|
11.9.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 321/54 |
Beroep ingesteld op 7 juli 2023 — Mincu Pătrașcu Brâncuși / Europees Openbaar Ministerie
(Zaak T-385/23)
(2023/C 321/60)
Procestaal: Roemeens
Partijen
Verzoekende partij: Constantin Mincu Pătrașcu Brâncuși (București, Roemenië) (vertegenwoordiger: A. Şandru, advocaat)
Verwerende partij: Europees Openbaar Ministerie
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
|
— |
de beslissing van de permanente kamer van het Europees Openbaar Ministerie van 8 december 2022 in zaak nr. I.130/2021, om de zaak voor afdoening terug te verwijzen en ten dele terzijde te leggen, nietig te verklaren; bij deze beslissing heeft het Europees Openbaar Ministerie de zaak waarin verzoeker in verdenking was gesteld, voor afdoening terugverwezen, op grond dat de permanente kamer niet bestond uit het Unierechtelijk verplichte minimumaantal Europees aanklagers, in strijd met de regels inzake de samenstelling van de permanente kamers van artikel 10, lid 1, van verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie: |
|
— |
met een beroep op de exceptie van onwettigheid van het reglement van orde van het Europees Openbaar Ministerie, aangezien dit in strijd is met artikel 10 van verordening 2017/1939, alsmede met een beroep op de exceptie van onwettigheid van de bepalingen van het reglement van orde van het Europees Openbaar Ministerie die in strijd zijn met het VWEU en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij twee middelen aan.
|
1. |
Eerste middel: schending van artikel 10 van verordening 2017/1939 als gevolg van de vaststelling van de bestreden beslissing. In wezen is de bestreden beslissing van de permanente kamer vastgesteld in strijd met artikel 10 van verordening 2017/1939, dat bepaalt dat een permanente kamer bestaat uit twee vaste leden, naast de voorzitter. |
|
2. |
Tweede middel: exceptie van onwettigheid van het reglement van orde van het Europees Openbaar Ministerie Aangezien het Europees Openbaar Ministerie het feit dat artikel 23, lid 5, van het reglement van orde van het Europees Openbaar Ministerie is nageleefd bij de vaststelling van de bestreden beslissing van de permanente kamer, voldoende acht, heeft verzoeker op grond van artikel 277 VWEU de exceptie van onwettigheid van deze bepaling opgeworpen doordat zij in strijd is met artikel 10, lid 1, van verordening 2017/1939, dat geen enkele afwijking toelaat. |