|
25.9.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 338/36 |
Beroep ingesteld op 28 juli 2023 — Deutsche Kreditbank/GAR
(Zaak T-483/23)
(2023/C 338/47)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Deutsche Kreditbank AG (Berlijn, Duitsland) (vertegenwoordigers: H. Berger, M. Weber en D. Schoo, advocaten)
Verwerende partij: Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
|
— |
het besluit van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad van 2 mei 2023 over de berekening van de voor 2023 vooraf aan het Gemeenschappelijk Afwikkelingsfonds te betalen bijdragen (SRB/ES/2023/23), met inbegrip van de bijlagen daarbij, nietig te verklaren, althans voor zover het bestreden besluit en bijlagen I, II en III daarbij verzoekster betreffen, en |
|
— |
de GAR te verwijzen in de kosten. |
Subsidiair, voor het geval dat het Gerecht zou oordelen dat het bestreden besluit ingevolge het gebruik van de verkeerde officiële taal door de GAR rechtens niet bestaat en het beroep tot nietigverklaring derhalve niet-ontvankelijk is omdat het zonder voorwerp is geraakt, vordert verzoekster dat
|
— |
wordt vastgesteld dat het bestreden besluit rechtens niet bestaat, en |
|
— |
de GAR wordt verwezen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van het beroep voert verzoekster zeven middelen aan.
|
1. |
Het besluit is in strijd met artikel 81, lid 1, van verordening (EU) nr. 806/2014 (1) juncto artikel 3 van verordening nr. 1 (2), omdat het niet is opgesteld in de jegens verzoekster te gebruiken officiële taal, namelijk Duits. |
|
2. |
Het besluit voldoet niet aan de motiveringsplicht van artikel 296, tweede alinea, VWEU, en artikel 41, lid 1 en lid 2, onder c), van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (3) (hierna: “Handvest”) en schendt het grondrecht op effectieve rechterlijke bescherming overeenkomstig artikel 47, lid 1, van het Handvest, omdat het blijk geeft van een gebrekkige motivering en rechterlijke toetsing van het besluit praktisch onmogelijk is. |
|
3. |
Het besluit is in strijd met de artikelen 69 en 70 van verordening (EU) nr. 806/2014 en de artikelen 16, 17, 41 en 53 van het Handvest, omdat verweerder het jaarlijkse streefbedrag onjuist heeft vastgesteld; subsidiair zijn de artikelen 69 en 70 van verordening (EU) nr. 806/2014 in strijd met hogere rechtsregels. |
|
4. |
Artikel 6 van gedelegeerde verordening (EU) 2015/63 (4) en bijlage I, stap 2, bij deze verordening zijn in strijd met hogere rechtsregels, aangezien zij in strijd zijn met de beginselen van de Meroni-rechtspraak (5), de Commissie daarmee de haar verleende bevoegdheden heeft overschreden en omdat zij niet stroken met het vereiste van een risicogeörienteerde berekening van de bijdrage, het evenredigheidsbeginsel en het vereiste om ten volle rekening te houden met de feiten van de zaak. |
|
5. |
Subsidiair is het besluit in strijd met de artikelen 16, 20 en 52 van het Handvest en met het evenredigheidsbeginsel omdat het, wat de bepaling van de risico-indicatoren van risicopijler IV betreft, berust op kennelijke beoordelingsfouten. |
|
6. |
Het besluit in strijd met de artikelen 16, 20, 41 en 52 van het Handvest en met het evenredigheidsbeginsel alsmede het recht op behoorlijk bestuur, omdat de risicoaanpassing onjuist heeft plaatsgevonden. |
|
7. |
Artikel 20, lid 1, eerste en tweede volzin, van gedelegeerde verordening (EU) 2015/63 is in strijd met hogere rechtsregels, omdat daarin wordt vastgesteld dat een of meer risico-indicatoren voor onbepaalde tijd geen toepassing vinden voor zover voor de daarvoor noodzakelijke informatie geen prudentiële meldingsplicht geldt. |
(1) Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB 2014, L 225, blz. 1).
(2) Verordening nr. 1 van de Raad van 15 april 1958 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap (PB 1958, 17, blz. 385).
(4) Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/63 van de Commissie van 21 oktober 2014 tot aanvulling van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van wat de vooraf te betalen bijdragen aan afwikkelingsfinancieringsregelingen betreft (PB 2015, L 11, blz. 44).
(5) Arrest van 13 juni 1958, Meroni/Hoge Autoriteit, 10/56, EU:C:1958:8.