaring ter griffie. De rechter kan de partijen oproepen voor een hoorzitting indien een schikking kan worden bereikt; een schikking moet door de rechter worden opgenomen in het proces-verbaal van de hoorzitting. De door de wederpartij gemaakte kosten worden niet vergoed. De kosten voor het horen van getuigen of deskundigen in de zin van lid 2, derde volzin, worden gedragen door de in de kosten verwezen partij. § 128 bis is van overeenkomstige toepassing op de hoorzitting als bedoeld in de derde volzin.”
18. § 167 ZPO, met als opschrift „Terugwerkende kracht van de betekening”, bepaalt:
„Indien met de betekening wordt beoogd een termijn in acht te nemen, de verjaringstermijn opnieuw te doen ingaan of die termijn overeenkomstig § 204 van het [Bürgerliche Gesetzbuch (burgerlijk wetboek)] te schorsen, treedt de betekening reeds in werking bij ontvangst van het verzoek of de verklaring, indien de betekening daarvan spoedig plaatsvindt.”
19. § 261 ZPO bepaalt:
„(1) Door het instellen van de vordering wordt de zaak aanhangig.
[...]
(3) De aanhangigheid heeft de volgende gevolgen:
1. tijdens de duur ervan kan de zaak door geen der partijen elders aanhangig worden gemaakt;
[...]”
3. BGB
20. Het Bürgerliche Gesetzbuch (burgerlijk wetboek; hierna: „BGB”) bepaalt in § 204 („Schorsing van de verjaring door het instellen van beroep”), lid 1, punt 14:
„(1) De verjaring wordt geschorst door
[...]
de kennisgeving van het eerste verzoek om [rechtsbijstand]; wanneer de kennisgeving van het verzoek onmiddellijk na indiening ervan geschiedt, treedt de schorsing van de verjaring reeds in bij de indiening van het verzoek.”
II. Feiten van het hoofdgeding, prejudiciële vraag en procedure bij het Hof
21. BC, verzoeker in het hoofdgeding, is de zoon van LG, verweerder in het hoofdgeding. BC heeft zijn gewone verblijfplaats in Zweden, terwijl LG in Duitsland woont.
22. Op 17 december 2021 heeft BC bij het Amtsgericht Schleswig (rechter in eerste aanleg Schleswig, Duitsland), de verwijzende rechter, een verzoek om rechtsbijstand ingediend met het oog op een wijzigingsverzoek betreffende onderhoudsverplichtingen jegens een kind. BC heeft het ontwerp van het wijzigingsverzoek bijgevoegd, onder vermelding dat dit verzoek formeel zou worden ingediend in het geval van verlening van de rechtsbijstand.
23. Op 28 januari 2022, voordat de verwijzende rechter zich over het verzoek om rechtsbijstand had uitgesproken, heeft LG bij de Eskilstuna tingsrätt (rechter in eerste aanleg Eskilstuna, Zweden) een wijzigingsverzoek betreffende zijn onderhoudsverplichtingen jegens BC ingediend.
24. Bij beschikking van 29 maart 2022 heeft de verwijzende rechter geweigerd om BC rechtsbijstand te verlenen op grond dat hij niet internationaal bevoegd was. Op het daartegen door BC ingestelde hoger beroep heeft het Oberlandesgericht Schleswig-Holstein (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Sleeswijk-Holstein, Duitsland) bij beschikking van 27 mei 2022 de door de verwijzende rechter gegeven beschikking vernietigd en rechtsbijstand aan BC toegekend.
25. Vervolgens heeft BC het wijzigingsverzoek betreffende de onderhoudsverplichtingen bij de verwijzende rechter ingediend, welk verzoek op 21 juli 2022 aan LG is betekend.
26. Intussen was het door LG bij de Eskilstuna tingsrätt ingediende wijzigingsverzoek afgewezen wegens internationale onbevoegdheid. De Högsta domstol (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Zweden) heeft deze afwijzingsbeslissing vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechter in eerste aanleg. Deze rechter heeft bij beschikking van 6 mei 2024 de behandeling van de zaak geschorst krachtens artikel 12, lid 1, van verordening nr. 4/2009.
27. De verwijzende rechter acht het noodzakelijk om de bevoegdheid vast te stellen van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht in de zin van artikel 12 van verordening nr. 4/2009. Wat het verzoek om rechtsbijstand betreft, vraagt deze rechter zich af of dit verzoek met het oog op de toetsing van zijn eigen bevoegdheid kan worden aangemerkt als een stuk dat gelijkwaardig is met een stuk dat het geding inleidt in de zin van artikel 9, onder a), van deze verordening. Aangezien het Hof zich over deze kwestie nog niet heeft uitgesproken, is de verwijzende rechter van oordeel dat voldoende rechtszekerheid alleen kan worden bereikt door een uniforme uitlegging van verordening nr. 4/2009.
28. In die omstandigheden heeft het Amtsgericht Schleswig de behandeling van de zaak geschorst en de volgende prejudiciële vraag aan het Hof voorgelegd:
„Vormt een verzoek om [rechtsbijstand] waarbij enkel het ontwerp is gevoegd van het wijzigingsverzoek betreffende onderhoudsverplichtingen dat in geval van verlening van die bijstand formeel zal worden ingediend, een ‚gelijkwaardig stuk’ in de zin van artikel 9, onder a), van [verordening nr. 4/2009], zodat de zaak daarmee bij een nationaal gerecht is aangebracht en de bevoegdheid van dat gerecht vaststaat?”
29. De verwijzingsbeslissing van 22 juli 2024 is ingekomen ter griffie van het Hof op 24 juli 2024. Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door verzoeker en verweerder in het hoofdgeding, de Duitse en de Tsjechische regering alsook door de Europese Commissie. Op 18 juni heeft een terechtzitting plaatsgevonden, waar de Commissie en de Duitse regering pleidooi hebben gehouden.
III. Analyse
A. Lessen die kunnen worden getrokken uit de rechtspraak van het Hof over het begrip „stuk dat het geding inleidt” of „gelijkwaardig stuk” in het kader van andere rechtsinstrumenten
30. Vooraf zij opgemerkt dat, aangezien het Hof in de onderhavige zaak wordt verzocht om uitlegging van het in artikel 9, onder a), van verordening nr. 4/2009 opgenomen begrip stuk dat „gelijkwaardig” is met een stuk dat het geding inleidt, de vraag rijst of aanverwante rechtsinstrumenten en de uitlegging daarvan door het Hof aanwijzingen en zelfs antwoordelementen kunnen aanreiken. Het begrip „stuk dat het geding inleidt” en inzonderheid het begrip „gelijkwaardig stuk” zijn transversale begrippen die voorkomen in meerdere internationale verdragen en andere rechtsinstrumenten met betrekking tot de rechterlijke bevoegdheid in burgerlijke zaken. Aan deze begrippen heeft het Hof reeds uitleggingen gegeven aan de hand waarvan de reikwijdte ervan kan worden afgebakend in de context van die internationale verdragen en rechtsinstrumenten. Alvorens over te gaan tot het onderzoek van de prejudiciële vraag die in de onderhavige zaak aan het Hof is gesteld, acht ik het noodzakelijk om deze uitleggingen in herinnering te brengen.
31. In dit verband moet erop worden gewezen dat het Hof in zijn eerste arresten over de uitlegging van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: „Verdrag van Brussel”(6)) reeds de gelegenheid heeft gehad om te verduidelijken dat het begrip „stuk dat het geding inleidt” of „gelijkwaardig stuk” doelt op het stuk of de stukken waarvan de regelmatige en tijdige betekening of mededeling de verweerder in staat stelt zijn rechten te doen gelden voordat in de staat van herkomst een uitvoerbare beslissing wordt gegeven.(7)
32. Op basis van die definitie heeft het Hof geoordeeld dat een bevel tot betaling naar Duits recht (Zahlungsbefehl), waarvan de betekening de verzoeker in staat stelt om, indien geen tegenspraak wordt gevoerd, een uitvoerbare beslissing te verkrijgen(8), alsook een bevel tot betaling naar Italiaans recht (decreto ingiuntivo) dat tezamen met het verzoekschrift wordt betekend(9), moeten worden beschouwd als stukken die het geding inleiden.
33. Daarentegen heeft het Hof geoordeeld dat een bevel tot tenuitvoerlegging naar Duits recht (Vollstreckungsbefehl), dat na de betekening van het bevel tot betaling wordt gegeven en op zichzelf uitvoerbaar is, niet valt onder het begrip „stuk dat het geding inleidt”.(10)
34. Op basis van de lering die kan worden getrokken uit de hierboven aangehaalde rechtspraak heeft het Hof, nog steeds in het kader van betalingsbevelprocedures, met betrekking tot het Lugano II-Verdrag(11) geoordeeld dat in geval van samenloop van twee procedures na afloop waarvan telkens een uitvoerbare beslissing over dezelfde verbintenis kan worden verkregen, de inleiding van de eerste procedure slechts kan worden beschouwd als een stuk dat de tweede procedure inleidt, indien er een functionele eenheid bestaat tussen beide procedures.(12)
35. In dit verband moet erop worden gewezen dat het voornoemde criterium van functionele eenheid doet denken aan andere voorbeelden in de rechtspraak over de uitlegging van de begrippen „stuk dat het geding inleidt” of „gelijkwaardig stuk”, waaronder met name het arrest Schlömp(13), dat eveneens de uitlegging betrof van het Lugano II-Verdrag.(14)
36. Met dat arrest heeft het Hof niet alleen een functionele benadering ontwikkeld door in essentie te oordelen dat de datum waarop een verplichte bemiddelingsprocedure bij een bemiddelingsinstantie naar Zwitsers recht is ingeleid, de datum is waarop de zaak wordt geacht te zijn aangebracht bij een „gerecht”. Het Hof heeft daarenboven benadrukt dat, gelet op het parallellisme tussen de bij het Lugano II-Verdrag en de met name bij verordening nr. 44/2001(15) ingevoegde mechanismen voor de oplossing van gevallen van aanhangigheid en gelet op het doel van eenvormige uitlegging van de gelijkwaardige bepalingen van dit verdrag en genoemde verordening, aanhangigheid een objectief en automatisch mechanisme is, dat is gebaseerd op de chronologische volgorde waarin de betrokken gerechten zijn aangezocht(16), net zoals het in een ander belangrijk arrest op dit gebied heeft geoordeeld, meer bepaald in het arrest HanseYachts.(17)
37. In laatstgenoemd arrest diende het Hof zich uit te spreken over de vraag of bij aanhangigheid het stuk waarbij een procedure is ingeleid met het verzoek tot bevel van een onderzoeksmaatregel voorafgaand aan enig proces, moet worden aangemerkt als een „stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk”, dan wel of deze kwalificatie slechts geldt voor het stuk waarmee het beroep in rechte is ingeleid(18), te weten de „bodemprocedure” (19).
38. Gelet op de context van artikel 30 van verordening nr. 44/2001, de doelstelling ervan(20), de autonome aard van de eerste bewijsprocedure ten opzichte van de tweede „bodemprocedure” en de duidelijke scheiding die tussen deze beide procedures bestaat, heeft het Hof geoordeeld dat, bij aanhangigheid, het tijdstip waarop een procedure is ingeleid met het verzoek tot bevel van een onderzoeksmaatregel voorafgaand aan enig proces, niet het tijdstip kan vormen waarop een zaak in de zin van artikel 30, punt 1, van verordening nr. 44/2001 „geacht [wordt] te zijn aangebracht” bij een gerecht dat moet oordelen over een vordering „ten gronde” die aansluitend op het resultaat van deze maatregel in dezelfde lidstaat is ingesteld.(21)
39. Met andere woorden, volgens het Hof kan het stuk waarmee wordt beoogd van een gerecht een onderzoeksmaatregel te verkrijgen voorafgaand aan enig proces, niet worden aangemerkt als een stuk dat het geding inleidt of als een gelijkwaardig stuk, in wezen omdat de bij een dergelijk stuk ingeleide procedure autonoom is ten opzichte van de „bodemprocedure”.
40. In dit verband kunnen de volgende lessen worden getrokken uit de hierboven aangehaalde rechtspraak. Ten eerste moet het gedinginleidend stuk of een gelijkwaardig stuk worden betekend of meegedeeld aan de wederpartij om haar in de gelegenheid te stellen haar rechten van verdediging te doen gelden.(22) Dit vereiste houdt logischerwijs in dat dit stuk de wederpartij in kennis stelt van de inleiding van een geding jegens haar en van de wezenlijke gegevens van dat geding, zodat zij kan begrijpen of zij haar verdediging moet voorbereiden.(23) Aangezien de inleiding van het geding leidt tot het geven van een rechterlijke beslissing, is de inachtneming van de rechten van de verdediging en, meer algemeen, van een contradictoire fase van bijzonder belang. Dit is met name te begrijpen in het licht van de rechtsinstrumenten inzake internationale bevoegdheid die ervoor zorgen dat procedures die leiden tot het geven van rechterlijke beslissingen, die erkend en ten uitvoer moeten worden gelegd in alle landen die partij zijn bij deze instrumenten, worden gevoerd volgens het beginsel van hoor en wederhoor. De eerbiediging van dit beginsel rechtvaardigt de liberale benadering op het gebied van erkenning en tenuitvoerlegging.(24)
41. Ten tweede moet een stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk leiden tot de vaststelling van een uitvoerbare beslissing en heeft het dus in beginsel betrekking op de „bodemprocedure”. Op zijn minst moet dit stuk betrekking hebben op een voorafgaande procedure die naar nationaal recht verplicht is voordat de „bodemprocedure” in de contentieuze fase wordt ingeleid(25), of op een procedure die een functionele eenheid kan vormen met deze bodemprocedure of die in ieder geval niet autonoom is ten opzichte van de bodemprocedure.
42. Desalniettemin moet erop worden gewezen dat geen van deze voorbeelden uit de rechtspraak rechtstreeks betrekking heeft op de uitlegging van de begrippen „stuk dat het geding inleidt” of „gelijkwaardig stuk” in de zin van verordening nr. 4/2009. Daarom moet worden overgegaan tot de uitlegging van het begrip stuk dat „gelijkwaardig” is met een stuk dat het geding inleidt in de zin van artikel 9, onder a), van deze verordening, waarvan de verwijzende rechter het Hof om uitlegging verzoekt, door na te gaan of er in voorkomend geval een analogie bestaat met de lessen die kunnen worden getrokken uit de in de punten 31 tot en met 39 van deze conclusie aangehaalde rechtspraak.
B. Uitlegging van het begrip stuk dat „gelijkwaardig” is met een stuk dat het geding inleidt in de zin van artikel 9, onder a), van verordening nr. 4/2009
1. Nadere precisering van de criteria voor uitlegging van het begrip „gelijkwaardig stuk” in het licht van de bestaande rechtspraak
43. Vooraf zij herinnerd aan de vaste rechtspraak volgens welke de bepalingen inzake bevoegdheidsregels autonoom moeten worden uitgelegd aan de hand van de doelstellingen en het stelsel van de betrokken verordening, alsook aan de hand van de algemene beginselen die voortvloeien uit de nationale rechtsorden.(26)
44. Hoofdstuk 2 van verordening nr. 4/2009, met als opschrift „Bevoegdheid”, bevat artikel 9, waarin de regels zijn vastgesteld aan de hand waarvan het tijdstip kan worden bepaald waarop een zaak geacht wordt bij een gerecht te zijn aangebracht. Dit tijdstip is van cruciaal belang voor het bepalen van de bevoegdheid van een gerecht om kennis te nemen van een grensoverschrijdend geding. Bij aanhangigheid, namelijk wanneer voor gerechten van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen verzoeken aanhangig zijn die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, is het immers zo dat het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak ambtshalve aanhoudt totdat de bevoegdheid vaststaat van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht.(27) Volgens dat artikel 9, onder a), wordt een zaak in wezen geacht bij een gerecht te zijn aangebracht op het tijdstip waarop het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk bij dat gerecht wordt ingediend.
45. Verordening nr. 4/2009 bevat evenwel geen definitie van het begrip stuk dat „gelijkwaardig” is met het stuk dat het geding inleidt (en evenmin van het begrip „stuk dat het geding inleidt” zelf), waarvan de verwijzende rechter het Hof in de onderhavige zaak om uitlegging verzoekt. Uit de bewoordingen van artikel 9, onder a), van deze verordening volgt dat dit gelijkwaardige stuk het geding inleidt. Het begrip „stuk dat het geding inleidt" verwijst dus, net als het begrip „gelijkwaardig stuk", naar de algemene idee dat het gaat om een stuk tot inleiding van de procedure.(28)
46. Wat deze procedure betreft, moet de term „geding” worden begrepen als doelend op de „bodemprocedures”, die als doel hebben om de rechten en verplichtingen van de partijen bij het geding te bepalen door het geven van een – te erkennen en ten uitvoer te leggen – rechterlijke beslissing tot afdoening van het geding. Bijgevolg moet het begrip stuk dat „gelijkwaardig” is met het stuk dat het geding inleidt aldus worden begrepen dat daarbij het geding bij een gerecht wordt aangebracht voor een behandeling ten gronde(29), in casu met betrekking tot onderhoudsverplichtingen.
47. Naar mijn mening heeft het begrip stuk dat „gelijkwaardig” is met het stuk dat het geding inleidt noodzakelijkerwijs betrekking op de gelijkwaardige gevolgen die worden teweeggebracht door de inleiding van het geding, namelijk het begin van een gerechtelijke procedure die tot doel heeft een uitvoerbare uitspraak te verkrijgen waarbij de door verzoekende partij ingestelde vorderingen worden toegewezen.(30) Aangezien het geding leidt tot de vaststelling van een rechterlijke beslissing, moet het gedinginleidende stuk passen in een procedure op tegenspraak, dat wil zeggen dat het de wederpartij in de gelegenheid moet stellen haar verdediging voor te bereiden voordat er een uitvoerbare uitspraak jegens haar wordt gegeven.
48. Deze uitlegging vindt steun in de bewoordingen van artikel 9, onder a), van verordening nr. 4/2009, volgens welke een zaak geacht wordt bij een gerecht te zijn aangebracht op het tijdstip van indiening van het stuk dat gelijkwaardig is met stuk dat het geding inleidt, waarna dat stuk aan de verweerder moet worden betekend of meegedeeld.
49. Aan de hand van de context van artikel 9, onder a), van verordening nr. 4/2009, waarin het belang van de eerbiediging van het beginsel van hoor en wederhoor wordt benadrukt, kan deze uitlegging worden bevestigd en kan bovendien binnen deze verordening zelf een eenvormige uitlegging van het begrip stuk dat „gelijkwaardig” is met het stuk dat het geding inleidt worden verzekerd. Artikel 19, lid 1, onder a), van genoemde verordening(31), dat ziet op het „[r]echt om heroverweging te vragen” van de beslissing bij het gerecht van de lidstaat van herkomst door een verweerder die niet is verschenen in die lidstaat, vestigt namelijk de aandacht op de situatie waarin het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk niet zo tijdig en op zodanige wijze aan de verweerder is betekend of meegedeeld als met het oog op zijn verdediging nodig was. In een dergelijke situatie heeft de verweerder het recht om heroverweging te vragen, precies omdat zijn rechten van verdediging niet zijn geëerbiedigd bij de vaststelling van een hem betreffende rechterlijke beslissing. Hetzelfde geldt voor artikel 24 van deze verordening(32), met als opschrift „Gronden voor weigering van de erkenning”, dat onder b) bepaalt dat een beslissing niet wordt erkend indien het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, niet zo tijdig en op zodanige wijze als met het oog op zijn verdediging nodig was, aan de verweerder tegen wie verstek werd verleend, betekend of meegedeeld is.
50. Bovendien kunnen de doelstellingen van verordening nr. 4/2009, namelijk de inning van internationale vorderingen tot levensonderhoud zo veel mogelijk vergemakkelijken(33), de behartiging van de belangen van onderhoudsgerechtigden waarborgen en een goede rechtsbedeling bevorderen(34), niet worden bereikt door op welke wijze dan ook afbreuk te doen aan de rechten van de verdediging.(35) Om die reden strookt de slotsom dat er bij de uitlegging van het begrip stuk dat „gelijkwaardig” is met het stuk dat het geding inleidt in de zin van artikel 9, onder a), van deze verordening in wezen moet worden gekeken naar gelijkwaardige gevolgen als die welke in het leven worden geroepen door de inleiding van het geding ter verkrijging van een uitvoerbare uitspraak waarbij de vorderingen van de verzoekende partij worden toegewezen, mijns inziens met de door genoemde verordening nagestreefde doelstellingen. Deze slotsom biedt bovendien het voordeel van een grotere voorspelbaarheid van de criteria voor uitlegging van het begrip stuk dat „gelijkwaardig” is met het stuk dat het geding inleidt, aangezien deze criteria samenvallen met die welke gelden voor een stuk dat is ingediend ter verkrijging van de gewenste uitkomst in een „bodemprocedure”.
51. Het is overigens in die zin dat voor de onderhavige zaak de lessen gelden die kunnen worden getrokken uit de in de punten 31 tot en met 39 van deze conclusie aangehaalde rechtspraak.
52. In dit verband zij erop gewezen dat het Hof reeds de gelegenheid heeft gehad te preciseren dat zijn rechtspraak over de bevoegdheidsregels inzake onderhoudsverplichtingen die voorkomen in het Verdrag van Brussel en in verordening nr. 44/2001 – die in het verlengde van het Verdrag van Brussel ligt – relevant blijft voor de analyse van de overeenkomstige bepalingen in verordening nr. 4/2009.(36) De in punt 40 van deze conclusie samengevatte lessen uit de rechtspraak kunnen mijns inziens dan ook rechtstreeks op het onderhavige geval worden toegepast, ondanks de andere context en rechtsinstrumenten waarop die rechtspraak betrekking heeft.
53. Bovendien is het belang van een overeenkomstige uitlegging van het Lugano II-Verdrag en van andere rechtsinstrumenten, waaronder met name verordening nr. 44/2001 en bij uitbreiding dus ook verordening nr. 4/2009(37) die gelijkwaardige bepalingen bevat, meermaals in de rechtspraak bevestigd.(38) De (vrijwel) identieke bewoordingen die worden gehanteerd in deze rechtsinstrumenten waaraan uitlegging is gegeven in de in de punten 35 tot en met 39 van deze conclusie aangehaalde rechtspraak, pleiten dus voor een afstemming tussen de door het Hof aan die rechtsinstrumenten gegeven uitlegging en de uitlegging van verordening nr. 4/2009 die het Hof in de onderhavige zaak zal moeten geven. Bovendien is de overeenkomstige uitlegging van deze bepalingen gerechtvaardigd in het licht van de met die instrumenten nagestreefde doelstellingen, die in het algemeen zijn gericht op het verzekeren van het vrije verkeer van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.(39)
54. Bovendien moet erop worden gewezen dat uit de voorbereidende stukken blijkt dat de Uniewetgever de bewoordingen van het oude artikel 30 van verordening nr. 44/2001 identiek heeft overgenomen in artikel 9 van verordening nr. 4/2009. Deze omstandigheid weerspiegelt mijns inziens de wil van de Uniewetgever om de uitlegging van dit artikel af te stemmen op die van de rechtsinstrumenten inzake rechterlijke bevoegdheid die aan verordening nr. 4/2009 zijn voorafgegaan.(40)
55. Niettemin moet worden benadrukt dat de ontwikkelde criteria voor de uitlegging van het begrip „stuk dat het geding inleidt" of het begrip „gelijkwaardig stuk”, zoals die zijn uiteengezet in de punten 31 tot en met 39 van deze conclusie, van geval tot geval moeten worden afgewogen en toegepast. Een dergelijke benadering is zeker gerechtvaardigd in het licht van de specifieke kenmerken van de nationale stelsels waarvan de betrokken stukken in de betreffende zaken deel uitmaakten. Zij heeft echter geleid tot de ontwikkeling van criteria die mijns inziens een zeker niveau van abstractie vertonen, met name wat betreft de functionele eenheid tussen twee procedures of de autonome aard van de ene procedure ten opzichte van de andere procedure. Bij de toepassing van deze criteria op de onderhavige zaak zal het Hof dus noodzakelijkerwijs moeten nagaan of de strekking ervan kan worden gepreciseerd. Die precisering is volgens mij wenselijk wat de toepassing van de meest recente rechtspraak betreft.
56. In dit verband ben ik geneigd te pleiten voor een benadering die uitgaat van de aard van de door het onderzochte stuk ingeleide procedure, aan de hand waarvan kan worden bepaald of er sprake is van functionele eenheid of autonomie tussen de twee procedures. Mijns inziens is het met name doorslaggevend dat wordt bepaald of de procedure die het voorwerp is van het stuk waarvan de kwalificatie aan de orde is, een „bodemprocedure” is en dus dezelfde of gelijkwaardige gevolgen beoogt als die welke worden teweeggebracht door de inleiding van een geding ter verkrijging van een uitvoerbare uitspraak waarbij de vorderingen van de verzoekende partij worden toegewezen.
57. Aldus lijken de criteria die onder meer verband houden met i) de betekening of mededeling aan de wederpartij van een stuk waarmee deze in kennis wordt gesteld van de inleiding van een geding jegens haar en van de wezenlijke gegevens van dat geding, ii) waarbij haar tevens de keuze wordt gelaten om haar verdediging voor te bereiden, voor zover dit geding de verkrijging beoogt van een beslissing tot toewijzing van de door verzoekende partij ingestelde vorderingen, en wel iii) voordat een uitvoerbare uitspraak wordt gegeven houdende toewijzing of afwijzing van de door verzoekende partij ingestelde vorderingen, alsook iv) de aan deze wederpartij geboden mogelijkheid om tegen die uitspraak op te komen, mijns inziens ontegensprekelijk te duiden op het bestaan van gevolgen die een „bodemprocedure” teweegbrengt. Aan deze criteria kunnen nog andere criteria worden toegevoegd om in voorkomend geval rekening te kunnen houden met specifieke situaties, zoals het facultatieve of verplichte karakter van een procedure, ongeacht of het daarbij gaat om een precontentieuze of contentieuze procedure.
58. Evenwel wil ik erop wijzen dat ik met de bovenstaande redenering geenszins beoog alle criteria af te bakenen die relevant zijn voor het aanmerken van een stuk als gelijkwaardig met het gedinginleidend stuk of de enige criteria die daartoe relevant zijn. Ik wil slechts niet-uitputtende voorbeelden aanreiken van concrete criteria aan de hand waarvan in het licht van de bestaande rechtspraak duidelijkheid kan worden geschapen bij de vaststelling van de gevolgen die moeten worden teweeggebracht door een procedure die is ingeleid met de indiening van een stuk dat kan worden aangemerkt als een stuk dat „gelijkwaardig” is met een stuk dat het geding inleidt. In dit verband wijs ik er tevens op dat het onderzoek van de aard van de betrokken procedure en van het stuk zelf, alsook van de gevolgen die zij kunnen ressorteren, hierbij van groot belang is.
59. In het licht van deze overwegingen moet worden nagegaan of een verzoek om rechtsbijstand valt onder het begrip stuk dat „gelijkwaardig” is met een stuk dat het geding inleidt.
2. Gevolgen van de toepassing van de criteria voor uitlegging van het begrip „gelijkwaardig stuk” op een verzoek om rechtsbijstand
60. Uit de ZPO, gelezen in samenhang met het FamFG, volgt dat naar Duits recht rechtsbijstand kan worden verleend aan een partij die op grond van haar persoonlijke en financiële situatie de proceskosten niet kan betalen, indien de vordering of het verweer in rechte voldoende kans van slagen biedt en niet vexatoir lijkt.(41) In het verzoek moeten de feiten van het geding worden uiteengezet en de bewijzen worden vermeld.(42) De wederpartij moet in de gelegenheid worden gesteld om haar standpunt kenbaar te maken over de vraag of aan de voorwaarden voor verlening van die bijstand is voldaan.(43) Juist in deze aan de wederpartij geboden mogelijkheid om kennis te nemen van de indiening van het verzoek om rechtsbijstand, en dus ook van de feiten van het geding, schuilt de bijzonderheid van het Duitse recht op grond waarvan twijfel rijst over de kwalificatie van dit verzoek in het licht van artikel 9, onder a), van verordening nr. 4/2009.
61. Vooraf zij opgemerkt dat lijkt vast te staan dat een verzoek om rechtsbijstand naar Duits recht als zodanig niet het geding kan inleiden. Om de in de punten 44 tot en met 58 van deze conclusie uiteengezette redenen moet worden nagegaan welke gevolgen het verzoek om rechtsbijstand en de daardoor in gang gezette procedure kunnen teweegbrengen. Het gaat met andere woorden om de vraag of de door een dergelijk verzoek ingeleide procedure gevolgen kan teweegbrengen die gelijkwaardig zijn aan die welke resulteren uit de inleiding van een „bodemprocedure”, teneinde aldus te oordelen dat de door dit verzoek ingeleide procedure een functionele eenheid vertoont met de „bodemprocedure” of niet autonoom is ten opzichte van die procedure.
62. In die omstandigheden moet in de eerste plaats de inhoud van het verzoek om rechtsbijstand worden onderzocht, op grond waarvan de Duitse regering en verzoekende partij in het hoofdgeding aanvoeren dat dit verzoek valt onder het begrip stuk dat „gelijkwaardig” is met een stuk dat het geding inleidt. In dit verband staat vast dat dit verzoek een uiteenzetting van de feiten van het geding en een vermelding van de bewijzen moet bevatten, toegevoegd in de vorm van een ontwerp. Bijgevolg, aldus de Duitse regering, vertoont deze procedure een zekere overeenkomst of band met de inleiding van een „bodemprocedure”.
63. De uiteenzetting van die elementen in een bij het verzoek om rechtsbijstand gevoegd ontwerp dient echter een volstrekt ander doel dan de uiteenzetting daarvan in een stuk dat het geding „ten gronde” inleidt in de eigenlijke zin van het woord, namelijk een verzoekschrift. Deze elementen moeten de rechter bij wie het verzoek om rechtsbijstand is aangebracht namelijk in staat stellen zich ervan te vergewissen dat is voldaan aan de voorwaarden op het vlak van de voldoende slaagkans en de niet-vexatoire aard van de voorgenomen vordering na de verlening van die bijstand. Daarentegen wordt niet onderzocht of de voorgenomen vordering „gegrond” is en wordt er geen rechterlijke beslissing „ten gronde” gegeven over de rechten en verplichtingen van partijen.
64. Het is de logica zelve dat de onderhoudsgerechtigde geenszins verplicht is om de uiteenzetting van die elementen naar de letter te volgen wanneer hij beslist om de „bodemprocedure” in te leiden na de verlening van de rechtsbijstand. Bijgevolg kan de inhoud van het verzoek betreffende de onderhoudsverplichtingen in laatstgenoemde procedure verschillen van die welke is vermeld in het verzoek om rechtsbijstand.(44) Bovendien zal er bij de behandeling van laatstgenoemd verzoek in hoofdzaak met name worden gekeken naar de persoonlijke en financiële situatie van de aanvrager van rechtsbijstand, aangezien de procedure tot toekenning van deze bijstand tot doel heeft een gelijke rechtsbescherming te garanderen en ervoor te zorgen dat particulieren die over onvoldoende financiële middelen beschikken, in de mogelijkheid worden gesteld om hun rechten voor de rechter te doen gelden.
65. In dergelijke omstandigheden kunnen de gevolgen van de naar Duits recht aan de wederpartij geboden mogelijkheid om haar standpunt kenbaar te maken over de vraag of aan de voorwaarden voor verlening van rechtsbijstand is voldaan, mijns inziens niet worden gelijkgesteld aan de gevolgen die voortvloeien uit de uitoefening van de rechten van de verdediging in een „bodemprocedure”, wegens de verschillende doelstelling van de twee soorten procedures.(45) Zo heeft de procedure tot verlening van rechtsbijstand strikt genomen, en niettegenstaande de procedurele bijzonderheid van het Duitse recht, alleen en eenzijdig betrekking op de aanvrager ervan. Bijgevolg brengt zij geen gevolgen teweeg voor de wederpartij.
66. In de tweede plaats moeten de gevolgen worden onderzocht van de wijze van overbrenging van het verzoek om rechtsbijstand, te weten het verstrekken van informatie aan de wederpartij over de indiening van dit verzoek, vergezeld van het ontwerp van het wijzigingsverzoek betreffende onderhoudsverplichtingen. Die wijze wordt door de Duitse regering en verzoekende partij in het hoofdgeding aangevoerd om een bevestigend antwoord op de prejudiciële vraag te geven. In dit verband is er, zoals ter terechtzitting is verduidelijkt, geen sprake van een betekening of kennisgeving in strikte zin, maar van het louter informeel verstrekken van informatie aan de wederpartij.
67. Die wijze van overbrenging van het verzoek om rechtsbijstand kan geen gelijkwaardige gevolgen sorteren als die welke worden teweeggebracht door de formele mededeling bij wijze van betekening of kennisgeving van een stuk dat het geding inleidt. Het is integendeel zo dat met deze wijze van overbrenging juist de verschillende aard van die gevolgen wordt benadrukt, namelijk dat het overbrengen van het verzoek om rechtsbijstand beoogt de wederpartij in de gelegenheid te stellen om haar standpunt kenbaar te maken over de vraag of het ingediende verzoek om rechtsbijstand voldoet aan de voorwaarden voor verlening ervan. De betekening of kennisgeving van een stuk dat het geding inleidt, beoogt daarentegen ervoor te zorgen dat de rechten van verdediging van de wederpartij bij het geding worden geëerbiedigd.
68. De vaststelling dat de gevolgen die voortvloeien uit de naar Duits recht aan de wederpartij geboden mogelijkheid om haar standpunt kenbaar te maken over de vraag of aan de voorwaarden voor verlening van rechtsbijstand is voldaan, niet kunnen worden gelijkgesteld aan die welke worden teweeggebracht door een stuk dat een „bodemgeding” inleidt, geldt dus des te meer in het licht van de wijze van overbrenging van het verzoek om rechtsbijstand.
69. Wat in de derde en laatste plaats de aanhangigmaking van het verzoek om rechtsbijstand bij de rechter betreft, lijkt het mij dat de rechter zijn rechtsmacht in beginsel heeft uitgeput na het geven van een beslissing tot toewijzing dan wel afwijzing van dit verzoek. Voor het verkrijgen van een rechterlijke beslissing „ten gronde” dient de onderhoudsgerechtigde namelijk een rechtsvordering in te stellen die verschilt van die welke de verlening van rechtsbijstand beoogt. Het is juist dat de onderhoudsgerechtigde in het hoofdgeding wel degelijk de vordering ten gronde heeft ingesteld. Niettemin zij opgemerkt dat de persoon die om rechtsbijstand verzoekt, na verkrijging daarvan geenszins verplicht is om die vordering „ten gronde” daadwerkelijk in te stellen.(46) De inleiding van de „bodemprocedure” is hoe dan ook afhankelijk van zijn wil, die per definitie onzeker blijft.
70. In die omstandigheden is het bestaan van een band of overeenkomst tussen de procedure tot verkrijging van rechtsbijstand en de „bodemprocedure” op zich niet toereikend om aan te nemen dat laatstgenoemde procedure is ingeleid zodra de procedure tot verkrijging van rechtsbijstand in de betrokken lidstaat in gang is gezet. Deze beide procedures hebben in werkelijkheid verschillende gevolgen, zowel uit het oogpunt van de onderhoudsgerechtigde als uit dat van de onderhoudsplichtige.
71. Anders dan de Duitse regering betoogt, kunnen de door verordening nr. 4/2009 beoogde bescherming van de onderhoudsgerechtigde, alsook het hem door deze verordening verleende recht om de bevoegde rechter en dus ook het toepasselijke recht te kiezen, niet afdoen aan de vaststelling dat het verzoek om rechtsbijstand niet kan worden aangemerkt als een stuk dat gelijkwaardig is met een stuk dat het geding inleidt. Evenwel moet worden erkend dat er in dat geval in het Duitse recht daadwerkelijk sprake is van een probleem waardoor de onderhoudsgerechtigde die over ontoereikende financiële middelen beschikt, potentieel in een ongunstigere positie ten opzichte van de toekomstige wederpartij wordt geplaatst.
72. Zoals deze regering in wezen uiteenzet, kan de aan de onderhoudsplichtige geboden mogelijkheid om zijn standpunt kenbaar te maken over de gegrondheid van het door de onderhoudsgerechtigde ingediende verzoek om rechtsbijstand, laatstgenoemde het recht ontnemen om de bevoegde rechter en dus ook het toepasselijke recht te kiezen.(47). Een dergelijke situatie kan zich voordoen wanneer deze onderhoudsplichtige een vordering „ten gronde” instelt en aldus gebruik maakt van de kennis waarover hij beschikt teneinde die keuze van de onderhoudsgerechtigde te omzeilen, terwijl laatstgenoemde bij gebreke van financiële middelen verplicht is om te wachten op de verlening van rechtsbijstand, waarbij hij bij de indiening van het betreffende verzoek zijn voornemen kenbaar maakt om deze onderhoudsplichtige in voorkomend geval voor de rechter te dagen.
73. Dit probleem lijkt echter voort te vloeien uit de Duitse wetgeving die voorziet in een procedurele bijzonderheid in de vorm van de aan de wederpartij geboden mogelijkheid om haar standpunt kenbaar te maken in een procedure die in beginsel eenzijdig is en uitsluitend betrekking dient te hebben op de aanvrager van rechtsbijstand, zijnde de enige adressaat van de beslissing tot het al dan niet verlenen van die bijstand.(48)
74. In dit opzicht moet mijns inziens een zeker evenwicht worden gevonden tussen de bescherming van de respectieve belangen van de onderhoudsgerechtigde en onderhoudsplichtige, met name gelet op de specifieke kenmerken van de procedure tot verkrijging van rechtsbijstand. Bij de beantwoording van de door de verwijzende rechter gestelde vraag moeten de belangen van beide partijen bij het geding immers noodzakelijkerwijs tegen elkaar worden afgewogen. Het is inderdaad niet uitgesloten dat een onderhoudsplichtige voor een procedurele strategie kiest met als doel om de rechtskeuze van de onderhoudsgerechtigde te omzeilen nadat hij kennis heeft genomen van het voornemen van laatstgenoemde om hem voor de rechter te dagen. Gesteld dat een dergelijke strategie op grond van verordening nr. 4/2009 verboden is, wijst echter niets in het verzoek om een prejudiciële beslissing erop dat de handelingen van de onderhoudsplichtige door bedrieglijk opzet zijn ingegeven.
75. Bovendien lijkt het Duitse recht te voorzien in een mechanisme ter bescherming van de onderhoudsgerechtigde, die als de zwakke partij wordt beschouwd, tegen het risico dat de wederpartij de procedure voor strategische doeleinden misbruikt. Uit § 77, lid 1, FamFG volgt immers dat de rechter ervoor kan kiezen om de wederpartij niet in de gelegenheid te stellen om haar standpunt kenbaar te maken over de vraag of aan de voorwaarden voor verlening van rechtsbijstand is voldaan, indien dit om bijzondere redenen niet wenselijk lijkt. Dit beschermingsmechanisme maakt het mijns inziens mogelijk om de doelstellingen van verordening nr. 4/2009 volledig ten uitvoer te leggen.(49)
76. In ieder geval zou het innemen van een tegengesteld standpunt in de praktijk leiden tot een zwaarwichtig gevolg, namelijk een versnippering van het Unierecht ten gunste van procedureregels die eigen zijn aan elke nationale rechtsorde, wat mijns inziens niet valt te rechtvaardigen in het licht van de bewoordingen en de context van artikel 9, onder a), van verordening nr. 4/2009, en evenmin tegen de achtergrond van de doelstellingen van deze verordening, die met name de rechtszekerheid op dit gebied beogen te waarborgen. Het is overigens om die reden dat het Hof reeds sinds lange tijd wijst op het belang van een autonome uitlegging van de bepalingen inzake bevoegdheidsregels.
77. Naar mijn mening kan het verzoek om rechtsbijstand dus niet worden aangemerkt als een „gelijkwaardig stuk” in de zin van artikel 9, onder a), van verordening nr. 4/2009. Aan deze conclusie kan niet worden afgedaan door het argument van de Duitse regering dat de indiening van dit verzoek kan worden gelijkgesteld aan de instelling van een rechtsvordering omdat de verjaring wordt geschorst door die indiening. De uit de indiening van het verzoek om rechtsbijstand voortvloeiende schorsing van de verjaring heeft namelijk enkel tot doel ervoor te zorgen dat het recht om in rechte op te treden van personen die over ontoereikende financiële middelen beschikken, wordt beschermd gedurende de periode die nodig is voor het nemen van de nodige stappen om deze middelen te verkrijgen. Met andere woorden, deze schorsende werking is mijns inziens in een dergelijke situatie vereist ter waarborging van de gelijke behandeling van personen met betrekking tot hun mogelijkheid om hun rechten in rechte te doen gelden.
78. Volledigheidshalve zij erop gewezen dat het juist is dat de rechter naar Duits recht over de mogelijkheid beschikt om de partijen na de indiening van een verzoek om rechtsbijstand voor een hoorzitting op te roepen indien een schikking kan worden bereikt. Tenzij een dergelijke procedure verplicht is(50), wat naar Duits recht niet het geval lijkt te zijn, kan zij echter niet dienen om de gevolgen van de procedure tot verlening van rechtsbijstand gelijk te stellen aan die van een „bodemprocedure”, aangezien de gebruikmaking ervan tot de discretionaire bevoegdheid van de rechter behoort.
79. Niettemin moet worden benadrukt dat het aan de nationale rechter is om te beoordelen of een dergelijke uitlegging moet worden gegeven aan zijn nationale recht, aangezien het Hof volgens vaste rechtspraak niet bevoegd is om het nationale recht van een lidstaat uit te leggen.(51)
80. Tot slot, voor zover de verwijzende rechter van het Hof wenst te vernemen welke gevolgen de kwalificatie van dit verzoek om rechtsbijstand inhoudt voor de vraag of de zaak bij hem is aangebracht en of zijn bevoegdheid vaststaat, moet in herinnering worden gebracht dat het volgens vaste rechtspraak uitsluitend de zaak is van de nationale rechter bij wie het hoofdgeding aanhangig is en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt.(52) Zonder vooruit te willen lopen op de kwestie van de internationale bevoegdheid van de verwijzende rechter, stel ik derhalve voor om de prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt.
81. Ik ben van mening dat de in de onderhavige zaak door de verwijzende rechter aan het Hof gestelde prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord, in die zin dat een verzoek om rechtsbijstand waarbij enkel het ontwerp is gevoegd van het wijzigingsverzoek betreffende onderhoudsverplichtingen dat in geval van verlening van die bijstand formeel zal worden ingediend, geen „gelijkwaardig stuk” in de zin van artikel 9, onder a), van verordening nr. 4/2009 vormt.
IV. Conclusie
82. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vraag van het Amtsgericht Schleswig te beantwoorden als volgt:
„Een verzoek om rechtsbijstand waarbij enkel het ontwerp is gevoegd van het wijzigingsverzoek betreffende onderhoudsverplichtingen dat in geval van verlening van die bijstand formeel zal worden ingediend, vormt geen ‚gelijkwaardig stuk’ in de zin van artikel 9, onder a), van verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen.”
1 Oorspronkelijke taal: Frans.
i Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
2 Verordening van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (PB 2009, L 7, blz. 1; met rectificaties in PB 2011, L 131, blz. 26, en PB 2013, L 8, blz. 19).
3 In deze conclusie wordt met de term „rechtsbijstand” ook gedoeld op de bijstand in de gerechtskosten in de zin van de relevante bepalingen van het nationale recht, waaraan de verwijzende rechter refereert in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing.
4 Dit protocol is opgenomen in de bijlage bij besluit 2009/941/EG van de Raad van 30 november 2009 betreffende de sluiting door de Europese Gemeenschap van het Protocol van Den Haag van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen (PB 2009, L 331, blz. 17; hierna: „Haags Protocol van 2007”).
5 Verordening van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1).
6 Op 27 september 1968 te Brussel ondertekend Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij de achtereenvolgende verdragen betreffende de toetreding van nieuwe lidstaten tot dit verdrag. In dit verband zij eraan herinnerd dat verordening nr. 4/2009, waarover de verwijzende rechter om uitlegging vraagt, blijkens artikel 68, lid 1, en artikel 75, lid 2, ervan op het gebied van onderhoudsverplichtingen in de plaats is getreden van verordening nr. 44/2001 die zelf, in de betrekkingen tussen de lidstaten, in de plaats is gekomen van het Verdrag van Brussel.
7 Arrest van 13 juli 1995, Hengst Import (C‑474/93, EU:C:1995:243, punt 19; hierna: „arrest Hengst Import”).
8 Arrest van 16 juni 1981, Klomps (166/80, EU:C:1981:137, punt 9).
9 Arrest Hengst Import, punten 20 en 21.
10 Arrest van 16 juni 1981, Klomps (166/80, EU:C:1981:137, punt 9).
11 Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Lugano op 30 oktober 2007, namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2009/430/EG van de Raad van 27 november 2008 (PB 2009, L 147, blz. 5; hierna: „Lugano II-Verdrag”).
12 Zie arrest van 30 maart 2023, PT (Bevel tot betaling naar Zwitsers recht) (C‑343/22, EU:C:2023:276, punt 35).
13 Arrest van 20 december 2017 (C‑467/16, EU:C:2017:993; hierna: „arrest Schlömp”).
14 Afdeling 9 van het Lugano II-Verdrag, met als opschrift „Aanhangigheid en samenhang”, bevat artikel 27. Lid 2 van dat artikel bepaalt dat „[w]anneer de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat, verklaart het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zich onbevoegd”. Artikel 30, lid 1, van dit verdrag bepaalt in wezen dat het tijdstip van aanhangigmaking van een zaak bij een gerecht samenvalt met het „tijdstip waarop het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk bij het gerecht wordt ingediend, mits de eiser vervolgens niet heeft nagelaten te doen wat hij met het oog op de betekening of de kennisgeving van het stuk aan de verweerder moest doen”.
15 In dit verband moet erop worden gewezen dat het Hof in de punten 41 en 42 van het arrest Schlömp heeft verduidelijkt dat verordening nr. 4/2009, zoals blijkt uit artikel 68, lid 1, daarvan, verordening nr. 44/2001 wijzigt door de bepalingen van laatstgenoemde verordening inzake onderhoudsverplichtingen te vervangen. Voor zover artikel 64, lid 1, van het Lugano II-Verdrag het heeft over de wijzigingen van verordening nr. 44/2001, moet dit aldus worden begrepen dat het ook ziet op verordening nr. 4/2009 waarvan in de onderhavige zaak om uitlegging wordt verzocht.
16 Punten 47‑58 van het arrest Schlömp.
17 Arrest van 4 mei 2017 (C‑29/16, EU:C:2017:343; hierna: „arrest HanseYachts”).
18 Punt 20 van het arrest HanseYachts.
19 Meer bepaald werd het Hof verzocht om uitlegging van artikel 30 van verordening nr. 44/2001 met betrekking tot het tijdstip waarop een gerecht wordt geacht te zijn aangezocht, waarbij dit artikel in dezelfde bewoordingen is gesteld als artikel 9, onder a), van verordening nr. 4/2009.
20 Namelijk de problemen te verhelpen die voortvloeien uit de tussen de lidstaten bestaande verschillen ten aanzien van de datum waarop een zaak als aanhangig wordt beschouwd, waarbij die datum autonoom moet worden bepaald, en aldus de juridische onzekerheden te beperken als gevolg van de grote verscheidenheid van de in de lidstaten bestaande instrumenten ter bepaling van het tijdstip waarop een gerecht is aangezocht. Volgens het Hof wordt met dit artikel beoogd om het tijdstip waarop een gerecht is aangezocht op eenvoudige en eenvormige wijze te kunnen laten bepalen (zie de punten 30 en 35 van het arrest HanseYachts).
21 Dictum van het arrest HanseYachts.
22 De omstandigheid dat de wederpartij dit niet heeft gedaan, kan daarentegen niets veranderen aan de kwalificatie van dit stuk, aangezien de uitoefening van dit procedurele recht afhangt van haar wil om dat te doen.
23 In verband met de situatie die in het arrest Hengst Import aan de orde was, kan het voorbeeld worden aangehaald van het decreto ingiuntivo, waarvan werd geoordeeld dat het op zich een eenvoudig formulier is dat niet zonder het verzoekschrift kan worden begrepen. Omgekeerd kan de wederpartij aan de hand van de betekening van het verzoekschrift zonder het decreto ingiuntivo niet achterhalen of de rechter het verzoek heeft ingewilligd dan wel afgewezen. Bijgevolg werden beide documenten tezamen aangemerkt als het stuk dat het geding inleidt (punt 20 van dat arrest).
24 Zie in die zin en naar analogie arrest van 21 mei 1980, Denilauler (125/79, EU:C:1980:130, punt 13).
25 Zoals het geval was voor een bemiddelingsprocedure op tegenspraak die in beginsel verplicht is naar Zwitsers recht en waarvan het niet volgen tot gevolg heeft dat een eventuele latere vordering in rechte niet-ontvankelijk is (zie arrest Schlömp, punt 53).
26 Arrest van 18 december 2014, Sanders en Huber (C‑400/13 en C‑408/13, EU:C:2014:2461, punt 24).
27 Artikel 12, lid 1, van verordening nr. 4/2009.
28 Gaudemet-Talon, H., „Les conditions de régularité de la décision étrangère”, in Compétence et exécution des jugements en Europe, 7e druk, LGDJ, Paris-La Défense, 2024. Bovendien zij erop gewezen dat de uitdrukking „gelijkwaardig stuk" voor het allereerst is gebruikt in het Verdrag van Brussel, meer bepaald sinds de toetreding van Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot dit verdrag in 1978, teneinde rekening te houden met de bijzondere procedurele kenmerken van deze common law-landen. Tegen die achtergrond mag het begrip „gelijkwaardig stuk” niet afdwalen van het begrip „stuk dat het geding inleidt’, maar moet het veeleer een soortgelijke betekenis worden toegedicht.
29 Zie in die zin en naar analogie Law, St., „Article 32”, in Requejo Isidro, M. (red.), Brussels I bis: a commentary on Regulation (EU) n o 1215/2012, Edward Elgar Publishing, Cheltenham, 2022, blz. 500‑505.
30 Het spreekt voor zich dat, voor zover dat wel degelijk de doelstelling is van de partij die het beroep heeft ingesteld, het geding ook kan worden afgedaan met een afwijzing van haar vorderingen.
31 Dit artikel is opgenomen in afdeling 1 („Beslissingen gegeven in lidstaten die door het Haagse Protocol van 2007 gebonden zijn”) van hoofdstuk IV („Erkenning, uitvoerbaarheid en tenuitvoerlegging van beslissingen”).
32 Dit artikel is opgenomen in afdeling 2 van dit hoofdstuk IV, met als opschrift „Beslissingen gegeven in een niet door het Haagse Protocol van 2007 gebonden lidstaat”.
33 Overwegingen 31, 33 en 45 van verordening nr. 4/2009 en arrest van 9 februari 2017, S. (C‑283/16, EU:C:2017:104, punt 33).
34 Overweging 15 van verordening nr. 4/2009.
35 Zie in die zin en naar analogie arrest van 14 december 2006, ASML (C‑283/05, EU:C:2006:787, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36 Arrest van 18 december 2014, Sanders en Huber (C‑400/13 en C‑408/13, EU:C:2014:2461, punt 23).
37 Zie in dit verband de voetnoten 6 en 15 van deze conclusie.
38 Zie bijvoorbeeld arresten van 2 mei 2019, Pillar Securitisation (C‑694/17, EU:C:2019:345, punt 27), en 30 september 2021, Commerzbank (C‑296/20, EU:C:2021:784, punt 33). Meer in het algemeen geldt de uitlegging die het Hof heeft gegeven aan de bepalingen van een van deze rechtsinstrumenten ook voor die van de andere rechtsinstrumenten, voor zover deze bepalingen als „gelijkwaardig” kunnen worden beschouwd (arrest van 6 juni 2024, Geterfer, C‑381/23, EU:C:2024:467, punt 24).
39 Zie de preambule van het Verdrag van Brussel, de preambule van het Lugano II-Verdrag en overweging 6 van verordening nr. 44/2001. In dit verband zij opgemerkt dat verordening nr. 4/2009, ter bereiking van de in punt 50 van deze conclusie genoemde hoofddoelstellingen ervan, noodzakelijkerwijs tot doel heeft om het vrije verkeer van beslissingen in burgerlijke zaken te verzekeren en deze doelstelling dus deelt met de andere rechtsinstrumenten waaraan uitlegging is gegeven in de in de punten 31 tot en met 39 van deze conclusie aangehaalde rechtspraak.
40 Zie het voorstel voor een verordening van de Commissie [COM(2005) 649]. In dit verband zij erop gewezen dat de commissie Juridische Zaken van het Europees Parlement in de aanloop naar de vaststelling van verordening nr. 4/2009 had voorgesteld om artikel 9 ervan te schrappen, omdat het vrijwel letterlijk overeenkwam met het oude artikel 30 van verordening nr. 44/2001 en dus overbodig was. Hoewel dit amendement was overgenomen in de wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 december 2007, is het echter niet gehandhaafd in de definitieve versie van deze verordening. Dit duidt dan ook op een zeer nauwe correlatie tussen beide rechtsinstrumenten, hetgeen rechtvaardigt dat de uitlegging van het eerste instrument en de daaruit te trekken lessen in beginsel overeenkomstig gelden voor het tweede instrument.
41 § 114, lid 1, ZPO.
42 § 117, lid 1, ZPO.
43 § 118, lid 1, ZPO.
44 De Duitse regering heeft ter terechtzitting benadrukt dat de „bodemprocedure” in geval van toekenning van rechtsbijstand beperkt zou blijven tot de in het verzoek om rechtsbijstand uiteengezette elementen. In dit verband begrijp ik ook wel dat wanneer er rechtsbijstand wordt verleend met het oog op een voorgenomen vordering betreffende onderhoudsverplichtingen, deze rechtsbijstand niet kan worden aangewend voor het instellen van een vordering op het gebied van, pakweg, milieubescherming. Zou deze beperking echter ook gelden voor in het verzoekschrift opgenomen extra vorderingen of wijzigingen van schuldenaren of andere gegevens ten opzichte van het ontwerp houdende uiteenzetting van het wijzigingsverzoek betreffende onderhoudsverplichtingen dat is gevoegd bij het verzoek om rechtsbijstand, wanneer de onderhoudsgerechtigde van mening is dat hij een grotere kans van slagen heeft door deze wijzigingen bij het inleiden van de „bodemprocedure” toe te voegen? Ik betwijfel dat dit het geval is. Mocht nu het verzoek om rechtsbijstand, waarbij het wijzigingsverzoek betreffende onderhoudsverplichtingen – dat in geval van verlening van die bijstand formeel zal worden ingediend – slechts als ontwerp is gevoegd, worden aangemerkt als een stuk dat gelijkwaardig is met een stuk dat het geding inleidt, hoe moeten die wijzigingen dan worden behandeld? Worden zij in dat geval beschouwd als een aanpassing van dat stuk? Zo ja, hoe moet er dan mee worden omgegaan in de „bodemprocedure”? Dit zijn slechts enkele voorbeelden van de praktische problemen die zouden rijzen bij de kwalificatie van het verzoek om rechtsbijstand als een stuk dat „gelijkwaardig” is met een stuk dat het geding inleidt.
45 Algemeen beschouwd kan de vraag worden gesteld of er in een dergelijke procedure betreffende een verzoek om rechtsbijstand echt sprake kan zijn van een wederpartij, aangezien er jegens die partij geen vordering is ingesteld. Zelfs als in het kader van een procedure tot toewijzing van een verzoek om rechtsbijstand rekening wordt gehouden met de toekomstige wederpartij, dan nog verleent deze hoedanigheid haar mijns inziens geen enkel procedureel recht waarmee zij in de buurt komt van een werkelijke verwerende partij in een „bodemprocedure” op tegenspraak.
46 Zo kan hij bijvoorbeeld beslissen om een minnelijke schikking te treffen of om eenvoudigweg af te zien van een vordering.
47 In dit verband zij opgemerkt dat verordening nr. 4/2009 voorziet in alternatieve bevoegdheidscriteria, zoals blijkt uit het gebruik van het nevenschikkend voegwoord „of” na de beschrijving van elk criterium in artikel 3 van genoemde verordening [arrest van 17 september 2020, Landkreis Harburg (Subrogatie van een openbaar lichaam in de rechten van de onderhoudsgerechtigde) (C‑540/19, EU:C:2020:732, punt 29)], alsook in niet-hiërarchische bevoegdheidscriteria [arrest van 5 september 2019, R (Bevoegdheid inzake onderhoudsverplichtingen) (C‑468/18, EU:C:2019:666, punt 45)]. Deze criteria bieden de onderhoudsgerechtigde, wanneer hij optreedt als verzoeker, dus de mogelijkheid om zijn vordering betreffende een onderhoudsverplichting in te stellen op basis van verschillende bevoegdheidsgronden, die met name zijn opgesomd in artikel 3, onder a) en b), van deze verordening, te weten hetzij bij het gerecht van de plaats waar de verweerder zijn gewone verblijfplaats heeft, hetzij bij het gerecht van de plaats waar hij zelf zijn gewone verblijfplaats heeft. Het belang van deze keuzemogelijkheid voor de bescherming van de onderhoudsgerechtigde weerspiegelt bovendien het Haagse Protocol van 2007, waarmee verordening nr. 4/2009 volgens het Hof een nauwe samenhang vertoont (arrest van 7 juni 2018, KP, C‑83/17, EU:C:2018:408, punt 49). Zo heeft het Hof voor recht verklaard dat dit protocol, door te bepalen dat de lex fori primair van toepassing kan zijn in plaats van het recht van de staat waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft, laatstgenoemde de facto toestaat het op zijn verzoek toepasselijke recht te kiezen wanneer hij zijn verzoek indient bij de bevoegde autoriteit van de staat waar de onderhoudsplichtige zijn gewone verblijfplaats heeft (zie in die zin arrest van 20 september 2018, Mölk, C‑214/17, EU:C:2018:744, punten 31 en 32).
48 In het licht van de uiteenzettingen ter terechtzitting lijkt het niet uitgesloten dat deze bijzonderheid strikt eigen is aan het Duitse recht. Voor zover ik weet, betreft dit echter een hoogst uitzonderlijke situatie in de rechtsstelsels van de lidstaten in hun geheel beschouwd. In ieder geval doet dit mijns inziens niet af aan het feit dat het aan de lidstaten is om binnen hun nationale rechtsstelsels de doeltreffendheid te verzekeren van de door de verordeningen van de Unie nagestreefde doelstellingen.
49 Zo zou ook worden gewaarborgd dat verordening nr. 4/2009 ten uitvoer wordt gelegd in overeenstemming met artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat bepaalt dat de belangen van het kind bij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, een essentiële overweging moeten vormen (zie in die zin en naar analogie arrest van 16 juli 2015, A, C‑184/14, EU:C:2015:479, punt 46).
50 Zie naar analogie de verplichte bemiddelingsprocedure die in het arrest Schlömp aan de orde was.
51 Punt 34 van het arrest HanseYachts.
52 Punt 24 van het arrest HanseYachts.