ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

8 mei 2025 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Mededinging – Mededingingsregelingen – Verbod – Verticale overeenkomsten – Artikel 101, lid 3, VWEU – Verordening (EU) nr. 330/2010 – Groepsvrijstelling – Artikel 4, onder b), i) – Hardcorebeperking die het voordeel van deze vrijstelling tenietdoet – Uitzondering – Alleenverkoopovereenkomsten – Beperking van de actieve verkoop in een exclusief gebied – Begrip ‚overeenkomst’ – Wilsovereenstemming tussen de leverancier en zijn afnemers – Bewijs – Aan een afnemer toegewezen exclusief gebied – Geen actieve verkoop door andere afnemers in dat gebied”

In zaak C‑581/23,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het hof van beroep Antwerpen (België) bij beslissing van 13 september 2023, ingekomen bij het Hof op 21 september 2023, in de procedure

Beevers Kaas BV

tegen

Albert Heijn België NV,

Koninklijke Ahold Delhaize NV,

Albert Heijn BV,

Ahold België BV,

in tegenwoordigheid van:

B.A. Coöperatieve Zuivelonderneming Cono,

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: K. Jürimäe (rapporteur), kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Tweede kamer, M. Gavalec, Z. Csehi en F. Schalin, rechters,

advocaat-generaal: L. Medina,

griffier: A. Lamote, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 16 oktober 2024,

gelet op de opmerkingen van:

Beevers Kaas BV, vertegenwoordigd door J. Janssen en F. Petillion, advocaten,

Albert Heijn België NV, Koninklijke Ahold Delhaize NV, Albert Heijn BV en Ahold België BV, vertegenwoordigd door H. Burez en M. Varga, advocaten,

B.A. Coöperatieve Zuivelonderneming Cono, vertegenwoordigd door L. Bersou, J.‑P. Fierens, P. Goffinet en L. Goddeau, advocaten,

de Belgische regering, vertegenwoordigd door A. De Brouwer, C. Jacob, C. Pochet en M. Van Regemorter als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Berghe, N. Cambien en D. Viros als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 januari 2025,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4, onder b), i), van verordening (EU) nr. 330/2010 van de Commissie van 20 april 2010 betreffende de toepassing van artikel 101, lid 3, [VWEU] op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen (PB 2010, L 102, blz. 1).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds Beevers Kaas BV en anderzijds Albert Heijn België NV, Koninklijke Ahold Delhaize NV, Albert Heijn BV en Ahold België BV (hierna samen: „Albert Heijn”) betreffende de schending door laatstgenoemden van de alleenverkoopovereenkomst tussen Beevers Kaas en B.A. Coöperatieve Zuivelonderneming Cono (hierna: „Cono”) voor de distributie van Beemster kaas in België en Luxemburg (hierna: „in het hoofdgeding aan de orde zijnde alleenverkoopovereenkomst”).

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3

Verordening nr. 330/2010, die volgens de verwijzende rechter van toepassing is op het hoofdgeding, is met ingang van 1 juni 2010 in de plaats gekomen van verordening (EG) nr. 2790/1999 van de Commissie van 22 december 1999 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, [EG] op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen (PB 1999, L 336, blz. 21). Overeenkomstig artikel 10, tweede alinea, van verordening nr. 330/2010 is deze verordening op 31 mei 2022 vervallen.

4

Overeenkomstig artikel 11 van verordening (EU) 2022/720 van de Commissie van 10 mei 2022 betreffende de toepassing van artikel 101, lid 3, [VWEU] op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen (PB 2022, L 134, blz. 4) is deze verordening in werking getreden op 1 juni 2022 en vervalt zij op 31 mei 2034.

Verordening nr. 330/2010

5

Artikel 2 van verordening nr. 330/2010, met als opschrift „Vrijstelling”, bepaalde in lid 1:

„Overeenkomstig artikel 101, lid 3, [VWEU] en onverminderd de bepalingen van deze verordening, wordt artikel 101, lid 1, [VWEU] buiten toepassing verklaard voor verticale overeenkomsten.

Deze vrijstelling is van toepassing, voor zover deze overeenkomsten verticale beperkingen bevatten.”

6

Artikel 4 van deze verordening, met als opschrift „Beperkingen die het voordeel van de groepsvrijstelling tenietdoen – hardcorebeperkingen”, bepaalde:

„De in artikel 2 bepaalde vrijstelling is niet van toepassing op verticale overeenkomsten die, op zich of in combinatie met andere factoren waarover de partijen controle hebben, direct of indirect, tot doel hebben:

[...]

b)

de beperking van het gebied waarin of de klanten aan wie een afnemer die partij is bij de overeenkomst, onverminderd een beperking ten aanzien van zijn vestigingsplaats, contractgoederen of -diensten mag verkopen, met uitzondering van:

i)

de beperking van de actieve verkoop in het exclusieve gebied of aan een exclusieve klantenkring, gereserveerd voor de leverancier of door de leverancier aan een andere afnemer toegewezen, wanneer deze beperking niet de verkoop door de klanten van de afnemer belemmert,

[...]

[...]”

Richtsnoeren van 2010

7

De richtsnoeren inzake verticale beperkingen (PB 2010, C 130, blz. 1; hierna: „richtsnoeren van 2010”) zijn tegelijk met de vaststelling van verordening nr. 330/2010 bekendgemaakt door de Europese Commissie.

8

Punt 25 van de richtsnoeren van 2010 luidt als volgt:

„De in punt 24 bedoelde definitie van verticale overeenkomsten omvat vier hoofdbestanddelen:

a)

de groepsvrijstellingsverordening is van toepassing op overeenkomsten en onderling afgestemde praktijken. Zij is niet van toepassing op eenzijdige gedragingen van de betrokken ondernemingen. Dergelijke eenzijdige gedragingen vallen onder artikel 102 [VWEU] dat misbruik van een machtspositie verbiedt. Er is sprake van een overeenkomst in de zin van artikel 101 [VWEU] wanneer de partijen hun gezamenlijke wil tot uitdrukking hebben gebracht om zich op een bepaalde wijze op de markt te gedragen. Het maakt niet uit in welke vorm die wilsovereenstemming tot uitdrukking wordt gebracht, als de wilsovereenstemming van de partijen maar getrouw wordt weergegeven. Wanneer de wilsovereenstemming niet in een expliciete overeenkomst tot uitdrukking wordt gebracht, moet de Commissie aantonen dat het eenzijdige beleid van de ene partij de instemming van de andere partij heeft. Voor verticale overeenkomsten kan de instemming met een bepaald eenzijdig beleid op twee manieren worden vastgesteld. Ten eerste kan de instemming worden afgeleid uit de bevoegdheden die aan de partijen worden toegekend in een tevoren gesloten algemene overeenkomst. Als in een tevoren gesloten overeenkomst is bepaald of toegestaan dat een partij later een specifiek eenzijdig beleid zal voeren dat bindend is voor de andere partij, kan op grond daarvan worden vastgesteld dat er sprake is van instemming door de andere partij. Ten tweede kan de Commissie, als een dergelijke expliciete instemming ontbreekt, aantonen dat er sprake is van stilzwijgende instemming. Daarvoor moet eerst worden aangetoond dat de ene partij expliciet of impliciet van de andere partij verlangt dat zij medewerking aan de uitvoering van zijn eenzijdige beleid verleent en vervolgens dat de andere partij aan die eis heeft voldaan door het eenzijdige beleid daadwerkelijk uit te voeren. Als distributeurs bijvoorbeeld, nadat een leverancier een eenzijdige verminderde levering heeft aangekondigd om parallelhandel te voorkomen, onmiddellijk hun orders verminderen en geen parallelhandel meer drijven, betekent dit dat zij stilzwijgend instemmen met het eenzijdige beleid van de leverancier. Deze conclusie geldt evenwel niet indien de distributeurs parallelhandel blijven drijven of nieuwe manieren trachten te vinden om de parallelhandel verder te zetten. Evenzo kan bij verticale overeenkomsten stilzwijgende instemming worden afgeleid uit de mate van dwang die een partij uitoefent om haar eenzijdige beleid aan de andere partij of partijen bij de overeenkomst op te leggen, in combinatie met het aantal distributeurs dat het eenzijdige beleid van de leverancier daadwerkelijk uitvoert. Zo wijst een systeem van controles en sancties, opgezet door een leverancier om distributeurs te straffen die zich niet naar zijn eenzijdige beleid schikken, op stilzwijgende instemming met het eenzijdige beleid van de leverancier indien dit systeem de leverancier in staat stelt zijn beleid in de praktijk toe te passen. De twee in dit punt genoemde manieren om de instemming vast te stellen kunnen worden gecombineerd;

[...]”

9

Punt 51 van de richtsnoeren van 2010 luidt als volgt:

„Er zijn vier uitzonderingen op de in artikel 4, onder b), van [verordening nr. 330/2010] beschreven hardcorebeperking. De eerste uitzondering in artikel 4, onder b), i), houdt in dat de leverancier de actieve verkoop door een afnemer die een partij is bij de overeenkomst in een gebied dat of aan een klantenkring die op basis van exclusiviteit aan een andere afnemer is toegewezen of door de leverancier voor zichzelf is gereserveerd, mag beperken. Een gebied of klantenkring geldt als exclusief toegewezen wanneer de leverancier afspreekt zijn product maar aan één distributeur te leveren met het oog op distributie in een bepaald gebied of aan een bepaalde klantenkring en de exclusieve distributeur beschermd wordt tegen actieve verkoop in zijn gebied of aan zijn klantenkring door alle andere afnemers van de leverancier in de [Europese] Unie, ongeacht de verkopen van de leverancier. De leverancier mag de toewijzing van een exclusief gebied en de toewijzing van een exclusieve klantenkring met elkaar combineren en bijvoorbeeld in een bepaald gebied een exclusieve distributeur voor een bepaalde klantenkring aanwijzen. In geval van een dergelijke bescherming van op basis van exclusiviteit toegewezen gebieden of klantenkringen moet echter passieve verkoop in dergelijke gebieden of aan dergelijke klantenkringen toegestaan zijn. Voor de toepassing van artikel 4, onder b), van [verordening nr. 330/2010] omschrijft de Commissie ‚actieve’ en ‚passieve’ verkoop als volgt:

onder ‚actieve verkoop’ wordt verstaan het op eigen initiatief benaderen van individuele klanten, bijvoorbeeld door hen rechtstreeks aan te schrijven, [hun] een ongevraagde e-mail te sturen of [hen] te bezoeken; dan wel het op eigen initiatief benaderen van een specifieke klantenkring of van klanten in een specifiek gebied door middel van specifiek op hen gerichte reclame in de media of op internet, of via andere vormen van promotie. Reclame of promotie die alleen aantrekkelijk is voor de afnemer wanneer deze (ook) een specifieke klantenkring of klanten binnen een specifiek gebied bereikt, wordt beschouwd als actieve verkoop aan die klantenkring of aan de klanten in dat bepaald gebied;

[...]”

Belgisch recht

10

Artikel VI.104 van het Wetboek van economisch recht (hierna: „WER”) bepaalt:

„Verboden is elke met de eerlijke marktpraktijken strijdige daad waardoor een onderneming de beroepsbelangen van een of meer andere ondernemingen schaadt of kan schaden.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

11

Beevers Kaas is de exclusieve distributeur in België van Beemster kaas, die zij afneemt van producent Cono, die in Nederland is gevestigd.

12

Op 1 januari 1993 hebben Cono en Beevers Kaas de in het hoofgeding aan de orde zijnde alleenverkoopovereenkomst gesloten.

13

Albert Heijn is actief in de supermarktensector in België en Nederland. Zij is afnemer van de Beemster kaas die door Cono wordt geproduceerd voor de markten buiten België en Luxemburg.

14

Beevers Kaas verwijt Albert Heijn derde-medeplichtigheid aan inbreuk op de in het hoofdgeding aan de orde zijnde alleenverkoopovereenkomst, hetgeen volgens haar een inbreuk op artikel VI.104 WER vormt. Deze inbreuk vloeide voort uit de wederverkoopactiviteiten die door Albert Heijn werden uitgeoefend op het Belgische grondgebied, terwijl zij wist dat Cono en Beevers Kaas door een alleenverkoopovereenkomst waren gebonden.

15

Volgens Albert Heijn trachten Beevers Kaas en Cono haar een wederverkoopverbod op te leggen, hetgeen verboden is. Albert Heijn is aldus van mening dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde alleenverkoopovereenkomst niet voldoet aan de strikte mededingingsrechtelijke voorwaarden om een wederverkoopverbod te rechtvaardigen, aangezien deze overeenkomst Cono niet verplicht om Beevers Kaas te beschermen tegen de actieve verkoop door andere distributeurs.

16

Bij vonnis van 9 juli 2021 heeft de voorzitter van de ondernemingsrechtbank Antwerpen (België) de door Beevers Kaas ingestelde vordering ongegrond verklaard omdat „uit geen enkele contractuele noch wetgevende bepaling volgt dat het aan ondernemingen verboden zou zijn om rechtstreeks, in Nederland, bij Cono [...] aan te kopen en in België te verdelen”. In deze uitspraak is in het bijzonder vastgesteld dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde alleenverkoopovereenkomst enkel bepaalde dat Cono zelf niet aan Belgische distributeurs mocht verkopen. De door Beevers Kaas verdedigde uitlegging zou er dus op neerkomen dat alle ondernemingen, waar ook gevestigd, deze overeenkomst moeten respecteren en zich moeten onthouden van de verkoop in België van de door Cono geproduceerde Beemster kaas. Ook geniet Beevers Kaas in haar exclusieve distributiegebied in België geen enkele contractuele bescherming tegen actieve verkoop door andere afnemers van Cono.

17

Beevers Kaas heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij het hof van beroep Antwerpen (België), de verwijzende rechter.

18

Voor deze rechter zijn partijen het oneens over de vraag of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde alleenverkoopovereenkomst voldoet aan het mededingingsrecht en, meer specifiek, aan de voorwaarden van artikel 4, onder b), i), van verordening nr. 330/2010. De discussie betreft de voorwaarde van „parallelle oplegging”, waarmee de leverancier de exclusieve distributeur beschermt tegen actieve verkoop door alle andere afnemers van deze leverancier in het aan die distributeur toegewezen exclusieve gebied.

19

Volgens deze rechter is het aan Beevers Kaas om aan te tonen dat de vermeende haar door Cono geboden bescherming tegen actieve verkopen onder de uitzondering van dat artikel 4, onder b), i), valt.

20

Bij een tussenarrest van 27 april 2022 heeft de verwijzende rechter geoordeeld dat Beevers Kaas had aangetoond dat Albert Heijn op zijn minst stilzwijgend had ingestemd met het verbod op actieve verkoop. Volgens deze rechter dient Beevers Kaas echter ook aan te tonen dat alle andere wederverkopers aan wie Cono levert, dit verbod hebben aanvaard.

21

De verwijzende rechter onderschrijft de opmerking van de Belgische mededingingsautoriteit, waarbij deze rechter bij dat tussenarrest een amicus-curiaeprocedure heeft opgestart, en die van mening is dat de voorwaarde van parallelle oplegging moet worden uitgelegd in het licht van het begrip „overeenkomst” in de zin van artikel 101 VWEU.

22

In dit verband merkt die rechter op dat verordening nr. 330/2010 en de richtsnoeren van 2010 niet verduidelijken hoe een leverancier zijn exclusieve distributeurs moet beschermen tegen de actieve verkoop door de andere afnemers van deze leverancier in het aan deze distributeurs toegewezen exclusieve gebied. Deze verordening en richtsnoeren geven meer bepaald niet aan op welke wijze die leverancier een dergelijk verbod van actieve verkoop aan deze andere afnemers moet meedelen en evenmin op welke wijze laatstgenoemden moeten instemmen met dit verbod.

23

In het onderhavige geval is er geen enkel bewijs dat alle andere wederverkopers van Cono uitdrukkelijk hebben ingestemd met een verbod op actieve verkoop. De Belgische mededingingsautoriteit is van mening dat de verwijzende rechter de impliciete instemming met dit verbod door deze wederverkopers kan afleiden uit het enkele feit dat geen van deze afnemers op dat moment in België producten verkocht die zij van Cono hadden gekocht. Beevers Kaas sluit zich aan bij dit standpunt en meent dus voldoende te hebben aangetoond dat die wederverkopers dat verbod hebben aanvaard.

24

Albert Heijn stelt daarentegen dat een dergelijke uitlegging voorbijgaat aan de bewijslast die op Beevers Kaas rust. Zij meent dat Beevers Kaas, wil er sprake zijn van stilzwijgende instemming, moet aantonen dat de strategie van Cono, namelijk dat de in Nederland aangekochte Beemster kaas niet actief in België mag worden verkocht, op de datum van toewijzing van de exclusiviteit is meegedeeld aan alle andere op die datum erkende wederverkopers en vervolgens aan iedere nieuw aangewezen wederverkoper, en dat elk van hen verplicht was zich daaraan te houden.

25

In die omstandigheden heeft het hof van beroep Antwerpen de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Kan de voorwaarde van de parallelle oplegging onder artikel 4, b), i) van [verordening nr. 330/2010] als voldaan worden beschouwd, en kan de leverancier die aan de overige voorwaarden van [deze verordening] voldoet, aldus rechtsgeldig de actieve verkopen van één van diens afnemers naar een territorium waarvoor één andere afnemer exclusief werd aangesteld, verbieden, enkel op basis van de vaststelling dat de andere afnemers niet actief verkopen in het territorium? Met andere woorden: wordt het bestaan van een overeenkomst inzake het verbod op actieve verkoop tussen die andere afnemers en de leverancier afdoende bewezen louter op basis van de vaststelling dat die andere afnemers niet actief verkopen naar het exclusief toebedeelde territorium?

2)

Kan de voorwaarde van de parallelle oplegging onder artikel 4, b), i) van [verordening nr. 330/2010] als voldaan worden beschouwd, en kan de leverancier die aan de overige voorwaarden van [deze verordening] voldoet, aldus rechtsgeldig de actieve verkopen van één van diens afnemers naar een territorium waarvoor één afnemer exclusief werd aangesteld, verbieden, wanneer de leverancier enkel de aanvaarding bekomt van zijn andere afnemers indien en wanneer zij aanstalten maken om actief te verkopen in het aldus exclusief toebedeelde territorium? Of is het daarentegen vereist dat dergelijke aanvaarding is bekomen van elke afnemer van de leverancier, ongeacht of deze afnemer aanstalten maakt actief te verkopen in het exclusief toebedeelde territorium?”

Verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling

26

Bij akten, neergelegd ter griffie van het Hof op respectievelijk 11 en 28 februari 2025, hebben Beevers Kaas en Cono verzocht om heropening van de mondelinge behandeling overeenkomstig artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.

27

Ter ondersteuning van hun verzoeken voeren zij aan dat de advocaat-generaal, in de eerste plaats, in haar conclusie een andere vraag heeft beantwoord dan die welke de verwijzende rechter in het kader van de tweede prejudiciële vraag heeft gesteld en, in de tweede plaats, zich heeft gebaseerd op onjuiste feitelijke en juridische gegevens om deze tweede vraag, zoals geherformuleerd, te beantwoorden. In die omstandigheden is het noodzakelijk dat de partijen in het hoofdgeding of de andere in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde belanghebbenden hun standpunt over deze elementen kenbaar kunnen maken teneinde hun procedurele rechten te beschermen en te voorkomen dat het Hof een vraag beantwoordt die niet noodzakelijk is voor de beslechting van het hoofdgeding.

28

Het Hof kan volgens artikel 83 van zijn Reglement voor de procesvoering in elke stand van het geding, de advocaat-generaal gehoord, de heropening van de mondelinge behandeling gelasten, onder meer wanneer het zich onvoldoende voorgelicht acht of wanneer een partij na afsluiting van deze behandeling een nieuw feit aanbrengt dat van beslissende invloed kan zijn voor de uitspraak van het Hof, of wanneer een zaak moet worden beslecht op grond van een argument waarover de partijen of de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde belanghebbenden hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen.

29

In dit verband zij er echter op gewezen dat de inhoud van de conclusie van de advocaat-generaal als zodanig geen dergelijk nieuw feit kan vormen, omdat het de partijen anders vrij zou staan om met een beroep op een dergelijk feit op die conclusie te antwoorden. Over de conclusie van de advocaat-generaal kan evenwel niet door de partijen worden gediscussieerd. Zo heeft het Hof reeds benadrukt dat de advocaat-generaal op grond van artikel 252 VWEU tot taak heeft in het openbaar en in volkomen onpartijdigheid en onafhankelijkheid met redenen omklede conclusies te nemen aangaande zaken waarin zijn medewerking overeenkomstig het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie vereist is om het Hof bij te staan bij zijn taak de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en de toepassing van de Verdragen te waarborgen. Krachtens artikel 20, vierde alinea, van dat Statuut en artikel 82, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering komt met de conclusie van de advocaat-generaal een einde aan de mondelinge behandeling. Daar de conclusie buiten het kader van de discussie tussen de partijen valt, leidt zij de beraadslagingsfase van het Hof in. Het gaat dus niet om een voor de rechters of de partijen bestemd advies van een autoriteit die niet tot het Hof behoort, maar om de individuele opvatting van een lid van de instelling zelf, die met redenen is omkleed en in het openbaar wordt uitgesproken (zie in die zin arrest van 6 oktober 2021, Sumal, C‑882/19, EU:C:2021:800, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30

Hieruit volgt met name dat de omstandigheid dat de advocaat-generaal een prejudiciële vraag heeft onderzocht op basis van een herformulering, op zich geen reden is om de mondelinge behandeling te heropenen (zie in die zin arrest van 23 januari 2003, Makedoniko Metro en Michaniki, C‑57/01, EU:C:2003:47, punten 3336).

31

In het onderhavige geval stelt het Hof vast, de advocaat-generaal gehoord, dat de door Beevers Kaas aangevoerde elementen geen enkel nieuw feit aan het licht brengen dat van beslissende invloed kan zijn op de beslissing die het in de onderhavige zaak moet geven, en dat deze zaak niet hoeft te worden beslecht op basis van een argument waarover de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde partijen of belanghebbenden hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen. Bovendien beschikt het Hof na afloop van de schriftelijke en mondelinge behandeling over alle noodzakelijke gegevens en is het dus voldoende voorgelicht om uitspraak te doen.

32

Het Hof is dan ook van oordeel dat het niet nodig is om de heropening van de mondelinge behandeling te gelasten.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

33

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 4, onder b), i), van verordening nr. 330/2010 aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een leverancier een exclusief gebied heeft toegewezen aan een van zijn afnemers, de enkele vaststelling dat de andere afnemers van deze leverancier niet actief in dat gebied verkopen volstaat om, voor de toepassing van deze bepaling, aan te tonen dat er tussen die leverancier en die andere afnemers een overeenkomst bestaat inzake een verbod op actieve verkoop in dat gebied.

34

Er zij aan herinnerd dat artikel 2, lid 1, van verordening nr. 330/2010 voor verticale overeenkomsten voorziet in een groepsvrijstelling van het verbod op overeenkomsten die vallen onder artikel 101, lid 1, VWEU. Volgens deze bepaling wordt artikel 101, lid 1, VWEU namelijk overeenkomstig artikel 101, lid 3, VWEU buiten toepassing verklaard voor verticale overeenkomsten die voldoen aan de voorwaarden van deze verordening.

35

Deze vrijstelling is echter niet van toepassing op verticale overeenkomsten die de in artikel 4 van die verordening genoemde hardcorebeperkingen bevatten.

36

Zo bepaalt artikel 4, onder b), van verordening nr. 330/2010 dat die „vrijstelling niet van toepassing [is] op verticale overeenkomsten die, op zich of in combinatie met andere factoren waarover partijen controle hebben, direct of indirect, tot doel hebben[] [...] het gebied waarin of de klanten aan wie een afnemer die partij is bij de overeenkomst, onverminderd een beperking ten aanzien van zijn vestigingsplaats, contractgoederen of -diensten mag verkopen, [te beperken]”.

37

Overeenkomstig artikel 4, onder b), i), van deze verordening kan een verticale overeenkomst die tot doel heeft om het gebied of de klanten van een afnemer te beperken niettemin onder de groepsvrijstelling van artikel 2, lid 1, van die verordening vallen wanneer de beperking ziet op de actieve verkoop van deze afnemer in het exclusieve gebied of aan een exclusieve klantenkring, gereserveerd voor de leverancier of door de leverancier aan een andere afnemer toegewezen, en deze beperking niet de verkoop door de klanten van die eerste afnemer belemmert.

38

De beperking van actieve verkoop in het exclusieve gebied dat een leverancier aan een van zijn afnemers heeft toegewezen kan dus onder deze vrijstelling vallen, mits aan de voorwaarden van verordening nr. 330/2010 is voldaan.

39

Zoals de advocaat-generaal in de punten 39 tot en met 43 van haar conclusie in essentie heeft benadrukt, en zoals met name blijkt uit punt 51 van de richtsnoeren van 2010, gaat de toewijzing door een leverancier van een exclusief gebied aan een van zijn afnemers noodzakelijkerwijs gepaard met de parallelle verplichting voor die leverancier om deze afnemer te beschermen tegen de actieve verkoop door zijn andere afnemers. Hieruit volgt dat artikel 4, onder b), i), van verordening nr. 330/2010 ziet op de beperkingen van de actieve verkoop die een leverancier in die hoedanigheid aan zijn afnemers moet opleggen om de doeltreffendheid van een dergelijke exclusiviteit te waarborgen in het gebied dat hij aan een van zijn afnemers heeft toegewezen.

40

Om te beoordelen of een distributieovereenkomst tussen een leverancier en een afnemer kan worden aangemerkt als een verticale overeenkomst die mogelijk onder artikel 4, onder b), i), van deze verordening valt, moet rekening worden gehouden met het begrip „overeenkomst” in de zin van artikel 101 VWEU.

41

Volgens vaste rechtspraak van het Hof is er sprake van een „overeenkomst” in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU wanneer de betrokken ondernemingen uiting hebben gegeven aan hun gezamenlijke wil om zich op de markt op een bepaalde wijze te gedragen. Een overeenkomst kan dus niet worden gebaseerd op de uitdrukking van een zuiver eenzijdig beleid van een partij bij een distributieovereenkomst (arrest van 29 juni 2023, Super Bock Bebidas, C‑211/22, EU:C:2023:529, punten 47 en 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

42

Een schijnbaar eenzijdige handeling of gedraging vormt echter een „overeenkomst” in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU wanneer zij uitdrukking geeft aan de overeenstemmende wil van ten minste twee partijen, waarbij de vorm waarin deze wilsovereenstemming tot uitdrukking komt op zich niet beslissend is (zie in die zin arrest van 29 juni 2023, Super Bock Bebidas, C‑211/22, EU:C:2023:529, punt 49).

43

Aangezien het gaat om een beperking van de actieve verkoop in het aan een afnemer toegewezen exclusieve gebied, kan die overeenstemmende wil van de partijen dus zowel voortvloeien uit de bedingen van de betrokken distributieovereenkomsten tussen de leverancier en de afnemers die voor een gebied geen exclusiviteit genieten, wanneer die overeenkomsten een uitdrukkelijk verbod bevatten om tot dergelijke verkopen over te gaan, als uit het uitdrukkelijke of stilzwijgende gedrag van de partijen waaruit kan worden afgeleid dat laatstgenoemde afnemers hebben ingestemd met een verzoek van deze leverancier om niet tot dergelijke verkopen over te gaan (zie naar analogie arrest van 29 juni 2023, Super Bock Bebidas, C‑211/22, EU:C:2023:529, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

44

Wat het bewijs van het bestaan van een „overeenkomst” in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU betreft, blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat het bij gebreke van Unieregels inzake de beginselen voor de beoordeling van bewijs en de bewijsstandaard die in het kader van een nationale procedure op grond van artikel 101 VWEU wordt verlangd, krachtens het beginsel van procedurele autonomie een zaak van de lidstaten is om in hun interne rechtsorde dergelijke voorschriften vast te stellen, op voorwaarde evenwel dat die voorschriften niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke situaties naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (arrest van 29 juni 2023, Super Bock Bebidas, C‑211/22, EU:C:2023:529, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45

Het doeltreffendheidsbeginsel vereist dat het bewijs van een schending van het mededingingsrecht van de Unie niet alleen door middel van rechtstreeks bewijs kan worden geleverd, maar ook door middel van objectieve en onderling overeenstemmende aanwijzingen. Het bestaan van een overeenkomst moet namelijk in de meeste gevallen worden afgeleid uit een samenloop van omstandigheden en andere feitelijke gegevens die in hun totaliteit beschouwd, bij gebreke van een andere coherente verklaring, het bewijs kunnen leveren dat de mededingingsregels zijn geschonden (zie in die zin arrest van 29 juni 2023, Super Bock Bebidas, C‑211/22, EU:C:2023:529, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

46

Hieruit volgt dat het bestaan van een „overeenkomst” in de zin van artikel 101, lid 1, VWEU die beoogt om de actieve verkoop in een exclusief gebied te beperken, niet alleen kan worden vastgesteld aan de hand van rechtstreeks bewijs, maar ook op basis van objectieve en onderling overeenstemmende aanwijzingen, zodra daaruit met voldoende zekerheid kan worden afgeleid dat een leverancier zijn afnemers heeft verzocht om dergelijke verkopen niet in dat gebied te verrichten en zij in de praktijk met dit verzoek hebben ingestemd (zie naar analogie arrest van 29 juni 2023, Super Bock Bebidas, C‑211/22, EU:C:2023:529, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

47

In het onderhavige geval blijkt uit de aanwijzingen van de verwijzende rechter dat de distributieovereenkomsten tussen Cono en haar afnemers enerzijds geen enkel beding bevatten dat ertoe strekt om die afnemers een verbod op actieve verkoop op te leggen in het aan Beevers Kaas toegewezen exclusieve gebied. Anderzijds heeft geen enkele afnemer van Cono, met uitzondering van Albert Heijn, actief in dat gebied verkocht.

48

Het is aan de verwijzende rechter om de omstandigheden van het hoofdgeding te beoordelen in het licht van de in de punten 42 tot en met 46 van dit arrest in herinnering gebrachte rechtspraak.

49

Zo zal hij in de eerste plaats, aan de hand van alle gegevens waarover hij beschikt, moeten nagaan of kan worden vastgesteld dat Cono in het onderhavige geval haar afnemers in welke vorm dan ook heeft verzocht om niet actief te verkopen in het aan Beevers Kaas toegewezen exclusieve gebied.

50

Zoals de advocaat-generaal in punt 78 van haar conclusie heeft benadrukt, kan een dergelijk verzoek verschillende vormen aannemen, zoals een specifieke mededeling van een leverancier aan zijn afnemers waarbij hij hen gelast om een exclusief gebied in acht te nemen, of een beding of een bijzondere vermelding daartoe in de algemene voorwaarden van de leverancier.

51

In de tweede plaats zal ook moeten worden nagegaan of de afnemers van Cono expliciet of stilzwijgend hebben ingestemd met een eventueel verzoek van deze leverancier.

52

Gelet op de twee vereisten die in de punten 49 en 51 in herinnering zijn gebracht, moet worden vastgesteld dat de omstandigheid dat, met uitzondering van Albert Heijn, geen enkele andere afnemer van Cono actief is gaan verkopen in het exclusieve gebied van Beevers Kaas, op zich niet volstaat om aan te tonen dat er een „overeenkomst” in de zin van artikel 101 VWEU bestaat.

53

Enerzijds kan uit deze omstandigheid niet worden afgeleid dat Cono haar afnemers heeft verzocht om niet actief te verkopen in het aan Beevers Kaas toegewezen exclusieve gebied. In dit verband moet worden benadrukt dat uit de enkele vaststelling dat Cono aan Beevers Kaas een exclusief gebied heeft toegewezen en dat andere afnemers van Cono eventueel op de hoogte zijn geweest van een dergelijk gebied, niet kan worden afgeleid dat Cono deze afnemers heeft verzocht om in dat gebied niet actief te verkopen, aangezien er, onder meer, geen sprake is van een specifieke mededeling aan deze andere afnemers dat zij het exclusieve gebied in acht moesten nemen.

54

Anderzijds kan deze omstandigheid zeker een relevant gegeven vormen dat in aanmerking moet worden genomen om aan te tonen dat de andere afnemers van Cono eventueel stilzwijgend hebben ingestemd met een verzoek van laatstgenoemde om niet actief te verkopen in het exclusieve gebied van Beevers Kaas. Deze omstandigheid volstaat op zich echter niet om een dergelijke instemming aan te tonen.

55

Op zichzelf beschouwd kan op basis van die omstandigheid namelijk niet met voldoende zekerheid worden aangetoond dat er in het exclusieve gebied van Beevers Kaas geen actieve verkopen plaatsvinden als gevolg van de wil van die andere afnemers om gehoor te geven aan een eventueel verzoek van Cono om niet actief te verkopen, of van een autonome commerciële beslissing van die andere afnemers om niet in dat gebied te verkopen.

56

Die omstandigheid zou echter het bewijs van een stilzwijgende instemming van de betrokken afnemers kunnen vormen, wanneer er, zoals blijkt uit punt 25 van de richtsnoeren van 2010, daarnaast met name sprake is van een uitdrukkelijk verzoek van de leverancier om het verbod op actieve verkoop in het exclusieve gebied na te leven en van middelen waarmee deze leverancier dit verbod in de praktijk kan handhaven, zoals een door die leverancier opgezet systeem van controles en sancties om afnemers die zich niet naar dit verbod schikken, te straffen.

57

Gelet op alle voorgaande overwegingen dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 4, onder b), i), van verordening nr. 330/2010 aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een leverancier een exclusief gebied heeft toegewezen aan een van zijn afnemers, de enkele vaststelling dat de andere afnemers van deze leverancier niet actief in dat gebied verkopen niet volstaat om, voor de toepassing van deze bepaling, aan te tonen dat er tussen die leverancier en die andere afnemers een overeenkomst bestaat inzake een verbod op actieve verkoop in dat gebied.

Tweede vraag

58

Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 4, onder b), i), van verordening nr. 330/2010 aldus moet worden uitgelegd dat het voordeel van de in deze bepaling bedoelde uitzondering wordt toegekend voor de periode waarvoor is aangetoond dat de afnemers van een leverancier hebben ingestemd met een verzoek van laatstgenoemde om niet actief te verkopen in het aan een andere afnemer toegewezen exclusieve gebied.

59

Uit het antwoord op de eerste vraag vloeit voort dat een verbod op actieve verkoop binnen de werkingssfeer van dat artikel 4, onder b), i), valt, wanneer, ten eerste, een leverancier zijn afnemers heeft verzocht om niet actief te verkopen in het aan een andere afnemer toegewezen exclusieve gebied en, ten tweede, de betrokken afnemers met dit verzoek hebben ingestemd.

60

De partij die een beroep doet op de uitzondering uit dat artikel 4, onder b), i), moet dus, in voorkomend geval op basis van objectieve en onderling overeenstemmende aanwijzingen, bewijzen dat er sprake is van beide in het vorige punt in herinnering gebrachte elementen. Het voordeel van deze uitzondering wordt dan toegekend voor de periode waarvoor dit bewijs kon worden geleverd.

61

Gelet op het voorgaande dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 4, onder b), i), van verordening nr. 330/2010 aldus moet worden uitgelegd dat het voordeel van de in deze bepaling bedoelde uitzondering wordt toegekend voor de periode waarvoor is aangetoond dat de afnemers van een leverancier hebben ingestemd met een verzoek van laatstgenoemde om niet actief te verkopen in het aan een andere afnemer toegewezen exclusieve gebied.

Kosten

62

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

 

1)

Artikel 4, onder b), i), van verordening (EU) nr. 330/2010 van de Commissie van 20 april 2010 betreffende de toepassing van artikel 101, lid 3, [VWEU] op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen

moet aldus worden uitgelegd dat

wanneer een leverancier een exclusief gebied heeft toegewezen aan een van zijn afnemers, de enkele vaststelling dat de andere afnemers van deze leverancier niet actief in dat gebied verkopen niet volstaat om, voor de toepassing van deze bepaling, aan te tonen dat er tussen die leverancier en die andere afnemers een overeenkomst bestaat inzake een verbod op actieve verkoop in dat gebied.

 

2)

Artikel 4, onder b), i), van verordening nr. 330/2010

moet aldus worden uitgelegd dat

het voordeel van de in deze bepaling bedoelde uitzondering wordt toegekend voor de periode waarvoor is aangetoond dat de afnemers van een leverancier hebben ingestemd met een verzoek van laatstgenoemde om niet actief te verkopen in het aan een andere afnemer toegewezen exclusieve gebied.

 

Jürimäe

Lenaerts

Gavalec

Csehi

Schalin

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 8 mei 2025.

De griffier

A. Calot Escobar

De kamerpresident

K. Jürimäe


( *1 ) Procestaal: Nederlands.