26.6.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 223/31


Beroep ingesteld op 7 april 2023 — Ballmann / EDPB

(Zaak T-183/23)

(2023/C 223/43)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Lisa Ballmann (Innsbruck, Oostenrijk) (vertegenwoordiger: F. Mikolasch, advocaat)

Verwerende partij: Europees Comité voor gegevensbescherming

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

het besluit van het Europees Comité voor gegevensbescherming (European Data Protection Board; hierna: “EDPB”) van 7 februari 2023 waarbij verzoekster krachtens artikel 41, lid 2, onder b), van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie toegang wordt geweigerd tot het dossier over bindend besluit 3/2022 van het EDPB betreffende het door de Ierse toezichthoudende autoriteit voorgelegde geschil met betrekking tot Meta Platforms Ireland Limited en haar Facebook-dienst [artikel 65 Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: “AVG”) (1)], nietig te verklaren;

het EDPB te verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Tot staving van haar beroep voert verzoekster één middel aan, dat is ontleend aan schending door het EDPB van artikel 41, lid 2, onder b), van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: “Handvest”)

Het EDPB heeft artikel 41, lid 2, onder b), van het Handvest geschonden toen het verzoeksters verzoek om toegang tot het dossier over bindend besluit 3/2022 van het EDPB heeft afgewezen op grond dat de klagers (verzoekster en haar vertegenwoordiger als bedoeld in artikel 80, lid 1 AVG, de non-profitorganisatie NOYB-European Center for Digital Rights) geen recht van toegang hebben tot het dossier omdat bindend besluit 3/2022 waarschijnlijk niet nadelig zou zijn voor hen;

Anders dan in artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest, komt het element “nadelig zijn” niet voor in artikel 41, lid 2, onder b), van het Handvest en er moet dan ook niet aan worden voldaan;

Verzoekster vraagt uit hoofde van artikel 41, lid 2, onder b), van het Handvest inzage in het haar “betreffende dossier”. De zaak gaat rechtstreeks over haar persoonlijke klacht tegen Meta op grond van artikel 77 AVG over haar persoonsgegevens. Bindend besluit 3/2022 verwijst meer dan 160 keer naar de “klacht” en de “klager”. Het EDPB zelf stelt in bindend besluit 3/2022 dat het desbetreffende ontwerpbesluit betrekking heeft op een “onderzoek naar aanleiding van een klacht”, terwijl de klacht was ingediend door verzoekster. Bindend besluit 3/2022 verwijst zowel naar verzoekster als naar de non-profitorganisatie NOYB-European Center for Digital Rights die haar, als klager, op grond van artikel 80, lid 1, AVG vertegenwoordigde;

Het recht van inzage van artikel 41, lid 2, onder b), van het Handvest is een autonoom recht. Artikel 41 van het Handvest maakt een duidelijk onderscheid tussen het recht van inzage in het dossier en het recht te worden gehoord. De draagwijdte en doelstelling van deze rechten zijn verschillend. Het laatstgenoemde recht is voornamelijk een recht van verdediging. Het recht van inzage in een dossier is daarentegen ook een aspect van wapengelijkheid en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte. Het Hof van Justitie zelf behandelt de aanspraken op beide rechten afzonderlijk en maakt het recht van inzage niet afhankelijk van het recht te worden gehoord;

Zelfs als het “nadelig zijn” een element zou zijn van artikel 41, lid 2, onder b), van het Handvest (wat niet het geval is), dan nog zou aan deze voorwaarde zijn voldaan aangezien:

het EDPB maar over één van de negen vorderingen van verzoekster van 9 september 2019 ten dele heeft beslist in bindend besluit 3/2022 (de vordering werd ingeperkt van elke vorm van “reclame” tot enkel “gedragsgericht adverteren”) en de rest van de vorderingen in de klacht niet heeft behandeld;

de Oostenrijkse en Ierse toezichthoudende autoriteiten momenteel discussie voeren over de vraag of deze zaken nog bij hen of bij het EDPB aanhangig zijn, dan wel dat deze vorderingen op een bepaald moment in de procedure werden afgewezen; ook zijn er hieromtrent geschillen tussen verzoekster en de toezichthoudende autoriteiten aanhangig bij de Ierse en Oostenrijkse rechters; en

verzoekster zonder inzage in de dossiers geen inzicht kan krijgen in de procedure die ertoe heeft geleid dat het EDPB slechts ten dele heeft beslist over één vordering, terwijl de Oostenrijkse en Ierse toezichthoudende autoriteiten zich baseren op het besluit van het EDPB.


(1)  Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (PB 2016, L 119, blz. 1).