ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
12 juni 2025 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna – Richtlijn 92/43/EEG – Artikel 1, onder i), eerste alinea – Staat van instandhouding van een soort – Begrip – Artikel 14 – Beheersmaatregelen – Onttrekking aan de natuur en exploitatie die verenigbaar zijn met het behoud of herstel van de soort in een gunstige staat van instandhouding – Artikel 1, onder i), tweede alinea – Staat van instandhouding van de populaties van de betrokken soort – Cumulatieve voorwaarden – Canis lupus (wolf) – Indeling in de categorie ‚kwetsbaar’ in de ‚Rode Lijst’ van de Internationale Unie voor het behoud van de natuur en de natuurlijke hulpbronnen – Diersoort die deel uitmaakt van een populatie waarvan het natuurlijke verspreidingsgebied zich uitstrekt tot buiten het grondgebied van een lidstaat – Inaanmerkingneming van uitwisseling met populaties van dezelfde soort in aangrenzende lidstaten of derde landen – Artikel 2, lid 3 – Inaanmerkingneming van vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied en van regionale en lokale bijzonderheden”
In zaak C‑629/23,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Riigikohus (hoogste rechterlijke instantie, Estland) bij beslissing van 13 oktober 2023, ingekomen bij het Hof op 16 oktober 2023, in de procedure
MTÜ Eesti Suurkiskjad
tegen
Keskkonnaamet,
in tegenwoordigheid van:
Keskkonnaagentuur,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún, kamerpresident, D. Gratsias, E. Regan, J. Passer (rapporteur) en B. Smulders, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: C. Strömholm, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 6 november 2024,
gelet op de opmerkingen van:
|
– |
MTÜ Eesti Suurkiskjad, vertegenwoordigd door M. Ellermaa en E. Lopp, |
|
– |
de Estse regering, vertegenwoordigd door M. Kriisa als gemachtigde, |
|
– |
de Deense regering, vertegenwoordigd door D. Elkan, J. F. Kronborg en C. Maertens als gemachtigden, |
|
– |
de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door A. Posch, J. Schmoll en M. Kopetzki als gemachtigden, |
|
– |
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Haasbeek, C. Hermes, E. Randvere, N. Ruiz García en K. Toomus als gemachtigden, |
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 december 2024,
het navolgende
Arrest
|
1 |
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 1, onder i), artikel 2, lid 3, en artikel 14, lid 1, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB 1992, L 206, blz. 7), zoals gewijzigd bij richtlijn 2013/17/EU van de Raad van 13 mei 2013 (PB 2013, L 158, blz. 193) (hierna: „habitatrichtlijn”). |
|
2 |
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen MTÜ Eesti Suurkiskjad en de Keskkonnaamet (milieubureau, Estland) over de rechtmatigheid van een administratieve handeling betreffende de quota voor de wolvenjacht. |
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
|
3 |
De vijftiende overweging van de habitatrichtlijn luidt: „Overwegende dat er […] een algemeen stelsel moet worden opgezet voor de bescherming van bepaalde soorten flora en fauna; dat er voor bepaalde soorten beheersmaatregelen moeten worden genomen, indien hun staat van instandhouding zulks rechtvaardigt, inclusief het verbieden van bepaalde methoden voor het vangen of doden, waarbij onder bepaalde voorwaarden wordt voorzien in de mogelijkheid tot ontheffingen”. |
|
4 |
Artikel 1 van deze richtlijn luidt: „In deze richtlijn wordt verstaan onder […]
[…]” |
|
5 |
Artikel 2 van deze richtlijn bepaalt: „1. Deze richtlijn heeft tot doel bij te dragen tot het waarborgen van de biologische diversiteit door het instandhouden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. 2. De op grond van deze richtlijn genomen maatregelen beogen de natuurlijke habitats en de wilde dier- en plantensoorten van communautair belang in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen. 3. In de op grond van deze richtlijn genomen maatregelen wordt rekening gehouden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, en met de regionale en lokale bijzonderheden.” |
|
6 |
Artikel 11 van de habitatrichtlijn luidt als volgt: „De lidstaten zien toe op de staat van instandhouding van de in artikel 2 bedoelde soorten en natuurlijke habitats, waarbij zij bijzondere aandacht schenken aan de prioritaire typen natuurlijke habitats en de prioritaire soorten.” |
|
7 |
Artikel 12, lid 1, van de habitatrichtlijn bepaalt: „De lidstaten treffen de nodige maatregelen voor de instelling van een systeem van strikte bescherming van de in bijlage IV, [onder] a), vermelde diersoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied, waarbij een verbod wordt ingesteld op:
|
|
8 |
Artikel 14, lid 1, van deze richtlijn luidt: „Indien de lidstaten zulks op grond van het in artikel 11 genoemde toezicht nodig achten, treffen zij de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het aan de natuur onttrekken en de exploitatie van specimens van de in bijlage V genoemde wilde dier- en plantensoorten verenigbaar zijn met het behoud van die soorten in een gunstige staat van instandhouding.” |
|
9 |
Artikel 16, lid 1, van deze richtlijn bepaalt: „Wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en op voorwaarde dat de afwijking geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan, mogen de lidstaten afwijken van het bepaalde in de artikelen 12, 13, 14 en 15, [onder] a) en b):
|
|
10 |
Bijlage II bij deze richtlijn, met als opschrift „Dier- en plantensoorten van communautair belang voor de instandhouding waarvan aanwijzing van speciale beschermingszones vereist is”, vermeldt onder meer de „Canis lupus (met uitzondering van de Estse populatie […])”. |
|
11 |
Overeenkomstig bijlage IV bij de habitatrichtlijn, met als opschrift „Dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd”, behoort de Canis lupus tot deze diersoorten, „met uitzondering van […] de Estse populaties”. |
|
12 |
Krachtens bijlage V bij deze richtlijn, met als opschrift „Dier- en plantensoorten van communautair belang waarvoor het onttrekken aan de natuur en de exploitatie aan beheersmaatregelen kunnen worden onderworpen” kunnen de Estse populaties van de Canis lupus aan dergelijke maatregelen worden onderworpen. |
Ests recht
Wet op het natuurbehoud
|
13 |
§ 1 van de Looduskaitseseadus (wet op het natuurbehoud, RT I 2004, 38, 258), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: „wet op het natuurbehoud”), luidt als volgt: „Deze wet heeft tot doel:
[…]” |
|
14 |
§ 3 van de wet op het natuurbehoud, met als opschrift „Gunstige staat van instandhouding van habitats en soorten”, bepaalt in lid 2: „De staat van instandhouding van een soort wordt als gunstig beschouwd indien de omvang van de populatie erop wijst dat de soort op lange termijn zal blijven bestaan als een levensvatbare component van de natuurlijke habitat of het voortplantingsgebied waarin hij voorkomt, indien het natuurlijke verspreidingsgebied van de soort niet kleiner wordt en wanneer er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om het voortbestaan van de populatie van de soort op lange termijn te waarborgen.” |
|
15 |
§ 49 van deze wet heeft als opschrift „Actieplan voor de bescherming en het beheer van soorten” en bepaalt: „(1) Een actieplan wordt uitgewerkt:
(2) Het actieplan moet het volgende omvatten:
[…]” |
Jachtwet
|
16 |
§ 21 van de Jahiseadus (jachtwet, RT I 2013, 2), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: „jachtwet”), met als opschrift „Monitoring van wild”, bepaalt in lid 4: „Elk jaar stelt de in lid 3 van deze paragraaf bedoelde autoriteit [de Keskkonnaagentuur (milieuagentschap, Estland)] een monitoringverslag op over het wild. Het monitoringverslag moet de volgende gegevens bevatten:
|
|
17 |
§ 22 van de jachtwet, met als opschrift „Quotas en structuur van de jacht”, bepaalt in lid 2: „Elk jaar stelt het milieuagentschap de quota voor de jacht op de bruine beer, de wolf, de lynx en de grijze zeehond vast op basis van de in § 21, lid 4, van deze wet bedoelde verslagen en op basis van het voorstel van de jachtraad.” |
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
|
18 |
Op 4 oktober 2012 heeft de Estse minister van Milieu het „Actieplan voor de bescherming en het beheer van grote carnivoren [Canis lupus (wolf), Lynx lynx (lynx) en Ursus arctos (bruine beer)] voor de periode 2012‑2021” (hierna: „actieplan voor de periode 2012‑2021”) vastgesteld. |
|
19 |
In het actieplan voor de periode 2012‑2021 was aangegeven dat de staat van instandhouding van de Estse populaties van grote carnivoren als gunstig kon worden beoordeeld en werd er onder meer tot doel gesteld de gunstige staat van instandhouding van de wolf zowel op het niveau van de Estse populatie als op het niveau van de Baltische populatie van deze diersoort te handhaven. Daartoe stelde dat actieplan vast dat ervoor moest worden gezorgd dat er elk jaar vóór het begin van het jachtseizoen 15 tot 25 wolvenroedels met welpen waren, zodat de totale populatie van de soort op het Estse grondgebied ongeveer 150 tot 250 specimens zou bedragen. Binnen deze aantallen moesten jaarlijkse doelen worden gesteld op basis van de resultaten van de monitoring, en de populatie moest binnen deze aantallen worden gehouden door middel van de jacht. Het doel was ook de door de wolf veroorzaakte schade te verminderen, met name door voorrang te geven aan de jacht in de gebieden waar de wolf schade veroorzaakte. |
|
20 |
Volgens het actieplan maakt de Baltische wolvenpopulatie deel uit van de Euraziatische populatie van deze diersoort, waarvan het natuurlijke verspreidingsgebied zich uitstrekt tot Estland, Letland, Litouwen, het noordoosten van Polen, Belarus, het noorden van Oekraïne en bepaalde gebieden in Rusland. Het actieplan vermeldde het geschatte aantal wolven voor het jaar 2008 in Letland en Litouwen en voor het jaar 2010 in de Russische gebieden die aan Estland grenzen. In dat plan werd tevens gepreciseerd dat de Republiek Letland, de Republiek Finland en de Republiek Belarus weliswaar plannen voor de bescherming of de instandhouding en het beheer van de wolf hadden vastgesteld en de Republiek Litouwen en de Republiek Polen dergelijke plannen voorbereidden, maar dat dergelijke plannen daarentegen ontbraken in Rusland. Voorts verwees het actieplan voor de periode 2012‑2021 ook naar de mogelijkheid om in deze lidstaten en derde landen op de wolf te jagen. Wat de internationale samenwerking betreft, werd in dat actieplan met name gewezen op de deelname van de Republiek Estland aan de werkgroep van de Internationale Unie voor het behoud van de natuur en de natuurlijke hulpbronnen (International Union for Conservation of Nature and natural ressources; hierna: „IUCN”) en op de contacten die de vertegenwoordiger van deze lidstaat onderhield met zijn Letse, Litouwse, Poolse, Finse, Zweedse, Noorse, en Russische tegenhangers. Het actieplan voorzag ook in een regelmatige uitwisseling van informatie tussen de Republiek Estland en de Republiek Letland over de kwantitatieve ontwikkeling van de populatie van grote carnivoren en over de jachtquota, alsook in de actieve deelname van de Republiek Estland aan internationale projecten in verband met de organisatie van de instandhouding en het beheer van grote carnivoren. |
|
21 |
Bij besluit van 29 oktober 2020, vastgesteld krachtens § 22, lid 2, van de jachtwet, heeft het milieubureau de eerste schijf van het quotum voor de wolvenjacht voor het jachtseizoen 2020/2021 in Estland vastgesteld op 140 specimens, verdeeld over 20 beschermingsgebieden, waarbij voorrang werd gegeven aan de gebieden waar deze diersoort zich voortplantte en aan gebieden waar schade door deze soort werd veroorzaakt. |
|
22 |
Verzoekster in het hoofdgeding, een Estse vereniging voor milieubescherming, heeft bij de Tallinna Halduskohus (bestuursrechter Tallinn, Estland) beroep tot nietigverklaring van dat besluit ingesteld. Ter ondersteuning van dit beroep voerde zij met name aan dat de staat van instandhouding van de wolf in Estland niet als „gunstig” in de zin van artikel 3 van de wet op het natuurbehoud kon worden beschouwd, en dat het nog moeilijker zou worden om de doelstelling te bereiken om deze soort in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen indien de jacht op 140 wolven werd toegestaan. |
|
23 |
Bij vonnis van 1 oktober 2021 heeft de Tallinna Halduskohus dat beroep verworpen. |
|
24 |
Dit afwijzende vonnis is bevestigd door de Tallinna Ringkonnakohus (rechter in tweede aanleg Tallinn, Estland). |
|
25 |
Verzoekster in het hoofdgeding heeft tegen de bevestiging door de rechter in hoger beroep cassatieberoep ingesteld bij de Riigikohus (hoogste rechterlijke instantie, Estland). |
|
26 |
De verwijzende rechter vraagt zich ten eerste af of, wanneer een lidstaat beheersmaatregelen vaststelt op grond van artikel 14 van de habitatrichtlijn, bij het nagaan of deze maatregelen verenigbaar zijn met de doelstelling om deze soort in een „gunstige staat van instandhouding” in de zin van artikel 1, onder i), tweede alinea, van deze richtlijn te behouden of te herstellen, rekening moet worden gehouden met de staat van instandhouding van de populatie van die soort op het grondgebied van de betrokken lidstaat, dan wel of rekening kan worden gehouden met de staat van instandhouding van de populatie op het grondgebied van andere lidstaten van de Europese Unie, in casu de Baltische populatie. |
|
27 |
De verwijzende rechter merkt in dit verband op dat de „gunstige” staat van instandhouding van de Baltische wolvenpopulatie weliswaar niet wordt betwist, maar dat verzoekster in het hoofdgeding op basis van een beoordeling van de IUCN betoogt dat de Estse wolvenpopulatie niet kan worden geacht in een dergelijke staat van instandhouding te verkeren. |
|
28 |
In dit verband merkt de verwijzende rechter ten tweede op dat er, voor zover hem bekend, met het oog op de instandhouding van de betrokken wolvenpopulatie geen enkele vorm van officiële samenwerking bestaat tussen de lidstaten op wier grondgebied het natuurlijke verspreidingsgebied van deze populatie zich uitstrekt, maar dat er slechts sprake is van informele communicatie tussen wetenschappers. |
|
29 |
Ten derde vraagt de verwijzende rechter zich af of, met name gelet op de arresten van 14 juni 2007, Commissie/Finland (C‑342/05, EU:C:2007:341), en 23 april 2020, Commissie/Finland (Voorjaarsjacht op mannetjes van de eidereend) (C‑217/19, EU:C:2020:291), een populatie van een soort die in een lidstaat is ingedeeld in de categorie „kwetsbaar” van de Rode Lijst van bedreigde soorten van de IUCN (hierna: „Rode Lijst van de IUCN”) kan worden geacht zich in een „gunstige staat van instandhouding” in de zin van de habitatrichtlijn te bevinden. Hij merkt in dit verband op dat in het actieplan voor de periode 2022‑2031, dat volgt op het actieplan voor de periode 2012‑2021, de Baltische wolvenpopulatie wordt geacht te vallen onder de categorie „niet bedreigd” (least concern; LC) van de Rode Lijst van de IUCN, terwijl de Estse populatie van deze soort als „kwetsbaar” (vulnerable; VU) wordt aangemerkt en zelfs als „bedreigd” (endangered; EN) zou moeten worden beschouwd indien geen rekening wordt gehouden met naburige populaties. |
|
30 |
Ten vierde en tot slot wijst de verwijzende rechter erop dat het milieubureau en het milieuagentschap in het kader van het hoofdgeding steeds hebben betoogd dat een toename van het aantal wolven tot aanzienlijke sociale en economische spanningen zou leiden. Een van de voornaamste argumenten die ter rechtvaardiging van de toestemming voor de jacht op wolven zijn aangevoerd, is de noodzaak om de door deze diersoort veroorzaakte schade, met name aan de veestapel, te beperken. |
|
31 |
In die omstandigheden heeft de Riigikohus besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
|
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste tot en met derde vraag
|
32 |
Met zijn eerste drie vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 1, onder i), van de habitatrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat de indeling van de populatie van een diersoort op het grondgebied van een lidstaat in de categorie „kwetsbaar” van de Rode Lijst van de IUCN uitsluit dat de staat van instandhouding van deze soort op het grondgebied van die lidstaat als „gunstig” in de zin van die bepaling wordt beschouwd. Voorts vraagt de verwijzende rechter zich in essentie af of dat artikel 1, onder i), aldus moet worden uitgelegd dat de vaststelling door een lidstaat van beheersmaatregelen op grond van artikel 14, lid 1, van deze richtlijn de verplichting inhoudt om een gunstige staat van instandhouding van de populatie van deze soort op het grondgebied van die lidstaat te waarborgen, dan wel of deze lidstaat rekening kan houden met de staat van instandhouding van de gehele populatie waarvan het natuurlijke verspreidingsgebied zich uitstrekt tot buiten het grondgebied van die lidstaat en, in voorkomend geval, in welke mate en onder welke voorwaarden. |
|
33 |
Vooraf zij eraan herinnerd dat de wolf in beginsel krachtens artikel 12 van de habitatrichtlijn, gelezen in samenhang met bijlage IV, onder a), bij deze richtlijn, behoort tot de soorten „van communautair belang” waarvan de „strikte bescherming” in de zin van dat artikel 12 moet worden gewaarborgd. |
|
34 |
Bijlage IV, onder a), sluit echter met name de Estse wolvenpopulaties van deze strikte bescherming uit. |
|
35 |
Deze populaties zijn dus opgenomen in bijlage V, onder a), bij de habitatrichtlijn, als diersoort van communautair belang waarvoor het onttrekken aan de natuur en de exploitatie aan beheersmaatregelen kunnen worden onderworpen, en vallen derhalve onder artikel 14 van deze richtlijn. |
|
36 |
Met betrekking tot de beheersmaatregelen waaraan de in bijlage V bij de habitatrichtlijn genoemde soorten kunnen worden onderworpen, moet worden opgemerkt dat – volgens artikel 14, lid 1, van de habitatrichtlijn – „[i]ndien de lidstaten zulks op grond van het in artikel 11 genoemde toezicht nodig achten, […] zij de nodige maatregelen [treffen] om ervoor te zorgen dat het aan de natuur onttrekken en de exploitatie van specimens van de in bijlage V genoemde wilde dier- en plantensoorten verenigbaar zijn met het behoud van die soorten in een gunstige staat van instandhouding”. |
|
37 |
Uit de bewoordingen van deze bepaling zelf blijkt dat de lidstaten over een zekere beoordelingsmarge beschikken om te bepalen of krachtens dat artikel maatregelen moeten worden genomen die de exploitatie van de in bijlage V bij de habitatrichtlijn genoemde soorten kunnen beperken (arrest van 29 juli 2024, ASCEL,C‑436/22, EU:C:2024:656, punt 53). |
|
38 |
Die beoordelingsmarge wordt echter beperkt door de verplichting om erop toe te zien dat het onttrekken van specimens van een soort aan de natuur en de exploitatie van deze specimens verenigbaar is met het behoud van deze soort in een gunstige staat van instandhouding (zie in die zin arrest van 29 juli 2024, ASCEL,C‑436/22, EU:C:2024:656, punt 55). |
|
39 |
Er zij namelijk aan herinnerd dat elke door een lidstaat op grond van de habitatrichtlijn genomen maatregel overeenkomstig artikel 2, lid 2, van deze richtlijn moet beogen diersoorten van communautair belang in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen (arrest van 29 juli 2024, ASCEL,C‑436/22, EU:C:2024:656, punt 56). |
|
40 |
Bovendien heeft de Uniewetgever, zoals blijkt uit de vijftiende overweging van de habitatrichtlijn, geoordeeld dat er een algemeen stelsel moet worden opgezet voor de bescherming van bepaalde soorten flora en fauna en dat „indien hun staat van instandhouding zulks rechtvaardigt” voor bepaalde soorten beheersmaatregelen moeten worden genomen, inclusief het verbieden van bepaalde methoden voor het vangen of doden, waarbij onder bepaalde voorwaarden wordt voorzien in de mogelijkheid tot ontheffingen. Zoals blijkt uit de zinsnede „indien hun staat van instandhouding zulks rechtvaardigt”, moet het nemen van dergelijke maatregelen worden gerechtvaardigd door de noodzaak om de betrokken soorten in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen (arrest van 29 juli 2024, ASCEL,C‑436/22, EU:C:2024:656, punt 57). |
|
41 |
Voorts moeten de bevoegde autoriteiten, wanneer een diersoort zich in een ongunstige staat van instandhouding bevindt, maatregelen in de zin van artikel 14 van de habitatrichtlijn treffen om de staat van instandhouding van de soort zodanig te verbeteren dat de betrokken populatie in de toekomst en op duurzame wijze een gunstige staat van instandhouding bereikt (zie in die zin arrest van 29 juli 2024, ASCEL,C‑436/22, EU:C:2024:656, punt 69). |
|
42 |
Ten slotte moet bij de beoordeling van de staat van instandhouding van een soort en van de vraag of het wenselijk is om maatregelen op grond van artikel 14 van de habitatrichtlijn te treffen, alleen rekening worden gehouden met onder meer de meest recente wetenschappelijke gegevens die dankzij het in artikel 11 van die richtlijn bedoelde toezicht zijn verkregen (zie in die zin arrest van 29 juli 2024, ASCEL,C‑436/22, EU:C:2024:656, punt 65). Krachtens het in artikel 191, lid 2, VWEU verankerde voorzorgsbeginsel moet de betrokken lidstaat zich er in dat verband van onthouden dergelijke activiteiten toe te staan indien het onderzoek van de beste beschikbare wetenschappelijke gegevens onzekerheid laat bestaan over de vraag of de exploitatie van een soort van communautair belang verenigbaar is met de handhaving van deze soort in een gunstige staat van instandhouding (arrest van 29 juli 2024, ASCEL,C‑436/22, EU:C:2024:656, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
43 |
In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing en uit het dossier waarover het Hof beschikt dat de staat van instandhouding van de wolf in Estland in het actieplan voor de periode 2012‑2021 als gunstig werd beschouwd. In deze context is onder meer rekening gehouden met de in punt 20 van het onderhavige arrest vermelde gegevens betreffende naburige lidstaten en derde landen. |
|
44 |
De verwijzende rechter merkt echter met name op dat de Estse wolvenpopulatie in het latere actieplan voor de periode 2022‑2031 is ingedeeld in de categorie „kwetsbaar” van de Rode Lijst van de IUCN, en dus, volgens de definitie in de Guidelines for Using the IUCN Red List Categories and Criteria (richtsnoeren voor het gebruik van de categorieën en criteria van de Rode Lijst van de IUCN), geconfronteerd wordt met „een groot risico […] dat de soort in het wild uitsterft”. |
|
45 |
Dienaangaande zij er ten eerste aan herinnerd dat de „staat van instandhouding van een soort” volgens artikel 1, onder i), eerste alinea, van de habitatrichtlijn het effect is van de som van de invloeden die op de betrokken soort inwerken en op lange termijn een verandering kunnen bewerkstelligen in de verspreiding en de grootte van de populaties van die soort op het in artikel 2 van die richtlijn bedoelde grondgebied. |
|
46 |
Ten tweede moet worden opgemerkt dat de staat van instandhouding van een soort overeenkomstig artikel 1, onder i), tweede alinea, van die richtlijn als gunstig zal worden beschouwd indien aan drie cumulatieve voorwaarden is voldaan. In de eerste plaats moet uit populatiedynamische gegevens blijken dat die soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin deze voorkomt, en dat vermoedelijk op lange termijn zal blijven. In de tweede plaats mag het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner worden of binnen afzienbare tijd dreigen kleiner te worden. En in de derde plaats moet er een voldoende grote habitat bestaan en waarschijnlijk blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden (arrest van 29 juli 2024, ASCEL,C‑436/22, EU:C:2024:656, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
47 |
Uit de rechtspraak van het Hof met betrekking tot artikel 16 van de habitatrichtlijn, dat de lidstaten toestaat af te wijken van de bepalingen van de artikelen 12 tot en met 15 van deze richtlijn en waarvan de toepassing onder meer afhangt van het in een gunstige staat van instandhouding behouden van de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied, blijkt dat deze staat van instandhouding in de eerste plaats en noodzakelijkerwijs op lokaal en nationaal niveau moet bestaan en worden beoordeeld, zodat een ongunstige staat van instandhouding op het grondgebied van een lidstaat of een deel daarvan niet verborgen blijft door een louter grensoverschrijdende beoordeling waaruit blijkt dat die soort in een gunstige staat van instandhouding verkeert (arrest van 11 juli 2024, WWF Österreich e.a.,C‑601/22, EU:C:2024:595, punt 57). |
|
48 |
Hetzelfde geldt noodzakelijkerwijs in de context van de tenuitvoerlegging van artikel 14 van de habitatrichtlijn. Zoals de advocaat-generaal in de punten 39 en 40 van haar conclusie heeft opgemerkt, kan een soort waarvan de staat van instandhouding niet gunstig is in een lidstaat op het grondgebied waarvan het natuurlijke verspreidingsgebied zich ten minste potentieel uitstrekt, namelijk daar zijn ecologische functie niet of althans niet in volle omvang vervullen, zelfs al maakt de populatie van de betrokken soort in die lidstaat deel uit van een populatie die zich in een gunstige staat van instandhouding bevindt. |
|
49 |
Wat in de eerste plaats het feit betreft dat de Estse wolvenpopulatie is ingedeeld in de categorie „kwetsbaar” van de Rode Lijst van de IUCN, moet worden vastgesteld dat, zoals de advocaat-generaal in punt 85 van haar conclusie heeft opgemerkt, noch artikel 1, onder i), van de habitatrichtlijn noch enige andere bepaling van deze richtlijn verwijst naar de Rode Lijst van de IUCN of naar de criteria aan de hand waarvan deze lijst is opgesteld als indicator voor de al dan niet gunstige staat van instandhouding van een soort. |
|
50 |
Zoals de Europese Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft opgemerkt, verschilt de beoordelingsmethode voor de indeling van soorten in de Rode Lijst van de IUCN bovendien van die welke krachtens artikel 1, onder i), van de habitatrichtlijn moet worden toegepast. |
|
51 |
Als gevolg daarvan kunnen, zoals de advocaat-generaal in punt 86 van haar conclusie in essentie heeft benadrukt, de gegevens, criteria en beoordelingen die hebben geleid tot de indeling van een soort in de Rode Lijst van de IUCN, weliswaar deel uitmaken van de wetenschappelijke gegevens die de betrokken lidstaat bij zijn eigen beoordeling in aanmerking moet nemen [zie in die zin arresten van 14 juni 2007, Commissie/Finland,C‑342/05, EU:C:2007:341, punten 26 en 27; 23 april 2020, Commissie/Finland (Voorjaarsjacht op mannetjes van de eidereend),C‑217/19, EU:C:2020:291, punten 77‑88, en 29 juli 2024, ASCEL,C‑436/22, EU:C:2024:656, punten 65 en 78], maar de indeling van een soort in de Rode Lijst van de IUCN, en meer in het bijzonder in de categorie „kwetsbaar” op nationaal niveau daarvan, sluit als zodanig niet uit dat de staat van instandhouding van die soort op het grondgebied van de betrokken lidstaat niettemin gunstig wordt geacht indien is voldaan aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 1, onder i), tweede alinea, van de habitatrichtlijn. |
|
52 |
Wat in de tweede plaats laatstgenoemde voorwaarden betreft, moet worden opgemerkt dat gegevens over de populaties van die soort in andere lidstaten of zelfs in derde landen relevant kunnen zijn om te bepalen of de staat van instandhouding van een soort gunstig is op het grondgebied van een lidstaat. Dit zal met name het geval zijn bij beschermde diersoorten met een groot grondgebied, zoals de wolf, en waarvan het „natuurlijke verspreidingsgebied” – dat een van de criteria is die in aanmerking moeten worden genomen om te bepalen of de staat van instandhouding van een soort gunstig is – bijgevolg ruimer is dan de geografische ruimte die de fysische en biologische elementen vertoont welke voor hun leven en voortplanting essentieel zijn (zie in die zin arrest van 29 juli 2024, ASCEL,C‑436/22, EU:C:2024:656, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
53 |
Zoals de advocaat-generaal in de punten 48 tot en met 52 van haar conclusie in wezen heeft opgemerkt, zullen met name in het geval van een diersoort als de wolf, de populaties van die soort die ook voorkomen in lidstaten of derde landen die grenzen aan de lidstaat die voornemens is beheersmaatregelen vast te stellen op grond van artikel 14, lid 1, van de habitatrichtlijn, namelijk relevant zijn voor laatstgenoemde om na te gaan of de staat van instandhouding van de populatie van die soort op zijn grondgebied al dan niet gunstig is, voor zover er sprake is van uitwisselingen tussen deze populaties, aangezien deze uitwisselingen een invloed kunnen vormen die op de betrokken soort inwerkt en op lange termijn een verandering kan bewerkstelligen in de verspreiding en de grootte van de betreffende populatie op dat grondgebied in de zin van artikel 1, onder i), eerste alinea, van deze richtlijn. |
|
54 |
Dergelijke uitwisselingen kunnen namelijk in het bijzonder door immigratie het verlies van specimens van een soort compenseren of daarentegen door emigratie een excessieve groei van de populatie van die soort in de betrokken lidstaat temperen. Bovendien kunnen deze uitwisselingen de genetische variatie van deze populatie versterken. |
|
55 |
Voorts kan, zoals ook de advocaat-generaal in punt 53 van haar conclusie in wezen heeft opgemerkt, uitwisseling tussen de populaties van de lidstaten of derde landen die deel uitmaken van eenzelfde populatie, in casu de Baltische wolvenpopulatie, of zelfs de Euraziatische populatie van deze diersoort, zelfs een onmisbare voorwaarde zijn voor het behoud van die diersoort, met name wat betreft de populaties in de lidstaten met een relatief geringe oppervlakte, waardoor de natuurlijke habitat die de soort daar kan vinden te klein is om de levensvatbaarheid van de populatie te waarborgen. In een dergelijk geval kan de betrokken soort haar voortbestaan in een dergelijke lidstaat slechts verzekeren indien de populatie ervan – die geïsoleerd niet-levensvatbaar is – in voortdurende uitwisseling is met populaties van dezelfde soort in aangrenzende lidstaten of derde landen. De inaanmerkingneming van deze uitwisseling kan het toch mogelijk maken vast te stellen dat deze populatie voldoet aan de drie cumulatieve voorwaarden voor een gunstige staat van instandhouding als bedoeld in artikel 1, onder i), tweede alinea, van de habitatrichtlijn. |
|
56 |
Zoals volgt uit de bewoordingen van deze bepaling, die in punt 46 van het onderhavige arrest in herinnering zijn gebracht, is het voor de gunstige staat van instandhouding van een soort echter niet voldoende dat uit populatiedynamische gegevens van de betrokken soort blijkt dat deze soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin hij voorkomt, dat het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt en dat er een voldoende grote habitat bestaat om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden. Daarnaast moet ten eerste uit populatiedynamische gegevens van de betrokken soort blijken dat deze op lange termijn een levensvatbare component kan blijven vormen van de natuurlijke habitats waarin hij voorkomt, ten tweede mag het natuurlijke verspreidingsgebied van deze soort niet binnen afzienbare tijd kleiner lijken te worden, en ten derde moet er waarschijnlijk een voldoende grote habitat blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden. |
|
57 |
Bijgevolg moet, zoals de advocaat-generaal in punt 59 van haar conclusie in wezen heeft opgemerkt, wanneer een actuele situatie in het licht van deze criteria bevredigend is, nog worden nagegaan of deze situatie duurzaam is opdat kan worden vastgesteld dat de staat van instandhouding van een soort gunstig is. |
|
58 |
In dit verband moet in de eerste plaats met name rekening worden gehouden met elke voorzienbare verandering die van invloed kan zijn op uitwisselingen tussen de in de betrokken lidstaat aanwezige populatie en de andere populaties die deel uitmaken van dezelfde populatie. |
|
59 |
De door de verwijzende rechter aangehaalde bouw van grensafsluitingen tussen de Republiek Estland, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen enerzijds en de Republiek Belarus en de Russische Federatie anderzijds, vormt een dergelijke verandering. Deze afsluitingen kunnen namelijk van invloed zijn op uitwisselingen tussen de populaties van de betrokken soort in die lidstaten en de populaties van die soort in Belarus en Rusland. |
|
60 |
In de tweede plaats moet rekening worden gehouden met het niveau van wettelijke bescherming dat in de aangrenzende lidstaten en derde landen aan de betrokken soort wordt geboden. |
|
61 |
Het duurzame karakter van de waargenomen uitwisselingen tussen de populatie van de betrokken soort in een lidstaat en de populaties van die soort in andere lidstaten kan in beginsel worden verondersteld, aangezien deze laatste lidstaten, net als de eerste, onderworpen zijn aan de vereisten van de habitatrichtlijn. |
|
62 |
Daarentegen bestaat er, zoals de advocaat-generaal in de punten 63 en 64 van haar conclusie in wezen heeft opgemerkt, bij gebreke van een bescherming in een derde land die vergelijkbaar is met die welke wordt geboden door de habitatrichtlijn, of althans door het op 19 september 1979 te Bern ondertekende Verdrag inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijk milieu in Europa (PB 1982, L 38, blz. 3), geen enkele juridische waarborg tegen een toekomstige verslechtering van de in dat derde land voorkomende populatie en dus van uitwisselingen met de populatie van de betrokken lidstaat (zie in die zin arrest van 11 juli 2024, WWF Österreich e.a.,C‑601/22, EU:C:2024:595, punten 62 en 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
63 |
In de derde plaats en tot slot zal, zoals de advocaat-generaal in punt 67 van haar conclusie heeft opgemerkt, het gewicht dat moet worden toegekend aan de relaties met populaties van aangrenzende lidstaten en derde landen des te groter zijn wanneer die lidstaten en derde landen niet alleen vergelijkbare wettelijke beschermingsregelingen toepassen, maar ook samenwerken met de betrokken lidstaat om die soort te beschermen en bijvoorbeeld hun beschermingsmaatregelen coördineren om de uitwisseling tussen de betrokken populaties optimaal te laten verlopen. |
|
64 |
Bovendien kan het, om erop toe te zien dat, zoals in punt 38 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, het onttrekken van specimens van een soort aan de natuur en de exploitatie van die specimens verenigbaar is met het behoud van die soort in een gunstige staat van instandhouding, noodzakelijk zijn dat de lidstaat op het grondgebied waarvan zich een wolvenpopulatie bevindt die deel uitmaakt van een populatie waarvan het natuurlijke verspreidingsgebied zich tot buiten dat grondgebied uitstrekt, wanneer die lidstaat rekening wil houden met uitwisselingen tussen de wolvenpopulatie op dat grondgebied en de wolvenpopulaties in de aangrenzende lidstaten of derde landen, met die lidstaten en derde landen informatie deelt over de grensoverschrijdende verplaatsingen van specimens van deze soort en over de beheersmaatregelen die deze lidstaten of derde landen nemen of voornemens zijn te nemen ten aanzien van de populaties op hun respectieve grondgebied. Een dergelijke uitwisseling van informatie kan er namelijk voor zorgen dat de betrokken lidstaat de omvang van zijn eigen populatie nauwkeuriger kan beoordelen. Voorts kan het noodzakelijk zijn om zich te informeren over de door de betrokken lidstaten of derde landen toegepaste of overwogen beheersmaatregelen, opdat deze lidstaat zich ervan kan vergewissen dat de betrokken soort kan worden geacht daadwerkelijk in een gunstige staat van instandhouding op zijn grondgebied te verkeren. Ten slotte kan de betrokken lidstaat informatie nodig hebben over de door de aangrenzende lidstaten of derde landen toegepaste of voorgenomen maatregelen om zich ervan te vergewissen dat de maatregelen die hij ten aanzien van deze soort overweegt te nemen, verenigbaar zijn met het behoud van de gunstige staat van instandhouding van de soort op zijn grondgebied. |
|
65 |
Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of, gelet op de in de punten 45 tot en met 64 van het onderhavige arrest vermelde elementen, de staat van instandhouding van de wolf in Estland als gunstig kon worden beschouwd ten tijde van de vaststelling van het actieplan voor de periode 2012‑2021 en, in voorkomend geval, of de beheersmaatregelen die zijn vastgesteld in het in punt 21 van het onderhavige arrest bedoelde besluit in het hoofdgeding, verenigbaar zijn met het behoud van de wolf in die staat. |
|
66 |
Gelet op een en ander moet op de eerste tot en met de derde vraag worden geantwoord dat artikel 1, onder i), van de habitatrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat:
|
Vierde vraag
|
67 |
Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 1, onder i), van de habitatrichtlijn, gelezen in samenhang met artikel 2, lid 3, van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat bij de beoordeling van de staat van instandhouding van een diersoort met het oog op de vaststelling van beheersmaatregelen op grond van artikel 14 van die richtlijn, rekening kan worden gehouden met vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied en met regionale en lokale bijzonderheden in de zin van dat artikel 2, lid 3. |
|
68 |
Zoals de advocaat-generaal in de punten 73 tot en met 79 van haar conclusie heeft opgemerkt, kunnen de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied en de regionale en lokale bijzonderheden die de situatie van een lidstaat kenmerken, relevant zijn om vast te stellen of de staat van instandhouding van een soort op zijn grondgebied al dan niet gunstig is in de zin van artikel 1, onder i), van de habitatrichtlijn. Dergelijke vereisten en bijzonderheden kunnen namelijk deel uitmaken van invloeden die op de betrokken soort inwerken en op lange termijn een verandering kunnen bewerkstelligen in de verspreiding en de grootte van de populaties van die soort op het in artikel 2, lid 1, van die richtlijn bedoelde grondgebied. |
|
69 |
Zoals de advocaat-generaal in de punten 80 tot en met 82 van haar conclusie in wezen ook heeft benadrukt, kan de staat van instandhouding van de betrokken soort echter in elk geval niet als gunstig worden beschouwd wanneer niet alle drie cumulatieve voorwaarden van artikel 1, onder i), tweede alinea, van de habitatrichtlijn zijn vervuld. Indien de lidstaten ervan mochten uitgaan dat, hoewel niet aan deze voorwaarden is voldaan, de staat van instandhouding van de betrokken soort niettemin als gunstig moet worden beschouwd wegens de vereisten of bijzonderheden waarnaar artikel 2, lid 3, van die richtlijn verwijst, dan zou de verwezenlijking van de in lid 2 van dat artikel 2 bedoelde doelstelling van instandhouding van de soort in gevaar komen (zie naar analogie arresten van 7 november 2000, First Corporate Shipping,C‑371/98, EU:C:2000:600, punt 23, en 14 januari 2010, Stadt Papenburg,C‑226/08, EU:C:2010:10, punt 31). |
|
70 |
Om diezelfde reden kunnen de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied alsook regionale en lokale bijzonderheden, waarnaar artikel 2, lid 3, van de habitatrichtlijn verwijst – welk artikel overigens geen zelfstandige afwijking van de algemene beschermingsregeling van deze richtlijn vormt (arrest van 14 januari 2010, Stadt Papenburg,C‑226/08, EU:C:2010:10, punt 32) – niet worden aangevoerd om de verplichting terzijde te stellen om erop toe te zien dat het onttrekken van specimens van een soort aan de natuur en de exploitatie van deze specimens verenigbaar is met het behoud van deze soort in een gunstige staat van instandhouding. Deze verplichting beperkt, zoals in punt 38 van het onderhavige arrest is opgemerkt, de beoordelingsmarge waarover de lidstaten krachtens artikel 14 van die richtlijn beschikken. Slechts binnen de grenzen van deze beoordelingsmarge mogen de lidstaten in beginsel rekening houden met deze vereisten en bijzonderheden. |
|
71 |
Gelet op een en ander moet op de vierde vraag worden geantwoord dat artikel 1, onder i), van de habitatrichtlijn, gelezen in samenhang met artikel 2, lid 3, van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat bij de beoordeling van de staat van instandhouding van een diersoort met het oog op de vaststelling van beheersmaatregelen op grond van artikel 14 van die richtlijn, rekening kan worden gehouden met vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied alsook met regionale en lokale bijzonderheden in de zin van dat artikel 2, lid 3, wanneer deze vereisten en bijzonderheden invloeden vormen die op de betrokken soort inwerken en op lange termijn een verandering kunnen bewerkstelligen in de verspreiding en de grootte van de populaties van die soort op het in artikel 2, lid 1, van die richtlijn bedoelde grondgebied. De staat van instandhouding van deze soort kan echter niet op grond van deze vereisten en bijzonderheden als gunstig worden beschouwd indien niet is voldaan aan de drie cumulatieve voorwaarden van de tweede alinea van dat artikel 1, onder i). |
Kosten
|
72 |
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. |
|
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht: |
|
|
ondertekeningen |
( *1 ) Procestaal: Ests.