18.9.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 329/7


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de lo Mercantil no 10 de Barcelona (Spanje) op 15 mei 2023 — Agencia Estatal de la Administración Tributaria / S.E.I

(Zaak C-305/23, Bacigán (1))

(2023/C 329/09)

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Juzgado de lo Mercantil no 10 de Barcelona

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Agencia Estatal de la Administración Tributaria

Verwerende partij: S.E.I

Prejudiciële vragen

1.

Indien de nationale wetgever ervoor kiest om de toepassing van de procedures voor de kwijtschelding van schuld van insolvente ondernemers uit te breiden tot insolvente natuurlijke personen die geen ondernemers zijn, zoals voorzien in artikel 1, lid 4, van richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 (2), moet hij dan noodzakelijkerwijs zijn regelgeving in overeenstemming brengen met de bepalingen van titel III van de richtlijn?

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:

2.

Omvat het begrip “oneerlijk gedrag” zoals bedoeld in artikel 23, lid 1, van richtlijn 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 nalatig of onvoorzichtig gedrag van de schuldenaar waardoor een schuld is ontstaan?

Indien de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord:

3.

Vormen de gevallen die worden opgesomd in artikel 23, lid 2, onder a) tot en met f), van richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 een uitputtende lijst van welomschreven en gerechtvaardigde omstandigheden, of kunnen de lidstaten andere welomschreven en gerechtvaardigde omstandigheden invoeren?

Indien het antwoord op de derde vraag luidt dat lidstaten andere welomschreven en gerechtvaardigde omstandigheden kunnen invoeren die verschillen van de gevallen die worden opgesomd in artikel 23, lid 2, onder a) tot en met f), van richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019:

4.

Moeten de nieuwe welomschreven omstandigheden die de lidstaat invoert in ieder geval hun rechtvaardiging vinden in oneerlijk gedrag of gedrag te kwader trouw?

Indien het antwoord op de [derde en vierde] vraag luidt dat lidstaten geen andere omstandigheden kunnen invoeren dan die welke worden opgesomd in artikel 23, lid 2, onder a) tot en met f), van richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 of dat, als zij ander welomschreven omstandigheden invoeren, deze hun rechtvaardiging moeten vinden in oneerlijk gedrag of gedrag te kwader trouw van de schuldenaar:

5.

Impliceert een uitlegging in overeenstemming met artikel 23 van de richtlijn dat een bepaling als artikel 487, lid 1, punt 2, van de geconsolideerde tekst van de Ley Concursal (Spaanse insolventiewet) buiten toepassing moet worden gelaten indien wordt vastgesteld dat de bijzonder ernstige inbreuk op de belastingwetgeving het gevolg is van een gedraging van de schuldenaar die noch als oneerlijk gedrag noch als gedrag te kwader trouw kan worden aangemerkt?


(1)  Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.

(2)  Richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van richtlijn (EU) 2017/1132 (richtlijn betreffende herstructurering en insolventie) (PB 2019 L 172, blz. 18).