|
2.5.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 155/43 |
Beroep ingesteld op 14 maart 2023 — Europese Commissie / Bondsrepubliek Duitsland
(Zaak C-149/23)
(2023/C 155/55)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Baquero Cruz en L. Mantl, gemachtigden)
Verwerende partij: Bondsrepubliek Duitsland
Conclusies
|
— |
constateren dat de Bondsrepubliek Duitsland, door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn (EU) 2019/1937 (1) en door die bepalingen niet ter kennis te brengen van de Commissie, de verplichtingen niet is nagekomen die op deze lidstaat rusten krachtens artikel 26, leden 1 en 3, van die richtlijn; |
|
— |
de Bondsrepubliek Duitsland veroordelen tot het betalen aan de Commissie van een forfaitaire som die overeenkomt met het hoogste van de volgende twee bedragen: i) 61 600 EUR per dag, vermenigvuldigd met het aantal dagen tussen de dag die volgt op het verstrijken van de in de richtlijn gestelde omzettingstermijn en de dag van de regularisatie van de inbreuk of — indien er geen regularisatie plaatsvindt — de dag van de uitspraak van het in deze zaak gewezen arrest; ii) een minimale forfaitaire som van 17 248 000 EUR; |
|
— |
ingeval de overeenkomstig het eerste streepje geconstateerde niet-nakoming blijft voortduren tot de dag waarop het arrest in deze zaak wordt gewezen, de Bondsrepubliek Duitsland veroordelen tot het betalen aan de Commissie van een dwangsom van 240 240 EUR per dag vertraging, te rekenen vanaf de dag van de uitspraak van dat arrest tot de dag waarop deze lidstaat voldoet aan de krachtens de richtlijn op hem rustende verplichtingen, en |
|
— |
de Bondsrepubliek Duitsland verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Met haar beroep verwijt de Commissie de Bondsrepubliek Duitsland de verplichtingen niet te zijn nagekomen die op deze lidstaat rusten krachtens richtlijn 2019/1937. Met die richtlijn wordt gezorgd voor een efficiënt stelsel ter bescherming van personen die werken bij een particuliere of publieke organisatie of die contact hebben met een dergelijke organisatie en die op bepaalde gebieden inbreuken op het Unierecht melden. Volgens artikel 26, lid 1, van die richtlijn moesten de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking doen treden om uiterlijk op 17 december 2021 aan de richtlijn te voldoen. Overeenkomstig lid 3 van dat artikel moesten zij voorts de tekst van deze bepalingen onverwijld meedelen aan de Commissie.
Volgens de Commissie heeft de Bondsrepubliek Duitsland nog geen maatregelen getroffen om de richtlijn volledig om te zetten of zijn dergelijke maatregelen in elk geval niet ter kennis gebracht van de Commissie meer dan 13 maanden na het verstrijken van de omzettingstermijn.
(1) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (PB 2019, L 305, blz. 17).