ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer – uitgebreid)

25 juni 2025 ( *1 )

„Uniemerk – Oppositieprocedure – Aanvraag voor Uniewoordmerk NERO CHAMPAGNE – Eerdere BOB ‚Champagne’ – Relatieve weigeringsgrond – Artikel 8, lid 6, van verordening (EU) 2017/1001 – Artikel 103, lid 2, onder a) en c), van verordening (EU) nr. 1308/2013 – Merk dat een BOB bevat – Producten die het productdossier van de BOB naleven – Motiveringsplicht – Artikel 94 van verordening 2017/1001”

In zaak T‑239/23,

Comité interprofessionnel du vin de Champagne, gevestigd te Épernay (Frankrijk),

Institut national de l’origine et de la qualité (INAO), gevestigd te Montreuil (Frankrijk),

vertegenwoordigd door E. Varese, G. Righini en V. Mazza, advocaten,

verzoekers,

ondersteund door

Franse Republiek, vertegenwoordigd door E. Timmermans en B. Travard als gemachtigden,

door

Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door S. Fiorentino als gemachtigde, bijgestaan door G. Caselli, advocaat,

en door

OriGIn, organization for an International Geographical Indication network, gevestigd te Genève (Zwitserland), vertegenwoordigd door O. Vrins en N. Clarembeaux, advocaten

interveniënten,

tegen

Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door D. Gája als gemachtigde,

verweerder,

andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënte voor het Gerecht:

Nero Lifestyle Srl, gevestigd te Milaan (Italië), vertegenwoordigd door E. Cammareri en B. Marone, advocaten,

wijst

HET GERECHT (Achtste kamer – uitgebreid),

samengesteld als volgt: A. Kornezov, president, G. De Baere, D. Petrlík, K. Kecsmár (rapporteur) en S. Kingston, rechters,

griffier: R. Ukelyte, administrateur,

gezien de stukken,

na de terechtzitting op 18 september 2024,

het navolgende

Arrest

1

Met hun beroep krachtens artikel 263 VWEU vorderen verzoekers, het Comité interprofessionnel du vin de Champagne en het Institut national de l’origine et de la qualité (INAO), gedeeltelijke vernietiging van de beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 17 februari 2023 (zaak R 531/2022‑2) (hierna: „bestreden beslissing”).

Voorgeschiedenis van het geding

2

Op 19 februari 2019 heeft Nero Lifestyle Srl bij het EUIPO een Uniemerkaanvraag ingediend voor het Uniewoordmerk NERO CHAMPAGNE.

3

Het aangevraagde merk had betrekking op waren en diensten die vallen onder de klassen 33, 35 en 41 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd. Zij zijn voor elk van deze klassen omschreven als volgt:

klasse 33: „Wijnen die het productdossier van de beschermde oorsprongsbenaming ‚Champagne’ naleven”;

klasse 35: „Publiciteit; diensten op het gebied van bedrijfsvoering; zakelijke administratie; administratieve diensten; detail- en groothandel, online en in winkels, van wijnen met de beschermde oorsprongsbenaming ‚Champagne’, bieren en alcoholvrije dranken”;

klasse 41: „Vorming, opleiding, ontspanning, culturele activiteiten; uitgave van teksten (met uitzondering van reclame), illustraties, tijdschriften, met inbegrip van elektronische en digitale publicaties, uitgave van cd-roms, boeken, tijdschriften, vakbladen, kranten, magazines en publicaties van alle aard (met uitzondering van reclame) en in alle vormen, met inbegrip van elektronische en digitale publicaties; exploitatie van online elektronische publicaties die niet-downloadbaar zijn; productie van video’s; organisatie van symposia, seminars, workshops, conferenties, congressen en stages met culturele of educatieve doeleinden; organisatie van tentoonstellingen en van vak- en publieksbeurzen met culturele of educatieve doeleinden; publicatie van boeken; tekstuitgave; organisatie van recepties en feesten; organisatie van opleidingsprogramma’s; organisatie van wedstrijden en spellen (educatief of ter vermaak); presentatie aan het publiek van visuele en literaire kunstwerken met culturele of educatieve doeleinden; wijnproeverijen voor educatieve doeleinden; onderwijs en opleiding op het gebied van handel, industrie en informatietechnologie; organisatie en leiding van symposia, congressen, conferenties, seminars en stages met commerciële en/of promotionele doeleinden; alle voorgaande diensten bestemd voor de presentatie en promotie van wijnen met de beschermde oorsprongsbenaming ‚Champagne’”.

4

Op 2 augustus 2019 hebben verzoekers oppositie ingesteld tegen de inschrijving van het aangevraagde merk voor alle in punt 3 hierboven vermelde waren en diensten.

5

De oppositie was gebaseerd op de beschermde oorsprongsbenaming (BOB) nr. AOP-FR-A1359 „Champagne”, die sinds 18 september 1973 in de Europese Unie voor wijn is ingeschreven overeenkomstig artikel 107, lid 1, van verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB 2013, L 347, blz. 671).

6

De gronden ter onderbouwing van de oppositie waren die bedoeld in artikel 8, lid 6, van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB L 154, blz. 1) en artikel 103, lid 2, onder a) tot en met d), van verordening nr. 1308/2013.

7

Op 1 februari 2022 heeft de oppositieafdeling de oppositie gedeeltelijk toegewezen op grond van artikel 103, lid 2, onder c) en d), van verordening nr. 1308/2013 voor de diensten „detail- en groothandel, online en in winkels, van wijnen met de beschermde oorsprongsbenaming ‚Champagne’, bieren en alcoholvrije dranken” van klasse 35. Voor de overige in punt 3 genoemde waren en diensten heeft de oppositieafdeling de oppositie afgewezen.

8

Op 31 maart 2022 hebben verzoekers bij het EUIPO beroep ingesteld tegen de beslissing van de oppositieafdeling, voor zover daarbij de oppositie is afgewezen.

9

Bij de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep de beslissing van de oppositieafdeling vernietigd voor zover daarbij de oppositie is afgewezen voor de diensten „reclame; beheer van commerciële zaken; commerciële administratie; kantoorwerkzaamheden” van klasse 35 en de oppositie voor die diensten toegewezen. Evenwel heeft zij de oppositie afgewezen voor de in punt 3 hierboven bedoelde waren van klasse 33 en diensten van klasse 41, alsook voor de diensten „detail- en groothandel, online en in winkels, van wijnen met de beschermde oorsprongsbenaming ‚Champagne’” van klasse 35 (hierna samen: „betrokken waren en diensten”).

Conclusies van partijen

10

Verzoekers, ondersteund door de Franse Republiek en de Italiaanse Republiek verzoeken het Gerecht:

de bestreden beslissing te vernietigen voor zover daarbij de oppositie is toegewezen;

de aanvraag tot inschrijving van het aangevraagde merk voor de betrokken waren en diensten af te wijzen of, subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar een andere kamer van beroep voor een nieuw onderzoek;

het EUIPO en Nero Lifestyle te verwijzen in hun eigen kosten en in de kosten die zij hebben gemaakt in de procedures voor de oppositieafdeling, de kamer van beroep en het Gerecht.

11

Het EUIPO verzoekt het Gerecht:

het beroep te verwerpen;

verzoekers te verwijzen in de kosten indien er een terechtzitting wordt gehouden.

12

Nero Lifestyle verzoekt het Gerecht:

het beroep te verwerpen;

verzoekers te verwijzen in de kosten.

13

OriGIn, organization for an International Geographical Indication network (hierna: „oriGIn”), treedt de conclusies van verzoekers bij en verzoekt het Gerecht het EUIPO en Nero Lifestyle te verwijzen in de kosten, met inbegrip van de kosten die zij heeft gemaakt.

In rechte

Vordering tot vernietiging

14

Verzoekers voeren in wezen vier middelen aan. Het eerste middel bestaat uit drie onderdelen en betreft de schending van artikel 8, lid 6, van verordening 2017/1001, gelezen in samenhang met artikel 103, lid 2, onder a), ii), van verordening nr. 1308/2013. Het tweede middel betreft de schending van artikel 8, lid 6, van verordening 2017/1001, gelezen in samenhang met artikel 103, lid 2, onder a), i), van verordening nr. 1308/2013. Het derde middel bestaat uit twee onderdelen en is ontleend aan de schending van de motiveringsplicht, zoals neergelegd in de artikelen 263 en 296 VWEU, en in artikel 94, lid 1, van verordening 2017/1001. Het vierde middel betreft de schending van de beginselen van gelijke behandeling en behoorlijk bestuur.

15

Allereerst dienen het eerste middel en het eerste onderdeel van het derde middel gezamenlijk te worden onderzocht, en vervolgens het tweede onderdeel van het derde middel.

Eerste middel: schending van artikel 8, lid 6, van verordening 2017/1001, gelezen in samenhang met artikel 103, lid 2, onder a), ii), van verordening nr. 1308/2013, en eerste onderdeel van het derde middel: niet-nakoming van de motiveringsplicht

16

Met het eerste onderdeel van het eerste middel betogen verzoekers dat met het gebruik en de inschrijving van de BOB „Champagne” als onderdeel van het aangevraagde merk misbruik zou worden gemaakt van de functies van de BOB en dat gebruik en die inschrijving als zodanig in strijd zouden zijn met artikel 103, lid 2, onder a), ii), van verordening nr. 1308/2013, gelezen in samenhang met artikel 8, lid 6, van verordening 2017/1001.

17

In het kader van het tweede onderdeel van het eerste middel stellen verzoekers dat de kamer van beroep ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 103, lid 2, van verordening nr. 1308/2013 niet van toepassing was, aangezien de aanvraag tot inschrijving van het aangevraagde merk uitsluitend betrekking had op waren die het productdossier van de BOB „Champagne” naleven, en op diensten in verband met dergelijke waren. De kamer van beroep heeft dus ten onrechte gesteld dat een merk dat is ingeschreven voor waren die dit productdossier naleven of voor diensten in verband met dergelijke waren, de reputatie van de betrokken BOB niet kan uitbuiten in de zin van artikel 103, lid 2, onder a), ii), van verordening nr. 1308/2013.

18

Met het derde onderdeel van het eerste middel verwijten verzoekers de kamer van beroep dat zij het aangevraagde merk in strijd met artikel 8, lid 6, van verordening 2017/1001, gelezen in samenhang met artikel 103, lid 2, onder a), ii), van verordening nr. 1308/2013 niet globaal heeft beoordeeld. Zij dragen een reeks aanwijzingen aan waaruit volgens hen blijkt dat dit merk de reputatie van de BOB „Champagne” uitbuit in de zin van die bepaling.

19

Bovendien betogen verzoekers met het eerste onderdeel van het derde middel in wezen dat de kamer van beroep haar motiveringsplicht niet is nagekomen omdat zij in punt 37 van de bestreden beslissing niet heeft gemotiveerd waarom zij van oordeel was dat er geen enkel bewijs voorhanden was waaruit bleek dat het gebruik van het aangevraagde merk binnen de werkingssfeer van artikel 103, lid 2, van verordening nr. 1308/2013 viel.

20

Vooraf zij eraan herinnerd dat overeenkomstig artikel 8, lid 6, van verordening 2017/1001 bij oppositie door een persoon die krachtens de toepasselijke wetgeving gemachtigd is de uit een oorsprongsbenaming of geografische aanduiding voortvloeiende rechten uit te oefenen, de inschrijving van een merk wordt geweigerd indien en voor zover overeenkomstig Uniewetgeving of nationaal recht ter bescherming van oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen: er al overeenkomstig Uniewetgeving of nationaal recht een aanvraag voor een oorsprongsbenaming of geografische aanduiding is ingediend vóór de depotdatum van de aanvraag om inschrijving van het Uniemerk of vóór de voorrangsdatum voor de aanvraag, mits latere inschrijving, en voorts de oorsprongsbenaming of de geografische aanduiding het recht verleent om het gebruik van een jonger merk te verbieden.

21

Artikel 8, lid 6, van verordening 2017/1001 moet worden gelezen in het licht van de relevante Unierechtelijke bepalingen inzake de erkenning en bescherming van BOB’s voor wijnbouwproducten. Bijgevolg moet in casu worden verwezen naar de overeenkomstig verordening nr. 1308/2013 geregistreerde BOB’s [zie naar analogie arrest van 6 oktober 2021, Esteves Lopes Granja/EUIPO – IVDP (PORTWO GIN), T‑417/20, niet gepubliceerd, EU:T:2021:663, punt 24].

22

Artikel 102, lid 1, van verordening nr. 1308/2013, met als opschrift „Verband met merken”, bepaalt:

„De registratie van een handelsmerk dat geheel of gedeeltelijk gevormd wordt door een [BOB] of een beschermde geografische aanduiding [BGA] die het betrokken productdossier niet naleeft, of waarvan het gebruik valt onder artikel 103, lid 2, en dat betrekking heeft op een product van de in bijlage VII, deel II, vermelde categorieën, wordt:

a)

geweigerd […], of

b)

nietig verklaard.”

23

Artikel 103 van verordening nr. 1308/2013, met als opschrift „Bescherming”, in de versie die op de datum van de oppositie van kracht was, luidt als volgt:

„1.   [BOB’s] en [BGA’s] mogen worden gebruikt door alle marktdeelnemers die een overeenkomstig het betrokken productdossier geproduceerde wijn afzetten.

2.   [BOB’s] en [BGA’s], alsmede de wijnen die deze beschermde namen overeenkomstig het productdossier dragen, worden beschermd tegen:

a)

elk direct of indirect gebruik door de handel van de beschermde naam:

i)

voor vergelijkbare producten die niet in overeenstemming zijn met het bij de beschermde naam horende productdossier, of

ii)

voor zover dat gebruik neerkomt op het uitbuiten van de reputatie van een oorsprongsbenaming of geografische aanduiding;

[…]

c)

elke andere onjuiste of misleidende aanduiding met betrekking tot de herkomst, de oorsprong, de aard of de wezenlijke hoedanigheden van het product op de binnen- of buitenverpakking of in reclamemateriaal of documenten betreffende het betrokken wijnproduct, alsmede het verpakken in een recipiënt die aanleiding kan geven tot misverstanden over de oorsprong van het product;

[…]”

24

Volgens de rechtspraak is de regeling inzake de bescherming van BOB’s en BGA’s die is neergelegd in verordening nr. 1308/2013 in wezen erop gericht de consumenten te garanderen dat landbouwproducten met een geregistreerde benaming, doordat zij uit een bepaald geografisch gebied afkomstig zijn, bepaalde bijzondere eigenschappen bezitten en dus dankzij hun geografische herkomst een kwaliteitsgarantie bieden, teneinde landbouwproducenten in staat te stellen om in ruil voor een reële kwaliteitsverbetering een betere prijs te krijgen, en te voorkomen dat derden onrechtmatig profiteren van de reputatie die deze waren dankzij hun kwaliteit genieten (arresten van 14 september 2017, EUIPO/Instituto dos Vinhos do Douro e do Porto, C‑56/16 P, EU:C:2017:693, punt 82, en 9 september 2021, Comité Interprofessionnel du Vin de Champagne, C‑783/19, EU:C:2021:713, punt 49).

25

De argumenten van verzoekers moeten op basis van die overwegingen worden onderzocht.

– Eerste onderdeel van het eerste middel

26

Verzoekers, ondersteund door de Italiaanse Republiek, betogen dat het in artikel 103, lid 1, van verordening nr. 1308/2013 bedoelde recht op gebruik van een BOB betrekking heeft op het recht om deze te gebruiken in haar hoedanigheid van BOB, dat wil zeggen overeenkomstig de functie van een BOB. Deze bepaling staat derden daarentegen niet toe om een merk in te schrijven waarin een BOB als onderdeel voorkomt, aangezien een dergelijk gebruik in strijd is met artikel 103, lid 2, onder a), ii), van verordening nr. 1308/2013. Ter terechtzitting hebben verzoekers, ondersteund door de Franse Republiek en oriGIn, hun standpunt genuanceerd door enerzijds toe te geven dat een BOB onder bepaalde voorwaarden kan voorkomen in een merk, en anderzijds te betogen dat de kamer van beroep in elk concreet geval moet onderzoeken of het aangevraagde merk de reputatie van de betrokken BOB uitbuit in de zin van artikel 103, lid 2, onder a), ii), van deze verordening.

27

Het EUIPO en Nero Lifestyle betwisten het betoog van verzoekers. In het bijzonder heeft het EUIPO ter terechtzitting aangevoerd dat het argument van verzoekers dat de kamer van beroep in elk concreet geval had moeten onderzoeken of het aangevraagde merk neerkomt op het uitbuiten van de reputatie van de BOB „Champagne”, niet-ontvankelijk was, aangezien het voor het eerst op die terechtzitting is aangevoerd.

28

Uit artikel 76, onder d), juncto artikel 84, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht volgt met name dat nieuwe middelen of argumenten in de loop van het geding niet mogen worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens van feitelijke of juridische aard waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken of zij al dan niet een aanvulling vormen van een eerder in het inleidend verzoekschrift rechtstreeks of stilzwijgend aangevoerd middel en zij daarmee nauw verband houden (zie arrest van 22 november 2017, von Blumenthal e.a./EIB, T‑558/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:827, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29

Het betoog van verzoekers dat de kamer van beroep op grond van artikel 103, lid 2, onder a), ii), van verordening nr. 1308/2013 in elk concreet geval afzonderlijk had moeten onderzoeken of het aangevraagde merk neerkomt op het uitbuiten van de BOB „Champagne”, strekt in dit verband louter tot nadere toelichting van het in het verzoekschrift aangevoerde en in het kader van het derde onderdeel van het eerste middel ontwikkelde argument dat de kamer van beroep deze bepaling had moeten toepassen wanneer het merk een BOB bevat en betrekking heeft op producten die het productdossier van die BOB naleven, alsook op diensten in verband met dergelijke producten. Het is derhalve ontvankelijk.

30

Wat ten gronde de vraag betreft of de inschrijving van een merk dat geheel of gedeeltelijk wordt gevormd door een BOB, als zodanig in strijd is met de artikelen 102 en 103 van verordening nr. 1308/2013, zij eraan herinnerd dat artikel 102, lid 1, van verordening nr. 1308/2013 bepaalt dat de registratie van een handelsmerk dat geheel of gedeeltelijk gevormd wordt door een BOB of een BGA die het betrokken productdossier niet naleeft of waarvan het gebruik valt onder artikel 103, lid 2, van deze verordening en dat betrekking heeft op een product van de in bijlage VII, deel II, van deze verordening vermelde categorieën, ofwel wordt geweigerd indien de aanvraag voor registratie van het handelsmerk is ingediend na de datum waarop de aanvraag tot bescherming van de oorsprongsbenaming of de geografische aanduiding bij de Commissie is ingediend en de oorsprongsbenaming of geografische aanduiding vervolgens wordt beschermd, ofwel nietig wordt verklaard.

31

Uit deze bepaling volgt dat zij in beginsel niet verbiedt dat een merk een BOB kan bevatten of daaruit kan bestaan. Integendeel, uit deze bepaling volgt dat een merk dat geheel of gedeeltelijk wordt gevormd door een BOB, onder bepaalde voorwaarden kan worden geregistreerd, in die zin dat de registratie van een dergelijk merk slechts in twee gevallen wordt geweigerd of nietig verklaard, namelijk, ten eerste, als de BOB het productdossier van het betrokken product niet naleeft of, ten tweede, als het gebruik ervan onder artikel 103, lid 2, van verordening nr. 1308/2013 valt en betrekking heeft op een product van de in bijlage VII, deel II, vermelde categorieën.

32

Artikel 103, lid 2, van verordening nr. 1308/2013 bevat zijnerzijds in wezen een uitputtende lijst van praktijken waartegen BOB’s worden beschermd.

33

In het bijzonder bepaalt artikel 103, lid 2, onder a), punt ii), van verordening nr. 1308/2013 – waarop verzoekers zich in het kader van het eerste onderdeel van het eerste middel beroepen ter staving van hun betoog dat het gebruik van en de registratie van een merk dat geheel of gedeeltelijk wordt gevormd door een BOB „als zodanig” onverenigbaar zijn met die bepaling – enkel dat de bescherming zich uitstrekt tot elk direct of indirect commercieel gebruik van de BOB, „voor zover dat gebruik neerkomt op het uitbuiten van de reputatie van een [BOB]”. Hieruit volgt dat deze bepaling, gelezen in samenhang met artikel 102, lid 1, van deze verordening, niet in de weg staat aan de inschrijving van een merk dat een BOB bevat of daaruit bestaat als zodanig, maar uitsluitend aan een inschrijving die neerkomt op het uitbuiten van de reputatie van de betrokken BOB.

34

Derhalve blijkt uit artikel 102, lid 1, van verordening nr. 1308/2013, gelezen in samenhang met artikel 103, lid 2, ervan dat deze bepalingen niet in de weg staan aan de inschrijving van een merk dat een BOB bevat of daaruit bestaat als zodanig, behalve wanneer die inschrijving valt onder een van de uitdrukkelijk voorziene gevallen waarin het gebruik van dat merk verboden is.

35

Zoals is aangegeven in punt 26 hierboven, hebben verzoekers in antwoord op een vraag ter terechtzitting overigens in wezen erkend dat artikel 102, lid 1, van de verordening nr. 1308/2013 de inschrijving van merken die geheel of gedeeltelijk uit een BOB bestaan als zodanig niet verbiedt, maar dat op grond van die bepaling per geval moet worden onderzocht of aan de voorwaarden voor een dergelijke inschrijving is voldaan, een onderzoek dat de kamer van beroep in casu heeft nagelaten te verrichten.

36

Het eerste onderdeel van het eerste middel moet dan ook ongegrond worden verklaard.

– Tweede en derde onderdeel van het eerste middel en eerste onderdeel van het derde middel

37

In casu heeft de kamer van beroep in punt 37 van de bestreden beslissing in essentie geoordeeld, ten eerste, dat artikel 103, lid 2, van verordening nr. 1308/2013 niet van toepassing was omdat de BOB binnen de grenzen van de opgave van waren en diensten werd gebruikt overeenkomstig het productdossier en, ten tweede, dat er geen enkel bewijs voorhanden was dat het gebruik van het aangevraagde merk onder artikel 103, lid 2, van die verordening viel.

38

Dienaangaande heeft de kamer van beroep in de punten 38 tot en met 41 van de bestreden beslissing, via een a contrario uitlegging van artikel 102, lid 1, onder a), van verordening nr. 1308/2013, in essentie geoordeeld dat artikel 103, lid 2, van die verordening niet van toepassing is wanneer de betrokken BOB wordt gebruikt voor producten die het productdossier van de BOB „Champagne” naleven, en dat dit in casu het geval was, aangezien de lijst van betrokken producten en diensten enkel producten omvatte die in overeenstemming waren met het productdossier.

39

Verzoekers, ondersteund door de Franse Republiek en oriGIn, betogen dat het verkeerd is om uit artikel 102, lid 1, van verordening nr. 1308/2013, waarvan de werkingssfeer beperkt is tot merken die geheel of gedeeltelijk worden gevormd door een BOB die het productdossier niet naleeft, af te leiden dat de werkingssfeer van artikel 103, lid 2, onder a), ii), van deze verordening eveneens uitsluitend ziet op het gebruik van deze BOB voor producten die het productdossier niet naleven. Bijgevolg volstaat het enkele feit dat het aangevraagde merk betrekking heeft op waren die het productdossier van de BOB „Champagne” naleven en op daarmee verband houdende diensten, bij gebreke van een beoordeling per geval, niet om uit te sluiten dat artikel 103, lid 2, onder a), punt ii), van die verordening van toepassing is in het onderhavige geval.

40

Het EUIPO en Nero Lifestyle betwisten het betoog van verzoekers.

41

Volgens het EUIPO wordt in het kader van het onderzoek van de absolute weigeringsgronden van merken die geheel of gedeeltelijk worden gevormd door een BOB, sinds vele jaren toepassing gegeven aan hetgeen verzoekers de „beperkingstheorie” noemen. Volgens deze theorie kunnen de bezwaren op grond van artikel 7, lid 1, onder j), van verordening 2017/1001, gelezen in samenhang met artikel 103 van verordening nr. 1308/2013, worden opgeheven indien de relevante producten worden beperkt om te voldoen aan de vereisten van het productdossier van de betrokken BOB of BGA. Bovendien volgt noodzakelijkerwijs uit de structuur van artikel 103, lid 2, onder a), van verordening nr. 1308/2013 dat het in artikel 103, lid 2, onder a), ii), van deze verordening vermelde begrip „uitbuiten van de reputatie” van een BOB in de eerste plaats of zelfs uitsluitend betrekking heeft op situaties waarin de BOB wordt gebruikt voor waren of diensten die niet vergelijkbaar zijn met die welke onder de betrokken BOB vallen. Dit volgt overigens uit het arrest van 6 oktober 2021, PORTWO GIN (T‑417/20, niet gepubliceerd, EU:T:2021:663, punt 52), waarin is geoordeeld dat de reputatie van een BOB kan worden uitgebuit wanneer zij wordt gebruikt voor andere producten dan deze die door de BOB worden beschermd, en wanneer het specifieke imago en de onderscheidende kenmerken van een BOB kunnen worden overgedragen op de producten waarvoor het aangevraagde merk is ingeschreven.

42

Nero Lifestyle onderschrijft de uitlegging die het EUIPO aan artikel 103, lid 2, onder a), van verordening nr. 1308/2013 heeft gegeven en verwijst daarbij naar meerdere beslissingen van het EUIPO.

43

Om te beginnen wordt volgens de „beperkingstheorie”, die de kamer van beroep in de punten 37 tot en met 41 van de bestreden beslissing heeft toegepast, in wezen aangenomen dat een merk dat een BOB bevat, in beginsel de reputatie van die BOB niet kan uitbuiten wanneer dit merk uitsluitend is ingeschreven voor producten die het productdossier van die BOB naleven en voor diensten die verband houden met dergelijke producten.

44

Deze theorie vindt haar oorsprong in de richtsnoeren van het EUIPO inzake het onderzoek van Uniemerken [deel C (Oppositie), afdeling 6 (Geografische aanduidingen), punt 3.1.3 (Beperkingen met betrekking tot de beschermingsomvang van GA’s op relatieve gronden)], waarin staat te lezen: „Wanneer de specificatie van een Uniemerkaanvraag beperkt is tot waren die identiek zijn aan het product dat onder de [BOB of BGA] valt, tot waren die in overeenstemming zijn met het productdossier van de betrokken [BOB of BGA], wordt de functie van de [BOB of BGA] in kwestie met betrekking tot die producten gewaarborgd, omdat de Uniemerkaanvraag alleen betrekking heeft op producten met die bepaalde geografische oorsprong en de specifieke intrinsieke kwaliteiten ervan. Een oppositie tegen een Uniemerkaanvraag die op passende wijze is beperkt, zal dan ook niet slagen.”

45

In dit verband moet worden opgemerkt dat de bestreden beslissing niet voldoende duidelijk is bij de toepassing van deze „beperkingstheorie”, zoals zij in het concrete geval is toegepast. In het bijzonder is het niet duidelijk of de „beperkingstheorie” volgens de kamer van beroep in wezen een weerlegbaar vermoeden vormt dat de reputatie van de BOB niet wordt uitgebuit, zoals blijkt uit punt 37 van de bestreden beslissing, dan wel een onweerlegbaar vermoeden, zoals blijkt uit de punten 40 en 41 van die beslissing.

46

In antwoord op een vraag ter terechtzitting heeft het EUIPO niet kunnen verduidelijken of deze theorie berust op een weerlegbaar, dan wel een onweerlegbaar vermoeden, en evenmin of de kamer van beroep in de bestreden beslissing het eerste dan wel het tweede soort vermoeden heeft toegepast. Het EUIPO heeft dus weliswaar volgehouden dat een merk waarvan de inschrijving uitsluitend betrekking heeft op producten die het productdossier van de BOB naleven, in beginsel die BOB niet kan uitbuiten, maar heeft evenwel erkend dat niet kan worden uitgesloten dat in zeldzame gevallen een dergelijke uitbuiting toch kan worden aangetoond.

47

In deze omstandigheden dient te worden opgemerkt dat de kamer van beroep volgens een eerste lezing van de bestreden beslissing zoals deze uit de punten 40 en 41 ervan naar voren komt, de „beperkingstheorie” heeft toegepast als een onweerlegbaar vermoeden dat de reputatie van een BOB niet wordt uitgebuit wanneer het aangevraagde merk uitsluitend verwijst naar producten die het productdossier naleven en daarmee verband houdende diensten. De kamer van beroep heeft in deze punten van de bestreden beslissing namelijk aangegeven dat artikel 103, lid 2, van de verordening nr. 1308/2013 niet van toepassing was omdat het aangevraagde merk betrekking had op producten die het productdossier van de BOB naleefden en op met die producten verband houdende diensten.

48

Door aldus te oordelen, heeft de kamer van beroep blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Om te beginnen bevat artikel 102, lid 1, van verordening nr. 1308/2013 namelijk – zoals in punt 22 hierboven in herinnering is gebracht – in essentie twee gronden voor de weigering van een inschrijving van een merk dat geheel of gedeeltelijk wordt gevormd door een BOB en inzake een product van de in bijlage VII, deel II, vermelde categorieën. Een merk dat geheel of gedeeltelijk wordt gevormd door een BOB, kan niet worden ingeschreven, ten eerste indien het productdossier van het betrokken product niet is nageleefd of ten tweede, als het gebruik van het merk onder artikel 103, lid 2, van die verordening valt.

49

Voorts hebben de in artikel 103, lid 2, van verordening nr. 1308/2013 opgesomde hypothesen, die in punt 23 hierboven in herinnering zijn gebracht, geen betrekking op vergelijkbare producten die het productdossier niet naleven – met uitzondering van de hypothese van artikel 103, lid 2, onder a), i), van die verordening. Niets in de tekst van artikel 103, lid 2, onder a), ii), en onder b) tot en met d), van verordening nr. 1308/2013 wijst er immers op dat de daarin bedoelde gevallen niet van toepassing kunnen zijn op het gebruik van een BOB voor producten die het productdossier ervan naleven.

50

Anders dan artikel 103, lid 2, onder a), i), van verordening nr. 1308/2013, waarvan de werkingssfeer is beperkt tot „vergelijkbare producten die niet in overeenstemming zijn met het […] productdossier”, preciseert artikel 103, lid 2, onder a), ii), van die verordening niet dat het uitsluitend van toepassing is op het gebruik van de betrokken BOB voor vergelijkbare producten of voor producten en diensten die het productdossier van die BOB niet naleven (zie in die zin en naar analogie arrest van 9 september 2021, Comité Interprofessionnel du Vin de Champagne, C‑783/19, EU:C:2021:713, punt 54). Uit de bewoordingen van artikel 103, lid 2, onder a), ii), van verordening nr. 1308/2013 – dat geen verwijzing bevat naar „vergelijkbare producten”, noch naar enige andere specifieke categorie van producten of diensten – volgt dat deze bepaling bedoeld is om van toepassing te zijn op allerhande producten en diensten, waaronder ook vergelijkbare producten die het productdossier van de betrokken BOB naleven.

51

Hieruit volgt dat het enkele feit dat een merk dat een BOB bevat uitsluitend een inschrijving vraagt voor producten die het productdossier naleven en voor diensten die verband houden met dergelijke producten op zich er niet aan in de weg staat dat de in artikel 103, lid 2, onder a), punt ii), en onder b) tot en met d), van verordening nr. 1308/2013 bedoelde weigeringsgronden of gronden van nietigverklaring kunnen worden toegepast. Bijgevolg kan niet van meet af aan worden uitgesloten dat het aangevraagde merk de reputatie van de BOB kan uitbuiten in de zin van artikel 103, lid 2, onder a), ii), van verordening nr. 1308/2013 wanneer de desbetreffende producten of diensten het productdossier naleven. Anders dan de kamer van beroep in de punten 40 en 41 van de bestreden beslissing heeft geoordeeld, kan artikel 103, lid 2, onder a), ii), van verordening nr. 1308/2013 worden ingeroepen om de inschrijving te weigeren van een merk dat geheel of gedeeltelijk wordt gevormd door een BOB, zelfs indien de door het aangevraagde merk aangeduide producten en met deze producten verband houdende diensten het productdossier van de betrokken BOB naleven.

52

Wat dat betreft stellen verzoekers terecht dat de kamer van beroep in het licht van artikel 103, lid 2, onder a), ii), van verordening nr. 1308/2013 rekening had moeten houden met alle in casu ter zake dienende omstandigheden en had moeten nagaan of het aangevraagde merk neerkomt op het uitbuiten van de BOB „Champagne”. Dienaangaande volgt uit de rechtspraak dat de uitbuiting van de reputatie van een BOB in de zin van artikel 103, lid 2, onder a), ii), van verordening nr. 1308/2013, een gebruik van die BOB veronderstelt waarbij onrechtmatig wordt geprofiteerd van de reputatie van die BOB (arresten van 20 december 2017, Comité Interprofessionnel du Vin de Champagne, C‑393/16, EU:C:2017:991, punt 40, en 6 oktober 2021, PORTWO GIN, T‑417/20, niet gepubliceerd, EU:T:2021:663, punt 50).

53

Zoals verzoekers terecht opmerken, heeft de kamer van beroep zich bovendien in de bestreden beslissing tegenstrijdig uitgelaten. Zij heeft namelijk enerzijds in punt 40 van de bestreden beslissing vastgesteld dat „artikel 103, lid 2, van verordening nr. 1308/2013 niet van toepassing [was]” op een merk dat uitsluitend verwijst naar producten die het productdossier naleven, en anderzijds in de punten 47 en volgende van de bestreden beslissing onderzocht of de inschrijving van dit merk in strijd was met artikel 103, lid 2, onder c), van deze verordening. De kamer van beroep lijkt aldus impliciet maar noodzakelijkerwijs te hebben erkend dat bepaalde van de in artikel 103, lid 2, van verordening nr. 1308/2013 bedoelde gevallen van toepassing kunnen zijn op een dergelijk merk, en dus in de weg kunnen staan aan de inschrijving ervan, hetgeen in tegenspraak is met het bestaan van een onweerlegbaar vermoeden dat artikel 103, lid 2, van verordening nr. 1308/2013 niet van toepassing is op merken die geheel of gedeeltelijk worden gevormd door een BOB en die uitsluitend betrekking hebben op producten die het productdossier naleven en daarmee verband houdende diensten.

54

Bijgevolg heeft de kamer van beroep blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van artikel 103, lid 2, onder a), ii), van verordening nr. 1308/2013 door in de punten 40 en 41 van de bestreden beslissing in wezen een onweerlegbaar vermoeden in te voeren volgens hetwelk de inschrijving van een merk dat geheel of gedeeltelijk wordt gevormd door een BOB voor producten die het productdossier naleven en voor diensten die verband houden met dergelijke producten, geacht wordt de reputatie van deze BOB niet uit te buiten in de zin van die bepaling.

55

Volgens een tweede lezing van de bestreden beslissing, die verschilt van de in punt 47 hierboven vermelde lezing en die voortvloeit uit punt 37 van die beslissing, voert de „beperkingstheorie” een weerlegbaar vermoeden in, waarbij – behoudens bewijs van het tegendeel – ervan kan worden uitgegaan dat een merk dat uitsluitend is ingeschreven voor producten die het productdossier naleven en voor daarmee verband houdende diensten, geen uitbuiting van de reputatie van een BOB oplevert.

56

Zoals in punt 37 hierboven in herinnering is gebracht, heeft de kamer van beroep in punt 37 van de bestreden beslissing vastgesteld dat artikel 103, lid 2, van verordening nr. 1308/2013 in casu niet van toepassing was omdat de BOB werd gebruikt in overeenstemming met het productdossier en er geen enkel bewijs voorhanden was dat het gebruik van het aangevraagde merk binnen de werkingssfeer van artikel 103, lid 2, van die verordening viel. Daarmee lijkt de kamer van beroep toe te geven dat dit vermoeden kan worden weerlegd aan de hand van gegevens waaruit kan blijken dat het gebruik van het merk in het betrokken geval kan inhouden dat de reputatie van de BOB wordt uitgebuit.

57

In dit verband zij eraan herinnerd dat, zoals in punt 24 hierboven is vastgesteld, de regeling inzake de bescherming van BOB’s en BGA’s die is neergelegd in verordening nr. 1308/2013 in wezen tot doel heeft de consumenten te waarborgen dat landbouwproducten met een geregistreerde benaming, doordat zij uit een bepaald geografisch gebied afkomstig zijn, bepaalde bijzondere eigenschappen bezitten en derhalve dankzij hun geografische herkomst een kwaliteitsgarantie bieden.

58

Aldus kan worden aangenomen dat een merk dat geheel of gedeeltelijk wordt gevormd door een BOB en dat uitsluitend is ingeschreven voor producten die het productdossier van die BOB naleven of voor daarmee verband houdende diensten, de reputatie van die BOB niet onrechtmatig zal uitbuiten in de zin van artikel 103, lid 2, onder a), ii), van verordening nr. 1308/2013, aangezien dat merk wordt geacht op de markt uitsluitend te worden gebruikt voor producten die aan de in het productdossier van die BOB vastgestelde kwaliteitseisen voldoen, of voor diensten die verband houden met dergelijke producten. In een dergelijke situatie wordt ervan uitgegaan dat is voldaan aan de doelstelling van verordening nr. 1308/2013 om de kwaliteit van de producten die onder een BOB vallen te beschermen.

59

Een dergelijk vermoeden kan echter worden weerlegd wanneer op basis van concrete, gestaafde en onderling consistente gegevens kan worden bewezen dat een bepaald merk mogelijkerwijs de reputatie van een BOB uitbuit, ook al betreft het producten die het productdossier van die BOB naleven of met deze producten verband houdende diensten. Wanneer dergelijke gegevens ter kennis van de instanties van het EUIPO worden gebracht, dienen zij die gegevens dan ook te onderzoeken om na te gaan of deze dat vermoeden kunnen weerleggen.

60

Voor zover de bestreden beslissing aldus wordt uitgelegd dat daarmee een weerlegbaar vermoeden wordt ingevoerd, moet worden geoordeeld dat deze beslissing niet is aangetast door een onjuiste rechtsopvatting. Zoals de verzoekers terecht hebben opgemerkt, moet evenwel worden onderzocht of de kamer van beroep rechtens genoegzaam heeft uiteengezet op grond van welke redenen zij tot de conclusie is gekomen dat dit vermoeden in casu niet is weerlegd.

61

In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat volgens artikel 94, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 2017/1001 de beslissingen van het EUIPO met redenen moeten worden omkleed. Deze verplichting heeft dezelfde draagwijdte als die voortvloeiend uit artikel 296, tweede alinea, VWEU, dat vereist dat de motivering de redenering van degene die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doet komen, zonder dat het nodig is dat alle relevante gegevens, feitelijk of rechtens, in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de voormelde vereisten voldoet, niet alleen moet worden gelet op de bewoordingen ervan, doch ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie arrest van 28 juni 2018, EUIPO/Puma, C‑564/16 P, EU:C:2018:509, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

62

Bovendien is de kamer van beroep niet verplicht om uitdrukkelijk en uitputtend te antwoorden op alle argumenten die de partijen in de procedure voor haar hebben aangevoerd (zie in die zin arresten van 10 mei 2012, Rubinstein en L’Oréal/BHIM, C‑100/11 P, EU:C:2012:285, punt 112, en 6 september 2012, Storck/BHIM, C‑96/11 P, EU:C:2012:537, punt 88), mits zij de feiten en de juridische overwegingen uiteenzet die in het bestek van het besluit van wezenlijk belang zijn [zie arrest van 24 november 2015, Intervog/BHIM (meet me), T‑190/15, niet gepubliceerd, EU:T:2015:874, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

63

Dienaangaande heeft de kamer van beroep in punt 37 van de bestreden beslissing vastgesteld dat verzoekers geen enkel bewijs in dat verband hadden overgelegd.

64

Uit de schrifturen van verzoekers blijkt echter dat in het stadium van de administratieve procedure verscheidene elementen zijn aangevoerd ter staving van het betoog dat het aangevraagde merk de reputatie van de BOB „Champagne” kon uitbuiten. Het gaat ten eerste om de bijzonder goede reputatie van de BOB „Champagne”, ten tweede om het argument dat een dienst per definitie niet in overeenstemming kan zijn met het productdossier van een BOB, zodat de „beperkingstheorie” niet kan gelden voor diensten, ten derde om de vermelding dat het aangevraagde merk een woordmerk is, dat dus op vele verschillende manieren op de markt kan worden gebruikt, ook op een wijze die strijdig is met de doelstellingen van de BOB, ten vierde de argumenten waarmee in wezen werd aangevoerd dat de term „nero” in het aangevraagde merk de term „champagne” kwalificeert, en ten vijfde argumenten betreffende de etikettering van de door Nero Lifestyle verkochte waren. Ten slotte hebben verzoekers in hun memorie voor de kamer van beroep verwezen naar de reeds bij de oppositieafdeling overgelegde en in punt 6 van de bestreden beslissing opgesomde bewijselementen.

65

De kamer van beroep heeft in de punten 42 tot en met 46 van de bestreden beslissing echter slechts een van deze elementen onderzocht, namelijk de vraag of het aangevraagde merk in strijd was met de etiketteringsvoorschriften van het productdossier van de BOB „Champagne”.

66

Los van de gegrondheid van de door verzoekers aangevoerde argumenten en bewijzen die in punt 64 supra zijn opgesomd, heeft de kamer van beroep dus – door louter vast te stellen dat „er geen enkel bewijs is dat het gebruik van het [aangevraagde] merk onder artikel 103, lid 2, valt” – de motiveringsplicht geschonden die gelet op de in de punten 61 en 62 hierboven aangehaalde rechtspraak op haar rust, doordat zij niet afdoende heeft uiteengezet waarom de door verzoekers overgelegde bewijzen in casu het in punt 58 hierboven uiteengezette vermoeden niet konden weerleggen.

67

Aan alle voorgaande overwegingen wordt niet afgedaan door de argumenten van het EUIPO en Nero Lifestyle. Ten eerste blijkt uit het door het EUIPO aangevoerde arrest van 6 oktober 2021, PORTWO GIN (T‑417/20, niet gepubliceerd, EU:T:2021:663, punt 31), immers niet dat het Gerecht, door te verklaren dat artikel 103, lid 2, onder a), van verordening nr. 1308/2013 bescherming biedt tegen elk direct of indirect commercieel gebruik van een BOB „zowel voor vergelijkbare producten die niet in overeenstemming zijn met het bij de beschermde benaming horende productdossier als voor producten die niet vergelijkbaar zijn voor zover dat gebruik neerkomt op het uitbuiten van de reputatie van een BOB”, artikel 103, lid 2, onder a), ii), van verordening nr. 1308/2013 aldus heeft uitgelegd dat het enkel van toepassing is op producten die niet vergelijkbaar zijn met de door een BOB bedoelde producten. In die zaak ging het immers niet om de vraag of laatstgenoemde bepaling van toepassing is op het gebruik van deze BOB voor vergelijkbare producten die het productdossier naleven. Het Gerecht heeft artikel 103, lid 2, onder a), van verordening nr. 1308/2013 dus uitgelegd in het licht van de feitelijke omstandigheden van die zaak, waarin het ging om het gebruik van een BOB in een merk ter verwijzing naar gedistilleerde dranken die niet de kenmerken van onder deze BOB vallende wijnen hebben. Daarnaast heeft het Gerecht ook geoordeeld dat de werkingssfeer van de in die bepaling bedoelde bescherming „bijzonder ruim” was.

68

Ten tweede laat ook het arrest van 14 september 2017, EUIPO/Instituto dos Vinhos do Douro e do Porto (C‑56/16 P, EU:C:2017:693, punten 8184), anders dan Nero Lifestyle stelt, de voorgaande conclusies onverlet. Ook al beogen BOB’s volgens dit arrest „te waarborgen dat het aldus aangeduide product afkomstig is uit een bepaald geografisch gebied en bepaalde bijzondere kenmerken bezit”, dat arrest geeft eveneens aan dat „de toepasselijke regeling de rechthebbenden [beschermt] tegen misbruik door derden die willen profiteren van de door deze benamingen verworven reputatie”. Uit punt 65 hierboven blijkt dat de kamer van beroep dat gegeven niet heeft onderzocht. Het enkele feit dat de producten en met die producten verband houdende diensten het productdossier naleven, volstaat dus niet zonder meer om te concluderen dat een voor dergelijke producten of diensten ingeschreven merk de reputatie van de BOB niet kan uitbuiten in de zin van artikel 103, lid 2, onder a), ii), van verordening nr. 1308/2013, zonder dat concreet de specifieke kenmerken van dit merk en alle relevante omstandigheden van het specifieke geval worden onderzocht.

69

Gelet op een en ander moeten het tweede en het derde onderdeel van het eerste middel en het eerste onderdeel van het derde middel worden toegewezen en moet de bestreden beslissing bijgevolg worden vernietigd voor zover daarbij het door verzoekers bij de kamer van beroep ingestelde beroep is verworpen.

70

Niettemin dient ook het tweede onderdeel van het derde middel te worden onderzocht, aangezien dit onderdeel, anders dan de hierboven besproken onjuiste rechtsopvatting en ontoereikende motivering, gevolgen kan hebben voor het antwoord op de tweede vordering van verzoekers tot herziening van de bestreden beslissing.

Tweede onderdeel van het derde middel: schending van artikel 103, lid 2, onder c), van verordening nr. 1308/2013

71

Verzoekers, ondersteund door de Franse Republiek en oriGIn, voeren aan dat de kamer van beroep ten onrechte heeft geoordeeld dat de Italiaanstalige consumenten niet worden misleid – in de zin van artikel 103, lid 2, onder c), van verordening nr. 1308/2013 – over de aard en de wezenlijke eigenschappen van de wijn zoals vermeld in de lijst van producten en diensten waarop het aangevraagde merk betrekking heeft. Volgens hen kan het relevante publiek de term „nero”, die in het Nederlands „zwart” betekent, opvatten hetzij als een verwijzing naar de kleur van de wijn, hetzij als een verwijzing naar de druivensoort van deze wijn, waarbij bijvoorbeeld wordt aangegeven dat deze wijn uitsluitend met zwarte druiven wordt geproduceerd, dan wel een grotere hoeveelheid van de druivensoort „pinot noir” bevat. De uitdrukking „nero champagne” zou aldus kunnen worden opgevat dat zij „zwarte champagne” betekent en naar een nieuw soort champagne verwijst, terwijl uit het productdossier van de BOB blijkt dat wijn uit de Champagne alleen wit of rosé kan zijn. De kamer van beroep heeft echter geen andere overtuigende uitleg gegeven over hoe het publiek de term „nero” in verband met de benaming „Champagne” waarneemt. Wat dat betreft is de eenvoudige vaststelling dat „zwarte champagne” niet bestaat, niet voldoende. Integendeel, net omdat een dergelijke soort champagne niet bestaat, had de kamer van beroep tot de slotsom moeten komen dat er een risico bestaat dat het relevante publiek wordt misleid. Ten slotte betwisten verzoekers de conclusie van de kamer van beroep dat er geen risico van misleiding voor de consumenten bestaat aangezien het merk deel uitmaakt van het „NERO Lifestyle Project” en behoort tot een merkenfamilie NERO, die toebehoort aan Nero Lifestyle.

72

Het EUIPO en Nero Lifestyle betwisten het betoog van verzoekers.

73

Het EUIPO voert aan dat de gronden waarop de afwijzing door de kamer van beroep van de krachtens artikel 103, lid 2, onder c), van verordening nr. 1308/2013 ingestelde oppositie berust, duidelijk zijn uiteengezet in de punten 47 en volgende van de bestreden beslissing. Bovendien zijn de motieven van de bestreden beslissing op dit punt correct, aangezien er geen reden bestaat waarom het relevante publiek het woord „nero” zou opvatten als een bijvoeglijk naamwoord bij het woord „champagne”, gelet erop dat in het Italiaans kleuradjectieven gewoonlijk achter het substantief worden geplaatst, en niet ervoor. Volgens het EUIPO is de formulering „zwarte champagne” kennelijk niet misleidend, aangezien zij verwijst naar een onbestaand begrip. Bovendien is de stelling van verzoekers dat de consumenten het woord „nero” opvatten als een verwijzing naar een druivensoort, met geen enkel bewijs gestaafd. Wat ten slotte het argument inzake de merkenfamilie betreft, moet punt 49 van de bestreden beslissing volgens het EUIPO worden opgevat als een aanvullende beoordeling van de wijze waarop de uitdrukking „nero champagne” door het Italiaanse publiek wordt opgevat, maar blijft de bestreden beslissing zonder deze overwegingen dezelfde.

74

Het Gerecht is van oordeel dat dit tweede onderdeel van het derde middel, gelet op de inhoud ervan, in wezen moet worden geherkwalificeerd als ontleend aan schending van artikel 103, lid 2, onder c), van verordening nr. 1308/2013.

75

Zoals in punt 23 hierboven in herinnering is gebracht, volgt uit artikel 103, lid 2, onder c), van verordening nr. 1308/2013 dat een [BOB] en de wijn die deze beschermde naam overeenkomstig het productdossier draagt, wordt beschermd tegen elke onjuiste of misleidende aanduiding met betrekking tot de herkomst, de oorsprong, de aard of de wezenlijke hoedanigheden van het product op de binnen- of buitenverpakking of in reclamemateriaal of documenten betreffende het betrokken wijnproduct, alsmede tegen het verpakken in een recipiënt die aanleiding kan geven tot misverstanden over de oorsprong van het product.

76

In casu heeft de kamer van beroep in punt 48 van de bestreden beslissing aangegeven dat de stellingen van verzoekers niet waren gestaafd. Bovendien heeft de kamer van beroep benadrukt dat het Italiaanstalige deel van het relevante publiek courant naar de kleur van de wijnen verwijst als „rosso” of „rossi” (rode wijn), „bianco” of „bianchi” (witte wijn) en „rosato” of „rosati” (roséwijn), en heeft daaruit geconcludeerd dat het relevante publiek niet wordt misleid, aangezien er noch „nero” champagne, noch „zwarte champagne” bestaat. Ten slotte heeft de kamer van beroep in punt 49 van de bestreden beslissing vastgesteld dat er een merkenfamilie NERO bestaat die toebehoort aan Nero Lifestyle, hetgeen een „andere reden” is om aan te nemen dat het relevante publiek begrijpt dat de term „nero” niet verwijst naar de kleur van de wijn, maar naar de merkenfamilie van Nero Lifestyle.

77

Ten eerste dient erop te worden gewezen dat het aangevraagde merk bestaat uit een eerste woordelement „nero”, een gangbaar bijvoeglijk naamwoord in het Italiaans, dat „zwart” betekent, en uit een tweede woordelement „champagne”.

78

Ten tweede blijkt uit het door verzoekers aangevoerde productdossier van de BOB „Champagne” dat Champagnewijnen wit of rosé kunnen zijn en dat drie druivensoorten worden gebruikt: de pinot noir, de pinot meunier en de chardonnay, zonder specifieke regels inzake het aandeel dat moet worden opgenomen in de bereiding van Champagnewijn. In dit verband hebben verzoekers ter terechtzitting aangegeven, zonder door het EUIPO te zijn tegengesproken, dat het zeer zelden voorkomt dat een champagne uitsluitend uit pinot noir bestaat en dat dergelijke champagne in dat geval wordt aangeduid met de uitdrukking „blanc de noirs”, waarbij het in werkelijkheid om witte wijn gaat die wordt verkregen uit zwarte druiven. Zo zou het relevante publiek kunnen denken dat de uitdrukking „nero champagne” een champagne aanduidt die uitsluitend bestaat uit pinot noir, hetgeen niet noodzakelijkerwijs het geval is.

79

Ten derde volgt uit de rechtspraak dat de beperking van de feitelijke grondslag van het onderzoek door de kamer van beroep niet uitsluit dat deze, behalve met de feiten die door de partijen bij de oppositieprocedure expliciet naar voren zijn gebracht, tevens rekening houdt met algemeen bekende feiten, dat wil zeggen feiten die voor eenieder kenbaar zijn of die kenbaar zijn via algemeen toegankelijke bronnen [zie arresten van 22 juni 2004, Ruiz-Picasso e.a./BHIM – Daimler Chrysler (PICARO), T‑185/02, EU:T:2004:189, punt 29, en 9 april 2014, Pico Food/BHIM – Sobieraj (MILANÓWEK CREAM FUDGE), T‑623/11, EU:T:2014:199, punt 19].

80

In dit verband wordt de term „nero” gebruikt in de naam van meerdere bekende Italiaanse wijnsoorten, zoals „Nero d’Avola” of „Nero Buono”, en maakt deze term zelfs deel uit van de naam van Italiaanse BOB’s, zoals „Pinot Nero dell’Oltrepò Pavese” of „Castel del Monte Bombino Nero”. Dit algemeen bekende feit wordt bevestigd door de beslissing van de oppositieafdeling, waarin is aangegeven dat er verschillende wijnsoorten bestaan die het kenmerk „nero” in hun benaming dragen, zoals „Albana Nera”, „Bombino Nero”, „Greco Nero”, „Nero Buono” of „Nero d’Avola”.

81

Bijgevolg kan het relevante publiek om de in punt 78 hierboven uiteengezette redenen worden misleid, doordat het meent dat het aangevraagde merk verwijst naar de druivensoort van de betrokken champagne.

82

Zoals verzoekers terecht aanvoeren, zal het relevante Italiaanstalige publiek de term „nero” bovendien opvatten in de betekenis van „zwart”. Voor zover het aangevraagde merk betrekking heeft op wijnen die voldoen aan het productdossier van de BOB „Champagne”, kan dit publiek dus worden misleid omdat het meent dat deze term verwijst naar de kleur van deze wijn, te meer daar op de markt reeds witte en rosé champagnes bestaan. Zo kan het relevante publiek worden misleid over de kleur van de onder het aangevraagde merk verhandelde Champagnewijn, omdat het meent dat het gaat om een nieuwe soort champagne, te weten een „zwarte champagne”, terwijl een champagne volgens het productdossier van de BOB alleen wit of rosé kan zijn.

83

In tegenstelling tot wat het EUIPO beweert, sluit het feit dat zwarte champagne niet bestaat niet uit dat de uitdrukking „zwarte champagne” misleidend kan zijn. Het is immers gebruikelijk om champagne, en meer in het algemeen wijn, te beschrijven aan de hand van zijn kleur. Het relevante publiek zou dus kunnen denken dat het gaat om een nieuw product op de markt.

84

Ten slotte blijkt uit de stukken van het dossier niet dat de merkenfamilie NERO, die beweerdelijk in handen is van Nero Lifestyle, bijzonder befaamd of bekend is bij het relevante publiek, zodat niet is aangetoond dat dit publiek, wanneer het met het aangevraagde merk wordt geconfronteerd, dit merk onmiddellijk als verwijzing naar die merkenfamilie zal opvatten. Bovendien heeft de kamer van beroep op geen enkele wijze uitgelegd op welke gronden zij het bestaan van een dergelijke merkenfamilie heeft kunnen vaststellen, en evenmin uit welke merken deze familie zou bestaan. Zelfs indien een deel van het relevante publiek deze vermeende merkenfamilie kent en een verband legt tussen deze familie en het aangevraagde merk, neemt dit niet weg dat een ander deel van het relevante publiek, dat deze merkenfamilie niet kent, de term „nero” kan opvatten als een verwijzing naar ofwel de soort champagne, ofwel de kleur ervan, zodat het aangevraagde merk door dit deel van het relevante publiek kan worden opgevat als een onjuiste of misleidende aanduiding in de zin van artikel 103, lid 2, onder c), van verordening nr. 1308/2013.

85

Om de hierboven uiteengezette redenen heeft de kamer van beroep dus blijk gegeven van een onjuiste opvatting door te oordelen dat het aangevraagde merk niet onder artikel 103, lid 2, onder c), van verordening nr. 1308/2013 valt.

86

Derhalve moet het tweede onderdeel van het derde middel worden toegewezen en dient bijgevolg de bestreden beslissing, voor zover daarbij het door verzoekers bij de kamer van beroep ingestelde beroep is verworpen, ook op die grond te worden vernietigd, zonder dat het tweede en het vierde middel hoeven te worden onderzocht.

Vordering tot herziening

87

Met hun tweede vordering verzoeken verzoekers het Gerecht primair om de aanvraag tot inschrijving van het aangevraagde merk voor de betrokken waren en diensten af te wijzen.

88

Deze vordering strekt er in essentie toe dat het Gerecht in het kader van zijn bevoegdheid tot herziening de beslissing van de oppositieafdeling vernietigt en de oppositie tegen de inschrijving van het aangevraagde merk voor de betrokken waren en diensten toewijst, en aldus de beslissing neemt die de kamer van beroep volgens verzoekers had moeten nemen bij de behandeling van het bij haar ingestelde beroep.

89

Uit artikel 71, lid 1, tweede volzin, van verordening nr. 2017/1001 blijkt immers dat de kamer van beroep de beslissing van de instantie van het EUIPO die de bestreden beslissing heeft genomen kan vernietigen en de bevoegdheden van deze instantie zelf kan uitoefenen, in dit geval over de oppositie kan beslissen en deze kan toewijzen. Deze maatregelen behoren dus tot de maatregelen die het Gerecht kan nemen op grond van zijn herzieningsbevoegdheid van artikel 72, lid 3, van verordening nr. 2017/1001 [zie arrest van 14 december 2011, Völkl/BHIM – Marker Völkl (VÖLKL), T‑504/09, EU:T:2011:739, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en arrest van 13 december 2018, Monster Energy/EUIPO – Bösel (MONSTER DIP), T‑274/17, EU:T:2018:928, punt 97 (niet gepubliceerd)].

90

In herinnering zij echter gebracht dat de krachtens artikel 72, lid 3, van verordening 2017/1001 aan het Gerecht toegekende bevoegdheid tot wijziging niet impliceert dat het Gerecht bevoegd is om over te gaan tot een beoordeling waarover de kamer van beroep nog geen standpunt heeft ingenomen. De uitoefening van de bevoegdheid tot wijziging moet derhalve in beginsel beperkt blijven tot situaties waarin het Gerecht na toetsing van de beoordeling van de kamer van beroep in staat is om op basis van de elementen, feitelijk en rechtens, zoals deze zijn vastgesteld, te bepalen welke beslissing de kamer van beroep had moeten nemen [zie arrest van 24 oktober 2019, ZPC Flis/EUIPO – Aldi Einkauf (Happy Moreno choco), T‑498/18, EU:T:2019:763, punt 129 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

91

In casu dient te worden opgemerkt dat de kamer van beroep in de bestreden beslissing alle bewijzen heeft onderzocht die verzoekers hebben overgelegd tot staving van de stelling dat door het aangevraagde merk voor de waren en diensten waarvoor om inschrijving wordt verzocht een onjuiste of misleidende aanduiding in de zin van artikel 103, lid 2, onder c), van verordening nr. 1308/2013 wordt gegeven, zodat het Gerecht bevoegd is om deze beslissing op dit punt te herzien [zie in die zin arrest van 5 juni 2024, Supermac’s/EUIPO – McDONALD’s International Property (BIG MAC), T‑58/23, niet gepubliceerd, EU:T:2024:360, punt 109].

92

Zoals blijkt uit de punten 77, 78, 80, 83 en 84 hierboven, diende de kamer van beroep, na een globale beoordeling van de door verzoekers overgelegde bewijzen, te oordelen dat deze bewijzen volstonden om aan te tonen dat de term „nero” kan worden opgevat als een verwijzing naar hetzij de druivensoort van de champagne, hetzij de kleur ervan, zodat het aangevraagde merk voor ten minste een deel van het relevante publiek aldus kan worden opgevat dat het een onjuiste of misleidende aanduiding geeft in de zin van artikel 103, lid 2, onder c), van verordening nr. 1308/2013.

93

In deze omstandigheden dient de bestreden beslissing te worden herzien en dient de beslissing van de oppositieafdeling te worden vernietigd voor zover daarbij de oppositie tegen de inschrijving van het aangevraagde merk is afgewezen, en dient deze oppositie te worden toegewezen voor de betrokken waren en diensten.

Kosten

94

Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.

95

Aangezien het EUIPO en Nero Lifestyle in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de vorderingen van verzoekers en oriGIn te worden verwezen in de kosten van deze laatsten.

96

Bovendien hebben verzoekers het Gerecht verzocht het EUIPO en Nero Lifestyle te verwijzen in de kosten die zij voor de kamer van beroep hebben gemaakt. Dienaangaande zij eraan herinnerd dat volgens artikel 190, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering de door de partijen in verband met de procedure voor de kamer van beroep gemaakte noodzakelijke kosten als invorderbare kosten worden aangemerkt. Derhalve dienen het EUIPO en Nero Lifestyle tevens te worden verwezen in de door verzoekers in verband met de procedure voor de kamer van beroep gemaakte noodzakelijke kosten.

97

Dat geldt echter niet voor de kosten die zijn gemaakt in de procedure voor de oppositieafdeling. Bijgevolg kan de vordering van verzoekers tot verwijzing van het EUIPO en Nero Lifestyle in de kosten van de administratieve procedure voor het EUIPO slechts worden toegewezen voor de noodzakelijke kosten die verzoekers hebben gemaakt in de procedure voor de kamer van beroep [arrest van 12 januari 2006, Devinlec/BHIM – Time ART (QUANTUM), T‑147/03, EU:T:2006:10, punt 115].

98

Overeenkomstig 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering zullen de Franse Republiek en de Italiaanse Republiek hun eigen kosten dragen.

 

HET GERECHT (Achtste kamer – uitgebreid),

rechtdoende, verklaart:

 

1)

De beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 17 februari 2023 (zaak R 532/2022‑2) wordt vernietigd voor zover daarbij het beroep tegen de beslissing van de oppositieafdeling van 1 februari 2022 inzake het woordmerk van de Europese Unie NERO CHAMPAGNE is verworpen.

 

2)

De oppositie wordt toegewezen voor de waren en diensten van de klassen 33, 35 en 41 die voor elk van deze klassen overeenkomen met de volgende omschrijving:

klasse 33: „Wijnen die het productdossier van de beschermde oorsprongsbenaming ‚Champagne’ naleven”;

klasse 35: „detail- en groothandel, online en in winkels, van wijnen met de beschermde oorsprongsbenaming ‚Champagne’”;

klasse 41: „Vorming, opleiding, ontspanning, culturele activiteiten; uitgave van teksten (met uitzondering van reclame), illustraties, tijdschriften, met inbegrip van elektronische en digitale publicaties, uitgave van cd-roms, boeken, tijdschriften, vakbladen, kranten, magazines en publicaties van alle aard (met uitzondering van reclame) en in alle vormen, met inbegrip van elektronische en digitale publicaties; exploitatie van online elektronische publicaties die niet-downloadbaar zijn; productie van video’s; organisatie van symposia, seminars, workshops, conferenties, congressen en stages met culturele of educatieve doeleinden; organisatie van tentoonstellingen en van vak- en publieksbeurzen met culturele of educatieve doeleinden; publicatie van boeken; tekstuitgave; organisatie van recepties en feesten; organisatie van opleidingsprogramma’s; organisatie van wedstrijden en spellen (educatief of ter vermaak); presentatie aan het publiek van visuele en literaire kunstwerken met culturele of educatieve doeleinden; wijnproeverijen voor educatieve doeleinden; onderwijs en opleiding op het gebied van handel, industrie en informatietechnologie; organisatie en leiding van symposia, congressen, conferenties, seminars en stages met commerciële en/of promotionele doeleinden; alle voorgaande diensten bestemd voor de presentatie en promotie van wijnen met de beschermde oorsprongsbenaming ‚Champagne’”.

 

3)

Het EUIPO en Nero Lifestyle Srl worden verwezen in de kosten, daaronder begrepen de kosten die door het Comité interprofessionnel du vin de Champagne en het Institut national de l’origine et de la qualité (INAO) zijn gemaakt voor de procedure bij de kamer van beroep, en de door oriGIn, Organization for an International Geographical Indication Network gemaakte kosten.

 

4)

De Franse Republiek en de Italiaanse Republiek dragen hun eigen kosten.

 

Kornezov

De Baere

Petrlík

Kecsmár

Kingston

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 25 juni 2025.

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Engels.