BESCHIKKING VAN DE PRESIDENT VAN HET HOF

27 juli 2023 ( *1 )

„Hogere voorziening – Burgerinitiatief ‚Minority SafePack’ – Verzoek tot interventie – Artikel 40, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie – Belang bij de beslechting van het geding – Toelating”

In zaak C‑26/23 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 21 januari 2023,

Citizens’ Committee of the European Citizens’ Initiative „Minority SafePack – one million signatures for diversity in Europe”, vertegenwoordigd door T. Hieber, Rechtsanwalt,

rekwirante,

andere partijen in de procedure:

Europese Commissie, vertegenwoordigd door I. Rubene, E. A. Stamate en C. Urraca Caviedes als gemachtigden,

verweerster in eerste aanleg,

Hongarije, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér en K. Szíjjártó als gemachtigden,

Helleense Republiek,

Slowaakse Republiek,

interveniënten in eerste aanleg,

geeft

DE PRESIDENT VAN HET HOF,

gelet op het voorstel van D. Šváby, rechter-rapporteur,

advocaat-generaal A. M. Collins gehoord,

de navolgende

Beschikking

1

Met zijn hogere voorziening vordert het Citizens’ Committee of the European Citizens’ Initiative „Minority SafePack – one million signatures for diversity in Europe” (hierna: „Citizens’ Committee”) vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 9 november 2022, Minority SafePack – one million signatures for diversity in Europe/Commissie (T‑158/21, EU:T:2022:696), waarbij het beroep tot nietigverklaring van mededeling C(2021) 171 final van de Commissie van 14 januari 2021 over het Europees burgerinitiatief „Minority SafePack – one million signatures for diversity in Europe” (hierna: „litigieuze mededeling”) is verworpen.

2

Bij akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 17 april 2023, heeft de Autonome Provinz Bozen – Südtirol/Provincia Autonoma di Bolzano – Alto Adige (autonome provincie Bolzano – Zuid-Tirol/Alto Adige, Italië) op grond van artikel 40, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie verzocht om toelating tot interventie in deze hogere voorziening aan de zijde van het Citizens’ Committee.

3

Nadat de griffier van het Hof het verzoek om toelating tot interventie overeenkomstig artikel 131, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat krachtens artikel 190, lid 1, van dat Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, aan partijen had betekend, hebben het Citizens’ Committee en de Europese Commissie opmerkingen over dat verzoek ingediend binnen de gestelde termijn. Alleen de Commissie heeft geconcludeerd tot afwijzing van dit verzoek.

Verzoek om toelating tot interventie

4

Artikel 40, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bepaalt dat de lidstaten en de instellingen van de Europese Unie zich kunnen voegen in een voor het Hof aanhangig rechtsgeding. Volgens de eerste volzin van de tweede alinea van dit artikel hebben de organen en instanties van de Unie en elke andere persoon hetzelfde recht, indien zij aannemelijk kunnen maken belang te hebben bij de beslissing van het voor het Hof aanhangige rechtsgeding.

5

Om te beginnen moet worden opgemerkt dat een lagere territoriale entiteit van een lidstaat dus op dezelfde wijze als iedere andere persoon kan interveniëren in een rechtsgeding, maar dat zij, anders dan de lidstaat waartoe zij behoort, moet aantonen belang te hebben bij de beslechting van het aan het Hof voorgelegde rechtsgeding.

6

Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet het begrip „belang bij de beslissing van het geding” in de zin van deze bepaling worden gedefinieerd met inachtneming van het voorwerp van het geding, en moet daaronder worden verstaan een rechtstreeks en daadwerkelijk belang bij de toe- of afwijzing van de conclusies zelf, en niet een belang ten aanzien van de aangevoerde middelen of argumenten. De woorden „beslechting van het geding” verwijzen naar de gevraagde definitieve beslissing, zoals die zal blijken uit het dictum van het te wijzen arrest (zie met name beschikking van de president van het Hof van 5 juli 2018, Uniwersytet Wrocławski en Polen/REA, C‑515/17 P en C‑561/17 P, EU:C:2018:553, punt 7).

7

In beginsel kan van een voldoende rechtstreeks belang bij de beslechting van het geding slechts sprake zijn wanneer die beslechting de rechtspositie van de verzoeker tot interventie kan wijzigen (beschikking van de president van het Hof van 30 april 2020, Commissie/HSBC Holding e.a.C‑806/19 P, EU:C:2020:364, punt 8 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

8

Opgemerkt moet echter worden dat de lagere territoriale entiteiten van de lidstaten, anders dan natuurlijke personen en rechtspersonen, een verzoek tot interventie in voor het Hof aanhangige gedingen eerder zullen doen, niet om particuliere belangen te verdedigen, maar om hun standpunt kenbaar te maken in gedingen die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor de uitoefening van de bevoegdheden die hun zijn verleend bij de grondwet of de wetgeving van de lidstaten waartoe zij behoren.

9

In geval van verzoeken tot interventie van lagere territoriale entiteiten van de lidstaten moet de voorwaarde van een rechtstreeks en daadwerkelijk belang bij de beslissing van het geding derhalve worden toegepast op een manier die recht doet aan deze bijzondere situatie (zie in die zin beschikking van de president van het Hof van 17 september 2021, Duitsland/Farma Mar en Commissie, C‑6/21 P en C‑16/21 P, EU:C:2021:756, punt 11).

10

Met betrekking tot door milieubeschermingsorganisaties ingediende verzoeken tot interventie is immers reeds geoordeeld dat het vereiste van een rechtstreeks en actueel belang bij de beslechting van het bij het Hof aanhangige geding ten eerste veronderstelt dat het werkterrein van deze organisaties, zoals dit blijkt uit hun doel, desgevallend vastgelegd in hun statuten, rechtstreeks verband houdt met het voorwerp van het geding, en ten tweede dat het geschil principiële vragen opwerpt die de eigen belangen van deze organisaties kunnen schaden (beschikking van de president van het Hof van 7 februari 2019, Bayer CropScience en Bayer/Commissie, C‑499/18 P, EU:C:2019:107, punt 6 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Rekening houdend met de specifieke kenmerken van de situatie van lagere territoriale entiteiten van de lidstaten die voortvloeien uit het feit dat hun bevoegdheden grondwettelijk zijn erkend in het recht van die lidstaten, moeten mutatis mutandis in wezen dezelfde criteria worden toegepast om te beoordelen of zij belang hebben bij de beslechting van het geding.

11

Om een belang te rechtvaardigen bij de beslechting van een geding voor het Hof waarbij zij geen partij is, moet een lagere territoriale entiteit van een lidstaat dus aantonen dat het voorwerp van het geding binnen de werkingssfeer van de haar door het nationale recht toegekende bevoegdheden valt en dat in dit geding principiële vragen rijzen die haar eigen belangen kunnen schaden. Wat dit laatste betreft, mag het door deze entiteit ingeroepen belang dus niet volledig samenvallen met dat van de lidstaat waartoe zij behoort, die hoe dan ook in het geding had kunnen tussenkomen.

12

In casu blijkt uit het onderhavige verzoek tot interventie dat de autonome provincie Bolzano – Zuid-Tirol/Alto Adige krachtens artikel 116 van de grondwet van de Italiaanse Republiek deel uitmaakt van een autonome regio van deze lidstaat. Zij valt onder de constitutionele wetten die gecodificeerd zijn in het bijzondere statuut van de regio Trentino-Alto Adige-Zuid-Tirol en van de provincies Trento en Bolzano. Zij beschikt over een eigen bevoegdheid voor alle aangelegenheden die niet uitdrukkelijk onder de exclusieve bevoegdheid van de Italiaanse Staat vallen. Het algemene kader voor de exclusieve en concurrerende wetgevende activiteit van de autonome provincies en de regio is vastgesteld in de artikelen 4 en volgende van het autonomiestatuut van 1972. Naast de noodzaak van „harmonie met de grondwet en de beginselen van de rechtsorde van de Republiek en de eerbiediging van internationale verplichtingen en de nationale belangen”, wordt aldaar benadrukt dat deze beginselen „de bescherming van plaatselijke taalminderheden” omvatten. Voorts bepaalt artikel 6 van de Italiaanse grondwet dat „[d]e Republiek […] de taalminderheden door passende maatregelen [beschermt]”. Overeenkomstig artikel 98 van haar bijzonder statuut, dat haar een bijzonder beroepsrecht verleent, kan de autonome provincie Bolzano – Zuid-Tirol/Alto Adige voor de Corte costituzionale (Grondwettelijk Hof, Italië) nationale wetten of regelgevende handelingen met kracht van wet aanvechten wegens schending van het beginsel van de bescherming van de Duitse en Ladinische taalminderheden.

13

Bijgevolg moet worden vastgesteld dat het voorwerp van het bij het Hof aanhangige geding behoort tot de eigen bevoegdheden van de provincie Bolzano – Zuid-Tirol/Alto Adige, zoals deze voortvloeien uit de grondwet van de Italiaanse Republiek en uit het bijzonder statuut, aangezien dit geding betrekking heeft op een burgerinitiatief dat volgens de litigieuze mededeling tot doel heeft de bescherming van personen die tot nationale en taalkundige minderheden behoren te verbeteren en de culturele en taalkundige verscheidenheid in de Unie te versterken.

14

Bovendien werpt het geding principiële vragen op die de eigen belangen van deze entiteit kunnen schaden. De litigieuze mededeling stelt namelijk dat „de [Unie] geen algemene wetgevingsbevoegdheid heeft op het specifieke gebied van de bescherming van nationale minderheden”, of nog, dat „de Unie […] geen wetgevingsbevoegdheid [heeft] voor kwesties zoals het gebruik van regionale of minderheidstalen, zowel in het openbaar onderwijs als elders” en dat „[d]eze kwesties vallen onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten”. Het onderhavige geding werpt dus een vraag op over de omvang van de bevoegdheid van de Unie om maatregelen vast te stellen op een gebied dat valt onder de bevoegdheid van de autonome provincie Bolzano – Zuid-Tirol/Alto Adige.

15

Gelet op de fundamentele aard van deze bevoegdheidsvraag en op het feit dat het antwoord op deze vraag beslissend kan zijn voor de inhoud van elke nieuwe mededeling van de Commissie op hetzelfde gebied, stelt de Commissie dus tevergeefs dat de autonome provincie Bolzano – Zuid-Tirol/Alto Adige in het onderhavige geval slechts een indirect en onzeker belang heeft, voor zover zij erop wijst dat de litigieuze mededeling of elke dergelijke nieuwe mededeling van de Commissie slechts één etappe vormt in een reeks toekomstige handelingen en gebeurtenissen.

16

Bijgevolg moet de autonome provincie Bolzano – Zuid-Tirol/Alto Adige worden geacht belang te hebben bij de beslechting van het geding in de zin van artikel 40, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

17

In die omstandigheden moet het door de autonome provincie Bolzano – Zuid-Tirol/Alto Adige ingediende verzoek om toelating tot interventie worden ingewilligd.

Procedurele rechten van de interveniënt

18

Daar het verzoek om toelating tot interventie is ingewilligd, worden overeenkomstig artikel 131, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 190, lid 1, van dit Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, alle aan partijen betekende processtukken toegezonden aan de autonome provincie Bolzano – Zuid-Tirol/Alto Adige, tenzij partijen verzoeken om bepaalde stukken of bescheiden niet toe te zenden.

19

Aangezien dit verzoek is ingediend binnen de in artikel 190, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering gestelde termijn van een maand, verlengd met een forfaitaire termijn voor afstand van tien dagen overeenkomstig artikel 51 van dit Reglement, kan de autonome provincie Bolzano – Zuid-Tirol/Alto Adige overeenkomstig artikel 132, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering een memorie van interventie indienen binnen een maand na de toezending van de in het vorige punt bedoelde processtukken.

20

Tot slot kan de autonome provincie Bolzano – Zuid-Tirol/Alto Adige mondelinge opmerkingen maken indien een pleitzitting wordt gehouden.

Kosten

21

Volgens artikel 137 van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 184, lid 1, van dat Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt ten aanzien van de proceskosten beslist in het arrest of de beschikking waardoor een einde komt aan het geding.

22

Aangezien het verzoek tot interventie van de autonome provincie Bolzano – Zuid-Tirol/Alto Adige in casu is ingewilligd, moet de beslissing omtrent de kosten van de interventie worden aangehouden.

 

De president van het Hof beschikt:

 

1)

De Autonome Provinz Bozen – Südtirol/Provincia Autonoma di Bolzano – Alto Adige (autonome provincie Bolzano – Zuid-Tirol/Alto Adige) wordt toegelaten tot interventie aan de zijde van het Citizens’ Committee of the European Citizens’ Initiative „Minority SafePack – one million signatures for diversity in Europe”.

 

2)

De griffier betekent een afschrift van alle processtukken aan de Autonome Provinz Bozen – Südtirol/Provincia Autonoma di Bolzano – Alto Adige (autonome provincie Bolzano – Zuid-Tirol/Alto Adige).

 

3)

De Autonome Provinz Bozen – Südtirol/Provincia Autonoma di Bolzano – Alto Adige (autonome provincie Bolzano – Zuid-Tirol/Alto Adige) heeft een maand vanaf de datum van de in punt 2 van dit dictum genoemde betekening om een memorie in interventie in te dienen.

 

4)

De beslissing omtrent de kosten van de interventie van de Autonome Provinz Bozen – Südtirol/Provincia Autonoma di Bolzano – Alto Adige (autonome provincie Bolzano – Zuid-Tirol/Alto Adige) wordt aangehouden.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Engels.