ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

3 juli 2025 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Asielbeleid – Internationale bescherming – Gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van internationale bescherming – Richtlijn 2013/32/EU – Artikel 46 – Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikel 47 – Recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel – Vereiste van een volledig en ex nunc onderzoek van het beroep – Verplichting om in persoon te verschijnen voor het beroepsorgaan – Vermoeden van misbruik van een rechtsmiddel – Verwerping van het beroep wegens kennelijke ongegrondheid zonder onderzoek ten gronde – Evenredigheidsbeginsel”

In zaak C‑610/23 [Al Nasiria] ( i ),

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Dioikitiko Protodikeio Thessalonikis (bestuursrechter in eerste aanleg Thessaloniki, Griekenland) bij beslissing van 30 juni 2023, ingekomen bij het Hof op 3 oktober 2023, in de procedure

FO

tegen

Ypourgos Metanastefsis kai Asylou,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: F. Biltgen, kamerpresident, T. von Danwitz (rapporteur), vicepresident van het Hof, waarnemend rechter van de Eerste kamer, A. Kumin, I. Ziemele en S. Gervasoni, rechters,

advocaat-generaal: L. Medina,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

de Griekse regering, vertegenwoordigd door Z. Chatzipavlou, K. Georgiadis en T. Papadopoulou als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Blanc-Simonetti en A. Katsimerou als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 februari 2025,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft in essentie de uitlegging van artikel 46 van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB 2013, L 180, blz. 60), gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen FO en de Ypourgos Metanastefsis kai Asylou (minister van Immigratie en asiel, Griekenland) over de afwijzing van het door FO ingediende verzoek om internationale bescherming.

Toepasselijke bepalingen

Internationaal recht

3

Het op 28 juli 1951 te Genève ondertekende Verdrag betreffende de status van vluchtelingen [United Nations Treaty Series, deel 189, blz. 150, nr. 2545, (1954)], dat op 22 april 1954 in werking is getreden en is aangevuld door het op 31 januari 1967 te New York gesloten Protocol betreffende de status van vluchtelingen, dat in werking is getreden op 4 oktober 1967, bevat een artikel 33 met het opschrift „Verbod tot uitzetting of terugleiding (‚refoulement’)”, waarvan lid 1 als volgt is verwoord:

„Geen der verdragsluitende staten zal, op welke wijze ook, een vluchteling uitzetten of terugleiden naar de grenzen van een grondgebied waar zijn leven of vrijheid bedreigd zou worden op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging.”

Unierecht

Richtlijn 2008/115

4

Artikel 7 van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008, L 348, blz. 98) bepaalt in lid 4 het volgende:

„Indien er een risico op onderduiken bestaat, of een aanvraag voor een verblijfsvergunning als kennelijk ongegrond dan wel frauduleus afgewezen is, dan wel indien de betrokkene een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid, kunnen de lidstaten afzien van het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek, of een termijn toekennen die korter is dan zeven dagen.”

5

Artikel 11, lid 1, van deze richtlijn luidt:

„Het terugkeerbesluit gaat gepaard met inreisverbod:

a)

indien er geen termijn voor vrijwillig vertrek is toegekend, of

b)

indien niet aan de terugkeerverplichting is voldaan.

In de overige gevallen kan het terugkeerbesluit een inreisverbod omvatten.”

Richtlijn 2011/95

6

Artikel 2 van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB 2011, L 337, blz. 9) bepaalt:

„In deze richtlijn gelden de volgende definities:

[...]

d)

‚vluchteling’: een onderdaan van een derde land die zich wegens een gegronde vrees voor vervolging om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, buiten het land bevindt waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, wegens deze vrees, niet wil inroepen, dan wel een staatloze die zich om dezelfde reden buiten het land bevindt waar hij vroeger gewoonlijk verbleef en daarheen niet kan, dan wel wegens genoemde vrees niet wil terugkeren, en op wie artikel 12 niet van toepassing is;

[...]

f)

‚persoon die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt’: een onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, doch ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15, en op wie artikel 17, leden 1 en 2, niet van toepassing is, en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen;

[...]”

7

Artikel 4 van deze richtlijn heeft als opschrift „Beoordeling van feiten en omstandigheden” en bepaalt:

„1.   De lidstaten mogen van de verzoeker verlangen dat hij alle elementen ter staving van het verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk indient. De lidstaat heeft tot taak om de relevante elementen van het verzoek in samenwerking met de verzoeker te beoordelen.

[...]

3.   De beoordeling van een verzoek om internationale bescherming moet plaatsvinden op individuele basis en houdt onder meer rekening met:

a)

alle relevante feiten in verband met het land van herkomst op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen, met inbegrip van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het land van herkomst en de wijze waarop deze worden toegepast;

b)

de door de verzoeker afgelegde verklaring en overgelegde documenten, samen met informatie over de vraag of de verzoeker aan vervolging of andere ernstige schade blootgesteld is dan wel blootgesteld zou kunnen worden;

c)

de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, waartoe factoren behoren zoals achtergrond, geslacht en leeftijd, teneinde te beoordelen of op basis van de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, de daden waaraan hij blootgesteld is of blootgesteld zou kunnen worden, met vervolging of ernstige schade overeenkomen;

[...]

5.   Wanneer lidstaten het beginsel toepassen, volgens welk het de taak van de verzoeker is zijn verzoek om internationale bescherming te staven, wordt de verzoeker ondanks het eventuele ontbreken van bewijsmateriaal voor een aantal van de verklaringen van de verzoeker, geloofwaardig geacht en wordt hem het voordeel van de twijfel gegund, wanneer aan de volgende voorwaarden voldaan is:

a)

de verzoeker heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn verzoek te staven;

b)

alle relevante elementen waarover de verzoeker beschikt, zijn overgelegd, en er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen;

c)

de verklaringen van de verzoeker zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn verzoek;

d)

de verzoeker heeft zijn verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk ingediend, tenzij hij goede redenen kan aanvoeren waarom hij dit heeft nagelaten, en

e)

vast is komen te staan dat de verzoeker in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.”

Richtlijn 2013/32

8

De overwegingen 18, 23, 25, 43 en 50 van richtlijn 2013/32 luiden:

„(18)

Het is in het belang van zowel de lidstaten als de personen die om internationale bescherming verzoeken dat zo spoedig mogelijk een beslissing wordt genomen inzake verzoeken om internationale bescherming, onverminderd het uitvoeren van een behoorlijke en volledige behandeling.

[...]

(23)

In beroepsprocedures moet onder bepaalde voorwaarden aan verzoekers kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging worden aangeboden door personen die daartoe krachtens het nationale recht bevoegd zijn. Bovendien moeten verzoekers in alle fasen van de procedure het recht hebben om op eigen kosten juridisch adviseurs of raadslieden te raadplegen die in het nationale recht als zodanig zijn erkend of toegelaten.

[...]

(25)

Teneinde ervoor te zorgen dat personen die bescherming behoeven als vluchteling in de zin van artikel 1 van het [op 28 juli 1951 te Genève ondertekende] Verdrag van Genève [betreffende de status van vluchtelingen] of als persoon die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt, correct als zodanig worden erkend, moet elke verzoeker, daadwerkelijk toegang hebben tot de procedures, in de gelegenheid worden gesteld met de bevoegde autoriteiten samen te werken en te communiceren om de voor zijn zaak relevante feiten uiteen te zetten, en over voldoende procedurele waarborgen beschikken om zijn rechten in alle fasen van de procedure te doen gelden. Voorts moet de procedure voor het onderzoeken van een verzoek om internationale bescherming de verzoeker normaliter ten minste het volgende geven: het recht om te blijven in afwachting van een beslissing van de beslissingsautoriteit; [...] het recht op passende kennisgeving van een beslissing en de redenen voor die beslissing in feite en in rechte; de mogelijkheid om een juridisch adviseur of andere raadsman te raadplegen; het recht om op beslissende momenten in de procedure te worden ingelicht over zijn rechtspositie, in een taal die hij begrijpt of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hij deze begrijpt; en, bij een negatieve beslissing, het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie.

[...]

(43)

De lidstaten moeten alle verzoeken onderzoeken op de inhoud, met andere woorden beoordelen of de betrokken verzoeker al dan niet in aanmerking komt voor internationale bescherming overeenkomstig richtlijn [2011/95], behoudens andere bepalingen in onderhavige richtlijn, met name indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een ander land het onderzoek zal doen of voldoende bescherming zal verlenen. [...]

[...]

(50)

Krachtens een fundamenteel beginsel van het recht van de Unie moet tegen beslissingen inzake een verzoek om internationale bescherming, beslissingen inzake een weigering om de behandeling van een verzoek na de stopzetting ervan te hervatten, en beslissingen inzake de intrekking van de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus een daadwerkelijk rechtsmiddel openstaan voor een rechterlijke instantie.”

9

Artikel 2 van richtlijn 2013/32 heeft als opschrift „Definities” en bepaalt:

„In deze richtlijn wordt verstaan onder:

[...]

f)

‚beslissingsautoriteit’: elk semirechterlijk of administratief orgaan in een lidstaat dat met de behandeling van verzoeken om internationale bescherming is belast en bevoegd is daarover in eerste aanleg een beslissing te nemen;

[...]”

10

Artikel 28 van deze richtlijn, met als opschrift „Procedure ingeval het verzoek impliciet wordt ingetrokken of ingeval impliciet van het verzoek wordt afgezien”, bepaalt in de leden 1 en 2:

„1.   Wanneer er een gegronde reden is om aan te nemen dat verzoeker zijn verzoek impliciet heeft ingetrokken of dat hij impliciet van dit verzoek heeft afgezien, zorgen de lidstaten ervoor dat de beslissingsautoriteit beslist om hetzij de behandeling van het verzoek te beëindigen ofwel, mits zij het verzoek op basis van een toereikend onderzoek ten gronde overeenkomstig artikel 4 van richtlijn [2011/95] als ongegrond beschouwt, het verzoek af te wijzen.

De lidstaten kunnen met name aannemen dat de verzoeker zijn verzoek om internationale bescherming impliciet heeft ingetrokken of dat hij er impliciet van heeft afgezien wanneer is vastgesteld dat:

a)

hij heeft nagelaten te antwoorden op verzoeken informatie te verstrekken die van wezenlijk belang is voor zijn verzoek zoals bedoeld in artikel 4 van richtlijn [2011/95], dan wel dat hij niet is verschenen voor een persoonlijk onderhoud zoals bedoeld in de artikelen 14 tot en met 17 van deze richtlijn, tenzij hij binnen een redelijke tijd aantoont dat zulks te wijten was aan omstandigheden waarop hij geen invloed heeft;

b)

hij is verdwenen, of wanneer is vastgesteld dat hij de plaats waar hij verbleef of werd vastgehouden, zonder toestemming heeft verlaten zonder binnen een redelijke termijn contact met de bevoegde autoriteit op te nemen, dan wel wanneer hij niet binnen een redelijke termijn heeft voldaan aan zijn meldingsplicht of aan andere verplichtingen tot kennisgeving, tenzij hij aantoont dat zulks te wijten was aan omstandigheden waarop hij geen invloed heeft.

De lidstaten kunnen met het oog op de uitvoering van deze bepalingen termijnen vaststellen of richtsnoeren uitvaardigen.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat een verzoeker die zich opnieuw bij de bevoegde autoriteit meldt nadat een beslissing om de behandeling van zijn verzoek te beëindigen is genomen zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel, het recht heeft te verzoeken dat zijn verzoek opnieuw in behandeling wordt genomen of om een nieuw verzoek te doen dat niet onderworpen is aan de in de artikelen 40 en 41 bedoelde procedure.

De lidstaten kunnen een tijdslimiet van ten minste negen maanden vaststellen waarna een verzoek niet langer opnieuw in behandeling kan worden genomen of waarna het nieuwe verzoek mag worden behandeld als een volgend verzoek en aan de in de artikelen 40 en 41 bedoelde procedure mag worden onderworpen. De lidstaten kunnen bepalen dat de zaak van de verzoeker slechts éénmalig opnieuw in behandeling kan worden genomen.

De lidstaten zorgen ervoor dat een dergelijke persoon niet wordt verwijderd in strijd met het beginsel van non-refoulement.

De lidstaten kunnen de beslissingsautoriteit toestaan de behandeling van het verzoek te hervatten in de fase waarin deze werd beëindigd.”

11

Artikel 31 van richtlijn 2013/32, met als opschrift „Behandelingsprocedure”, bepaalt in lid 8:

„De lidstaten kunnen bepalen dat een behandelingsprocedure overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen in hoofdstuk II wordt versneld en/of aan de grens of in transitzones wordt gevoerd overeenkomstig artikel 43 indien:

a)

de verzoeker bij de indiening van zijn verzoek en de toelichting van de feiten alleen aangelegenheden aan de orde heeft gesteld die niet ter zake doen om uit te maken of hij in aanmerking komt voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet overeenkomstig richtlijn [2011/95]; of

b)

de verzoeker afkomstig is uit een veilig land van herkomst in de zin van deze richtlijn; of

c)

de verzoeker de autoriteiten heeft misleid door omtrent zijn identiteit en/of nationaliteit valse informatie of documenten te verstrekken of door relevante informatie of documenten die een negatieve invloed op de beslissing hadden kunnen hebben, achter te houden; of

d)

de verzoeker waarschijnlijk, te kwader trouw, een identiteits‑ of reisdocument dat ertoe kon bijdragen dat zijn identiteit of nationaliteit werd vastgesteld, heeft vernietigd of zich daarvan heeft ontdaan; of

e)

de verzoeker kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen heeft afgelegd die tegenstrijdig zijn met voldoende geverifieerde informatie over het land van herkomst, waardoor zijn bewering alle overtuigingskracht wordt ontnomen met betrekking tot de vraag of hij voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet op grond van richtlijn [2011/95]; of

f)

de verzoeker een volgend verzoek om internationale bescherming heeft ingeleid dat niet overeenkomstig artikel 40, lid 5, niet-ontvankelijk wordt geacht; of

g)

de verzoeker enkel een verzoek doet teneinde de uitvoering van een eerdere of van een op handen zijnde beslissing die tot zijn verwijdering zou leiden, uit te stellen of te verijdelen, of

h)

de verzoeker het grondgebied van de lidstaat onrechtmatig is binnengekomen of zijn verblijf op onrechtmatige wijze heeft verlengd en zich, gezien de omstandigheden van zijn binnenkomst, zonder gegronde reden niet zo snel mogelijk bij de autoriteiten heeft aangemeld of geen verzoek om internationale bescherming heeft gedaan, of

i)

de aanvrager weigert te voldoen aan de verplichting zijn vingerafdrukken te laten nemen [...]; of

j)

de verzoeker op ernstige gronden als gevaar te beschouwen is voor de nationale veiligheid of de openbare orde van de lidstaat; of de verzoeker onder dwang is uitgezet om ernstige redenen van openbare veiligheid of openbare orde krachtens het nationale recht.”

12

Artikel 32 van richtlijn 2013/32, met als opschrift „Ongegronde verzoeken”, luidt als volgt:

„1.   Onverminderd artikel 27 kunnen de lidstaten een verzoek enkel als ongegrond afwijzen wanneer de beslissingsautoriteit heeft vastgesteld dat de verzoeker niet in aanmerking komt voor internationale bescherming overeenkomstig richtlijn [2011/95].

2.   In gevallen van ongegronde verzoeken waarop een van de in artikel 31, lid 8, vermelde omstandigheden van toepassing is, kunnen de lidstaten tevens een verzoek als kennelijk ongegrond beschouwen indien dit zo in de nationale wetgeving is omschreven.”

13

Artikel 46 van richtlijn 2013/32, met als opschrift „Recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel”, bepaalt:

„1.   De lidstaten zorgen ervoor dat voor verzoekers een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie openstaat tegen:

a)

een beslissing die inzake hun verzoek om internationale bescherming is gegeven, met inbegrip van een beslissing:

i)

om een verzoek als ongegrond te beschouwen met betrekking tot de vluchtelingenstatus en/of de subsidiairebeschermingsstatus;

ii)

om een verzoek als niet-ontvankelijk te beschouwen overeenkomstig artikel 33, lid 2;

iii)

aan de grens of in de transitzones van een lidstaat zoals omschreven in artikel 43, lid 1;

iv)

om een behandeling niet uit te voeren krachtens artikel 39;

b)

een weigering om de behandeling van een verzoek na de onderbreking ervan overeenkomstig de artikelen 27 en 28 te hervatten;

c)

een beslissing tot intrekking van de internationale bescherming krachtens artikel 45.

[...]

3.   Teneinde aan lid 1 te voldoen, zorgen de lidstaten ervoor dat een daadwerkelijk rechtsmiddel een volledig en ex nunc onderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden omvat, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig richtlijn [2011/95], zulks ten minste in beroepsprocedures voor een rechterlijke instantie van eerste aanleg.

4.   De lidstaten stellen redelijke termijnen en andere vereiste voorschriften vast opdat de verzoeker zijn recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel krachtens lid 1 kan uitoefenen. De termijnen maken het uitoefenen van dit recht niet onmogelijk of uiterst moeilijk.

De lidstaten kunnen ook voorzien in een ambtshalve toetsing van krachtens artikel 43 genomen beslissingen.

5.   Onverminderd lid 6 staan de lidstaten de verzoekers toe om op het grondgebied te blijven tot de termijn waarbinnen zij hun recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel kunnen uitoefenen, verstreken is en, wanneer dat recht binnen de termijn werd uitgeoefend, in afwachting van de uitkomst van het rechtsmiddel.

6.   In geval van een beslissing om:

a)

een verzoek als kennelijk ongegrond te beschouwen overeenkomstig artikel 32, lid 2, of als ongegrond na behandeling overeenkomstig artikel 31, lid 8, behoudens de gevallen waarin deze beslissingen zijn genomen op basis van de in artikel 31, lid 8, onder h), genoemde omstandigheden;

b)

een verzoek als niet-ontvankelijk te beschouwen krachtens artikel 33, lid 2, onder a), b) of d);

c)

het opnieuw in behandeling nemen van het dossier van de verzoeker te weigeren nadat de behandeling ervan overeenkomstig artikel 28 is beëindigd; of

d)

een verzoek niet of niet volledig te behandelen overeenkomstig artikel 39,

is een rechterlijke instantie bevoegd om, op verzoek van de betrokken verzoeker of ambtshalve, uitspraak te doen over de vraag of de verzoeker op het grondgebied van de lidstaat mag blijven, indien deze beslissing resulteert in een beëindiging van het recht van de verzoeker om in de lidstaat te blijven, en het nationale recht in dergelijke gevallen niet voorziet in het recht om in de lidstaat te blijven in afwachting van de uitkomst van het rechtsmiddel.

[...]

11.   De lidstaten kunnen in hun nationale wetgeving tevens de voorwaarden vastleggen waaronder ervan kan worden uitgegaan dat een verzoeker zijn rechtsmiddel zoals bedoeld in lid 1, impliciet heeft ingetrokken of daarvan heeft afgezien, en wel tezamen met de regels inzake de procedure die moet worden gevolgd.”

Grieks recht

Wet 3907/2011

14

Nomos 3907/2011, Idrysi Ypiresias Asylou kai Ypiresias Protis Ypodochis, prosarmogi tis ellinikis nomothesias pros tis diatakseis tis Odigias 2008/115/EK schetika me tous koinous kanones kai diadikasies sta krati-meli gia tin epistrophi ton paranomos diamenonton ypikoon triton choron kai loipes diatakseis (wet 3907/2011 tot instelling van een dienst voor asiel en eerste opvang, tot aanpassing van de Griekse wetgeving aan de bepalingen van richtlijn [2008/115] en inzake overige bepalingen) (FEK A’ 7/26.1.2011) (hierna: „wet 3907/2011”), bevat een artikel 22 met als opschrift „Vrijwillig vertrek” dat in lid 4 bepaalt:

„Indien er een risico op onderduiken bestaat, of indien de derdelander een gevaar vormt voor de openbare veiligheid, de openbare orde of de nationale veiligheid [...] of indien de aanvraag voor rechtmatig verblijf als kennelijk ongegrond of als misbruik is afgewezen, verlenen de specifiek bevoegde autoriteiten geen termijn voor vrijwillig vertrek.”

Wet 4375/2016

15

Nomos 4375/2016, Organosi kai leitourgia Ypiresias Asylou, Archis Prosfygon, Ypiresias Ypodochis kai Taftopoiisis, systasi Genikis Grammateias Ypodochis, prosarmogi tis Ellinikis Nomothesias pros tis diatakseis tis Odigias 2013/32/ΕΕ tou Evropaikou Koinovouliou kai tou Symbouliou „schetika me tis koines diadikasies gia ti chorigisi kai anaklisi tou kathestotos diethnous prostasias (anadiatyposi)” (EE 2013 L 180), diatakseis gia tin ergasia dikaiouchon diethnous prostasias kai alles diatakseis (wet 4375/2016 inzake de organisatie en het functioneren van de asieldienst, de beroepsinstantie, de dienst ontvangst en identificatie, inzake de oprichting van een algemeen secretariaat voor ontvangst en inzake aanpassing van de Griekse wetgeving aan de bepalingen van richtlijn [2013/32], bepalingen betreffende de arbeid van personen die recht hebben op internationale bescherming en andere bepalingen) (FEK A’ 51/3.4.2016), zoals gewijzigd bij wet 4399/2016 (hierna: „wet 4375/2016”), bevat een artikel 4, waarbij in lid 1, met het oog op het waarborgen van het in artikel 46 van deze richtlijn opgenomen recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel, onafhankelijke beroepscommissies zijn ingesteld. Deze commissies, die in Athene zijn gevestigd en territoriaal bevoegd zijn voor heel Griekenland, zijn bevoegd om uitspraak te doen op beroepen van personen die om internationale bescherming verzoeken, teneinde beslissingen van de Ypiresia Asylou (asieldienst, Griekenland) waarbij hun verzoeken in eerste aanleg zijn afgewezen, zowel juridisch als feitelijk te toetsen.

Wet 4636/2019

16

Bij Nomos 4636/2019 peri diethnous prostasias kai alles diatakseis (wet 4636/2019 inzake internationale bescherming en andere bepalingen) (FEK A’ 169/1.11.2019), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: „wet 4636/2019”), is richtlijn 2013/32 omgezet in de Griekse rechtsorde.

17

Artikel 78 van deze wet bepaalde in de leden 3 en 9:

„3.   Verzoekers zijn verplicht om zich onmiddellijk in persoon bij de ontvangende autoriteiten te melden om een verzoek om internationale bescherming in te dienen, alsmede zich te allen tijde in persoon te melden indien zij overeenkomstig dit deel van deze wet voor de bevoegde autoriteiten worden opgeroepen. [...] Wanneer zij in persoon verschijnen, kunnen zij zich overeenkomstig artikel 71, lid 1, laten bijstaan door procesgemachtigde advocaten en andere speciaal gemachtigde raadslieden. De verplichting om in elke fase van de behandelingsprocedure voor het verzoek of het beroep in persoon te verschijnen, wordt niet opgeheven door de aanwezigheid van de in het vorige lid bedoelde personen. Bij wijze van uitzondering zijn de volgende bepalingen specifiek van toepassing op de terechtzittingen voor de behandeling van beroepen bij de onafhankelijke beroepscommissies:

a)

Wanneer verzoekers in opvangcentra of verblijfsinrichtingen verblijven, zijn zij niet verplicht om in persoon te verschijnen. In dergelijke gevallen kunnen verzoekers hetzij zich laten vertegenwoordigen door procesgemachtigde advocaten, door speciaal gemachtigde raadslieden of door andere overeenkomstig artikel 71, lid 1, gemachtigde personen, hetzij, met alle passende middelen en uiterlijk op de dag vóór de datum van de terechtzitting, een verklaring van de verantwoordelijke voor het opvangcentrum of de verblijfsinrichting doen toekomen aan het beroepsorgaan. In deze verklaring moet worden vermeld dat de verzoekers op de datum van de aanvraag van de verklaring werkelijk in het opvangcentrum of de verblijfsinrichting verblijven. Deze datum mag niet meer dan drie (3) dagen vóór de datum van de terechtzitting voor de behandeling van het beroep liggen.

b)

Wanneer verzoekers overeenkomstig artikel 45 in hun bewegingsvrijheid zijn beperkt of verplicht zijn om op een bepaalde plaats te verblijven, hoeven zij niet in persoon te verschijnen. In dergelijke gevallen kunnen verzoekers hetzij zich laten vertegenwoordigen door procesgemachtigde advocaten, door speciaal gemachtigde raadslieden of door andere overeenkomstig artikel 71, lid 1, gemachtigde personen, hetzij, met alle passende middelen en uiterlijk op de dag vóór de datum van de terechtzitting, een verklaring van het politiebureau of het gemeentehuis van hun verblijfplaats doen toekomen aan het beroepsorgaan, waaruit blijkt dat zij zich in persoon hebben gemeld op de datum waarop zij om de verklaring verzochten. Deze datum mag niet meer dan twee (2) dagen vóór de datum van de terechtzitting voor de behandeling van het beroep liggen. Indien de onder a) en b) bedoelde verklaringen het beroepsorgaan niet bereiken, wordt de verzoeker geacht zijn beroep overeenkomstig artikel 81 van deze wet impliciet te hebben ingetrokken.

In geval van overmacht zoals een ernstige ziekte, een ernstige fysieke handicap of een onoverkomelijke verhindering waardoor de verzoeker zich niet in persoon kan melden, wordt de verplichting om zich in persoon te melden geschorst gedurende de situatie van overmacht. In dat geval moet de verzoeker een verzoek indienen waarin de omstandigheden worden vermeld die een situatie van overmacht of onoverkomelijke verhindering vormen en hem beletten zich in persoon te melden. Dit verzoek moet naar behoren worden gestaafd met bewijsstukken en certificaten of verklaringen van de bevoegde overheidsdienst. Indien de bovengenoemde gevallen van overmacht of onoverkomelijke verhindering worden vastgesteld, en mits de verzoeker zich in persoon bij de bevoegde autoriteiten meldt, heeft het niet-verschijnen geen gevolgen in de zin van dit lid.

[...]

9.   Ingeval de verplichting tot samenwerking met de bevoegde autoriteiten, zoals omschreven in de voorgaande leden, niet wordt nagekomen, en met name indien de betrokkene niet communiceert en niet meewerkt met de autoriteiten om de voor de behandeling van het verzoek noodzakelijke elementen vast te stellen, en dit het goede verloop van de procedures voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming belemmert, wordt dit verzoek of het beroep geacht impliciet te zijn ingetrokken overeenkomstig artikel 81 van deze wet.”

18

Artikel 81 van die wet luidde:

„1.   Wanneer er een gegronde reden is om aan te nemen dat een verzoeker zijn verzoek impliciet heeft ingetrokken, gaan de beslissingsautoriteiten, op basis van de informatie waarover de dienst beschikt, overeenkomstig artikel 4 van deze wet over tot een toereikend onderzoek ten gronde, en wijzen zij het verzoek af indien zij dit als ongegrond beschouwen. Indien een toereikend onderzoek ten gronde van het verzoek overeenkomstig de vorige alinea niet mogelijk is op basis van de informatie waarover de dienst beschikt, beëindigen de bevoegde autoriteiten het onderzoek van het verzoek en nemen zij een beslissing tot beëindiging van de behandeling. De beslissing tot beëindiging van de behandeling van het verzoek om internationale bescherming gelast overeenkomstig wet 3907/2011 en wet 3386/2005 tegelijkertijd de terugkeer van de verzoeker. De bovengenoemde handelingen worden meegedeeld overeenkomstig artikel 82 van deze wet.

2.   Met name kan worden aangenomen dat de verzoeker zijn verzoek impliciet heeft ingetrokken, wanneer is vastgesteld dat hij:

a)

heeft nagelaten te antwoorden op verzoeken om informatie te verstrekken die van wezenlijk belang is voor zijn verzoek [...]; of

b)

niet overeenkomstig de artikelen 77 en 97 van deze wet is verschenen voor een persoonlijk onderhoud of een terechtzitting voor de [onafhankelijke] beroepscommissie, hoewel hij rechtsgeldig was opgeroepen; of

c)

is verdwenen uit de plaats waar hij werd vastgehouden [...]; of

d)

de plaats waar hij verbleef heeft verlaten zonder toestemming te vragen aan de bevoegde autoriteiten of zonder deze in te lichten terwijl hij daartoe verplicht was, of het land heeft verlaten zonder toestemming van de bevoegde ontvangende autoriteiten; of

e)

niet heeft voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 78 van deze wet, aan zijn plicht om zich regelmatig te melden of aan andere verplichtingen tot kennisgeving, [...]; of

f)

zich niet overeenkomstig artikel 70 [uiterlijk] de dag na het verstrijken van de geldigheidsduur van zijn verblijfstitel als persoon die om internationale bescherming verzoekt, heeft gemeld om deze te laten verlengen; of

g)

zijn verplichting tot samenwerking overeenkomstig artikel 78 niet nakomt door niet met de autoriteiten samen te werken [...]

[…]

3.   Krachtens artikel 92 van deze wet kan de verzoeker bij de onafhankelijke beroepscommissies beroep instellen tegen beslissingen tot afwijzing zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel.

4.   Wanneer een beslissing tot beëindiging van de behandeling in de zin van lid 1 is genomen, heeft de verzoeker het recht om slechts eenmaal, binnen een termijn van negen (9) maanden na de datum van de beslissing tot beëindiging, de autoriteit van afgifte te verzoeken om de procedure voor de behandeling van zijn dossier voort te zetten, of het recht om een nieuw verzoek in te dienen dat buiten de procedure [van volgende verzoeken] van artikel 89 valt. Zolang er nog geen definitieve beslissing op het verzoek is genomen, wordt de verzoeker het land niet uitgezet en wordt er geen terugkeerbesluit uitgevoerd.”

19

Artikel 92 van wet 4636/2019, met als opschrift „Recht van beroep”, bepaalde in de leden 1 en 4:

„1.   De verzoeker heeft het recht om bij het in artikel 4 van wet 4375/2016 bedoelde beroepsorgaan het in artikel 7, lid 5, van wet 4375/2016 bedoelde administratief beroep in te stellen:

a)

tegen een beslissing waarbij een verzoek om internationale bescherming in het kader van de gewone procedure ongegrond wordt verklaard of waarbij de internationalebeschermingsstatus wordt ingetrokken, alsmede tegen een beslissing tot toekenning van de internationalebeschermingsstatus voor zover daarbij wordt geweigerd om de verzoeker als vluchteling te erkennen, binnen dertig (30) dagen na de kennisgeving van de beslissing of na de datum waarop degene die het beroep instelt, overeenkomstig artikel 82, lid 5, geacht wordt van de beslissing kennis te hebben genomen;

b)

tegen een beslissing waarbij een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk wordt verklaard of wordt afgewezen in het kader van de versnelde procedure [...];

[...]

4.   Wanneer het beroep wordt afgewezen, wordt de verzoeker – tenzij hij een niet-begeleide minderjarige is – voorafgaand aan het vertrek in bewaring gehouden in een inrichting voor bewaring, totdat hij is verwijderd of zijn verzoek definitief is ingewilligd. De indiening van een volgend verzoek en/of een beroep tot nietigverklaring en/of een beroep tot schorsing leidt niet van rechtswege tot opheffing van de bewaring.”

20

Artikel 95, lid 1, van deze wet luidde als volgt:

„Wanneer het beroep wordt ingesteld, stelt de bevoegde ontvangende autoriteit de verzoeker op dezelfde dag in kennis van de datum waarop een terechtzitting over het beroep zal plaatsvinden.”

21

Artikel 97, lid 2, van die wet bepaalde:

„In de procedure voor de onafhankelijke beroepscommissies moet degene die het beroep instelt, in persoon of door tussenkomst van een procesgemachtigde advocaat verschijnen, onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 78, lid 3. Wanneer de verzoeker niet in persoon verschijnt of de in artikel 78, lid 3, bedoelde verklaring niet doet toekomen, wordt hij geacht het beroep uitsluitend te hebben ingesteld om de uitvoering van een eerdere of van een op handen zijnde beslissing tot uitzetting of verwijdering op een andere wijze uit te stellen of te verijdelen, en wordt zijn beroep kennelijk ongegrond verklaard.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

22

Op 28 februari 2019 heeft FO, een Irakees onderdaan, bij de Perifereiako Grafeio Asylou Samou (regionaal asielbureau Samos, Griekenland) een verzoek om internationale bescherming ingediend, op grond dat zijn leven gevaar liep in zijn land van herkomst.

23

Tijdens een onderhoud op 24 februari 2020 bij het Perifereiako Grafeio Asylou Thessalonikis (regionaal asielbureau Thessaloniki, Griekenland) heeft FO verklaard dat hij een romantische relatie met een jonge vrouw had gehad en om deze reden met een vuurwapen was aangevallen en verwond door een familielid van deze vrouw. FO heeft dit incident aan de politie gemeld, maar deze gaf daaraan geen gevolg. Omdat FO zijn relatie met die vrouw na het incident had voortgezet, werd hij bij een stambesluit ter dood veroordeeld. In de loop van de administratieve behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming heeft FO een document van 1 oktober 2018 overgelegd, dat volgens de daarbij gevoegde onofficiële vertaling is gericht aan „alle stammen” en waarin „de verzoeker tot de dood wordt veroordeeld wegens een vergrijp tegen de stam”.

24

Bij beslissing van 18 mei 2020 heeft het regionale asielbureau van Thessaloniki het door FO ingediende verzoek om internationale bescherming afgewezen omdat zijn beweringen over zijn relatie met een jonge vrouw en over de redenen waarom hij gedwongen was zijn land te verlaten, niet betrouwbaar waren. Het document van 1 oktober 2018 waarin zou zijn gelast FO ter dood te brengen, is niet als overtuigend bewijs toegelaten omdat de daarin gedane beweringen onnauwkeurig waren en de echtheid ervan niet kon worden gecontroleerd.

25

Op 27 augustus 2021 heeft FO, bijgestaan door een gemachtigde advocaat, beroep ingesteld tegen deze beslissing bij de 3e onafhankelijke beroepscommissie. Bij de indiening van dit beroep is hem meegedeeld, ten eerste, dat de datum voor de behandeling ervan was vastgesteld op 11 oktober 2021, ten tweede, dat de behandeling van dit soort beroepen in de regel schriftelijk verloopt maar dat hij, indien hij zou worden opgeroepen om te worden gehoord, daarvan ten minste tien werkdagen vóór de datum van de behandeling van zijn beroep in kennis zou worden gesteld en, ten derde, dat hij, zelfs indien hij niet voor een terechtzitting zou worden opgeroepen, in elk geval op de datum van de behandeling van dit beroep om 9.30 uur in persoon voor deze commissie moest verschijnen, tenzij hij legaal in een opvang‑ en identificatiecentrum verbleef of hem een maatregel tot beperking van zijn bewegingsvrijheid of van verblijf was opgelegd op een plaats buiten de regio Attica (Griekenland).

26

FO is op de datum van de terechtzitting voor de behandeling van zijn beroep niet in persoon verschenen voor de 3e onafhankelijke beroepscommissie. Derhalve heeft deze commissie, na te hebben geverifieerd dat FO niet in een opvang‑ en identificatiecentrum verbleef, hem geen maatregel tot beperking van zijn bewegingsvrijheid was opgelegd en er evenmin sprake was van overmacht waardoor het onmogelijk voor hem was om ter terechtzitting te verschijnen, het beroep op grond van artikel 97, lid 2, van wet 4636/2019 zonder onderzoek ten gronde kennelijk ongegrond verklaard. Bovendien heeft deze commissie hem krachtens artikel 22, lid 4, van wet 3907/2011 een terugkeermaatregel zonder een termijn voor vrijwillig vertrek uit het land opgelegd.

27

FO heeft bij de Dioikitiko Protodikeio Thessalonikis (bestuursrechter in eerste aanleg Thessaloniki, Griekenland), de verwijzende rechter, beroep tot nietigverklaring van die beslissing ingesteld. Hij voerde aan dat de 3e onafhankelijke beroepscommissie zijn beroep onrechtmatig had afgewezen, enkel op grond van zijn afwezigheid ter terechtzitting voor de behandeling ervan, zonder het voldoende ten gronde te onderzoeken, terwijl hij niet in staat was de terechtzitting bij te wonen wegens financiële moeilijkheden die hem hadden belet van Thessaloniki, waar hij verblijft, naar Athene (Griekenland) te reizen.

28

De verwijzende rechter merkt om te beginnen op dat de onafhankelijke beroepscommissies bij artikel 4, lid 1, van wet 4375/2016 zijn ingesteld om het in artikel 46 van richtlijn 2013/32 en artikel 47 van het Handvest verankerde recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel te waarborgen voor personen jegens wie een afwijzende beslissing inzake internationale bescherming is genomen. Hij is van mening dat deze commissies, gelet op de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 31 januari 2013, D. en A. (C‑175/11, EU:C:2013:45), „rechterlijke instanties” in de zin van artikel 46 van die richtlijn zijn.

29

Na deze precisering vraagt de verwijzende rechter zich af of de verplichting om in persoon voor die commissies te verschijnen en de gevolgen van de niet-nakoming van deze verplichting zoals vastgesteld in de nationale wetgeving, verenigbaar zijn met artikel 46 van richtlijn 2013/32 en – bij gebreke van een specifieke regel in deze richtlijn die de verschijning van personen die om internationale bescherming verzoeken voor de aangezochte rechterlijke instantie regelt – met het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel.

30

In dit verband merkt hij in de eerste plaats op dat artikel 46, leden 1 en 3, van richtlijn 2013/32 vereist dat de rechter bij wie de persoon die om internationale bescherming verzoekt beroep heeft ingesteld, zowel de feitelijke als de juridische gronden volledig en ex nunc onderzoekt, hetgeen de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wetgeving niet waarborgt wanneer de verzoeker niet in persoon voor de onafhankelijke beroepscommissies verschijnt, aangezien het beroep in dat geval zonder onderzoek ten gronde kennelijk ongegrond wordt verklaard.

31

In de tweede plaats vraagt de verwijzende rechter zich af of, met het oog op de toepassing van het gelijkwaardigheidsbeginsel, de procedure voor dergelijke commissies moet worden vergeleken met de procedure voor andere bestuursorganen die administratieve beroepen behandelen, dan wel met de procedure die van toepassing is op een beroep ten gronde of een beroep tot nietigverklaring bij een bestuursrechter. Hij preciseert dat de betrokkene in geen van beide gevallen verplicht is om bij de behandeling van zijn beroep in persoon te verschijnen, maar dat hij zich door onder andere een gemachtigde advocaat kan laten vertegenwoordigen.

32

Wat in de derde plaats het doeltreffendheidsbeginsel betreft, merkt de verwijzende rechter op dat artikel 97, lid 2, van wet 4636/2019 tot doel heeft de onafhankelijke beroepscommissies in staat te stellen zich ervan te vergewissen dat personen die om internationale bescherming verzoeken, een belang blijven hebben bij de uitkomst van hun beroep en dat zij zich nog op het Griekse grondgebied bevinden, om te voorkomen dat verzoeken die voor deze verzoekers zonder voorwerp zijn geraakt ten gronde worden onderzocht, en om de behandeling van de andere beroepen te versnellen. Deze rechter vraagt zich echter af of deze bepaling, door verzoekers die niet onder een van de uitzonderingen van artikel 78, lid 3, van deze wet vallen te verplichten om vanuit om het even welke plaats in Griekenland naar deze in Athene gevestigde commissies te reizen, zonder zich door een advocaat of een andere persoon te kunnen laten vertegenwoordigen, en door te voorzien in een vermoeden van misbruik van een rechtsmiddel ingeval deze procedurele verplichting niet in acht wordt genomen, de toepassing van het Unierecht niet onmogelijk of uiterst moeilijk maakt en deze verzoekers geen onevenredige last oplegt.

33

In dit verband voert de verwijzende rechter aan dat artikel 97, lid 2, van wet 4636/2019 in dergelijke gevallen bepaalt dat het beroep kennelijk ongegrond wordt verklaard, terwijl richtlijn 2013/32 de lidstaten slechts de mogelijkheid biedt om een vermoeden van impliciete intrekking van het verzoek om internationale bescherming in te stellen ingeval niet wordt voldaan aan een van de in deze richtlijn vastgelegde verplichtingen om met de autoriteiten te communiceren. Volgens deze richtlijn veronderstelt het feit dat een dergelijk verzoek kennelijk ongegrond wordt verklaard immers dat het op zijn minst ongegrond is.

34

Indien een dergelijk verzoek kennelijk ongegrond wordt verklaard, staat dit er volgens artikel 7, lid 4, en artikel 11, lid 1, onder a), van richtlijn 2008/115 voorts aan in de weg dat een termijn voor vrijwillig vertrek wordt toegekend, en heeft dit tot gevolg dat er een inreisverbod aan de derdelander wordt opgelegd. Bovendien bepaalt artikel 46, lid 11, van richtlijn 2013/32 weliswaar dat de lidstaten de voorwaarden kunnen vastleggen waaronder ervan kan worden uitgegaan dat een persoon die om internationale bescherming verzoekt zijn rechtsmiddel impliciet heeft ingetrokken of impliciet daarvan heeft afgezien, tezamen met de regels inzake de procedure die moet worden gevolgd, maar deze richtlijn bevat geen enkele bepaling over de mogelijkheid om rechtsmiddelen kennelijk ongegrond te verklaren.

35

Gelet daarop heeft de Dioikitiko Protodikeio Thessalonikis de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Kan de wetgever, gezien het belang van het in artikel 46 van richtlijn 2013/32 bedoelde rechtsmiddel, uit het feit dat een persoon die om internationale bescherming verzoekt, niet in persoon is verschenen voor de commissie die dat rechtsmiddel onderzoekt, het vermoeden afleiden dat die persoon hiervan misbruik maakt, en bepalen dat het rechtsmiddel daarom, zonder volledig en ex nunc onderzoek van de zaak, kennelijk ongegrond wordt verklaard (met als gevolg dat geen termijn voor vrijwillig vertrek in de zin van artikel 22, lid 4, van wet 3907/2011 en artikel 7 van richtlijn 2008/115 wordt toegekend)?

2)

a)

Indien deze kwestie wordt geacht onder het beginsel van procedurele autonomie van de lidstaten te vallen, welke regels moeten dan in het kader van de toetsing aan het gelijkwaardigheidsbeginsel als de vergelijkbare nationale procedurele voorschriften worden beschouwd: de regels voor nationaalrechtelijke beroepsprocedures bij administratieve commissies of de procedureregels voor de instelling van een inhoudelijk beroep (of een verzoek tot nietigverklaring) bij bestuursrechters?

b)

Is de verplichting om in persoon te verschijnen (of, in de gevallen waarin daarin is voorzien, de in artikel 78, lid 3, van wet 4636/2019 bedoelde verklaring op te sturen) verenigbaar met het beginsel van doeltreffendheid van het Unierecht, en met name met de doeltreffende uitoefening van het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel? Zijn in dat kader relevant, ten eerste, de vraag in hoeverre het in artikel 97, lid 2, van wet 4636/2019 ingestelde vermoeden dat er sprake is van misbruik van een rechtsmiddel, overeenkomt met algemene ervaringslessen, en ten tweede, het feit dat in het kader van de beoordeling (in eerste aanleg) van een verzoek om internationale bescherming dezelfde gedraging zou leiden tot een vermoeden van impliciete intrekking en niet tot kennelijke ongegrondheid van het verzoek?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Overwegingen vooraf

36

Voor zover de verwijzende rechter vragen stelt over de verenigbaarheid van de nationale wetgeving tot uitvoering van artikel 46 van richtlijn 2013/32, dat voorziet in een beroepsprocedure tegen de beslissingen van de autoriteit die bevoegd is om in eerste aanleg over verzoeken om internationale bescherming te beslissen, moet om te beginnen worden nagegaan of de bij artikel 4, lid 1, van deze wet ingestelde onafhankelijke beroepscommissies, die in de toelichting op artikel 86 van wet 4399/2016 tot wijziging van wet 4375/2016 als „semi-rechterlijke instanties” zijn aangemerkt, kunnen worden beschouwd als „rechterlijke instanties” in de zin van artikel 46, lid 1, van deze richtlijn, waarmee het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel kan worden gewaarborgd.

37

In dat opzicht preciseert de verwijzende rechter dat hoewel de onafhankelijke beroepscommissies niet worden beschouwd als rechterlijke instanties in de zin van de nationale rechtsorde, zij wel rechterlijke bevoegdheden uitoefenen. Dit wordt volgens die rechter niet weerlegd door het feit dat tegen hun handelingen beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld bij de bevoegde bestuursrechters, van wie de uitspraken verbindend zijn en moeten worden uitgevoerd.

38

Om te beginnen moet worden opgemerkt dat artikel 46, lid 1, van richtlijn 2013/32 bepaalt dat de lidstaten ervoor zorgen dat voor verzoekers een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie openstaat tegen verschillende handelingen inzake hun verzoeken om internationale bescherming, waaronder met name beslissingen waarbij dergelijke verzoeken ongegrond worden verklaard. Overigens moet, zoals in overweging 50 van richtlijn 2013/32 staat te lezen, krachtens een fundamenteel beginsel van het recht van de Unie tegen onder meer beslissingen inzake een verzoek om internationale bescherming een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie openstaan.

39

In dit verband heeft het Hof, om te bepalen of een instantie een „rechterlijke instantie” is met het oog op de uitoefening van een daadwerkelijk rechtsmiddel tegen de beslissingen van de beslissingsautoriteit in de zin van richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus (PB 2005, L 326, blz. 13), verwezen naar dezelfde criteria als die welke zijn ontwikkeld om te beoordelen of een verwijzende instantie een „rechterlijke instantie” in de zin van artikel 267 VWEU is (zie in die zin arrest van 31 januari 2013, D. en A., C‑175/11, EU:C:2013:45, punt 83 en aldaar aangehaalde rechtspraak), met dien verstande dat deze richtlijn in overweging 27, eerste volzin, uitdrukkelijk verwees naar een „rechterlijke instantie in de zin van artikel [267 VWEU]”. Het feit dat overweging 50 van richtlijn 2013/32 niet een dergelijke verwijzing bevat, verandert niets aan deze beoordeling.

40

Derhalve moet, volgens vaste rechtspraak van het Hof, bij de beoordeling of een verwijzend orgaan een „rechterlijke instantie” is, rekening worden gehouden met een geheel van factoren, zoals de wettelijke grondslag van de instantie, het permanente karakter, de verplichte rechtsmacht, de procedure op tegenspraak, de toepassing van de rechtsregels door de instantie, alsmede de onafhankelijkheid ervan (zie in die zin arresten van 17 september 1997, Dorsch Consult,C‑54/96, EU:C:1997:413, punt 23, en 7 mei 2024, NADA e.a.,C‑115/22, EU:C:2024:384, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

41

Bij de in het hoofdgeding toepasselijke nationale wetgeving zijn onafhankelijke beroepscommissies ingesteld, die bevoegd zijn om uitspraak te doen op beroepen van personen die om internationale bescherming verzoeken, teneinde beslissingen in eerste aanleg waarbij hun verzoeken zijn afgewezen, juridisch en feitelijk te toetsen.

42

In dit verband blijkt uit de door de verwijzende rechter verstrekte informatie om te beginnen dat elk van deze commissies grotendeels bestaat uit magistraten van de gewone bestuursrechtbanken, die worden benoemd voor een termijn van drie jaar en die bij de uitoefening van hun ambt een persoonlijke en functionele onafhankelijkheid genieten. Bovendien hebben die commissies de hoedanigheid van derde ten opzichte van de partijen in het bij hen ingestelde beroep en vertegenwoordigt geen van hun leden de overheid, hetgeen de eerbiediging van het beginsel van onpartijdigheid waarborgt. Voorts eerbiedigt de procedure bij deze commissies het recht om te worden gehoord en de rechten van de verdediging, waarbij rekening wordt gehouden met de bijzonderheden van de procedure voor internationale bescherming, waaronder de inachtneming van de vertrouwelijkheid. Ten slotte worden de beslissingen van die commissies vastgesteld na een grondig juridisch en feitelijk onderzoek, en bevatten zij een volledige, specifieke en concrete motivering. Deze beslissingen zijn bindend voor de partijen, met name de bevoegde minister, en kunnen slechts in het kader van een beroep tot nietigverklaring bij de bestuursrechters ter discussie worden gesteld.

43

Wat in het bijzonder het criterium van onafhankelijkheid betreft, moet worden opgemerkt dat het feit dat de handelingen van de onafhankelijke beroepscommissies aan een rechterlijke toetsing door de gewone bestuursrechters zijn onderworpen, deze commissies op zich kan beschermen tegen de eventuele neiging te zwichten voor inmenging of druk van buitenaf die de onafhankelijkheid van de oordeelsvorming van zijn leden in gevaar zouden kunnen brengen (zie naar analogie arrest van 31 januari 2013, D. en A., C‑175/11, EU:C:2013:45, punt 103).

44

In die omstandigheden moet, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, derhalve worden vastgesteld dat de onafhankelijke beroepscommissies, die bij de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wetgeving zijn ingesteld voor de behandeling van beroepen van personen die om internationale bescherming verzoeken tegen de jegens hen genomen beslissingen, voldoen aan de voorwaarden om te worden beschouwd als „rechterlijke instanties” in de zin van artikel 46 van richtlijn 2013/32. Noch de door de verwijzende rechter verstrekte informatie, noch de argumenten van de Griekse regering en de Europese Commissie bevatten immers elementen die kunnen afdoen aan deze beoordeling in het licht van de criteria die voortvloeien uit de in punt 40 hierboven in herinnering gebrachte vaste rechtspraak van het Hof.

Beantwoording van de vragen

45

Met zijn twee vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 46 van richtlijn 2013/32, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat die, ingeval een persoon die om internationale bescherming verzoekt de procedurele verplichting niet nakomt om in persoon te verschijnen voor de rechter die bevoegd is om uitspraak te doen op zijn beroep tegen de beslissing tot afwijzing van zijn verzoek, een vermoeden van misbruik van dat rechtsmiddel instelt en bepaalt dat het beroep zonder enig onderzoek ten gronde kennelijk ongegrond moet worden verklaard.

46

In het onderhavige geval vloeit de twijfel van de verwijzende rechter over de uitlegging van het Unierecht voort uit het feit dat, wanneer de persoon die om internationale bescherming verzoekt niet in persoon verschijnt voor de rechterlijke instantie die bevoegd is om uitspraak te doen op zijn beroep tegen de beslissing tot afwijzing van zijn verzoek, dit beroep – overeenkomstig de nationale wetgeving tot omzetting van artikel 46 van richtlijn 2013/32 – wordt geacht uitsluitend te zijn ingesteld om de uitvoering van een eerdere of van een op handen zijnde beslissing tot uitzetting of verwijdering op een andere wijze uit te stellen of te verijdelen en kennelijk ongegrond moet worden verklaard. Volgens de verwijzende rechter kan het feit dat de verzoeker niet in persoon voor de bevoegde rechter verschijnt echter het gevolg zijn van redenen die geen verband houden met een voornemen om de uitvoering van een eerdere of van een op handen zijnde beslissing waarbij de uitzetting of verwijdering van de verzoeker wordt gelast op een andere wijze te verijdelen of uit te stellen. Bovendien is de verwijzende rechter van oordeel dat volgens richtlijn 2013/32 uit het niet-nakomen door deze verzoeker van de verplichting om voor de autoriteiten te verschijnen, niet volgt dat dit verzoek kennelijk ongegrond moet worden verklaard, maar dat er sprake is van een vermoeden van impliciete intrekking van het verzoek om internationale bescherming.

47

Om te beginnen moet worden opgemerkt dat artikel 46, lid 1, van richtlijn 2013/32 de lidstaten verplicht om ervoor zorgen dat personen die om internationale bescherming verzoeken, bij een rechterlijke instantie recht hebben op een daadwerkelijk rechtsmiddel tegen beslissingen inzake hun verzoeken, waaronder met name beslissingen waarbij dergelijke verzoeken ongegrond worden verklaard, zonder evenwel uitputtend de procedureregels voor dat rechtsmiddel vast te stellen.

48

Voorts bepaalt artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, dat tot doel heeft de reikwijdte van het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel te verduidelijken, dat de lidstaten, om te voldoen aan artikel 46, lid 1, van die richtlijn, ervoor moeten zorgen dat de rechterlijke instantie waarbij tegen de beslissing inzake het verzoek om internationale bescherming wordt opgekomen, een „volledig en ex nunc onderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden [uitvoert], met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig richtlijn [2011/95]” (zie in die zin arrest van 25 juli 2018, Alheto,C‑585/16, EU:C:2018:584, punten 105106).

49

In het bijzonder moet het beroep dat is ingesteld door de persoon die om internationale bescherming verzoekt, overeenkomstig artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32 een onderzoek door de rechter omvatten van alle feitelijke en juridische elementen aan de hand waarvan hij een actuele beoordeling van het specifieke geval kan maken, zodat het verzoek om internationale bescherming uitputtend kan worden behandeld zonder dat het nodig is het dossier terug te verwijzen naar de beslissingsautoriteit. Een dergelijke uitlegging ligt in lijn met de door richtlijn 2013/32 nagestreefde doelstelling om dergelijke verzoeken zo snel mogelijk te behandelen, onverminderd het uitvoeren van een behoorlijke en volledige behandeling [arrest van 8 februari 2024, Bundesrepublik Deutschland (Ontvankelijkheid van een volgend verzoek),C‑216/22, EU:C:2024:122, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

50

Ten slotte laat artikel 46, lid 4, eerste volzin, van richtlijn 2013/32 het aan de lidstaten over om de vereiste voorschriften vast te stellen zodat personen die om internationale bescherming verzoeken hun recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel kunnen uitoefenen [arrest van 9 september 2020, Commissaris‑generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (Afwijzing van een volgend verzoek – Termijn om beroep in te stellen), C‑651/19, EU:C:2020:681, punt 33].

51

Bij gebreke van Unieregelgeving ter zake is het weliswaar een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat om, krachtens het beginsel van procedurele autonomie van de lidstaten, de procedureregels vast te stellen voor beroepen die ertoe strekken om de aan de rechtsorde van de Unie ontleende individuele rechten te beschermen, op voorwaarde dat het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel in acht worden genomen (zie in die zin arrest van 3 april 2025, Barouk,C‑283/24, EU:C:2025:236, punt 37), maar zijn de lidstaten er in alle gevallen verantwoordelijk voor om te verzekeren dat het recht op daadwerkelijke rechterlijke bescherming van deze rechten wordt geëerbiedigd, zoals is gewaarborgd in artikel 47 van het Handvest (zie in die zin arrest van 14 mei 2020, Országos Idegenrendészeti Főigazgatóság Dél-alföldi Regionális Igazgatóság,C‑924/19 PPU en C‑925/19 PPU, EU:C:2020:367, punt 142 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

52

De kenmerken van het in artikel 46 van richtlijn 2013/32 bedoelde rechtsmiddel moeten derhalve in overeenstemming zijn met dat artikel 47, waarin het recht op een doeltreffende voorziening in rechte is verankerd ten gunste van ieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden. Hieruit volgt dat elke door deze richtlijn gebonden lidstaat zijn nationaal recht aldus moet inrichten dat personen die om internationale bescherming verzoeken hun recht op een doeltreffende voorziening in rechte, zoals gewaarborgd door artikel 47 en geconcretiseerd in artikel 46 van richtlijn 2013/32, kunnen uitoefenen [zie in die zin arrest van 8 februari 2024, Bundesrepublik Deutschland (Ontvankelijkheid van een volgend verzoek),C‑216/22, EU:C:2024:122, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

53

In het onderhavige geval voorziet artikel 92 van wet 4636/2019, waarbij artikel 46 van richtlijn 2013/32 in nationaal recht is omgezet, in het recht van de persoon die om internationale bescherming verzoekt om beroep in te stellen tegen een beslissing tot afwijzing van zijn verzoek. Artikel 97 van deze wet regelt de behandelingsprocedure voor dit beroep bij de onafhankelijke beroepscommissies. Krachtens artikel 97, lid 2, zijn personen die om internationale bescherming verzoeken, ongeacht hun verblijfplaats in Griekenland, verplicht om naar de vestigingsplaats van deze commissies te reizen om daar te verschijnen, tenzij zij onder een van de uitzonderingen van artikel 78, lid 3, van die wet vallen. Al die commissies zijn gevestigd in Athene. Bovendien bepaalt artikel 97, lid 2, tweede volzin, van die wet dat wanneer de verzoeker deze verplichting om in persoon te verschijnen niet nakomt, dit tot rechtsgevolg heeft dat hij wordt geacht het beroep uitsluitend te hebben ingesteld om de uitvoering van een eerdere of van een op handen zijnde beslissing tot uitzetting of verwijdering op een andere wijze uit te stellen of te verijdelen, en dat zijn beroep kennelijk ongegrond wordt verklaard.

54

Door dit procedurevereiste in te voeren en te bepalen dat de niet-nakoming ervan tot een dergelijk gevolg leidt, stelt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wetgeving inderdaad slechts een regel vast voor de wijze waarop verzoekers beroep kunnen instellen tegen een beslissing tot afwijzing van hun verzoek om internationale bescherming. Desondanks kan deze regel het recht op daadwerkelijke rechterlijke bescherming van deze verzoekers beperken, aangezien die een verplichting oplegt om fysiek aanwezig te zijn in de procedure bij de aangezochte onafhankelijke beroepscommissies omdat anders, zonder enig onderzoek ten gronde, wordt aangenomen dat zij hun verzoeken impliciet hebben ingetrokken en hun verzoeken kennelijk ongegrond worden verklaard.

55

Artikel 52, lid 1, van het Handvest bepaalt dat op de uitoefening van in het Handvest verankerde rechten beperkingen kunnen worden gesteld, op voorwaarde dat deze beperkingen bij wet worden gesteld, de wezenlijke inhoud van deze rechten en vrijheden eerbiedigen en, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en de vrijheden van anderen [arrest van 6 oktober 2020, Luxemburgse Staat (Rechtsbescherming tegen een verzoek om inlichtingen in belastingzaken),C‑245/19 en C‑246/19, EU:C:2020:795, punt 51].

56

In dit verband moet worden opgemerkt dat richtlijn 2013/32 weliswaar geen specifieke eisen stelt aan de procedurele verplichtingen van de verzoeker bij de behandeling van het daadwerkelijke rechtsmiddel tegen een beslissing tot afwijzing van zijn verzoek om internationale bescherming, zoals het in persoon verschijnen, noch aan de gevolgen van de niet-nakoming van die verplichtingen, maar dat artikel 46, lid 11, van richtlijn 2013/32 de lidstaten toestaat om in de nationale wetgeving de voorwaarden vast te leggen waaronder ervan kan worden uitgegaan dat een verzoeker het in lid 1 van dat artikel 46 bedoelde rechtsmiddel impliciet heeft ingetrokken of impliciet daarvan heeft afgezien, en wel tezamen met de regels inzake de procedure die moet worden gevolgd.

57

Zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing, hebben het procedurevereiste van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wetgeving en het gevolg van de niet-nakoming ervan tot doel te waarborgen dat verzoekers een reëel belang hebben bij het instellen van een beroep, door na te gaan of zij zich op het nationale grondgebied bevinden op het tijdstip waarop dit zal worden behandeld en aldus bij te dragen tot het goede en snelle verloop van de procedure bij de bevoegde rechter. De doelstellingen van een snelle behandeling van dergelijke beroepen en het behoud van de doeltreffendheid van het gerechtelijk stelsel zijn legitieme doelstellingen, in die zin dat zij ertoe bijdragen dat de rechters bij wie die beroepen zijn ingesteld zich concentreren op de beroepen die afkomstig zijn van verzoekers die een reëel belang hebben bij de uitkomst van hun beroep. Zij vormen dus legitieme doelstellingen en rechtvaardigen de invoering van een vermoeden als in het hoofdgeding, dat zowel beantwoordt aan het belang van de lidstaten als aan dat van de personen die om een dergelijke bescherming verzoeken, zoals in overweging 18 van deze richtlijn wordt verduidelijkt.

58

Het Hof heeft immers al geoordeeld dat procedureregels die een snellere behandeling van kennelijk ongegronde verzoeken om internationale bescherming verzekeren, een meer doeltreffende behandeling mogelijk maken van de verzoeken die zijn ingediend door personen die wél aanspraak op de vluchtelingenstatus kunnen maken, en zo bijdragen tot het goede verloop van de behandelingsprocedure voor verzoeken om internationale bescherming [zie in die zin arrest van 9 september 2020, Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (Afwijzing van een volgend verzoek – Termijn om beroep in te stellen), C‑651/19, EU:C:2020:681, punten 5455 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

59

Derhalve kan een nationale regeling die voorziet in de verplichting om in persoon te verschijnen voor de rechter die bevoegd is om uitspraak te doen op een beroep tegen een beslissing tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming, en – ingeval deze verplichting niet wordt nageleefd – in een vermoeden dat gelijkstaat aan een vermoeden van impliciete intrekking of afstand van een dergelijk verzoek in beginsel gerechtvaardigd zijn, gelet op de doelstelling van richtlijn 2013/32 van een snelle behandeling, op het beginsel van rechtszekerheid en op het goede verloop van de procedure voor de behandeling van verzoeken om internationale bescherming [zie naar analogie arrest van 9 september 2020, Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (Afwijzing van een volgend verzoek – Termijn om beroep in te stellen), C‑651/19, EU:C:2020:681, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

60

Niettemin moet de wetgeving van een lidstaat die beoogt uitvoering te geven aan het in artikel 46, lid 1, van richtlijn 2013/32 vastgelegde recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel, het evenredigheidsbeginsel eerbiedigen, hetgeen met name veronderstelt dat die wetgeving geschikt is om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te waarborgen, niet verder gaat dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken en evenredig is [zie naar analogie arrest van 6 oktober 2020, Luxemburgse Staat (Rechtsbescherming tegen een verzoek om inlichtingen in belastingzaken),C‑245/19 en C‑246/19, EU:C:2020:795, punt 85 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

61

Zoals uit de punten 53 en 57 hierboven blijkt, beoogt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wetgeving in de eerste plaats om de onafhankelijke beroepscommissies in staat te stellen om de behandeling van de beroepen tegen beslissingen tot afwijzing van verzoeken om internationale bescherming met de vereiste spoed af te handelen, en de doeltreffendheid van het gerechtelijk stelsel te waarborgen, zodat die commissies zich kunnen concentreren op verzoekers die een reëel belang hebben bij de uitkomst van hun beroep. De procedurele verplichting die verzoekers dwingt om in persoon voor die commissies te verschijnen, lijkt immers bij te kunnen dragen tot de verwezenlijking van deze doelstellingen. Voor zover zij een doeltreffender behandeling mogelijk maakt van verzoeken die worden ingediend door verzoekers die belang behouden bij de uitkomst van hun beroep en tegelijkertijd wordt voorkomen dat verzoeken die zonder voorwerp zijn geraakt ten gronde worden behandeld, draagt zij bij tot het goede verloop van de behandelingsprocedure voor verzoeken om internationale bescherming.

62

Wat in de tweede plaats de vraag betreft of deze nationale wetgeving niet verder gaat dan noodzakelijk is om de nagestreefde doelstellingen te bereiken, zouden in het onderhavige geval minder beperkende maatregelen denkbaar zijn, zoals de mogelijkheid voor verzoekers die beroep hebben ingesteld om zich door een advocaat of een andere daartoe gemachtigde persoon te laten vertegenwoordigen, en, om hun aanwezigheid op het Griekse grondgebied te bewijzen, de mogelijkheid om bij een politiebureau, een ander overheidsorgaan of een rechterlijke instantie in de nabijheid van hun verblijfplaats te verschijnen, vergelijkbaar met die van artikel 78, lid 3, onder b), van wet 4636/2019.

63

Zoals de Griekse regering in haar schriftelijke opmerkingen heeft betoogd, zijn de procedurele verplichting om in persoon te verschijnen en de gevolgen van de niet-nakoming van deze verplichting duidelijk vastgelegd in de nationale wet. In dit verband wordt de verzoeker die beroep instelt tegen de beslissing tot afwijzing van zijn verzoek om internationale bescherming overeenkomstig artikel 95, lid 1, van wet 4636/2019, op de dag waarop het beroep is ingesteld, op de hoogte gebracht van de datum van de terechtzitting over de behandeling van zijn beroep en van de verplichting om zich op die datum in persoon te melden bij de bevoegde onafhankelijke beroepscommissie, met uitzondering van gevallen van overmacht of onoverkomelijke verhindering die hem beletten om te verschijnen in de zin van artikel 78, lid 3, tweede alinea, van deze wet. In die gevallen kan een procedure worden ingeleid waarmee de verplichting om in persoon te verschijnen gedurende de situatie van overmacht kan worden geschorst en de rechtsgevolgen van het niet-verschijnen ongedaan kunnen worden gemaakt.

64

In de derde plaats moet echter nog worden nagegaan of de procedureregels van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wetgeving niet onevenredig zijn aan de doelstelling om verzoeken om internationale bescherming snel te behandelen, gelet op de gevolgen die zij kunnen hebben voor de uitoefening door verzoekers van hun recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel.

65

In dit verband moet worden opgemerkt dat een nationale regel die voorziet in een procedurevereiste om in persoon te verschijnen en, in geval van niet-nakoming van dit vereiste, in een vermoeden dat het beroep impliciet is ingetrokken of impliciet daarvan is afgezien, weliswaar gerechtvaardigd kan zijn om redenen die verband houden met de rechtszekerheid en het goede verloop van de behandelingsprocedure voor verzoeken om internationale bescherming, maar dat deze regel niet in de weg mag staan aan een behoorlijke en volledige behandeling van die verzoeken. Uit overweging 18 van richtlijn 2013/32 blijkt immers dat een bij de wetgeving van een lidstaat ingevoerde maatregel om de behandelingsprocedure voor verzoeken om internationale bescherming te versnellen, moet worden toegepast onverminderd de uitvoering van een behoorlijke en volledige behandeling van die verzoeken.

66

Zoals blijkt uit de door de verwijzende rechter verstrekte informatie, legt de verplichting voor de verzoeker om in persoon te verschijnen voor de rechter die bevoegd is om uitspraak te doen op zijn beroep tegen een beslissing tot afwijzing van een dergelijk verzoek – waarbij het enige doel is om na te gaan of hij zich op het nationale grondgebied bevindt en niet om hem te horen – in het onderhavige geval een onredelijke en buitensporige last op aan personen die om internationale bescherming verzoeken en niet in de regio Athene verblijven. Dit geldt met name voor verzoekers zoals verzoeker in het hoofdgeding, die op enkele honderden kilometers van deze regio verblijft, aangezien zij, wanneer zij zich niet in een situatie bevinden die onder een van de uitzonderingen van artikel 78, lid 3, van wet 4636/2019 valt, naar de onafhankelijke beroepscommissies in Athene moeten reizen, enkel met het doel om fysiek aanwezig te zijn, zonder dat zij noodzakelijkerwijs worden gehoord. In dat verband kan het feit dat verzoekers overeenkomstig artikel 95, lid 1, van wet 4636/2019 tijdig in kennis worden gesteld van hun verplichting om in persoon voor deze commissies te verschijnen, niet afdoen aan deze vaststelling.

67

De onevenredigheid van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wetgeving vloeit immers met name voort uit het rechtsgevolg dat deze wettelijke regeling verbindt aan het niet-nakomen van de verplichting om in persoon te verschijnen, of aan het niet-toezenden van een verklaring van overmacht of van onoverkomelijke verhindering. Die wetgeving voert immers een onweerlegbaar vermoeden van misbruik van een rechtsmiddel in op grond waarvan dit beroep zonder enig onderzoek ten gronde kennelijk ongegrond moet worden verklaard. Zoals de verwijzende rechter heeft benadrukt, kan het niet in persoon verschijnen voor de rechter die bevoegd is om uitspraak te doen op het beroep, het gevolg zijn van redenen die geen verband houden met een voornemen om de uitvoering van een eerdere of van een op handen zijnde beslissing waarbij de uitzetting of verwijdering van de verzoeker wordt gelast, op een andere wijze te verhinderen of uit te stellen.

68

Zoals de advocaat-generaal in de punten 77 tot en met 89 van haar conclusie in essentie heeft opgemerkt, kan – wanneer personen die om internationale bescherming verzoeken naar de hoofdstad van het land moeten reizen om in persoon te verschijnen en niet om te worden gehoord en daarvoor mogelijk aanzienlijke reis‑ en verblijfkosten moeten maken – een vermoeden van misbruik van het rechtsmiddel dat leidt tot verwerping van het beroep wegens kennelijke ongegrondheid, zonder te voorzien in andere mogelijkheden waarmee een dergelijke verzoeker kan aantonen dat hij zich op het nationale grondgebied bevindt en zonder hem de middelen te verschaffen om te kunnen voldoen aan de verplichting om fysiek bij de terechtzitting aanwezig te zijn, het uitoefenen van het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel in de zin van artikel 46, lid 1, van richtlijn 2013/32 derhalve uiterst moeilijk maken en aldus afbreuk doen aan het in artikel 47 van het Handvest verankerde recht op een doeltreffende voorziening in rechte.

69

Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 46 van richtlijn 2013/32, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat die, ingeval een persoon die om internationale bescherming verzoekt de procedurele verplichting niet nakomt om in persoon te verschijnen voor de rechter die bevoegd is om uitspraak te doen op zijn beroep tegen de beslissing tot afwijzing van zijn verzoek – waarbij het enige doel is om na te gaan of hij zich op het nationale grondgebied bevindt en niet om hem te horen –, een vermoeden van misbruik van dat rechtsmiddel invoert en bepaalt dat het beroep kennelijk ongegrond moet worden verklaard.

Kosten

70

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

 

Artikel 46 van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

 

moet aldus worden uitgelegd dat

 

het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat die, ingeval een persoon die om internationale bescherming verzoekt de procedurele verplichting niet nakomt om in persoon te verschijnen voor de rechter die bevoegd is om uitspraak te doen op zijn beroep tegen de beslissing tot afwijzing van zijn verzoek – waarbij het enige doel is om na te gaan of hij zich op het nationale grondgebied bevindt en niet om hem te horen –, een vermoeden van misbruik van dat rechtsmiddel invoert en bepaalt dat het beroep kennelijk ongegrond moet worden verklaard.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Grieks.

( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.