ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

14 april 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Auteursrecht en naburige rechten – Richtlijn 2001/29/EG – Informatiemaatschappij – Harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten – Artikel 2 – Reproductierecht – Artikel 5 – Beperkingen en restricties – Artikel 5, lid 3, onder k) – Begrip „pastiche” – Gebruik „voor” pastiches – Reproductie van delen van fonogrammen (sampling) – Grondrechten – Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikel 11 – Vrijheid van meningsuiting – Artikel 13 – Vrijheid van kunsten – Artikel 17 – Recht op eigendom”

In zaak C‑590/23,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) bij beslissing van 14 september 2023, ingekomen bij het Hof op 25 september 2023, in de procedure

CG,

YN, als rechtsopvolger van RL,

tegen

Pelham GmbH,

SD,

UP,

wijst

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, T. von Danwitz, vicepresident, K. Jürimäe, C. Lycourgos, I. Jarukaitis, I. Ziemele (rapporteur) en F. Schalin, kamerpresidenten, S. Rodin, M. Gavalec, S. Gervasoni en N. Fenger, rechters,

advocaat-generaal: N. Emiliou,

griffier: M. Krausenböck, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 14 januari 2025,

gelet op de opmerkingen van:

CG en YN, vertegenwoordigd door H. Lindhorst, Rechtsanwalt,

Pelham GmbH, SD en UP, vertegenwoordigd door S. Scherer, L. Schramke en A. Walter, Rechtsanwälte,

de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller, M. Hellmann en J. Simon als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Samnadda en T. Scharf als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 17 juni 2025,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 5, lid 3, onder k), van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB 2001, L 167, blz. 10).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen CG en YN, de rechtsopvolger van RL, enerzijds en Pehlham GmbH, SD en UP (hierna samen: „Pelham e.a.”) anderzijds over het gebruik, in het kader van de opname van het door SD gecomponeerde en door Pelham geproduceerde muziekwerk „Nur mir”, van een ritmische sequentie van ongeveer twee seconden die is overgenomen uit een fonogram van de muziekgroep Kraftwerk, waarvan CG en RL de stichtende leden zijn.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3

De overwegingen 3, 4, 9, 10, 31 en 32 van richtlijn 2001/29 luiden als volgt:

„(3)

De voorgestelde harmonisatie zal bijdragen tot de uitoefening van de vier vrijheden van de interne markt en past in het kader van de eerbiediging van de fundamentele rechtsbeginselen en met name de eigendom – met inbegrip van de intellectuele eigendom – de vrije meningsuiting en het algemeen belang.

(4)

Geharmoniseerde rechtsregels op het gebied van het auteursrecht en de naburige rechten zullen voor meer rechtszekerheid zorgen, een hoog niveau van bescherming van de intellectuele eigendom waarborgen en aldus aanzienlijke investeringen in creativiteit en innovatie, met inbegrip van de netwerkinfrastructuur, bevorderen, hetgeen weer tot groei en vergroting van het concurrentievermogen van de Europese industrie zal leiden, op het gebied van de voorziening van inhoud en de informatietechnologie en, meer in het algemeen, in een hele reeks industriële en culturele sectoren. Hierdoor zal de werkgelegenheid veilig worden gesteld en de schepping van nieuwe arbeidsplaatsen worden aangemoedigd.

[…]

(9)

Bij een harmonisatie van het auteursrecht en de naburige rechten moet steeds van een hoog beschermingsniveau worden uitgegaan, omdat die rechten van wezenlijk belang zijn voor scheppend werk. De bescherming van deze rechten draagt bij tot de instandhouding en ontwikkeling van de creativiteit in het belang van auteurs, uitvoerend kunstenaars, producenten, consumenten, cultuur, industrie en het publiek in het algemeen. De intellectuele eigendom is dan ook als een geïntegreerd deel van de eigendom erkend.

(10)

Auteurs en uitvoerend kunstenaars moeten, willen zij hun scheppende en artistieke arbeid kunnen voortzetten, een passende beloning voor het gebruik van hun werk ontvangen, evenals de producenten om dat werk te kunnen financieren. De productie van fonogrammen, films en multimediaproducten, en van diensten, zoals ‚diensten-op-aanvraag’, vereist aanzienlijke investeringen. Een adequate rechtsbescherming van de intellectuele-eigendomsrechten is noodzakelijk om de mogelijkheid tot het verkrijgen van een dergelijke beloning en de mogelijkheid van een behoorlijk rendement van dergelijke investeringen te waarborgen.

[…]

(31)

Er moet een rechtvaardig evenwicht van rechten en belangen worden gewaarborgd tussen de verschillende categorieën rechthebbenden en tussen de verschillende categorieën rechthebbenden en gebruikers van beschermd materiaal. De in de lidstaten geldende beperkingen en restricties op de rechten moeten opnieuw worden bezien in het licht van de nieuwe elektronische omgeving. De huidige verschillen in beperkingen en restricties op bepaalde aan toestemming onderworpen handelingen hebben directe negatieve gevolgen voor de werking van de interne markt op het gebied van het auteursrecht en de naburige rechten. Deze verschillen zullen ten gevolge van de verdere ontwikkeling van grensoverschrijdende exploitatie van werken en grensoverschrijdende activiteiten wellicht nog belangrijker worden. Met het oog op de goede werking van de interne markt moet meer eenheid in de omschrijving van dergelijke beperkingen en restricties worden gebracht. De mate waarin dergelijke beperkingen en restricties worden geharmoniseerd, moet worden bepaald aan de hand van de gevolgen ervan voor de goede werking van de interne markt.

(32)

Deze richtlijn bevat een uitputtende opsomming van de beperkingen en restricties op het reproductierecht en het recht van mededeling aan het publiek. Sommige beperkingen en restricties zijn enkel van toepassing op het reproductierecht, wanneer dit passend is. Bij het opstellen van deze lijst is zowel rekening gehouden met de verschillende rechtstradities in de lidstaten als met het vereiste van een goed functionerende interne markt. De lidstaten passen deze beperkingen en restricties op coherente wijze toe. Dit zal worden beoordeeld bij het onderzoek van de uitvoeringswetgeving in de toekomst.”

4

Artikel 2 van deze richtlijn, met als opschrift „Reproductierecht”, bepaalt:

„De lidstaten voorzien ten behoeve van:

a)

auteurs, met betrekking tot hun werken,

b)

uitvoerend kunstenaars, met betrekking tot de vastleggingen van hun uitvoeringen,

c)

producenten van fonogrammen, met betrekking tot hun fonogrammen,

[…]

in het uitsluitende recht, de directe of indirecte, tijdelijke of duurzame, volledige of gedeeltelijke reproductie van dit materiaal, met welke middelen en in welke vorm ook, toe te staan of te verbieden.”

5

Artikel 3 van deze richtlijn, met als opschrift „Recht van mededeling van werken aan het publiek en recht van beschikbaarstelling van ander materiaal voor het publiek”, bepaalt het volgende:

„1.   De lidstaten voorzien ten behoeve van auteurs in het uitsluitende recht, de mededeling van hun werken aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken voor het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn, toe te staan of te verbieden.

2.   De lidstaten voorzien ten behoeve van:

a)

uitvoerend kunstenaars, met betrekking tot de vastleggingen van hun uitvoeringen,

b)

producenten van fonogrammen, met betrekking tot hun fonogrammen,

c)

producenten van de eerste vastleggingen van films, met betrekking tot het origineel en de kopieën van hun films, en

d)

omroeporganisaties, met betrekking tot de vastleggingen van hun uitzendingen, ongeacht of deze uitzendingen via de ether of per draad plaatsvinden, uitzendingen per kabel of satelliet daaronder begrepen,

in het uitsluitende recht, de beschikbaarstelling voor het publiek, per draad of draadloos, op zodanige wijze dat de leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd er toegang toe hebben, toe te staan of te verbieden.

3.   De in de leden 1 en 2 bedoelde rechten worden niet uitgeput door enige handeling, bestaande in een mededeling aan het publiek of beschikbaarstelling aan het publiek overeenkomstig dit artikel.”

6

Artikel 5 van deze richtlijn, met als opschrift „Beperkingen en restricties”, bepaalt:

„[…]

3.   De lidstaten kunnen beperkingen of restricties op de in de artikelen 2 en 3 bedoelde rechten stellen ten aanzien van:

[…]

k)

het gebruik voor karikaturen, parodieën of pastiches;

[…]

5.   De in de leden 1, 2, 3 en 4 bedoelde beperkingen en restricties mogen slechts in bepaalde bijzondere gevallen worden toegepast mits daarbij geen afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van werken of ander materiaal en de wettige belangen van de rechthebbende niet onredelijk worden geschaad.”

Duits recht

7

§ 51a van het Gesetz über Urheberrecht und verwandte Schutzrechte (Urheberrechtsgesetz) [wet betreffende het auteursrecht en de naburige rechten (wet inzake het auteursrecht)] van 9 september 1965 (BGBl I, blz. 1273), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „UrhG”), is op 7 juni 2021 in werking getreden en bepaalt:

„De reproductie, verspreiding en mededeling aan het publiek van een bekend werk voor karikaturen, parodieën of pastiches is toegestaan.

De in de eerste zin bedoelde mogelijkheid omvat het gebruik van een afbeelding of enige andere reproductie van het gebruikte werk, zelfs indien die afbeelding of andere reproductie zelf door een auteursrecht of naburig recht wordt beschermd.”

8

Krachtens § 83 en § 85, lid 4, UrhG is deel 1, afdeling 6, van deze wet, waarvan § 51a deel uitmaakt, van overeenkomstige toepassing op de rechten van uitvoerend kunstenaars en op de rechten van producenten van fonogrammen.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

9

SD en UP zijn de componisten van het muziekwerk „Nur mir”, dat is uitgebracht op fonogrammen die in 1997 door Pelham zijn geproduceerd.

10

CG en RL, die in 2020 is overleden, zijn de stichtende leden van de muziekgroep Kraftwerk, die in 1977 een fonogram heeft uitgebracht met het muziekwerk „Metall auf Metall”.

11

CG en YN, de rechtsopvolger van RL, betogen dat Pelham e.a. een fragment („sample”) van ongeveer twee seconden, dat bestaat in een ritmische sequentie, uit „Metall auf Metall” elektronisch hebben gekopieerd en dat zij deze sample als opeenvolgende herhaling in het muziekwerk „Nur mir” hebben geïntegreerd, hoewel zij die sequentie ook zelf hadden kunnen opnemen.

12

CG en YN zijn primair van mening dat Pelham e.a. inbreuk hebben gemaakt op het naburige recht waarvan zij als producent van fonogrammen houder zijn. Subsidiair stellen zij dat hun naburige recht als uitvoerend kunstenaars is geschonden en, meer subsidiair, dat CG’s auteursrecht op het muziekwerk is geschonden. Ten slotte voeren zij in uiterst ondergeschikte orde aan dat Pelham e.a. inbreuk hebben gemaakt op de mededingingsregels die freeriden bestraffen.

13

CG en RL hebben beroep ingesteld bij het Landgericht Hamburg (rechter in eerste aanleg Hamburg, Duitsland) en daarbij verzocht om staking van de inbreuk, toekenning van schadevergoeding, overdracht van informatie en afgifte van de fonogrammen met het oog op de vernietiging ervan.

14

Bij vonnis van 8 oktober 2004 heeft deze rechter dat beroep toegewezen. Het door Pelham e.a. bij het Oberlandesgericht Hamburg (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Hamburg, Duitsland) tegen dat vonnis ingestelde hoger beroep is verworpen bij arrest van 7 juni 2006. Naar aanleiding van het door Pelham e.a. bij het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) ingestelde beroep in Revision heeft deze rechter bij arrest van 20 november 2008 het arrest van het Oberlandesgericht Hamburg vernietigd en de zaak voor een nieuwe behandeling naar deze rechter terugverwezen. Bij arrest van 17 augustus 2011 heeft deze rechter het hoger beroep van Pelham e.a. tegen het vonnis van 8 oktober 2004 opnieuw verworpen. Bij arrest van 13 december 2012 heeft het Bundesgerichtshof het nieuwe beroep in Revision van Pelham tegen het arrest van 17 augustus 2011 verworpen.

15

Dit arrest van 13 december 2012 en het eerdere arrest van het Bundesgerichtshof van 20 november 2008, alsmede het tweede arrest van het Oberlandesgericht Hamburg van 17 augustus 2011 zijn vernietigd door het Bundesverfassungsgericht (federaal grondwettelijk hof, Duitsland), dat de zaak heeft terugverwezen naar het Bundesgerichtshof.

16

In het kader van deze derde procedure in Revision heeft het Bundesgerichtshof het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over onder meer de uitlegging van artikel 2, onder c), en artikel 5, lid 3, onder d), van richtlijn 2001/29, alsook van artikel 9, lid 1, onder b), van richtlijn 2006/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom (PB 2006, L 376, blz. 28).

17

Bij arrest van 29 juli 2019, Pelham e.a. (C‑476/17, EU:C:2019:624), heeft het Hof met name voor recht verklaard dat artikel 2, onder c), van richtlijn 2001/29 in het licht van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) aldus moet worden uitgelegd dat een producent van fonogrammen op grond van het hem door deze bepaling verleende uitsluitende recht om reproductie van zijn fonogram toe te staan of te verbieden, kan beletten dat een geluidsfragment van zijn fonogram, hoe kort dan ook, door een derde wordt overgenomen en op een ander fonogram wordt vastgelegd, tenzij dat fragment in een gewijzigde en voor het oor onherkenbare vorm op laatstgenoemd fonogram wordt vastgelegd. Het Hof heeft eveneens voor recht verklaard dat artikel 9, lid 1, onder b), van richtlijn 2006/115 aldus moet worden uitgelegd dat een fonogram dat muziekfragmenten bevat die van een ander fonogram zijn overgenomen geen „kopie” van dat fonogram in de zin van die bepaling is, aangezien op dat fonogram niet het gehele andere fonogram of een wezenlijk gedeelte daarvan is overgenomen.

18

Bij arrest van 30 april 2020 heeft het Bundesgerichtshof het arrest van het Oberlandesgericht Hamburg van 7 juni 2006 vernietigd en de zaak naar deze rechter terugverwezen. Bij arrest van 28 april 2022 heeft het Oberlandesgericht Hamburg het vonnis van het Landgericht Hamburg van 8 oktober 2004 herzien en daarbij in zijn beoordeling een onderscheid gemaakt tussen drie perioden.

19

Wat de eerste periode betreft, te weten die vóór het verstrijken van de termijn voor omzetting van richtlijn 2001/29, op 22 december 2002, heeft het Oberlandsgericht Hamburg elke inbreuk op een auteursrecht of een naburig recht op grond van de bepalingen van het UrhG in de versie die in die periode van toepassing was, uitgesloten.

20

Wat de tweede periode betreft, die liep van het verstrijken van de termijn voor omzetting van richtlijn 2001/29 tot de inwerkingtreding, op 7 juni 2021, van de in § 51a UrhG neergelegde regel die het auteursrecht beperkt, heeft deze rechter Pelham e.a. veroordeeld tot het verstrekken van informatie over het aantal fonogrammen met geluidsopnamen van het muziekwerk „Nur mir” die in die periode zijn uitgebracht en/of in de handel gebracht, alsmede tot de afgifte van de kopieën van die fonogrammen met het oog op de vernietiging ervan, en heeft hij voorts vastgesteld dat Pelham e.a. gehouden waren tot betaling van schadevergoeding. Hij heeft met name geoordeeld dat Pelham e.a., door in de loop van 2004 opnieuw twee fonogrammen met opnamen van dit werk uit te brengen, inbreuk hadden gemaakt op het reproductierecht van CG en RL als producenten van fonogrammen, aangezien de uit het muziekwerk „Metall auf Metall” overgenomen sequentie duidelijk waarneembaar was in het muziekwerk „Nur mir” en herkenbaar was voor de luisteraar die vertrouwd was met eerstgenoemd werk. Bovendien hebben Pelham e.a., door de twee fonogrammen in 2004 uit te brengen en in de handel te brengen, inbreuk gemaakt op CG’s auteursrecht op de overgenomen ritmische sequentie, die voldoet aan de voorwaarden waaraan een auteursrechtelijk beschermd werk moet voldoen.

21

Wat de periode vanaf de inwerkingtreding van § 51a UrhG op 7 juni 2021 betreft, heeft deze rechter elke inbreuk op het auteursrecht en de naburige rechten uitgesloten door te oordelen dat de overname, via sampling, van de ritmische sequentie van het muziekwerk „Metall auf Metall” een krachtens die bepaling toegestaan gebruik voor pastiches vormde.

22

CG en YN hebben bij het Bundesgerichtshof, de verwijzende rechter, een beroep in Revision ingesteld tegen het deel van dat arrest van 28 april 2022 waarbij hun vorderingen zijn afgewezen voor zover deze betrekking hadden op de periode na 7 juni 2021.

23

Deze rechter is van oordeel dat het Oberlandesgericht Hamburg terecht heeft vastgesteld dat er sprake was van een inbreuk op de rechten van verzoekers in het hoofdgeding als producenten van fonogrammen en uitvoerend kunstenaars, omdat Pelham e.a. de betrokken ritmische sequentie hebben overgenomen in een vorm die, hoewel enigszins gewijzigd, niettemin voor het oor herkenbaar was.

24

De verwijzende rechter is van mening dat het Oberlandesgericht Hamburg evenmin blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat deze ritmische sequentie een muziekwerk vormt dat auteursrechtelijk kan worden beschermd.

25

De verwijzende rechter geeft echter aan dat krachtens § 51a, eerste volzin, UrhG de reproductie, verspreiding en mededeling aan het publiek van een bekend werk voor karikaturen, parodieën of pastiches is toegestaan. Hij voegt daaraan toe dat deze bepaling overeenkomstig § 83 en § 85, lid 4, UrhG van toepassing is op de naburige rechten van uitvoerend kunstenaars en producenten van fonogrammen.

26

Omdat de litigieuze overname van de ritmische sequentie niet voldoet aan de voorwaarden om als „karikatuur” of „parodie” te worden aangemerkt, aangezien er geen aanwijzingen zijn dat het muziekwerk „Nur mir” een uiting van humor of spot is, wenst het Bundesgerichtshof te vernemen of de litigieuze overname kan worden geacht te hebben plaatsgevonden voor pastiche in de zin van artikel 5, lid 3, onder k), van richtlijn 2001/29, aangezien § 51a UrhG moet worden uitgelegd in overeenstemming met die bepaling, die het beoogt om te zetten in Duits recht.

27

Daartoe vraagt het Bundesgerichtshof zich ten eerste af of de regel die het auteursrecht en de naburige rechten beperkt met betrekking tot het gebruik van een werk of ander beschermd materiaal voor pastiches in de zin van artikel 5, lid 3, onder k), van richtlijn 2001/29 in ieder geval een vangnetclausule (Auffangtatbestand) vormt voor een artistieke uiteenzetting met een bestaand werk of ander materiaal, met inbegrip van sampling, dan wel voor het begrip „pastiche” beperkende criteria, zoals het vereiste van humor, stijlimitatie of eerbetoon gelden.

28

Deze vraag is van doorslaggevend belang voor de uitkomst van het hoofdgeding, gelet op het feit dat het Oberlandesgericht Hamburg heeft vastgesteld dat het muziekwerk „Nur mir” doet denken aan de ritmische sequentie die is overgenomen uit het muziekwerk „Metall auf Metall” doch daarbij merkbaar verschilt van die sequentie, zonder evenwel een imitatie van de stijl ervan te vormen of een uiting van humor of spot te zijn. Deze rechter heeft bovendien vastgesteld dat het muziekwerk „Nur mir” een artistieke confrontatie met die ritmische sequentie teweegbrengt, aangezien deze is overgenomen in een muziekwerk van een ander genre, maar ondanks het lagere tempo en het ritmische verschil herkenbaar blijft als een verwijzing naar het origineel.

29

Het Bundesgerichtshof merkt in dit verband op dat uit het feit dat de uitzonderingen voor pastiche, karikatuur en parodie door dezelfde bepaling worden geregeld, zou kunnen voortvloeien dat deze drie uitzonderingen gemeenschappelijke wezenlijke kenmerken hebben, met name dat een bestaand werk wordt opgeroepen doch met merkbare verschillen met het bestaande werk. Het is daarentegen niet zeker dat het begrip „pastiche” bovendien inhoudt dat andere wezenlijke kenmerken aanwezig moeten zijn, zoals de voorwaarde dat aan humor wordt gedaan of de spot wordt gedreven, wat vereist is voor de karikatuur en de parodie, dat de stijl van het betrokken werk wordt geïmiteerd of dat het gaat om een eerbetoon ten aanzien van dit werk. Het doel van artikel 5, lid 3, onder k), van richtlijn 2001/29, namelijk het waarborgen van een rechtvaardig evenwicht tussen enerzijds de rechten en belangen van auteurs en anderzijds die van gebruikers van beschermde werken, met name hun vrijheid van meningsuiting en vrijheid van kunsten, die worden gewaarborgd door de artikelen 11 en 13 van het Handvest, zou immers kunnen pleiten voor een uitlegging volgens welke de uitzondering voor pastiches een vangnetclausule vormt, waaronder in ieder geval een artistieke uiteenzetting met een bestaand werk, met inbegrip van sampling, valt.

30

Ten tweede vraagt het Bundesgerichtshof zich af of de vaststelling dat er sprake is van gebruik van een werk of ander auteursrechtelijk beschermd materiaal „voor” pastiche veronderstelt dat de gebruiker voornemens is dit werk of beschermd materiaal te gebruiken voor dergelijke doeleinden, aangezien het Oberlandesgericht Hamburg heeft geoordeeld dat een dergelijke bedoeling niet was vereist en dat het dus niet nodig was om dienaangaande vaststellingen te doen.

31

Onder deze omstandigheden heeft het Bundesgerichtshof de procedure geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)

Vormt de bepaling die het auteursrecht beperkt met betrekking tot het gebruik voor pastiches in de zin van artikel 5, lid 3, onder k), van richtlijn 2001/29 in ieder geval een vangnetclausule voor een artistieke uiteenzetting met een bestaand werk of ander materiaal, met inbegrip van sampling? Gelden voor het begrip ‚pastiche’ beperkende criteria zoals het vereiste van humor, stijlimitatie of eerbetoon?

2)

Vereist het gebruik ‚voor’ een pastiche in de zin van artikel 5, lid 3, onder k), van richtlijn 2001/29 de vaststelling dat de gebruiker voornemens is om auteursrechtelijk beschermd materiaal te gebruiken voor een pastiche of volstaat het dat de aard als pastiche herkenbaar is voor personen die bekend zijn met het betreffende auteursrechtelijk beschermde materiaal en die over het vereiste intellectuele inzicht beschikken voor het waarnemen van de pastiche?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

32

Met zijn eerste vraagt wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 5, lid 3, onder k), van richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat de uitzondering voor pastiches in de zin van deze bepaling een vangnetclausule vormt die op zijn minst elke artistieke confrontatie met een bestaand werk omvat, met inbegrip van sampling, zonder dat het noodzakelijk is dat deze confrontatie een uiting van humor is, een stijlimitatie vormt of een eerbetoon inhoudt.

33

Volgens artikel 5, lid 3, onder k), van richtlijn 2001/29 kunnen de lidstaten beperkingen of restricties op de in de artikelen 2 en 3 van deze richtlijn bedoelde uitsluitende rechten van reproductie en mededeling aan het publiek stellen ten aanzien van het gebruik voor karikaturen, parodieën of pastiches.

34

Aangezien het begrip „pastiche” niet wordt gedefinieerd in richtlijn 2001/29 en artikel 5, lid 3, onder k), van deze richtlijn voor de betekenis ervan niet naar het nationale recht verwijst, moet dit begrip volgens vaste rechtspraak worden beschouwd als een autonoom Unierechtelijk begrip dat uniform moet worden uitgelegd op het grondgebied van de Unie, in overeenstemming met de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis van het betrokken begrip en met inachtneming van de context van dat begrip en de door deze bepaling beoogde doelstellingen (zie in die zin arresten van 3 september 2014, Deckmyn en Vrijheidsfonds, C‑201/13, EU:C:2014:2132, punten 14, 15 en 19, en 29 juli 2019, Spiegel Online,C‑516/17, EU:C:2019:625, punten 62 en 65).

35

Wat ten eerste de gebruikelijke betekenis van het begrip „pastiche” betreft moet worden vastgesteld, zoals de advocaat-generaal in de punten 49 tot en met 57 van zijn conclusie in essentie heeft opgemerkt, dat deze term nauwelijks voorkomt in de omgangstaal en dat hij weliswaar gewoonlijk wordt gebruikt om te wijzen op een creatie in een stijl die een imitatie is van die van een werk, van een kunstenaar of van werken van dezelfde artistieke stroming, maar achter deze term niettemin een verscheidenheid aan opvattingen schuilgaat.

36

Aldus kan volgens bepaalde opvattingen zelfs een verborgen imitatie, die met bedrieglijke bedoelingen is gemaakt, als pastiche worden aangemerkt, terwijl andere opvattingen vereisen dat kenmerkende elementen van een of meerdere eerdere werken openlijk en herkenbaar worden gebruikt in een nieuwe creatie die een grote gelijkenis vertoont met dat werk of die eerdere werken teneinde een artistieke of creatieve dialoog tussen die werken tot stand te brengen.

37

Hoewel voorts het begrip „pastiche” volgens bepaalde opvattingen beperkt blijft tot humoristische of satirische imitaties en volgens andere tot stijlimitaties, wordt in talrijke opvattingen erkend dat het onder dit begrip vallende gebruik verschillende vormen kan aannemen en dat diverse bedoelingen daaraan ten grondslag kunnen liggen, zoals een eerbetoon aan het werk of de werken waarop de pastiche ziet, een vorm van humor of kritiek, of een zuivere stijloefening.

38

Aangezien de gebruikelijke betekenis van de term „pastiche” niet eenduidig is, moet bijgevolg voor de uitlegging ervan worden uitgegaan van de context waarin deze term wordt gebruikt en van de door artikel 5, lid 3, onder k), van richtlijn 2001/29 beoogde doelstellingen.

39

Wat ten tweede de context van het begrip „pastiche” betreft, dient te worden vastgesteld dat artikel 5, lid 3, onder k), van richtlijn 2001/29 naast pastiche ook de „karikatuur” en de „parodie” vermeldt als uitzonderingen op de in de artikelen 2 en 3 van deze richtlijn bedoelde uitsluitende rechten van reproductie en mededeling aan het publiek.

40

Het samenvoegen van deze drie begrippen in één bepaling wijst erop dat in de opvatting van de Uniewetgever deze begrippen bepaalde gemeenschappelijke wezenlijke kenmerken hebben, met name het feit dat een bestaand werk wordt opgeroepen doch met merkbare verschillen met het bestaande werk (zie in die zin arrest van 3 september 2014, Deckmyn en Vrijheidsfonds, C‑201/13, EU:C:2014:2132, punt 20).

41

Evenwel heeft de Uniewetgever, zoals de advocaat-generaal in de punten 62 en 69 van zijn conclusie in essentie heeft opgemerkt, door in artikel 5, lid 3, onder k), van richtlijn 2001/29 drie verschillende begrippen op gelijke voet op te sommen, drie gebruikscategorieën willen toestaan die, hoewel zij elkaar gedeeltelijk kunnen overlappen, niettemin aldus moeten worden uitgelegd dat de nuttige werking van elk van deze uitzonderingen wordt verzekerd. Het Hof moet zich ervoor hoeden om een of meer van deze begrippen als juridisch overbodig te interpreteren.

42

Hieruit volgt om te beginnen dat de pastiche weliswaar, net als de parodie of de karikatuur, een uiting van humor of spot kan zijn (zie in die zin arrest van 3 september 2014, Deckmyn en Vrijheidsfonds, C‑201/13, EU:C:2014:2132, punt 20), maar niet kan worden verlangd dat dit noodzakelijkerwijs het geval is, aangezien een dergelijke uitlegging van het begrip „pastiche” tot gevolg zou hebben dat aan deze uitzondering dezelfde draagwijdte wordt toegekend als die van „parodie” of „karikatuur”, waardoor de nuttige werking ervan wordt aangetast.

43

Voorts kan het begrip „pastiche” niet aldus worden uitgelegd dat het elke creatie omvat die een bestaand werk oproept en merkbare verschillen vertoont met het bestaande werk, aangezien een dergelijke uitlegging, zoals blijkt uit punt 40 van het onderhavige arrest, tot gevolg zou hebben dat de twee andere uitzonderingen van artikel 5, lid 3, onder k), van richtlijn 2001/29 overbodig worden.

44

Zoals de advocaat-generaal in de punten 69 en 71 van zijn conclusie in essentie heeft opgemerkt en zoals blijkt uit punt 40 van het onderhavige arrest, wijst bovendien niets in de context van artikel 5, lid 3, onder k), van richtlijn 2001/29 of, meer in het algemeen, in de context van artikel 5 erop dat de Uniewetgever de uitzondering voor pastiches heeft geconcipieerd als een vangnetclausule die elke vorm van creatief gebruik van auteursrechtelijk beschermd materiaal omvat.

45

Wat ten derde de doelstelling van artikel 5, lid 3, onder k), van richtlijn 2001/29 betreft, blijkt uit de overwegingen 3 en 31 van deze richtlijn dat artikel 5, lid 3, onder k), gericht is op het waarborgen, met name in de elektronische omgeving, van een rechtvaardig evenwicht tussen enerzijds de belangen van de houders van auteursrechten en naburige rechten bij bescherming van hun recht op intellectuele eigendom en anderzijds de bescherming van de belangen en grondrechten van de gebruikers van beschermd materiaal, in het bijzonder van hun door de artikelen 11 en 13 van het Handvest gewaarborgde vrijheid van meningsuiting en vrijheid van kunsten, alsmede van het algemeen belang (zie in die zin arresten van 3 september 2014, Deckmyn en Vrijheidsfonds, C‑201/13, EU:C:2014:2132, punten 25 en 26, en 29 juli 2019, Pelham e.a.,C‑476/17, EU:C:2019:624, punt 32).

46

Het is juist dat uit de overwegingen 4, 9 en 10 van richtlijn 2001/29 volgt dat deze richtlijn een hoog niveau van bescherming van het auteursrecht en de naburige rechten beoogt te verzekeren door in de artikelen 2 en 3 uitsluitende rechten van reproductie en mededeling aan het publiek toe te kennen. Het in artikel 17, lid 2, van het Handvest neergelegde recht op intellectuele eigendom is echter niet absoluut, maar moet worden afgewogen tegen de andere grondrechten, waaronder met name de door artikel 13 van het Handvest gewaarborgde vrijheid van kunsten, die valt onder de vrijheid van meningsuiting, die zelf wordt beschermd door artikel 11 van het Handvest (zie in die zin arrest van 29 juli 2019, Pelham e.a.,C‑476/17, EU:C:2019:624, punten 33 en 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

47

Bij de uitlegging en toepassing in een concreet geval van de uitzonderingen van artikel 5, lid 3, onder k), van richtlijn 2001/29 moet bijgevolg een rechtvaardig evenwicht in acht worden genomen tussen, enerzijds, de belangen en de rechten van de in de artikelen 2 en 3 van deze richtlijn bedoelde personen en, anderzijds, de vrijheid van meningsuiting en de artistieke vrijheid van gebruikers van auteursrechtelijk beschermd materiaal alsmede het algemeen belang (zie in die zin arrest van 3 september 2014, Deckmyn en Vrijheidsfonds, C‑201/13, EU:C:2014:2132, punt 27).

48

Gelet op de doelstelling van artikel 5, lid 3, onder k), van richtlijn 2001/29 en het feit dat de in deze bepaling vervatte uitzonderingen voor de gebruikers van beschermd materiaal zelf rechten bevatten die beogen de eerbiediging van fundamentele vrijheden te waarborgen, mag het begrip „pastiche” met name niet strikt worden uitgelegd, maar moet het volledig in overeenstemming met die doelstelling en die vrijheden worden uitgelegd (zie in die zin arresten van 29 juli 2019, Funke Medien NRW,C‑469/17, EU:C:2019:623, punten 6971, en Spiegel Online, C‑516/17, EU:C:2019:625, punten 5355).

49

In deze omstandigheden moet ten eerste worden opgemerkt dat het begrip „pastiche” geen betrekking kan hebben op verborgen imitaties van beschermd materiaal of plagiaten. Zelfs indien dergelijke vormen van gebruik van auteursrechtelijk beschermd materiaal onder bepaalde voorwaarden onder de vrijheid van meningsuiting of de vrijheid van kunsten zouden kunnen vallen, zou een uitlegging van dit begrip volgens welke deze vormen op grond van artikel 5, lid 3, onder k), van richtlijn 2001/29 zijn toegestaan zonder voorafgaande toestemming van de rechthebbenden immers niet geschikt zijn om het rechtvaardig evenwicht te verwezenlijken dat de Uniewetgever heeft willen tot stand brengen tussen de bescherming van het intellectuele-eigendomsrecht van die rechthebbenden en de bescherming van de grondrechten van de gebruikers van beschermd materiaal en van het algemeen belang. Dit begrip veronderstelt dus dat het gaat om vormen van openlijk gebruik van beschermd materiaal die als zodanig herkenbaar zijn.

50

Wat ten tweede de vraag betreft welke vormen van openlijk gebruik van beschermd materiaal concreet onder het begrip „pastiche” vallen, dient gelet op de doelstelling van artikel 5, lid 3, onder k), van richtlijn 2001/29 – namelijk het waarborgen dat de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van kunsten worden geëerbiedigd – en de in de punten 35 tot en met 43 van het onderhavige arrest uiteengezette overwegingen te worden geoordeeld dat dit begrip betrekking heeft op creaties die een of meerdere bestaande werken oproepen doch met die werken merkbare verschillen vertonen, met als doel om met deze werken een artistieke of creatieve dialoog aan te gaan die als zodanig herkenbaar is.

51

In dit verband moet om te beginnen worden vastgesteld dat een dergelijke dialoog enkel kan worden aangegaan indien de in de nieuwe creatie gebruikte elementen kenmerkend zijn voor het werk of de werken waaruit zij afkomstig zijn.

52

Vervolgens heeft de advocaat-generaal in de punten 65 en 66 van zijn conclusie in essentie terecht opgemerkt dat, voor zover alleen het gebruik van de elementen van een werk die individueel of gezamenlijk auteursrechtelijk worden beschermd de toestemming van de rechthebbende kan vereisen, de pastiche-uitzondering tot op zekere hoogte het gebruik van dergelijke beschermde elementen mogelijk moet maken, omdat zij anders geen nuttige werking zou hebben.

53

Ten slotte kan de artistieke of creatieve dialoog met het werk of de werken waaruit de gebruikte elementen afkomstig zijn, verschillende vormen aannemen, met name die van een stijlimitatie van die werken, een eerbetoon aan die werken of een humoristische of kritische confrontatie ermee.

54

In casu wenst de verwijzende rechter in het bijzonder te vernemen of het overnemen van de ritmische sequentie van een muziekwerk via sampling onder de in artikel 5, lid 3, onder k), van richtlijn 2001/29 neergelegde „pastiches”-uitzondering kan vallen.

55

In dit verband zij er om te beginnen aan herinnerd dat deze techniek waarbij een gebruiker, doorgaans met behulp van elektronische apparatuur, een fragment van een fonogram overneemt om een nieuw werk te vervaardigen, een vorm is van artistieke expressie die onder de door artikel 13 van het Handvest beschermde vrijheid van kunsten valt (zie in die zin arrest van 29 juli 2019, Pelham e.a.,C‑476/17, EU:C:2019:624, punt 35).

56

Voorts kan een producent van fonogrammen op grond van het hem door artikel 2, onder c), van richtlijn 2001/29 verleende recht om de reproductie van zijn fonogram toe te staan of te verbieden, in beginsel zich ertegen verzetten dat een geluidsfragment van zijn fonogram door een derde wordt gebruikt teneinde dat fragment in een ander fonogram op te nemen op zodanige wijze dat het voor het oor herkenbaar blijft. Dit strookt met de in overweging 10 van die richtlijn genoemde specifieke doelstelling van het uitsluitende recht van de producent van fonogrammen, namelijk het beschermen van de investeringen van die producent. Zoals de Uniewetgever in die overweging heeft aangegeven, vereist de productie van fonogrammen aanzienlijke investeringen, zodat het noodzakelijk is om de mogelijkheid van een behoorlijk rendement voor de producenten van die fonogrammen te waarborgen (zie in die zin arrest van 29 juli 2019, Pelham e.a.,C‑476/17, EU:C:2019:624, punten 2931).

57

Het rechtvaardig evenwicht dat moet worden gewaarborgd tussen de bescherming van de vrijheid van kunsten en die van het auteursrecht en de naburige rechten wordt dan ook bereikt wanneer het overnemen, via sampling, van de ritmische sequentie van een muziekwerk onder de uitzondering voor pastiches valt voor zover de aldus genomen sample wordt gebruikt met het oog op de creatie van een werk dat voldoet aan de in punten 49 tot en met 53 van het onderhavige arrest genoemde vereisten.

58

Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 5, lid 3, onder k), van richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat de uitzondering voor pastiches in de zin van deze bepaling geen vangnetclausule vormt, maar betrekking heeft op creaties die een of meerdere bestaande werken oproepen doch met die werken merkbare verschillen vertonen, en die bepaalde auteursrechtelijk beschermde kenmerkende elementen van die werken gebruiken, ook via „sampling”, met als doel om met deze werken een artistieke of creatieve dialoog aan te gaan die als zodanig herkenbaar is en verschillende vormen kan aannemen, met name een openlijke stijlimitatie van die werken, een eerbetoon eraan of een humoristische of kritische confrontatie ermee.

Tweede vraag

59

Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 5, lid 3, onder k), van richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat, om als een gebruik „voor” pastiches in de zin van deze bepaling te kunnen worden aangemerkt, moet worden vastgesteld dat de gebruiker die zich op deze bepaling wil beroepen voornemens is om een bestaand werk voor dergelijke doeleinden te gebruiken, dan wel dat het volstaat dat de aard als pastiche herkenbaar is voor een persoon die bekend is met dit werk en die over het vereiste intellectuele inzicht beschikt.

60

Zoals blijkt uit het antwoord op de eerste vraag, houdt de kwalificatie als pastiche onder meer in dat in de nieuwe creatie – die verschillende vormen kan aannemen – beschermde kenmerkende elementen van het bestaande werk worden gebruikt om daarmee een als zodanig herkenbare artistieke of creatieve dialoog aan te gaan.

61

Zoals de advocaat-generaal in punt 82 van zijn conclusie in essentie heeft uiteengezet, moet ter waarborging van de rechtszekerheid de vraag of dit het geval is objectief worden beoordeeld, zodat de aard als pastiche herkenbaar moet zijn voor personen die bekend zijn met het bestaande werk waaraan die elementen zijn ontleend.

62

Hieruit volgt dat op de tweede vraag dient te worden geantwoord dat artikel 5, lid 3, onder k), van richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat, om als een gebruik „voor” pastiches in de zin van deze bepaling te kunnen worden aangemerkt, het volstaat dat de aard als pastiche herkenbaar is voor een persoon die bekend is met het bestaande werk waaraan elementen zijn ontleend.

Kosten

63

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:

 

1)

Artikel 5, lid 3, onder k), van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij

moet aldus worden uitgelegd dat

de uitzondering voor pastiches in de zin van deze bepaling geen vangnetclausule vormt, maar betrekking heeft op creaties die een of meerdere bestaande werken oproepen doch met die werken merkbare verschillen vertonen, en die bepaalde auteursrechtelijk beschermde kenmerkende elementen van die werken gebruiken, ook via „sampling”, met als doel om met deze werken een artistieke of creatieve dialoog aan te gaan die als zodanig herkenbaar is en verschillende vormen kan aannemen, met name een openlijke stijlimitatie van die werken, een eerbetoon eraan of een humoristische of kritische confrontatie ermee.

 

2)

Artikel 5, lid 3, onder k), van richtlijn 2001/29

moet aldus worden uitgelegd dat,

om als een gebruik „voor” pastiches in de zin van deze bepaling te kunnen worden aangemerkt, het volstaat dat de aard als pastiche herkenbaar is voor een persoon die bekend is met het bestaande werk waaraan elementen zijn ontleend.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Duits.