ARREST VAN HET GERECHT (Middelgrote kamer)
10 september 2025 ( *1 )
„Openbare dienst – Tijdelijke functionarissen – Besluit van de raad van bestuur van het EUIPO om bij de Raad geen voorstel tot verlenging van verzoekers ambtstermijn in te dienen – Besluit van de Raad tot niet-verlenging van verzoekers ambtstermijn – Recht om te worden gehoord – Motiveringsplicht – Kennelijk onjuiste beoordeling – Aansprakelijkheid”
In de zaken T‑435/23 en T‑224/24,
YL, vertegenwoordigd door A. Guillerme, T. Bontinck en L. Bouchet, advocaten,
verzoeker in de zaken T‑435/23 en T‑224/24,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door M. Bauer en A.‑L. Meyer als gemachtigden,
verweerder in de zaken T‑435/23 en T‑224/24,
ondersteund door
Republiek Letland, vertegenwoordigd door K. Pommere en J. Davidoviča als gemachtigden,
door
Republiek Polen, vertegenwoordigd door B. Majczyna en M. Horoszko als gemachtigden,
door
Portugese Republiek, vertegenwoordigd door A. Pimenta, P. Barros da Costa, M. Ramos en V. Couto als gemachtigden,
en door
Slowaakse Republiek, vertegenwoordigd door E. Larišová en A. Lukáčik als gemachtigden,
interveniëntes in zaak T‑435/23,
en
Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door A. Lukošiūtė, E. Lekan en G. Bertoli als gemachtigden,
verweerder in zaak T‑435/23,
ondersteund door
Republiek Polen, vertegenwoordigd door B. Majczyna en M. Horoszko,
en door
Slowaakse Republiek, vertegenwoordigd door E. Larišová en A. Lukáčik,
interveniëntes in zaak T‑435/23,
wijst
HET GERECHT (Middelgrote kamer),
samengesteld als volgt: R. da Silva Passos, waarnemend voor de president, J. Svenningsen, O. Porchia, H. Kanninen, L. Madise, N. Półtorak, P. Nihoul, S. Verschuur (rapporteur) en H. Cassagnabère, rechters,
griffier: S. Spyropoulos, administrateur,
gezien de stukken,
na de terechtzitting op 10 april 2025,
het navolgende
Arrest
|
1 |
Met zijn beroep in zaak T‑435/23 krachtens artikel 270 VWEU vordert verzoeker, YL, in de eerste plaats nietigverklaring van, ten eerste, verschillende besluiten van de raad van bestuur van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 22 november 2022, namelijk het besluit om de Raad van de Europese Unie geen voorstel te doen tot verlenging van zijn ambtstermijn als uitvoerend directeur bij het EUIPO (hierna: „besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van verzoekers ambtstermijn”), alsook de besluiten tot inleiding van de selectieprocedure voor de functie van uitvoerend directeur, die de fasen en het indicatieve tijdschema van die procedure omvatten (hierna: „besluiten MB‑22‑20 en MB‑22‑21 betreffende de selectieprocedure”), ten tweede, het besluit van de raad van bestuur van het EUIPO van 6 maart 2023 om zijn bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegd gezag (hierna: „TABG”) en het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag (hierna: „TAOBG”) tijdelijk te schorsen (hierna: „besluit MB‑23‑04 betreffende de opschorting van de delegatie van de bevoegdheden van het TABG”), en ten derde, het besluit van de Raad om zijn mandaat niet te verlengen, zoals blijkt uit de brief van 30 mei 2023 van de voorzitter van de Raad aan de voorzitter van de raad van bestuur van het EUIPO (hierna: „besluit tot niet-verlenging van de ambtstermijn”), en in de tweede plaats vergoeding van de materiële en immateriële schade die hij stelt te hebben geleden. |
|
2 |
Met zijn beroep in zaak T‑224/24 krachtens artikel 270 VWEU vordert verzoeker nietigverklaring van het besluit tot niet-verlenging van de ambtstermijn alsmede vergoeding van de materiële en immateriële schade die hij door dat besluit stelt te hebben geleden. |
Voorgeschiedenis van het geding en feiten die zich na de instelling van de beroepen hebben voorgedaan
|
3 |
Op 18 september 2018 is verzoeker krachtens artikel 158, lid 2, van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1), tot uitvoerend directeur van het EUIPO (hierna: „uitvoerend directeur”) benoemd voor een periode van vijf jaar, van 1 oktober 2018 tot en met 30 september 2023. |
|
4 |
Bij e‑mail van 27 juli 2022 deelde de voorzitter van de raad van bestuur van het EUIPO (hierna: „raad van bestuur”) aan verzoeker mee dat de raad van bestuur tijdens zijn volgende vergadering in november 2022 een besluit zou moeten nemen over een eventuele verlenging van zijn ambtstermijn. In dezelfde e‑mail verzocht de voorzitter van de raad van bestuur verzoeker aan te geven of hij zijn functie bij het EUIPO wenste voort te zetten en of hij beschikbaar was. Bij e‑mail van 3 augustus 2022 heeft verzoeker bevestigend geantwoord. |
|
5 |
Op 27 oktober 2022 heeft het secretariaat van de raad van bestuur verzoeker ontwerpnota MB/22/S14/4.1/EN(O) met als titel „Voorstel voor de verlenging van de ambtstermijn van de uitvoerend directeur van [EUIPO]” toegezonden. Die ontwerpnota bevatte enerzijds een beoordeling van zijn prestaties tijdens zijn eerste ambtstermijn en anderzijds een beschrijving van de toekomstige taken en uitdagingen van het EUIPO. In de begeleidende e‑mail gaf het secretariaat van de raad van bestuur aan dat de ontwerpnota de avond zelf ter goedkeuring aan de voorzitter van die raad zou worden gezonden. Dezelfde dag antwoordde verzoeker met enkele opmerkingen over die ontwerpnota. |
|
6 |
Op 31 oktober 2022 heeft de voorzitter van de raad van bestuur de definitieve versie van nota MB/22/S14/4.1/EN(O) aan de leden van de raad van bestuur overgelegd (hierna: „nota van 31 oktober 2022”). De nota begon met de uitleg dat zij enerzijds tot doel had de leden van de raad van bestuur de relevante informatie te verschaffen voor de beoordeling van de prestaties van verzoeker, van wie de ambtstermijn op 30 september 2023 zou aflopen, en dat anderzijds de leden van de raad van bestuur werden verzocht een besluit te nemen over een verlenging van verzoekers ambtstermijn dat aan de Raad zou worden voorgesteld. In de nota stond verder dat, voor het geval de stemming van de raad van bestuur de vereiste meerderheid niet zou halen, deze werd verzocht een besluit te nemen over het starten van de selectieprocedure door middel van de publicatie van de vacature voor de betreffende functie. In het gedeelte met de titel „Conclusie” van genoemde nota stond te lezen dat volgens de voorzitter van de raad van bestuur „de beoordeling als positief [kon] worden beschouwd”. |
|
7 |
Tijdens zijn vergadering van 22 november 2022 heeft de raad van bestuur besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van verzoekers ambtstermijn aangenomen. Dit besluit luidde als volgt: „Besluit om de Raad van de Europese Unie geen voorstel te doen tot verlenging van de ambtstermijn van [verzoeker] als uitvoerend directeur voor een aanvullende periode van vijf jaar, gelet op de beoordeling van zijn prestaties tijdens zijn eerste ambtstermijn en de toekomstige taken en uitdagingen van het [EUIPO]. Met elf stemmen vóór, zeven stemmen tegen en twaalf onthoudingen behaalde het besluit niet de vereiste tweederdemeerderheid van de leden.” |
|
8 |
Tijdens die vergadering van 22 november 2022 heeft de raad van bestuur ook de besluiten MB‑22‑20 en MB‑22‑21 betreffende de selectieprocedure vastgesteld. |
|
9 |
Op 22 november 2022 berichtten verschillende Spaanse kranten dat de raad van bestuur had besloten om geen voorstel te doen tot verlenging van verzoekers ambtstermijn als uitvoerend directeur aan de Raad. |
|
10 |
Bij e‑mail van 7 december 2022 heeft de raad van bestuur aan de Raad besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van verzoekers ambtstermijn en de besluiten MB‑22‑20 en MB‑22‑21 betreffende de selectieprocedure overgemaakt, met de volgende toelichting: „Tijdens de [vergadering van 22 november 2022] heeft de [raad van bestuur] besloten geen voorstel in te dienen bij de Raad van de Europese Unie om de ambtstermijn van [verzoeker] als uitvoerend directeur met nog eens vijf jaar te verlengen, gelet op de beoordeling van zijn prestaties tijdens zijn eerste ambtstermijn en de toekomstige taken en uitdagingen van het [EUIPO]. Dit besluit is genomen overeenkomstig artikel 158, lid 3, van [verordening 2017/1001] (besluit MB‑22‑19). Bijgevolg heeft de [raad van bestuur] tijdens dezelfde vergadering besloten de selectieprocedure te starten voor de functie van uitvoerend directeur, die met ingang van 1 oktober 2023 vacant is, en een vacature uit te schrijven (besluit MB‑22‑20). De bekendmaking van de vacature in het Publicatieblad van de Europese Unie is gepland op 8 december 2022. Overeenkomstig artikel 158, lid 2, van [verordening 2017/1001] neemt de [raad van bestuur] in zijn volgende vergadering op 6 juni 2023 een besluit over een lijst van maximaal [drie] kandidaten die moet worden voorgelegd aan de Raad van de Europese Unie met het oog op de benoeming van een nieuwe uitvoerend directeur.” |
|
11 |
Op 8 december 2022 is de vacature met het oog op de selectieprocedure bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. Een van de voorwaarden was dat de kandidaat in staat moest zijn een volledige eerste ambtstermijn van vijf jaar te vervullen voordat hij de pensioengerechtigde leeftijd van 66 jaar zou bereiken. |
|
12 |
In januari 2023 heeft verzoeker besloten om de aflopende contracten van zes bij het EUIPO gedetacheerde nationale deskundigen niet te verlengen. |
|
13 |
Op 31 januari 2023 zijn de ontwerpnotulen van de vergadering van de raad van bestuur van 22 november 2022 verspreid onder de personen die aan die vergadering hebben deelgenomen. |
|
14 |
Op 3 februari 2023 vroeg verzoeker om de verklaringen die hij had afgelegd nadat hij kennis had genomen van het negatieve besluit van de raad van bestuur over de mogelijke verlenging van zijn ambtstermijn, toe te voegen aan de notulen van de vergadering van de raad van bestuur van 22 november 2022. |
|
15 |
Op dezelfde dag hebben de advocaten van verzoeker de voorzitter van de raad van bestuur verzocht om hen op de hoogte te stellen van de maatregelen die zijn genomen naar aanleiding van de onthullingen in de pers over de vergadering van de raad van bestuur van 22 november 2022 (zie punt 9 hierboven). |
|
16 |
Op 17 februari 2023 heeft verzoeker bij de raad van bestuur een klacht ingediend op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) tegen besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van zijn ambtstermijn en tegen de besluiten MB‑22‑20 en MB‑22‑21 betreffende de selectieprocedure. In dat kader heeft hij verzocht om vergoeding van zijn materiële schade ten bedrage van 442561,11 EUR alsmede van zijn immateriële schade ten bedrage van 75000 EUR. |
|
17 |
Op 18 februari 2023 e‑mailde een van verzoekers advocaten een kopie van de klacht naar de secretaris-generaal van de Raad en naar de secretaris-generaal en de directeur-generaal van de dienst Interne Audit van de Europese Commissie. |
|
18 |
Op 22 februari 2023 gaf verzoeker tijdens een telefoongesprek met de voorzitter van de raad van bestuur te kennen dat zijn lidmaatschap van de voorbereidende subcommissie voor de selectie van de toekomstige uitvoerend directeur hem niet in een belangenconflict bracht. |
|
19 |
Op 24 februari 2023 heeft de voorzitter van de raad van bestuur geantwoord op de brief van verzoekers advocaten van 3 februari 2023 (zie punt 15 hierboven) met de verklaring dat er geen gegevens zijn gelekt. |
|
20 |
Op 27 februari 2023 heeft de voorzitter van de raad van bestuur een vertrouwelijke nota aan de leden van die raad gezonden ter voorbereiding van de vergadering van 6 maart 2023. Deze nota had ten eerste tot doel de raad van bestuur te informeren dat verzoeker een klacht had ingediend op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut tegen besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van zijn ambtstermijn en tegen de besluiten MB‑22‑20 en MB‑22‑21 betreffende de selectieprocedure. Ten tweede beoogde zij een besluit te laten aannemen om verzoeker uit te sluiten van de voorbereidende subcommissie voor de selectie van een nieuwe uitvoerend directeur. Ten derde was zij erop gericht een besluit te laten aannemen om, overeenkomstig artikel 153, lid 2, van verordening 2017/1001 en artikel 4 van besluit MB‑17‑01 van de raad van bestuur van 21 maart 2017 (hierna: „besluit MB‑17‑01”), betreffende de delegatie van bevoegdheden van het TABG en het TAOBG (hierna samen: „bevoegdheden van het TABG”), de aan verzoeker verleende delegatie van deze bevoegdheden te schorsen en zijn bestuursbevoegdheden te beperken tot lopende zaken voor het functioneren van het EUIPO. |
|
21 |
Op 1 maart 2023 stuurde verzoeker een nota aan de leden van de raad van bestuur ter toelichting van de klacht die hij op 17 februari 2023 had ingediend tegen besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van zijn ambtstermijn en tegen de besluiten MB‑22‑20 en MB‑22‑21 betreffende de selectieprocedure (zie punt 16 hierboven), en van de daarmee samenhangende omstandigheden, alsook om zijn standpunt kenbaar te maken over de informatie die hij op informele wijze had ontvangen over de mogelijke voorgenomen besluiten. In deze nota gaf hij aan dat hij zich zou onderwerpen aan het besluit van de raad van bestuur indien een motie zou worden aangenomen om hem uit te sluiten van de voorbereidende subcommissie voor de selectie van de toekomstige uitvoerend directeur (zie punt 20 hierboven). |
|
22 |
Tijdens de vergadering van 6 maart 2023 heeft de raad van bestuur een aantal besluiten genomen, waaronder besluit MB‑23‑03 houdende uitsluiting van verzoeker van de voorbereidende subcommissie voor de selectie van de toekomstige uitvoerend directeur en besluit MB‑23‑04 betreffende de opschorting van de delegatie van de bevoegdheden van het TABG. Kort daarna werd dit laatste besluit onder de aandacht van het personeel van het EUIPO gebracht en verschenen hierover artikelen in de pers. |
|
23 |
Op 15 maart 2023 heeft het secretariaat-generaal van de Raad de ontvangst bevestigd van de e‑mail van 7 december 2022, waaraan besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van verzoekers ambtstermijn en de besluiten MB‑22‑20 en MB‑22‑21 betreffende de selectieprocedure waren gehecht (zie punt 10 hierboven). |
|
24 |
Op 17 maart 2023 diende verzoeker op basis van artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht in tegen besluit MB‑23‑04 betreffende de opschorting van de delegatie van bevoegdheden van het TABG en verzocht daarbij om vergoeding van zijn immateriële schade voor 50000 EUR. |
|
25 |
Op 22 maart 2023 heeft de Raad een e‑mail gestuurd aan de raad van bestuur, via diens voorzitter, met het verzoek hem de beoordeling toe te zenden die is uitgevoerd op grond van artikel 158, lid 3, van verordening 2017/1001 (zie punt 5 hierboven). |
|
26 |
In antwoord op de e‑mail van 22 maart 2023 heeft de voorzitter van de raad van bestuur op 25 april 2023 de nota van 31 oktober 2022 doorgestuurd (zie punt 6 hierboven), waarbij hij in de begeleidende brief in wezen aangaf dat, naar aanleiding van de beoordeling van die nota, de raad van bestuur het voorstel tot verlenging van zijn ambtstermijn had afgewezen. Hij gaf daarbij aan dat dit voorstel niet de vereiste tweederdemeerderheid van de leden van de raad van bestuur had gekregen: elf leden stemden voor verlenging, zeven tegen, en twaalf leden onthielden zich van stemming. |
|
27 |
Het besluit tot niet-verlenging van de ambtstermijn werd vastgelegd in een brief van 30 mei 2023, die op dezelfde dag aan het EUIPO werd meegedeeld. In die brief gaf de voorzitter van de Raad aan dat de beoordeling door de raad van bestuur door de Raad in aanmerking was genomen en dat de voor de vaststelling van het besluit tot verlenging van verzoekers ambtstermijn vereiste gewone meerderheid niet was bereikt. Ook verzocht de Raad de raad van bestuur hem een lijst van kandidaten voor te leggen waaruit hij de toekomstige uitvoerend directeur zou kunnen kiezen. |
|
28 |
Op 12 juni 2023 stemde de raad van bestuur ermee in om aan de ontwerpnotulen van de vergadering van de raad van bestuur van 22 november 2022 een samenvatting toe te voegen van de verklaringen waar verzoeker om had gevraagd (zie punt 14 hierboven). |
|
29 |
Op 16 juni 2023 heeft de raad van bestuur de klacht van verzoeker afgewezen met betrekking tot besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van zijn ambtstermijn en de besluiten MB‑22‑20 en MB‑22‑21 betreffende de selectieprocedure (zie punt 16 hierboven). |
|
30 |
Op 17 juli 2023 heeft de raad van bestuur verzoekers klacht tegen besluit MB‑23‑04 betreffende de opschorting van de delegatie van bevoegdheden van het TABG afgewezen (zie punt 24 hierboven) (hierna: „besluit tot afwijzing van de klacht tegen besluit MB‑23‑04”). |
|
31 |
Op 19 juli 2023 heeft de Raad [vertrouwelijk] ( 1 ) benoemd tot uitvoerend directeur bij het EUIPO. |
|
32 |
Op 26 juli 2023 heeft verzoeker beroep ingesteld in zaak T‑435/23 tegen besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van zijn ambtstermijn, de besluiten MB‑22‑20 en MB‑22‑21 betreffende de selectieprocedure, besluit MB‑23‑04 betreffende de opschorting van de delegatie van bevoegdheden van het TABG, en het besluit tot niet-verlenging van zijn ambtstermijn. |
|
33 |
Op 11 augustus 2023 werd verzoeker door de Raad in kennis gesteld van een inbreuk op zijn persoonsgegevens, die op 17 juli 2023 was ontdekt. Meer bepaald zou een onbevoegde persoon vanaf de computerservers van de Raad besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van verzoekers ambtstermijn, de nota van 31 oktober 2022, evenals de beoordeling van verzoekers eerste ambtstermijn, hebben gedownload. |
|
34 |
Op 30 augustus 2023 heeft verzoeker krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut bij de Raad een klacht ingediend tegen het besluit tot niet-verlenging van de ambtstermijn en daarbij vergoeding gevraagd van zijn materiële schade ten bedrage van 364728,64 EUR en van zijn immateriële schade ten bedrage van 125000 EUR. |
|
35 |
Aangezien hij geen beslissing had ontvangen over zijn klacht van 30 augustus 2023 tegen het besluit tot niet-verlenging van zijn mandaat vóór de termijn van vier maanden, zoals bepaald in artikel 90, lid 1, van het Statuut, namelijk vóór 30 december 2023, ging verzoeker ervan uit dat deze klacht stilzwijgend door de Raad was afgewezen. |
|
36 |
Op 6 februari 2024 heeft verzoeker, in het kader van zaak T‑435/23, een document met de titel „Memorie houdende aanpassing” ingediend bij de griffie van het Gerecht, waarin hij verzocht rekening te houden met het feit dat zijn klacht van 30 augustus 2023 stilzwijgend was afgewezen op 30 december 2023. |
|
37 |
Op 27 februari 2024 heeft de Raad verzoekers klacht tegen het besluit tot niet-verlenging van de ambtstermijn uitdrukkelijk afgewezen. |
|
38 |
Op 22 april 2024 heeft verzoeker beroep ingesteld in zaak T‑224/24. |
Conclusies van partijen
|
39 |
Verzoeker verzoekt het Gerecht:
|
|
40 |
In zaak T‑435/23 verzoeken de Raad, ondersteund door de Republiek Polen, de Portugese Republiek en de Slowaakse Republiek, alsook het EUIPO, ondersteund door de Republiek Polen en de Slowaakse Republiek, en in zaak T‑224/24 de Raad, het Gerecht in wezen:
|
|
41 |
In dezelfde zaak verzoekt de Republiek Letland om het beroep te verwerpen. |
In rechte
|
42 |
Het Gerecht heeft besloten de onderhavige zaken overeenkomstig artikel 68 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht te voegen voor het arrest, nadat het partijen hierover had gehoord. |
Rechtsgrondslag van de beroepen
Opmerkingen vooraf
|
43 |
Het beroep in zaak T‑435/23, dat strekt tot nietigverklaring van besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van verzoekers ambtstermijn, de besluiten MB‑22‑20 en MB‑22‑21 betreffende de selectieprocedure, besluit MB‑23‑04 betreffende de opschorting van de delegatie van de bevoegdheden van het TABG, en het besluit tot niet-verlenging van de ambtstermijn, is primair ingesteld op grond van artikel 270 VWEU en subsidiair, voor wat het besluit tot niet-verlenging van de ambtstermijn betreft, op grond van artikel 263 VWEU. |
|
44 |
Verder is het beroep in zaak T‑435/23 ingesteld nadat verzoeker bij de raad van bestuur klachten had ingediend op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut tegen besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van zijn ambtstermijn, de besluiten MB‑22‑20 en MB‑22‑21 betreffende de selectieprocedure en besluit MB‑23‑04 betreffende de opschorting van de delegatie van de bevoegdheden van het TABG, en werden deze klachten van de hand gewezen (zie punten 16, 24, 29 en 30 hierboven), maar zonder dat verzoeker de precontentieuze procedure heeft gevolgd met betrekking tot het besluit tot niet-verlenging van de ambtstermijn. |
|
45 |
Verzoeker zet in dit verband uiteen dat besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van zijn ambtstermijn, de besluiten MB‑22‑20 en MB‑22‑21 betreffende de selectieprocedure en besluit MB‑23‑04 betreffende de opschorting van de delegatie van de bevoegdheden van het TABG zijn vastgesteld in het kader van het Statuut, aangezien de raad van bestuur jegens hem heeft gehandeld als TAOBG, zoals uitdrukkelijk is bepaald in artikel 153, lid 1, onder h), van verordening 2017/1001 en in de artikelen 1 en 2 van besluit MB‑17‑01. |
|
46 |
Wat het besluit tot niet-verlenging van de ambtstermijn betreft, betoogt verzoeker dat het vereiste om zich eerst tot het TABG of het TAOBG te wenden alvorens beroep in te stellen, alleen betrekking heeft op maatregelen die dit gezag kan wijzigen, en dat het derhalve niet nodig was een klacht in te dienen op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut, aangezien de raad van bestuur, als TAOBG, dat besluit niet opnieuw kon onderzoeken. |
|
47 |
Wat het beroep in zaak T‑224/24 betreft, dat eveneens strekt tot nietigverklaring van het besluit tot niet-verlenging van de ambtstermijn en dat eveneens is gebaseerd op artikel 270 VWEU, zij eraan herinnerd dat dit beroep is ingesteld nadat verzoeker bij de Raad een klacht op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut had ingediend en dat deze klacht eerst stilzwijgend en vervolgens uitdrukkelijk was afgewezen (zie punten 34‑37 hierboven). |
|
48 |
Verzoeker verklaart daarover dat hij zo heeft gehandeld vanwege de onzekerheid over de vraag of de Raad bij de vaststelling van het besluit tot niet-verlenging van de ambtstermijn ook als TAOBG had gehandeld, zodat hij, als aanvullende en preventieve maatregel, toch de precontentieuze procedure bij de Raad heeft gevolgd. |
|
49 |
Het EUIPO, ondersteund door de Republiek Polen en de Slowaakse Republiek, alsook de Raad, ondersteund door de Republiek Letland, de Republiek Polen, de Portugese Republiek en de Slowaakse Republiek, betogen dat de beroepen in de zaken T‑435/23 en T‑224/24 ten onrechte op artikel 270 VWEU zijn gebaseerd, aangezien alle besluiten die in die zaken aan de orde zijn, niet binnen de werkingssfeer van het Statuut vallen. |
|
50 |
Zij stellen in het bijzonder dat besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van verzoekers ambtstermijn, de besluiten MB‑22‑20 en MB‑22‑21 betreffende de selectieprocedure, en het besluit tot niet-verlenging van de ambtstermijn zijn genomen binnen het kader van de specifieke bevoegdheden die aan de raad van bestuur en de Raad zijn toegekend krachtens artikel 158 van verordening 2017/1001, waarin een sui-generisprocedure is vastgesteld voor de benoeming en het ontslag van de uitvoerend directeur. Besluit MB‑23‑04 betreffende de opschorting van de delegatie van de bevoegdheden van het TABG, is volgens hen genomen op grond van artikel 153, lid 2, van verordening 2017/1001 en besluit MB‑17‑01, waarin een afzonderlijk systeem is vastgesteld met betrekking tot de bevoegdheden van het TABG en de uitoefening daarvan binnen het EUIPO, en waarmee de raad van bestuur rechtstreeks en exclusief bevoegd wordt gemaakt om de delegatie van die bevoegdheden aan de uitvoerend directeur te schorsen. |
|
51 |
Volgens het EUIPO, ondersteund door de Republiek Polen en de Slowaakse Republiek, alsmede de Raad, ondersteund door de Republiek Letland, de Republiek Polen, de Portugese Republiek en de Slowaakse Republiek, hadden de beroepen derhalve moeten worden gebaseerd op artikel 263 VWEU en, voor zover de vorderingen tegen besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van verzoekers ambtstermijn, de besluiten MB‑22‑20 en MB‑22‑21 betreffende de selectieprocedure en besluit MB‑23‑04 betreffende de opschorting van de delegatie van de bevoegdheden van het TABG niet binnen de in dat artikel gestelde termijnen zijn ingesteld, zijn die besluiten definitief geworden en dus niet vatbaar voor beroep. |
Toepasselijkheid van artikel 270 VWEU en de artikelen 90 en 91 van het Statuut
|
52 |
Volgens artikel 270 VWEU is het Hof bevoegd om uitspraak te doen in elk geschil tussen de Unie en haar personeelsleden, binnen de grenzen en onder de voorwaarden vastgesteld door het Statuut en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Unie (hierna: „RAP”). In dat verband wordt het begrip „geschil tussen de Unie en haar personeelsleden” door de rechtspraak ruim opgevat (zie arrest van 5 oktober 2004, Sanders e.a./Commissie,T‑45/01, EU:T:2004:289, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
53 |
Zodoende creëert artikel 270 VWEU voor ambtenarengeschillen een rechtsgang die verschilt van de algemene rechtsgangen, zoals het beroep tot nietigverklaring van artikel 263 VWEU (arrest van 5 mei 2022, Commissie/Missir Mamachi di Lusignano,C‑54/20 P, EU:C:2022:349, punt 39). |
|
54 |
Gelet op de verwijzing naar het Statuut in artikel 270 VWEU, moet voor de bepaling van de bevoegdheid van de rechterlijke instantie van die Unie, die op grond van dit artikel wordt aangezocht, naast de bewoordingen van dit artikel rekening worden gehouden met het Statuut en met name met de artikelen 90 en 91 ervan, die uitvoering geven aan artikel 270 VWEU. Al deze artikelen bepalen die bevoegdheid zowel ratione personae als ratione materiae (zie arrest van 5 mei 2022, Commissie/Missir Mamachi di Lusignano,C‑54/20 P, EU:C:2022:349, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
55 |
Wat de bevoegdheid ratione personae van de rechterlijke instanties van de Unie krachtens artikel 270 VWEU betreft, verduidelijkt artikel 91, lid 1, van het Statuut dat het Hof bevoegd is om uitspraak te doen in elk geschil tussen de Unie en „een van de in [het] Statuut bedoelde personen” dat betrekking heeft op de wettigheid van een besluit waardoor deze persoon zich bezwaard acht in de zin van artikel 90, lid 2, ervan. Volgens laatstgenoemde bepaling kan „iedere in [het] Statuut bedoelde persoon” bij het TABG een klacht indienen tegen een besluit waardoor hij zich bezwaard acht (arrest van 5 mei 2022, Commissie/Missir Mamachi di Lusignano,C‑54/20 P, EU:C:2022:349, punt 45). |
|
56 |
Wat de bevoegdheid ratione materiae betreft, is het vaste rechtspraak dat elk geschil tussen een ambtenaar en de instelling waarbij deze ambtenaar werkzaam is, onder artikel 270 VWEU en artikel 91, lid 1, van het Statuut valt wanneer het zijn oorsprong vindt in de arbeidsverhouding tussen die ambtenaar en die instelling (zie arrest van 5 mei 2022, Commissie/Missir Mamachi di Lusignano,C‑54/20 P, EU:C:2022:349, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie in die zin ook beschikking van 11 juli 1996, Gomes de Sá Pereira/Raad,T‑30/96, EU:T:1996:107, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
57 |
In casu moet het volgende worden vastgesteld. |
|
58 |
Wat in de eerste plaats de bevoegdheid ratione personae betreft, blijkt uit artikel 158, lid 1, van verordening 2017/1001 dat de uitvoerend directeur wordt aangesteld als tijdelijk functionaris overeenkomstig artikel 2, onder a), RAP. Er zij ook op gewezen dat de uitvoerend directeur een personeelslid van het EUIPO is op wie overeenkomstig artikel 143, lid 1, van verordening 2017/1001, het Statuut en de RAP alsook de uitvoeringsregelingen van deze bepalingen van toepassing zijn. Voorts volgt uit artikel 153, lid 1, onder h), van verordening 2017/1001 en de artikelen 1 en 2 van besluit MB‑17‑01 dat de raad van bestuur krachtens artikel 6, eerste alinea, RAP is aangewezen als het TAOBG van de uitvoerend directeur voor wat betreft de wijze waarop die directeur zijn bevoegdheden uitoefent ten behoeve van het functioneren van het EUIPO. |
|
59 |
Bovendien bepaalt artikel 1 van de tussen het EUIPO en verzoeker gesloten arbeidsovereenkomst uitdrukkelijk dat verzoeker is aangesteld als tijdelijk functionaris in de zin van artikel 2, onder a), RAP. |
|
60 |
Wat de bevoegdheid ratione materiae betreft, moet er ten eerste aan worden herinnerd dat de raad van bestuur overeenkomstig artikel 153, lid 2, van verordening 2017/1001 en artikel 4 van besluit MB‑17‑01 beslist over de opschorting van de delegatie van bevoegdheden van het TABG aan de uitvoerend directeur, en ten tweede dat de procedure voor de verlenging van de ambtstermijn van de uitvoerend directeur een stapsgewijze procedure is waaraan zowel de raad van bestuur als de Raad deelnemen en waarbij eerstgenoemde een beoordeling maakt, rekening houdend met de beoordeling van de prestaties van de uitvoerend directeur en met de toekomstige taken en uitdagingen van het EUIPO, overeenkomstig artikel 158, lid 3, van verordening 2017/1001, en laatstgenoemde vervolgens, rekening houdend met die beoordeling, de ambtstermijn van de uitvoerend directeur kan verlengen op basis van artikel 158, lid 4, van die verordening. |
|
61 |
Opgemerkt zij dat het besluit MB‑23‑04 betreffende de opschorting van de delegatie van de bevoegdheden van het TABG tot doel heeft de bevoegdheden van het TABG die de raad van bestuur aan verzoeker in zijn hoedanigheid van uitvoerend directeur had gedelegeerd, te schorsen. Voor zover het geding dat besluit betreft, heeft het dus betrekking op de arbeidsverhouding tussen verzoeker en het EUIPO. |
|
62 |
Wat de procedure tot verlenging van de ambtstermijn van de uitvoerend directeur betreft, moet daaraan worden toegevoegd dat deze directeur weliswaar geen formele arbeidsverhouding met de Raad heeft, maar dat deze instelling een besluit vaststelt dat, ongeacht de inhoud ervan, gevolgen heeft voor de arbeidsverhouding tussen de uitvoerend directeur en zijn werkgever, het EUIPO, en dus voor zijn aanstelling als tijdelijk functionaris. De Raad moet dus worden beschouwd als het TAOBG van de uitvoerend directeur wat de procedure tot verlenging van zijn ambtstermijn betreft (zie naar analogie beschikking van 11 juli 1996, Gomes de Sá Pereira/Raad, T‑30/96, EU:T:1996:107, punt 29). |
|
63 |
In de tweede plaats moet worden vastgesteld dat het EUIPO er niet in is geslaagd om uit te leggen in hoeverre de kenmerken van de functies van de uitvoerend directeur, in het bijzonder de omschrijving daarvan in artikel 157 van verordening 2017/1001, meebrengen dat een besluit over de eventuele verlenging van diens ambtstermijn niet onder artikel 270 VWEU valt, ondanks zijn status van tijdelijk functionaris. Dit artikel maakt immers geen enkel onderscheid naar de aard van de functies van de betrokken persoon of het niveau van de verantwoordelijkheden die hij uitoefent. |
|
64 |
Ten derde moet worden vastgesteld dat de beginselen die zijn ontwikkeld in het kader van de zaak die heeft geleid tot de beschikking van 13 juni 2022, Mendes de Almeida/Raad (T‑334/21, EU:T:2022:375), betreffende de Europese aanklagers, hier niet kunnen worden toegepast. |
|
65 |
In tegenstelling tot de uitvoerend directeur (zie punt 58 hierboven) maken de Europese aanklagers, overeenkomstig artikel 2, punt 4, en artikel 12 van verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie („EOM”) (PB 2017, L 283, blz. 1) geen deel uit van het personeel van het EOM en vallen zij dus niet onder het Statuut (beschikking van 13 juni 2022, Mendes de Almeida/Raad, T‑334/21, EU:T:2022:375, punt 37). |
|
66 |
Gelet op een en ander moet worden geoordeeld dat verzoeker in het kader van de onderhavige beroepen handelt als personeelslid van de Unie in de zin van artikel 270 VWEU en als in het Statuut bedoelde persoon in de zin van de artikelen 90 en 91 ervan. Aangezien het geschil bovendien betrekking heeft op de schorsing van een aantal van de bevoegdheden van verzoeker als uitvoerend directeur alsook op de niet-verlenging van diens ambtstermijn, vindt het zijn oorsprong in de arbeidsverhouding tussen verzoeker en het EUIPO. |
|
67 |
Hieruit volgt dat het Gerecht krachtens artikel 270 VWEU bevoegd is om kennis te nemen van deze beroepen. |
Eerbiediging van de precontentieuze procedure
|
68 |
Volgens artikel 90, lid 2, van het Statuut kan iedere in het Statuut bedoelde persoon bij het TABG een klacht indienen tegen een besluit waardoor hij zich bezwaard acht, hetzij omdat dit gezag een besluit heeft genomen, dan wel omdat het geen, bij het Statuut verplichte maatregel heeft genomen. Bovendien volgt uit artikel 91, lid 2, van het Statuut dat een beroep bij het Gerecht slechts ontvankelijk is indien bij het TABG vooraf binnen de gestelde termijn een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut is ingediend en deze klacht stilzwijgend of uitdrukkelijk is afgewezen. |
|
69 |
Met betrekking tot zaak T‑224/24 moet worden vastgesteld dat verzoeker het beroep in die zaak heeft ingesteld nadat hij een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut bij de Raad had ingediend en deze was afgewezen. |
|
70 |
Bijgevolg moet worden besloten dat de precontentieuze procedure is nageleefd bij de Raad, die, gelet op de specifieke aard van de procedure tot verlenging van de ambtstermijn van de uitvoerend directeur, zoals uiteengezet in punt 60 hierboven, het TAOBG is met de bevoegdheid om uitspraak te doen op de door verzoeker ingediende klacht. |
|
71 |
Met betrekking tot zaak T‑435/23 moet worden vastgesteld dat verzoeker op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut bij de raad van bestuur klachten had ingediend tegen besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van zijn ambtstermijn, de besluiten MB‑22‑20 en MB‑22‑21 betreffende de selectieprocedure en besluit MB‑23‑04 betreffende de opschorting van de delegatie van de bevoegdheden van het TABG, en zijn beroep heeft ingesteld nadat desbetreffende klachten van de hand waren gewezen (zie punt 44 hierboven). |
|
72 |
Bijgevolg werd de precontentieuze procedure nageleefd bij het bevoegde TAOBG vóór de instelling van het beroep tot nietigverklaring in zaak T‑435/23, voor zover dit beroep ziet op besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van verzoekers ambtstermijn, de besluiten MB‑22‑20 en MB‑22‑21 betreffende de selectieprocedure en besluit MB‑23‑04 betreffende de opschorting van de delegatie van de bevoegdheden van het TABG. |
|
73 |
Wat de eerbiediging van de precontentieuze procedure betreffende het besluit tot niet-verlenging van de ambtstermijn in het kader van het beroep in zaak T‑435/23 betreft, zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de ontvankelijkheid van een beroep wordt beoordeeld op het ogenblik van indiening ervan, zodat een verzoeker zijn conclusies en middelen slechts mag aanpassen om rekening te houden met nieuwe handelingen die in de loop van de procedure worden vastgesteld, voor zover zijn verzoek tot nietigverklaring van de oorspronkelijk aangevochten handeling ontvankelijk was op het ogenblik dat het werd ingediend (zie beschikking van 21 november 2019, ZW/EIB, T‑727/18, niet-gepubliceerd, EU:T:2019:809, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
74 |
In casu is het echter – zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over de vraag of het door verzoeker op 6 februari 2024 ingediende stuk kan worden aangemerkt als een memorie houdende aanpassing in de zin van artikel 86, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering – voldoende om vast te stellen dat verzoeker op de datum waarop het beroep in zaak T‑435/23 is ingesteld, te weten 26 juli 2023, de klacht tegen het besluit tot niet-verlenging van de ambtstermijn nog niet had ingediend, aangezien deze klacht pas op 30 augustus 2023 was ingediend. Hieruit volgt dat op het tijdstip van de instelling van het beroep in zaak T‑435/23 verzoekers beroep tot nietigverklaring van dit besluit niet-ontvankelijk was wegens niet-naleving van de precontentieuze procedure. |
|
75 |
Deze conclusie is in casu hoe dan ook irrelevant, gelet op het feit dat in punt 70 hierboven is geoordeeld dat verzoeker de precontentieuze procedure had doorlopen alvorens beroep in te stellen in zaak T‑224/24 tegen het besluit tot niet-verlenging van de ambtstermijn. |
|
76 |
Hieruit volgt dat de vorderingen tot nietigverklaring van het besluit tot niet-verlenging van de ambtstermijn in zaak T‑435/23 weliswaar niet-ontvankelijk zijn, maar dat dit niet geldt voor de vorderingen tegen dit besluit in zaak T‑224/24. |
Vorderingen tot nietigverklaring
|
77 |
Ter ondersteuning van zijn vorderingen tot nietigverklaring in zaak T‑435/23 voert verzoeker de onwettigheid aan van, ten eerste, zowel besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van zijn ambtstermijn als de besluiten MB‑22‑20 en MB‑22‑21 betreffende de selectieprocedure, en ten tweede besluit MB‑23‑04 betreffende de opschorting van de delegatie van de bevoegdheden van het TABG. |
|
78 |
Tot staving van zijn vordering tot nietigverklaring in zaak T‑224/24 stelt verzoeker dat het besluit tot niet-verlenging van de ambtstermijn onwettig is. |
|
79 |
Om te beginnen moeten de vorderingen tot nietigverklaring in zaak T‑435/23 worden onderzocht, voor zover zij zijn gericht tegen besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van verzoekers ambtstermijn en de besluiten MB‑22‑20 en MB‑22‑21 betreffende de selectieprocedure. Vervolgens dient de vordering tot nietigverklaring in zaak T‑224/24 te worden onderzocht, die betrekking heeft op het besluit tot niet-verlenging van de ambtstermijn. Ten slotte moet uitspraak worden gedaan over de vorderingen tot nietigverklaring in zaak T‑435/23, voor zover zij zijn gericht tegen besluit MB‑23‑04 betreffende de opschorting van de delegatie van de bevoegdheden van het TABG. |
Vorderingen tot nietigverklaring in zaak T‑435/23, voor zover zij zijn gericht tegen besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van verzoekers ambtstermijn
|
80 |
Verzoeker vordert nietigverklaring van besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van zijn ambtstermijn, dat volgens hem een voor beroep vatbare handeling is. |
|
81 |
In dat verband voert verzoeker aan dat het EUIPO, door – zonder enige bevoegdheid daartoe – een besluit goed te keuren waarbij de raad van bestuur de Raad te kennen gaf dat hij geen voorstel zou doen tot verlenging van verzoekers ambtstermijn, deze verlenging in feite heeft verhinderd en dus een bezwarend besluit heeft vastgesteld. |
|
82 |
Het EUIPO, gesteund door de Republiek Polen en de Slowaakse Republiek, stelt echter dat verzoekers vordering niet-ontvankelijk is, voor zover besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van zijn ambtstermijn de beoordeling vormt zoals bedoeld in artikel 158, lid 3, van verordening 2017/1001 en dus slechts een advies is, aangezien uitsluitend de Raad bevoegd is om een handeling met het karakter van een beslissing vast te stellen betreffende de verlenging van die ambtstermijn. |
|
83 |
Wat de ontvankelijkheid van het verzoek tot nietigverklaring van besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van verzoekers ambtstermijn betreft, is het vaste rechtspraak dat beroep tot nietigverklaring openstaat tegen alle handelingen van de instellingen, organen of instanties van de Unie, ongeacht hun aard of vorm, die beogen bindende rechtsgevolgen in het leven te roepen die de verzoeker in zijn belangen raken doordat diens rechtspositie aanmerkelijk wordt gewijzigd. In dit verband vormen in beginsel aanvechtbare handelingen, maatregelen die het standpunt van een instelling, orgaan of instantie van de Unie definitief vastleggen na afloop van een administratieve procedure en die beogen bindende rechtsgevolgen in het leven te roepen die de verzoeker in zijn belangen raken, met uitsluiting van inzonderheid tussentijdse maatregelen die de voorbereiding van de eindbeschikking tot doel hebben en die geen dergelijke rechtsgevolgen in het leven roepen (zie in die zin arrest van 25 juni 2020, Satcen/KF,C‑14/19 P, EU:C:2020:492, punt 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
84 |
In dit verband zij eraan herinnerd dat de raad van bestuur overeenkomstig artikel 158, lid 3, van verordening 2017/1001 in het kader van de procedure tot verlenging van de ambtstermijn van de uitvoerend directeur alleen een beoordeling maakt waarin rekening wordt gehouden met de beoordeling van zijn prestaties en met de toekomstige taken en uitdagingen van het EUIPO, terwijl de Raad, overeenkomstig artikel 158, lid 4, van die verordening, op basis van die beoordeling, het besluit over een eventuele verlenging neemt. |
|
85 |
De omstandigheid dat de raad van bestuur in dit geval besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van verzoekers ambtstermijn de titel „Besluit om de Raad van de Europese Unie geen voorstel te doen tot verlenging van de ambtstermijn van [verzoeker]” heeft gegeven en in zijn brief van 7 december 2022 aan de Raad onomwonden heeft gesteld dat de huidige uitvoerend directeur zou vertrekken en er een opvolger zou worden aangeworven (zie punten 7 en 10 hierboven), is op zichzelf niet relevant voor de vraag naar de ontvankelijkheid van het verzoek tot nietigverklaring van dat besluit. |
|
86 |
Uit artikel 158, leden 3 en 4, van verordening 2017/1001 blijkt immers duidelijk dat de procedure voor de verlenging van de ambtstermijn van de uitvoerend directeur in twee fasen verloopt: eerst maakt de raad van bestuur een beoordeling en vervolgens neemt de Raad een besluit waarin rekening wordt gehouden met die beoordeling. De Raad is evenwel niet gebonden door die beoordeling (zie punt 60 hierboven). |
|
87 |
Wanneer een handeling of besluit wordt vastgesteld na afloop van een uit meerdere fasen bestaande procedure, vormen alleen de maatregelen die het standpunt van de instelling definitief vastleggen voor beroep vatbare handelingen, met uitsluiting van tussenmaatregelen die eraan voorafgingen en die tot doel hadden deze handelingen voor te bereiden (zie arrest van 2 februari 2022, LU/EIB, T‑536/20, niet-gepubliceerd, EU:T:2022:40, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
88 |
Aangezien het definitieve besluit over een mogelijke verlenging van de ambtstermijn van de uitvoerend directeur, zoals uiteengezet in punt 86 hierboven, door de Raad moet worden genomen, is besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van verzoekers ambtstermijn een voorbereidend besluit, omdat dit besluit geen bindende rechtsgevolgen in het leven roept die de belangen van verzoeker kunnen aantasten (zie in die zin arresten van 11 november 1981, IBM/Commissie, 60/81, EU:C:1981:264, punt 9, en 18 november 2010, NDSHT/Commissie, C‑322/09 P, EU:C:2010:701, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en geen afbreuk kan doen aan de vrijheid van de Raad om verzoekers ambtstermijn al dan niet te verlengen. |
|
89 |
Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het betoog van verzoeker dat de late doorzending van de nota van 31 oktober 2022 aan de Raad (zie punt 26 hierboven) de Raad geen andere keuze heeft gelaten dan zijn ambtstermijn niet te verlengen. Verzoeker heeft immers geen enkel argument aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat de periode tussen de doorzending op 25 april 2023 en het einde van zijn ambtstermijn op 30 september 2023 onvoldoende was om de Raad in staat te stellen zich een eigen oordeel te vormen. |
|
90 |
Bijgevolg moet worden geoordeeld dat besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van verzoekers ambtstermijn geen bindende rechtsgevolgen in het leven roept die de belangen van verzoeker kunnen aantasten, zodat het verzoek tot nietigverklaring van dat besluit niet-ontvankelijk is. |
Vorderingen tot nietigverklaring in zaak T‑435/23 voor zover deze zijn gericht tegen de besluiten MB‑22‑20 en MB‑22‑21 betreffende de selectieprocedure
|
91 |
Verzoeker betoogt dat de besluiten MB‑22‑20 en MB‑22‑21 betreffende de selectieprocedure zijn belangen schaden, omdat zij onlosmakelijk verbonden zijn met besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van zijn ambtstermijn, aangezien de vacature pas wordt bekendgemaakt wanneer met zekerheid vaststaat dat er een functie vacant is of op korte termijn vacant zal worden. |
|
92 |
In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering het inleidend verzoekschrift een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen moet bevatten. Deze uiteenzetting moet voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn om de verweerder in staat te stellen zijn verweer voor te bereiden en om het Gerecht in staat te stellen, in voorkomend geval zonder nadere gegevens, uitspraak te doen op het beroep. Het verzoekschrift moet bijgevolg duidelijk doen uitkomen wat het aan het beroep ten grondslag liggende middel inhoudt, zodat de louter abstracte vermelding ervan niet aan de vereisten van het Reglement voor de procesvoering voldoet [zie arrest van 4 juli 2017, Systema Teknolotzis/Commissie, T‑234/15, EU:T:2017:461, punt 139 (niet gepubliceerd) en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Uit het verzoekschrift moet immers ondubbelzinnig blijken wat de verzoeker wil aanvoeren (zie in die zin arrest van 5 maart 2019, Pethke/EUIPO, T‑169/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:135, punt 115). |
|
93 |
Vastgesteld moet worden dat verzoeker geen enkel argument heeft aangevoerd dat er specifiek toe strekt de wettigheid van de besluiten MB‑22‑20 en MB‑22‑21 betreffende de selectieprocedure te betwisten (zie in die zin arrest van 7 juni 2018, Winkler/Commissie, T‑369/17, niet gepubliceerd, EU:T:2018:334, punt 54). |
|
94 |
Bovendien heeft verzoeker, toen hij hierover tijdens de hoorzitting werd ondervraagd, bevestigd dat hij de wettigheid van de besluiten MB‑22‑20 en MB‑22‑21 betreffende de selectieprocedure betwistte, waarbij hij in algemene termen verwees naar de argumenten die hij reeds had aangevoerd in het kader van besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van zijn ambtstermijn. Het verzoekschrift koppelt deze argumenten nergens aan de besluiten MB‑22‑20 en MB‑22‑21 betreffende de selectieprocedure. |
|
95 |
Bijgevolg moet worden geoordeeld dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering, aangezien een dergelijke algemene verwijzing naar andere delen van het verzoekschrift het Gerecht ertoe dwingt te proberen de argumenten te achterhalen die naar zijn oordeel mogelijk betrekking hebben op de gestelde onwettigheid van de besluiten MB‑22‑20 en MB‑22‑21 betreffende de selectieprocedure (zie in die zin beschikking van 6 juni 2024, Lucaccioni/Commissie, T‑516/23, niet gepubliceerd, EU:T:2024:386, punt 24), zodat niet ondubbelzinnig uit het verzoekschrift blijkt wat verzoeker wil aanvoeren. |
|
96 |
Ten slotte, voor het geval verzoeker zou willen aanvoeren dat de onwettigheid van de besluiten MB‑22‑20 en MB‑22‑21 betreffende de selectieprocedure rechtstreeks voortvloeit uit de onwettigheid van besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van zijn ambtstermijn, is evenmin voldaan aan de voorwaarden van artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering, aangezien bij gebreke van enige uitleg dienaangaande (zie punt 93 hierboven), niet is aangetoond dat de gestelde gebreken van laatstgenoemd besluit (zie punt 80 hierboven) ook de wettigheid van de besluiten MB‑22‑20 en MB‑22‑21 betreffende de selectieprocedure op losse schroeven kunnen zetten, gezien de verschillende aard van die besluiten. |
|
97 |
Gelet op het voorgaande moeten de vorderingen tot nietigverklaring in zaak T‑435/23 niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover zij betrekking hebben op de besluiten MB‑22‑20 en MB‑22‑21 betreffende de selectieprocedure, aangezien, ongeacht of zij voor beroep vatbare handelingen vormen, niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering. |
Vordering tot nietigverklaring in zaak T‑224/24, voor zover deze betrekking heeft op de wettigheid van het besluit tot niet-verlenging van de ambtstermijn
|
98 |
Met het enige middel in zaak T‑224/24 vordert verzoeker nietigverklaring van het besluit tot niet-verlenging van de ambtstermijn op grond dat dit besluit, ten eerste, de procedure van artikel 158 van verordening 2017/1001 niet eerbiedigt omdat de auteur van het besluit onbevoegd is en het recht om te worden gehoord is geschonden, ten tweede, een kennelijke beoordelingsfout bevat en, ten derde, in strijd is met de beginselen van non-discriminatie, gelijke behandeling en bescherming van het gewettigd vertrouwen. |
|
99 |
Met betrekking tot de vermeende schending van het recht om te worden gehoord krachtens artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, die als eerste moet worden onderzocht, betoogt verzoeker dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om zijn opmerkingen in te dienen voordat het besluit tot niet-verlenging van de ambtstermijn werd genomen. |
|
100 |
De Raad stelt dat het recht om te worden gehoord niet is geschonden en voert in dat verband verschillende argumenten aan. |
|
101 |
Ten eerste betoogt de Raad dat het recht om te worden gehoord hier niet van toepassing is, aangezien de procedure voor de benoeming van de uitvoerend directeur en die voor de verlenging van zijn ambtstermijn niet onder het Statuut en de RAP vallen. De Raad heeft veeleer gehandeld als politieke autoriteit die beslist over de mogelijke verlenging van een mandaat met een „bijzondere verantwoordelijkheid op hoog niveau in het institutionele bestel van de Unie”, waarbij hij de toekomstige taken en uitdagingen van het EUIPO heeft geëvalueerd en heeft gekozen voor de persoon die hij het meest geschikt achtte om deze gedurende de komende vijf jaar het hoofd te bieden. |
|
102 |
De Raad voegt daaraan toe dat de procedure voor een eventuele verlenging van de ambtstermijn van de uitvoerend directeur vergelijkbaar is met de procedure voor de selectie van een nieuwe uitvoerend directeur, met als enige verschil dat in de procedure voor een eventuele verlenging van de ambtstermijn de raad van bestuur niet verplicht is een lijst van kandidaten op te stellen. In beide gevallen heeft de niet-gekozen kandidaat echter geen recht om te worden gehoord. |
|
103 |
Ten tweede is de Raad van oordeel dat verzoeker wel degelijk is gehoord, aangezien hij, in de eerste plaats, overeenkomstig zijn verplichtingen krachtens artikel 157 van verordening 2017/1001, als uitvoerend directeur regelmatig verslag heeft uitgebracht aan de raad van bestuur over zijn activiteiten als uitvoerend directeur en hij, in de tweede plaats, actief heeft deelgenomen aan de voorbereiding van de nota van 31 oktober 2022. Dit betekent dat verzoeker de door de raad van bestuur verzamelde feiten en gegevens, die aan de Raad zijn voorgelegd in het kader van de beoordeling krachtens artikel 158, lid 3, van voornoemde verordening, heeft erkend. |
|
104 |
Ten derde betoogt de Raad dat de uitkomst van de procedure niet anders zou zijn geweest indien verzoeker was gehoord, aangezien het moeilijk is in te zien welke bijkomende elementen hij had kunnen aanvoeren die de beslissing tot niet-verlenging van zijn ambtstermijn wezenlijk hadden kunnen wijzigen, nu in casu een binaire keuze moest worden gemaakt tussen verlenging en niet-verlenging van die ambtstermijn in het licht van de beoordeling van zijn prestaties als uitvoerend directeur in het verleden enerzijds en de toekomstige taken en uitdagingen van het EUIPO anderzijds. |
|
105 |
In dit verband zij er vooraf aan herinnerd dat het recht op behoorlijk bestuur volgens artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest van de grondrechten met name behelst dat eenieder het recht heeft te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen. |
|
106 |
Het recht om te worden gehoord vereist dat de adressaten van besluiten die hun belangen aanmerkelijk beïnvloeden, in staat worden gesteld naar behoren hun standpunt kenbaar te maken over de tegen hen als grondslag voor de bestreden handeling in aanmerking genomen elementen, in het kader van een schriftelijke of mondelinge gedachtewisseling die wordt geïnitieerd door de betrokken dienst (arrest van 19 december 2019, Probelte/Commissie,T‑67/18, EU:T:2019:873, punt 86 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie in die zin ook arresten van 10 januari 2019, RY/Commissie, T‑160/17, EU:T:2019:1, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 9 februari 2022, Van Walle/ECDC, T‑33/20, niet gepubliceerd, EU:T:2022:60, punt 133 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
107 |
Verder impliceert het recht om te worden gehoord dat de betrokken dienst met de nodige aandacht kennis neemt van de opmerkingen van de betrokkene door alle relevante gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken en dat die dienst in staat wordt gesteld alle gegevens te verzamelen die nodig zijn om met volledige kennis van zaken tot een beslissing te komen en deze beslissing afdoende te motiveren, opdat de betrokkene in voorkomend geval zijn beroepsrecht naar behoren kan uitoefenen (zie arrest van 10 januari 2019, RY/Commissie, T‑160/17, EU:T:2019:1, punten 26 en 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
108 |
Wat in de eerste plaats de toepasselijkheid in de onderhavige zaak van het recht om te worden gehoord betreft, zij eraan herinnerd dat dit recht geldt voor elke procedure tegen een persoon die de belangen van die persoon kan schaden, ook al voorziet de toepasselijke regeling daar niet in (arrest van 8 mei 2019, PT/EIB, T‑571/16, niet gepubliceerd, EU:T:2019:301, punt 164 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
109 |
In dit verband zij erop gewezen dat verzoeker bij e‑mail van 3 augustus 2022 uitdrukkelijk heeft bevestigd dat hij zijn functie bij het EUIPO wil behouden en daarvoor beschikbaar is (zie punt 4 hierboven), zodat moet worden aangenomen dat het besluit tot niet-verlenging van de ambtstermijn is genomen naar aanleiding van een verzoek van verzoeker om zijn ambtstermijn te verlengen (zie in die zin arrest van 25 september 2024, Kirimova/EUIPO, T‑727/20 RENV, EU:T:2024:646, punten 76 en 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
110 |
Aangezien een besluit tot niet-verlenging van de ambtstermijn onvermijdelijk tot gevolg heeft dat verzoekers overeenkomst als tijdelijk functionaris van het EUIPO niet wordt verlengd (zie in die zin arrest van 12 oktober 2022, Van Walle/ECDC, T‑83/21, niet gepubliceerd, EU:T:2022:626, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak), is dit besluit voor hem nadelig zodat hij beschikt over het recht om te worden gehoord. |
|
111 |
Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door de argumenten van de Raad. |
|
112 |
Om te beginnen is het feit dat de Raad heeft gehandeld als een „politieke autoriteit” die beslist over de eventuele verlenging van de ambtstermijn van een ambtenaar die „bijzondere verantwoordelijkheid op hoog niveau in het institutionele bestel van de Unie” uitoefent, irrelevant, aangezien het recht van de Unie niet voorziet in dergelijke uitzonderingen op het recht om te worden gehoord. |
|
113 |
Evenmin van belang is de vraag of de procedure voor de benoeming van de uitvoerend directeur en de verlenging van zijn ambtstermijn, zoals vastgelegd in artikel 158, leden 2 en 4, van verordening 2017/1001, onder het Statuut en de RAP valt. Zoals in punt 108 hierboven is aangegeven, is het recht om te worden gehoord immers van toepassing op elke tegen een persoon ingeleide procedure die tot een bezwarend besluit kan leiden, ongeacht of het Statuut of de RAP dan wel de toepasselijke wetgeving in de betrokken procedure voorziet. |
|
114 |
Ten slotte moet het argument van de Raad dat verzoeker geen recht had om te worden gehoord, worden verworpen, aangezien de procedure voor een eventuele verlenging van de ambtstermijn van de uitvoerend directeur vergelijkbaar is met de procedure voor de selectie van een nieuwe uitvoerend directeur. |
|
115 |
In dit verband volstaat het op te merken dat een procedure voor de selectie van een nieuwe uitvoerend directeur krachtens artikel 158, lid 2, van verordening 2017/1001 enkel de beoordeling van de geschiktheid van de verschillende kandidaten aan de hand van de selectievoorwaarden omvat. Een procedure voor een eventuele verlenging van de ambtstermijn van de uitvoerend directeur daarentegen houdt, overeenkomstig artikel 158, leden 3 en 4, van die verordening, in dat, ten eerste, de prestaties van de uitvoerend directeur tijdens zijn ambtstermijn worden beoordeeld, en ten tweede, een besluit wordt vastgesteld waarin rekening wordt gehouden met die beoordeling en met de toekomstige taken en uitdagingen van het EUIPO. Het is kenmerkend voor die procedure dat zij leidt tot de vaststelling van een individuele maatregel in de zin van artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest van de grondrechten. |
|
116 |
Wat in de tweede plaats het argument van de Raad betreft dat verzoeker hoe dan ook de gelegenheid heeft gehad om zijn standpunt uiteen te zetten, moet worden opgemerkt dat verzoekers belang om te worden gehoord vooral ontstond toen aan het einde van de vergadering van de raad van bestuur van 22 november 2022 duidelijk werd dat er binnen de raad geen meerderheid was om zijn ambtstermijn te verlengen. Vóór dat tijdstip was verzoeker namelijk enkel op de hoogte van de nota van 31 oktober 2022, die gunstig voor hem was en een aanbeveling van de voorzitter van de raad van bestuur bevatte om zijn ambtstermijn te verlengen. De Raad moest verzoeker daarom in staat stellen om zijn recht om te worden gehoord naar behoren uit te oefenen op een passend moment tussen de vergadering van de raad van bestuur van 22 november 2022 en de vaststelling van het besluit tot niet-verlenging van de ambtstermijn. |
|
117 |
Om dezelfde reden hebben, anders dan de Raad beweert, de regelmatige uitwisseling tussen de raad van bestuur en verzoeker over zijn werkzaamheden als uitvoerend directeur alsook zijn medewerking aan de nota van 31 oktober 2022 hem niet in staat gesteld zijn standpunt over de eventuele niet-verlenging van zijn ambtstermijn kenbaar te maken, zoals vereist door de in punt 106 hierboven aangehaalde rechtspraak. |
|
118 |
Het recht om te worden gehoord vereist immers dat de betrokkene in staat wordt gesteld zijn standpunt kenbaar te maken over de elementen die als grondslag voor de bestreden handeling tegen hem in aanmerking worden genomen (zie punt 106 hierboven). Welnu, zelfs indien verzoeker opmerkingen kon indienen over de voor hem gunstige nota van 31 oktober 2022, moet worden opgemerkt dat de Raad bij het nemen van het besluit tot niet verlenging van de ambtstermijn ook rekening heeft gehouden met besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van verzoekers ambtstermijn, waarover verzoeker niet is gehoord. |
|
119 |
Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat het recht om te worden gehoord niet is geëerbiedigd. |
|
120 |
In de derde plaats moet met betrekking tot de vraag of de uitkomst van de procedure anders had kunnen zijn indien verzoeker was gehoord, eraan worden herinnerd dat zelfs al is er sprake van schending van het recht om te worden gehoord, voor het slagen van het middel moet worden voldaan aan de voorwaarde dat de procedure bij gebreke van deze onregelmatigheid een andere uitkomst had kunnen hebben (zie arrest van 6 februari 2007, Wunenburger/Commissie,T‑246/04 en T‑71/05, EU:T:2007:34, punt 149 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In dit verband kan een verzoekende partij die schending van zijn recht om te worden gehoord aanvoert, niet worden verplicht aan te tonen dat de beslissing van de betrokken Unie-instelling anders zou hebben geluid, maar wel dat zulks niet helemaal is uitgesloten (zie in die zin arrest van 25 september 2024, Kirimova/EUIPO, T‑727/20 RENV, EU:T:2024:646, punt 78 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
121 |
In dit opzicht had verzoeker, anders dan de Raad beweert, hem uitleg of toelichting kunnen geven over het niet-verlengen van zijn ambtstermijn. Zelfs als een besluit over de eventuele verlenging van de ambtstermijn van de uitvoerend directeur niet alleen diens persoonlijke kwaliteiten en prestaties weerspiegelt, maar ook overwegingen van algemene of zelfs politieke aard, doet dit niets af aan het feit dat dit per definitie zaken zijn waarover verzoeker mogelijk relevante uitleg had kunnen geven. Bijgevolg kan niet worden uitgesloten dat de procedure een andere uitkomst had kunnen hebben. |
|
122 |
Bovendien blijkt uit het dossier dat de lidstaten, die zowel in de raad van bestuur als in de Raad vertegenwoordigd zijn, in de fase van de beoordeling krachtens artikel 158, lid 3, van verordening 2017/1001 uiteenlopende meningen hadden over de mogelijke verlenging van verzoekers ambtstermijn. In de raad van bestuur waren er namelijk elf stemmen vóór een dergelijke verlenging, zeven stemmen tegen en twaalf onthoudingen. Aangezien de Raad het besluit op grond van artikel 158, lid 4, van verordening 2017/1001 met gewone meerderheid vaststelt, kan echter niet worden uitgesloten dat het aantal lidstaten dat nodig is om de meerderheid ten gunste van verzoeker te doen doorslaan, zou zijn gewijzigd na kennisname door die staten van de aanvullende opmerkingen die verzoeker op een passend tijdstip tussen de vergadering van de raad van bestuur van 22 november 2022 en de vaststelling van het besluit tot niet-verlenging van de ambtstermijn had moeten kunnen indienen. |
|
123 |
Gelet op het voorgaande moet het besluit tot niet-verlenging van de ambtstermijn nietig worden verklaard, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over de andere argumenten die verzoeker in het kader van het enige middel in zaak T‑224/24 heeft aangevoerd. |
Vordering tot nietigverklaring in zaak T‑435/23, voor zover zij is gericht tegen besluit MB‑23‑04 betreffende de opschorting van de delegatie van de bevoegdheden van het TABG
|
124 |
Verzoeker stelt dat besluit MB‑23‑04 betreffende de opschorting van de delegatie van de bevoegdheden van het TABG – dat zowel de hem verleende delegatie van deze bevoegdheden opschort als zijn bevoegdheden beperkt tot het beheer van lopende zaken voor het functioneren van het EUIPO – onwettig is, omdat het leidt tot schending van ten eerste zijn recht om te worden gehoord, ten tweede artikel 157 van verordening 2017/1001 en ten derde artikel 4 van besluit MB‑17‑01 en het evenredigheidsbeginsel. |
|
125 |
Dit laatste argument moet eerst worden onderzocht. |
– Reikwijdte van besluit MB‑23‑04 betreffende de opschorting van de delegatie van de bevoegdheden van het TABG
|
126 |
In dit verband zij eraan herinnerd dat in besluit MB‑23‑04 betreffende de opschorting van de delegatie van de bevoegdheden van het TABG, na de vermelding dat de raad van bestuur had besloten de delegatie van de bevoegdheden van het TABG aan verzoeker op te schorten, wordt gesteld dat „de raad van bestuur heeft besloten [verzoekers] bevoegdheden te beperken tot het beheer van lopende zaken voor het functioneren van het EUIPO, zonder gevolgen voor de toekomst van het EUIPO of verplichtingen voor de volgende uitvoerend directeur”. |
|
127 |
In het besluit tot afwijzing van de klacht tegen besluit MB‑23‑04 werd echter verklaard dat alleen de delegatie van verzoekers bevoegdheden van het TABG was opgeschort en dat alle andere aan verzoeker verleende bevoegdheden, met name op grond van artikel 157 van verordening 2017/1001, van kracht bleven. |
|
128 |
Gelet op het besluit tot afwijzing van de klacht tegen besluit MB‑23‑04, waarvan de motivering in aanmerking moet worden genomen bij de beoordeling van de wettigheid van besluit MB‑23‑04 betreffende de opschorting van de delegatie van bevoegdheden van het TABG [zie in die zin arresten van 21 september 2011, Adjemian e.a./Commissie, T‑325/09 P, EU:T:2011:506, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 23 maart 2022, NV/eu‑LISA, T‑661/20, EU:T:2022:154, punten 31 en 33 (niet gepubliceerd) en aldaar aangehaalde rechtspraak], moet worden geoordeeld dat enkel de aan verzoeker gedelegeerde bevoegdheden van de TABG zijn geschorst. Bovendien moet worden vastgesteld dat verzoeker uitsluitend de rechtmatigheid van die opschorting betwist. |
– Ontvankelijkheid van de vordering tot nietigverklaring in zaak T‑435/23, voor zover zij is gericht tegen besluit MB‑23‑04 betreffende de opschorting van de delegatie van de bevoegdheden van het TABG, alsmede verzoekers procesbelang
|
129 |
In het onderhavige geval betwist het EUIPO het bestaan van zowel een bezwarend besluit als een procesbelang, die beide voorwaarden zijn waaraan moet zijn voldaan voor de ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring. |
|
130 |
Wat het bestaan van een bezwarend besluit betreft, moet in de eerste plaats worden geoordeeld dat besluit MB‑23‑04 betreffende de opschorting van de delegatie van de bevoegdheden van het TABG, gelet op de aard en omvang van die bevoegdheden, bindende rechtsgevolgen in het leven heeft geroepen die verzoeker in zijn belangen kunnen schaden, doordat zijn rechtspositie aanzienlijk wordt gewijzigd (zie in die zin arresten van 22 oktober 2002, Pflugradt/ECB,T‑178/00 en T‑341/00, EU:T:2002:253, punt 81, en 1 september 2021, KN/EESC,T‑377/20, EU:T:2021:528, punt 74). |
|
131 |
In de tweede plaats voert de raad van bestuur in besluit MB‑23‑04 betreffende de opschorting van de delegatie van de bevoegdheden van het TABG aan dat er sprake is van een verlies van vertrouwen in het vermogen van verzoeker om zijn rol als TABG op een onpartijdige en objectieve wijze uit te oefenen in het belang van het EUIPO, en haalt daarbij vijf voorvallen aan die verband houden met zijn gedrag, wat aanzienlijke gevolgen kan hebben voor betrokkene, zowel op professioneel als op persoonlijk vlak (zie naar analogie arrest van 15 juni 2000, F/Commissie, T‑211/98, EU:T:2000:153, punten 30 en 31). |
|
132 |
Hieruit volgt dat besluit MB‑23‑04 betreffende de opschorting van de delegatie van de bevoegdheden van het TABG voor verzoeker bezwarend kan zijn in de zin van artikel 91, lid 1, van het Statuut. |
|
133 |
Wat het procesbelang betreft, betoogt het EUIPO dat verzoeker zijn procesbelang heeft verloren, aangezien besluit MB‑23‑04 betreffende de opschorting van de delegatie van de bevoegdheden van het TABG slechts gold tot het einde van zijn ambtstermijn en inmiddels niet meer van kracht is. Verzoeker kan dus geen enkel voordeel meer halen uit de nietigverklaring ervan. |
|
134 |
Verzoeker betoogt dat de nietigverklaring van besluit MB‑23‑04 betreffende de opschorting van de delegatie van de bevoegdheden van het TABG, dat een waardeoordeel van de raad van bestuur weergeeft en zowel intern als extern ruime aandacht heeft gekregen, kan bijdragen aan zijn rehabilitatie en kan dienen als genoegdoening voor de door hem geleden immateriële schade. |
|
135 |
In dit verband heeft het Hof erkend dat, ook al volgt uit de rechtspraak dat het procesbelang op straffe van afdoening zonder beslissing moet blijven bestaan tot aan de rechterlijke beslissing, hetgeen onderstelt dat de uitkomst van het beroep in het voordeel kan zijn van de partij die het heeft ingesteld (arrest van 7 juni 2007, Wunenburger/Commissie, C‑362/05 P, EU:C:2007:322, punten 42 en 43), het procesbelang van een verzoekende partij niet noodzakelijkerwijs verdwijnt vanwege het feit dat de door hem aangevochten handeling gedurende de procedure heeft opgehouden effect te sorteren. Een verzoeker kan er immers belang bij blijven hebben een verklaring van onrechtmatigheid van die handeling te verkrijgen voor de periode dat deze toepasselijk was en effect sorteerde, aangezien een dergelijke verklaring op zijn minst een grondslag voor een aansprakelijkheidsvordering zou kunnen opleveren (zie arrest van 12 december 2024, Nemea Bank/ECB e.a.,C‑181/22 P, EU:C:2024:1020, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
136 |
In dit geval moet worden vastgesteld dat verzoekers ambtstermijn op 1 oktober 2023 afliep, zodat besluit MB‑23‑04 betreffende de opschorting van de delegatie van de bevoegdheden van het TABG voor hem geen rechtsgevolgen meer sorteert. Evenwel zijn de schadevorderingen in zaak T‑435/23 gedeeltelijk gebaseerd op de gestelde onrechtmatigheid van dat besluit, terwijl de schade die verzoeker in dat verband aanvoert, verband houdt met de aantasting van zijn beroepsreputatie. |
|
137 |
Hieruit volgt dat de nietigverklaring van besluit MB‑23‑04 betreffende de opschorting van de delegatie van de bevoegdheden van het TABG in het voordeel van verzoeker kan zijn, zodat hij er nog steeds belang bij heeft om tegen dit besluit beroep in te stellen, en dat de argumenten die hij in dit verband heeft aangevoerd, moeten worden onderzocht, te beginnen met die betreffende schending van artikel 4 van besluit MB‑17‑01 en van het evenredigheidsbeginsel. |
– Gegrondheid van de vordering tot nietigverklaring in zaak T‑435/23, voor zover zij is gericht tegen besluit MB‑23‑04 betreffende de opschorting van de delegatie van de bevoegdheden van het TABG
|
138 |
Zoals in punt 124 hierboven is uiteengezet, stelt verzoeker onder meer dat besluit MB‑23‑04 betreffende de opschorting van de delegatie van de bevoegdheden van het TABG artikel 4 van besluit MB‑17‑01 en het evenredigheidsbeginsel schendt, aangezien de raad van bestuur slechts in uitzonderlijke omstandigheden, waarvan in casu geen sprake is, de delegatie van de bevoegdheden van het TABG kan schorsen. |
|
139 |
Meer in het bijzonder verwijst verzoeker naar de vijf voorvallen die in het besluit tot afwijzing van de klacht tegen besluit MB‑23‑04 zijn aangevoerd ter rechtvaardiging van de opschorting van de hem verleende delegatie van bevoegdheden van het TABG (zie punt 131 hierboven), namelijk ten eerste de toezending per e‑mail door een van zijn advocaten aan de secretaris-generaal van de Raad en aan de secretaris-generaal van de Commissie, in afschrift gestuurd aan de directeur-generaal van de dienst Interne Audit van de Commissie, van een kopie van zijn bezwaar tegen besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van zijn ambtstermijn en tegen de besluiten MB‑22‑20 en MB‑22‑21 betreffende de selectieprocedure; ten tweede, zijn verzoek om de notulen van de vergadering van de raad van bestuur van 22 november 2022 inhoudelijk te wijzigen; ten derde, de brief van 3 februari 2023 van zijn advocaten aan de voorzitter van de raad van bestuur met de vraag welke maatregelen er waren genomen naar aanleiding van de openbaarmaking, in verschillende Spaanse kranten, van de uitkomst van de vergadering van genoemde raad van 22 november 2022; ten vierde, het ontbreken van een verklaring van zijn kant over een belangenconflict met betrekking tot zijn deelname aan de voorbereidende subcommissie voor de selectie van de toekomstige uitvoerend directeur, en ten vijfde, zijn beslissing om in januari 2023 de aflopende contracten van zes bij het EUIPO gedetacheerde nationale deskundigen niet te verlengen. |
|
140 |
Volgens verzoeker vormen de in punt 139 hierboven genoemde voorvallen geen uitzonderlijke omstandigheden in de zin van artikel 4 van besluit MB‑17‑01 en kunnen zij de schorsing van de hem verleende delegatie van de bevoegdheden van het TABG juridisch niet rechtvaardigen. |
|
141 |
In zijn schriftelijke opmerkingen heeft het EUIPO, gesteund door de Republiek Polen en de Slowaakse Republiek, de argumenten van verzoeker met betrekking tot de vijf genoemde voorvallen niet weerlegd, maar in het algemeen gesteld dat bepaalde handelingen en verklaringen van verzoeker, evenals sommige door hem veroorzaakte voorvallen, een risico vormden voor het beheer van het EUIPO. |
|
142 |
Bovendien beroept het EUIPO zich op andere voorvallen die zich zouden hebben voorgedaan na de vaststelling van besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van verzoekers ambtstermijn en besluit MB‑23‑04 betreffende de opschorting van de delegatie van de bevoegdheden van het TABG, waaruit – aldus deze instelling – verzoekers rancuneuze en antagonistische houding jegens de raad van bestuur blijkt. |
|
143 |
Ten eerste zou verzoeker hebben geprobeerd de middelen van het EUIPO te gebruiken om besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van zijn ambtstermijn en de besluiten MB‑22‑20 en MB‑22‑21 betreffende de selectieprocedure aan te vechten en om toegang te verkrijgen tot vertrouwelijke documenten. Hij zou meer bepaald het personeel van het EUIPO hebben gevraagd een analyse op te stellen over een mogelijke klacht tegen deze besluiten, ook over een mogelijk belangenconflict van bepaalde leden van de raad van bestuur, en onderzoek te doen naar de begroting van schadevergoedingen naar aanleiding van een minnelijke schikking of op grond van een arrest. Ten tweede zou hij openlijk de betrouwbaarheid en het professionalisme van het personeel van het secretariaat van de raad van bestuur in vraag hebben gesteld. Tot slot zou hij hebben overwogen om individuele vergeldingsmaatregelen te nemen tegen het hoofd van de afdeling Institutionele betrekkingen, door te onderzoeken of hij haar aan het einde van haar proeftijd niet uit haar functie zou ontheffen, en door haar deelname aan de jaarlijkse vergadering van de International Trademark Association (INTA) in 2023, die hij aanvankelijk had goedgekeurd, alsnog te weigeren. |
|
144 |
Volgens het EUIPO tonen de in punt 143 hierboven genoemde feiten samengenomen aan dat de onafhankelijkheid en objectiviteit van verzoeker als uitvoerend directeur in het gedrang waren gekomen, waardoor het vertrouwen van de raad van bestuur in zijn vermogen om de bevoegdheden van het TABG op objectieve wijze uit te oefenen, aanzienlijk was aangetast. |
|
145 |
In dit verband zij er om te beginnen aan herinnerd dat artikel 4 van besluit MB‑17‑01 en artikel 153, lid 2, derde alinea, van verordening 2017/1001 bepalen dat de delegatie van de bevoegdheden van het TABG aan de uitvoerend directeur tijdelijk kan worden geschorst wanneer „uitzonderlijke omstandigheden” dit vereisen. |
|
146 |
In dit verband beschikt de raad van bestuur over een ruime discretionaire bevoegdheid bij de beoordeling van de voorwaarde inzake uitzonderlijke omstandigheden, aangezien een besluit tot schorsing van de bevoegdheden van het TABG wordt genomen in het kader van de organisatie van zijn diensten. Gelet op de omvang van deze discretionaire bevoegdheid moet de toetsing door het Gerecht van de naleving van de voorwaarde inzake uitzonderlijke omstandigheden worden beperkt tot de vraag of het EUIPO binnen redelijke grenzen is gebleven en zijn discretionaire bevoegdheid niet kennelijk onjuist heeft gebruikt (zie in die zin en naar analogie arrest van 7 juni 2018, OW/EASA, T‑597/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:338, punten 41 en 42). |
|
147 |
Dienaangaande stelt het besluit tot afwijzing van de klacht tegen besluit MB‑23‑04 in algemene bewoordingen dat bepaalde handelingen en verklaringen van verzoeker, evenals bepaalde door hem veroorzaakte voorvallen – zoals verzoeken aan het personeel van het EUIPO om zijn persoonlijke belangen voorrang te geven, en een beroep op dat personeel om ten bate van zichzelf toegang te krijgen tot documenten en informatie – het legitieme functioneren van de raad van bestuur hebben ondermijnd, wat ernstige twijfels zou hebben doen rijzen over zijn loyaliteit jegens het EUIPO in het algemeen en de raad van bestuur in het bijzonder, en heeft geleid tot een verlies van vertrouwen in zijn vermogen om zijn rol als TABG op een onpartijdige en objectieve manier in het belang van het EUIPO uit te oefenen. |
|
148 |
Volgens het besluit tot afwijzing van de klacht tegen besluit MB‑23‑04 kan dit met name worden afgeleid uit de vijf in punt 139 hierboven genoemde voorvallen. |
|
149 |
In dit verband moet, met betrekking tot het eerstgenoemde voorval (zie de punten 17 en 139 hierboven), allereerst worden herinnerd aan het legitieme recht van elk personeelslid van het EUIPO, zoals de uitvoerend directeur, om op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht in te dienen tegen een voor hem bezwarend besluit. Dit recht wordt bovendien uitdrukkelijk erkend in besluit MB‑23‑04 betreffende de opschorting van de delegatie van de bevoegdheden van het TABG en wordt ook door het EUIPO in zijn verweerschrift bevestigd. |
|
150 |
Bijgevolg kan de toezending van de klacht tegen besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van verzoekers ambtstermijn en de besluiten MB‑22‑20 en MB‑22‑21 betreffende de selectieprocedure aan de secretaris-generaal van de Raad, hetgeen verzoeker hier wordt verweten, niet als ongepast worden beschouwd, aangezien het aan de Raad is om, rekening houdend met de door de raad van bestuur overeenkomstig artikel 158, lid 3, van verordening 2017/1001 gemaakte beoordeling, het definitieve besluit te nemen over de eventuele verlenging van verzoekers ambtstermijn (zie punt 84 hierboven), en verzoeker er dus een rechtmatig belang bij had om ervoor te zorgen dat de Raad op de hoogte was van de vermeende onwettigheden in die besluiten. |
|
151 |
Met betrekking tot de toezending van de klacht tegen besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van verzoekers ambtstermijn en de besluiten MB‑22‑20 en MB‑22‑21 betreffende de selectieprocedure aan de secretaris-generaal en de directeur-generaal van de dienst Interne Audit van de Commissie, wat verzoeker hier ook wordt verweten, zij erop gewezen dat de Commissie krachtens artikel 154, lid 1, van verordening 2017/1001 twee vertegenwoordigers in de raad van bestuur heeft, zodat zij in elk geval op de hoogte zou worden gebracht van die klacht, en de toezending van die klacht aan de Commissie dus geen praktische gevolgen heeft gehad. |
|
152 |
Met betrekking tot het tweede voornoemde voorval (zie punten 14 en 139 hierboven) wordt in het besluit tot afwijzing van de klacht tegen besluit MB‑23‑04 aangegeven dat verzoeker heeft geprobeerd de notulen van de vergadering van de raad van bestuur van 22 november 2022 inhoudelijk naar zijn hand te zetten en de procedure voor de vaststelling ervan te omzeilen, door te verzoeken verklaringen die hij tijdens die vergadering zou hebben afgelegd aan de notulen toe te voegen, hoewel deze niet overeenkwamen met wat tijdens de vergadering was vastgelegd. |
|
153 |
Het volstaat vast te stellen dat uit het dossier blijkt dat de raad van bestuur op 12 juni 2023, dat wil zeggen vóór de vaststelling van het besluit tot afwijzing van de klacht tegen besluit MB‑23‑04, de notulen heeft aangevuld met een samenvatting van de verklaringen waarvan de toevoeging door verzoeker was gevraagd, zodat het EUIPO de rechtmatigheid van diens verzoeken heeft erkend. |
|
154 |
Met betrekking tot het derde voornoemde voorval (zie punten 9, 15 en 139 hierboven) zij eraan herinnerd dat in het besluit tot afwijzing van de klacht tegen besluit MB‑23‑04 verzoeker wordt verweten dat hij bij brief van zijn advocaten van 3 februari 2023 aan de voorzitter van de raad van bestuur had verzocht de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) te informeren over de openbaarmaking in verschillende Spaanse kranten van de uitkomst van de vergadering van die raad van bestuur van 22 november 2022, wat volgens hem een inbreuk in verband met persoonsgegevens was in de zin van artikel 34, lid 1, van verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 45/2001 en besluit nr. 1247/2002/EG (PB 2018, L 295, blz. 39). Meer in het bijzonder is die brief te laat verzonden, namelijk meer dan twee maanden na de feiten, en vormt deze openbaarmaking geen inbreuk in verband met persoonsgegevens. |
|
155 |
In dit verband zij eraan herinnerd dat de advocaten van verzoeker in hun brief van 3 februari 2023 stelden dat de betreffende openbaarmaking een inbreuk was op de geheimhoudingsplicht van de leden van de raad van bestuur krachtens artikel 15 van het reglement van orde van de raad van bestuur en bovendien een inbreuk in verband met persoonsgegevens vormde in de zin van artikel 3, punt 16, van verordening 2018/1725. |
|
156 |
In het besluit tot afwijzing van de klacht tegen besluit MB‑23‑04 wordt echter niet betwist dat de uitkomst van de vergadering van de raad van bestuur van 22 november 2022 aan de Spaanse pers was bekendgemaakt voordat verzoeker daarvan op de hoogte was gesteld, noch dat dit in strijd was met artikel 15 van het reglement van orde van de raad van bestuur. Zonder echter in te gaan op de vraag of de bekendmaking van die informatie een inbreuk in verband met persoonsgegevens vormt in de zin van artikel 3, punt 16, van verordening 2018/1725, wordt in dat besluit verklaard dat de openbaarmaking van dit soort informatie – waaronder de verlenging van een ambtstermijn zoals hier aan de orde – een vaste praktijk van de raad van bestuur is, die door verzoeker zelf is ingevoerd, en dat er geen sprake was van persoonsgegevens. |
|
157 |
Zoals verzoeker stelt en het EUIPO niet betwist, kan de openbaarmaking van de informatie in kwestie niet worden vergeleken met de situatie van andere personeelsleden of ambtenaren van het EUIPO, waarvan de benoemingen pas aan het publiek werden meegedeeld nadat ze definitief waren en nadat zij hiervan op de hoogte waren gebracht. In dit geval gaat het immers om een negatief besluit van de raad van bestuur dat voortijdig werd bekendgemaakt, namelijk vóór de definitieve beslissing van de raad van bestuur over de eventuele verlenging van zijn ambtstermijn en nog voordat hij daarvan officieel van op de hoogte was gesteld. Het kan dus niet als ongepast worden beschouwd dat verzoeker de openbaarmaking van deze informatie bij de voorzitter van de raad van bestuur aan de kaak stelt. |
|
158 |
Met betrekking tot het vierde voornoemde voorval (zie punten 18, 21 en 139 hierboven) zij eraan herinnerd dat verzoeker tijdens een telefoongesprek met de voorzitter van de raad van bestuur op 22 februari 2023 had aangegeven dat er volgens hem geen sprake was van een belangenconflict, en vervolgens in zijn nota van 1 maart 2023 aan de leden van de raad van bestuur heeft verklaard (zie punt 21 hierboven) dat, mocht de raad besluiten hem uit te sluiten van de voorbereidende subcommissie voor de selectie van de toekomstige uitvoerend directeur, hij dit zou accepteren. Hij heeft dan ook geen klacht ingediend tegen besluit MB‑23‑03 betreffende zijn uitsluiting uit die subcommissie. |
|
159 |
Hieruit volgt dat verzoeker enkel kan worden verweten dat hij een andere opvatting had dan de voorzitter van de raad van bestuur over het bestaan van een belangenconflict, hetgeen echter niet kan worden aangemerkt als ongepast gedrag van zijn kant. |
|
160 |
Met betrekking tot het vijfde voornoemde voorval (zie punten 12 en 139 hierboven) heeft verzoeker aangegeven, zonder dat het EUIPO dit heeft betwist, dat het niet-verlengen van de overeenkomsten van zes bij het EUIPO gedetacheerde deskundigen niet te wijten was aan het feit dat deze nationale deskundigen uit lidstaten kwamen die de verlenging van zijn ambtstermijn niet hadden gesteund, maar aan budgettaire redenen. Bijgevolg is er geen bewijs dat verzoeker zich ongepast heeft gedragen wat het niet-verlengen van die overeenkomsten betreft. |
|
161 |
Hieruit volgt dat geen van de vijf in punt 139 genoemde voorvallen wijst op ongepast gedrag van verzoeker, zodat deze geen aanleiding kunnen geven tot uitzonderlijke omstandigheden in de zin van artikel 4 van besluit MB‑17‑01. |
|
162 |
Wat betreft de voorvallen die door het EUIPO in zijn verweerschrift zijn aangehaald (zie punten 142 en 143 hierboven), stelt verzoeker dat het gaat om nieuwe elementen die niet in besluit MB‑23‑04 betreffende de opschorting van de delegatie van de bevoegdheden van het TABG zijn opgenomen. |
|
163 |
In dit verband zij eraan herinnerd dat de motivering in beginsel tegelijk met het bezwarende besluit aan de betrokkene moet worden meegedeeld. Extra redenen die tijdens de procedure naar voren worden gebracht, mogen alleen worden meegenomen in de beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit als er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden (zie in die zin arrest van 11 juni 2020, Commissie/Di Bernardo, C‑114/19 P, EU:C:2020:457, punten 51 en 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
164 |
Het EUIPO betoogt dat de voorvallen die in zijn verweerschrift worden aangevoerd, een nadere toelichting vormen op de voorvallen die in het besluit tot afwijzing van de klacht tegen besluit MB‑23‑04 zijn vermeld, maar geeft daarbij niet aan op welke onderdelen van besluit MB‑23‑04 betreffende de opschorting van de delegatie van de bevoegdheden van het TABG deze elementen betrekking zouden hebben. |
|
165 |
In dit verband moet worden vastgesteld dat, naast de vijf specifieke voorvallen genoemd in punt 139 hierboven, het besluit tot afwijzing van de klacht tegen besluit MB‑23‑04 slechts verwijst naar bepaalde handelingen en verklaringen van verzoeker – zoals verzoeken aan het personeel van het EUIPO om zijn persoonlijke belangen voorrang te geven, en een beroep op dat personeel om ten bate van zichzelf toegang te krijgen tot documenten en informatie (zie punt 147 hierboven). |
|
166 |
Allereerst is deze algemene verwijzing naar de handelingen van verzoeker onvolledig en heeft zij verzoeker niet in staat gesteld te begrijpen dat daarmee werd verwezen naar de grief van het EUIPO dat hij „openlijk de betrouwbaarheid en het professionalisme van het personeel van het secretariaat van de raad van bestuur in vraag [heeft] gesteld” (zie punt 143 hierboven), wat neerkomt op een gebrek aan motivering op dit punt (zie in die zin arrest van 11 juni 2020, Commissie/Di Bernardo, C‑114/19 P, EU:C:2020:457, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
167 |
Ten tweede geldt hetzelfde voor de grief dat verzoeker vergeldingsmaatregelen heeft genomen tegen het hoofd van de afdeling Institutionele betrekkingen (zie punt 143 hierboven). |
|
168 |
Bovendien heeft verzoeker, met betrekking tot die vergeldingsmaatregelen, uitgelegd – en het EUIPO betwist dit niet – dat uit de beoordelingsrapporten van dat afdelingshoofd blijkt dat haar prestaties en gedrag al sinds 2022 problematisch waren, dat haar deelname aan de jaarlijkse INTA-vergadering voornamelijk werd geweigerd om kosten te besparen, en dat het EUIPO uiteindelijk helemaal niet aan die vergadering heeft deelgenomen. |
|
169 |
Wat ten derde het voorval betreft met betrekking tot een vermeend verzoek van verzoeker aan het personeel van het EUIPO om hem een analyse op te stellen over een mogelijke klacht tegen besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van zijn ambtstermijn en de besluiten MB‑22‑20 en MB‑22‑21 betreffende de selectieprocedure, en onderzoek te doen naar de begroting van schadevergoedingen naar aanleiding van een minnelijke schikking of op grond van een arrest (zie punt 143 hierboven) kan niet worden uitgesloten dat de verwijzing naar bepaalde handelingen en verklaringen van verzoeker in besluit MB‑23‑04 betreffende de opschorting van de delegatie van de bevoegdheden van het TABG, betrekking heeft op dit voorval. |
|
170 |
De motivering van een bestreden besluit kan echter slechts in uitzonderlijke gevallen worden vervolledigd met toelichtingen die in de loop van het geding worden verstrekt (zie in die zin arrest van 11 juni 2020, Commissie/Di Bernardo, C‑114/19 P, EU:C:2020:457, punt 59). In dit opzicht volstaat het vast te stellen dat in het dossier geen enkel element aanwezig is dat erop wijst dat de omstandigheden van de zaak zodanig waren dat het EUIPO niet in staat zou zijn geweest duidelijk aan te geven om welke „verzoeken aan het personeel” het in dit geval ging. |
|
171 |
Hoe dan ook moet worden vastgesteld dat het EUIPO geen enkel bewijs heeft overgelegd ter onderbouwing van deze beweringen, terwijl verzoeker deze tijdens de pleitzitting uitdrukkelijk heeft betwist en heeft toegelicht dat hij hiervoor een externe advocaat had geraadpleegd. |
|
172 |
Bovendien, zelfs als verzoeker zijn verzoeken aan het personeel van het EUIPO zouden worden meegewogen in besluit MB‑23‑04 betreffende de opschorting van de delegatie van de bevoegdheden van het TABG, moet worden opgemerkt dat uit dit besluit geenszins kan worden afgeleid dat de schorsing van de delegatie van de bevoegdheden van het TABG aan verzoeker een proportionele maatregel is enkel vanwege dit voorval, aangezien alle andere aan verzoeker verweten voorvallen en gedragingen niet voldoende zijn om deze schorsing te rechtvaardigen, zoals blijkt uit de overwegingen hierboven. |
|
173 |
Gelet op het voorgaande moet verzoekers betoog inzake schending van artikel 4 van besluit MB‑17‑01 worden aanvaard en moet bijgevolg besluit MB‑23‑04 betreffende de opschorting van de delegatie van de bevoegdheden van het TABG nietig worden verklaard, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over verzoekers andere argumenten. |
Schadevordering
|
174 |
Wat de materiële schade betreft, verzoekt verzoeker het Gerecht om het EUIPO en de Raad in zaak T‑435/23, en de Raad in zaak T‑224/24 te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding ten bedrage van 364728,64 EUR. Verzoeker betoogt in essentie dat de besluiten van het EUIPO en de Raad tot niet-verlenging van zijn ambtstermijn als uitvoerend directeur aan de oorsprong van de gestelde schade liggen. |
|
175 |
Verzoeker vordert als vergoeding van de immateriële schade in zaak T‑435/23 een bedrag van 125000 EUR van het EUIPO, en in zaak T‑224/24 eenzelfde bedrag van de Raad, omdat besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van zijn ambtstermijn, de besluiten MB‑22‑20 en MB‑22‑21 betreffende de selectieprocedure, besluit MB‑23‑04 betreffende de opschorting van de delegatie van de bevoegdheden van het TABG, het besluit tot niet-verlenging van zijn ambtstermijn alsook de bekendmaking van bepaalde informatie zijn beroepsreputatie hebben aangetast. |
|
176 |
Dienaangaande zij eraan herinnerd dat voor de ontvankelijkheid van een schadevordering bij het Gerecht krachtens artikel 270 VWEU en artikel 91 van het Statuut is vereist dat de precontentieuze procedure regelmatig is verlopen en de daarin gestelde termijnen in acht zijn genomen (zie beschikking van 7 februari 2017, Stips/Commissie, T‑593/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:71, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
177 |
De precontentieuze procedure verschilt naargelang de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd, voortvloeit uit een bezwarend besluit in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut, dan wel uit een gedraging van de overheidsinstantie die geen besluit vormt (beschikking van 14 december 2022, Baert/Commissie, T‑111/22, niet gepubliceerd, EU:T:2022:823, punt 66). |
|
178 |
In het eerste van de hierboven in punt 177 genoemde gevallen is het aan de betrokkene om binnen de gestelde termijn bij het TABG een klacht tegen het betrokken besluit in te dienen. Volgens vaste rechtspraak moeten vorderingen tot vergoeding van materiële of immateriële schade evenwel worden afgewezen wanneer zij een nauwe samenhang vertonen met vorderingen tot nietigverklaring die, op hun beurt, niet-ontvankelijk of ongegrond zijn verklaard (zie arrest van 24 november 2021, CX/Commissie, T‑743/16 RENV II, niet gepubliceerd, EU:T:2021:824, punt 417 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
179 |
In het tweede van de hierboven in punt 177 genoemde gevallen daarentegen moet de administratieve procedure beginnen met de indiening van een verzoek om schadevergoeding in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut en zo nodig worden voortgezet met een klacht tegen het besluit tot afwijzing van het verzoek (zie arrest van 24 maart 2021, BK/EASO, T‑277/19, niet gepubliceerd, EU:T:2021:161, punt 124 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
180 |
De schadevorderingen van verzoeker moeten worden beoordeeld aan de hand van bovenstaande elementen, eerst in zaak T‑435/23 en vervolgens in zaak T‑224/24. |
Schadevorderingen in zaak T‑435/23
– Materiële schade
|
181 |
Wat de materiële schade betreft, moet worden opgemerkt dat de schadevordering nauwe samenhang vertoont met de verzoeken tot nietigverklaring van het besluit tot niet-verlenging van de ambtstermijn en van besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van verzoekers ambtstermijn en de besluiten MB‑22‑20 en MB‑22‑21 betreffende de selectieprocedure, die evenwel niet-ontvankelijk zijn (zie punten 74, 90 en 97 hierboven). Hieruit volgt dat ook deze vordering niet-ontvankelijk is. |
– Immateriële schade
|
182 |
Wat de immateriële schade betreft, zij eraan herinnerd dat de schadevordering in de eerste plaats is gebaseerd op de onwettigheid van besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van verzoekers ambtstermijn en van de besluiten MB‑22‑20 en MB‑22‑21 betreffende de selectieprocedure, alsmede op de bekendmaking in de pers van de uitkomst van de stemming van de raad van bestuur. In de tweede plaats is zij gebaseerd op de onwettigheid van besluit MB‑23‑04 betreffende de opschorting van de delegatie van de bevoegdheden van het TABG, de mededeling van dat besluit aan het personeel van het EUIPO en de daaropvolgende bekendmaking ervan in de pers. |
|
183 |
Voor zover de schadevordering is gebaseerd op de gestelde onwettigheid van besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van verzoekers ambtstermijn en van de besluiten MB‑22‑20 en MB‑22‑21 betreffende de selectieprocedure, moet zij om de in punt 178 uiteengezette redenen niet-ontvankelijk worden verklaard, daar de vorderingen tot nietigverklaring van die besluiten eveneens niet-ontvankelijk zijn (zie punten 90 en 97 hierboven). |
|
184 |
Bovendien moet – voor zover de schadevordering is gebaseerd op de openbaarmaking in de Spaanse pers van de uitkomst van de stemming van de raad van bestuur (zie punt 9 hierboven) – de gestelde schade worden aangemerkt als het gevolg van een gedraging van het EUIPO die losstaat van besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van verzoekers ambtstermijn en van de besluiten MB‑22‑20 en MB‑22‑21 betreffende de selectieprocedure. |
|
185 |
In dit verband zij opgemerkt dat verzoeker in zijn klacht van 17 februari 2023 bij het EUIPO tegen besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van zijn ambtstermijn en tegen de besluiten MB‑22‑20 en MB‑22‑21 betreffende de selectieprocedure, weliswaar uitdrukkelijk vergoeding heeft gevorderd van zijn immateriële schade ten gevolge van de openbaarmaking in de Spaanse pers van de uitkomst van de stemming van de raad van bestuur, maar dat hij na de afwijzing van die vordering op 16 juni 2023 geen klacht heeft ingediend tegen dat afwijzend besluit overeenkomstig artikel 90, lid 2, van het Statuut (zie in die zin arrest van 24 maart 2021, BK/EASO, T‑277/19, niet gepubliceerd, EU:T:2021:161, punt 125 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
186 |
Aangezien verzoeker niet de twee in punt 179 hierboven genoemde fasen van de precontentieuze procedure heeft doorlopen, moet deze schadevordering niet-ontvankelijk worden verklaard. |
|
187 |
Voor zover de vordering tot vergoeding van de immateriële schade is gebaseerd op de gestelde onwettigheid van besluit MB‑23‑04 betreffende de opschorting van de delegatie van de bevoegdheden van het TABG, vertoont zij bovendien nauwe samenhang met de vordering tot nietigverklaring van dit besluit, die ontvankelijk en gegrond is (zie punten 137 en 173 hierboven). |
|
188 |
In dit verband zij eraan herinnerd dat wanneer de vordering tot schadevergoeding is gebaseerd op de onrechtmatigheid van het nietig verklaarde besluit, de door het Gerecht uitgesproken nietigverklaring volgens vaste rechtspraak op zich een passend en in beginsel toereikend herstel vormt van alle immateriële schade die dit besluit eventueel heeft veroorzaakt, tenzij de verzoekende partij aantoont dat zij immateriële schade heeft geleden die door deze nietigverklaring niet volledig kan worden hersteld (zie in die zin beschikking van 3 september 2019, FV/Raad, C‑188/19 P, niet gepubliceerd, EU:C:2019:690, punt 26, en arrest van 28 april 2021, Correia/EESC,T‑843/19, EU:T:2021:221, punt 86). |
|
189 |
Vastgesteld moet worden dat verzoeker geen enkel specifiek argument aanvoert waaruit blijkt dat zijn immateriële schade niet volledig kan worden hersteld door de nietigverklaring van besluit MB‑23‑04 betreffende de opschorting van de delegatie van de bevoegdheden van het TABG. |
|
190 |
Met betrekking tot de gestelde immateriële schade als gevolg van de mededeling aan de personeelsleden van het EUIPO van de inhoud van besluit MB‑23‑04 betreffende de opschorting van de delegatie van de bevoegdheden van het TABG en de daaropvolgende bekendmaking ervan aan de pers, is het juist dat verzoeker in zijn bij de Raad ingediende klacht van 17 maart 2023 uitdrukkelijk om vergoeding heeft verzocht van deze immateriële schade. Die feiten houden evenwel geen rechtstreeks verband met de vordering tot nietigverklaring van dat besluit. Bovendien blijft het een feit dat verzoeker na de afwijzing van dat verzoek op 17 juli 2023 geen klacht tegen dat afwijzend besluit heeft ingediend overeenkomstig artikel 90, lid 2, van het Statuut (zie in die zin arrest van 24 maart 2021, BK/EASO, T‑277/19, niet gepubliceerd, EU:T:2021:161, punt 125 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Aangezien verzoeker niet de twee in punt 179 hierboven genoemde fasen van de precontentieuze procedure heeft doorlopen, moet deze schadevordering dus niet-ontvankelijk worden verklaard. |
|
191 |
Gelet op het voorgaande moeten de schadevorderingen in zaak T‑435/23 worden afgewezen. |
Schadevorderingen in zaak T‑224/24
– Materiële schade
|
192 |
Wat de materiële schade betreft, moet worden opgemerkt dat de schadevordering nauwe samenhang vertoont met de vordering tot nietigverklaring van het besluit tot niet-verlenging van de ambtstermijn, die ontvankelijk en gegrond is (zie punt 123 hierboven). |
|
193 |
In dit verband stelt verzoeker dat hij de mogelijkheid heeft verloren om zijn ambtstermijn te laten verlengen tot zijn pensionering, met alle materiële gevolgen van dien. |
|
194 |
Uit de rechtspraak volgt dat het verlies van een kans slechts in aanmerking kan worden genomen wanneer dit verlies van een kans reëel en definitief is (zie arrest van 14 december 2022, SU/Eiopa,T‑296/21, EU:T:2022:808, punt 83 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
195 |
Om te bepalen of het verlies van een kans reëel is, moet worden onderzocht of rechtens genoegzaam is aangetoond dat verzoeker niet de kans op verlenging van zijn ambtstermijn is ontnomen – wat hij nooit zal kunnen bewijzen – maar wel een serieuze kans op verlenging van zijn ambtstermijn, met als gevolg dat hij materiële schade heeft geleden die bestaat in gederfde inkomsten (zie arrest van 14 december 2022, SU/Eiopa,T‑296/21, EU:T:2022:808, punt 86 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
196 |
Het bestaan van een serieuze kans hangt niet af van de mate van waarschijnlijkheid dat die kans zich zou voordoen, aangezien dit laatste element later in aanmerking wordt genomen om, indien het bestaan van die kans wordt erkend, de omvang van de geleden materiële schade en de vergoeding ervan te bepalen (zie in die zin arrest van 6 juni 2006, Girardot/Commissie, T‑10/02, EU:T:2006:148, punt 119). |
|
197 |
In casu moet worden vastgesteld dat het verlies van een kans van verzoeker reëel was, aangezien de procedure tot verlenging van zijn ambtstermijn een andere uitkomst had kunnen hebben indien het recht om te worden gehoord niet was geschonden (zie punten 121 en 122 hierboven), zodat rechtens genoegzaam is aangetoond dat hem een serieuze kans op verlenging van zijn ambtstermijn is ontnomen. |
|
198 |
Bovendien moet worden vastgesteld dat het verlies van een kans voor verzoeker definitief is, aangezien de Raad op 19 juli 2023 [vertrouwelijk] heeft benoemd tot nieuwe uitvoerend directeur, waardoor de functie waarop verzoeker zich kandidaat had gesteld inmiddels is vervuld (zie in die zin arrest van 6 juni 2006, Girardot/Commissie, T‑10/02, EU:T:2006:148, punt 50). |
|
199 |
Wat de vergoeding voor het verlies van een kans betreft, volgt uit de rechtspraak dat voor de bepaling van het bedrag van de vergoeding die als gevolg daarvan moet worden betaald, eerst de reële en definitieve aard worden vastgesteld van de kans die de ambtenaar of functionaris is ontnomen. Vervolgens dient te worden bepaald vanaf welke datum hij die kans had kunnen benutten, waarna die kans moet worden gekwantificeerd en ten slotte moet worden verduidelijkt welke financiële gevolgen het verlies van die kans voor hem heeft gehad (zie arrest van 15 december 2021, HB/EIB, T‑757/19, niet gepubliceerd, EU:T:2021:890, punt 114 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
200 |
Wanneer het mogelijk is, moet de kans die een ambtenaar is ontnomen volgens de rechtspraak objectief worden vastgesteld in de vorm van een wiskundige coëfficiënt die volgt uit een precieze analyse. Kan de kans echter niet op die manier worden gekwantificeerd, dan mag de geleden schade ex aequo et bono worden begroot (zie arrest van 15 december 2021, HB/EIB, T‑757/19, niet gepubliceerd, EU:T:2021:890, punt 115 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
201 |
Hoewel verzoeker in het onderhavige geval een cijfermatige raming heeft gegeven van het bedrag dat als basis zou dienen voor de berekening van de schadevergoeding wegens verlies van een kans – namelijk het nettosalaris dat hij zou hebben ontvangen indien zijn ambtstermijn tot aan zijn pensionering zou zijn verlengd, verminderd met het totale bedrag aan pensioenrechten die hij in die periode zou hebben opgebouwd – is het Gerecht nog steeds niet in staat een wiskundige coëfficiënt vast te stellen die verzoekers kans weergeeft, aangezien de door de partijen ter zake verstrekte analyse-elementen onvoldoende nauwkeurig zijn om deze coëfficiënt te bepalen (zie in die zin arresten van 24 oktober 2018, Fernández González/Commissie, T‑162/17 RENV, niet gepubliceerd, EU:T:2018:711, punt 120, en 13 juni 2019, CC/Parlement, T‑248/17 RENV, niet gepubliceerd, EU:T:2019:418, punt 74). |
|
202 |
Gebruikmakend van de bevoegdheid van het Gerecht om de geleden schade ex aequo et bono te begroten, acht het Gerecht het passend verzoeker een forfaitair bedrag toe te kennen ter vergoeding van het verlies van een kans dat hij heeft geleden als gevolg van de onwettige handeling van de Raad. |
|
203 |
In de omstandigheden van het onderhavige geval eist een billijke beoordeling van de algehele materiële schade die verzoeker heeft geleden dat de Raad wordt veroordeeld tot betaling aan verzoeker van het ex aequo et bono vastgestelde forfaitaire bedrag van 25000 EUR. Overeenkomstig de vordering van verzoeker moet dit bedrag worden vermeerderd met vertragingsrente vanaf de uitspraak van het onderhavige arrest tot de datum van de volledige betaling van het verschuldigde bedrag, aan het door de Europese Centrale Bank (ECB) op haar basisherfinancieringsoperaties toegepaste percentage dat geldt op de eerste dag van de maand waarin betaling verschuldigd is, vermeerderd met drieënhalf procentpunten. |
– Immateriële schade
|
204 |
Wat de immateriële schade betreft, moet worden opgemerkt dat de vorderingen tot vergoeding van de immateriële schade ten bedrage van 125000 EUR zijn gebaseerd op, ten eerste, verschillende gedragingen van het EUIPO, namelijk de vaststelling van besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van verzoekers ambtstermijn en de besluiten MB‑22‑20 en MB‑22‑21 betreffende de selectieprocedure, ten tweede, een inbreuk in verband met persoonsgegevens die op 17 juli 2023 zou zijn ontdekt en, ten derde, de gevolgen van de niet-verlenging van verzoekers ambtstermijn als uitvoerend directeur voor zijn beroepsreputatie. |
|
205 |
In de eerste plaats dient de schadevordering in dit verband, voor zover deze is gebaseerd op besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van verzoekers ambtstermijn en de besluiten MB‑22‑20 en MB‑22‑21 betreffende de selectieprocedure, te worden afgewezen, aangezien genoemde besluiten niet door de Raad, maar door het EUIPO zijn genomen. |
|
206 |
In de tweede plaats is het, voor zover de inbreuk in verband met persoonsgegevens het gevolg is van een gedraging van de Raad die geen besluit vormt, juist dat verzoeker in zijn op 30 augustus 2023 bij de Raad ingediende klacht tegen het besluit tot niet-verlenging van zijn ambtstermijn uitdrukkelijk om vergoeding van de daaraan verbonden immateriële schade heeft verzocht. Die feiten houden evenwel geen rechtstreeks verband met de vordering tot nietigverklaring van dat besluit. Bovendien blijft het een feit blijft dat verzoeker na de afwijzing van dat verzoek op 27 februari 2024 geen klacht tegen dat afwijzend besluit heeft ingediend overeenkomstig artikel 90, lid 2, van het Statuut (zie in die zin arrest van 24 maart 2021, BK/EASO, T‑277/19, niet gepubliceerd, EU:T:2021:161, punt 125 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
207 |
Aangezien verzoeker niet de twee in punt 179 hierboven genoemde fasen van de precontentieuze procedure heeft doorlopen, moet deze schadevordering dus niet-ontvankelijk worden verklaard. |
|
208 |
Voor zover de schadevordering is gebaseerd op de onwettigheid van het besluit tot niet-verlenging van de ambtstermijn, moet bovendien worden vastgesteld dat verzoeker geen enkel specifiek argument aanvoert waaruit blijkt dat zijn immateriële schade niet volledig kan worden hersteld door de nietigverklaring van dat besluit. |
|
209 |
Gelet op al deze overwegingen moeten alle vorderingen tot vergoeding van de immateriële schade in zaak T‑224/24 worden afgewezen. |
|
210 |
Gezien het voorgaande moet besluit MB‑23‑04 betreffende de opschorting van de delegatie van de bevoegdheden van het TABG nietig worden verklaard voor zover dit besluit tijdelijk de delegatie van deze bevoegdheden aan verzoeker opschort, evenals het besluit tot niet-verlenging van zijn ambtstermijn. Bovendien moet de Raad worden veroordeeld tot betaling aan verzoeker van het bedrag van 25000 EUR, vermeerderd met vertragingsrente vanaf de uitspraak van het onderhavige arrest tot de datum van de volledige betaling van het verschuldigde bedrag, aan het door de ECB op haar basisherfinancieringsoperaties toegepaste percentage dat geldt op de eerste dag van de maand waarin betaling verschuldigd is, vermeerderd met drieënhalf procentpunten. De beroepen worden verworpen voor het overige. |
Kosten
|
211 |
Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Indien meer partijen in het ongelijk zijn gesteld, bepaalt het Gerecht volgens artikel 134, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering het door elk van hen te dragen deel van de proceskosten. Voorts kan het Gerecht op grond van artikel 135, lid 2, van dit Reglement een partij, ook wanneer zij in het gelijk wordt gesteld, ten dele of zelfs volledig in de kosten verwijzen, indien dit gerechtvaardigd lijkt wegens haar houding, daaronder begrepen haar houding vóór het instellen van het beroep, met name indien door haar toedoen voor de andere partij kosten zijn opgekomen die naar het oordeel van het Gerecht nodeloos of vexatoir zijn veroorzaakt. Volgens de rechtspraak kan het Gerecht een partij, ook wanneer deze in het gelijk wordt gesteld, ten dele of zelfs volledig in de kosten verwijzen, wanneer de gedraging van een instelling of een instantie van de Unie heeft bijgedragen tot het ontstaan van het geschil [zie arrest van 8 juli 2015, European Dynamics Luxembourg e.a./Commissie, T‑536/11, EU:T:2015:476, punt 391 (niet gepubliceerd) en aldaar aangehaalde rechtspraak]. |
|
212 |
Het is juist dat verzoeker in casu gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld, daar zowel de in zaak T‑435/23 ingediende verzoeken tot nietigverklaring van besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van zijn ambtstermijn, de besluiten MB‑22‑20 en MB‑22‑21 betreffende de selectieprocedure en het besluit tot niet-verlenging van de ambtstermijn als de in het kader van dezelfde zaak ingediende schadevorderingen en de in zaak T‑224/24 ingediende vordering tot vergoeding van de immateriële schade worden afgewezen, zodat het EUIPO en de Raad in dat verband als in het gelijk gestelde partijen kunnen worden beschouwd. |
|
213 |
Het Gerecht kan niettemin een instelling waarvan de beschikking niet nietig is verklaard, in de kosten verwijzen wanneer de ontoereikendheid van die beschikking een verzoeker ertoe kan hebben gebracht beroep in te stellen (zie arrest van 22 april 2016, Italië en Eurallumina/Commissie, T‑60/06 RENV II en T‑62/06 RENV II, EU:T:2016:233, punt 245 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
214 |
Besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van verzoekers ambtstermijn en de besluiten MB‑22‑20 en MB‑22‑21 betreffende de selectieprocedure wekken ten onrechte de indruk dat de raad van bestuur een definitieve beslissing heeft genomen om verzoekers ambtstermijn niet te verlengen (zie punten 83 en 84 hierboven). Besluit MB‑22‑19 betreffende het niet-voorstellen van een verlenging van verzoekers ambtstermijn draagt namelijk de titel „Besluit om de Raad van de Europese Unie geen voorstel te doen tot verlenging van de ambtstermijn van [verzoeker]” terwijl de raad van bestuur met de besluiten MB‑22‑20 en MB‑22‑21 betreffende de selectieprocedure de procedure voor de opvolging van verzoeker heeft opgestart. Deze onjuiste indruk heeft verzoeker ertoe kunnen aanzetten beroep in te stellen tegen die besluiten. |
|
215 |
Ook wat het besluit tot niet-verlenging van de ambtstermijn betreft, mocht verzoeker zowel in het kader van het beroep in zaak T‑435/23 als in het kader van het beroep in zaak T‑224/24 de nietigverklaring van dit besluit vorderen. |
|
216 |
Gelet hierop is het Gerecht van oordeel dat een billijke beoordeling van de omstandigheden van het geval eist dat het EUIPO wordt verwezen in zijn eigen kosten en in die van verzoeker in zaak T‑435/23 en dat de Raad wordt verwezen in zijn eigen kosten in de zaken T‑435/23 en T‑224/24 en in die van verzoeker in zaak T‑224/24. |
|
217 |
Voorts dragen de Republiek Letland, de Republiek Polen, de Portugese Republiek en de Slowaakse Republiek, die in het geding in zaak T‑435/23 hebben geïntervenieerd, overeenkomstig artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering hun eigen kosten. |
|
HET GERECHT (Middelgrote kamer), rechtdoende, verklaart: |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
da Silva Passos Svenningsen Porchia Kanninen Madise Półtorak Nihoul Verschuur Cassagnabère Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 10 september 2025. ondertekeningen |
( *1 ) Procestaal: Engels.
( 1 ) Weggelaten vertrouwelijke gegevens.