ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)
3 juli 2025 ( *1 )
[Zoals gerectificeerd bij beschikking van 18 september 2025]
„Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 93/13/EEG – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1 – Bevoegdheden en verplichtingen van de nationale rechter – Faillissementsprocedure van een natuurlijke persoon – Faillissementsrechter niet bevoegd om ambtshalve het oneerlijke karakter te onderzoeken van bedingen in een overeenkomst waarop een in de lijst van schuldvorderingen opgenomen vordering is gebaseerd – Geen bevoegdheid van deze rechter om voorlopige maatregelen te gelasten – Doeltreffendheidsbeginsel”
In zaak C‑582/23 [Wiszkier] ( i ),
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Rejonowy dla Łodzi-Śródmieścia w Łodzi (rechter in eerste aanleg Łódź – Łódź-centrum, Polen) bij beslissing van 2 augustus 2023, ingekomen bij het Hof op 20 september 2023, in de procedure
[Zoals gerectificeerd bij beschikking van 18 september 2025]
R.S.,
in tegenwoordigheid van:
C. S.A.,
P.C., als curator van R.S. en M.S.,
M.K., als curator van G. S.A.,
J.J.,
M.G.,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, kamerpresident, N. Jääskinen (rapporteur), A. Arabadjiev, M. Condinanzi en R. Frendo, rechters,
advocaat-generaal: D. Spielmann,
griffier: M. Siekierzyńska, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 14 november 2024,
gelet op de opmerkingen van:
|
– |
P.C., als curator van R.S. en M.S., vertegenwoordigd door M. Kiejna, radca prawny, |
|
– |
M.K., als curator van G. S.A., vertegenwoordigd door P. Cieślak, M. Pyzik-Waląg, J. Szewczak, Ł. Żak, adwokaci, en M. Pugowski, aplikant radcowski, |
|
– |
de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna, M. Kozak, K. Rudzińska en S. Żyrek als gemachtigden, |
|
– |
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Brauhoff, O. Glinicka, P. Kienapfel en P. Ondrůšek als gemachtigden, |
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 maart 2025,
het navolgende
Arrest
|
1 |
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29). |
|
2 |
Dit verzoek is ingediend in het kader van een faillissementsprocedure betreffende R.S., een consument in staat van persoonlijk faillissement, over de vaststelling van een plan voor de voldoening van diens schuldeisers, waaronder een bank, te weten G. S.A. (hierna: „G. Bank”). |
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
|
3 |
De vierentwintigste overweging van richtlijn 93/13 luidt als volgt: „Overwegende dat de gerechtelijke en administratieve instanties van de lidstaten over passende en doeltreffende middelen moeten beschikken om een eind te maken aan de toepassing van oneerlijke bedingen in overeenkomsten met consumenten”. |
|
4 |
Artikel 6, lid 1, van deze richtlijn bepaalt: „De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.” |
|
5 |
In artikel 7, lid 1, van die richtlijn is bepaald: „De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.” |
Pools recht
Faillissementswet
|
6 |
De faillissementsprocedure wordt geregeld door de ustawa – Prawo upadłościowe (faillissementswet) van 28 februari 2003 (Dz. U. nr. 60, volgnr. 535), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (Dz. U. van 2019, volgnr. 498, zoals gewijzigd) (hierna: „faillissementswet”). |
|
7 |
Krachtens artikel 2, lid 2, van de faillissementswet wordt de door deze wet geregelde procedure ten aanzien van natuurlijke personen die geen economische activiteit uitoefenen, op zodanige wijze gevoerd dat de in de faillissementsprocedure niet uitgevoerde schulden van de gefailleerde kunnen worden kwijtgescholden en dat de vorderingen van zijn schuldeisers zo veel mogelijk worden voldaan. |
|
8 |
Artikel 61 van deze wet bepaalt dat het vermogen van de gefailleerde vanaf de datum van de faillietverklaring wordt omgevormd tot de failliete boedel, die dient ter voldoening van zijn schuldeisers. |
|
9 |
Overeenkomstig artikel 62 van die wet omvat de failliete boedel het vermogen dat op de datum van de faillietverklaring toebehoort aan de gefailleerde en het vermogen dat tijdens de faillissementsprocedure werd verworven, behoudens de uitzonderingen vermeld in de artikelen 63 tot en met 67a van die wet. |
|
10 |
Uit artikel 63, lid 1, punt 2, van de faillissementswet volgt dat het niet voor beslag vatbare deel van het arbeidsloon van de gefailleerde geen deel uitmaakt van de failliete boedel. |
|
11 |
Krachtens artikel 151, lid 1, van deze wet worden de handelingen van de faillissementsprocedure vanaf de faillietverklaring verricht door de rechter‑commissaris, met uitzondering van de handelingen waarvoor de faillissementsrechter bevoegd is. |
|
12 |
Krachtens artikel 152, lid 1, van de faillissementswet staat het aan de rechter‑commissaris om de faillissementsprocedure te leiden, toezicht te houden op de werkzaamheden van de curator, aan te geven voor welke handelingen van de curator toestemming van de rechter-commissaris of de vergadering van schuldeisers vereist is en wangedrag van de curator vast te stellen. Bovendien verricht de rechter-commissaris volgens artikel 152, lid 2, van deze wet de andere in die wet omschreven handelingen. |
|
13 |
Artikel 154 van de faillissementswet bepaalt dat de rechter-commissaris in het kader van zijn werkzaamheden de rechten en plichten heeft van de faillissementsrechtbank en de voorzitter van die rechtbank. |
|
14 |
Artikel 236 van deze wet luidt: „1. Schuldeisers die een vordering hebben op het persoonlijke vermogen van de gefailleerde en die voornemens zijn aan de faillissementsprocedure deel te nemen, zijn verplicht, indien dit nodig is voor de vaststelling van hun vordering, deze binnen de in de faillissementsverklaring gestelde termijn bij de rechter-commissaris in te dienen. 2. Schuldeisers hebben ook het recht om een vordering in te dienen wanneer deze gedekt is door een hypotheek, een pandrecht, een bezitloos pandrecht, een zekerheidsrecht ten gunste van de belastingdienst, een scheepshypotheek of een andere inschrijving in het kadaster of het scheepsregister. Als een schuldeiser deze vorderingen niet indient, worden zij ambtshalve opgenomen in de lijst van schuldvorderingen. 3. Lid 2 is van overeenkomstige toepassing op schuldvorderingen die gedekt zijn door een hypotheek, een pandrecht, een bezitloos pandrecht, een zekerheidsrecht ten gunste van de belastingdienst of een scheepshypotheek op goederen die deel uitmaken van de failliete boedel, indien de gefailleerde geen schuldenaar is met betrekking tot zijn persoonlijke vermogen en de schuldeiser voornemens is zijn vorderingen op het bezwaarde goed in de faillissementsprocedure op te eisen. 4. De bepalingen van dit artikel met betrekking tot schuldvorderingen zijn van toepassing op andere schulden die uit de failliete boedel moeten worden voldaan.” |
|
15 |
Artikel 243, lid 1, van die wet bepaalt dat de curator nagaat of de ingediende schuldvordering wordt gestaafd door de rekeningen of andere documenten van de gefailleerde of door inschrijvingen in het kadaster of andere registers, en de gefailleerde verzoekt om binnen een bepaalde termijn een verklaring over te leggen waarin hij vermeldt of hij de vordering erkent. |
|
16 |
Artikel 244 van die wet bepaalt dat de curator na het verstrijken van de termijn voor de indiening van schuldvorderingen en de verificatie van de ingediende schuldvorderingen onmiddellijk of uiterlijk 2 maanden na het verstrijken van de termijn voor de indiening van schuldvorderingen een lijst van schuldvorderingen opstelt. |
|
17 |
Volgens artikel 260, lid 2, van de faillissementswet keurt de rechter-commissaris, indien geen bezwaar is aangetekend, de lijst van schuldvorderingen goed na het verstrijken van de bezwaartermijn. |
|
18 |
Uit artikel 261 van deze wet blijkt dat de rechter-commissaris de lijst van schuldvorderingen ambtshalve kan wijzigen wanneer hij vaststelt dat er geheel of gedeeltelijk onbestaande schuldvorderingen op de lijst zijn geplaatst of dat er schuldvorderingen ontbreken die op de lijst zouden moeten staan, dat het besluit tot wijziging van de lijst ambtshalve wordt bekendgemaakt en dat tegen dit besluit beroep kan worden aangetekend. |
|
19 |
Artikel 49114 van deze wet luidt: „1. Nadat het definitieve terugbetalingsplan is uitgevoerd of wanneer er wegens de ontoereikendheid van het vermogen van de gefailleerde geen terugbetalingsplan is opgesteld, stelt de faillissementsrechter, na goedkeuring van de lijst van schuldvorderingen en na de gefailleerde, de curator en de schuldeisers te hebben gehoord, een plan voor de voldoening van de schuldeisers op of, in de gevallen als bedoeld in artikel 49116, scheldt hij de schulden van de gefailleerde kwijt zonder een plan voor de voldoening van de schuldeisers op te stellen. 2. De beslissing betreffende de vaststelling van een plan voor de voldoening van de schuldeisers of betreffende de kwijtschelding van de schulden van de gefailleerde zonder plan voor de voldoening van de schuldeisers, wordt aan de schuldeisers betekend. Tegen deze beslissing kan beroep worden aangetekend. 3. Het in kracht van gewijsde gaan van de beslissing betreffende de vaststelling van een plan voor de voldoening van de schuldeisers of betreffende de kwijtschelding van de schulden van de gefailleerde zonder plan voor de voldoening van de schuldeisers maakt een einde aan de procedure.” |
|
20 |
Artikel 49115, leden 1 en 4, van die wet bepaalt: „1. In de beslissing betreffende de vaststelling van het plan voor de voldoening van de schuldeisers geeft de faillissementsrechter aan in welke mate en binnen welke termijn, die niet meer dan 36 maanden mag bedragen, de gefailleerde de in de lijst van schuldvorderingen opgenomen schulden die in de loop van de procedure niet zijn betaald op basis van terugbetalingsplannen, moet terugbetalen, en welk deel van de schulden van de gefailleerde die vóór de datum van de faillietverklaring verschuldigd waren, na de uitvoering van het plan voor de voldoening van de schuldeisers zal worden kwijtgescholden. [...] 4. De faillissementsrechter is niet gebonden aan het standpunt van de gefailleerde over de voorwaarden van het plan voor de voldoening van de schuldeisers. Bij de vaststelling van het plan voor de voldoening van de schuldeisers houdt deze rechter rekening met de verdiencapaciteit van de gefailleerde, de noodzaak voor de gefailleerde en de personen te zijnen laste om in hun behoeften te voorzien, met inbegrip van hun woonbehoefte, het bedrag van de uitstaande schuldvorderingen en de reële mogelijkheid om deze in de toekomst te voldoen.” |
Wet houdende het arbeidswetboek
|
21 |
Artikel 87 van de ustawa – Kodeks pracy (wet houdende het arbeidswetboek) van 26 juni 1974 (Dz. U. nr. 24, volgnr. 141), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (Dz. U. van 2022, volgnr. 1510, zoals gewijzigd), bepaalt onder meer dat in geval van uitvoering van andere schulden of verrekening met bedragen die door de werkgever zijn voorgeschoten om beroepskosten te dekken, maximaal de helft van het salaris kan worden ingehouden. |
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
|
22 |
Op 30 maart 2007 hebben R.S., zijn echtgenote en twee andere natuurlijke personen met G. Bank een hypothecaire kredietovereenkomst gesloten, gekoppeld aan de Zwitserse frank (CHF), voor een bedrag van 489821,63 Poolse zloty (PLN) (ongeveer 116587,34 EUR), met een looptijd van 360 maanden. |
|
23 |
Bij beslissing van 15 oktober 2019 is R.S. persoonlijk failliet verklaard. Daarop werd er een curator benoemd. |
|
24 |
Bij beslissing van 26 april 2021 heeft de rechter-commissaris een door die curator opgestelde lijst van schuldvorderingen goedgekeurd. De meeste schuldvorderingen op deze lijst waren schuldvorderingen van G. Bank uit hoofde van de hypothecaire kredietovereenkomst in het hoofdgeding. Er is geen bezwaar gemaakt en R.S. heeft al deze schuldvorderingen erkend. |
|
25 |
Op 20 juli 2023 werd het faillissement van G. Bank uitgesproken en is de faillissementsprocedure voortgezet onder leiding van de curator van deze bank. |
|
26 |
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat het in het kader van een faillissementsprocedure aan de faillissementsrechter staat om op basis van de door de curator opgestelde en door de rechter-commissaris goedgekeurde lijst van schuldvorderingen, een plan voor de voldoening van de schuldeisers van de gefailleerde vast te stellen, dan wel vast te stellen dat de reeds in de failliete boedel bijeengebrachte activa voldoende zijn om al zijn schulden te voldoen en dat een terugbetalingsplan niet nodig is. De beslissing van deze rechter hierover maakt een einde aan de faillissementsprocedure. |
|
27 |
In casu is die rechter de Sąd Rejonowy dla Łodzi-Śródmieścia w Łodzi (rechter in eerste aanleg Łódź – Łódź-centrum, Polen), de verwijzende rechter. Hij is van oordeel dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde hypothecaire kredietovereenkomst oneerlijke bedingen bevat die tot de nietigverklaring ervan kunnen leiden, en merkt op dat dit aspect niet eerder is onderzocht. Volgens deze rechter zijn de schuldvorderingen van G. Bank lager dan de vorderingen zoals ingediend, of bestaan zij zelfs helemaal niet. |
|
28 |
In dit verband merkt de verwijzende rechter in de eerste plaats op dat R.S. weliswaar reeds alle schuldvorderingen heeft erkend, maar dat uit het dossier van de faillissementsprocedure niet blijkt dat deze partij op de hoogte is gebracht van de mogelijke oneerlijke bedingen van de hypothecaire kredietovereenkomst die in het hoofdgeding aan de orde is, noch dat hij met volledige kennis van zaken heeft verklaard dat hij geen beroep doet op de door richtlijn 93/13 geboden bescherming. De professionele gemachtigde van R.S., die hem sinds 3 november 2022 vertegenwoordigt, heeft echter voor diezelfde rechter aangevoerd dat deze hypothecaire kredietovereenkomst oneerlijke bedingen bevatte. Bovendien heeft R.S. niet de mogelijkheid gehad om zelf een vordering in te stellen ter bescherming van zijn rechten uit hoofde van die richtlijn, aangezien zijn vermogen onder beheer stond en staat van de curator. |
|
29 |
Volgens de verwijzende rechter staan de toepasselijke bepalingen van het nationale recht de faillissementsrechter evenwel niet toe om bij het opstellen van een terugbetalingsplan zelf te toetsen of de contractuele bedingen oneerlijk zijn. Deze rechter kan enkel de behandeling van de zaak schorsen en de zaak verwijzen naar de rechter-commissaris met het oog op een eventuele ambtshalve wijziging van de lijst van schuldvorderingen, wat zou leiden tot vertraging in de behandeling van de zaak. |
|
30 |
In de tweede plaats merkt deze rechter op dat in het kader van een faillissementsprocedure moeilijk vast te stellen is welke instantie bevoegd is om – in voorkomend geval – te beoordelen of de betrokken contractuele bedingen mogelijk oneerlijk zijn. De rechter-commissaris onderzoekt de ingediende schuldvorderingen namelijk alleen op formele gronden en zendt deze vervolgens door naar de curator, die ze inhoudelijk onderzoekt en de lijst van schuldvorderingen opstelt. De rechter-commissaris zou dan ook wettelijk niet de mogelijk hebben om deze lijst vóór goedkeuring te wijzigen, tenzij op grond van een bezwaar van een daartoe bevoegde persoon. |
|
31 |
Aangezien in casu geen bezwaar werd gemaakt en R.S. voor de rechter-commissaris niet heeft ingeroepen dat de bedingen van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde hypothecaire kredietovereenkomst oneerlijk waren, was deze rechter-commissaris op grond van het nationale recht niet verplicht de gegrondheid na te gaan van de schuldvordering van G. Bank die op de lijst van schuldvorderingen was opgenomen. De vertegenwoordiger van R.S. heeft pas voor de verwijzende rechter het mogelijk oneerlijke karakter van de bedingen van deze hypothecaire kredietovereenkomst aangevoerd. |
|
32 |
In de derde plaats preciseert deze rechter dat, volgens de beweringen van R.S., er na de inhouding van de bedragen die bestemd zijn voor de failliete boedel, een bedrag overblijft dat onvoldoende is om in zijn behoeften en die van zijn gezin te voorzien. De bepalingen die van toepassing zijn op de faillissementsprocedure in het hoofdgeding staan de faillissementsrechter of de rechter-commissaris echter niet toe het bedrag van die inhouding op enigerlei wijze aan te passen. |
|
33 |
In de vierde en laatste plaats herinnert de verwijzende rechter eraan dat de tijdens de faillissementsprocedure geïnde middelen dienen ter voldoening van alle schuldeisers en niet alleen van G. Bank. Gelet op de middelen die in de failliete boedel zijn gestort en het bedrag van de andere schulden, zou kunnen blijken dat die middelen volstaan om de schuldvorderingen te voldoen, met uitzondering van de schuldvordering van G. Bank. Overeenkomstig artikel 87 van de wet houdende het arbeidswetboek, in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, wordt de helft van het salaris van de gefailleerde nog steeds in de boedel gestort en wordt het eventuele overschot hem pas na afloop van de faillissementsprocedure uitgekeerd. |
|
34 |
In die omstandigheden is de verwijzende rechter van mening dat de gefailleerde kan worden ontmoedigd om de bescherming in te roepen die voortvloeit uit richtlijn 93/13, omdat, indien hij deze bescherming niet zou vragen, de faillissementsrechter sneller een terugbetalingsplan voor hem zou kunnen vaststellen, rekening houdend met zijn behoeften en die van zijn naaste familieleden. Hij zou dan waarschijnlijk lagere bedragen moeten terugbetalen dan de bedragen die op zijn salaris werden ingehouden. Dit zou echter impliceren dat wordt aanvaard dat de schuldvordering van G. Bank in de lijst van schuldvorderingen wordt opgenomen. |
|
35 |
Daarop heeft de Sąd Rejonowy dla Łodzi – Śródmieścia w Łodzi de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
|
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
|
36 |
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling die bepaalt dat een faillissementsrechter, in het kader van een faillissementsprocedure van natuurlijke personen, gebonden is aan de lijst van schuldvorderingen zodra deze is goedgekeurd door een rechterlijke instantie en de procedure bij de faillissementsrechter is ingeleid, zodat hij niet kan beoordelen of de bedingen van een kredietovereenkomst waarop een op die lijst opgenomen schuldvordering is gebaseerd, oneerlijk zijn, en hij deze lijst niet kan wijzigen, maar de behandeling van de zaak moet schorsen en de beoordeling van het mogelijk oneerlijke karakter van deze contractuele bedingen naar die rechterlijke instantie moet verwijzen. |
|
37 |
In dit verband zij er in de eerste plaats aan herinnerd dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 een dwingende bepaling is en moet worden beschouwd als een norm die gelijkwaardig is aan de nationale regels die in de interne rechtsorde als regels van openbare orde gelden (arrest van 21 december 2016, Gutiérrez Naranjo e.a.,C‑154/15, C‑307/15 en C‑308/15, EU:C:2016:980, punten 54 en 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
38 |
De nationale rechter moet dus ambtshalve toetsen of een contractueel beding dat binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 valt, oneerlijk is, en moet aldus het gebrek aan evenwicht tussen de consument en de verkoper compenseren zodra hij over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt (arrest van 17 mei 2022, Ibercaja Banco,C‑600/19, EU:C:2022:394, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
39 |
Gelet op de aard en het gewicht van het openbaar belang waarop de aan de consument verschafte bescherming berust, verplicht richtlijn 93/13 de lidstaten bovendien, volgens artikel 7, lid 1, juncto de vierentwintigste overweging ervan, in doeltreffende en geschikte middelen te voorzien „om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers” [arrest van 9 april 2024, Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing),C‑582/21, EU:C:2024:282, punt 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. |
|
40 |
Aangezien de in casu gestelde vraag betrekking heeft op de faillissementsprocedure van een natuurlijke persoon die geen economische activiteit uitoefent, zij er in de tweede plaats aan herinnerd dat het Unierecht de procedures voor de beoordeling van het mogelijk oneerlijke karakter van een contractueel beding niet harmoniseert. Deze procedures vallen krachtens het beginsel van de procedurele autonomie van de lidstaten dan ook onder de interne rechtsorde van de lidstaten, op voorwaarde evenwel dat zij niet ongunstiger zijn dan die welke gelden voor soortgelijke situaties naar nationaal recht (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) [arresten van 4 mei 2023, BRD Groupe Societé Générale en Next Capital Solutions, C‑200/21, EU:C:2023:380, punt 28, en 9 april 2024, Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing),C‑582/21, EU:C:2024:282, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. |
|
41 |
Wat het gelijkwaardigheidsbeginsel betreft, beschikt het Hof niet over enige aanwijzing die twijfel zou kunnen doen rijzen over de verenigbaarheid van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling met dit beginsel. |
|
42 |
Wat het doeltreffendheidsbeginsel betreft, moet de vraag of een nationale wettelijke regeling de toepassing van het Unierecht onmogelijk of uiterst moeilijk maakt, worden onderzocht met inaanmerkingneming van de gehele procedure en van het verloop en de bijzondere kenmerken van die procedure, tezamen met, zo nodig, de beginselen die aan het nationale stelsel van rechtspleging ten grondslag liggen, zoals de bescherming van de rechten van de verdediging, het rechtszekerheidsbeginsel en het goede verloop van de procedure. Niettemin kunnen de specifieke kenmerken van procedures geen factor vormen die de rechtsbescherming die consumenten op grond van richtlijn 93/13 dient toe te komen, mag doorkruisen (arrest van 17 mei 2022, Impuls Leasing România, C‑725/19, EU:C:2022:396, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
43 |
Het Hof heeft evenwel ook geoordeeld dat de inachtneming van het doeltreffendheidsbeginsel niet zodanig ver kan worden doorgetrokken dat de totale passiviteit van de betrokken consument wordt verholpen (arresten van 6 oktober 2009, Asturcom Telecomunicaciones, C‑40/08, EU:C:2009:615, punt 47, en 24 juni 2025, GR REAL,C‑351/23, EU:C:2025:474, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
44 |
De verplichting voor de lidstaten om de doeltreffendheid te waarborgen van de rechten die justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, met name van de rechten die voortvloeien uit richtlijn 93/13, impliceert voorts dat moet worden gezorgd voor een doeltreffende voorziening in rechte, welk vereiste is bevestigd in artikel 7, lid 1, van die richtlijn en tevens is neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie [arrest van 9 april 2024, Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing),C‑582/21, EU:C:2024:282, punt 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
45 |
In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat een door de rechter-commissaris goedgekeurde lijst van schuldvorderingen bindend is voor de faillissementsrechter, zodat deze laatste met het oog op de opstelling van het plan voor de voldoening van de schuldeisers niet zelf feitelijke vaststellingen kan doen met betrekking tot het bestaan van de schuldvorderingen. Volgens de verwijzende rechter is het enige middel waarover hij beschikt om het mogelijk oneerlijke karakter van bedingen in een overeenkomst waarop een vordering op de door de curator opgestelde en door de rechter-commissaris goedgekeurde lijst van schuldvorderingen is gebaseerd, te laten toetsen, het instellen van een verzoek bij die rechter-commissaris. Deze moet dan zowel die contractuele bedingen als de noodzaak om die lijst ambtshalve te wijzigen onderzoeken. |
|
46 |
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt ook dat de verplichting voor de faillissementsrechter om zich tot de rechter-commissaris te wenden, de beëindiging van de faillissementsprocedure vertraagt en de precaire financiële situatie van de gefailleerde verlengt doordat de inhoudingen op het salaris van de gefailleerde gedurende de gehele procedure naar de failliete boedel blijven vloeien. De verlenging van de procedure kan die gefailleerde er dus van weerhouden zijn uit richtlijn 93/13 voortvloeiende recht op bescherming te doen gelden. |
|
47 |
Zoals de verwijzende rechter heeft uiteengezet in zijn antwoord op een verzoek om verduidelijking van het Hof krachtens artikel 101 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, is een gefailleerde doorgaans gebaat bij een zo spoedig mogelijke beëindiging van de faillissementsprocedure. Bij de opstelling van het terugbetalingsplan, dat een einde maakt aan deze procedure, kan de faillissementsrechter namelijk rekening houden met de persoonlijke situatie van deze gefailleerde, zijn uitgaven en de noodzaak om te voorzien in de behoeften van zijn naasten. Meestal wordt het maandelijkse bedrag dat die gefailleerde aan het einde van de procedure moet besteden aan de aflossing van zijn schulden vastgesteld op een lager bedrag dan de inhoudingen op zijn salaris gedurende de procedure. Om de verlenging van de faillissementsprocedure te voorkomen, kan die gefailleerde daardoor mogelijk gedwongen zijn af te zien van de uit richtlijn 93/13 voortvloeiende bescherming en een terugbetalingsplan te accepteren waarin een schuldvordering is opgenomen die is gebaseerd op een overeenkomst met mogelijk oneerlijke bedingen. |
|
48 |
Hieraan moet overigens worden toegevoegd dat volgens de informatie in het dossier waarover het Hof beschikt, het risico bestaat dat de gefailleerde zich onthoudt van het aanvoeren van het oneerlijke karakter van een contractueel beding niet alleen tijdens de fase van die procedure die plaatsvindt voor de faillissementsrechter, maar ook tijdens elke andere fase van die procedure. Het aanvoeren van het oneerlijke karakter van een beding in een overeenkomst waarop een schuldvordering is gebaseerd, heeft immers in elk geval tot gevolg dat de beëindiging van dezelfde procedure wordt vertraagd. |
|
49 |
Benadrukt zij evenwel dat dat de bescherming die richtlijn 93/13 de consument verleent zich uitstrekt tot de gevallen waarin de consument die met een verkoper een overeenkomst heeft gesloten die een oneerlijk beding bevat, zich niet beroept op, enerzijds, het feit dat deze overeenkomst binnen de werkingssfeer van die richtlijn valt en, anderzijds, de oneerlijkheid van het betrokken beding, hetzij omdat hij onwetend is van zijn rechten, hetzij omdat hij ervan afziet zijn rechten geldend te maken wegens de kosten van een vordering in rechte (zie in die zin arrest van 4 juni 2020, Kancelaria Medius, C‑495/19, EU:C:2020:431, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
50 |
Gelet op de in de punten 45 tot en met 47 van het onderhavige arrest vermelde elementen moet derhalve worden geoordeeld dat een nationale wettelijke regeling als in het hoofdgeding, die de gefailleerde ervan kan weerhouden om zijn recht op bescherming uit hoofde van richtlijn 93/13 te doen gelden, de toepassing van deze richtlijn in het kader van dezelfde procedure uiterst moeilijk kan maken. |
|
51 |
In elk geval moet er nog op worden gewezen dat het recht van de consument op daadwerkelijke bescherming ook het recht behelst om zijn rechten juist niet uit te oefenen, zodat de nationale rechter in voorkomend geval rekening moet houden met de door de consument uitgedrukte wil wanneer deze zich ervan bewust is dat een oneerlijk beding niet bindend is, maar toch aangeeft dat hij niet wil dat het buiten toepassing blijft en dus vrij en geïnformeerd met het betrokken beding instemt (arrest van 9 juli 2020, Ibercaja Banco, C‑452/18, EU:C:2020:536, punten 25‑28 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
52 |
Niets in het dossier waarover het Hof beschikt, wijst er evenwel op dat de gefailleerde in casu vrij en weloverwogen afstand heeft gedaan van de bescherming die hij krachtens richtlijn 93/13 geniet. Zoals de advocaat-generaal in punt 88 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kan de omstandigheid dat de gefailleerde, zonder in dit stadium van de procedure door een advocaat te zijn vertegenwoordigd, de bij de curator ingediende vorderingen heeft erkend en geen verzet heeft aangetekend bij de rechter-commissaris, niet worden beschouwd als een aanwijzing dat vrij en weloverwogen van deze bescherming afstand werd gedaan. |
|
53 |
Bovendien kan in een situatie als in het hoofdgeding de houding van de gefailleerde niet worden aangemerkt als een volkomen passieve houding in de zin van de in punt 43 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak. Zoals in punt 28 van het onderhavige arrest is uiteengezet, heeft deze gefailleerde voor de faillissementsrechter, in casu de verwijzende rechter, immers aangevoerd dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde hypothecaire kredietovereenkomst oneerlijke bedingen bevatte. |
|
54 |
Gelet op de argumenten die M.K. ter terechtzitting heeft aangevoerd, namelijk dat de door de rechter-commissaris goedgekeurde lijst van schuldvorderingen gezag van gewijsde heeft verkregen, moet ook worden benadrukt dat deze omstandigheid niet noodzakelijk in de weg staat aan een ambtshalve toetsing door de faillissementsrechter van het mogelijk oneerlijke karakter van bedingen in een overeenkomst waarop een schuldvordering in die lijst is gebaseerd. |
|
55 |
Zoals het Hof heeft geoordeeld, wordt de plicht tot een dergelijk ambtshalve toetsing gerechtvaardigd door de aard en het gewicht van het openbare belang waarop de door richtlijn 93/13 aan de consument verschafte bescherming berust, zodat een doeltreffende controle van de mogelijke oneerlijkheid van contractuele bedingen, zoals vereist door die richtlijn niet kan worden gewaarborgd indien het gezag van gewijsde ook geldt voor rechterlijke beslissingen waarin van een dergelijke toetsing geen gewag wordt gemaakt (arrest van 17 mei 2022, Ibercaja Banco, C‑600/19, EU:C:2022:394, punt 50). |
|
56 |
Voor zover in casu geen toetsing heeft plaatsgevonden van het oneerlijke karakter van bedingen in een overeenkomst waarop een schuldvordering in de door de rechter-commissaris goedgekeurde lijst van schuldvorderingen is gebaseerd – het is uiteindelijk aan de verwijzende rechter om dit na te gaan – verplicht richtlijn 93/13 de faillissementsrechter dus om het mogelijk oneerlijke karakter van die bedingen te beoordelen en daaraan de nodige consequenties te verbinden. |
|
57 |
Dit kan slechts anders zijn indien de rechter-commissaris uitdrukkelijk had vermeld dat hij had getoetst of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde contractuele bedingen oneerlijk waren en dat dit onderzoek, dat op zijn minst summier was gemotiveerd, geen oneerlijke bedingen aan het licht had gebracht, eventueel onder vermelding dat de beoordeling die deze rechter-commissaris naar aanleiding van dat onderzoek heeft verricht, niet meer ter discussie kon worden gesteld indien geen verzet wed aangetekend binnen de daartoe gestelde termijn (zie naar analogie arrest van 17 mei 2022, Ibercaja Banco, C‑600/19, EU:C:2022:394, punt 51). |
|
58 |
Gelet op een en ander dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling die bepaalt dat een faillissementsrechter, zonder dat hij heeft onderzocht of de bedingen van de betrokken overeenkomst mogelijk oneerlijk zijn, in het kader van een faillissementsprocedure van natuurlijke personen gebonden is aan de lijst van schuldvorderingen zodra die is goedgekeurd door een rechterlijke instantie en de procedure bij de faillissementsrechter is ingeleid, zodat hij niet kan beoordelen of de bedingen van een kredietovereenkomst waarop een op die lijst opgenomen schuldvordering is gebaseerd, oneerlijk zijn, en hij deze lijst niet kan wijzigen maar de behandeling van de zaak moet schorsen en de beoordeling van het mogelijk oneerlijke karakter van deze contractuele bedingen naar die rechterlijke instantie moet verwijzen. |
Tweede vraag
|
59 |
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling die in het kader van een faillissementsprocedure van natuurlijke personen niet voorziet in de mogelijkheid voor de faillissementsrechter om voorlopige maatregelen te gelasten ter verbetering van de situatie van de gefailleerde in afwachting van de uitkomst van het onderzoek van het oneerlijke karakter van de bedingen in een kredietovereenkomst waarop een schuldvordering is gebaseerd die is opgenomen in de door een andere rechterlijke instantie goedgekeurde lijst van schuldvorderingen, zonder dat die rechterlijke instantie het mogelijk oneerlijke karakter van de bedingen van de betrokken overeenkomst heeft onderzocht. |
|
60 |
Vooraf zij er ten eerste aan herinnerd dat artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 de lidstaten verplicht erop toe te zien dat oneerlijke bedingen de consument niet binden, zonder dat deze consument een vordering hoeft in te stellen en een vonnis moet verkrijgen waarin het oneerlijke karakter van die bedingen wordt bevestigd. Hieruit volgt dat de nationale rechterlijke instanties die bedingen buiten toepassing dienen te laten opdat zij geen dwingende gevolgen hebben voor de consument, tenzij de consument zich daartegen verzet [arrest van 15 juni 2023, Getin Noble Bank (Opschorting van de uitvoering van een kredietovereenkomst),C‑287/22, EU:C:2023:491, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. |
|
61 |
Zoals in punt 39 van het onderhavige arrest is aangegeven, staat het uiteindelijk aan de lidstaten om er overeenkomstig artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 op toe te zien dat er in het belang van de consumenten en de concurrerende verkopers doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers. |
|
62 |
Ten tweede is het, zoals blijkt uit punt 40 van het onderhavige arrest, volgens het beginsel van procedurele autonomie aan de lidstaten zelf om te bepalen hoe de consumentenbescherming van richtlijn 93/13 wordt verwezenlijkt, mits zij daarbij het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel respecteren. |
|
63 |
Wat het gelijkwaardigheidsbeginsel betreft, beschikt het Hof niet over enige aanwijzing die twijfel kan doen rijzen over de verenigbaarheid van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wettelijke regeling met dit beginsel, aangezien deze niet voorziet in de mogelijkheid voor de faillissementsrechter om in het kader van de faillissementsprocedure voorlopige maatregelen te gelasten ter bescherming van de gefailleerde. |
|
64 |
Wat het doeltreffendheidsbeginsel betreft, moet de vraag of een nationale wettelijke regeling de toepassing van het Unierecht onmogelijk of uiterst moeilijk maakt, worden onderzocht met inaanmerkingneming van de gehele procedure en van het verloop en de bijzondere kenmerken van die procedure, zoals in wezen is opgemerkt in punt 42 van het onderhavige arrest. |
|
65 |
Wat meer in het bijzonder de vraag betreft in welke omstandigheden het noodzakelijk kan zijn dat de nationale rechter voorlopige maatregelen verleent om de doeltreffendheid van de toepassing van richtlijn 93/13 te verzekeren, moet worden benadrukt dat de noodzaak van dergelijke maatregelen moet worden beoordeeld in het licht van het doel van richtlijn 93/13, namelijk het waarborgen van een hoog niveau van consumentenbescherming (zie in die zin arrest van 25 november 2020, Banca B., C‑269/19, EU:C:2020:954, punt 37). |
|
66 |
De nationale rechter moet dus voorlopige maatregelen kunnen toepassen om de volle werking van de rechten die de consument aan richtlijn 93/13 ontleent, mogelijk te maken. |
|
67 |
Vanuit dit oogpunt heeft het Hof met name geoordeeld dat de door deze richtlijn aan de consument geboden bescherming, en in het bijzonder artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, ervan, vereist dat de nationale rechter die bevoegd is om te beoordelen of een contractueel beding oneerlijk is, een passende voorlopige maatregel kan bevelen indien dat nodig is om de volle werking van de met betrekking tot het oneerlijke karakter van contractuele bedingen te wijzen beslissing te waarborgen [arrest van 15 juni 2023, Getin Noble Bank (Opschorting van de uitvoering van een kredietovereenkomst),C‑287/22, EU:C:2023:491, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. |
|
68 |
Het Hof heeft er tevens op gewezen dat het noodzakelijk kan zijn dergelijke maatregelen te nemen wanneer er een risico bestaat dat de betrokken consument tijdens de gerechtelijke procedure, die lang kan duren, hogere maandelijkse aflossingen betaalt dan de aflossingen die daadwerkelijk verschuldigd zijn indien dat beding buiten toepassing zou moeten worden gelaten, als dit noodzakelijk is om de volle werking van de te geven beslissing over het oneerlijke karakter van contractuele bedingen te waarborgen [arrest van 15 juni 2023, Getin Noble Bank (Opschorting van de uitvoering van een kredietovereenkomst),C‑287/22, EU:C:2023:491, punten 42 en 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. |
|
69 |
In dit verband volgt uit de aanwijzingen in de verwijzingsbeslissing ten eerste dat de faillissementsrechter krachtens de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wettelijke regeling geen voorlopige maatregelen kan gelasten om de financiële situatie van de gefailleerde te verlichten in afwachting van de uitkomst van het onderzoek naar het mogelijk oneerlijke karakter van een contractueel beding. Hoewel de gefailleerde vóór de sluiting van de faillissementsprocedure de op de door de rechter-commissaris goedgekeurde lijst van schuldvorderingen vermelde vorderingen niet hoeft terug te betalen, blijft deze gefailleerde wel verplicht bij te dragen aan de failliete boedel op basis van een lijst van schuldvorderingen die potentieel een schuldvordering bevat die haar oorsprong vindt in een dergelijk beding. Zoals in punt 46 van het onderhavige arrest is opgemerkt, kan de gefailleerde ervan worden weerhouden om zijn recht op bescherming uit hoofde van richtlijn 93/13 te doen gelden, aangezien het inroepen van het oneerlijke karakter van een contractueel beding de verlenging van de faillissementsprocedure impliceert. Ten tweede blijkt uit de toelichting van de verwijzende rechter dat, gelet op het bedrag van de tot dusver in de failliete boedel gestorte gelden en de schulden van de gefailleerde, deze gelden kunnen volstaan om de schuldvorderingen op deze lijst te voldoen, met uitzondering van de schuldvordering van G. Bank. |
|
70 |
In dergelijke omstandigheden moet worden geoordeeld dat een voorlopige maatregel, zoals de verwijzende rechter in wezen heeft uiteengezet in zijn antwoord op het in punt 47 van het onderhavige arrest bedoelde verzoek om verduidelijking, die ertoe strekt de inhoudingen op het salaris van de gefailleerde te verminderen in afwachting van een beslissing tot beëindiging van het onderzoek naar het oneerlijke karakter van een contractueel beding, noodzakelijk kan zijn om de door richtlijn 93/13 geboden bescherming en de daaruit voortvloeiende effectieve rechterlijke bescherming te waarborgen. Het is evenwel aan de verwijzende rechter om dit vast te stellen. |
|
71 |
Met het oog daarop moet die rechter met name beoordelen of het treffen van voorlopige maatregelen, bestaande in een vermindering van de inhoudingen op het salaris van de gefailleerde, noodzakelijk is om deze gefailleerde de bescherming te bieden die richtlijn 93/13 hem verschaft. Zoals de advocaat-generaal in punt 104 van zijn conclusie heeft opgemerkt, moet die rechter daarbij rekening houden met alle relevante omstandigheden van de zaak, waaronder met name het bestaan van voldoende aanwijzingen dat de betrokken contractuele bedingen oneerlijk zijn, met de concrete mogelijkheid dat de failliete boedel reeds voldoende middelen bevat om de schuldeisers te voldoen, met uitzondering van, in voorkomend geval, de betrokken schuldvordering, alsmede met de financiële situatie van die gefailleerde en het risico dat hij te maken krijgt met een verlenging van de procedure die tot een ongerechtvaardigde verslechtering van zijn financiële situatie zou kunnen leiden in afwachting van de beëindiging van die procedure. |
|
72 |
Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling die in het kader van een faillissementsprocedure van natuurlijke personen niet voorziet in de mogelijkheid voor de faillissementsrechter om voorlopige maatregelen te gelasten ter verbetering van de situatie van de gefailleerde in afwachting van een beslissing tot beëindiging van het onderzoek naar het oneerlijke karakter van de bedingen in een kredietovereenkomst waarop een schuldvordering is gebaseerd die is opgenomen in de door een andere rechterlijke instantie goedgekeurde lijst van schuldvorderingen, zonder dat die rechterlijke instantie het mogelijk oneerlijke karakter van de bedingen van de betrokken overeenkomst heeft onderzocht. |
Kosten
|
73 |
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. |
|
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht: |
|
|
|
ondertekeningen |
( *1 ) Procestaal: Pools.
( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.