Zaak T‑613/23

James Flett

tegen

Europese Commissie

Arrest van het Gerecht (Vierde kamer – uitgebreid) van 23 juli 2025

„Openbare dienst – Ambtenaren – Aanwerving – Kennisgeving van vacature – Leidinggevend personeel van de Commissie – Afwijzing van sollicitatie – Benoeming van een andere kandidaat – Onregelmatigheid van de aanwervingsprocedure – Kennelijk onjuiste beoordeling – Exceptie van onwettigheid – Rechtszekerheid – Delegatie van de voorzitter van de Commissie aan haar kabinetschef – Aansprakelijkheid”

  1. Ambtenaren – Vacature – Leidinggevend personeel – Selectieprocedure – Beoordeling van de geschiktheid van de kandidaten – Geschiktheid om hogere leidinggevende functies uit te oefenen – Uitsluiting van een kandidaat aan het einde van de tweede beoordelingsfase op grond dat de betrokkene niet over de vereiste vaardigheden beschikt – Toelaatbaarheid – Selectie van één kandidaat – Toelaatbaarheid

    (zie punten 32‑36, 38‑46)

  2. Ambtenaren – Vacature – Beoordeling van de geschiktheid van de kandidaten – Beoordelingsbevoegdheid van de commissie – Rechterlijke toetsing – Grenzen

    (zie punten 62‑67, 69‑71)

  3. Ambtenaren – Vacature – Leidinggevend personeel – Beoordeling van de geschiktheid van de kandidaten – Geschiktheid om hogere leidinggevende functies uit te oefenen – Specifieke kennis van de kandidaat op het betrokken gebied – Niet-doorslaggevend – Mogelijkheid voor de commissie om bij de beoordeling van de leidinggevende geschiktheid rekening te houden met de antwoorden op vragen over andere selectiecriteria

    (zie punt 67)

  4. Beroepen van ambtenaren – Beroep tegen het besluit tot afwijzing van een sollicitatie naar een vacant ambt – Middel betreffende de onregelmatigheid van de selectieprocedure – Betwisting van de uitsluiting van de betrokkene tijdens een voorselectiefase, waardoor hij niet door de bevoegde autoriteit kon worden gehoord, zelfs niet wanneer deze de voorgeselecteerde kandidaten zou afwijzen – Ontvankelijkheid

    (zie punten 88‑94, 118)

  5. Ambtenaren – Vacature – Leidinggevend personeel – Selectieprocedure – Door de Commissie vastgestelde regels inzake maatregelen ten behoeve van gendergelijkheid – Mogelijkheid voor de voorzitter van de Commissie om een gesprek om dwingende dienstredenen aan haar kabinetschef te delegeren – Verzuim om een delegatiebesluit voor de betrokken procedure vast te stellen of om de toepasselijke dwingende redenen uiteen te zetten – Ontoelaatbaarheid – Gevolgen

    (zie punten 120‑131)

  6. Ambtenaren – Niet-contractuele aansprakelijkheid van de instellingen – Voorwaarden – Schade – Materiële schade bestaande in het verlies van een kans om te worden benoemd in een leidinggevende functie – Evaluatie – Criteria – Reëel en definitief karakter van het verlies

    (Art. 340, tweede alinea, VWEU)

    (zie punten 143‑149)

Samenvatting

James Flett, die zich kandidaat had gesteld voor de functie van hoofdadviseur juridische zaken voor het team Handelsbeleid en Wereldhandelsorganisatie van de Juridische Dienst van de Europese Commissie (hierna: „betrokken functie”), heeft bij het Gerecht beroep ingesteld. Het Gerecht (uitgebreide kamer) verklaart het besluit van de Commissie tot benoeming van een andere kandidaat voor deze functie (hierna: „bestreden besluit”) nietig, maar wijst verzoekers schadevordering af. In dit verband verduidelijkt het Gerecht onder welke voorwaarden de voorzitter van de Commissie (hierna: „voorzitter”) de taak om een gesprek te voeren met het oog op de indienstneming van een lid van het hoger leidinggevend personeel aan haar kabinetschef kan delegeren.

In mei 2022 publiceerde de Commissie een kennisgeving van vacature voor de betrokken functie, met daarin de criteria voor beoordeling van de functievereisten. In september 2022 hebben acht kandidaten een gesprek met het voorselectiepanel van de Commissie gehad. In oktober 2022 heeft het raadgevend comité Benoemingen (hierna: „RCB”) op basis van het preselectierapport en de bijbehorende beoordelingsschema’s in het kader van de eerste fase van de selectieprocedure de drie kandidaten geselecteerd die de hoogste scores hadden behaald, waaronder verzoeker.

In november 2022 heeft verzoeker in het kader van de tweede fase van de selectieprocedure deelgenomen aan de tests voor het assessmentcenter en heeft hij enkele dagen later een gesprek met het RCB gehad. Aan het einde van de tweede fase heeft het RCB verzoeker niet uitgenodigd voor een gesprek met de voorzitter. Voor dit gesprek is alleen een andere kandidaat geselecteerd. In januari 2023 heeft de Commissie het bestreden besluit vastgesteld, waarbij deze kandidaat in de betrokken functie is aangesteld.

Beoordeling door het Gerecht

Wat in de eerste plaats de naleving van de bepalingen inzake de betrokken selectieprocedure betreft, is het Gerecht van oordeel dat uit het besluit van de Commissie tot vaststelling van haar beleid betreffende het hoger leidinggevend personeel ( 1 ) (hierna: „besluit inzake hoger leidinggevend personeel”), het procedurereglement van het RCB en de kennisgeving van vacature voor de betrokken functie blijkt dat dit comité beoordeelt of de kandidaten met name geschikt zijn om hogere leidinggevende functies uit te oefenen. Hun vermogen om deze functies uit te oefenen moet dus grondig worden onderzocht door het RCB en kan rechtvaardigen dat er in een vergevorderd stadium van de procedure kandidaten worden uitgesloten, ondanks de kwalificaties waarover zij voor het overige mogelijkerwijs beschikken. Bovendien sluiten bovengenoemde bepalingen niet uit dat aan het einde van de tweede fase slechts één kandidaat overblijft. Gelet op het progressieve karakter van de selectieprocedure is de selectie van verzoeker in het kader van de eerste fase dus niet in tegenspraak met het besluit om hem aan het einde van de tweede fase uit te sluiten.

Wat in de tweede plaats de beoordelingsbevoegdheid van een commissie, zoals het RCB, bij de beoordeling van de verdiensten van de kandidaten voor een functie betreft, verduidelijkt het Gerecht dat het feit dat verzoeker aan het einde van de eerste fase is geselecteerd, niet kan leiden tot de vaststelling dat er sprake is van een kennelijke beoordelingsfout als gevolg van zijn uitsluiting aan het einde van de tweede fase, omdat anders aan deze laatste fase elk nuttig effect zou worden ontnomen. Verzoekers prestatie voor het voorselectiepanel en het RCB in het kader van de eerste fase, zijn overtuiging dat hij de tijdens het gesprek gestelde vragen correct heeft beantwoord, en zijn beroepservaring, zoals die blijkt uit zijn curriculum vitae en zijn motivatiebrief, kunnen geen onweerlegbaar bewijs vormen van een kennelijke beoordelingsfout van het RCB, noch dit comité binden bij zijn beoordeling van de kennis en de geschiktheid waarvan hij tijdens het mondelinge gesprek in de tweede fase blijk heeft gegeven.

Ten slotte spreekt het Gerecht zich uit over de vraag of de voorzitter de bevoegdheid om het gesprek te voeren met de enige kandidaat die aan het einde van de tweede fase is gekozen, rechtmatig aan haar kabinetschef kon delegeren.

Om te beginnen oordeelt het Gerecht dat het feit dat het gesprek met de enige geselecteerde kandidaat werd gevoerd door de kabinetschef van de voorzitter, en niet door de voorzitter zelf, verzoeker schade kon toebrengen en zijn rechtspositie kon aantasten. Derhalve kan de onrechtmatigheid die een dergelijk verloop van het gesprek zou aantasten, leiden tot nietigverklaring van het bestreden besluit.

Toen die kandidaat voor een gesprek werd uitgenodigd, kon verzoeker namelijk nog steeds door de voorzitter worden gehoord, aangezien deze op grond van het besluit inzake hoger leidinggevend personeel de mogelijkheid behield om hem uit te nodigen indien zij na afloop van het gesprek van deze kandidaat met haar kabinetschef niet tevreden was met hem. De wijze waarop dit gesprek is gevoerd, en dus de identiteit van de persoon die er verantwoordelijk voor was, heeft invloed kunnen hebben op de uitkomst ervan en bijgevolg op de beslissing van de voorzitter om verzoeker al dan niet uit te nodigen. Bovendien stond het weliswaar aan het college van de Commissie om het definitieve aanstellingsbesluit vast te stellen, maar bleef de rol van de voorzitter vóór de benoeming doorslaggevend.

Vervolgens merkt het Gerecht op dat het besluit van de Commissie betreffende maatregelen ten behoeve van gendergelijkheid ( 2 ) (hierna: „besluit inzake het gelijkheidsbeleid”), op grond waarvan de voorzitter haar kabinetschef heeft belast met het voeren van een gesprek met de enige kandidaat die aan het einde van de tweede fase was gekozen, de voorzitter niet verplicht om, wanneer zij een gesprek aan haar kabinetschef wil delegeren, dit schriftelijk te doen. Bovendien zou het systematische vereiste van een schriftelijke delegatie in strijd kunnen zijn met de doelstelling van vlotte en snelle procedures die blijkt uit dat besluit en de richtsnoeren betreffende de procedures voor de indienstneming van leidinggevend personeel.

De voorzitter speelt echter een beslissende rol in de selectieprocedure voor hogere leidinggevende functies. Het besluit inzake het gelijkheidsbeleid stelt delegatie door de voorzitter dan ook afhankelijk van de voorwaarde dat die delegatie naar behoren door dwingende dienstredenen wordt gerechtvaardigd.

Aangezien de voorzitter in casu bovengenoemd gesprek aan haar kabinetschef heeft gedelegeerd zonder dat deze delegatie schriftelijk was gegeven of anderszins was gedocumenteerd, en de Commissie niet heeft aangetoond dat de betrokken delegatie was gebaseerd op dwingende dienstredenen, komt het Gerecht tot de slotsom dat deze delegatie in strijd is met de voorwaarden van het besluit inzake het gelijkheidsbeleid.

Het Gerecht herinnert er in dit verband aan dat de rechtspraak als tegengewicht voor de ruime beoordelingsbevoegdheid die de administratie in het kader van een aanwervingsprocedure voor een functie van een zeer hoge rang heeft, de verplichting heeft erkend om deze bevoegdheid uit te oefenen met volledige inachtneming van alle relevante regels, waaronder de eventuele procedureregels die de administratie heeft opgesteld. De niet-inachtneming van dergelijke regels vormt een schending van wezenlijke vormvoorschriften, zodat de Unierechter, indien hij constateert dat de betrokken handeling niet op rechtmatige wijze is vastgesteld, de door een dergelijk gebrek aangetaste handeling nietig moet verklaren zonder dat het bestaan van schade behoeft te worden aangetoond.


( 1 ) Besluit SEC (2004) 1352/2 van de Commissie van 26 oktober 2004 tot vaststelling van haar beleid betreffende het hoger leidinggevend personeel.

( 2 ) Besluit vervat in het verslag van de 2351e vergadering van de Commissie te Brussel (België) op 30 september 2020 [PV (2020) 2351 final van 11 november 2020].