Beschikking van het Hof (Zevende kamer) van 30 mei 2024 –
Deutsche Bank Polska

(Zaak C‑325/23)

„Prejudiciële verwijzing – Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof – Richtlijn 93/13/EEG – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Hypotheeklening in vreemde valuta met oneerlijke bedingen betreffende het wisselkoersrisico en de wisselkoersspread – Artikel 3, leden 1 en 2 – Bedingen waarover niet afzonderlijk is onderhandeld – Artikel 4 – Beoordeling van het oneerlijke karakter van contractuele bedingen – Vereiste dat een contractueel beding duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd – Artikel 6 – Gevolgen van de vaststelling dat een beding oneerlijk is”

1. 

Consumentenbescherming – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Richtlijn 93/13 – Oneerlijk beding in de zin van artikel 3 – Beding waarover niet afzonderlijk is onderhandeld – Begrip – Beding in een leningsovereenkomst in vreemde valuta dat de bank in staat stelt het uiteindelijke bedrag van de lening eenzijdig vast te stellen – Daaronder begrepen – Voorwaarden

(Richtlijn 93/13 van de Raad, art. 3, lid 1, en art. 2)

(zie punten 38‑40, dictum 1)

2. 

Consumentenbescherming – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Richtlijn 93/13 – Toepassingsgebied – Bedingen die het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst bepalen of die betrekking hebben op de prijs of de vergoeding en op de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten – Begrip – Beding dat is opgenomen in een leningsovereenkomst in vreemde valuta krachtens hetwelk de consument het wisselkoersrisico draagt en het aan de wisselkoersspread verbonden voordeel aan de bank wordt toegekend – Daaronder begrepen – Voorwaarden – Verplichting om te voldoen aan de vereisten van begrijpelijkheid en transparantie – Geen informatie over de opneming van de wisselkoersspread – Niet-inachtneming – Daarvan uitgesloten – Verstrekking van informatie over de overdracht van het wisselkoersrisico – Geen invloed

(Richtlijn 93/13 van de Raad, art. 4, lid 2)

(zie punten 53‑65, dictum 2)

3. 

Consumentenbescherming – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Richtlijn 93/13 – Oneerlijk beding in de zin van artikel 3 – Beding dat is opgenomen in een leningsovereenkomst in vreemde valuta krachtens hetwelk de consument het wisselkoersrisico draagt en het aan de wisselkoersspread verbonden voordeel aan de bank wordt toegekend – Bestaan van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen – Beoordelingscriteria – Toekenning aan de bank van het aan de wisselkoersspread verbonden voordeel – Daaronder begrepen – Overdracht aan de consument van het wisselkoersrisico – Geen invloed

(Richtlijn 93/13 van de Raad, art. 3, lid 1)

(zie punten 69‑77, dictum 3)

4. 

Consumentenbescherming – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Richtlijn 93/13 – Vaststelling dat een beding oneerlijk is – Omvang – Leningsovereenkomst in vreemde valuta – Overeenkomst die als gevolg van de schrapping van de oneerlijke bedingen niet kan voortbestaan – Beoordeling door de nationale rechter – Beoordelingscriteria – Vaststelling dat het beding tot vaststelling van het uiteindelijke bedrag van de lening oneerlijk is – Nietigverklaring van de overeenkomst – Toelaatbaarheid – Niet-oneerlijk karakter van andere contractuele bedingen – Geen invloed

(Richtlijn 93/13 van de Raad, art. 6, lid 1)

(zie punten 81‑87, dictum 4)

Dictum

1) 

Artikel 3, leden 1 en 2, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten

moet aldus worden uitgelegd dat

een beding dat deel uitmaakt van een met een consument gesloten overeenkomst inzake een lening in een vreemde valuta, op grond waarvan de bank het in die valuta luidende uiteindelijke bedrag van de lening kan vaststellen door op het in de nationale valuta luidende bedrag dat overeenkomt met het door de consument aangevraagde kredietbedrag, een door haar eenzijdig vastgestelde wisselkoers toe te passen, moet worden geacht een beding te zijn waarover niet individueel is onderhandeld in de zin van die bepaling, wanneer de wijze van vaststelling van dat bedrag vóór de sluiting van de overeenkomst uitsluitend door de bank is bepaald zonder dat de consument daarop dus invloed heeft kunnen uitoefenen.

2) 

Artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13

moet aldus worden uitgelegd dat

wanneer in het kader van een met een consument gesloten overeenkomst inzake een lening in een vreemde valuta een beding in deze overeenkomst ten eerste tot gevolg heeft dat het wisselkoersrisico dat verbonden is aan de waardestijging van deze valuta ten opzichte van de nationale valuta, op de consument wordt afgewenteld, en ten tweede dat aan de bank ten laste van de consument een voordeel wordt toegekend dat voortvloeit uit het verschil tussen de wisselkoers die de bank heeft gekozen om het uiteindelijke bedrag van de in deze valuta luidende lening vast te stellen, en andere koersen die zij daarbij had kunnen gebruiken, er, om te oordelen dat dit beding, voor zover het betrekking heeft op de wisselkoersspread, niet voldoet aan het vereiste van een duidelijke en begrijpelijke formulering in de zin van deze bepaling, slechts hoeft te worden vastgesteld dat de bank de consument geen enkele informatie heeft verstrekt over de toepassing van een dergelijke spread, ongeacht de omvang van de aan de consument verstrekte informatie over de overdracht van het wisselkoersrisico.

3) 

Artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13

moet aldus worden uitgelegd dat

wanneer in het kader van een met een consument gesloten overeenkomst inzake een lening in een vreemde valuta een beding in die overeenkomst ten eerste tot gevolg heeft dat het wisselkoersrisico dat verbonden is aan de waardestijging van deze valuta ten opzichte van de nationale valuta, op de consument wordt afgewenteld, en ten tweede dat aan de bank een aan een wisselkoersspread verbonden voordeel wordt toegekend, dit beding voor zover het betrekking heeft op de wisselkoersspread, kan worden geacht het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk te kunnen verstoren, ongeacht of het beding, voor zover het betrekking heeft op de overdracht van het wisselkoersrisico, oneerlijk is in de zin van die bepaling.

4) 

Artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13

moet aldus worden uitgelegd dat

het zich er niet tegen verzet dat een met een consument gesloten overeenkomst inzake een lening in een vreemde valuta nietig wordt verklaard en de consument daardoor wordt vrijgesteld van de financiële gevolgen van het beding in die overeenkomst betreffende de overdracht van het wisselkoersrisico, wanneer de nationale rechter vaststelt dat het beding in die overeenkomst betreffende de vaststelling van het eindbedrag van de lening, aangezien het ertoe leidt dat aan de bank een aan de wisselkoersspread verbonden voordeel wordt toegekend, oneerlijk is, ook al zijn de bedingen van die overeenkomst betreffende de wijze van omrekening van de valuta met het oog op de terugbetaling van de lening niet oneerlijk of zou de opheffing van die bedingen niet tot nietigverklaring van diezelfde overeenkomst leiden, indien de nationale rechter overeenkomstig de regels van zijn interne recht en op basis van een objectieve benadering van oordeel is dat de leningsovereenkomst zonder het oneerlijke beding niet kan voortbestaan, met name voor zover dit beding het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst bepaalt.