CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

N. EMILIOU

van 26 juni 2025 ( 1 )

Gevoegde zaken C‑50/24–C‑56/24 [Danané] ( i )

X (C‑50/24)

X (C‑51/24)

X (C‑52/24)

X (C‑53/24)

X (C‑54/24)

X (C‑55/24)

X (C‑56/24)

tegen

Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen

[verzoek van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (België) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Grenscontroles, asiel en immigratie – Procedures voor de toekenning van internationale bescherming – Grensprocedures – Richtlijn 2013/32/EU – Artikel 43 – Plaats van bewaring tijdens de grensprocedure – Bewaring na de termijn van vier weken voor grensprocedures – Voorrangsbehandeling van een verzoek om internationale bescherming – Voortzetting van de grensprocedure als gewone procedure – Ambtshalve bevoegdheid van de nationale rechter”

I. Inleiding

1.

De onderhavige gevoegde zaken, die het Hof hebben bereikt aan de vooravond van de hervorming van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel, spelen zich af tegen de achtergrond van het veelbesproken contrast tussen de lichamelijke aanwezigheid van verzoekers om internationale bescherming op het grondgebied van een lidstaat en de juridische fictie dat zij dat formeel nog niet hebben betreden alsmede de dikwijls bekritiseerde praktijk om verzoekers in grensprocedures in bewaring te houden.

2.

Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (België) (hierna: „verwijzende rechter”) nodigt het Hof uit om de werkingssfeer van de grensprocedure krachtens artikel 43 van richtlijn 2013/32/EU ( 2 ) alsmede de consequenties van het verstrijken van de termijn van vier weken waarbinnen die procedure moet worden afgerond, te verduidelijken.

3.

Aan de gestelde vragen ligt het vraagstuk ten grondslag of een asielzoeker in het kader van een grensprocedure in bewaring mag worden gesteld in accommodatie die geografisch gezien niet „aan de grens of in een transitzone” is gelegen, en of die bewaring op grond van richtlijn 2013/33/EU ( 3 ) na afloop van de aan de grensprocedure gestelde termijn van vier weken mag worden voortgezet in wat geografisch gezien dezelfde accommodatie is.

II. Toepasselijke bepalingen

A.   Unierecht

1. Procedurerichtlijn

4.

Artikel 31 van die richtlijn, met het opschrift „Behandelingsprocedure”, bepaalt in de leden 7 en 8:

„7.   De lidstaten kunnen voorrang verlenen aan de behandeling van een verzoek om internationale bescherming overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen in hoofdstuk II, in het bijzonder:

a)

wanneer het verzoek waarschijnlijk gegrond is;

b)

wanneer de verzoeker kwetsbaar is in de zin van artikel 22 van richtlijn [2013/33], of bijzondere procedurele waarborgen behoeft, in het bijzonder niet-begeleide minderjarigen.

8.   De lidstaten kunnen bepalen dat een behandelingsprocedure overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen in hoofdstuk II wordt versneld en/of aan de grens of in transitzones wordt gevoerd overeenkomstig artikel 43 indien:

a)

de verzoeker bij de indiening van zijn verzoek en de toelichting van de feiten alleen aangelegenheden aan de orde heeft gesteld die niet ter zake doen om uit te maken of hij in aanmerking komt voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet overeenkomstig richtlijn 2011/95/EU [van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB 2011, L 337, blz. 9)]; [...]

[...]”

5.

Artikel 43 van de procedurerichtlijn, met het opschrift „Grensprocedures”, luidt:

„1.   De lidstaten kunnen procedures invoeren om, overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen van hoofdstuk II, aan de grens of in transitzones van de lidstaten een beslissing te nemen over:

a)

de ontvankelijkheid van een verzoek krachtens artikel 33 dat aldaar wordt gedaan, en/of

b)

de inhoud van een verzoek in een procedure krachtens artikel 31, lid 8.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat een beslissing in het kader van de in lid 1 voorgeschreven procedures binnen een redelijke termijn wordt genomen. Wanneer niet binnen vier weken een beslissing is genomen, wordt aan de verzoeker toegang tot het grondgebied van de lidstaat verleend zodat zijn verzoek kan worden behandeld overeenkomstig de andere bepalingen van deze richtlijn.

3.   Wanneer het door de aankomst van grote aantallen onderdanen van derde landen of staatlozen die aan de grens of in een transitzone verzoeken om internationale bescherming indienen, in de praktijk onmogelijk is om aldaar de bepalingen van lid 1 toe te passen, kunnen deze procedures ook worden toegepast indien en zolang de onderdanen van derde landen of staatlozen op normale wijze worden ondergebracht op plaatsen nabij de grens of de transitzone.”

6.

Artikel 46 van die richtlijn, met het opschrift „Recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel”, bepaalt in de leden 1 en 3:

„1.   De lidstaten zorgen ervoor dat voor verzoekers een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie openstaat tegen:

a)

een beslissing die inzake hun verzoek om internationale bescherming is gegeven, met inbegrip van een beslissing:

i)

om een verzoek als ongegrond te beschouwen met betrekking tot de vluchtelingenstatus en/of de subsidiairebeschermingsstatus;

ii)

om een verzoek als niet-ontvankelijk te beschouwen overeenkomstig artikel 33, lid 2;

iii)

aan de grens of in de transitzones van een lidstaat zoals omschreven in artikel 43, lid 1;

[...]

3.   Teneinde aan lid 1 te voldoen, zorgen de lidstaten ervoor dat een daadwerkelijk rechtsmiddel een volledig en ex-nunconderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden omvat, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig richtlijn [2011/95], zulks ten minste in beroepsprocedures voor een rechterlijke instantie van eerste aanleg.”

2. Opvangrichtlijn

7.

Artikel 8 van de opvangrichtlijn, met het opschrift „Bewaring”, bepaalt:

„1.   De lidstaten houden een persoon niet in bewaring om de enkele reden dat hij een verzoeker is overeenkomstig [de procedurerichtlijn].

2.   In de gevallen waarin zulks nodig blijkt en op grond van een individuele beoordeling van elk geval, mogen de lidstaten een verzoeker in bewaring houden wanneer andere, minder dwingende maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.

3.   Een verzoeker mag alleen in bewaring worden gehouden:

[...]

b)

om de gegevens te verkrijgen die ten grondslag liggen aan het verzoek om internationale bescherming en die niet zouden kunnen worden verkregen als de betrokkene niet in bewaring zou worden gehouden, met name in geval van risico op onderduiken van de verzoeker;

c)

om in het kader van een procedure een beslissing te nemen over het recht van de verzoeker om het grondgebied te betreden;

[...]”

B.   Belgisch recht

1. Wet van 15 december 1980

8.

Bij de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna: „wet van 15 december 1980” ( 4 )) zijn de hier relevante bepalingen van de procedurerichtlijn en de opvangrichtlijn omgezet in Belgisch recht.

9.

Met name is artikel 43, leden 1 en 2, van de procedurerichtlijn omgezet bij artikel 57/6/4 van die wet, op grond waarvan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (hierna: „CGVS”) bevoegd is om een aan de grens ingediend verzoek niet-ontvankelijk te verklaren of een beslissing op het verzoek te nemen in bepaalde situaties (dat correspondeert met de in artikel 31, lid 8, van de procedurerichtlijn omschreven situaties). Volgens deze bepaling, gelezen in samenhang met artikel 74/5, § 4, 5°, van die wet wordt de verzoeker toegelaten tot het grondgebied indien de CGVS niet binnen vier weken een beslissing op het verzoek om internationale bescherming heeft genomen.

10.

Met betrekking tot bewaring bepaalt artikel 74/5 van die wet dat een vreemdeling die niet voldoet aan voorwaarden voor toelating tot het grondgebied en verzoekt om internationale bescherming aan de grens „[i]n een welbepaalde plaats, gesitueerd in het grensgebied, mag worden vastgehouden”. Dat artikel bepaalt voorts dat „[d]e Koning in het [Koninkrijk België] andere plaatsen [kan] aanduiden, die gelijkgesteld worden met [een welbepaalde plaats in het grensgebied]”; die bewaring wordt niet beschouwd als machtiging om het grondgebied binnen te komen.

11.

Artikel 74/6, § 1, 2°, van de wet van 15 december 1980 bepaalt ten slotte dat een persoon die om internationale bescherming verzoekt, kan worden vastgehouden „in een welbepaalde plaats in het Rijk”, op onder meer de in artikel 8, lid 3, onder b), van de opvangrichtlijn genoemde grond.

2. Koninklijke besluiten van 14 mei 2009 en 17 februari 2012

12.

Bij koninklijk besluit van 14 mei 2009 ( 5 ) zijn accommodatielocaties zoals de accommodatielocatie Sint-Gillis-Waas met een plaats in het grensgebied gelijkgesteld.

13.

Bij koninklijk besluit van 17 februari 2012 ( 6 ) is ook het „transitcentrum Caricole” op het grondgebied van België met een plaats in het grensgebied gelijkgesteld.

III. Achtergrond van het geding en prejudiciële vragen

14.

Aan de zeven gevoegde zaken die aanleiding hebben gegeven tot de onderhavige prejudiciële verwijzing liggen overeenkomstige situaties ten grondslag, die als volgt kunnen worden samengevat.

15.

Alle verzoekers in de hoofdgedingen zijn onderdanen van derde landen die tussen september en oktober 2023 per vliegtuig op de luchthaven van Brussel (Brussels Airport, België) zijn aangekomen. Alle verzoekers hebben bij aankomst of op de dag daarna aan de grens een verzoek om internationale bescherming ingediend. Hun verzoeken zijn daarop doorverwezen naar de bevoegde autoriteit, de CGVS, om te worden onderzocht in een „grensprocedure” overeenkomstig artikel 57/6/4 van de wet van 15 december 1980, waarbij artikel 43, leden 1 en 2, van de procedurerichtlijn is omgezet.

16.

Aan elke verzoeker zijn vervolgens twee beslissingen uitgereikt: een beslissing tot weigering van binnenkomst in het Belgische grondgebied ( 7 ) en een „beslissing tot het vasthouden in een welbepaalde plaats in het grensgebied” ( 8 ) van de minister voor Asiel en Migratie in België (hierna: „minister”).

17.

In de zaken C‑50/24 tot en met C‑53/24 was de plaats van bewaring het transitcentrum Caricole, hemelsbreed op ongeveer twee kilometer van Brussels Airport (dat een buitengrens van de Unie vormt). ( 9 ) In de zaken C‑54/24 tot en met C‑56/24 werden de verzoekers vastgehouden in de accommodatielocatie Sint-Gillis-Waas ( 10 ), gelegen op meer dan veertig kilometer van Brussels Airport. Hoewel beide locaties dus niet letterlijk zijn gelegen „aan de grens”, zijn ze bij de koninklijke besluiten van 2012 respectievelijk 2009 daarmee gelijkgesteld.

18.

In geen van de zeven zaken is een beslissing op het verzoek om internationale bescherming genomen binnen de termijn van vier weken van artikel 43, lid 2, van de procedurerichtlijn – zoals omgezet bij artikel 57/6/4 van de wet van 15 december 1980 (hierna: „termijn van vier weken”).

19.

In plaats daarvan heeft elke verzoeker een nieuwe beslissing van de minister ontvangen „tot het vasthouden in een welbepaalde plaats”, dat wil zeggen: niet langer „aan de grens”, zoals op grond van de eerste vasthoudingsbeslissing, maar binnen het grondgebied. Volgens die beslissing (hierna: „tweede vasthoudingsbeslissing”) werd de verzoeker, gezien het verstrijken van de termijn van vier weken, geacht te zijn toegelaten tot het grondgebied. Volgens de beslissing was het evenwel nodig de verzoeker langer vast te houden, op grond van artikel 74/6, § 1, 2°, van de wet van 15 december 1980, „om de gegevens te verkrijgen die ten grondslag liggen aan het verzoek om internationale bescherming en die niet zouden kunnen worden verkregen als de verzoeker niet vastgehouden zou worden, met name in geval van risico op onderduiken van de verzoeker”.

20.

De tweede vasthoudingsbeslissing ging niet gepaard met een fysieke verplaatsing van de verzoekers, die nog steeds werden vastgehouden in dezelfde locaties (transitcentrum Caricole en accommodatielocatie Sint-Gillis-Waas). De nationale autoriteiten gingen er echter van uit dat de juridische fictie dat dit plaatsen „aan de grens” waren, na de termijn van vier weken was opgeheven, en beschouwden deze vanaf dat moment als plaatsen van bewaring binnen het grondgebied, wat ze in werkelijkheid ook waren. Met andere woorden, hoewel zowel de rechtsgrondslag voor de bewaring van verzoekers als de juridische kwalificering van de plaats van bewaring waren gewijzigd, was er geen fysieke verandering in de plaats waar de verzoekers werden vastgehouden.

21.

Parallel hieraan heeft de CGVS, als de beslissingsautoriteit die bevoegd is voor de behandeling van verzoeken om internationale bescherming, met elke verzoeker een persoonlijk gesprek gevoerd. In de zaken C‑51/24 en C‑53/24 vonden de gesprekken plaats binnen de termijn van vier weken, dus voor de tweede vasthoudingsbeslissing. In de overige zaken vonden de gesprekken met de verzoekers plaats na de termijn van vier weken en de tweede vasthoudingsbeslissing.

22.

Tussen november en december 2023 heeft de CGVS, in een voorrangsprocedure ( 11 ), elk van de onderhavige verzoeken om internationale bescherming afgewezen. Met name heeft de CGVS het verzoek in zaak C‑51/24 niet-ontvankelijk verklaard, terwijl de CGVS in de beslissingen in de andere zes zaken zowel verzoeken om vluchtelingenstatus als verzoeken om subsidiaire bescherming heeft afgewezen op inhoudelijke gronden.

23.

Verzoekers hebben tegen die beslissingen tot afwijzing van hun respectieve verzoeken om internationale bescherming beroep ingesteld bij de verwijzende rechter.

24.

In het kader van die beroepen heeft de verwijzende rechter, die de verenigbaarheid van de gevolgde procedure met het Unierecht, en met name artikel 43 van de procedurerichtlijn, in twijfel trekt, besloten om de procedure in de zeven daar aanhangige zaken te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:

„1)

Valt een procedure voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat aan de grens of in een transitzone wordt ingediend door een verzoeker die tijdens de procedure in bewaring wordt gehouden in een plaats die geografisch op het grondgebied is gelegen, maar door een regelgevende tekst wordt gelijkgesteld met een plaats in het grensgebied, binnen de werkingssfeer van artikel 43 van [de procedurerichtlijn]?

2)

Valt de behandeling van een dergelijk verzoek om internationale bescherming van een verzoeker die, na de in artikel 43, lid 2, van [de procedurerichtlijn] gestelde termijn van vier weken, van rechtswege tot het grondgebied wordt toegelaten op grond van het nationale recht, maar die op basis van een nieuwe beslissing tot bewaring in bewaring blijft in dezelfde plaats van bewaring die aanvankelijk werd beschouwd als een plaats in het grensgebied en nu door de autoriteiten wordt aangemerkt als een plaats op het grondgebied, nog steeds binnen de werkingssfeer van artikel 43 van [de procedurerichtlijn]?

Kan dezelfde plaats van vasthouding, in het kader van dezelfde procedure inzake internationale bescherming, door een regelgevende tekst aanvankelijk worden gelijkgesteld met een plaats in het grensgebied en, nadat de verzoeker toestemming heeft gekregen om het grondgebied binnen te komen wegens het verstrijken van de termijn van vier weken of ten gevolge van een beslissing tot verder onderzoek, worden beschouwd als een plaats op het grondgebied?

Wat zijn de gevolgen voor de temporele en materiële bevoegdheid van de beslissingsautoriteit van het feit dat de verzoeker vastgehouden blijft in dezelfde plaats die geografisch op het grondgebied gelegen is, maar die aanvankelijk werd gelijkgesteld met een plaats in het grensgebied en die vervolgens wegens het verstrijken van de termijn van vier weken door de Belgische autoriteiten aangemerkt werd als een plaats van vasthouding op het grondgebied?

3.1)

Mag een beslissingsautoriteit die is begonnen met de behandeling van een verzoek om internationale bescherming in het kader van een grensprocedure en die de termijn van vier weken bedoeld in artikel 43, lid 2, van [de procedurerichtlijn] laat verstrijken alvorens een beslissing over dit verzoek te nemen, of die eerder een beslissing tot verder onderzoek heeft genomen, ook al zijn alle onderzoeksstappen, met inbegrip van het persoonlijk onderhoud, vóór het verstrijken van deze termijn verricht, dit verzoek verder behandelen op basis van een voorrangsbehandeling in de zin van artikel 31, lid 7, van deze richtlijn wanneer de verzoeker, op basis van de beslissing van een andere autoriteit, vastgehouden blijft in dezelfde plaats van vasthouding, die aanvankelijk is gelijkgesteld met een plaats in het grensgebied, op de grond dat zijn vasthouding noodzakelijk is ‚om de gegevens te verkrijgen die ten grondslag liggen aan het verzoek om internationale bescherming en die niet zouden kunnen worden verkregen als de verzoeker niet vastgehouden zou worden, met name in geval van risico op onderduiken’?

3.2)

Mag een beslissingsautoriteit die is begonnen met de behandeling van een verzoek om internationale bescherming in het kader van een grensprocedure en die de termijn van vier weken bedoeld in artikel 43, lid 2, van [de procedurerichtlijn] laat verstrijken alvorens een beslissing over dit verzoek te nemen, of die eerder een beslissing tot verder onderzoek heeft genomen zonder binnen die termijn een persoonlijk onderhoud met de verzoeker te hebben gevoerd, dit verzoek verder behandelen op basis van een voorrangsbehandeling in de zin van artikel 31, lid 7, van deze richtlijn wanneer de verzoeker, op basis van de beslissing van een andere autoriteit, vastgehouden blijft in dezelfde plaats van vasthouding, die aanvankelijk is gelijkgesteld met een plaats in het grensgebied, op de grond dat zijn vasthouding noodzakelijk is ‚om de gegevens te verkrijgen die ten grondslag liggen aan het verzoek om internationale bescherming en die niet zouden kunnen worden verkregen als de verzoeker niet vastgehouden zou worden, met name in geval van risico op onderduiken’?

4)

Is een dergelijke toepassing van de nationale regelgeving verenigbaar met het uitzonderlijke karakter van de vasthouding van de verzoeker dat voortvloeit uit artikel 8 van [de opvangrichtlijn] en de algemene doelstelling van [de procedurerichtlijn]?

5)

Moeten artikel 31, leden 7 en 8, en de artikelen 43 en 46 van [de procedurerichtlijn], gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest [van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‚Handvest’)], aldus worden uitgelegd dat de [Raad voor Vreemdelingenbetwistingen] bij de behandeling van een beroep tegen een beslissing in het kader van een aan de grens ingeleide procedure ambtshalve de overschrijding van de termijn van vier weken dient op te werpen?”

IV. Procedure bij het Hof

25.

Op 26 januari 2024 zijn de prejudiciële verzoeken ter griffie van het Hof ingediend. Bij beschikking van 14 maart 2024 zijn de zeven zaken gevoegd voor de schriftelijke en mondelinge procedure en het arrest.

26.

De Belgische, de Duitse, de Tsjechische en de Italiaanse regering, alsmede de Europese Commissie en de verzoeker in zaak C‑53/24 hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. De Belgische, de Tsjechische en de Duitse regering, de Commissie en de verzoekers in de zaken C‑51/24 en C‑52/24 hebben ter terechtzitting op 27 februari 2025 pleidooi gehouden.

V. Analyse

27.

Alle gestelde vragen hebben betrekking op de grensprocedure, die wordt geregeld in artikel 43 van de procedurerichtlijn. Ik zal de vragen beantwoorden in de volgorde waarin ze zijn gesteld door de verwijzende rechter. Ik acht het evenwel passend om een schets te geven van de voornaamste kenmerken van de grensprocedure, gezien de relevante rechtspraak van het Hof, dat al eerder is gevraagd om die bepaling uit te leggen. ( 12 )

A.   Voornaamste kenmerken van de grensprocedure

28.

Zoals de verwijzende rechter opmerkt, biedt artikel 43 van de procedurerichtlijn de lidstaten de mogelijkheid om te voorzien in specifieke procedures aan hun grenzen of in hun transitzones, de zogenoemde „grensprocedures”, om een beslissing te nemen over i) de ontvankelijkheid van aldaar gedane verzoeken om internationale bescherming en/of ii) de inhoud daarvan, in de omstandigheden die uitputtend worden omschreven in artikel 31, lid 8, van die richtlijn. Die omstandigheden betreffen in wezen situaties waarin het gedrag en de verklaringen van de verzoeker erop wijzen dat zijn verzoek kennelijk ongegrond of frauduleus is. ( 13 )

29.

Zoals het Hof heeft opgemerkt, volgt uit overweging 38 van de procedurerichtlijn eveneens dat met de grensprocedure wordt beoogd de lidstaten de mogelijkheid te bieden een beslissing te nemen over verzoeken om internationale bescherming die zijn gedaan aan de grens of in een transitzone van een lidstaat „voordat een beslissing over de toegang van de verzoekers tot zijn grondgebied wordt genomen” ( 14 ). Het is een onderscheidend kenmerk van de grensprocedure dat de verzoekers niet formeel tot het grondgebied zijn toegelaten. Dat stelt de lidstaten met name in staat om verzoekers wier verzoeken zijn afgewezen, terug te zenden zonder dat zij zijn gebonden aan het gehele pakket van de bij richtlijn 2008/115/EG ( 15 ) geboden waarborgen.

30.

Niettemin moet een verzoeker volgens artikel 43, lid 2, van de procedurerichtlijn toegang tot het grondgebied worden verleend indien niet binnen vier weken nadat hij een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend, een beslissing op dat verzoek is genomen. Om het mogelijk te maken binnen die termijn van vier weken een beslissing te nemen, worden grensprocedures daarom in het algemeen gekenmerkt door kortere procedurele termijnen. ( 16 )

31.

Tot slot heeft het Hof geoordeeld dat artikel 43 van de procedurerichtlijn, ondanks dat het niet uitdrukkelijk in bewaring voorziet, gelezen in samenhang met artikel 8, lid 3, onder c), van de opvangrichtlijn, de lidstaten toestaat om aan een grensprocedure onderworpen verzoekers gedurende ten hoogste vier weken in bewaring te stellen. ( 17 )

B.   Eerste vraag – toepasselijkheid van de grensprocedure in geval van bewaring op een locatie die geografisch gezien niet „aan de grens” ligt

32.

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of een procedure voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat wordt ingediend aan de grens of in een transitzone kan worden aangemerkt als een „grensprocedure” in de zin van artikel 43 van de procedurerichtlijn, indien de verzoeker wordt vastgehouden in accommodatie die geografisch gezien binnen het grondgebied is gelegen, maar door de nationale wet met een plaats aan de grens wordt gelijkgesteld. ( 18 ) De vraag is derhalve in wezen of de bewaring van een verzoeker in accommodatie die geografisch gezien niet werkelijk „aan de grens of in een transitzone” is gelegen, de toepassing van de grensprocedure uitsluit.

33.

Wat dat betreft teken ik in de eerste plaats aan dat de bewoordingen van artikel 43 van de procedurerichtlijn in de context van een grensprocedure niet uitdrukkelijk spreken van bewaring, en dus ook niet, meer specifiek, van de eventuele plaats van bewaring. Dat artikel spreekt slechts van „beslissingen”„aan de grens of in transitzones” en van „aldaar” gedane verzoeken.

34.

Artikel 31, lid 8, van die richtlijn (waarnaar artikel 43 enkel verwijst met betrekking tot inhoudelijke beslissingen) verwijst naar een „behandelingsprocedure [die] aan de grens of in transitzones wordt gevoerd”. Dat zou er – volgens sommigen – op kunnen wijzen dat verzoekers tijdens de gehele procedure aan de grens of in transitzones moeten verblijven (en, waar toepasselijk, in bewaring). Aan de andere kant moet ook worden opgemerkt dat noch artikel 8, lid 3, onder c), van de opvangrichtlijn, dat bewaring in de context van grensprocedures toestaat, noch artikel 18, lid 1, onder a), van die richtlijn, dat betrekking heeft op de huisvesting van verzoekers tijdens de behandeling van verzoeken gedaan aan de grens of in transitzones, enige verwijzing naar de locatie van verzoekers tijdens de grensprocedure bevat.

35.

Het is een feit dat de voor lidstaten minst omslachtige, en vaakst voorkomende, manier om grensprocedures ten uitvoer te leggen gepaard gaat met de bewaring van verzoekers aan de grens of in transitzones. ( 19 ) In dat verband heeft het Hof gesproken van bewaring „aan de grens of in transitzones” tijdens grensprocedures.

36.

Naar mijn mening hoeft dit evenwel niet noodzakelijkerwijs het geval te zijn. Mijns inziens biedt de formulering van artikel 43 geen grondslag voor de ondubbelzinnige conclusie dat de grensprocedure alleen van toepassing kan zijn wanneer de plaats van bewaring van de verzoekers geografisch gezien precies aan de grens of in een transitzone is gelegen. ( 20 )

37.

Een dergelijke restrictieve uitlegging – voorgestaan door de Commissie – volgt mijns inziens bovendien noch uit de doelstelling noch uit de context van artikel 43 en zou voorbijgaan aan de belangen van zowel de lidstaten als de aan grensprocedures onderworpen verzoekers.

38.

Met name wat, als eerste, de doelstelling van artikel 43 van de procedurerichtlijn betreft (zie de punten 28 en 29 hierboven), is de grensprocedure opgezet om een „eerste selectie” van verzoeken om internationale bescherming mogelijk te maken alvorens alleen de verzoekers van wie de verzoeken niet zijn afgewezen formeel toegang te geven tot het grondgebied. ( 21 ) De verwezenlijking van die doelstelling heeft op geen enkele wijze te lijden van de fysieke locatie van de verzoeker tijdens de behandeling van zijn verzoek, en vereist evenmin dat die behandeling strikt genomen aan de grens of binnen een transitzone plaatsvindt.

39.

Integendeel, een vereiste dat bewaring strikt geografisch gezien aan de grens of in een transitzone moet plaatsvinden kan die doelstelling juist in gevaar brengen en artikel 43 van de procedurerichtlijn zijn nuttig effect ontnemen, afhankelijk van de geografische en infrastructurele bijzonderheden van een lidstaat. Zoals de Italiaanse regering heeft opgemerkt, kan een dergelijke restrictieve lezing van artikel 43 het voor bepaalde lidstaten, bijvoorbeeld die met een lange kustlijn, uiterst moeilijk maken om grensprocedures toe te passen op een manier die volledig voldoet aan zowel de fundamentele beginselen en waarborgen van hoofdstuk II van de procedurerichtlijn als aan de in de artikelen 9 tot en met 11 van de opvangrichtlijn neergelegde waarborgen voor bewaring.

40.

Wanneer strikt wordt vastgehouden aan bewaring aan de grens of in transitzones, die met structurele en ruimtelijke beperkingen gepaard kan gaan, kunnen lidstaten zich juist genoodzaakt zien om suboptimale accommodatie te gebruiken, louter om grensprocedures te kunnen toepassen, zelfs wanneer verder van de grens voor verzoekers betere omstandigheden van bewaring zouden kunnen worden gerealiseerd. Voor mij staat vast dat een dergelijke formalistische benadering de belangen van verzoekers die worden vastgehouden in het kader van een grensprocedure niet zou dienen.

41.

Deze overweging is in de onderhavige zaken bijzonder relevant. Zoals zowel de verwijzende rechter als de Belgische regering hebben opgemerkt, bestaat er momenteel in België geen bewaringsaccommodatie die aan de grens of in transitzones is gelegen, nu de eerder bestaande accommodatie binnen Brussels Airport wegens de ontoereikende infrastructuur is gesloten. Het transitcentrum Caricole is zelfs juist aangelegd ter vervanging van die ontoereikende accommodatie, met het doel de omstandigheden voor de bewaring van personen die om internationale bescherming verzoeken, te verbeteren.

42.

Wat vervolgens de context van artikel 43 van de procedurerichtlijn betreft, is het vermeldenswaard dat grensprocedures functioneren bij de gratie van verschillende juridische ficties. Ten eerste de zogenoemde „fictie van niet-inreizen” ( 22 ): verzoekers die de grens zijn overgestoken en derhalve lichamelijk op het grondgebied aanwezig zijn, worden voor de toepassing van de grensprocedure juridisch geacht het grondgebied niet te zijn binnengekomen, en dienen derhalve een beslissing over hun toelating af te wachten.

43.

Ten tweede worden inreispunten – met name internationale luchthavens zoals Brussels Airport – eveneens op grond van een juridische fictie ( 23 ) als „grenzen” aangemerkt, hoewel ze geografisch gezien binnen het grondgebied van een lidstaat liggen. Evenzo worden transitzones in zowel de procedurerichtlijn als de opvangrichtlijn in wezen aan grenzen gelijkgesteld, hoewel ze geografisch gezien voorbij het punt liggen waar de grens is overschreden, derhalve binnen het grondgebied van een staat. ( 24 )

44.

Deze gevestigde juridische ficties tonen mijns inziens aan dat de geografische realiteit dat een verzoeker zich binnen het grondgebied bevindt, zich niet verzet tegen toepassing van de grensprocedure.

45.

Naar mijn mening volgt uit al het voorgaande dat artikel 43 van de procedurerichtlijn voor toepassing van de grensprocedure niet vereist dat bewaring strikt aan de grens plaatsvindt. Ik moet niettemin verduidelijken dat dit volgens mij niet betekent dat een lidstaat verzoekers aan onzekerheid en onnodige overplaatsingen mag blootstellen door hen naar believen en ad hoc van hun inreispunt naar willekeurige accommodatie op zijn grondgebied over te brengen. Gezien de behoefte aan rechtszekerheid kan wel worden toegestaan dat, met het oog op de toepassing van grensprocedures, op voorhand en in het algemeen, plaatsen van bewaring worden aangewezen ( 25 ) die verder van de grens kunnen zijn gelegen, teneinde passendere omstandigheden voor verzoekers te verzekeren.

46.

Bovenstaande conclusie geldt zowel wanneer de aangewezen plaats van bewaring twee kilometer van de grens ligt (zoals het transitcentrum Caricole) als wanneer die verder van de grens is gelegen (zoals de accommodatielocatie Sint-Gillis-Waas).

47.

De tegengestelde opvatting van de Commissie, dat de flexibiliteit van de lidstaten om de plaats van bewaring in grensprocedures vast te stellen in elk geval beperkt zou moeten worden tot locaties die zich „voldoende in de buurt van” de grens bevinden, ( 26 ) is moeilijk op een voorspelbare en samenhangende wijze toe te passen. Ten eerste zou een strenge eis dat een locatie dicht bij de grens ligt, verschillende gevolgen hebben voor de diverse lidstaten, afhankelijk van hun omvang en geografische kenmerken. Ten tweede zou dat leiden tot de klassieke afbakeningsproblemen: wanneer precies is „voldoende in de buurt” niet meer „voldoende in de buurt”?

48.

Volledigheidshalve teken ik tevens aan dat het argument dat de Commissie ontleent aan artikel 43, lid 3, van de procedurerichtlijn niet afdoet aan de in punt 45 hierboven bereikte conclusie. Volgens die bepaling kunnen grensprocedures worden toegepast bij aankomst van grote aantallen verzoekers om internationale bescherming „indien en zolang de [verzoekers] op normale wijze worden ondergebracht op plaatsen nabij de grens of de transitzone.” De Commissie heeft uit deze formulering in wezen een argument a contrario afgeleid en geconcludeerd dat een grensprocedure, afgezien van in de uitzonderlijke situatie van een massale aankomst, niet kan worden toegepast „nabij” de grens (laat staan verder van de grens), maar letterlijk dient plaats te vinden „aan de grens of in de transitzone”.

49.

Het Hof heeft evenwel verduidelijkt dat artikel 43, lid 3, juist beoogt dat de termijn van vier weken van de grensprocedure in uitzonderlijke situaties kan worden verlengd („zolang”), en de verzoekers dan niet in bewaring worden gehouden maar „op normale wijze worden ondergebracht” ( 27 ). Bijgevolg kan die bepaling mijns inziens niet worden ingeroepen als restrictie op de toepasselijkheid van de grensprocedure onder normale omstandigheden door te beperken welke locaties aanvaardbaar zijn als plaatsen van bewaring tijdens de eerste vier weken.

50.

Tot slot moet ik vermelden dat de in punt 45 hierboven bereikte conclusie overeenkomt met de benadering die uitdrukkelijk is opgenomen in richtlijn (EU) 2024/1348 ( 28 ), de nieuwe asielverordening, die met ingang van 12 juni 2026 de procedurerichtlijn zal vervangen. Die verordening biedt de lidstaten flexibiliteit bij de vaststelling van de locaties waar verzoekers tijdens een grensprocedure in bewaring kunnen worden gehouden, en bepaalt uitdrukkelijk dat een lidstaat „verzoekers [verplicht] om, in de regel, aan of in de nabijheid van de buitengrens of in transitzones of op andere aangewezen locaties binnen zijn grondgebied te verblijven, waarbij terdege rekening wordt gehouden met de specifieke geografische omstandigheden van die lidstaat” ( 29 ). Hoewel de Commissie beweert dat deze uitdrukkelijke flexibiliteit in de nieuwe verordening impliceert dat die flexibiliteit in het huidige wettelijke raamwerk ontbreekt, wordt deze lezing noch door de considerans van de verordening noch door de totstandkomingsgeschiedenis ervan gestaafd.

51.

In het licht van al het bovenstaande geef ik het Hof in overweging om de eerste vraag aldus te beantwoorden dat artikel 43 van de procedurerichtlijn zich er niet tegen verzet dat een aan de grens of in een transitzone ingediend verzoek om internationale bescherming volgens de grensprocedure wordt behandeld wanneer de verzoeker wordt vastgehouden in een accommodatie die geografisch gezien niet aan de grens is gelegen.

C.   Tweede vraag – gevolgen van het verstrijken van de termijn van vier weken

1. Is bij voortgezette bewaring na de termijn van vier weken de grensprocedure van toepassing?

52.

De tweede vraag van de verwijzende rechter bestaat uit drie subvragen. Met de eerste subvraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de grensprocedure in de zin van artikel 43 van de procedurerichtlijn nog kan worden toegepast na het verstrijken van de termijn van vier weken, wanneer de betrokken verzoeker dan nog steeds wordt vastgehouden in dezelfde plaats van bewaring die vóór het verstrijken van die termijn is gelijkgesteld met een plaats aan de grens, maar vervolgens wordt aangemerkt als plaats op het grondgebied.

53.

Mijns inziens is het antwoord op deze vraag duidelijk af te lezen uit artikel 43, lid 2, van de procedurerichtlijn, waarin wordt bepaald dat aan de verzoeker toegang tot het grondgebied van de lidstaat wordt verleend wanneer niet binnen de termijn van vier weken een beslissing op het verzoek om internationale bescherming is genomen, „zodat zijn verzoek kan worden behandeld overeenkomstig de andere bepalingen van deze richtlijn”. Het Hof heeft dit al uitgelegd in de zin dat het verzoek om internationale bescherming na afloop van de termijn van vier weken moet worden behandeld overeenkomstig de op grond van het gewone recht te volgen procedure ( 30 ), namelijk de in artikel 31 van de procedurerichtlijn geregelde algemene procedure. Derhalve kan de grensprocedure volgens artikel 43, lid 2, van die richtlijn niet langer worden toegepast wanneer de termijn van vier weken eenmaal is verstreken.

54.

De omstandigheid dat de betrokken verzoeker na afloop van die termijn nog steeds, aan de grens of op het grondgebied, in bewaring wordt gehouden, doet mijns inziens niet af aan deze ondubbelzinnige conclusie. Zoals het Hof heeft verduidelijkt, volgt uit artikel 43, lid 2, van de procedurerichtlijn dat met het einde van de grensprocedure, na vier weken, langere bewaring op grond van die procedure niet kan worden gerechtvaardigd. ( 31 ) Een eventuele langere bewaring, zelfs aan de grens of in een transitzone, kan de na de termijn van vier weken gevolgde procedure dan ook niet tot „grensprocedure” bestempelen.

55.

Derhalve is de juridische kwalificering van de plaats van bewaring na de termijn van vier weken (als „aan de grens” of „binnen het grondgebied”) niet relevant voor de te volgen procedure, die hoe dan ook niet langer een „grensprocedure” kan zijn. Deze conclusie blijft overeind ongeacht het antwoord op de eerste vraag, temeer wanneer men van oordeel is – wat ik hierboven heb betoogd – dat de plaats van bewaring zelfs tijdens de termijn van vier weken niet bepalend is voor de procedure die wordt gevolgd.

56.

Bij aanvaarding van dit standpunt volgt uit de uiteenzetting van de verwijzende rechter ( 32 ) dat de resterende subvragen van de tweede vraag voor de beslechting van de hoofdgedingen grotendeels niet ter zake doen. Ik zal die subvragen echter toch behandelen omwille van de volledige beantwoording van de tweede vraag.

2. Kan dezelfde plaats van bewaring worden aangemerkt als gelegen „aan de grens” en vervolgens als „op het grondgebied”?

57.

Met de tweede subvraag informeert de verwijzende rechter in wezen of dezelfde plaats van bewaring aanvankelijk kan worden gelijkgesteld aan een plaats aan de grens en na het verstrijken van de termijn van vier weken ( 33 ) worden beschouwd als wat het geografisch gezien ook is, namelijk een plaats op het grondgebied.

58.

Mijns inziens verzet niets in de procedurerichtlijn of de opvangrichtlijn zich tegen deze benadering. Zoals ik hierboven al heb uiteengezet, schrijven die richtlijnen geen specifieke geografische locatie voor bewaring voor. Wel is het een, fundamenteler, vereiste dat de in de artikelen 9 tot en met 11 van de opvangrichtlijn neergelegde voorwaarden voor bewaring en waarborgen voor vastgehouden verzoekers, volledig worden geëerbiedigd. ( 34 ) Zoals de Belgische regering heeft opgemerkt, zijn die voorwaarden en waarborgen niet verschillend naar gelang de geografische locatie of juridische kwalificering van de plaats van bewaring.

59.

Bovendien vind ik het argument van de Belgische regering dat deze benadering, in omstandigheden als de onderhavige, kan bijdragen tot een efficiënter en sneller verloop van de gehele procedure, niet ongegrond. Met name zou deze benadering, bij voortzetting van de bewaring van de verzoeker, overplaatsing naar andere accommodatie overbodig maken.

60.

Dit alles vooronderstelt wel dat er een geldige reden is om de bewaring van de verzoeker voort te zetten, met name een van de andere opzichzelfstaande ( 35 ) gronden voor bewaring in artikel 8 van de opvangrichtlijn, en dat er een nieuwe dienovereenkomstige vasthoudingsbeslissing wordt afgegeven. Zo is het mijns inziens eveneens essentieel dat de verzoeker naar behoren in kennis wordt gesteld van de wijziging van zijn rechtssituatie, namelijk dat hij is gemachtigd om het grondgebied te betreden, ook al gaat die juridische verandering in dit stadium niet gepaard met een fysieke.

3. Welke gevolgen heeft voortzetting van de bewaring na het verstrijken van de termijn van vier weken voor de bevoegdheid van de beslissingsautoriteit?

61.

Wat vervolgens de derde subvraag aangaat, verzoekt de verwijzende rechter om richtsnoeren betreffende de implicaties van voortzetting van de bewaring van verzoeker op dezelfde locatie (aanvankelijk beschouwd als plaats aan de grens en, na de termijn van vier weken, als plaats op het grondgebied) voor de bevoegdheid van de beslissingsautoriteit in materieel en temporeel opzicht.

62.

In het licht van mijn eerdere opmerkingen ben ik van mening dat de voortzetting van de bewaring en de verandering in de juridische kwalificering van de plaats van bewaring op het vier-wekenpunt op zichzelf niet van invloed zijn op de bevoegdheid van de beslissingsautoriteit, dat wil zeggen de door de lidstaat aangewezen autoriteit die is belast met de behandeling van verzoeken om internationale bescherming en met het nemen van beslissingen daarop. ( 36 )

63.

Het verstrijken van de termijn van vier weken zou wel een merkbare invloed kunnen hebben op de bevoegdheid van die autoriteit, aangezien dat een verschuiving van de grensprocedure naar de gewone procedure meebrengt. Ik teken hierbij echter aan dat in België dezelfde beslissingsautoriteit – de CGVS – in beide procedures bevoegd is om beslissingen te nemen op verzoeken om internationale bescherming, uiteraard binnen de grenzen van de voor elke procedure geldende regels en termijnen.

64.

De verwijzende rechter lijkt met name te zijn gericht ( 37 ) op de vraag of bij die verschuiving van de specifieke grensprocedure naar de gewone procedure, de bevoegdheid van de beslissingsautoriteit nog steeds wordt beperkt door de termijnen en de werkingssfeer ( 38 ) van de grensprocedure. Dat is mijns inziens niet het geval. Uit artikel 43, lid 2, van de procedurerichtlijn blijkt duidelijk dat het verzoek na de termijn van vier weken volgens de andere bepalingen van die richtlijn moet worden behandeld, hetgeen betekent dat de materiële en temporele beperkingen van de bepalingen inzake de grensprocedure niet langer van toepassing zijn. ( 39 )

65.

Gezien het bovenstaande geef ik het Hof in overweging om de tweede vraag aldus te beantwoorden dat de behandeling van een verzoek om internationale bescherming na het verstrijken van de termijn van vier weken in artikel 43 van de procedurerichtlijn niet onder die bepaling valt, ongeacht of de bewaring van verzoeker wordt voortgezet en of de plaats van die bewaring rechtens wordt aangemerkt als gelegen aan de grens dan wel op het grondgebied.

D.   Derde vraag – behandeling van verzoeken na het verstrijken van de termijn van vier weken

66.

Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of een verzoek om internationale bescherming dat aanvankelijk is behandeld volgens de grensprocedure, na het verstrijken van de termijn van vier weken overeenkomstig artikel 31, lid 7, van de procedurerichtlijn met voorrang kan worden behandeld, terwijl de verzoeker nog steeds in dezelfde accommodatie in bewaring wordt gehouden, maar nu op grond van artikel 8, lid 3, onder b), van de opvangrichtlijn, wanneer i) alle „onderzoeksstappen”, waaronder het persoonlijk onderhoud, binnen de termijn van vier weken hebben plaatsgevonden, of ii) het persoonlijk onderhoud niet binnen de termijn van vier weken heeft plaatsgevonden. Zoals ik deze vraag lees, behoeven twee punten hier bespreking.

1. Kan een verzoek na de termijn van vier weken met voorrang worden behandeld?

67.

Het eerste punt ter beoordeling is of de behandeling van een verzoek om internationale bescherming, die is aangevangen volgens de grensprocedure en is voortgezet volgens een gewone procedure, na het verstrijken van de termijn van vier weken „voorrang” kan krijgen in de zin van artikel 31, lid 7, van de procedurerichtlijn.

68.

Het antwoord ligt mijns inziens voor de hand. Artikel 31, lid 7, van de procedurerichtlijn biedt de lidstaten de flexibiliteit om een verzoek om internationale bescherming, met inachtneming van de normale procedurele termijnen, beginselen en waarborgen, voorrang te verlenen ten opzichte van andere verzoeken. Dat artikel bevat geen uitputtende opsomming van de situaties waarin een voorrangsbehandeling mogelijk is, maar geeft enkel voorbeelden daarvan. Zo kunnen de lidstaten volgens overweging 19 van de procedurerichtlijn „een verzoek met voorrang [...] behandelen” (cursivering van mij), mits de fundamentele beginselen en waarborgen van hoofdstuk II van de richtlijn in acht worden genomen.

69.

Als zodanig is de op de onderhavige zaken toepasselijke keuze van de Belgische wetgever om verzoeken met voorrang te behandelen wanneer de betrokkenen worden vastgehouden, in beginsel in overeenstemming met artikel 31, lid 7, van de procedurerichtlijn. Die benadering lijkt ook bij te dragen tot een spoedige en efficiënte procedure als bedoeld in overweging 18 van de procedurerichtlijn ( 40 ) en ervoor te zorgen dat de bewaring voor een zo kort mogelijke periode wordt opgelegd, in overeenstemming met de vereisten van de opvangrichtlijn. ( 41 )

2. Kan na het verstrijken van de termijn van vier weken gebruik worden gemaakt van tijdens de grensprocedure verrichte onderzoeksstappen?

70.

Een tweede punt waarop de verwijzende rechter ook een antwoord lijkt te willen, is of na het verstrijken van de termijn van vier weken, dus tijdens de gewone procedure, gebruik kan worden gemaakt van onderzoeksstappen die zijn verricht tijdens de grensprocedure.

71.

Mijns inziens is dit precies wat er na de grensprocedure gebeurt bij verdere behandeling volgens de gewone procedure overeenkomstig artikel 43, lid 2, van de procedurerichtlijn. Het zou tegen de behoefte aan een efficiënte en snelle procedure indruisen om te verlangen dat de beslissingsautoriteit, met voorbijgaan aan eerder verrichte onderzoeksstappen, helemaal opnieuw een onderzoek begint.

72.

Niettemin kan ik niet voorbijgaan aan de context van deze vraag, die door de verwijzende rechter als volgt is geschetst: „In de praktijk kunnen de korte termijnen en de vasthouding in het grensgebied [waardoor de Belgische grensprocedure wordt gekenmerkt] de toepassing van bepaalde basisbeginselen en bepaalde fundamentele waarborgen van hoofdstuk II van [de procedurerichtlijn] in het gedrang brengen (met name de toegang tot een advocaat [of] de tijd die nodig is om alle nuttige documenten ter staving van het verzoek te verzamelen [...])”. ( 42 )

73.

De verwijzende rechter lijkt hiermee te bedoelen dat de tijdens de grensprocedure verrichte onderzoeksstappen mogelijk van mindere kwaliteit zijn en derhalve in de gewone procedure niet zouden mogen worden gebruikt. Wat dat betreft kan ik alleen maar benadrukken dat onderzoeksstappen die niet voldoen aan de maatstaven van de fundamentele beginselen en waarborgen van hoofdstuk II van de procedurerichtlijn niet als grondslag kunnen dienen voor een beslissing, noch in een gewone procedure noch in een grensprocedure. De eerbiediging van deze fundamentele beginselen en waarborgen is een fundamentele en uitdrukkelijke voorwaarde voor de toepassing van alle procedures volgens de procedurerichtlijn, met inbegrip van de grensprocedure. ( 43 ) Het is derhalve aan de nationale rechter om bij de behandeling van elke zaak te beoordelen of die fundamentele beginselen en waarborgen tijdens de gehele gevolgde procedure in acht zijn genomen.

74.

Ik moet hoe dan ook verduidelijken dat het inroepen van tijdens de grensprocedure verrichte onderzoeksstappen geen afbreuk mag doen aan het recht van verzoeker om verdere verklaringen af te leggen en daarbij nieuwe gegevens over te leggen die hij niet eerder kon presenteren ( 44 ), noch aan de mogelijkheid om te profiteren van alle bijkomende waarborgen die alleen van toepassing zijn in de gewone procedure – zoals het recht om een kopie van het verslag of de schriftelijke weergave van het persoonlijk onderhoud te verkrijgen voordat een beslissing wordt genomen ( 45 ).

75.

Gezien het bovenstaande geef ik het Hof in overweging om op de derde vraag te antwoorden dat artikel 43 van de procedurerichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat een beslissingsautoriteit na afloop van de termijn van vier weken in die bepaling de onder de grensprocedure aangevangen behandeling van een verzoek om internationale bescherming met voorrang mag voortzetten en, in omstandigheden als de onderhavige, gebruik mag maken van tijdens de eerdere procedure verrichte onderzoeksstappen, mits de in hoofdstuk II van de procedurerichtlijn neergelegde fundamentele beginselen en waarborgen in elk stadium van de behandeling in acht worden genomen.

E.   Vierde vraag – verenigbaarheid van de nationale praktijk met de opvangrichtlijn en de procedurerichtlijn

76.

Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of „een dergelijke toepassing van de nationale regelgeving” verenigbaar is met het uitzonderlijke karakter van de bewaring van de verzoeker, dat voortvloeit uit artikel 8 van de opvangrichtlijn en de algemene doelstelling van de procedurerichtlijn.

77.

Omdat de in de vraag gebruikte term „een dergelijke toepassing van de nationale regelgeving” tamelijk vaag is, kan ik deze alleen opvatten als verwijzing naar de opeenvolgende stappen van de Belgische autoriteiten in de behandeling van alle zeven zaken waar het om gaat, met bijzondere nadruk op de bewaring van de verzoekers. De verwijzing naar de algemene doelstelling van de procedurerichtlijn lijkt in dit verband eveneens niet duidelijk, aangezien de richtlijn volgens overweging 12 ervan in de eerste plaats is bedoeld „om verdere normen voor de procedures in de lidstaten voor de verlening of intrekking van internationale bescherming te ontwikkelen met het oog op de vaststelling van een gemeenschappelijke asielprocedure in de Unie”. De verwijzende rechter heeft waarschijnlijk het oog op de nadere doelstelling van de richtlijn, die wordt uiteengezet in overweging 60 ervan: „te waarborgen dat de menselijke waardigheid ten volle wordt geëerbiedigd en te bevorderen dat [bepaalde grondrechten in] het Handvest worden toegepast”, met name de eerbiediging van de menselijke waardigheid, het verbod op folteringen en onmenselijke of vernederende behandelingen, en het recht op asiel.

78.

Gezien deze nadruk teken ik aan dat de verwijzende rechter duidelijk heeft gesteld dat hij niet bevoegd is tot toetsing van de beslissingen waarbij de bewaring van de verzoekers wordt gelast, en dat de bij hem aanhangige geschillen alleen betrekking hebben op de beslissingen waarbij de verzoeken om internationale bescherming van verzoekers als ongegrond of niet-ontvankelijk worden afgewezen. In dat licht moet ik toegeven dat ik, net als de Belgische regering, enigszins twijfel over de relevantie van de vraag voor de hoofdgedingen en derhalve over de ontvankelijkheid ervan.

79.

Ik moet echter wel toegeven dat de gestelde vraag, zoals ik deze begrijp en hieronder zal bespreken, verschillende elementen bevat die niet zonder meer als irrelevant voor de hoofdgedingen kunnen worden afgedaan. Daarom, en mede indachtig het vermoeden van relevantie dat op prejudiciële vragen rust ( 46 ), acht ik het passend deze vraag te bespreken – voor zover de benadering van de nationale autoriteiten voor de verwijzende rechter van belang geacht kan worden voor de geldigheid van de gevolgde procedure.

80.

Gelezen in het licht van de prejudiciële verwijzing als geheel vat ik de vraag van de verwijzende rechter aldus op dat zij betrekking heeft op de verenigbaarheid met de procedurerichtlijn en de opvangrichtlijn van een praktijk van de Belgische autoriteiten die bestaat uit i) de aanvankelijke behandeling van een verzoek volgens de grensprocedure, terwijl de verzoeker, op grond van artikel 8, lid 3, onder c), van de opvangrichtlijn, wordt vastgehouden in een bewaringslocatie binnen het grondgebied die met een plaats aan de grens is gelijkgesteld; ii) vaststelling van een nieuwe vasthoudingsbeslissing na afloop van de termijn van vier weken; iii) verlenging van de bewaring van verzoeker in dezelfde accommodatie, die niet langer wordt beschouwd als plaats aan de grens, en iv) voortzetting van de bewaring op een andere grond, namelijk artikel 8, lid 3, onder b), van de opvangrichtlijn, „om de gegevens te verkrijgen die ten grondslag liggen aan het verzoek om internationale bescherming en die niet zouden kunnen worden verkregen als de betrokkene niet in bewaring zou worden gehouden”, ongeacht of alle onderzoeksstappen, en met name het persoonlijk onderhoud, zijn verricht.

81.

Ik zal beginnen met punt iv), een aspect dat als enige niet al aan de orde is gekomen in de context van de vorige vragen maar waarop de verwijzende rechter in zijn derde vraag heeft gezinspeeld. Wat dit punt betreft, moet ik toegeven dat ik niet inzie welke gegevens die ten grondslag liggen aan een verzoek om internationale bescherming nog moeten worden verkregen wanneer alle onderzoeksstappen, met inbegrip van met name het persoonlijk onderhoud, hebben plaatsgevonden. Mijns inziens houdt de grond van artikel 8, lid 3, onder b), van de opvangrichtlijn na de laatste onderzoeksstap dan ook op van toepassing te zijn. Bovendien wordt een verzoeker volgens artikel 9, lid 1, van die richtlijn slechts in bewaring gehouden „voor een zo kort mogelijke termijn en slechts zo lang de in artikel 8, lid 3, genoemde redenen van toepassing zijn” ( 47 ). Wanneer eenmaal alle onderzoeksstappen zijn verricht, dat wil zeggen dat de autoriteiten alle voor hun beoordeling benodigde gegevens hebben verzameld en er geen verdere stappen hoeven te worden genomen, kan een verzoeker daarom volgens mij niet langer in bewaring worden gehouden op grond van artikel 8, lid 3, onder b), van de opvangrichtlijn.

82.

Verder heb ik wat betreft de punten i) tot en met iii) in mijn bespreking van de vorige vragen al uiteengezet dat de verenigbaarheid ervan met het Unierecht mijns inziens in beginsel niet ter discussie staat.

83.

Ik zou tekortschieten wanneer ik hieraan niet zou toevoegen dat de vrijwel identieke opeenvolging van de stappen in alle zeven zaken erop kan wijzen dat dit een benadering is die stelselmatig wordt gevolgd, zoals de verzoekers hebben beweerd. Dat zou, naast wat in punt 81 hierboven is besproken, aanleiding geven tot zorgen betreffende de verenigbaarheid met het Unierecht, met name artikel 8 van de opvangrichtlijn en artikel 43 van de procedurerichtlijn, in het licht van de doelstelling van de procedurerichtlijn om de toepassing van de fundamentele rechten van verzoekers te bevorderen en te handhaven (zie punt 77 hierboven).

84.

Een stelselmatige toepassing van de in punt 80 hierboven beschreven benadering zou met name de indruk wekken dat inbewaringstelling zowel tijdens de grensprocedure als tijdens de gewone procedure nagenoeg een automatisme is, en geen uitzonderlijke maatregel die als laatste noodgreep wordt toegepast op grond van een individuele beoordeling van de evenredigheid en de noodzakelijkheid ervan, zoals artikel 8, lid 2, van de opvangrichtlijn voorschrijft. ( 48 ) Indien dat inderdaad het geval is, kan de stelselmatige toepassing van de grensprocedure op verzoeken om internationale bescherming ondanks voorzienbare problemen met de naleving van de termijn van vier weken, terwijl de bewaring van de verzoekers door kunstmatige wijziging van de grondslag daarvan wordt verlengd, neerkomen op misbruik van de grensprocedure en omzeiling van de in artikel 43, lid 2, van de procedurerichtlijn neergelegde termijn van vier weken.

85.

Gezien deze overwegingen geef ik het Hof in overweging om de vierde vraag aldus te beantwoorden dat de opvangrichtlijn en de procedurerichtlijn zich niet verzetten tegen een praktijk als aan de orde in de hoofdgedingen – die in wezen bestaat uit het langer dan voor een periode van vier weken in bewaring houden van een verzoeker wiens verzoek aanvankelijk is behandeld volgens de grensprocedure, in fysiek dezelfde locatie maar op basis van een andere bewaringsgrond – mits elke bewaringsmaatregel naar behoren is genomen op basis van een individuele noodzakelijkheids‑ en evenredigheidsbeoordeling en slechts wordt voortgezet zolang de relevante grond voor de bewaring van toepassing is.

F.   Vijfde vraag – ambtshalve toetsing door de nationale rechter

86.

Met zijn vijfde en laatste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 31, leden 7 en 8, en de artikelen 43 en 46 van de procedurerichtlijn, in samenhang met artikel 47 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat deze rechter bij de behandeling van een beroep tegen een beslissing in het kader van een aan de grens ingeleide procedure ambtshalve de niet-naleving van de termijn van vier weken van artikel 43, lid 2, van de procedurerichtlijn dient op te werpen. ( 49 ) Het dossier wekt de indruk dat deze vraag alleen relevant is ten aanzien van de verzoekers in twee van de zeven zaken, die een dergelijk middel kennelijk niet (op een ontvankelijke manier) voor de verwijzende rechter hebben aangevoerd. ( 50 )

87.

Gezien mijn standpunt inzake de vorige vragen lijkt me dat deze vraag geen beantwoording behoeft omdat hij grotendeels niet meer ter zake doet. Gezien bovenstaande analyse en de specifieke feitelijke achtergrond van de zaak – met name het feit dat dezelfde beslissingsautoriteit bevoegd is voor zowel de grensprocedure als de gewone procedure – valt moeilijk in te zien hoe het antwoord op deze vraag van invloed zou zijn op de beslissing van de hoofdgedingen.

88.

Voor het geval het Hof niettemin van oordeel mocht zijn dat het deze vraag dient te beantwoorden omdat het een ander standpunt heeft ingenomen met betrekking tot de vorige vragen ( 51 ), merk ik het volgende op.

89.

Ten eerste verplicht het Unierecht de nationale rechter volgens vaste rechtspraak van het Hof niet om ambtshalve aan de schending van het Unierecht ontleende rechtsgronden in het geding te brengen wanneer hij voor het onderzoek van deze rechtsgronden buiten de grenzen van het door de partijen afgebakende geding zou moeten treden. ( 52 )

90.

Het Hof heeft niettemin ook opgemerkt dat artikel 46, lid 3, van de procedurerichtlijn, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest, dat het recht van verzoekers op een doeltreffende voorziening in rechte waarborgt, vereist dat de rechterlijke instantie waarvoor tegen de beslissing inzake het verzoek om internationale bescherming wordt opgekomen, een „volledig en ex-nunconderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden” uitvoert. Het Hof heeft geoordeeld dat een zodanig volledig en ex-nunconderzoek een ambtshalve toetsing moet omvatten van bepaalde procedurele aspecten – voor zover deze onder de aandacht van de nationale rechter zijn gebracht – die gevolgen kunnen hebben voor de behandelingsprocedure van dergelijke verzoeken. ( 53 )

91.

Mijns inziens vormt het verstrijken van de termijn van vier weken zonder dat een beslissing is genomen op het verzoek om internationale bescherming in beginsel een dergelijk procedureel aspect, aangezien dat de overgang van de grensprocedure naar de gewone procedure betekent, met andere woorden een wijziging in de toegepaste behandelingsprocedure. ( 54 ) Ik ben derhalve van mening dat de in het vorige punt aangehaalde rechtspraak in de onderhavige context van toepassing is, en dat het achterwege blijven van een beslissing binnen de termijn van vier weken in beginsel uit eigen beweging door de nationale rechter dient te worden onderzocht.

92.

Derhalve geef ik het Hof, indien het besluit de vijfde vraag te beantwoorden, in overweging te oordelen dat artikel 46, lid 3, van de procedurerichtlijn, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat een nationale rechter bij wie beroep is ingesteld tegen een beslissing tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming, dat aanvankelijk is behandeld volgens de grensprocedure van artikel 43, in het kader van zijn volledige en ex-nunconderzoek, op basis van de elementen van het dossier en de elementen die hem in de loop van het geding ter ore zijn gekomen, ambtshalve moet onderzoeken of binnen de in artikel 43, lid 2, van de procedurerichtlijn neergelegde termijn van vier weken een beslissing is genomen.

VI. Conclusie

93.

Gezien al het bovenstaande geef ik het Hof in overweging de vragen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te beantwoorden als volgt:

„1)

Artikel 43 van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (hierna: ‚procedurerichtlijn’)

verzet zich er niet tegen dat een aan de grens of in een transitzone ingediend verzoek om internationale bescherming volgens de grensprocedure wordt behandeld wanneer de verzoeker in bewaring wordt gehouden in accommodatie die geografisch gezien niet aan de grens is gelegen.

2)

Na het verstrijken van de in artikel 43 van de procedurerichtlijn bepaalde termijn van vier weken valt de behandeling van een verzoek om internationale bescherming niet onder dat artikel, ongeacht of de bewaring van verzoeker wordt voortgezet en of de plaats van die bewaring rechtens wordt aangemerkt als gelegen aan de grens dan wel op het grondgebied.

3)

Artikel 43 van de procedurerichtlijn

moet aldus te worden uitgelegd dat

een beslissingsautoriteit na afloop van de daarin neergelegde termijn van vier weken de onder de grensprocedure aangevangen behandeling van een verzoek om internationale bescherming met voorrang mag voortzetten en, in omstandigheden als de onderhavige, gebruik mag maken van tijdens de eerdere procedure verrichte onderzoeksstappen, mits de in hoofdstuk II van de procedurerichtlijn neergelegde fundamentele beginselen en waarborgen in elk stadium van de behandeling in acht worden genomen.

4)

Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming en de procedurerichtlijn

verzetten zich niet tegen een praktijk als aan de orde in de hoofdgedingen – in wezen bestaande uit het langer dan voor de periode van vier weken in bewaring houden van een verzoeker wiens verzoek aanvankelijk is behandeld volgens de grensprocedure, in fysiek dezelfde locatie maar op basis van een andere bewaringsgrond – mits elke bewaringsmaatregel naar behoren is genomen op basis van een individuele noodzakelijkheids‑ en evenredigheidsbeoordeling en slechts wordt voortgezet zolang de relevante grond voor de bewaring van toepassing is.

5)

Artikel 46, lid 3, van de procedurerichtlijn, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

moet aldus worden uitgelegd dat

een nationale rechter bij wie beroep is ingesteld tegen een beslissing tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming, dat aanvankelijk is behandeld volgens de grensprocedure van artikel 43, in het kader van zijn volledige en ex-nunconderzoek en op basis van de elementen van het dossier en de elementen die hem in de loop van het geding ter ore zijn gekomen, ambtshalve moet onderzoeken of binnen de in artikel 43, lid 2, van de procedurerichtlijn neergelegde termijn van vier weken een beslissing is genomen.”


( 1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.

( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.

( 2 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB 2013, L 180, blz. 60) (hierna ook: „procedurerichtlijn”).

( 3 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (PB 2013, L 180, blz. 96) (hierna ook: „opvangrichtlijn”).

( 4 ) Belgisch Staatsblad, 31 december 1980, blz. 14584.

( 5 ) Koninklijk besluit van 14 mei 2009 houdende vaststelling van het regime en de werkingsmaatregelen, toepasbaar op de woonunits, als bedoeld in artikel 74/8, § 1, van de wet van 15 december 1980; Belgisch Staatsblad, 27 mei 2009, blz. 38857 (hierna: „koninklijk besluit van 2009”).

( 6 ) Koninklijk besluit van 17 februari 2012 tot bepaling van een plaats als bedoeld in artikel 74/8, § 2, van de wet van 15 december 1980; Belgisch Staatsblad, 15 maart 2012, blz. 15767 (hierna: „koninklijk besluit van 2012”).

( 7 ) Op de grond dat de verzoekers niet voldeden aan de in de wet van 15 december 1980 neergelegde toelatingsvoorwaarden (waaronder bijvoorbeeld een geldig visum).

( 8 ) Op grond van artikel 74/5, § 1, 2°, van de wet van 15 december 1980, dat correspondeert met de bewaringsgrond van artikel 8, lid 3, onder c), van de opvangrichtlijn, namelijk om in het kader van een grensprocedure een beslissing te nemen over het recht van verzoeker om het grondgebied te betreden (hierna: „eerste vasthoudingsbeslissing”).

( 9 ) Zie artikel 2, punt 2, van verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) (PB 2016, L 77, blz. 1), dat buitengrenzen definieert als „de landgrenzen, met inbegrip van de rivier‑ en meergrenzen, de zeegrenzen alsmede de lucht-, rivier-, zee‑ en meerhavens van de lidstaten, voor zover zij geen binnengrenzen zijn”.

( 10 ) Zowel de verwijzende rechter als de Belgische regering hebben deze accommodatielocatie genoemd als de plaats van bewaring van de betrokken verzoekers.

( 11 ) Volgens artikel 57/6, § 2, van de wet van 15 december 1980 beslist de CGVS bij voorrang indien de verzoeker zich bevindt in een welbepaalde plaats, hetzij op het grondgebied hetzij aan de grens; zie ook artikel 31, lid 7, van de procedurerichtlijn.

( 12 ) Zie arresten van 14 mei 2020, Országos Idegenrendészeti Főigazgatóság Dél-alföldi Regionális Igazgatóság (C‑924/19 PPU en C‑925/19 PPU, EU:C:2020:367) (hierna: „arrest FMS e.a.”); 17 december 2020, Commissie/Hongarije (Opvang van personen die om internationale bescherming verzoeken) (C‑808/18, EU:C:2020:1029) (hierna: „arrest Commissie/Hongarije”), en 30 juni 2022, Valstybės sienos apsaugos tarnyba e.a. (C‑72/22 PPU, EU:C:2022:505) (hierna: „arrest in zaak C‑72/22 PPU”).

( 13 ) Zie arrest in zaak C‑72/22 PPU, punt 74, en mijn conclusie in die zaak (EU:C:2022:431, punt 126) (hierna: „mijn conclusie in zaak C‑72/22 PPU”).

( 14 ) Zie arrest FMS e.a., punt 236.

( 15 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008, L 348, blz. 98); zie artikel 2, lid 2, onder a), en artikel 4, lid 4, daarvan.

( 16 ) Zie bijvoorbeeld European Parliamentary Research Service, „Asylum procedures at the border – European implementation assessment”, PE 654.201, november 2020 (hierna: „EPRS-verslag”).

( 17 ) Zie arrest in FMS e.a., punt 239.

( 18 ) Voor de betekenis van de term „grenzen” kan te rade worden gegaan bij de Schengengrenscode (zie voetnoot 9 hierboven), maar er is geen definitie van de term „transitzone” in de procedurerichtlijn of in enig ander relevant regelgevingsinstrument. In de gangbare betekenis van de term in alledaags taalgebruik wordt met „transitzone” echter meestal gedoeld op plaatsen die in het algemeen deel uitmaken van internationale lucht‑ en zeehavens en zijn gelegen in de buurt van of naast grensposten (al wordt de precieze omvang ervan bepaald door de betrokken staat), waar personen die de grens zijn overgestoken tijdelijk verblijven, in afwachting van hun doorreis of toegang tot het grondgebied van de staat.

De wet van 15 december 1980, waarin met uitoefening van de door artikel 43 van de procedurerichtlijn gelaten beoordelingsruimte grensprocedures worden ingesteld, spreekt alleen van „grenzen”, nergens van „transitzones”. De onderhavige analyse betreft evenwel beide termen, aangezien ze in artikel 43 in combinatie worden gebruikt.

( 19 ) Zie bijvoorbeeld de vergelijkende studies: Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO), „Border procedures for asylum applications in EU+ countries”, september 2020, en het EPRS-verslag, voetnoot 16, op. cit.

( 20 ) In feite dus op locaties in de buurt van grensposten, gezien het feit dat mensen niet op een grenslijn kunnen worden vastgehouden.

( 21 ) Zie dienaangaande mijn conclusie in zaak C‑72/22 PPU, punt 127.

( 22 ) Zie bijvoorbeeld de resolutie van het Europees Parlement van 10 februari 2021 over de uitvoering van artikel 43 van richtlijn [2013/32] (PB 2021, C 465, blz. 47).

( 23 ) Voor het Unierecht uitdrukkelijk neergelegd in de Schengengrenscode; zie voetnoot 9 hierboven.

( 24 ) Zie ook arrest EHRM van 25 juni 1996, Amuur tegen Frankrijk, CE:ECHR:1996:0625JUD001977692, § 52, met het oog op het in die zones geldende recht.

( 25 ) In plaats van rechtstreeks de plaats van bewaring tijdens grensprocedures aan te wijzen, bereikt de Belgische wetgeving hetzelfde resultaat in twee stappen: door eerst bewaring in „een plaats aan de grens” voor te schrijven en vervolgens als juridische fictie de plaatsen aan te wijzen die als zodanig worden aangemerkt. Die benadering doet evenwel materieel niet af aan de onderhavige analyse.

( 26 ) Het betoog van de Commissie wordt gepresenteerd met erkenning van de beoordelingsvrijheid van de lidstaten bij de vaststelling van de precieze locatie en omvang van transitzones; zie voetnoot 18 hierboven.

( 27 ) Zie arrest in FMS e.a., punten 242 e.v., en arrest Commissie/Hongarije, punt 181.

( 28 ) Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Unie en tot intrekking van richtlijn [2013/32] (PB L, 2024/1348).

( 29 ) Zie artikel 54 van verordening 2024/1348.

( 30 ) Zie arrest FMS e.a., punt 235.

( 31 ) Arrest FMS e.a., punt 241.

( 32 ) Zie met name de in punt 3.1.1 van de verwijzingsbeslissing aangehaalde nationale rechtspraak.

( 33 ) De verwijzende rechter verwijst (hier en in de derde vraag) naar de situatie dat een beslissing tot verder onderzoek is genomen, die een tussenbeslissing is waarin wordt vastgesteld dat verder onderzoek nodig is. Naar Belgisch recht heeft een dergelijke beslissing hetzelfde gevolg als het verstrijken van de termijn van vier weken, namelijk dat het de verzoeker is toegestaan het grondgebied binnen te komen. Het staat vast dat in de zaken C‑54/24 tot en met C‑56/24 beslissingen tot verder onderzoek waren genomen, die evenwel niet van invloed waren op de status van de betrokkenen, die uit hoofde van het verstrijken van de termijn van vier weken al gemachtigd waren om het grondgebied binnen te komen. Derhalve is een specifieke bespreking van de situatie waarin beslissingen tot verder onderzoek zijn genomen niet relevant.

( 34 ) Zie artikel 26, lid 1, van de procedurerichtlijn, dat kruisverwijzingen naar de opvangrichtlijn bevat.

( 35 ) Zie arrest in zaak C‑72/22 PPU, punt 83 en aldaar aangehaalde rechtspraak.

( 36 ) Zie artikel 2, onder f), en artikel 4, lid 1, van de procedurerichtlijn.

( 37 ) Zie in die zin punt 4.3, onder b), ii), van de verwijzingsbeslissing.

( 38 ) In een grensprocedure kan alleen een inhoudelijke beslissing worden genomen in de omstandigheden die in artikel 31, lid 8, van de procedurerichtlijn uitputtend worden opgesomd.

( 39 ) Indien een grensprocedure wordt gevolgd door een versnelde procedure, zou een inhoudelijke beslissing noodzakelijkerwijs beperkt blijven tot de omstandigheden die in artikel 31, lid 8, van de procedurerichtlijn voor beide typen procedures uitputtend worden opgesomd.

( 40 ) Overweging 18 van de procedurerichtlijn luidt: „Het is in het belang van zowel de lidstaten als de personen die om internationale bescherming verzoeken dat zo spoedig mogelijk een beslissing wordt genomen inzake verzoeken om internationale bescherming, onverminderd het uitvoeren van een behoorlijke en volledige behandeling.”

( 41 ) Zie artikel 9 en overweging 16 van de opvangrichtlijn.

( 42 ) Zie punt 4.3, onder b), iv), van de verwijzingsbeslissing.

( 43 ) Zie artikel 31, leden 1, 7 en 8, en artikel 43, lid 1, van de procedurerichtlijn.

( 44 ) Overeenkomstig artikel 40 van de procedurerichtlijn.

( 45 ) Zie dienaangaande artikel 17, lid 5, van de procedurerichtlijn.

( 46 ) Zie arrest van 8 november 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Ambtshalve toetsing van de bewaring) (C‑704/20 en C‑39/21, EU:C:2022:858, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak) (hierna: „arrest in de zaken C‑704/20 en C‑39/21”).

( 47 ) Artikel 9, lid 1, tweede alinea, van de opvangrichtlijn bepaalt bovendien: „Administratieve procedures die verband houden met de in artikel 8, lid 3, genoemde redenen voor bewaring, worden met de nodige zorgvuldigheid uitgevoerd. Vertraging in de administratieve procedure die niet aan de verzoeker kan worden toegeschreven, is geen reden om de bewaring te laten voortduren.” Volgens overweging 16 van die richtlijn mag de bewaring voorts „niet langer duren dan redelijkerwijs nodig is om de betrokken procedures te voltooien”.

( 48 ) Zie arrest van 25 juni 2020, Ministerio Fiscal (Autoriteit die wellicht verzoeken om internationale bescherming ontvangt) (C‑36/20 PPU, EU:C:2020:495, punten 101105 en aldaar aangehaalde rechtspraak); zie ook overweging 15 van de opvangrichtlijn.

( 49 ) De verwijzende rechter formuleert dit ruimer als „overschrijding van de termijn van vier weken”. In aanmerking nemende dat i) die rechter geen rechtsmacht heeft in bewaringszaken en ii) de verzoekers in alle zaken formeel toestemming hadden verkregen om het grondgebied binnen te komen, kan de genoemde overschrijding alleen worden geacht worden het uitblijven van een beslissing binnen die periode van vier weken te betreffen.

( 50 ) Met name hebben de verzoekers in de zaken C‑52/24 en C‑53/24, anders dan de overige verzoekers, in hun oorspronkelijke beroepen geen schending aangevoerd van artikel 57/6/4 van de wet van 15 december 1980 (waarbij artikel 43 van de procedurerichtlijn is omgezet). Hoewel deze verzoekers een zodanige schending ter terechtzitting vervolgens wel hebben aangevoerd, heeft de verwijzende rechter aangegeven dat middelen die niet in het aanvankelijke beroep zijn aangevoerd, in beginsel niet-ontvankelijk zijn.

( 51 ) Bijvoorbeeld indien het Hof van oordeel is dat na afloop van de termijn van vier weken geen rekening kan worden gehouden met de onderzoeksstappen die tijdens die periode zijn verricht (anders dan ik in de punten 71‑75 hierboven heb betoogd).

( 52 ) Zie arrest in de zaken C‑704/20 en C‑39/21, punt 91 en aldaar aangehaalde rechtspraak.

( 53 ) Arrest van 4 oktober 2024, Ministerstvo vnitra České republiky, Odbor azylové a migrační politiky (C‑406/22, EU:C:2024:841).

( 54 ) Bovendien hebben de verzoekers die dit middel niet in hun aanvankelijke beroep hebben aangevoerd, dit ongetwijfeld onder de aandacht van de verwijzende rechter gebracht, niet in de laatste plaats in het stadium van de terechtzitting; zie voetnoot 50 hierboven.