ARREST VAN HET GERECHT (Derde kamer – uitgebreid)
25 juni 2025 ( *1 )
„Energie – Interne markt voor elektriciteit – Verordening (EU) 2017/2195 – Besluit van ACER betreffende de wijziging van de prijsstellingsmethode voor balanceringsenergie – Oplegging van een tijdelijke prijslimiet – Beroep ingesteld bij de raad van beroep van ACER – Bijzondere voorwaarden en bepalingen voor het instellen van beroep – Artikel 28, lid 1, en artikel 29 van verordening (EU) 2019/942 – Niet-ontvankelijkheid wegens ontbreken van procesbevoegdheid voor de raad van beroep – Exceptie van onwettigheid – Gelijkheid voor de wet en effectieve rechterlijke bescherming – Niet individueel geraakt – Niet-aangevoerde hoedanigheden of feitelijke situaties – Beroepstermijn – Geen verschoonbare dwaling”
In zaak T‑96/23,
Uniper Global Commodities SE, gevestigd te Düsseldorf (Duitsland), vertegenwoordigd door T. Richter, M. Schellberg, C. Sieberg en M. Schleifenbaum, advocaten,
verzoekster,
tegen
Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER), vertegenwoordigd door P. Martinet, E. Tremmel en G. Bertrand als gemachtigden, bijgestaan door R. van der Hout, J. Wiemer en C. Wagner, advocaten,
wijst
HET GERECHT (Derde kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: M. van der Woude, president, P. Škvařilová-Pelzl (rapporteur), I. Nõmm, G. Steinfatt en D. Kukovec, rechters,
griffier: P. Cullen, administrateur,
gezien de stukken,
na de terechtzitting op 9 september 2024,
het navolgende
Arrest
|
1 |
Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster, Uniper Global Commodities SE, primair, nietigverklaring van beslissing A-003‑2022 van de raad van beroep van het Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (ACER) van 9 december 2022 (hierna: „bestreden beslissing”), waarbij het beroep niet-ontvankelijk is verklaard dat zij tegen besluit nr. 03/2022 van ACER van 25 februari 2022 betreffende de wijziging van de prijsstellingsmethode voor balanceringsenergie en zoneoverschrijdende capaciteit die worden gebruikt voor de uitwisseling van balanceringsenergie of het beheer van het onbalansnettingsproces (hierna: „oorspronkelijk besluit”) had ingesteld, voor zover ACER daarbij voor een periode van 48 maanden vanaf 1 juli 2022 een grens had gesteld aan de prijs waartegen leveranciers van balanceringsenergie, zoals verzoekster zelf, die energie op de Europese platformen PICASSO en MARI konden uitwisselen, en vordert zij, subsidiair, nietigverklaring van het oorspronkelijke besluit. |
Voorgeschiedenis van het geding
|
2 |
Bij besluit nr. 01/2020 van 24 januari 2020 heeft ACER op voorstel van de transmissiesysteembeheerders (hierna: „TSB’s”) een prijsstellingsmethode voor balanceringsenergie en zoneoverschrijdende capaciteit die worden gebruikt voor de uitwisseling van balanceringsenergie of het beheer van het onbalansnettingsproces (hierna: „litigieuze methode”) vastgesteld die met name inhield dat de prijzen voor de levering van balanceringsenergie niet hoger of lager mochten zijn dan een technische prijslimiet van ongeveer 99999 EUR per megawattuur (MWh). |
|
3 |
Op 2 juni 2021 heeft het Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders voor elektriciteit (hierna: „ENTSO-E”) namens alle TSB’s een voorstel tot wijziging van de litigieuze methode opgesteld om de bestaande technische prijslimiet te vervangen door een prijslimiet van ongeveer 15000 EUR/MWh (hierna: „TSB-voorstel”). Bij dat voorstel was een toelichting van 28 mei 2021 gevoegd. Op 20 juli 2021 heeft verzoekster in het kader van de door het ENTSO-E gestarte raadpleging een negatief advies over dat voorstel ingediend bij laatstgenoemde. |
|
4 |
Nadat het ENTSO-E het TSB-voorstel ter goedkeuring had doorgestuurd naar ACER, heeft dat agentschap op 13 oktober 2021 op zijn website een openbare raadpleging gehouden en geïnteresseerde marktdeelnemers verzocht om vóór 10 november 2021 hun opmerkingen over dat voorstel in te dienen. Dienaangaande heeft het met name de vraag opgeworpen of voor de opstartfase van de Europese platformen PICASSO en MARI voor de uitwisseling van balanceringsenergie een tijdelijke prijslimiet moest worden goedgekeurd. Verzoekster heeft aan die openbare raadpleging deelgenomen en op 10 november 2021 over de door ACER aan de orde gestelde kwesties opmerkingen ingediend. |
|
5 |
Van 22 november tot en met 6 december 2021 heeft ACER aan de TSB’s, het ENTSO-E en de regulerende instanties van de lidstaten (hierna: „NRI’s”) ter raadpleging een door ACER zelf gewijzigde versie van het eerder door dat agentschap aan hen toegezonden TSB-voorstel voorgelegd, samen met een motivering van de wijzigingen. |
|
6 |
Bij het oorspronkelijke besluit, dat ACER op 25 februari 2022 heeft vastgesteld en op 28 februari 2022 op zijn website heeft bekendgemaakt, heeft dat agentschap het TSB-voorstel afgewezen op grond dat het niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 30, lid 2, van verordening (EU) 2017/2195 van de Commissie van 23 november 2017 tot vaststelling van richtsnoeren voor elektriciteitsbalancering (PB 2017, L 312, blz. 6), en gelast dat de bestaande technische prijslimiet van ongeveer 99999 EUR/MWh werd gehandhaafd. Via bijlage I bij het oorspronkelijke besluit heeft ACER de litigieuze methode evenwel gewijzigd door uitsluitend voor de uitwisseling van balanceringsenergie op de Europese platformen PICASSO en MARI een tijdelijke prijslimiet van ongeveer 15000 EUR/MWh op te leggen voor een periode van 48 maanden vanaf 1 juli 2022. |
|
7 |
Op 28 april 2022 is verzoekster tegen het oorspronkelijke besluit opgekomen bij de raad van beroep van ACER (hierna: „raad van beroep”). |
|
8 |
Bij de bestreden beslissing heeft de raad van beroep verzoeksters beroep tegen het oorspronkelijke besluit niet-ontvankelijk verklaard op grond dat verzoekster niet de krachtens artikel 28, lid 1, van verordening (EU) 2019/942 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de samenwerking tussen energieregulators (PB 2019, L 158, blz. 22) vereiste bevoegdheid had om een dergelijk beroep in te stellen, aangezien het oorspronkelijke besluit niet tot haar was gericht en haar niet individueel raakte. |
Conclusies van partijen
|
9 |
Verzoekster verzoekt het Gerecht:
|
|
10 |
ACER verzoekt het Gerecht in essentie:
|
In rechte
Primaire vordering: nietigverklaring van de bestreden beslissing
|
11 |
Ter ondersteuning van haar primaire vordering tot nietigverklaring van de bestreden beslissing voert verzoekster twee middelen aan. Het eerste is ontleend aan schending van de toepassingsvoorwaarde van artikel 28, lid 1, van verordening 2019/942 met betrekking tot de individuele geraaktheid van de verzoeker. Met het tweede middel voert zij in wezen aan dat artikel 28, lid 1, van verordening 2019/942 wordt uitgelegd op een wijze die afbreuk doet aan de nuttige werking van de procedure voor de raad van beroep en die bepaling strijdig maakt met het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming, zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), met het beginsel van gelijkheid voor de wet, zoals gewaarborgd door artikel 20 van het Handvest, voor zover de raad van beroep niet heeft willen vaststellen dat zij bevoegd was om op te komen tegen een regelgevingshandeling die haar rechtstreeks raakte en geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebracht. |
|
12 |
ACER concludeert tot ongegrondverklaring van de primaire vordering. |
|
13 |
Het tweede middel dient als eerste te worden onderzocht. |
Tweede middel: de uitlegging van artikel 28, lid 1, van verordening 2019/942 doet afbreuk aan de nuttige werking van de procedure voor de raad van beroep en maakt die bepaling strijdig met het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming, zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest, en met het beginsel van gelijkheid voor de wet, zoals gewaarborgd door artikel 20 van het Handvest
|
14 |
Verzoekster is van mening dat de raad van beroep met de bestreden beslissing artikel 263, vierde alinea, VWEU heeft geschonden door vast te stellen dat zij niet de vereiste bevoegdheid had om bij die raad beroep in te stellen, ofschoon het oorspronkelijke besluit een regelgevingshandeling was die haar rechtstreeks raakte en geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebracht |
|
15 |
Verzoekster voert aan dat de raad van beroep bij de bestreden beslissing – gelet op de rechtspraak – terecht heeft vastgesteld dat het oorspronkelijke besluit een regelgevingshandeling was die haar rechtstreeks raakte en geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebracht, en dat bij de Unierechter bijgevolg beroep tegen dat besluit kon worden ingesteld in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU. In het kader van het onderhavige beroep wordt dat ook door ACER niet betwist. |
|
16 |
Volgens verzoekster heeft de raad van beroep bij de bestreden beslissing evenwel ten onrechte geoordeeld dat zij, gelet op de bewoordingen van artikel 28, lid 1, van verordening 2019/942, niet bevoegd was om bij hem beroep tegen het oorspronkelijke besluit in te stellen. Het is evenwel mogelijk en noodzakelijk om die bepaling aldus uit te leggen en toe te passen dat zij uit hoofde daarvan bevoegd is om op te komen tegen dat besluit als regelgevingshandeling die haar rechtstreeks raakt en geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengt en die dus vatbaar is voor beroep bij de Unierechter in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU. Elke andere uitlegging van artikel 28, lid 1, van verordening 2019/942 zou immers afbreuk doen aan de nuttige werking van de procedure voor de raad van beroep en die bepaling strijdig maken met het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming, zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest, en met het beginsel van gelijkheid voor de wet, zoals gewaarborgd door artikel 20 van het Handvest. |
|
17 |
Ten eerste hangt de nuttige werking van de procedure voor de raad van beroep, die is opgevat als een vereenvoudigd mechanisme voor volledige administratieve zelfcontrole, in het belang van een goed beheer en het ontlasten van de rechterlijke instanties van de Unie, af van de openstelling ervan voor de talrijke belanghebbenden die daadwerkelijk zijn benadeeld door de door ACER vastgestelde marktreguleringsbesluiten, zoals de bij het oorspronkelijke besluit vastgestelde tijdelijke prijslimiet. Volgens de rechtspraak moeten de bepalingen van het Unierecht aldus worden uitgelegd dat hun nuttige werking behouden blijft. In casu zou een strikte uitlegging van het recht om beroep in te stellen bij de raad van beroep in de praktijk tot gevolg hebben dat ACER ontslagen is van elke zelfcontrole bij de uitoefening van de essentiële en steeds talrijkere en belangrijkere taken die op het gebied van marktregulering aan dat agentschap worden toevertrouwd. Zouden natuurlijke of rechtspersonen tegen de besluiten van ACER rechtstreeks bij het Gerecht kunnen opkomen wanneer het gaat om regelgevingshandelingen die geen uitvoeringsmaatregelen met zich brengen en hen rechtstreeks raken, dan zou afbreuk worden gedaan aan de nuttige werking van het in artikel 28, lid 1, van verordening 2019/942 opgenomen vereenvoudigde mechanisme van volledige administratieve zelfcontrole, hetgeen zou kunnen leiden tot conflicterende parallelle beroepen bij verschillende instanties (te weten de raad van beroep en het Gerecht) met verschillende toetsingsniveaus (te weten volledige toetsing en beperkte toetsing). |
|
18 |
Ten tweede kan alleen met het openstellen van het beroep bij de raad van beroep een leemte in de effectieve rechterlijke bescherming worden voorkomen die zou indruisen tegen het primaire Unierecht en waarin het Verdrag van Lissabon juist heeft willen voorzien. Volgens verzoekster is het, gelet op overweging 34 van verordening 2019/942 en de rechtspraak, voor beroep bij de Unierechter weliswaar absoluut noodzakelijk dat eerst de beroepsprocedure van artikel 28, lid 1, van die verordening wordt uitgeput, maar ontneemt het feit dat natuurlijke of rechtspersonen niet over de mogelijkheid beschikken om krachtens die bepaling bij de raad van beroep op te komen tegen regelgevingshandelingen van ACER die geen uitvoeringsmaatregelen met zich brengen en hen rechtstreeks maar niet individueel raken, hun vervolgens het recht om krachtens artikel 263, vierde alinea, VWEU beroep in te stellen bij het Gerecht. |
|
19 |
Volgens de rechtsleer en de rechtspraak kunnen de op grond van artikel 263, vijfde alinea, VWEU vastgestelde bijzondere bepalingen inzake interne beroepen bij organen of instanties van de Unie geen afbreuk doen aan de rechterlijke bevoegdheid van het Gerecht. Dergelijke bepalingen zouden immers afbreuk doen aan het in artikel 47 van het Handvest neergelegde beginsel van effectieve rechterlijke bescherming, dat volgens de rechtspraak een effectieve rechterlijke bescherming tegen alle handelingen van de instellingen, organen en instanties van de Unie vereist. Mocht worden aangenomen dat natuurlijke of rechtspersonen rechtstreeks bij het Gerecht moeten opkomen tegen besluiten van ACER wanneer zij regelgevingshandelingen wensen aan te vechten die geen uitvoeringsmaatregelen met zich brengen en hen rechtstreeks raken in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU, zou dit bovendien ingaan tegen de wil van de Uniewetgever om voorrang te geven aan het mechanisme van een „beroepsorgaan” binnen de agentschappen van de Unie, teneinde een volledige toetsing van hun ingewikkelde technische of wetenschappelijke beoordelingen mogelijk te maken, waarbij de daaropvolgende toetsing door de Unierechter volgens de rechtspraak een beperkte toetsing is. |
|
20 |
Dat zou evenmin stroken met het beginsel van gelijkheid voor de wet, zoals gewaarborgd door artikel 20 van het Handvest en toegepast in de rechtspraak, aangezien de natuurlijke of rechtspersonen die door de besluiten van ACER het zwaarst worden geraakt, met betrekking tot hun procesbevoegdheid minder gunstig zouden worden behandeld dan anderen, zoals in casu de leveranciers van balanceringsenergie ten aanzien van de TSB’s, zonder dat daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat. Gelet op het beperkte aantal individuele beslissingen van ACER met een regelgevende strekking en de mogelijkheid om verschillende parallelle beroepen gezamenlijk te behandelen of onderling te koppelen, bestaat er bij de raad van beroep niet echt een gevaar van overbelasting en kan die raad de hem door de wetgever toebedeelde taak, te weten de Unierechter ontlasten en zorgen voor een volledige toetsing van de besluiten van ACER, vervullen. |
|
21 |
Volgens verzoekster had de raad van beroep zich in de bestreden beslissing niet mogen beperken tot de bewoordingen van artikel 28, lid 1, van verordening 2019/942. Uit de rechtspraak blijkt immers dat de bewoordingen van een bepaling van afgeleid recht ruim kunnen en moeten worden uitgelegd, zelfs los van de letter ervan, wanneer dat, zoals in casu, vereist is om die bepaling verenigbaar met het primaire recht te maken. Het zou in strijd zijn met het primaire recht om de procesbevoegdheid van natuurlijke of rechtspersonen in het kader van artikel 28, lid 1, van verordening 2019/942 restrictiever uit te leggen dan in het kader van artikel 263, vierde alinea, VWEU, zoals dat voortvloeit uit het Verdrag van Lissabon. |
|
22 |
ACER wijst verzoeksters argumenten van de hand en concludeert in wezen tot afwijzing van het tweede middel. |
|
23 |
Vooraf zij eraan herinnerd dat de Unierechter reeds heeft erkend dat partijen de middelen niet juridisch behoeven te kwalificeren, doch kunnen volstaan met de inhoud ervan, mits uit het verzoekschrift voldoende duidelijk blijkt welke middelen worden aangevoerd (zie arresten van 23 september 2004, Italië/Commissie, C‑297/02, niet gepubliceerd, EU:C:2004:550, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 24 september 2015, Italië en Spanje/Commissie, T‑124/13 en T‑191/13, EU:T:2015:690, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak; arrest van 19 januari 2017, Commissie/Frieberger en Vallin, T‑232/16 P, niet gepubliceerd, EU:T:2017:15, punt 33). |
|
24 |
Bovendien kan volgens de rechtspraak worden geoordeeld dat een exceptie van onwettigheid impliciet is opgeworpen voor zover betrekkelijk duidelijk uit het verzoekschrift naar voren komt dat de verzoeker in feite een dergelijke grief aanvoert (zie in die zin arresten van 6 juni 1996, Baiwir/Commissie,T‑262/94, EU:T:1996:75, punt 37; 27 november 2018, Mouvement pour une Europe des nations et des libertés/Parlement,T‑829/16, EU:T:2018:840, punt 66, en 21 december 2022, Falke/Commissie,T‑306/21, EU:T:2022:834, punt 30). |
|
25 |
Uit de inhoud van het tweede middel, zoals uiteengezet in de punten 138 tot en met 151 en punt 159 van het verzoekschrift en in de punten 56 tot en met 60 van de repliek, blijkt dat verzoekster in wezen betoogt dat de raad van beroep artikel 28, lid 1, van verordening 2019/942 in de bestreden beslissing aldus had moeten uitleggen dat zij krachtens dat artikel bij die raad beroep tegen het oorspronkelijke besluit kon instellen, aangezien die bepaling anders in strijd zou zijn met het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming en artikel 47 van het Handvest, zoals uitgevoerd bij artikel 263, vierde alinea, VWEU – dat haar de bevoegdheid verleent om bij de Unierechter beroep tot nietigverklaring in te stellen van elke handeling die, zoals het oorspronkelijke besluit, een regelgevingshandeling is die haar rechtstreeks raakt en geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengt –, alsook met het beginsel van gelijkheid voor de wet, dat is neergelegd in artikel 20 van het Handvest. |
|
26 |
De uiteenzetting in punt 25 hierboven moet aldus worden begrepen dat zij in wezen een dubbele grief behelst waarmee verzoekster ten eerste aanvoert dat de raad van beroep artikel 28, lid 1, van verordening 2019/942 in de bestreden beslissing heeft uitgelegd op een manier die niet strookt met het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming en artikel 47 van het Handvest, zoals uitgevoerd bij artikel 263, vierde alinea, VWEU in de versie van het Verdrag van Lissabon, noch met het in artikel 20 van het Handvest neergelegde beginsel van gelijkheid voor de wet (eerste grief), en waarmee zij, ten tweede, een impliciete exceptie van onwettigheid van artikel 28, lid 1, van verordening 2019/942 opwerpt wegens strijdigheid met diezelfde beginselen en artikelen van het Handvest (tweede grief). |
|
27 |
In antwoord op een op grond van de artikelen 89 en 90 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht vastgestelde maatregel tot organisatie van de procesgang heeft verzoekster bevestigd dat het verzoekschrift impliciet een dergelijke exceptie van onwettigheid van artikel 28, lid 1, van verordening 2019/942 bevatte. |
|
28 |
Voor zover ACER in antwoord op een andere maatregel tot organisatie van de procesgang heeft ingebracht dat de exceptie van onwettigheid van artikel 28, lid 1, van verordening 2019/942 in verzoeksters antwoord op de door het Gerecht tot haar gerichte maatregel tot organisatie van de procesgang te laat aan de orde was gesteld en derhalve diende te worden verworpen overeenkomstig de rechtspraak die voortvloeit uit punt 23 van het arrest van 15 mei 2008, Spanje/Raad (C‑442/04, EU:C:2008:276), de punten 38 en 39 van het arrest van 26 juni 2008, Alferink e.a./Commissie (T‑94/98, EU:T:2008:226), en de punten 64 tot en met 66 van het arrest van 24 september 2008, Reliance Industries/Raad en Commissie (T‑45/06, EU:T:2008:398), zij opgemerkt dat de twee in punt 26 hierboven vermelde grieven voldoende duidelijk blijken uit de punten 138 tot en met 151 van het verzoekschrift. Bijgevolg moet het bezwaar van ACER worden verworpen en moet de gegrondheid van die twee grieven worden onderzocht. |
|
29 |
Vooraf zij opgemerkt dat het oorspronkelijke besluit, zoals partijen in hun schriftelijke stukken en de raad van beroep in de punten 42 en 52 van de bestreden beslissing erkennen, weliswaar is vastgesteld in de vorm van een besluit dat individueel is gericht tot de TSB’s van de regio die België, Tsjechië, Duitsland, Frankrijk, Kroatië, Luxemburg, Hongarije, Nederland, Oostenrijk, Polen, Roemenië, Slovenië en Slowakije omvat (hierna: „CORE-regio”), maar een regelgevingshandeling is die verzoekster rechtstreeks raakt zonder uitvoeringsmaatregelen met zich mee te brengen in de zin van het derde geval van artikel 263, vierde alinea, VWEU in de versie van het Verdrag van Lissabon, zodat verzoekster ten aanzien van dat besluit behoort tot de categorie van natuurlijke personen of rechtspersonen waarop het derde geval van artikel 263, vierde alinea, VWEU betrekking heeft. |
|
30 |
Met dit gegeven als uitgangspunt moet worden nagegaan of, zoals verzoekster met de eerste grief betoogt, de raad van beroep artikel 28, lid 1, van verordening 2019/942 in de bestreden beslissing had moeten uitleggen in de zin dat zij bevoegd was om bij die raad op te komen tegen het oorspronkelijke besluit, zodat die bepaling zou stroken met het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming en artikel 47 van het Handvest, zoals uitgevoerd bij artikel 263, vierde alinea, VWEU in de versie van het Verdrag van Lissabon, en met het in artikel 20 van het Handvest neergelegde beginsel van gelijkheid voor de wet. |
|
31 |
Volgens de rechtspraak kan een uitlegging van een bepaling van het Unierecht er niet toe leiden dat aan de duidelijke en precieze bewoordingen van deze bepaling elk nuttig effect wordt ontnomen. Wanneer de betekenis van een dergelijke bepaling ondubbelzinnig blijkt uit de bewoordingen ervan, mag de Unierechter dus niet van deze uitlegging afwijken (zie arrest van 23 november 2023, Ministarstvo financija,C‑682/22, EU:C:2023:920, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Volgens vaste rechtspraak moet bij de uitlegging van een bepaling van het Unierecht – voor zover de bewoordingen van die bepaling de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk afbakenen – rekening worden gehouden met de context ervan en met de doelstellingen van de regeling waarvan deze bepaling deel uitmaakt (zie arrest van 21 januari 2021, Whiteland Import Export,C‑308/19, EU:C:2021:47, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
32 |
Volgens artikel 28, lid 1, van verordening 2019/942, betreffende „[b]esluiten [van ACER] waartegen beroep kan worden ingesteld”, kan „[e]lke natuurlijke of rechtspersoon, met inbegrip van de [NRI’s], […] beroep instellen tegen een tot hem gericht besluit [van ACER] als bedoeld in artikel 2, onder d), [van deze verordening] of tegen een besluit dat, ofschoon in de vorm van een besluit gericht tot een andere persoon, hem rechtstreeks en individueel raakt”. |
|
33 |
In casu staat vast dat het oorspronkelijke besluit, waarbij ACER overeenkomstig artikel 5, lid 2, onder b), van verordening 2019/942 heeft beslist over de door de TSB’s van de CORE-regio voorgestelde wijzigingen van de litigieuze methode, een besluit van ACER is als bedoeld in artikel 2, onder d), van die verordening. |
|
34 |
Uit de duidelijke en precieze bewoordingen van artikel 28, lid 1, van verordening 2019/942 blijkt dat verzoekster, als rechtspersoon die geen adressaat is van het oorspronkelijke besluit, dat overeenkomstig artikel 2 ervan tot de TSB’s van de CORE-regio is gericht, slechts beroep kan instellen tegen dat besluit indien dit haar niet alleen rechtstreeks, maar ook individueel raakt. |
|
35 |
Ofschoon het juist is dat de aldus in artikel 28, lid 1, van verordening 2019/942 geformuleerde voorwaarde van individuele geraaktheid moet worden uitgelegd in het licht van de algemene beginselen van het Unierecht, zoals gewaarborgd door het Handvest, kan een dergelijke uitlegging niet tot gevolg hebben dat die uitdrukkelijk in de tekst gestelde voorwaarde ter zijde wordt geschoven zonder te leiden tot een uitlegging contra legem. |
|
36 |
In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak een beroep op een ruime uitlegging alleen mogelijk is voor zover die verenigbaar is met de tekst van de betreffende bepaling en dat zelfs het beginsel van de uitlegging in overeenstemming met een norm met een hogere bindende kracht niet kan dienen als grondslag voor een uitlegging contra legem (zie beschikking van 15 december 2023, Stan/Europees Openbaar Ministerie, T‑103/23, EU:T:2023:871, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie naar analogie ook arresten van 19 september 2019, Rayonna prokuratura Lom,C‑467/18, EU:C:2019:765, punt 61, en 5 oktober 2020, Brown/Commissie,T‑18/19, EU:T:2020:465, punt 111). |
|
37 |
Derhalve moet worden vastgesteld dat de raad van beroep artikel 28, lid 1, van verordening 2019/942 in de bestreden beslissing terecht niet aldus heeft uitgelegd dat verzoekster als rechtspersoon in de zin van die bepaling bij die raad beroep tegen het oorspronkelijke besluit kon instellen zonder te hoeven aantonen dat zij niet alleen rechtstreeks, maar ook individueel werd geraakt door dat besluit. |
|
38 |
De eerste grief moet dan ook ongegrond worden verklaard. |
|
39 |
Vervolgens moet de gegrondheid van de tweede grief, die overeenkomt met de in punt 26 hierboven genoemde impliciete exceptie van onwettigheid, worden onderzocht. |
|
40 |
In dat verband moet in herinnering worden gebracht dat een Uniehandeling volgens een algemeen uitleggingsbeginsel zo veel mogelijk aldus moet worden uitgelegd dat de geldigheid ervan niet wordt aangetast (arresten van 4 oktober 2001, Italië/Commissie,C‑403/99, EU:C:2001:507, punt 37, en 19 november 2009, Sturgeon e.a.,C‑402/07 en C‑432/07, EU:C:2009:716, punt 47). Wanneer een Unierechtelijke bepaling voor verschillende uitleggingen vatbaar is, moet de voorkeur worden gegeven aan de uitlegging die de nuttige werking van de bepaling kan verzekeren (arrest van 19 november 2009, Sturgeon e.a.,C‑402/07 en C‑432/07, EU:C:2009:716, punt 47; zie ook in die zin arrest van 22 september 1988, Saarland e.a., 187/87, EU:C:1988:439, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
41 |
In casu moet worden opgemerkt dat ACER, subsidiair, en het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie, primair, in hun antwoorden op de door het Gerecht tot hen gerichte maatregelen tot organisatie van de procesgang in wezen hebben aangevoerd dat artikel 28, lid 1, van verordening 2019/942 niet in strijd is met het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming, noch met artikel 47 van het Handvest, zoals uitgevoerd bij artikel 263, vierde alinea, VWEU, of het in artikel 20 van het Handvest neergelegde beginsel van gelijkheid voor de wet, aangezien het er niet aan in de weg staat dat natuurlijke of rechtspersonen die geen adressaat zijn van een niet van uitvoeringsmaatregelen vergezeld gaande handeling van algemene strekking van ACER en die rechtstreeks maar niet individueel door die handeling worden geraakt, te weten de categorie van natuurlijke of rechtspersonen waarop het derde geval van artikel 263, vierde alinea, VWEU in de versie van het Verdrag van Lissabon betrekking heeft, in gevallen als het onderhavige rechtstreeks beroep tot nietigverklaring van die handeling instellen bij het Gerecht. |
|
42 |
Het oorspronkelijke besluit vormt ten aanzien van verzoekster een regelgevingshandeling die haar rechtstreeks raakt en geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengt in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU in de versie van het Verdrag van Lissabon (zie punt 29 hierboven), zodat zij behoort tot de categorie van natuurlijke of rechtspersonen waarop het derde geval van artikel 263, vierde alinea, VWEU betrekking heeft die, net als de twee andere categorieën natuurlijke of rechtspersonen, waarop het eerste en het tweede geval van artikel 263, vierde alinea, VWEU betrekking hebben, te weten de natuurlijke of rechtspersonen tot wie de handeling is gericht of die door die handeling rechtstreeks en individueel worden geraakt, onder de voorwaarden van artikel 263, eerste en tweede alinea, VWEU beroep kan instellen bij de Unierechter. |
|
43 |
Artikel 263, vijfde alinea, VWEU bepaalt evenwel dat de handelingen tot oprichting van organen en instanties van de Unie kunnen voorzien in bijzondere voorwaarden en bepalingen inzake de beroepen welke door natuurlijke of rechtspersonen worden ingesteld tegen handelingen van deze organen of instanties waarmee rechtsgevolgen ten aanzien van hen worden beoogd. |
|
44 |
Op voorstel van de Commissie heeft de Uniewetgever in de artikelen 28 en 29 van verordening 2019/942 juncto overweging 34 van die verordening bepaald dat natuurlijke of rechtspersonen tot wie de handelingen van ACER zijn gericht of die door deze handelingen rechtstreeks en individueel worden geraakt, om redenen van proceseconomie het recht moeten krijgen om in beroep te gaan bij een raad van beroep. |
|
45 |
In dat verband hebben het Parlement, de Raad en de Commissie zich blijkens hun antwoorden op de door het Gerecht tot hen gerichte maatregelen tot organisatie van de procesgang op het standpunt gesteld dat onder de natuurlijke of rechtspersonen die krachtens artikel 28, lid 1, van verordening 2019/942 beroep kunnen instellen tegen een beslissing van ACER als bedoeld in artikel 2, onder d), van die verordening, geen natuurlijke of rechtspersonen dienden te worden opgenomen die behoren tot de categorie waarop het derde geval van artikel 263, vierde alinea, VWEU in de versie van het Verdrag van Lissabon betrekking heeft, aangezien ACER in de regel „individuele beslissingen” neemt uit hoofde van artikel 2, onder d), van die verordening, beslissingen waartegen kan worden opgekomen bij de raad van beroep. Indien ACER, zoals in casu (zie punt 29 hierboven), een regelgevingshandeling vaststelt, staat rechtstreeks het rechtsmiddel van artikel 263, vierde alinea, VWEU open. |
|
46 |
Voor zover verzoekster in dat verband aanvoert dat zij volgens artikel 29 van verordening 2019/942 bij het Gerecht geen rechtstreeks beroep tot nietigverklaring van het oorspronkelijke besluit kon instellen op grond van het derde geval van artikel 263, vierde alinea, VWEU, zij opgemerkt dat artikel 29 van verordening 2019/942 inderdaad bepaalt dat „[e]en beroep tot nietigverklaring van een besluit dat ACER uit hoofde van [die] verordening heeft genomen […] pas bij het Hof van Justitie van de Europese Unie [kan] worden ingeleid nadat de in artikel 28 [van die verordening] bedoelde [voorafgaande] beroepsprocedure is uitgeput”, en dat op grond van die bepaling niet-geprivilegieerde verzoekers beroep tot nietigverklaring van de door de raad van beroep vastgestelde beslissingen moeten instellen bij het Gerecht (zie in die zin arrest van 16 maart 2022, MEKH en FGSZ/ACER, T‑684/19 en T‑704/19, EU:T:2022:138, punten 35‑42). |
|
47 |
Er moet evenwel op worden gewezen dat het arrest van 16 maart 2022, MEKH en FGSZ/ACER (T‑684/19 en T‑704/19, EU:T:2022:138), dient te worden uitgelegd in het licht van de context ervan, en met name van het feit dat de verzoekers in die zaak ontegenzeglijk bevoegd waren om zich tot de raad van beroep te wenden, maar gelet op de artikelen 28 en 29 van verordening 2019/942 de wettigheid van de oorspronkelijke besluiten van ACER niet konden betwisten bij het Gerecht. |
|
48 |
Aangezien de Uniewetgever om de in punt 45 hierboven uiteengezette redenen de categorie van natuurlijke of rechtspersonen waartoe verzoekster behoort niet heeft onderworpen aan de in artikel 28 van verordening 2019/942 bedoelde voorafgaande beroepsprocedure, kan ter zake het vereiste van artikel 29 van die verordening dat die procedure moet worden uitgeput, niet worden uitgelegd in die zin dat het ook voor die categorie geldt. Hieruit volgt dat natuurlijke of rechtspersonen die behoren tot de categorie waarop het derde geval van artikel 263, vierde alinea, VWEU in de versie van het Verdrag van Lissabon betrekking heeft, niet binnen de werkingssfeer van de verplichte voorafgaande beroepsprocedure van de artikelen 28 en 29 van verordening 2019/942 vallen, en dat die personen, anders dan personen die behoren tot de twee andere in artikel 28, lid 1, van die verordening bedoelde categorieën, rechtstreeks bij het Gerecht beroep tegen de betrokken handelingen van ACER moeten instellen overeenkomstig het derde geval van artikel 263, vierde alinea, VWEU in de versie van het Verdrag van Lissabon. |
|
49 |
Zoals het Parlement, de Raad en de Commissie in hun antwoorden op de maatregelen tot organisatie van de procesgang betogen, kan verordening 2019/942 immers niet aldus worden uitgelegd dat de Uniewetgever alle door ACER vastgestelde handelingen vatbaar voor toetsing door de raad van beroep heeft willen maken, aangezien de materiële werkingssfeer van artikel 28 van die verordening beperkt is tot de in artikel 2, onder d), van die verordening bedoelde individuele beslissingen. De Uniewetgever heeft die „hybride” benadering trouwens ook gevolgd bij de oprichting van de beroepsinstanties van tal van andere agentschappen, zoals blijkt uit de verordeningen tot oprichting van de beroepsinstanties van het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA), de Europese Bankautoriteit (EBA), de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR), het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA), de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) en de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (Eiopa). In dat verband zij opgemerkt dat het Parlement, de Raad en de Commissie in hun antwoorden op de maatregelen tot organisatie van de procesgang hebben benadrukt dat het ontbreken van een uitdrukkelijke verwijzing in verordening 2019/942 naar de mogelijkheid om zich rechtstreeks tot de Unierechter te wenden in gevallen waarin niet was voldaan aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 28 van die verordening, geen gevolgen had, aangezien een dergelijke verwijzing louter declaratoir zou zijn geweest doordat artikel 263 VWEU niet in afgeleid Unierecht hoefde te worden omgezet om van toepassing te zijn. |
|
50 |
De in punt 48 hierboven bepleite uitlegging is bovendien niet in tegenspraak met punt 57 van het arrest van 9 maart 2023, ACER/Aquind (C‑46/21 P, EU:C:2023:182), waarin het Hof voor recht heeft verklaard dat de „beroepsinstanties [van de Unieagentschappen] een geschikt middel [vormen] om de rechten van de betrokken partijen te beschermen”, aangezien een dergelijke vaststelling niet impliceert dat de toetsing door de raad van beroep van ACER het enige geschikte middel is om de rechten van natuurlijke of rechtspersonen die zich niet krachtens artikel 28 van verordening 2019/942 tot die raad kunnen wenden, te beschermen tegen beslissingen van ACER. |
|
51 |
Die uitlegging is evenmin in tegenspraak met overweging 34 van verordening 2019/942, waarin wordt verklaard dat „[i]n gevallen waarin ACER beslissingsbevoegdheden heeft, […] de betrokken partijen om redenen van proceseconomie het recht [moeten] krijgen om in beroep te gaan bij een raad van beroep”. Die overweging moet namelijk worden gelezen in samenhang met de bewoordingen van de artikelen 28 en 29 van verordening 2019/942 en de in punt 50 hierboven aangehaalde rechtspraak, waaruit volgt dat de raad van beroep een geschikt middel vormt om de rechten te beschermen van partijen die door de handelingen van ACER worden geraakt, voor zover zij voldoen aan de in die verordening gestelde ontvankelijkheidsvoorwaarden. Noch overweging 34 van verordening 2019/942, noch de hierboven aangehaalde rechtspraak kan evenwel aldus worden uitgelegd dat het rechtstreeks adiëren van de Unierechter op grond van artikel 263 VWEU door natuurlijke of rechtspersonen die zich niet op grond van artikel 28 van die verordening tot de raad van beroep kunnen wenden, geen geschikt middel is om in eerste aanleg de wettigheid van de handelingen van ACER te toetsen. |
|
52 |
Ofschoon de Uniewetgever, zoals ACER, het Parlement, de Raad en de Commissie in hun antwoorden op de mondelinge vragen van het Gerecht ter terechtzitting of op de door het Gerecht tot hen gerichte maatregelen tot organisatie van de procesgang aanvoeren, krachtens artikel 263, vijfde alinea, VWEU over een beoordelingsbevoegdheid beschikt om te voorzien in bijzondere voorwaarden en bepalingen inzake de beroepen welke door natuurlijke of rechtspersonen worden ingesteld tegen handelingen van Unieorganen of ‑instanties waarmee rechtsgevolgen ten aanzien van hen worden beoogd, kan een dergelijke bevoegdheid slechts worden uitgeoefend met inachtneming van het primaire recht, en met name de algemene beginselen van het Unierecht. |
|
53 |
Derhalve moet in de eerste plaats worden nagegaan of, zoals verzoekster betoogt, het bij artikel 28, lid 1, van verordening 2019/942 ingestelde verschil in behandeling, betreffende de mogelijkheid om zich tot de raad van beroep te wenden, tussen de categorie natuurlijke of rechtspersonen waarop het derde geval van artikel 263, vierde alinea, VWEU in de versie van het Verdrag van Lissabon betrekking heeft en de andere categorieën natuurlijke of rechtspersonen waarop het eerste en het tweede geval van artikel 263, vierde alinea, VWEU betrekking hebben, onverenigbaar is met het in artikel 20 van het Handvest neergelegde beginsel van gelijkheid voor de wet. |
|
54 |
In dat verband moet in herinnering worden gebracht dat de in artikel 20 van het Handvest verwoorde gelijkheid voor de wet volgens vaste rechtspraak een algemeen beginsel van het Unierecht is dat verlangt dat vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is [zie arrest van 2 september 2021, Belgische Staat (Verblijfsrecht in geval van huiselijk geweld), C‑930/19, EU:C:2021:657, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. |
|
55 |
Het vereiste dat de situaties vergelijkbaar moeten zijn om uit te maken of er sprake is van schending van het beginsel van gelijke behandeling, moet worden beoordeeld aan de hand van alle elementen die deze situaties kenmerken, met name tegen de achtergrond van het voorwerp en het doel van de handeling waarbij het betrokken onderscheid wordt ingevoerd, met dien verstande dat daartoe rekening moet worden gehouden met de beginselen en doelstellingen van het gebied waaronder deze handeling valt. Voor zover de situaties niet vergelijkbaar zijn, is een verschillende behandeling van de betrokken situaties niet in strijd met de in artikel 20 van het Handvest verankerde gelijkheid voor de wet [zie arrest van 2 september 2021, Belgische Staat (Verblijfsrecht in geval van huiselijk geweld), C‑930/19, EU:C:2021:657, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. |
|
56 |
In casu moet worden beoordeeld of de situatie van een natuurlijke of rechtspersoon die behoort tot de categorie waarop het derde geval van artikel 263, vierde alinea, VWEU in de versie van het Verdrag van Lissabon betrekking heeft, en die krachtens die verordening een beroep tot nietigverklaring van een besluit van ACER wenst in te stellen, gelet op het voorwerp en het doel van de bij de artikelen 28 en 29 van verordening 2019/942 ingevoerde interne beroepsprocedure van ACER vergelijkbaar is met die van een natuurlijke of rechtspersoon die behoort tot de andere categorieën waarop het eerste en het tweede geval van artikel 263, vierde alinea, VWEU betrekking hebben, en die eveneens een dergelijk beroep wenst in te stellen. |
|
57 |
Vooraf moet er zoals de Unierechter reeds heeft kunnen bevestigen op worden gewezen dat aangezien de Uniewetgever de raad van beroep heeft willen voorzien van de nodige deskundigheid zodat deze zelf ingewikkelde technische en economische feiten op het gebied van energie zou kunnen beoordelen, die raad zich niet mag beperken tot een beperkte toetsing van de besluiten van ACER. Integendeel, op basis van de wetenschappelijke deskundigheid van zijn leden moet de raad van beroep nagaan of met de door de verzoeker aangevoerde argumenten kan worden aangetoond dat de overwegingen waarop het besluit van ACER is gebaseerd, onjuist zijn (zie in die zin arresten van 9 maart 2023, ACER/Aquind,C‑46/21 P, EU:C:2023:182, punten 53‑72, en 18 november 2020, Aquind/ACER,T‑735/18, EU:T:2020:542, punten 45‑71). |
|
58 |
Dienaangaande heeft de Unierechter erop gewezen dat de instelling van de raad van beroep deel uitmaakt van een algemene benadering van de Uniewetgever om de agentschappen van de Unie te voorzien van beroepsinstanties wanneer hun de bevoegdheid wordt toegekend om over ingewikkelde vragen op technisch of wetenschappelijk vlak beslissingen te nemen die rechtstreeks van invloed kunnen zijn op de rechtspositie van de betrokken partijen. Deze beroepsinstanties vormen een geschikt middel om de rechten van de betrokken partijen te beschermen in een context waarin – wanneer de autoriteiten van de Unie over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken, met name ter zake van zeer ingewikkelde wetenschappelijke en technische feiten, om de aard en de draagwijdte van de maatregelen die zij vaststellen te bepalen – het toezicht daarop door de Unierechter volgens vaste rechtspraak beperkt moet blijven tot de vraag of er bij de uitoefening van deze bevoegdheid geen sprake is geweest van een kennelijke dwaling of misbruik van bevoegdheid, en of de autoriteiten de grenzen van hun beoordelingsbevoegdheid niet klaarblijkelijk hebben overschreden (arrest van 9 maart 2023, ACER/Aquind,C‑46/21 P, EU:C:2023:182, punten 56 en 57; zie ook arrest van 7 maart 2013, Bilbaína de Alquitranes e.a./ECHA,T‑93/10, EU:T:2013:106, punt 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
59 |
Derhalve moet worden vastgesteld dat artikel 28, lid 1, van verordening 2019/942, doordat het natuurlijke of rechtspersonen die, zoals verzoekster, behoren tot de categorie waarop het derde geval van artikel 263, vierde alinea, VWEU in de versie van het Verdrag van Lissabon betrekking heeft niet de mogelijkheid biedt om zich tot de raad van beroep te wenden, een verschil in behandeling in het leven roept, aangezien die personen met betrekking tot ingewikkelde wetenschappelijke, technische of economische beoordelingen op het gebied van energie slechts recht hebben op een beperkte toetsing van de ACER-besluiten door het Gerecht, terwijl natuurlijke of rechtspersonen die behoren tot de categorieën waarop het eerste en het tweede geval van artikel 263, vierde alinea, VWEU betrekking hebben, recht hebben op volledige toetsing van die wetenschappelijke, technische of economische beoordelingen door de raad van beroep. |
|
60 |
Zoals ACER, het Parlement, de Raad en de Commissie in wezen hebben aangevoerd in hun antwoorden op de door het Gerecht tot hen gerichte maatregelen tot organisatie van de procesgang, wordt dit verschil in behandeling met betrekking tot het recht op volledige toetsing door de raad van beroep evenwel gerechtvaardigd door de al dan niet nauwe band tussen de verschillende categorieën van natuurlijke of rechtspersonen en de besluiten van ACER. Natuurlijke personen of rechtspersonen die behoren tot de categorieën waarop het eerste en het tweede geval van artikel 263, vierde alinea, VWEU in de versie van het Verdrag van Lissabon betrekking hebben, worden namelijk door die besluiten geïndividualiseerd doordat deze tot hen zijn gericht of hen op soortgelijke wijze betreffen als de adressaat uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie, welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert (arresten van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie,25/62, EU:C:1963:17, blz. 232, en 17 september 2015, Mory e.a./Commissie,C‑33/14 P, EU:C:2015:609, punt 93), terwijl dat niet het geval voor natuurlijke of rechtspersonen die behoren tot de categorie waarop het derde geval van artikel 263, vierde alinea, VWEU betrekking heeft. |
|
61 |
Dat verschil in behandeling, dat berust op de objectieve criteria van artikel 28 van verordening 2019/942, is dus gerechtvaardigd, aangezien het verband houdt met een door de betrokken wetgeving nagestreefd wettelijk toelaatbaar doel en in verhouding staat tot het met de betrokken behandeling nagestreefde doel (zie in die zin arresten van 5 juli 1977, Bela-Mühle Bergmann,114/76, EU:C:1977:116, punt 7, en 16 december 2008, Arcelor Atlantique et Lorraine e.a.,C‑127/07, EU:C:2008:728, punt 47). |
|
62 |
Het gebruik van de door de Uniewetgever in artikel 28 van verordening 2019/942 vastgestelde objectieve criteria houdt immers verband met het door die bepaling nagestreefde doel, namelijk de invoering van een stelsel van administratieve beroepen met betrekking tot specifieke categorieën van handelingen van ACER en van natuurlijke of rechtspersonen die een nauwe band met die handelingen vertonen. |
|
63 |
Gelet op het feit dat de natuurlijke of rechtspersonen die, zoals verzoekster, behoren tot de categorie waarop het derde geval van artikel 263, vierde alinea, VWEU in de versie van het Verdrag van Lissabon betrekking heeft, minder nauw verbonden zijn met de „individuele beslissingen” van ACER dan de natuurlijke of rechtspersonen die behoren tot de categorie waarop het eerste en het tweede geval van artikel 263, vierde alinea, VWEU betrekking hebben, is het gerechtvaardigd en passend dat zij slechts beschikken over de mogelijkheid om een beperkte toetsing van die besluiten bij het Gerecht te verkrijgen, met dien verstande dat die personen, anders dan die welke tot de twee andere categorieën behoren, niet hoeven te voldoen aan de bij artikel 29 van verordening 2019/942 opgelegde verplichting om de in artikel 28 van die verordening bedoelde voorafgaande beroepsprocedure uit te putten (zie punt 47 hierboven), en evenmin zijn onderworpen aan de procedure voor voorafgaande toelating van hogere voorzieningen als bedoeld in artikel 58 bis van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie. |
|
64 |
Voorts schendt de Uniewetgever volgens vaste rechtspraak het beginsel van gelijke behandeling wanneer hij vergelijkbare situaties verschillend behandelt en daardoor bepaalde personen ten opzichte van anderen worden benadeeld (arresten van 13 juli 1962, Klöckner-Werke en Hoesch/Hoge Autoriteit, 17/61 en 20/61, EU:C:1962:30, blz. 681 en 682, en 16 december 2008, Arcelor Atlantique et Lorraine e.a.,C‑127/07, EU:C:2008:728, punt 39). |
|
65 |
In dat verband kan de rechtstreekse toetsing door het Gerecht niet worden geacht natuurlijke of rechtspersonen die zich met betrekking tot een handeling van ACER niet in een van de in artikel 28 van verordening 2019/942 bedoelde gevallen bevinden, te benadelen. |
|
66 |
Dat het onderzoek van een handeling van ACER door de raad van beroep is beschouwd als een geschikt middel om de rechten van nauw met die handeling verbonden natuurlijke of rechtspersonen te beschermen in een context waarin de autoriteiten van de Unie over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken, met name ter zake van zeer ingewikkelde wetenschappelijke en technische feiten, om de aard en de draagwijdte van de maatregelen die zij vaststellen te bepalen (zie in die zin arrest van 9 maart 2023, ACER/Aquind,C‑46/21 P, EU:C:2023:182, punt 57), kan immers niet aldus worden uitgelegd dat een rechtstreeks beroep bij het Gerecht op grondslag van artikel 263, vierde alinea, VWEU niet evenzeer kan worden beschouwd als een geschikt middel ter bescherming van de rechten van natuurlijke of rechtspersonen die minder nauw met die handeling verbonden zijn. |
|
67 |
Hieruit volgt dat de Uniewetgever in artikel 28, lid 1, van verordening 2019/942 een gerechtvaardigd verschil in behandeling heeft ingevoerd tussen natuurlijke of rechtspersonen die zich ten aanzien van de besluiten van ACER niet in een identieke of vergelijkbare situatie bevinden en voor wie dus niet hoeft te worden voorzien in dezelfde bijzondere voorwaarden en bepalingen inzake de beroepen die zij tegen die besluiten instellen, zodat dit verschil in behandeling niet kan worden geacht in strijd te zijn met het in artikel 20 van het Handvest neergelegde beginsel van gelijkheid voor de wet. |
|
68 |
In de tweede plaats moet worden stilgestaan bij de vraag of, zoals verzoekster stelt, het feit dat natuurlijke of rechtspersonen die, zoals zij, behoren tot de categorie waarop het derde geval van artikel 263, vierde alinea, VWEU in de versie van het Verdrag van Lissabon betrekking heeft, geen beroep kunnen instellen bij de raad van beroep, in strijd is met het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming en artikel 47 van het Handvest, zoals uitgevoerd bij artikel 263, vierde alinea, VWEU. |
|
69 |
Volgens artikel 47 van het Handvest heeft eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Uit de rechtspraak van het Hof en die van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat dat het recht op toegang tot de rechter geen absoluut recht is en derhalve kan worden onderworpen aan evenredige beperkingen waarmee een legitiem doel wordt nagestreefd en die dat recht niet in zijn kern aantasten (zie beschikking van 6 april 2017, PITEE/Commissie, C‑464/16 P, niet gepubliceerd, EU:C:2017:291, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Overeenkomstig artikel 52, lid 1, van het Handvest kan een beperking van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte alleen gerechtvaardigd zijn voor zover zij bij wet wordt gesteld, de wezenlijke inhoud van dat recht in acht neemt en, overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel, slechts wordt gesteld voor zover zij noodzakelijk is en daadwerkelijk beantwoordt aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen (arresten van 4 mei 2016, Pillbox 38,C‑477/14, EU:C:2016:324, punt 160, en 15 september 2016, Star Storage e.a.,C‑439/14 en C‑488/14, EU:C:2016:688, punt 49). |
|
70 |
Zoals reeds is opgemerkt (zie punten 47 en 67 hierboven), blijkt in casu uit een gecombineerde lezing van artikel 263, vierde alinea, VWEU en de artikelen 28 en 29 van verordening 2019/942, zoals uitgelegd in het licht van het in punt 40 hierboven in herinnering gebrachte algemene uitleggingsbeginsel, dat natuurlijke of rechtspersonen die, zoals verzoekster, behoren tot de categorie waarop het derde geval van artikel 263, vierde alinea, VWEU in de versie van het Verdrag van Lissabon betrekking heeft, tegen de besluiten van ACER rechtstreeks kunnen opkomen bij het Gerecht. |
|
71 |
In dat verband moet erop worden gewezen dat aangezien beroep tot nietigverklaring bij het Gerecht mogelijk blijft, niet kan worden geoordeeld dat de Uniewetgever bij de vaststelling van de artikelen 28 en 29 van verordening 2019/942 het recht op effectieve rechterlijke bescherming heeft geschonden. |
|
72 |
Zoals de raad van beroep in punt 57 van de bestreden beslissing, en verzoekster ter terechtzitting hebben opgemerkt, leveren de door de Uniewetgever in de artikelen 28 en 29 van verordening 2019/942 ingevoerde bijzondere voorwaarden en bepalingen inzake beroepen bij de raad van beroep inderdaad weinig bevredigende procedurele complicaties op. Ten eerste zouden zij ertoe kunnen leiden dat tegen dezelfde besluiten van ACER beroep wordt ingesteld bij zowel de raad van beroep als het Gerecht, hetzij door dezelfde natuurlijke of rechtspersonen in geval van twijfel over de categorie van artikel 263, vierde alinea, VWEU waartoe zij behoren, hetzij door natuurlijke of rechtspersonen die tot verschillende in die bepaling genoemde categorieën behoren, met alle complicaties die inherent zijn aan het beheer van dergelijke beroepen (schorsing, verwerping enz.). Ten tweede zou de toepassing van die bijzondere voorwaarden en bepalingen aanleiding kunnen geven tot tal van rechtszaken voor de raad van beroep, het Gerecht en het Hof, doordat de respectieve bevoegdheid van de raad van beroep en het Gerecht om kennis te nemen van een beroep dat aanhangig is gemaakt door een natuurlijke of rechtspersoon die geen adressaat is van een handeling van ACER, maar ten aanzien van wie die handeling rechtsgevolgen sorteert – en bijgevolg ook de procedure die de betrokken persoon moet volgen om tegen de handeling in kwestie op te komen –, afhankelijk wordt gesteld van de complexe rechtsvraag of die persoon door die handeling al dan niet „individueel wordt geraakt”. |
|
73 |
Het risico van parallelle beroepen tegen dezelfde handeling van ACER staat evenwel los van de artikelen 28 en 29 van verordening 2019/942, aangezien, zoals met name blijkt uit punt 31 van het arrest van 16 maart 2022, MEKH en FGSZ/ACER (T‑684/19 en T‑704/19, EU:T:2022:138), geprivilegieerde verzoekers het recht hebben om rechtstreeks bij het Gerecht beroep tot nietigverklaring van een besluit van ACER in te stellen. Daarnaast vloeit het complexe karakter van het begrip „individuele geraaktheid” niet specifiek voort uit de bij de artikelen 28 en 29 van verordening 2019/942 ingestelde administratieve beroepsprocedure. |
|
74 |
Dit neemt niet weg dat dergelijke procedurele complicaties hoe dan ook niet volstaan om vast te stellen dat de ingestelde beroepsprocedure op zich in strijd is met het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming, zoals gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest. |
|
75 |
Bijgevolg kan ook artikel 28, lid 1, van verordening 2019/942 niet worden geacht een schending van het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming en artikel 47 van het Handvest, zoals uitgevoerd bij artikel 263, vierde alinea, VWEU, op te leveren. |
|
76 |
De exceptie van onwettigheid moet derhalve ongegrond worden verklaard, zodat het tweede middel in zijn geheel wordt afgewezen. |
|
77 |
Thans moet dus de gegrondheid van het eerste middel, waarmee wordt aangevoerd dat artikel 28, lid 1, van verordening 2019/942 is geschonden, worden onderzocht. |
Eerste middel: schending van artikel 28, lid 1, van verordening 2019/942
|
78 |
Verzoekster is van mening dat de raad van beroep met de bestreden beslissing artikel 28, lid 1, van verordening 2019/942 heeft geschonden door te oordelen dat zij niet de vereiste procesbevoegdheid had om bij de raad tegen het oorspronkelijke besluit beroep in te stellen, ofschoon zij door dat besluit rechtstreeks en individueel werd geraakt. |
|
79 |
Zij merkt op dat de raad van beroep in de punten 41 en volgende van de bestreden beslissing – gelet op de rechtspraak – terecht heeft vastgesteld, dat zij rechtstreeks werd geraakt door het oorspronkelijke besluit, dat haar rechtspositie rechtstreeks aantastte door haar tijdelijk te beletten de prijzen van haar biedingen op de markt voor balanceringsenergie vrij vast te stellen, aangezien de biedingen die de in het oorspronkelijke besluit vastgestelde tijdelijke prijslimiet overschreden, niet meer mochten worden aanvaard door de TSB’s van de CORE-regio die gebruikmaakten van de Europese platformen PICASSO en MARI. |
|
80 |
Daarentegen heeft de raad van beroep volgens verzoekster in de bestreden beslissing ten onrechte niet willen vaststellen dat zij door het oorspronkelijke besluit individueel werd geraakt overeenkomstig de met betrekking tot de toepassing van artikel 263, vierde alinea, VWEU in de rechtspraak ontwikkelde beginselen, zoals aangepast aan het doel van de procedure voor de raad van beroep die, overeenkomstig overweging 34 van verordening 2019/942, is opgevat als een vereenvoudigd mechanisme voor volledige administratieve zelfcontrole in het belang van een goed beheer, dat openstaat voor de vele partijen die belang hebben bij de door ACER vastgestelde marktreguleringsbesluiten, zoals de bij het oorspronkelijke besluit vastgestelde tijdelijke prijslimiet. Dit mechanisme vormt een antwoord op de door het Hof geuite bezorgdheid over de delegatie aan organen of agentschappen van de vaststelling van individuele besluiten die de uitoefening van een ruime beoordelingsbevoegdheid impliceren. |
|
81 |
In casu zijn bepaalde marktdeelnemers, te weten de TSB’s, evenwel zeer geïntegreerd in het besluitvormingsproces en worden zij aangewezen als de enige adressaten van handelingen die weliswaar in de vorm van individuele besluiten in de zin van artikel 288, vierde alinea, tweede volzin, VWEU worden genomen, maar in de praktijk een regelgevende strekking hebben, hetgeen vereist dat de andere marktdeelnemers die door die besluiten worden geraakt, die handelingen volledig kunnen laten toetsen, teneinde hun belangen, die tegengesteld kunnen zijn aan die van de TSB’s, te kunnen verdedigen. |
|
82 |
Gelet daarop voert verzoekster aan dat artikel 28, lid 1, van verordening 2019/942 moet worden uitgelegd in overeenstemming met artikel 5, lid 8, van verordening 2017/2195, dat elke partij, met inbegrip van marktdeelnemers, het recht toekent om bij de NRI’s een klacht in te dienen tegen de besluiten van de TSB’s. De door ACER bepleite uitlegging van artikel 28 van verordening 2019/942 is niet alleen „onbevredigend”, zoals de raad van beroep in punt 57 van de bestreden beslissing heeft vastgesteld, maar druist ook in tegen de beginselen van effectieve rechterlijke bescherming en non-discriminatie en is in strijd met de doelstelling van het bij dat artikel ingevoerde mechanisme om de rechterlijke instanties van de Unie te ontlasten. |
|
83 |
Ten eerste wijst verzoekster erop dat zij actief heeft deelgenomen aan de procedure die tot de vaststelling van het oorspronkelijke besluit heeft geleid, hetgeen volgens de rechtspraak een van de relevante factoren is om de individuele geraaktheid van een verzoeker aan te tonen. Zij heeft in casu actief deelgenomen aan de openbare raadpleging die het ENTSO-E krachtens artikel 10 van verordening 2017/2195 was gestart alvorens het TSB-voorstel aan ACER voor te leggen, met name door bij eerstgenoemde haar advies van 30 juli 2021 in te dienen. Voorts heeft zij ook actief deelgenomen aan de door ACER over dat voorstel gehouden openbare raadpleging, door bij ACER haar opmerkingen van 10 november 2021 in te dienen. Op grond van artikel 10, lid 6, van verordening 2017/2195 hadden de TSB’s en uiteindelijk ACER haar advies van 30 juli 2021 moeten volgen of in hun voorstel de precieze redenen moeten uiteenzetten waarom zij daarvan afweken. |
|
84 |
Ten tweede verklaart verzoekster dat zij door het oorspronkelijke besluit individueel wordt geraakt op soortgelijke wijze als, of zelfs harder dan de TSB’s tot wie het is gericht, aangezien dit besluit haar mededingingspositie op de markt voor de levering van balanceringsenergie overeenkomstig de rechtspraak merkbaar aantast doordat de prijs waartegen zij die stroom kan verkopen aan de TSB’s, die de enige afnemers ervan zijn, kunstmatig wordt verlaagd, waardoor zij tijdelijk niet kan profiteren van een marktprijs die hoger zou moeten liggen (om de opportuniteitskosten van de biedingen te dekken), en niet kan concurreren op basis van de prijzen voor die stroom. Verzoekster meent dat voornamelijk zij, net als enkele andere leveranciers van balanceringsenergie die de prekwalificatie hebben verkregen van installaties waarvan de variabele incrementele kosten hoog zijn, door het oorspronkelijke besluit worden getroffen en benadeeld, terwijl de TSB’s tot wie dat besluit was gericht, erdoor worden bevoordeeld. |
|
85 |
Verzoekster is dus uit materieel oogpunt een van de belangrijkste adressaten van het oorspronkelijke besluit, dat haar vrijheid van ondernemerschap aantast door haar te beletten balanceringsenergie te verkopen tegen een prijs die niet alleen de variabele kosten van haar elektriciteitscentrales dekt, maar ook de zware investeringen die zij heeft gedaan om de operationele beschikbaarheid van die centrales op de markt voor balanceringsenergie te handhaven, ondanks hun geringe kans op activering wegens hun hoge variabele incrementele kosten en dus hun positie onderaan de biedladder. |
|
86 |
Zoals in de rechtspraak is vastgesteld, vloeit de merkbare aantasting van verzoeksters marktpositie in casu voort uit een winstderving die voor haar het gevolg is van het oorspronkelijke besluit, ongeacht de mogelijkheid dat andere concurrenten op soortgelijke wijze als zijzelf worden geraakt. Dienaangaande beroept verzoekster zich met name op de situatie van twee door haar in Duitsland geëxploiteerde centrales, in Audorf en in Itzehoe, waarin zij zware investeringen heeft gedaan om hun werking en hun operationele beschikbaarheid op de markt voor balanceringsenergie te handhaven. Verzoekster meent bovendien dat zij als leverancier van balanceringsenergie die actief is in Duitsland, te weten in een van de schaarse regelzones die reeds zijn verbonden met de Europese platformen PICASSO en MARI, die er na een tijdrovende en kostbare procedure in is geslaagd om de prekwalificatie van haar installaties voor de levering van balanceringsenergie te verkrijgen en geen biedingen mag doen tegen prijzen die worden gerechtvaardigd door de hoge variabele incrementele kosten van de betrokken installaties en ruimschoots hoger kunnen liggen dan 15000 EUR/MWh, op bijzondere wijze door het oorspronkelijke besluit wordt geraakt. |
|
87 |
Verzoekster verwijt de raad van beroep dat hij in de bestreden beslissing is uitgegaan van het beginsel dat zij had moeten aantonen kwalitatief anders te zijn geraakt dan alle andere spelers op de markt voor balanceringsenergie. Een dergelijke voorwaarde vloeit niet voort uit de met betrekking tot de toepassing van artikel 263, vierde alinea, VWEU in de rechtspraak ontwikkelde beginselen en wordt evenmin gerechtvaardigd door het in punt 80 hierboven in herinnering gebrachte doel van de procedure voor de raad van beroep. |
|
88 |
Ten derde voert verzoekster aan dat zij door het oorspronkelijke besluit in de zin van de rechtspraak op dezelfde wijze wordt geïndividualiseerd als de TSB’s tot wie dit besluit is gericht, aangezien de procedurele waarborgen die haar door het Unierecht bij de vaststelling van dat besluit werden verleend, zijn geschonden. Vanaf het moment dat ACER in de plaats is getreden van de TSB’s van de CORE-regio door hun voorstel te wijzigen, had het namelijk ook het recht op raadpleging van artikel 10 van verordening 2017/2195 moeten eerbiedigen. In casu heeft zij, door deel te nemen aan de openbare raadpleging die het ENTSO-E krachtens dat artikel was gestart alvorens het TSB-voorstel aan ACER voor te leggen, en vervolgens aan de door ACER ingeleide raadplegingsprocedure, haar voornemen kenbaar gemaakt om in het kader van de wijziging van de litigieuze methode haar belangen en rechten te verdedigen. In het stadium van de repliek verwijt verzoekster ACER bovendien dat het haar door artikel 14, lid 6, van verordening 2019/942 gewaarborgde recht om vooraf te worden gehoord niet heeft geëerbiedigd. |
|
89 |
ACER wijst verzoeksters argumenten van de hand en concludeert tot afwijzing van het eerste middel. |
|
90 |
Vooraf zij eraan herinnerd dat de „bijzondere voorwaarden en bepalingen” in de zin van artikel 263, vijfde alinea, VWEU in die zin moeten worden uitgelegd dat zij slechts zien op de vaststelling door een instelling, een orgaan of een instantie van de Unie van louter interne voorwaarden en bepalingen, die voorafgaan aan een beroep in rechte en met name voorzien in een regeling voor de werking van een intern controlesysteem of voor het verloop van een procedure van minnelijke schikking om een geschil voor de rechterlijke instanties van de Unie te vermijden (zie in die zin beschikking van 12 september 2013, European Dynamics Luxembourg e.a./BHIM, T‑556/11, EU:T:2013:514, punt 60, en arrest van 25 oktober 2018, KF/Satcen, T‑286/15, EU:T:2018:718, punt 107). Die bijzondere voorwaarden en bepalingen moeten dus volkomen coherent blijven met de in artikel 263 VWEU vastgestelde algemene regeling aangaande de bevoegdheid van de Unierechter om kennis te nemen van de beroepen die hem zijn toegewezen [zie in die zin arresten van 4 februari 2016, Italian International Film/EACEA,T‑676/13, EU:T:2016:62, punt 27; 8 juni 2016, Monster Energy/EUIPO (Afbeelding van een vredessymbool), T‑583/15, EU:T:2016:338, punt 43, en 8 juni 2016, Monster Energy/EUIPO (GREEN BEANS), T‑585/15, niet gepubliceerd, EU:T:2016:339, punt 41]. |
|
91 |
Wanneer voor de algemene regeling van artikel 263 VWEU en voor de krachtens artikel 263, vijfde alinea, VWEU vastgestelde bijzondere voorwaarden en bepalingen dezelfde onafhankelijkheidsvereisten gelden, dienen zij derhalve in beginsel uniform te worden uitgelegd. Om te beoordelen of verzoekster overeenkomstig artikel 28, lid 1, van verordening 2019/942 individueel werd geraakt door de bestreden handeling, te weten het oorspronkelijke besluit, moet dan ook worden verwezen naar de rechtspraak met betrekking tot het tweede geval van artikel 263, vierde alinea, VWEU in de versie van het Verdrag van Lissabon. |
|
92 |
Wat de voorwaarde van individuele geraaktheid in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU betreft, zij eraan herinnerd dat een natuurlijke of rechtspersoon die niet de adressaat van een handeling is, slechts kan stellen door die handeling individueel te worden geraakt, indien deze handeling hem betreft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie, welke hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hem derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat (arrest van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie,25/62, EU:C:1963:17, blz. 232). |
|
93 |
Bovendien volgt uit de rechtspraak betreffende artikel 263, vierde alinea, VWEU een beginsel dat het aan de verzoeker, een natuurlijke of rechtspersoon die niet de adressaat is van de door hem bestreden handeling, staat om tot staving van zijn beroep de bijzondere hoedanigheden of de feitelijke situatie die hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hem individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat, aan te voeren en aan te tonen (zie in die zin beschikkingen van 28 september 2011, UCAPT/Raad, T‑96/09, niet gepubliceerd, EU:T:2011:542, punt 47, en 6 mei 2020, Sabo e.a./Parlement en Raad, T‑141/19, niet gepubliceerd, EU:T:2020:179, punt 32). In die zin wordt er in artikel 15, lid 1, onder d), van het reglement voor de procesvoering van de raad van beroep op gewezen dat het aan de verzoeker staat om aan te tonen dat hij overeenkomstig artikel 28, lid 1, van verordening 2019/942 rechtstreeks en individueel door het besluit van ACER wordt geraakt. |
|
94 |
Zoals blijkt uit het overzicht van verzoeksters argumenten in punt 45 van de bestreden beslissing, dat zij in het kader van het onderhavige beroep niet ter discussie stelt, gelezen in samenhang met de punten 99 tot en met 110 van haar schriftelijke uiteenzetting van de gronden van het beroep bij de raad van beroep van 28 april 2022, heeft verzoekster in casu voor de raad van beroep aangevoerd dat zij door het oorspronkelijke besluit individueel werd geraakt doordat dit besluit haar mededingingspositie op de Duitse markt voor balanceringsenergie, waarop zij een van de grootste actieve leveranciers was, merkbaar aantastte. Zij verdedigt actief haar belangen op die markt en heeft met name deelgenomen aan de raadplegingsprocedure over het TSB-voorstel en geantwoord op de vragen van ACER. Zij wordt door het oorspronkelijke besluit in het bijzonder geraakt doordat verschillende van haar installaties waarvoor de prekwalificatie is verkregen, hoge variabele incrementele kosten met zich brengen. Dit besluit heeft gevolgen voor een vooraf bepaalde groep marktdeelnemers, waarvan zij deel uitmaakt, bestaande uit de leveranciers van balanceringsenergie die erin zijn geslaagd de prekwalificatie van installaties voor de levering van balanceringsenergie te verkrijgen of waarvan er momenteel installaties een prekwalificatieproces ondergaan |
|
95 |
In de punten 46 tot en met 50 van de bestreden beslissing heeft de raad van beroep de aldus door verzoekster aangevoerde „hoedanigheden” of „feitelijke situaties” onderzocht en vastgesteld dat deze niet volstonden om haar te individualiseren in de zin van de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie (25/62, EU:C:1963:17, blz. 232). |
|
96 |
In het kader van het onderhavige beroep verwijt verzoekster de raad van beroep in wezen dat hij bij de bestreden beslissing niet heeft vastgesteld dat zij door het oorspronkelijke besluit individueel werd geraakt uit hoofde van bijzondere hoedanigheden die haar karakteriseerden ten opzichte van ieder ander. |
|
97 |
Ten eerste beroept verzoekster zich op het feit dat zij actief heeft deelgenomen aan de openbare raadpleging die het ENTSO-E krachtens artikel 10 van verordening 2017/2195 was gestart alvorens het TSB-voorstel aan ACER voor te leggen, met name door haar advies van 30 juli in te dienen, alsook aan de openbare raadpleging die ACER over dat voorstel heeft gehouden, met name door haar opmerkingen van 10 november 2021 in te dienen, en op het feit dat de TSB’s en uiteindelijk ACER op grond van artikel 10, lid 6, van verordening 2017/2195 haar advies van 30 juli 2021 hadden moeten volgen of in hun voorstel de precieze redenen hadden moeten uiteenzetten waarom zij daarvan afweken. |
|
98 |
Ten tweede voert verzoekster aan dat het oorspronkelijke besluit haar mededingingspositie op de Duitse markt voor de levering van balanceringsenergie merkbaar aantast. Het oorspronkelijke besluit vormt een ingreep in de werking van die markt, doordat het de vrije prijsvorming verhindert, de ruimte voor prijsconcurrentie beperkt en eraan in de weg staat dat de weinige leveranciers van balanceringsenergie die actief zijn in een van de schaarse regelzones welke reeds zijn verbonden met de Europese platformen PICASSO en MARI, en die de prekwalificatie hebben verkregen voor installaties die hoge variabele incrementele kosten met zich brengen, waarin die leveranciers zwaar hadden geïnvesteerd en waarvan de opportuniteitskost vanwege de positie ervan onderaan de biedladder dan ook hoog was, hun kosten kunnen terugverdienen. |
|
99 |
Ten derde voert verzoekster aan dat de haar door het Unierecht in het kader van de vaststelling van het oorspronkelijke besluit verleende procedurele waarborgen in de zin van de rechtspraak zijn geschonden, doordat ACER haar recht uit hoofde van artikel 10, lid 1, van verordening 2017/2195 om te worden geraadpleegd niet heeft geëerbiedigd, en evenmin haar door artikel 14, lid 6, van verordening 2019/942 gewaarborgde recht om vooraf te worden gehoord. |
|
100 |
ACER steunt in zijn schriftelijke stukken het standpunt van de raad van beroep dat de door verzoekster voor het Gerecht aangevoerde „hoedanigheden” of „feitelijke situaties” niet volstaan om haar te individualiseren in de zin van de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie (25/62, EU:C:1963:17, blz. 232) (zie punt 95 hierboven). |
|
101 |
Wat de door verzoekster voor de raad van beroep aangevoerde en door die raad in de bestreden beslissing onderzochte „hoedanigheden” of „feitelijke situaties” betreft – namelijk het feit dat zij actief was op de Duitse markt voor balanceringsenergie en dat zij een van de grootste leveranciers op die markt was –, waarop zij vervolgens in het kader van het onderhavige beroep is ingegaan met het betoog dat haar positie op die markt door het oorspronkelijke besluit merkbaar werd aangetast (zie de punten 84‑87 en de punten 94 en 98 hierboven), verwijst zij naar de rechtspraak van de Unierechter inzake staatssteun en concentraties. |
|
102 |
Dienaangaande moet inderdaad worden opgemerkt dat volgens de rechtspraak met name is erkend dat een besluit van de Commissie tot beëindiging van een formele onderzoeksprocedure inzake staatssteun niet alleen de begunstigde onderneming van de in het litigieuze besluit bedoelde steunmaatregel individueel raakt, maar ook de hiermee concurrerende ondernemingen die in het kader van die procedure een actieve rol hebben gespeeld, voor zover die steunmaatregel hun marktpositie merkbaar aantast (zie arrest van 2 september 2021, Ja zum Nürburgring/CommissieC‑647/19 P, EU:C:2021:666, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Een onderneming kan zich dus niet enkel op de hoedanigheid van concurrent van de begunstigde onderneming van de steunmaatregel beroepen, maar moet bovendien aantonen dat zij in een feitelijke situatie verkeert die haar op soortgelijke wijze individualiseert als de adressaat (arrest van 22 december 2008, British Aggregates/Commissie,C‑487/06 P, EU:C:2008:757, punt 48). |
|
103 |
Voorts blijkt uit de rechtspraak inzake concentraties dat wanneer in een besluit wordt vastgesteld dat een concentratie verenigbaar is met de interne markt, bij het onderzoek of een derde onderneming individueel wordt geraakt, moet worden nagegaan of zij aan de administratieve procedure heeft deelgenomen en of haar marktpositie is aangetast. Ter erkenning in die context van de aantasting van de marktpositie van de verzoeker houdt de Unierechter hetzij rekening met diens positie als een van de belangrijkste concurrenten van de fuserende partijen, te weten de begunstigden van het besluit waarbij de concentratie is goedgekeurd (zie in die zin arresten van 4 juli 2006, easyJet/Commissie,T‑177/04, EU:T:2006:187, punt 37; 20 december 2023, Mainova/Commissie, T‑64/21, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2023:843, punt 85, en 20 december 2023, enercity/Commissie, T‑65/21, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2023:844, punt 83), hetzij met het feit dat de verzoeker weliswaar slechts een gewone concurrent van de fuserende partijen is, maar dat de concentratie een specifiek vastgestelde potentiële weerslag heeft op zijn economische situatie, zoals de ontwaarding van aanzienlijke op de vooraf bestaande marktstructuur gebaseerde langetermijninvesteringen (zie in die zin arresten van 17 mei 2023, EVH/Commissie, T‑312/20, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2023:252, punten 42 en 46; TEAG/Commissie, T‑315/20, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2023:259, punten 42 en 46, en GGEW/Commissie, T‑319/20, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2023:263, punten 42 en 46), hetzij met het feit dat de verzoeker in het geval van oligopolistische markten een potentiële concurrent van de fuserende partijen is, hetzij, in bepaalde omstandigheden, met het feit dat hij actief is op aangrenzende markten die zich lager of hoger in de bedrijfskolom bevinden dan die waarop een onderneming met een monopoliepositie actief is, die haar positie door de concentratie versterkt (zie in die zin arrest van 30 september 2003, ARD/Commissie,T‑158/00, EU:T:2003:246, punt 78). |
|
104 |
De in de punten 102 en 103 hierboven aangehaalde rechtspraak berust er evenwel – minstens gedeeltelijk – op dat er op de markt waarop het litigieuze besluit betrekking heeft, een daadwerkelijke of potentiële concurrentieverhouding bestaat tussen de begunstigden van het litigieuze besluit en de verzoeker, wiens positie op die markt of aangrenzende markten lager of hoger in de bedrijfskolom op een specifiek vastgestelde wijze door dat besluit negatief wordt beïnvloed en, in voorkomend geval, merkbaar wordt aangetast. |
|
105 |
In casu stelt verzoekster niet, en toont zij a fortiori niet aan, dat sommige van haar concurrenten op de Duitse markt voor balanceringsenergie waarop zij actief is en waarop het oorspronkelijke besluit betrekking heeft, op die markt voordeel halen uit dat besluit. Integendeel, uit haar betoog blijkt dat zij enkel gewag maakt van een algemene weerslag van het oorspronkelijke besluit op de Duitse markt voor balanceringsenergie, welke nadelig is voor alle leveranciers van balanceringsenergie die, zoals zij, op die markt alsook op de Tsjechische en de Oostenrijkse markt actief zijn. |
|
106 |
Gesteld al dat verzoekster als een van de grootste leveranciers op de Duitse markt voor balanceringsenergie economisch harder wordt geraakt dan sommige van haar concurrenten op die markt, volstaat dat niet om haar te individualiseren in de zin van de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie (25/62, EU:C:1963:17, blz. 232). Het is immers vaste rechtspraak dat het feit dat bepaalde marktdeelnemers door een handeling economisch sterker worden getroffen dan hun concurrenten, niet volstaat om hen als door die handeling individueel geraakt te beschouwen. Zelfs in de veronderstelling dat een besluit een specifieke weerslag heeft op de economische situatie van de verzoeker, volstaat die omstandigheid dus niet om hem ten opzichte van ieder ander te karakteriseren (beschikkingen van 2 april 2004, Gonnelli en AIFO/Commissie, T‑231/02, EU:T:2004:105, punt 45; 12 maart 2007, Confcooperative, Unione regionale della Cooperazione Friuli-Venezia Giulia Federagricole e.a./Commissie, T‑418/04, niet gepubliceerd, EU:T:2007:83, punt 57, en 13 november 2008, Lemaître Sécurité/Commissie, T‑301/06, niet gepubliceerd, EU:T:2008:495, punt 24). |
|
107 |
Bovendien kan de omstandigheid dat het oorspronkelijke besluit een relatief beperkt en stabiel aantal leveranciers van balanceringsenergie raakt die, zoals verzoekster, erin waren geslaagd om de prekwalificatie van installaties voor de levering van balanceringsenergie te verkrijgen en die actief waren op de Duitse markt voor balanceringsenergie, alsook op de Tsjechische en de Oostenrijkse markt, evenmin volstaan om laatstgenoemde te individualiseren in de zin van de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie (25/62, EU:C:1963:17, blz. 232). Uit vaste rechtspraak volgt immers ook dat de omstandigheid dat het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten op wie een maatregel van toepassing is, meer of minder nauwkeurig kan worden bepaald, niet impliceert dat deze subjecten moeten worden geacht individueel door deze maatregel te worden geraakt, wanneer deze toepasselijkheid wordt bepaald op grond van een door de betrokken handeling omschreven objectieve feitelijke of rechtssituatie (zie arrest van 18 oktober 2018, Internacional de Productos Metálicos/Commissie,C‑145/17 P, EU:C:2018:839, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak; beschikkingen van 19 september 2022, TDK Foil Italy/Commissie, T‑788/21, niet gepubliceerd, EU:T:2022:581, punt 18, en 7 december 2022, Sunrise Medical en Sunrise Medical Logistics/Commissie, T‑721/21, niet gepubliceerd, EU:T:2022:791, punt 53). Zoals de raad van beroep in punt 50 van de bestreden beslissing in wezen heeft opgemerkt, raakt het oorspronkelijke besluit in casu alle leveranciers van balanceringsenergie op dezelfde wijze, aangezien het geldt voor alle marktdeelnemers die op de Europese platformen PICASSO en MARI balanceringsenergie wensen uit te wisselen in Duitsland, maar ook in Tsjechië en Oostenrijk. |
|
108 |
Bovendien stelt verzoekster niet, en toont zij a fortiori niet aan, dat zij in een daadwerkelijke of potentiële concurrentieverhouding staat tot de adressaten en volgens haar de werkelijke begunstigden van het oorspronkelijke besluit op de Duitse markt voor balanceringsenergie, te weten de TSB’s die door dat besluit worden geraakt. |
|
109 |
Wat ten slotte de investeringen betreft die verzoekster heeft gedaan in twee door haar in Duitsland geëxploiteerde centrales, in Audorf en in Itzehoe, teneinde hun werking en hun operationele beschikbaarheid op de markt voor balanceringsenergie te handhaven (zie punt 86 hierboven), blijkt uit de rechtspraak inderdaad dat de Unierechter met de ontwaarding van aanzienlijke op de vooraf bestaande marktstructuur gebaseerde langetermijninvesteringen reeds rekening heeft gehouden om na te gaan of een verzoeker door een besluit individueel werd geraakt (arresten van 17 mei 2023, EVH/Commissie, T‑312/20, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2023:252, punten 42 en 46; TEAG/Commissie, T‑315/20, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2023:259, punten 42 en 46, en GGEW/Commissie, T‑319/20, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2023:263, punten 42 en 46). In casu heeft verzoekster echter, gesteld al dat de door haar genoemde concrete investeringen door het oorspronkelijke besluit „minder waard” zijn geworden doordat dat besluit de afschrijving ervan heeft beïnvloed, onvoldoende gegevens verstrekt om te besluiten dat daardoor haar mededingingspositie op de markt voor balanceringsenergie merkbaar is aangetast. Verzoekster heeft met name geen gegevens verstrekt aan de hand waarvan het relatieve belang van de twee betrokken centrales in haar totale productie, in termen van waarde of volume, van balanceringsenergie in Duitsland kan worden beoordeeld. |
|
110 |
In die omstandigheden kan verzoekster, die niet heeft aangetoond dat zij in een daadwerkelijke of potentiële concurrentieverhouding staat tot de begunstigden van het oorspronkelijke besluit op de Duitse markt voor balanceringsenergie waarop zij actief is en waarop het oorspronkelijke besluit betrekking heeft, zich niet met succes beroepen op de in de punten 102 en 103 hierboven aangehaalde rechtspraak om te stellen, zoals zij in casu doet, dat haar positie op die markt door dat besluit merkbaar is aangetast. |
|
111 |
Wat de door verzoekster voor de raad van beroep aangevoerde „hoedanigheden” of „feitelijke situaties” betreft, namelijk het feit dat zij actief was op de Duitse markt voor balanceringsenergie en dat zij een van de grootste leveranciers op die markt was, waarop zij vervolgens in het kader van het onderhavige beroep is ingegaan met het betoog dat haar positie op die markt door het oorspronkelijke besluit merkbaar werd aangetast in de zin van de in de punten 102 en 103 hierboven aangehaalde rechtspraak, moet dus worden vastgesteld dat de raad van beroep in de punten 46 tot en met 50 van de bestreden beslissing terecht heeft geoordeeld dat deze „hoedanigheden” of „feitelijke situaties” op zich niet van dien aard waren dat zij verzoekster konden individualiseren in de zin van de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie (25/62, EU:C:1963:17, blz. 232). |
|
112 |
Wat de „hoedanigheden” of „feitelijke situaties” betreft waarvan in de bestreden beslissing niet is aangegeven dat verzoekster ze voor de raad van beroep heeft aangevoerd en die in die beslissing door de raad dus niet zijn onderzocht, maar in het kader van het onderhavige beroep door verzoekster zijn aangevoerd (zie punten 83, 88, 97 en 99 hierboven), heeft het Gerecht partijen in het kader van een maatregel tot organisatie van de procesgang verzocht om een standpunt in te nemen over de ontvankelijkheid ervan. |
|
113 |
Dienaangaande heeft verzoekster aangevoerd dat zij zich in punt 134 van de schriftelijke uiteenzetting van de gronden van het beroep en in de punten 31 en volgende van haar memorie van 22 augustus 2022 in antwoord op een vraag van de raad van beroep heeft aangevoerd dat haar recht om te worden geraadpleegd krachtens artikel 10, lid 6, van verordening 2017/2195 was geschonden in het kader van de administratieve procedure die tot de vaststelling van het oorspronkelijke besluit heeft geleid. Met haar beroep nadien op schending van het door artikel 14, lid 6, van verordening 2019/942 gewaarborgde recht om te worden gehoord, werkt verzoekster slechts argumenten nader uit die zij reeds voor de raad van beroep heeft uiteengezet. |
|
114 |
ACER was met betrekking tot verzoeksters individuele geraaktheid van mening dat zij zich in de punten 94 tot en met 101 van haar schriftelijke uiteenzetting van de gronden van het beroep met betrekking tot die kwestie hoofdzakelijk had gebaseerd op de omstandigheid dat zij een van de grootste actieve leveranciers was op de Duitse markt voor balanceringsenergie en dat zij niet nadien, en dus tardief, andere „hoedanigheden” of „feitelijke situaties” mocht aanvoeren die haar konden individualiseren in de zin van de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie (25/62, EU:C:1963:17, blz. 232). |
|
115 |
Dienaangaande moet worden vastgesteld dat het Gerecht bij de beoordeling van de wettigheid van de beslissing waartegen wordt opgekomen geen rekening mag houden met „hoedanigheden” of „feitelijke situaties” die de verzoeker voor de raad van beroep niet heeft aangevoerd of aangetoond. Krachtens artikel 29 van verordening 2019/942 juncto artikel 263 VWEU moet het Gerecht immers de wettigheid van de beslissing van de raad van beroep toetsen door na te gaan of deze het Unierecht heeft nageleefd, gelet met name op de feitelijke gegevens die voor deze raad zijn aangevoerd, doch het kan bij deze toetsing geen rekening houden met feitelijke gegevens die voor het eerst voor het Gerecht zijn aangevoerd of overgelegd (zie in die zin en naar analogie arresten van 13 maart 2007, BHIM/Kaul, C‑29/05 P, EU:C:2007:162, punt 54, en 15 april 2010, Schräder/CBP, C‑38/09 P, EU:C:2010:196, punt 76). |
|
116 |
Bovendien volgt uit de regels inzake het procesverloop bij de rechterlijke instanties van de Unie, en met name uit artikel 21 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie alsook uit artikel 76 en artikel 84, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, dat de partijen in beginsel het geding bepalen en afbakenen en dat de Unierechter niet ultra petita mag beslissen (zie arrest van 17 september 2020, Alfamicro/Commissie, C‑623/19 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:734, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en arrest van 22 december 2022, Parlement/Moi, C‑246/21 P, niet gepubliceerd, EU:C:2022:1026, punt 55). Voorts moet het inleidend verzoekschrift voor een rechtstreeks beroep bij de rechterlijke instanties van de Unie overeenkomstig artikel 21, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, artikel 120, onder c) en d), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof en artikel 76, eerste alinea, onder d) en e), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht onder meer het onderwerp van het geschil, een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen en de conclusies van de verzoekende partij bevatten. |
|
117 |
In casu heeft verzoekster zich voor haar stelling dat zij individueel werd geraakt door het oorspronkelijke besluit – dat heeft geleid tot een tijdelijke blokkering van de prijs voor de verkoop van balanceringsenergie aan de TSB’s –, in de punten 94 tot en met 101 van haar schriftelijke uiteenzetting van de gronden van het beroep voornamelijk gebaseerd op de specifieke omstandigheid dat zij een van de grootste actieve leveranciers op de Duitse markt voor die energie was. |
|
118 |
Overeenkomstig de rechtspraak en de bewoordingen van artikel 15, lid 1, onder d), van het reglement voor de procesvoering van de raad van beroep, waarnaar wordt verwezen in punt 93 hierboven, was die raad evenwel gerechtigd in de bestreden beslissing uitsluitend rekening te houden met de specifieke omstandigheid die verzoekster bij die raad naar behoren had aangevoerd ter rechtvaardiging van haar individualisering in de zin van de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie (25/62, EU:C:1963:17, blz. 232), zonder te hoeven onderzoeken of uit de uiteenzetting van de gronden van het beroep, de bijlagen daarbij, de aanvullende opmerkingen of, meer in het algemeen, het dossier van de zaak andere „hoedanigheden” of andere „feitelijke situaties” konden worden afgeleid die haar hadden kunnen individualiseren. |
|
119 |
Gesteld al dat de raad van beroep in de bestreden beslissing ten onrechte geen rekening zou hebben gehouden met alle door verzoekster bij hem aangevoerde „hoedanigheden” of „feitelijke situaties”, had verzoekster dit moeten aanklagen door een middel in die zin aan te voeren dat voldeed aan de in artikel 76, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht gestelde voorwaarden van duidelijkheid en nauwkeurigheid (zie punt 116 hierboven). |
|
120 |
Het verzuim om te beslissen op een vordering kan immers leiden tot – op zijn minst gedeeltelijke – vernietiging van een beslissing van een kamer van beroep die onafhankelijk is van een van de in artikel 58 bis van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie genoemde organen of instanties van de Unie [zie in die zin en naar analogie arrest van 8 juni 2016, Monster Energy/EUIPO (GREEN BEANS), T‑585/15, niet gepubliceerd, EU:T:2016:339, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. |
|
121 |
Ofschoon verzoekster in de punten 89 tot en met 92 en 117 tot en met 120 van het verzoekschrift als omstandigheden die haar kunnen individualiseren in de zin van de uit het arrest van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie (25/62, EU:C:1963:17, blz. 232), voortvloeiende rechtspraak aanvoert dat zij actief heeft deelgenomen aan de administratieve procedure die voorafging aan de vaststelling van het oorspronkelijke besluit en dat haar recht uit hoofde van artikel 10, lid 1, van verordening 2017/2195 om vóór de vaststelling van dat besluit te worden geraadpleegd is geschonden, heeft zij dienaangaande niet duidelijk en nauwkeurig als middel tot nietigverklaring van de bestreden beslissing aangevoerd dat de raad van beroep bij die beslissing ten onrechte had verzuimd uitspraak te doen over die „hoedanigheden” of „feitelijke situaties” die zij naar behoren bij hem zou hebben aangevoerd. |
|
122 |
Derhalve kan verzoekster zich in het kader van het onderhavige beroep niet beroepen op „hoedanigheden” of „feitelijke situaties” waarvan in de bestreden beslissing niet is aangegeven dat verzoekster deze voor de raad van beroep heeft aangevoerd en die in die beslissing door de raad dus niet zijn onderzocht (zie de punten 83, 88, 97 en 99 hierboven). |
|
123 |
Het eerste middel moet bijgevolg ongegrond worden verklaard, zodat de primaire vordering tot nietigverklaring van de bestreden beslissing, die dus elke grondslag mist, zelf ongegrond moet worden verklaard. Derhalve moet thans de subsidiaire vordering worden onderzocht. |
Subsidiaire vordering: nietigverklaring van het oorspronkelijke besluit
|
124 |
Ter ondersteuning van haar subsidiaire vordering voert verzoekster zes middelen aan, die in wezen zijn ontleend aan, ten eerste, onbevoegdheid van ACER om een oorspronkelijk besluit vast te stellen dat afwijkt van het TSB-voorstel, ten tweede, niet-nakoming door ACER van de in artikel 10 van verordening 2017/2195 neergelegde verplichting om alvorens een nieuwe methode vast te stellen de belanghebbenden op de markt te raadplegen, ten derde, het ontbreken van een rechtsgrondslag voor de vaststelling van het oorspronkelijke besluit, ten vierde, een ontoereikende motivering, ten vijfde, schending van de doelstellingen van verordening 2017/2195 en, ten zesde, schending van het evenredigheidsbeginsel. |
|
125 |
ACER voert aan dat de op 17 februari 2023 ingestelde subsidiaire vordering kennelijk niet-ontvankelijk is wegens niet-inachtneming van de in artikel 263, zesde alinea, VWEU juncto artikel 60 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht gestelde termijn van twee maanden en tien dagen voor het instellen van beroep tegen het oorspronkelijke besluit, die uiterlijk is ingegaan op de datum waarop verzoekster haar beroep bij de raad van beroep heeft ingesteld, te weten 28 april 2022. Verzoekster kan zich niet met succes beroepen op een verschoonbare dwaling, aangezien de in het oorspronkelijke besluit opgenomen informatie over de rechtsmiddelen uitdrukkelijk tot de adressaten van dat besluit was gericht en de bewoordingen van artikel 29 van verordening 2019/942 aldus moesten worden uitgelegd dat die bepaling geen afbreuk deed aan verzoeksters recht uit hoofde van artikel 263, vierde alinea, VWEU in de versie van het Verdrag van Lissabon om rechtstreeks bij het Gerecht beroep tot nietigverklaring van dat besluit in te stellen. Hoe dan ook moet de subsidiaire vordering ongegrond worden verklaard. |
|
126 |
Verzoekster is van mening dat de subsidiaire vordering voldoet aan de voorwaarden voor ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring van een besluit van een orgaan van de Unie, namelijk ACER, dat is ingesteld op grond van artikel 263, vierde alinea, VWEU. Volgens haar is dit beroep niet afhankelijk van de uitputting van de rechtsmiddelen overeenkomstig artikel 263, vijfde alinea, VWEU en artikel 29 van verordening 2019/942, aangezien het primaire recht vereist dat zij rechtstreeks beroep kan instellen. Voorts betoogt verzoekster dat ook het verstrijken van de termijn van twee maanden vanaf de bekendmaking van het oorspronkelijke besluit op 28 februari 2022 niet tot de niet-ontvankelijkheid van de subsidiaire vordering kan leiden, aangezien zij, gelet op de kwalificatie van het oorspronkelijke besluit als een individuele beslissing in de zin van overweging 34, artikel 2, onder d), en de artikelen 28 en 29 van verordening 2019/942, de rechtspraak, de informatie over de rechtsmiddelen in het oorspronkelijke besluit, de leemte in de rechterlijke bescherming en de daaruit voortvloeiende mogelijke conflicten, niet kon verwachten dat zij tegen laatstgenoemd besluit rechtstreeks beroep moest instellen, zonder voorafgaand, vanwege een gesteld gebrek aan procesbevoegdheid, een beslissing van de raad van beroep te hebben kunnen verkrijgen. Volgens de rechtspraak staat de niet-inachtneming van de beroepstermijn niet in de weg aan de ontvankelijkheid van een beroep wanneer dit het gevolg is van een verschoonbare rechtsdwaling van de verzoeker, die door de auteur van de handeling is misleid. |
|
127 |
Wat het door ACER ter verweer aangevoerde middel van niet-ontvankelijkheid van de subsidiaire vordering betreft, moet om te beginnen worden opgemerkt dat, zoals blijkt uit punt 47 hierboven, verzoekster in casu rechtstreeks bij de Unierechter beroep tot nietigverklaring van het oorspronkelijke besluit kon instellen op grondslag van artikel 263, vierde alinea, VWEU in de versie van het Verdrag van Lissabon. |
|
128 |
Uit artikel 263, zesde alinea, VWEU volgt bovendien dat beroepen tot nietigverklaring moeten worden ingesteld binnen twee maanden, te rekenen – al naargelang van het geval – vanaf de dag van bekendmaking van de handeling, vanaf de dag van kennisgeving aan de verzoeker of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag waarop de verzoeker van de handeling kennis heeft gekregen. |
|
129 |
Slechts in hoogst uitzonderlijke gevallen van toeval of overmacht in de zin van artikel 45, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan worden afgeweken van de regeling van de Unie inzake de proceduretermijnen, aangezien een strikte toepassing van deze regels vereist is ter wille van de rechtszekerheid en de noodzaak om elke discriminatie of willekeurige behandeling bij de rechtsbedeling te vermijden (zie arrest van 14 december 2016, SV Capital/EBA, C‑577/15 P, EU:C:2016:947, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
130 |
Uit de rechtspraak blijkt ook dat in het kader van de regeling van de Unie inzake de beroepstermijnen van „verschoonbare dwaling” als grond voor afwijking van die termijnen slechts sprake kan zijn in uitzonderlijke omstandigheden waarin met name de betrokken instelling zich op zodanige wijze heeft gedragen dat dit gedrag, op zichzelf of in doorslaggevende mate, bij een justitiabele te goeder trouw die alle zorgvuldigheid aan de dag heeft gelegd die van een marktdeelnemer met normale kennis van zaken mag worden verwacht, een begrijpelijke verwarring kon veroorzaken (zie arrest van 14 december 2016, SV Capital/EBA, C‑577/15 P, EU:C:2016:947, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
131 |
In casu is het oorspronkelijke besluit op 28 februari 2022 bekendgemaakt op de website van ACER en heeft verzoekster de zaak op 28 april 2022 bij de raad van beroep aanhangig gemaakt. Gesteld al dat verzoekster kennis heeft genomen van het oorspronkelijke besluit op de dag zelf waarop zij de zaak bij de raad van beroep aanhangig heeft gemaakt, moet bij toepassing van de regels voor de berekening van de termijnen van de artikelen 58 en 60 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, die overeenkomen met de artikelen 49 en 51 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, worden vastgesteld dat verzoekster op de datum waarop het onderhavige beroep is ingesteld, te weten 17 februari 2023, niet meer tegen dat besluit kon opkomen. |
|
132 |
Bovendien kan verzoekster zich in de omstandigheden van het onderhavige geval niet beroepen op een verschoonbare dwaling in de zin van de in punt 130 hierboven aangehaalde rechtspraak. |
|
133 |
Ten eerste heeft ACER verzoekster namelijk geen nauwkeurige toezegging gedaan over de bevoegdheid van de raad van beroep om kennis te nemen van een door haar tegen het oorspronkelijke besluit ingesteld beroep, aangezien de informatie over de rechtsmiddelen aan het einde van het oorspronkelijke besluit uitdrukkelijk was bedoeld voor de „adressaten” van dat besluit, te weten de TSB’s van de CORE-regio, ten aanzien van wie die informatie trouwens juist was (zie punt 47 hierboven). Het oorspronkelijke besluit bevatte daarentegen geen enkele informatie over de rechtsmiddelen die beschikbaar waren voor andere natuurlijke of rechtspersonen dan die adressaten. Die informatie kan dus niet worden aangemerkt als gedrag van ACER dat bij verzoekster een begrijpelijke verwarring kon veroorzaken over de bevoegdheid van de raad van beroep om kennis te nemen van een door haar tegen het oorspronkelijke besluit ingesteld beroep. |
|
134 |
Ten tweede houdt een uitlegging van de bewoordingen van artikel 29 van verordening 2019/942 in overeenstemming met het primaire Unierecht in dat dit artikel niet kan worden geacht eraan in de weg te staan dat natuurlijke of rechtspersonen die, zoals verzoekster, rechtstreeks maar niet individueel worden geraakt door een handeling van algemene strekking van ACER die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengt, rechtstreeks bij de Unierechter beroep tot nietigverklaring van die handeling kunnen instellen op grondslag van artikel 263, vierde alinea, VWEU, in de versie van het Verdrag van Lissabon. In punt 165 van het verzoekschrift heeft verzoekster trouwens zelf aangevoerd dat in het kader van het onderhavige beroep „[t]egen een regelgevingshandeling […] rechterlijke bescherming aan haar [moest] worden toegekend op grond van artikel 263, vierde alinea, [derde onderdeel], VWEU, aangezien „[d]ie voorziening in rechte […] in artikel 263, vierde alinea, [derde onderdeel], VWEU uitdrukkelijk [is] opgenomen”. |
|
135 |
In casu kan verzoekster zich dus niet met succes beroepen op rechtspraak die is gebaseerd op de algemene formulering van bepaalde teksten betreffende rechtsmiddelen of op bestaande gewoonten om een verschoonbare dwaling vast te stellen met betrekking tot de te late instelling van een beroep bij de Unierechter na uitputting van een intern rechtsmiddel dat volgens de rechtspraak in dat specifieke geval niet van toepassing was (zie in die zin arresten van 14 juni 1972, Marcato/Commissie,44/71, EU:C:1972:53, punten 5‑9, en 5 april 1979, Orlandi/Commissie,117/78, EU:C:1979:109, punten 9‑11). |
|
136 |
Hieruit volgt dat verzoekster zich niet kan beroepen op een verschoonbare dwaling op grond waarvan zij in casu had mogen afwijken van de verplichting om de gestelde beroepstermijn in acht te nemen. |
|
137 |
Bijgevolg moet ook de subsidiaire vordering tot nietigverklaring van het oorspronkelijke besluit niet-ontvankelijk worden verklaard, zodat het beroep in zijn geheel moet worden verworpen. |
Kosten
|
138 |
Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. |
|
139 |
Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van ACER te worden verwezen in de kosten. |
|
HET GERECHT (Derde kamer – uitgebreid), rechtdoende, verklaart: |
|
|
|
Van der Woude Škvařilová-Pelzl Nõmm Steinfatt Kukovec Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 25 juni 2025. ondertekeningen |
Inhoud
|
Voorgeschiedenis van het geding |
|
|
Conclusies van partijen |
|
|
In rechte |
|
|
Primaire vordering: nietigverklaring van de bestreden beslissing |
|
|
Tweede middel: de uitlegging van artikel 28, lid 1, van verordening 2019/942 doet afbreuk aan de nuttige werking van de procedure voor de raad van beroep en maakt die bepaling strijdig met het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming, zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest, en met het beginsel van gelijkheid voor de wet, zoals gewaarborgd door artikel 20 van het Handvest |
|
|
Eerste middel: schending van artikel 28, lid 1, van verordening 2019/942 |
|
|
Subsidiaire vordering: nietigverklaring van het oorspronkelijke besluit |
|
|
Kosten |
( *1 ) Procestaal: Duits.