Voorlopige editie
CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
T. ĆAPETA
van 3 juli 2025 (1)
Zaak C‑291/24
Steiermärkische Bank und Sparkassen AG,
KL,
TR
tegen
Österreichische Finanzmarktaufsichtsbehörde (FMA)
[verzoek van het Bundesverwaltungsgericht (federale bestuursrechter in eerste aanleg, Oostenrijk) om een prejudiciële beslissing]
„ Prejudiciële verwijzing – Voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering – Richtlijn (EU) 2015/849 – Artikelen 58, 59 en 60 – Oplegging van sancties aan een rechtspersoon – Nationale wetgeving waarbij een verband wordt gelegd tussen de aansprakelijkheid van een rechtspersoon en de aansprakelijkheid van een geïdentificeerde natuurlijke persoon – Verjaringstermijnen – Doeltreffendheidsbeginsel ”
I. Inleiding
1. De onderhavige zaak vloeit voort uit een verzoek om een prejudiciële beslissing van het Bundesverwaltungsgericht (federale bestuursrechter in eerste aanleg, Oostenrijk) betreffende de uitlegging van de bepalingen van richtlijn (EU) 2015/849(2) inzake de bestrijding van witwassen.
2. De kernvraag is of het opleggen van sancties aan een rechtspersoon wegens schending van verplichtingen inzake de bestrijding van witwassen afhankelijk kan worden gesteld van de vaststelling van de aansprakelijkheid van een geïdentificeerde natuurlijke persoon.
II. Hoofdgeding, prejudiciële vraag en procedure bij het Hof
3. Steiermärkische Bank und Sparkassen AG (hierna: „Steiermärkische Bank”) is een Oostenrijkse bank.
4. Bij beschikking van 29 februari 2024 heeft de Österreichische Finanzmarktaufsichtsbehörde (autoriteit financiële markten, Oostenrijk; hierna: „FMA”) aan Steiermärkische Bank als rechtspersoon een sanctie opgelegd wegens schending van due diligence-verplichtingen in de zin van het Finanzmarkt-Geldwäschegesetz (wet op de financiële markten ter bestrijding van witwassen; hierna: „FM-GwG”) van 15 september 2017 tot 11 oktober 2019.
5. Tegen deze beschikking heeft de Steiermärkische Bank samen met twee natuurlijke personen, KL en TR, beroep ingesteld bij het Bundesverwaltungsgericht, de verwijzende rechter in de onderhavige zaak.
6. De verwijzende rechter legt uit dat de mogelijkheid om sancties op te leggen aan een rechtspersoon vreemd was aan het Oostenrijkse recht. Het FM-GwG, waarbij richtlijn 2015/849 is omgezet, heeft de mogelijkheid geïntroduceerd om sancties op te leggen aan rechtspersonen. Volgens § 35, leden 1 en 2, FM-GwG, gelezen in samenhang met de rechtspraak van het Verwaltungsgerichtshof (hoogste bestuursrechter, Oostenrijk)(3), kan een rechtspersoon echter alleen worden bestraft indien de inbreuk door de natuurlijke persoon, die bij naam moet worden genoemd, vooraf is vastgesteld en vervolgens aan deze rechtspersoon is toegerekend.
7. In dit verband is het volgens de verwijzende rechter nodig dat, ten eerste, de natuurlijke persoon wiens handelen aan de rechtspersoon moet worden toegerekend, voordien in de procedure betrokken was als verdachte, dat wil zeggen als een partij met alle rechten en niet louter als getuige; ten tweede, de strafbare, onrechtmatige en verwijtbare handeling van de geïdentificeerde natuurlijke persoon is vastgesteld in het deel van de sanctiebeschikking waarin de beslissing is opgenomen, en ten derde, deze handeling in de beschikking ook is toegerekend aan deze rechtspersoon.(4)
8. De verwijzende rechter vraagt zich af of de vereisten van § 35, leden 1 en 2, FM-GwG, die de aansprakelijkheid van een rechtspersoon koppelen aan de aansprakelijkheid van een geïdentificeerde natuurlijke persoon, in strijd zijn met richtlijn 2015/849. Deze rechter wijst erop dat deze bepaling artikel 60, leden 5 en 6, van richtlijn 2015/849 bijna woordelijk in Oostenrijks recht omzet, met één belangrijke toevoeging, namelijk een verwijzing naar § 34, leden 1 tot en met 3, FM-GwG. Gelezen in samenhang met de rechtspraak van het Verwaltungsgerichtshof volgt hieruit het vereiste dat de schuld van de geïdentificeerde natuurlijke persoon moet worden vastgesteld. Dit vereiste komt volgens de verwijzende rechter niet voor in artikel 60, leden 5 en 6, van richtlijn 2015/849.
9. Bovendien twijfelt deze rechter of de verjaringstermijnen van § 36 FM-GwG, volgens welke de procedure voor het opleggen van administratieve sancties binnen drie jaar na het begaan van de strafbare handeling moet worden ingeleid en binnen vijf jaar moet worden afgesloten, in overeenstemming zijn met het Unierecht.
10. De verwijzende rechter zet uiteen dat het gevolg van deze vereisten is dat fouten in de procedure tegen de natuurlijke persoon die namens de rechtspersoon heeft gehandeld, zoals het feit dat de betrokkene alleen als getuige is gehoord en niet als partij, ertoe leiden dat de procedure tegen de rechtspersoon wordt beëindigd of de zaak wordt afgesloten. Hetzelfde geldt van rechtswege wanneer de procedure niet binnen de verjaringstermijn van drie jaar door de FMA is ingesteld en wanneer de beroepsprocedure, die vaak zeer complex is, niet binnen de verjaringstermijn van vijf jaar na de datum van de overtreding voor de administratieve rechtbank is afgerond.
11. Volgens de verwijzende rechter zijn de betrokken Oostenrijkse regels niet louter een procedurele regeling, maar stellen zij in feite bijkomende eisen voor de aansprakelijkheid van rechtspersonen, die het materiële Unierecht beperken, de eenvormigheid binnen de Europese Unie ondermijnen en het doeltreffendheidsbeginsel schenden. De verwijzende rechter vraagt zich af of het arrest van 5 december 2023, Deutsche Wohnen (C‑807/21, EU:C:2023:950)(5), waarin het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat een soortgelijke opvatting van de aansprakelijkheid van rechtspersonen in het Duitse recht door de bepalingen van de AVG(6) wordt uitgesloten, op de onderhavige zaak kan worden overgedragen.
12. In die omstandigheden heeft het Bundesverwaltungsgericht de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
„Verzetten het secundaire Unierecht, met name artikel 60, leden 5 en 6, juncto artikel 58, leden 1 tot en met 3, juncto artikel 59, lid 1, van [richtlijn 2015/849], en de algemene rechtsbeginselen van de Europese Unie (met name het effet utile)
zich tegen de bepalingen van § 35, leden 1 tot en met 3 (inzake de strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen), en § 36 (verlenging van de verjaringstermijn) van het [FM-GwG],
die, in samenhang met de uitlegging van deze bepalingen door het Verwaltungsgerichtshof (hoogste bestuursrechter, Oostenrijk) (VwGH), vereisen dat het, om een rechtspersoon te bestraffen, dwingend noodzakelijk is dat eerst aan een natuurlijke persoon die als orgaan een rechtspersoon vertegenwoordigt of een andere natuurlijke persoon die namens de rechtspersoon heeft gehandeld, de formele partijstatus van verdachte wordt verleend (met strikte waarborging van alle rechten van partijen), en het bovendien dwingend noodzakelijk is dat in het deel van de administratieve sanctiebeschikking (Straferkenntnis) waarin de beslissing is opgenomen, wordt vastgesteld dat de daarin concreet te noemen natuurlijke persoon (al dan niet als orgaan van de rechtspersoon) strafbaar, onrechtmatig en verwijtbaar heeft gehandeld, om deze gedraging vervolgens toe te rekenen aan de rechtspersoon, waarbij de verjaringstermijn voor de vervolging drie jaar is vanaf de datum van het strafbare feit en de verjaringstermijn voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid vijf jaar?”
13. Steiermärkische Bank, KL, TR, de FMA en de Europese Commissie hebben bij het Hof van Justitie schriftelijke opmerkingen ingediend.
14. Op 9 april 2025 heeft een terechtzitting plaatsgevonden, waar deze belanghebbenden en de Duitse regering pleidooi hebben gehouden.
III. Analyse
15. De prejudiciële vraag van de verwijzende rechter heeft betrekking op twee verschillende kwesties. De eerste kwestie betreft de koppeling die in het Oostenrijkse recht wordt gemaakt tussen de aansprakelijkheid van een rechtspersoon en die van een geïdentificeerde natuurlijke persoon. De verwijzende rechter vraagt het Hof in wezen of artikel 60, leden 5 en 6, van richtlijn 2015/849, gelezen in samenhang met artikel 58, leden 1 tot en met 3, en artikel 59, lid 1, daarvan, zich verzet tegen deze Oostenrijkse wettelijke regeling. De tweede kwestie betreft de verenigbaarheid met het Unierecht van de verjaringstermijnen voor het opleggen van sancties aan een rechtspersoon wegens inbreuken op de nationale regeling ter omzetting van richtlijn 2015/849. In mijn analyse zal ik achtereenvolgens op elk van deze beide kwesties ingaan.
A. De aansprakelijkheid van rechtspersonen krachtens richtlijn 2015/849
16. Richtlijn 2015/849 is de vierde richtlijn inzake de bestrijding van witwassen die de Uniewetgever in de loop der jaren heeft vastgesteld.(7) Net als de vorige drie richtlijnen heeft deze richtlijn tot doel het financiële stelsel te beschermen door middel van preventie, opsporing en onderzoek van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme.(8) Om dit doel te bereiken heeft zij onder meer een aantal verplichtingen vastgesteld die de lidstaten moeten opleggen aan bepaalde personen, de zogenoemde meldingsplichtige entiteiten, waaronder kredietinstellingen en financiële instellingen.(9) Deze verplichtingen omvatten cliëntenonderzoek, rapportage van verdachte transacties, bewaring van bewijsstukken en het invoeren van interne controles.(10)
17. Volgens artikel 58, lid 1, van richtlijn 2015/849 moeten lidstaten ervoor zorgen dat meldingsplichtige entiteiten aansprakelijk kunnen worden gesteld voor schendingen van de bepalingen waarbij deze verplichtingen in nationaal recht zijn omgezet, en dienen zij bijgevolg te voorzien in de oplegging van administratieve sancties. Richtlijn 2015/849 vereist niet dat strafrechtelijke sancties worden opgelegd, maar staat toe dat lidstaten hierin voorzien.(11)
18. Vóór de vaststelling van richtlijn 2015/849 werd de keuze van administratieve sancties aan de lidstaten overgelaten.(12) Bij deze richtlijn worden deze sancties tot op zekere hoogte geharmoniseerd(13), maar de lidstaten hebben de mogelijkheid om aanvullende en strengere sancties op te leggen(14).
19. De meldingsplichtige entiteiten die aan administratieve sancties worden onderworpen, kunnen natuurlijke of rechtspersonen zijn.
20. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat rechtspersonen aansprakelijk kunnen worden gesteld voor inbreuken op de nationale wettelijke regeling ter omzetting van de verplichtingen krachtens richtlijn 2015/849.
21. In dit verband bepaalt artikel 60, leden 5 en 6, het volgende:
„5. De lidstaten zorgen ervoor dat rechtspersonen aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de in artikel 59, lid 1, bedoelde inbreuken wanneer die tot hun voordeel zijn gepleegd door personen die individueel of als lid van een orgaan van die rechtspersoon handelen en die binnen de rechtspersoon een leidende functie bekleden op grond van:
a) de bevoegdheid om de rechtspersoon te vertegenwoordigen;
b) de bevoegdheid om namens de rechtspersoon beslissingen te nemen, of
c) de bevoegdheid om binnen de rechtspersoon zeggenschap uit te oefenen.
6. De lidstaten zorgen er eveneens voor dat een rechtspersoon aansprakelijk kan worden gesteld wanneer, als gevolg van gebrekkig toezicht of gebrekkige controle door een in lid 5 van dit artikel bedoelde persoon, een van de in artikel 59, lid 1, bedoelde inbreuken ten voordele van de rechtspersoon kon worden gepleegd door een persoon die onder diens gezag staat.”(15)
22. Zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing en uit de opmerkingen van de belanghebbenden voor het Hof, vloeit de in de onderhavige zaak gestelde prejudiciële vraag voort uit de bijzondere benadering die in het Oostenrijkse recht is ontwikkeld met betrekking tot het opleggen van administratieve sancties aan rechtspersonen.
23. Uit de verwijzingsbeslissing heb ik begrepen dat de Oostenrijkse wet waarbij richtlijn 2015/849 is omgezet, zoals uitgelegd in de rechtspraak van het Verwaltungsgerichtshof, in wezen bepaalt dat sancties aan een rechtspersoon alleen kunnen worden opgelegd via de tussenschakel van een natuurlijke persoon. In de procedure tegen de rechtspersoon moet aan de volgende vereisten zijn voldaan:
1) De natuurlijke persoon wiens handeling aan de rechtspersoon moet worden toegerekend, wordt in de procedure tegen de rechtspersoon geïdentificeerd en behandeld als partij, en niet louter als getuige.
2) De handeling van de specifiek geïdentificeerde natuurlijke persoon wordt vastgesteld in het deel van de administratieve sanctiebeschikking waarin de beslissing is opgenomen.
3) Diezelfde handeling wordt in het deel van de beschikking waarin de beslissing is opgenomen, ook aan de rechtspersoon toegerekend.
24. De verwijzende rechter lijkt van mening dat door het koppelen van de aansprakelijkheid van een rechtspersoon aan die van een geïdentificeerde natuurlijke persoon die verantwoordelijkheid voor de rechtspersoon draagt, voorwaarden worden toegevoegd aan die van artikel 60, leden 5 en 6, van richtlijn 2015/849 en die koppeling daarom in strijd met deze richtlijn kan zijn.
25. Steiermärkische Bank, KL en TR voeren aan dat de betrokken Oostenrijkse regeling niet door richtlijn 2015/849 wordt uitgesloten. Volgens hen blijkt uit de bewoordingen, de opzet, het doel en de voorgeschiedenis van deze richtlijn dat het voor het opleggen van een sanctie aan een rechtspersoon noodzakelijk is dat specifieke leidinggevende personen en hun onrechtmatige gedrag worden geïdentificeerd.
26. De FMA stelt daarentegen dat de betrokken Oostenrijkse regeling door richtlijn 2015/849 wordt uitgesloten. Volgens de FMA legt deze regeling, door te vereisen dat de natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor de inbreuk, wordt geïdentificeerd, bijkomende materiële voorwaarden op aan de aansprakelijkheid van rechtspersonen, die de doeltreffendheid en de afschrikkende werking van sancties ondermijnen. Moeilijkheden bij het identificeren van de specifieke natuurlijke persoon die verantwoordelijk is, mogen niet verhinderen dat de inbreuk aan de rechtspersoon wordt toegeschreven.
27. Net als Steiermärkische Bank, KL en TR stelt de Commissie dat de betrokken Oostenrijkse regeling niet door richtlijn 2015/849 wordt uitgesloten, ook al wordt in die regeling vereist dat de schuld van een natuurlijke persoon wordt vastgesteld. Volgens haar is dit niet in strijd met artikel 60, leden 5 en 6, van deze richtlijn. Aangezien volgens deze bepaling een rechtspersoon aansprakelijk kan worden gesteld voor inbreuken begaan door leidinggevende personen, moet niet alleen het objectieve feit van de door de leidinggevende persoon begane inbreuk, maar ook de schuld van deze persoon worden vastgesteld om de rechtspersoon aansprakelijk te kunnen stellen voor deze inbreuk.
28. De Duitse regering voegt hieraan toe dat de in artikel 60, leden 5 en 6, van richtlijn 2015/849 uiteengezette benadering van de aansprakelijkheid van rechtspersonen op basis van handelingen van leidinggevende personen ook op andere gebieden van het Unierecht wordt aangetroffen, met name in Unieregelgeving tot harmonisatie van het strafrecht, waarin de aansprakelijkheid van een rechtspersoon wordt gekoppeld aan onrechtmatige gedragingen van een leidinggevende persoon.
29. Om te beginnen blijkt uit de bewoordingen en de structuur van richtlijn 2015/849 dat deze richtlijn ertoe strekt niet alleen aan natuurlijke personen, maar ook aan rechtspersonen verplichtingen op te leggen, en dat administratieve sancties wegens niet-nakoming van deze verplichtingen aan rechtspersonen als zodanig moeten kunnen worden opgelegd.
30. Voor het geval een verplichting betrekking heeft op een rechtspersoon, zoals een bank, maakt richtlijn 2015/849 een duidelijk onderscheid tussen de aansprakelijkheid van de rechtspersoon zelf en die van de natuurlijke personen binnen die rechtspersoon. Zo bepaalt artikel 58, lid 3, van deze richtlijn dat, indien er verplichtingen voor rechtspersonen gelden, de lidstaten er bovendien voor moeten zorgen dat sancties kunnen worden toegepast op de leden van het leidinggevend orgaan en op andere natuurlijke personen die op grond van het nationale recht verantwoordelijk zijn voor de inbreuk.(16)
31. Ook wanneer de betrokken meldingsplichtige entiteit een krediet- of financiële instelling is, maken de regels van richtlijn 2015/849 met betrekking tot het bedrag van boeten onderscheid tussen een rechtspersoon en een natuurlijke persoon.(17)
32. Richtlijn 2015/849 maakt weliswaar een onderscheid tussen de aansprakelijkheid van respectievelijk natuurlijke personen en rechtspersonen, maar bepaalt niettemin dat de lidstaten administratieve sancties opleggen aan een rechtspersoon via de tussenschakel van een leidinggevende natuurlijke persoon binnen die rechtspersoon.
33. Krachtens artikel 60, lid 5, van die richtlijn is een rechtspersoon aansprakelijk wanneer de inbreuk is gepleegd door een natuurlijke persoon die individueel of als lid van een orgaan van deze rechtspersoon handelt en die een leidende positie bekleedt omdat hij bevoegd is die rechtspersoon te vertegenwoordigen, in zijn naam beslissingen te nemen of binnen diezelfde rechtspersoon zeggenschap uit te oefenen.
34. Verder kan elk van deze leidinggevende natuurlijke personen krachtens artikel 60, lid 6, van richtlijn 2015/849 aansprakelijkheid van een rechtspersoon scheppen indien iemand anders binnen deze rechtspersoon een verplichting niet is nagekomen, maar de leidinggevende persoon dat mogelijk heeft gemaakt door een gebrek aan toezicht of controle.
35. Van belang is dus dat de rechtspersoon kan worden bestraft voor elke schending van zijn verplichtingen die binnen deze rechtspersoon plaatsvindt. Dat betekent bijvoorbeeld dat, zelfs indien een werknemer in de praktijk verantwoordelijk is voor de schending van een concrete verplichting, dit moet leiden tot de aansprakelijkheid van de rechtspersoon, ook al ontstaat deze aansprakelijkheid niet via deze werknemer, maar via een leidinggevende natuurlijke persoon.
36. Naar mijn mening vereist artikel 60, leden 5 en 6, van richtlijn 2015/849 zelfs niet dat de schuld van een leidinggevende natuurlijke persoon wordt vastgesteld. Het verzet er zich evenwel niet tegen dat in de nationale wet eisen met betrekking tot schuld worden opgenomen.
37. In het in punt 35 hierboven genoemde scenario kan bijvoorbeeld worden vastgesteld dat de rechtspersoon aansprakelijk is indien een leidinggevende natuurlijke persoon door nalatigheid de werknemer die de inbreuk heeft gepleegd, niet naar behoren heeft gecontroleerd.
38. Ter terechtzitting hebben Steiermärkische Bank, KL en TR erop gewezen dat er naar Oostenrijks recht een vermoeden van nalatigheid geldt in geval van niet-handelen van een leidinggevende natuurlijke persoon. De FMA onderschreef dat, maar voerde aan dat dit vermoeden geldt voor een bedrag van maximaal 60 000 EUR.
39. Het staat echter niet aan het Hof om in het kader van een prejudiciële procedure het nationale recht uit te leggen.
40. Naar mijn mening belet artikel 60, leden 5 en 6, van richtlijn 2015/849 de lidstaten niet om een bepaalde mate van schuld van een leidinggevende natuurlijke persoon te vereisen, mits in alle situaties waarin een inbreuk in de zin van deze richtlijn is gepleegd door iemand die onder het gezag van de rechtspersoon staat, de aansprakelijkheid van deze rechtspersoon kan worden vastgesteld.
41. In het licht van het bovenstaande komt het mij niet voor dat de betrokken Oostenrijkse wet, waarbij de aansprakelijkheid van een rechtspersoon wordt gekoppeld aan de aansprakelijkheid van een specifiek geïdentificeerde natuurlijke persoon die verantwoordelijkheid draagt in een meldingsplichtige entiteit, in strijd is met de vereisten van richtlijn 2015/849.
42. Het komt mij voor dat de eis dat de natuurlijke persoon wiens handeling aan de rechtspersoon moet worden toegeschreven, in de administratieve procedure tegen deze rechtspersoon moet worden behandeld als partij en niet louter als getuige, waarbij alle procedurele waarborgen gelden die uit een dergelijke status voortvloeien, geen probleem oplevert. Door gebruik te maken van zijn recht van verweer verdedigt de betrokken natuurlijke persoon ook de belangen van de rechtspersoon in een dergelijke procedure.
43. Ook de formele vereisten om in het deel van de administratieve beschikking waarin de beslissing is opgenomen, deze natuurlijke persoon bij naam te noemen, de schending van de verplichting te beschrijven en deze schending aan de rechtspersoon toe te schrijven, lijken niet in strijd met richtlijn 2015/849, die vereist dat administratieve sancties tegen een rechtspersoon mogelijk moeten zijn via de tussenschakel van een leidinggevende natuurlijke persoon.
44. Het staat evenwel aan de nationale rechter om te beslissen of bepaalde aspecten van het Oostenrijkse recht, ongeacht of zij in de wet zijn neergelegd of in de praktijk worden toegepast, een belemmering vormen voor de mogelijkheid om sancties op te leggen aan rechtspersonen.
45. Hoe dan ook kan een onjuiste toepassing van het Oostenrijkse recht in bepaalde situaties, zoals de behandeling van een betrokken natuurlijke persoon als getuige en niet als partij in een bepaalde zaak, niet tot de conclusie leiden dat dit recht zelf in strijd is met het Unierecht.
46. Verder ben ik niet van mening dat het arrest Deutsche Wohnen, dat door de verwijzende rechter wordt genoemd en door de belanghebbenden is besproken, mijn beoordeling ontkracht.
47. In dat arrest, waarin de AVG aan de orde was, heeft het Hof geoordeeld dat die verordening zich verzette tegen een Duitse regeling op grond waarvan een rechtspersoon alleen een administratieve geldboete kon worden opgelegd indien de inbreuk vooraf aan een geïdentificeerde natuurlijke persoon was toegerekend.(18)
48. Het Hof heeft met name geoordeeld dat geldboeten rechtstreeks moeten kunnen worden opgelegd aan rechtspersonen in hun hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke(19), en dat uit geen enkele bepaling van de AVG kan worden afgeleid dat voor de oplegging van een administratieve geldboete aan een rechtspersoon als verwerkingsverantwoordelijke de voorwaarde geldt dat tevoren is geconstateerd dat die inbreuk is begaan door een geïdentificeerde natuurlijke persoon.(20)
49. Anders dan de AVG bepaalt richtlijn 2015/849, zoals ik al heb uiteengezet, dat sancties aan een rechtspersoon worden opgelegd via de tussenschakel van een leidinggevende natuurlijke persoon.
50. De formule van artikel 60, leden 5 en 6, van deze richtlijn (hierna: „artikel 60-formule”) is gebruikt in een aantal Uniehandelingen waarbij de lidstaten worden verplicht ervoor te zorgen dat aan rechtspersonen een sanctie kan worden opgelegd.(21)
51. De keuze voor deze formule kan worden verklaard door de verschillen in aanpak van lidstaten ten aanzien van de aansprakelijkheid van rechtspersonen.
52. Deze verschillen weerspiegelen en combineren theoretische modellen, die in de literatuur(22) als volgt worden omschreven:
– het model van de aansprakelijkheid voor handelingen van anderen (ook bekend als, onder meer, respondeat superior), dat inhoudt dat een rechtspersoon aansprakelijk is voor inbreuken die worden gepleegd door personen die onder zijn gezag staan, zoals werknemers;
– het identificatiemodel (ook bekend als, onder meer, alter ego), dat inhoudt dat een rechtspersoon alleen aansprakelijk is voor inbreuken die worden gepleegd door personen die voldoende hoog in de hiërarchie van de rechtspersoon staan, zoals managers en werknemers met bepaalde verantwoordelijkheden;
– het aggregatiemodel, dat gericht is op het vaststellen van een collectieve verantwoordelijkheid van individuen binnen de rechtspersoon, in plaats van het identificeren van een individuele dader, en
– het organisatiemodel (ook bekend als, onder meer, de eigen-identiteitsdoctrine of bedrijfscultuur), dat gebaseerd is op de veronderstelling dat een rechtspersoon een mechanisme heeft om zijn eigen identiteit tot uitdrukking te brengen en dus aansprakelijk kan worden gesteld zonder dat er een verband wordt gelegd met het gedrag van een individuele persoon.
53. De artikel 60-formule lijkt deze verschillende theoretische benaderingen te incorporeren.(23) De mogelijkheid om de aansprakelijkheid van rechtspersonen te baseren op het handelen of nalaten van natuurlijke personen lijkt dus tegemoet te komen aan deze uiteenlopende nationale keuzen, waardoor de lidstaten niet verplicht worden om hun rechtsstelsels ingrijpend aan te passen teneinde de doelstellingen van de Unieregelgeving te verwezenlijken.
54. Er is andere Unieregelgeving die de artikel 60-formule niet bevat, met name in de financiëledienstensector.(24) Ter terechtzitting waren Steiermärkische Bank, KL en TR, en de FMA het niet eens over de vraag of deze wettelijke regeling vergelijkbaar was met richtlijn 2015/849, omdat zij de lidstaten discretionaire bevoegdheid laat met betrekking tot de modaliteiten van de aansprakelijkheid van rechtspersonen, dan wel met de AVG, omdat zij geen beoordelingsmarge laat, zoals uitgelegd in het arrest Deutsche Wohnen.
55. Voor de beslechting van het geschil in de onderhavige zaak is het niet nodig de Unieregelgeving inzake financiële diensten uit te leggen. Richtlijn 2015/849 regelt de aansprakelijkheid van rechtspersonen gewoon anders dan de AVG. Mogelijke overeenkomsten tussen deze regeling voor financiële diensten en de AVG zijn dus irrelevant voor de uitlegging van richtlijn 2015/849 in de onderhavige zaak.
56. In het licht van al het voorgaande ben ik van mening dat de bepalingen van richtlijn 2015/849 met betrekking tot de mogelijkheid om sancties op te leggen aan rechtspersonen zich niet verzetten tegen een nationale regeling als de onderhavige, die de aansprakelijkheid van een rechtspersoon koppelt aan de vaststelling van een verwijtbare handeling van een geïdentificeerde natuurlijke persoon met een leidende positie in de rechtspersoon.
B. Verjaringstermijnen waarin het nationale recht voorziet
57. De verwijzende rechter vraagt zich ook af of de verjaringstermijnen in het Oostenrijkse recht voor het opleggen van sancties aan rechtspersonen wegens schending van de verplichtingen inzake de bestrijding van witwassen in overeenstemming zijn met richtlijn 2015/849. Ter herinnering: deze termijnen zijn drie jaar voor het inleiden van een procedure en vijf jaar voor het afsluiten ervan.
58. Volgens vaste rechtspraak is het, bij gebreke van Unieregelgeving ter zake, een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat om de gedetailleerde procedureregels vast te stellen voor rechtsvorderingen ter bescherming van de rechten die justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, op voorwaarde dat deze regels niet ongunstiger zijn dan de regels die voor soortgelijke situaties naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten niet praktisch onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel).(25)
59. Het Hof heeft erkend dat het met het Unierecht verenigbaar is dat omwille van de rechtszekerheid redelijke verjaringstermijnen worden vastgesteld. Dergelijke termijnen maken het door hun aard namelijk niet praktisch onmogelijk of uiterst moeilijk om de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten uit te oefenen(26), ook al leidt het verstrijken van deze termijnen noodzakelijkerwijs tot de gehele of gedeeltelijke afwijzing van de ingestelde vordering(27).
60. In andere contexten heeft het Hof inderdaad geoordeeld dat verjaringstermijnen van drie en vijf jaar verenigbaar zijn met het doeltreffendheidsbeginsel.(28)
61. Richtlijn 2015/849 voorziet niet in regels inzake verjaringstermijnen en dergelijke regels vallen dus onder de bevoegdheid van de lidstaten, mits het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel overeenkomstig de hierboven vermelde rechtspraak worden nageleefd.
62. Naar mijn mening zijn er in de onderhavige zaak geen aanwijzingen die twijfels wekken met betrekking tot deze beginselen. Zoals de Commissie heeft aangegeven, heeft de verwijzende rechter geen specifieke elementen genoemd die tot de conclusie zouden leiden dat deze termijnen in strijd zijn met het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel.
63. Daarom ben ik van mening dat het Unierecht zich niet verzet tegen verjaringstermijnen zoals die waarin het Oostenrijkse recht voorziet.
IV. Conclusie
64. Gelet op al het voorgaande geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vraag van het Bundesverwaltungsgericht te beantwoorden als volgt:
„Artikel 60, leden 5 en 6, gelezen in samenhang met artikel 58, leden 1 tot en met 3, en artikel 59, lid 1, van richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en richtlijn 2006/70/EG van de Commissie
verzet zich niet tegen nationale wetgeving volgens welke het voor de bestraffing van een rechtspersoon dwingend noodzakelijk is dat tevoren aan een officiële vertegenwoordiger of een andere natuurlijke persoon die namens deze rechtspersoon heeft gehandeld, de formele status van verdachte is verleend (met strikte waarborging van alle rechten van partijen), en het bovendien dwingend noodzakelijk is dat in het deel van de administratieve sanctiebeschikking tegen die rechtspersoon waarin de beslissing is opgenomen, wordt vastgesteld dat de daarin bij naam te noemen natuurlijke persoon (of de officiële vertegenwoordiger) strafbaar, onrechtmatig en verwijtbaar heeft gehandeld, om deze gedraging vervolgens toe te rekenen aan de rechtspersoon, waarbij de verjaringstermijn voor de vervolging drie jaar is vanaf de datum van het strafbare feit en de verjaringstermijn voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid vijf jaar.”
1 Oorspronkelijke taal: Engels.
2 Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB 2015, L 141, blz. 73). Deze richtlijn is vervangen door richtlijn (EU) 2024/1640 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2024 betreffende de mechanismen die de lidstaten moeten invoeren om het gebruik van het financiële stelsel voor witwassen of terrorismefinanciering te voorkomen, tot wijziging van richtlijn (EU) 2019/1937, en tot wijziging en intrekking van richtlijn (EU) 2015/849 (PB L, 2024/1640).
3 De verwijzende rechter noemt met name het arrest van het Verwaltungsgerichtshof van 29 maart 2019, Ro 2018/02/0023.
4 Volgens de verwijzende rechter zijn daarom ook twee andere natuurlijke personen, KL en TR, als personen aan wie de inbreuk wordt toegerekend, partij in het hoofdgeding, aangezien het wegens hun rechten als partij noodzakelijk is dat zij ook adressaten zijn van de administratieve sanctiebeschikking tegen de rechtspersoon en dus een recht van beroep hebben, hoewel de FMA nooit de bedoeling had deze natuurlijke personen te bestraffen.
5 Hierna: „arrest Deutsche Wohnen”.
6 Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB 2016, L 119, blz. 1; hierna: „AVG”).
7 Zie overweging 3 van richtlijn 2015/849.
8 Zie artikel 1 en overweging 64 van richtlijn 2015/849. Zie ook arresten van 16 juli 2020, Commissie/Roemenië (Strijd tegen het witwassen van geld) (C‑549/18, EU:C:2020:563, punt 73), en Commissie/Ierland (Strijd tegen het witwassen van geld) (C‑550/18, EU:C:2020:564, punt 82), waarin het Hof opmerkt dat „richtlijn 2015/849 een belangrijk instrument is om te zorgen voor een doeltreffende bescherming van het financiële stelsel van de Unie tegen bedreigingen ervan door het witwassen van geld en terrorismefinanciering”.
9 In artikel 2 van richtlijn 2015/849 worden de meldingsplichtige entiteiten opgesomd.
10 Zie voor een overzicht bijvoorbeeld Maillart, J.‑B., „The anti-money laundering architecture of the European Union”, in Vogel, B., en Maillart, J.‑B. (red.), National and International Anti-Money Laundering Law – Developing the Architecture of Criminal Justice, Regulation and Data Protection, Intersentia, Cambridge, 2020, blz. 71‑155.
11 Zie artikel 58, lid 2, van richtlijn 2015/849. Volgens overweging 59 van deze richtlijn moeten de lidstaten ervoor zorgen dat bij het opleggen van administratieve sancties en maatregelen overeenkomstig deze richtlijn en van strafrechtelijke sancties overeenkomstig het nationale recht het „ne bis in idem”-beginsel niet wordt geschonden. In dit verband bepaalt de tweede alinea van artikel 58, lid 2, van die richtlijn dat lidstaten kunnen besluiten met betrekking tot inbreuken waarop krachtens hun nationale recht reeds strafrechtelijke sancties staan, geen regels voor administratieve sancties of maatregelen vast te stellen.
12 Zie overweging 59 van richtlijn 2015/849.
13 Zie artikel 59, leden 2 en 3, van richtlijn 2015/849.
14 Zie artikel 59, lid 4, van richtlijn 2015/849.
15 Richtlijn 2024/1640, de recentste richtlijn inzake het bestrijden van witwassen, heeft deze bepaling niet wezenlijk gewijzigd.
16 Daarnaast bepaalt artikel 46, lid 1, derde alinea, van richtlijn 2015/849 dat indien een natuurlijke persoon die onder bepaalde categorieën van meldingsplichtige entiteiten valt, beroepsactiviteiten uitoefent als werknemer van een rechtspersoon, de in de onderhavige afdeling neergelegde verplichtingen van toepassing zijn op deze rechtspersoon in plaats van op de natuurlijke persoon.
17 Zie artikel 59, lid 3, van richtlijn 2015/849.
18 Zie arrest Deutsche Wohnen (punt 60).
19 Zie arrest Deutsche Wohnen (punt 44).
20 Zie arrest Deutsche Wohnen (punt 46).
21 Sommige van deze handelingen zijn vastgesteld op de rechtsgrondslag voor harmonisatie op strafrechtelijk gebied (artikel 83 VWEU). Zie bijvoorbeeld artikel 7 van richtlijn (EU) 2018/1673 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 inzake de strafrechtelijke bestrijding van het witwassen van geld (PB 2018, L 284, blz. 22); artikel 6 van richtlijn (EU) 2024/1203 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht en tot vervanging van de richtlijnen 2008/99/EG en 2009/123/EG (PB L, 2024/1203), en artikel 6 van richtlijn (EU) 2024/1226 van het Europees Parlement en de Raad van 24 april 2024 betreffende de definitie van strafrechtelijke delicten en van sancties voor de schending van beperkende maatregelen van de Unie en tot wijziging van richtlijn (EU) 2018/1673 (PB L, 2024/1226). Andere handelingen zijn vastgesteld op gebieden zoals visserijbeleid (artikel 43 VWEU) of immigratie (artikel 79 VWEU). Zie in dit verband bijvoorbeeld artikel 47 van verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, tot wijziging van verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1936/2001 en (EG) nr. 601/2004 en tot intrekking van verordeningen (EG) nr. 1093/94 en (EG) nr. 1447/1999 (PB 2008, L 286, blz. 1), of artikel 11 van richtlijn 2009/52/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 tot vaststelling van minimumnormen inzake sancties en maatregelen tegen werkgevers van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen (PB 2009, L 168, blz. 24).
22 Zie voor een beperkte selectie bijvoorbeeld Pieth, M., en Ivory, R., „Chapter 1 Emergence and convergence: Corporate criminal liability principles in overview”, in Pieth, M., en Ivory, R. (red.), Corporate criminal liability: emergence, convergence, and risk, IUS Gentium, deel 9, nummer 3, Springer, 2011, punt 1.4; Vermeulen, G., De Bondt, W., en Ryckman, C., Liability of legal persons for offences in the EU, Maklu, Antwerpen, 2012, en Pikamäe, P., en Kärner, M., „The effect of European Union law on the criminal and quasi-criminal liability of legal persons in Estonia”, Juridica International, deel 33, 2024, blz. 89‑101, in het bijzonder blz. 92.
23 Zie in dit verband Franssen, V., „The EU’s fight against corporate financial crime: State of affairs and future potential”, in: German Law Journal, deel 19, nr. 5, 2018, blz. 1221‑1249, in het bijzonder blz. 1237‑1242.
24 Zie voor een beperkte selectie onder meer artikel 70 van richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van richtlijn 2002/92/EG en richtlijn 2011/61/EU (PB 2014, L 173, blz. 349), zoals laatstelijk gewijzigd bij richtlijn (EU) 2024/790 van het Europees Parlement en de Raad van 28 februari 2024 (PB L, 2024/790) (MiFID II); artikel 38 van verordening (EU) 2017/1129 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 betreffende het prospectus dat moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten en tot intrekking van richtlijn 2003/71/EG (PB 2017, L 168, blz. 12) (prospectusverordening); artikel 111 van verordening (EU) 2023/1114 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2023 betreffende cryptoactivamarkten en tot wijziging van verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 1095/2010 en richtlijnen 2013/36/EU en (EU) 2019/1937 (PB 2023, L 150, blz. 40) (cryptoactivamarktenverordening of MiCA), en artikelen 65 en 66 van richtlijn (EU) 2024/1619 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2024 tot wijziging van richtlijn 2013/36/EU wat betreft toezichtsbevoegdheden, sancties, bijkantoren uit derde landen en ecologische, sociale en governancerisico’s (PB L, 2024/1619) (kapitaalvereistenrichtlijn of CRD VI).
25 Zie bijvoorbeeld arresten van 16 december 1976, Rewe-Zentralfinanz en Rewe-Zentral (33/76, EU:C:1976:188, punt 5); 16 december 1976, Comet (45/76, EU:C:1976:191, punt 13); 12 februari 2008, Kempter (C‑2/06, EU:C:2008:78, punt 57), en 30 april 2024, M.N. (EncroChat) (C‑670/22, EU:C:2024:372, punt 129).
26 Zie bijvoorbeeld arresten van 8 juli 2010, Bulicke (C‑246/09, EU:C:2010:418, punt 36), en 5 september 2023, Udlændinge- og Integrationsministeriet (Verlies van de Deense nationaliteit) (C‑689/21, EU:C:2023:626, punt 42).
27 Zie bijvoorbeeld arresten van 2 december 1997, Fantask e.a. (C‑188/95, EU:C:1997:580, punt 48), en 7 april 2022, IFAP (C‑447/20 en C‑448/20, EU:C:2022:265, punt 55).
28 Zie bijvoorbeeld arresten van 8 september 2011, Q-Beef en Bosschaert (C‑89/10 en C‑96/10, EU:C:2011:555, punten 36 en 37), en 20 december 2017, Caterpillar Financial Services (C‑500/16, EU:C:2017:996, punten 42 en 43).