ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
27 februari 2025 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Geneesmiddelen voor menselijk gebruik – Richtlijn 2001/83/EG – Artikel 86, lid 1 – Begrip ‚reclame voor geneesmiddelen’ – Artikel 87, lid 3 – Reclame voor receptplichtige geneesmiddelen – Reclame voor het gehele assortiment van geneesmiddelen van een apotheek – Vouchers voor een geldbedrag of een procentuele korting op de latere aankoop van andere producten – Rechtstreeks toegepaste prijsverminderingen en betaalde premies – Vrij verkeer van goederen – Artikel 34 VWEU – Vrij verrichten van diensten – Elektronische handel – Richtlijn 2000/31/EG – Artikel 3, lid 2, en lid 4, onder a) – Beperking – Rechtvaardiging – Consumentenbescherming”
In zaak C‑517/23,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) bij beslissing van 13 juli 2023, ingekomen bij het Hof op 10 augustus 2023, in de procedure
Apothekerkammer Nordrhein
tegen
DocMorris NV,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts (rapporteur), president van het Hof, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, I. Jarukaitis, president van de Vierde kamer, D. Gratsias, E. Regan en Z. Csehi, rechters,
advocaat-generaal: M. Szpunar,
griffier: N. Mundhenke, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 27 juni 2024,
gelet op de opmerkingen van:
|
– |
Apothekerkammer Nordrhein, vertegenwoordigd door M. Douglas, Rechtsanwalt, en A. Bongers-Gehlert, Rechtsanwältin, |
|
– |
DocMorris NV, vertegenwoordigd door M. Plesser, Rechtsanwalt, A. Robert, avocate, en K. Wodarz, Rechtsanwältin, |
|
– |
de Estse regering, vertegenwoordigd door M. Kriisa als gemachtigde, |
|
– |
de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde, |
|
– |
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door E. Mathieu, M. Noll-Ehlers en A. Spina als gemachtigden, |
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 24 oktober 2024,
het navolgende
Arrest
|
1 |
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 86, lid 1, en artikel 87, lid 3, van richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB 2001, L 311, blz. 67), zoals gewijzigd bij richtlijn 2011/62/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 (PB 2011, L 174, blz. 74) (hierna: „richtlijn 2001/83”). |
|
2 |
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Apothekerkammer Nordrhein (beroepsorganisatie van apothekers Noord-Rijnland, Duitsland) en DocMorris NV, een vennootschap naar Nederlands recht die een in Nederland gevestigde postorderapotheek exploiteert, over een vordering tot schadevergoeding die deze vennootschap heeft ingesteld op grond dat de Apothekerkammer Nordrhein van een Duitse rechter voorlopige verbodsmaatregelen heeft verkregen die volgens haar van meet af aan ongerechtvaardigd waren. |
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 2001/83
|
3 |
In de overwegingen 2, 45 en 50 van richtlijn 2001/83 staat het volgende te lezen:
[…]
[…]
|
|
4 |
Artikel 85 quater, lid 1, van deze richtlijn is als volgt verwoord: „Onverminderd de nationale wetgeving die verbiedt de bevolking aan een recept onderworpen geneesmiddelen via diensten van de informatiemaatschappij op afstand te koop aan te bieden, zorgen de lidstaten ervoor dat geneesmiddelen via diensten van de informatiemaatschappij, zoals gedefinieerd in richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij [(PB 1998, L 204, blz. 37)], op afstand te koop worden aangeboden onder de volgende voorwaarden: […]” |
|
5 |
Artikel 86, lid 1, van deze richtlijn bepaalt: „Voor de doeleinden van deze titel wordt onder ‚reclame voor geneesmiddelen’ verstaan, alle vormen van colportage, marktverkenning of stimulering, die bedoeld zijn ter bevordering van het voorschrijven, het afleveren, de verkoop of het verbruik van geneesmiddelen. Deze reclame houdt met name in:
[…]” |
|
6 |
Artikel 87, lid 3, van richtlijn 2001/83 luidt als volgt: „Reclame voor een geneesmiddel:
|
|
7 |
In artikel 88, leden 1 en 2, van deze richtlijn is het volgende bepaald: „1. De lidstaten verbieden publieksreclame voor geneesmiddelen:
[…] 2. Publieksreclame mag worden gemaakt voor geneesmiddelen die qua samenstelling en doel zijn bedoeld en ontwikkeld om zo nodig met het advies van de apotheker maar zonder diagnose, voorschrift of toezicht van een arts te worden gebruikt.” |
Richtlijn 2000/31
|
8 |
Artikel 1, leden 1 en 2, van richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt („richtlijn inzake elektronische handel”) (PB 2000, L 178, blz. 1) luidt als volgt: „1. Deze richtlijn heeft tot doel bij te dragen aan de goede werking van de interne markt door het vrije verkeer van de diensten van de informatiemaatschappij tussen lidstaten te waarborgen. 2. Voor zover voor de verwezenlijking van de in lid 1 genoemde doelstelling nodig, worden met deze richtlijn bepaalde nationale bepalingen nader tot elkaar gebracht die van toepassing zijn op de diensten van de informatiemaatschappij en betrekking hebben op de interne markt, de vestiging van de dienstverleners, de commerciële communicatie, langs elektronische weg gesloten contracten, de aansprakelijkheid van tussenpersonen, gedragscodes, de buitengerechtelijke geschillenregeling, rechtsgedingen en de samenwerking tussen lidstaten.” |
|
9 |
Artikel 2 van deze richtlijn bepaalt onder h): „Voor de doeleinden van de onderhavige richtlijn wordt verstaan onder: […]
|
|
10 |
Artikel 3, leden 2 en 4, van richtlijn 2000/31 bepaalt: „2. De lidstaten mogen het vrije verkeer van diensten van de informatiemaatschappij die vanuit een andere lidstaat worden geleverd, niet beperken om redenen die vallen binnen het gecoördineerde gebied. […] 4. De lidstaten kunnen maatregelen nemen om voor een bepaalde dienst van de informatiemaatschappij van lid 2 af te wijken, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
|
Duits recht
|
11 |
§ 7, lid 1, eerste volzin, van het Gesetz über die Werbung auf dem Gebiete des Heilwesens – Heilmittelwerbegesetz (wet betreffende reclame in verband met gezondheidsaangelegenheden – wet betreffende reclame voor geneesmiddelen), in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „HWG”), bepaalt: „Het is verboden om voordelen en andere reclamegeschenken (producten of diensten) aan te bieden, aan te kondigen of toe te kennen, of deze als beroepsbeoefenaar te aanvaarden, tenzij: 1. deze voordelen en reclamegeschenken van geringe waarde zijn […] Voordelen en reclamegeschenken voor geneesmiddelen blijven verboden voor zover deze worden toegekend in strijd met de prijsvoorschriften die gelden op grond van het Arzneimittelgesetz [(hierna: ‚geneesmiddelenwet’)]; 2. deze voordelen en reclamegeschenken
[…] De onder a) bedoelde voordelen en reclamegeschenken voor geneesmiddelen blijven verboden voor zover deze worden toegekend in strijd met de prijsvoorschriften die gelden op grond van de geneesmiddelenwet […]; […]” |
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
|
12 |
DocMorris exploiteert een in Nederland gevestigde postorderapotheek die al dan niet aan een medisch recept onderworpen geneesmiddelen levert aan klanten in Duitsland. |
|
13 |
Sinds 2012 heeft DocMorris verschillende reclamecampagnes gevoerd voor receptplichtige geneesmiddelen uit haar gehele productassortiment. |
|
14 |
De Apothekerkammer Nordrhein beschouwde deze reclamecampagnes als een inbreuk op de in het Duitse geneesmiddelenrecht vastgelegde prijsbinding voor receptplichtige geneesmiddelen en heeft daarom in de jaren 2013‑2015 via voorlopige bevelen die zijn uitgevaardigd door het Landgericht Köln (rechter in eerste aanleg Keulen, Duitsland) voorlopige verbodsmaatregelen tegen die reclamecampagnes verkregen. |
|
15 |
Ten eerste heeft het Landgericht Köln op 8 mei 2013 een voorlopig bevel uitgevaardigd voor verbodsmaatregelen tegen een reclamecampagne waarbij klanten van DocMorris die hun medisch recept instuurden en meewerkten aan een „geneesmiddelencheck” een premie van 2,50 EUR tot 20 EUR per recept kregen aangeboden. |
|
16 |
Ten tweede heeft deze rechter op 26 september 2013 een voorlopig bevel uitgevaardigd voor verbodsmaatregelen tegen een reclamecampagne die een buddy-systeem organiseerde. Wanneer een vriend van een klant van DocMorris een medisch recept instuurde voor een bestelling ter waarde van ten minste 20 EUR, ontving deze klant een voucher ter waarde van ongeveer 150 EUR voor een verblijf in een hotel of een aanbod om tegen een verminderde prijs lid te worden van de Allgemeine Deutsche Automobil-Club (Duitse automobielclub). Deze vriend ontving tevens een voucher van 5 EUR waarmee hij receptvrije geneesmiddelen of gezondheids- en verzorgingsproducten kon bestellen. |
|
17 |
Ten derde heeft het Landgericht Köln op 5 november 2013 een voorlopig bevel uitgevaardigd voor verbodsmaatregelen tegen een reclamecampagne die voorzag in een korting van 10 EUR die onmiddellijk werd toegepast wanneer een medisch recept werd ingestuurd. |
|
18 |
Ten vierde heeft deze rechter op 4 november 2014 een voorlopig bevel uitgevaardigd voor verbodsmaatregelen tegen een reclamecampagne waarbij klanten van DocMorris die een medisch recept instuurden vouchers van 10 EUR kregen aangeboden voor de latere aankoop van receptvrije geneesmiddelen of gezondheids- en verzorgingsproducten. |
|
19 |
Ten vijfde en ten slotte heeft het Landgericht Köln op 29 september 2015 een voorlopig bevel uitgevaardigd voor verbodsmaatregelen tegen een reclamecampagne waarbij aan een klant die een medisch recept instuurde een korting van 5 EUR werd toegekend die meteen in mindering werd gebracht op de factuur voor de voorgeschreven geneesmiddelen. |
|
20 |
Ingevolge het arrest van het Hof van 19 oktober 2016, Deutsche Parkinson Vereinigung (C‑148/15, EU:C:2016:776), heeft het Landgericht Köln bij vonnissen van 21 en 22 maart 2017 beslist vier van de vijf voorlopige bevelen te vernietigen. De maatregel van 26 september 2013 tegen het buddy-systeem bleef van kracht. |
|
21 |
Na de vernietiging van die vier voorlopige bevelen heeft DocMorris tegen de Apothekerkammer Nordrhein een vordering tot schadevergoeding ingesteld op grond dat de voorlopige maatregelen, waarbij haar hoge boeten waren opgelegd, van meet af aan ongerechtvaardigd waren. |
|
22 |
Deze vordering is in eerste aanleg door het Landgericht Düsseldorf (rechter in eerste aanleg Düsseldorf, Duitsland) afgewezen. |
|
23 |
In hoger beroep heeft het Oberlandesgericht Düsseldorf (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Noordrijn-Westfalen, Düsseldorf, Duitsland) echter bij een deelvonnis ten gronde het vonnis van het Landgericht Düsseldorf herzien en de vordering van DocMorris tot betaling van een schadevergoeding van ongeveer 18,5 miljoen EUR alsook, in wezen, de vordering van deze laatste strekkende tot vaststelling van bijkomende schade als gevolg van de tenuitvoerlegging van de voorlopige maatregelen, gegrond verklaard, en heeft het beroep in Revision tegen zijn eigen vonnis toegestaan. |
|
24 |
Aldus heeft de Apothekerkammer Nordrhein bij het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland), de verwijzende rechter, beroep in Revision ingesteld, waarbij zij haar verzoek tot volledige afwijzing van de vordering tot schadevergoeding handhaaft. |
|
25 |
De verwijzende rechter merkt op dat slechts twee van de reclamecampagnes die in het bij hem aanhangige geding aan de orde zijn, namelijk die waartegen de voorlopige bevelen van 5 november 2013 en 29 september 2015 zijn uitgevaardigd, binnen de werkingssfeer van § 7, lid 1, eerste volzin, tweede deel, punt 2, eerste volzin, onder a), HWG vallen en dus rechtmatig zijn, omdat zij betrekking hadden op voordelen en reclamegeschenken in de vorm van een bepaald of op een bepaalde wijze te berekenen geldbedrag. Daarentegen vallen volgens hem de reclamecampagnes waartegen de voorlopige bevelen van 8 mei 2013, 26 september 2013 en 4 november 2014 zijn uitgevaardigd, niet binnen de werkingssfeer van deze bepaling, en zijn deze bijgevolg onrechtmatig. |
|
26 |
Teneinde een uitlegging van de relevante bepalingen van het HWG te verzekeren die conform richtlijn 2001/83 is, vraagt de verwijzende rechter zich af of de in het bij hem aanhangige geding aan de orde zijnde reclamecampagnes, die betrekking hebben op de aankoop van receptplichtige geneesmiddelen uit het gehele productassortiment van een apotheek, binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallen. Hij verwijst met name naar de arresten van het Hof van 1 oktober 2020, A (Reclame en onlineverkoop van geneesmiddelen) (C‑649/18, EU:C:2020:764), 15 juli 2021, DocMorris (C‑190/20, EU:C:2021:609), en 22 december 2022, EUROAPTIEKA (C‑530/20, EU:C:2022:1014), en stelt zich de vraag of deze acties onder het begrip „reclame voor geneesmiddelen” in de zin van artikel 86, lid 1, van die richtlijn vallen dan wel of zij integendeel enkel beogen invloed uit te oefenen op de keuze van de apotheek waar de klant een receptplichtig geneesmiddel aankoopt, welke keuze buiten de werkingssfeer van die richtlijn valt. |
|
27 |
Indien richtlijn 2001/83 van toepassing is, vraagt de verwijzende rechter zich nog af of deze in de weg staat aan een uitlegging van de relevante bepalingen van het HWG volgens welke een reclamecampagne voor de aankoop van receptplichtige geneesmiddelen door middel van reclamegeschenken in de vorm van vouchers voor de latere aankoop van andere producten verboden is, terwijl reclame door middel van reclamegeschenken in de vorm van rechtstreeks toegepaste prijsverminderingen en verrichte premiebetalingen is toegestaan. |
|
28 |
Volgens de verwijzende rechter doen reclamegeschenken een risico van ongeoorloofde beïnvloeding van de klant van de betrokken apotheek ontstaan aangezien dergelijke reclamecampagnes ertoe strekken de latere aankoop van andere producten te stimuleren. Dat risico doet volgens hem afbreuk aan de beschermingsdoelstelling van de relevante bepalingen van het HWG, namelijk het tegengaan van niet-kritische zelfmedicatie, overconsumptie en onjuist gebruik van geneesmiddelen, wat gevaarlijk kan zijn voor de gezondheid. |
|
29 |
Daarentegen is reclame door middel van reclamegeschenken in de vorm van rechtstreeks toegepaste prijsverminderingen en verrichte premiebetalingen, zoals blijkt uit punt 25 van het onderhavige arrest, toegestaan volgens de relevante bepalingen van het HWG. De verwijzende rechter vraagt zich echter af of het feit dat dergelijke reclamecampagnes toegestaan zijn in overeenstemming is met richtlijn 2001/83. |
|
30 |
In die omstandigheden heeft het Bundesgerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
|
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
Begrip „reclame voor geneesmiddelen” in de zin van artikel 86, lid 1, van richtlijn 2001/83
|
31 |
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 86, lid 1, van richtlijn 2001/83 aldus moet worden uitgelegd dat reclame voor de aankoop van receptplichtige geneesmiddelen uit het gehele productassortiment van een apotheek onder het begrip „reclame voor geneesmiddelen” in de zin van deze bepaling valt. |
|
32 |
Artikel 86, lid 1, van richtlijn 2001/83 definieert het begrip „reclame voor geneesmiddelen” zeer ruim als „alle vormen van colportage, marktverkenning of stimulering, die bedoeld zijn ter bevordering van het voorschrijven, het afleveren, de verkoop of het verbruik van geneesmiddelen” – met inbegrip van met name „reclame voor geneesmiddelen, die gericht is op het publiek” – die niet uitdrukkelijk zijn uitgesloten door artikel 86, lid 2, van richtlijn 2001/83 (zie in die zin arrest van 22 december 2022, EUROAPTIEKA, C‑530/20, EU:C:2022:1014, punt 32). |
|
33 |
Deze bepaling verwijst niet naar het nationale recht, zodat dit begrip moet worden beschouwd als een autonoom Unierechtelijk begrip dat uniform moet worden uitgelegd op het grondgebied van de Unie, waarbij niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen van die bepaling, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arrest van 22 december 2022, EUROAPTIEKA, C‑530/20, EU:C:2022:1014, punt 31). |
|
34 |
In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat uit een letterlijke, systematische en teleologische uitlegging van artikel 86, lid 1, van richtlijn 2001/83 volgt dat het begrip „reclame voor geneesmiddelen” in de zin van deze bepaling alle in punt 32 van het onderhavige arrest vermelde vormen van colportage omvat, zowel betreffende een specifiek geneesmiddel als betreffende ongespecificeerde geneesmiddelen (zie in die zin arrest van 22 december 2022, EUROAPTIEKA, C‑530/20, EU:C:2022:1014, punt 47). |
|
35 |
Voorts blijkt uit de bewoordingen van artikel 86, lid 1, van richtlijn 2001/83 dat de doelstelling van de boodschap het wezenlijke kenmerk van het begrip „reclame voor geneesmiddelen” in de zin van deze bepaling is, en het beslissende element om reclame van louter informatie te onderscheiden. Wanneer de boodschap is bedoeld ter bevordering van het voorschrijven, het afleveren, de verkoop of het verbruik van geneesmiddelen, vormt zij reclame in de zin van richtlijn 2001/83 (zie in die zin arrest van 22 december 2022, EUROAPTIEKA, C‑530/20, EU:C:2022:1014, punt 52). |
|
36 |
Daarentegen valt een reclamecampagne die niet tot doel heeft invloed uit te oefenen op de keuze van de klant voor een bepaald geneesmiddel, maar op de latere keuze van de klant voor de apotheek bij welke hij dat geneesmiddel zou kopen niet onder het begrip „reclame voor geneesmiddelen” in de zin van artikel 86, lid 1, van richtlijn 2001/83 (zie in die zin arresten van 15 juli 2021, DocMorris, C‑190/20, EU:C:2021:609, punten 21 en 22, en 22 december 2022, EUROAPTIEKA, C‑530/20, EU:C:2022:1014, punt 50). |
|
37 |
Hieruit volgt dat om te bepalen of een reclamecampagne voor de aankoop van receptplichtige geneesmiddelen uit het gehele productassortiment van een apotheek onder het begrip „reclame voor geneesmiddelen” in de zin van artikel 86, lid 1, van richtlijn 2001/83 valt, moet worden nagegaan of deze reclame bedoeld is ter bevordering van het voorschrijven, het afleveren, de verkoop of het verbruik van geneesmiddelen, zelfs ongespecificeerde, dan wel of zij enkel bedoeld is om invloed uit te oefenen op de keuze van de klant voor de apotheek bij welke hij receptplichtige geneesmiddelen zal aankopen. |
|
38 |
Wat met name reclamecampagnes zoals in het hoofdgeding betreft, moet gelet op het voorgaande een onderscheid worden gemaakt tussen reclame waarbij de boodschap enkel betrekking heeft op receptplichtige geneesmiddelen en reclame waarbij de boodschap ook receptvrije geneesmiddelen betreft. |
|
39 |
Een reclamecampagne als die waartegen het voorlopige bevel van het Landgericht Köln van 8 mei 2013 is uitgevaardigd, waarbij klanten van DocMorris die hun medisch recept instuurden en meewerkten aan een „geneesmiddelencheck” een premie van 2,50 EUR tot 20 EUR per recept kregen aangeboden, moet in wezen worden geacht aanleiding te geven tot een betaling. Hetzelfde geldt voor reclamecampagnes als die waartegen de voorlopige bevelen van die rechter van 5 november 2013 en 29 september 2015 zijn uitgebracht, die aanleiding gaven tot een rechtstreeks toegepaste prijsvermindering of verrichte premiebetaling. |
|
40 |
Hieruit volgt dat de boodschap bij die reclamecampagnes betrekking heeft op ongespecificeerde receptplichtige geneesmiddelen en niet op andere soorten geneesmiddelen. |
|
41 |
Daarbij kan er echter niet van worden uitgegaan dat de boodschap bij die reclamecampagnes bedoeld is om het voorschrijven of het verbruik van receptplichtige ongespecificeerde geneesmiddelen te bevorderen, aangezien de beslissing om dergelijke geneesmiddelen voor te schrijven onder de uitsluitende verantwoordelijkheid van de arts valt. Zoals blijkt uit overweging 50 van richtlijn 2001/83, moet een voorschrijvende arts zijn taken immers in alle objectiviteit verrichten en mag hij volgens de beroepsregels een bepaald geneesmiddel niet voorschrijven wanneer dit niet geschikt is voor de therapeutische behandeling van zijn patiënt (zie in die zin arrest van 22 april 2010, Association of the British Pharmaceutical Industry, C‑62/09, EU:C:2010:219, punt 40). Zoals de advocaat-generaal in punt 49 van zijn conclusie heeft opgemerkt, rest de patiënt die een medisch recept ontvangt in verband met het receptplichtige geneesmiddel enkel nog de apotheek te kiezen waar hij dat geneesmiddel zal kopen. |
|
42 |
Hieruit volgt dat de in punt 39 van het onderhavige arrest genoemde reclamecampagnes betrekking hebben op de keuze van de klant betreffende de apotheek waar hij een receptplichtig geneesmiddel koopt, zodat die reclame niet onder het begrip „reclame voor geneesmiddelen” in de zin van artikel 86, lid 1, van richtlijn 2001/83 valt (zie in die zin arrest van 15 juli 2021, DocMorris, C‑190/20, EU:C:2021:609, punten 21 en 22). |
|
43 |
Een reclamecampagne als die waartegen het voorlopige bevel van het Landgericht Köln van 26 september 2013 is uitgevaardigd, heeft daarentegen niet enkel betrekking op receptplichtige geneesmiddelen maar ook op andere producten, waaronder receptvrije geneesmiddelen. Met die actie werd immers een buddy-systeem georganiseerd waarbij een klant van DocMorris een voucher voor een verblijf in een hotel of een aanbod om tegen een verminderde prijs lid te worden van de Duitse automobielclub ontving wanneer een vriend een medisch recept instuurde, en die vriend een voucher ontving waarmee hij receptvrije geneesmiddelen of gezondheids- en verzorgingsproducten kon bestellen. Hetzelfde geldt voor een reclamecampagne als die waartegen het voorlopige bevel van deze rechter van 4 november 2014 is uitgevaardigd, die er eveneens in voorzag dat klanten van DocMorris die een medisch recept instuurden vouchers ontvingen voor de latere aankoop van receptvrije geneesmiddelen of gezondheids- en verzorgingsproducten. |
|
44 |
Anders dan de in punt 39 van het onderhavige arrest vermelde reclamecampagnes, stimuleren de in het vorige punt vermelde acties de aankoop van receptvrije geneesmiddelen. De ontvanger van vouchers die wordt aangetrokken door het economische voordeel dat deze hem bieden hoeft geen beroep te doen op een voorschrijvende arts en kan deze vouchers dus gebruiken om receptvrije geneesmiddelen aan te kopen tegen een verminderde prijs. |
|
45 |
Vastgesteld moet worden dat deze reclamecampagnes het verbruik van receptvrije geneesmiddelen bevorderen en daardoor onder het begrip „reclame voor geneesmiddelen” in de zin van artikel 86, lid 1, van richtlijn 2001/83 vallen. |
|
46 |
Dat de vouchers die in het kader van de in punt 43 van het onderhavige arrest vermelde reclamecampagnes worden aangeboden ook kunnen worden gebruikt voor de aankoop van andere producten dan receptvrije geneesmiddelen, zoals gezondheids- en verzorgingsproducten, zodat die reclamecampagnes kunnen worden geacht tevens betrekking te hebben op die producten, doet daaraan niets af. |
|
47 |
In de eerste plaats heeft het Hof reeds geoordeeld dat reclamecampagnes die de aankoop van geneesmiddelen stimuleren door te vermelden dat de geneesmiddelen samen met andere door de apotheek aangeboden producten worden verkocht, onder het begrip „reclame voor geneesmiddelen” in de zin van artikel 86, lid 1, van richtlijn 2001/83 vallen (zie in die zin arrest van 22 december 2022, EUROAPTIEKA, C‑530/20, EU:C:2022:1014, punten 53 en 54). |
|
48 |
In de tweede plaats blijkt uit overweging 2 van richtlijn 2001/83 dat deze richtlijn de bescherming van de volksgezondheid tot voornaamste doelstelling heeft. In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat reclame voor geneesmiddelen schade kan toebrengen aan de volksgezondheid, gelet op de risico’s die verbonden kunnen zijn aan het overmatige en ondoordachte gebruik van receptvrije geneesmiddelen (zie in die zin arrest van 22 december 2022, EUROAPTIEKA, C‑530/20, EU:C:2022:1014, punt 40). |
|
49 |
Te onderstrepen is immers de zeer bijzondere aard van geneesmiddelen, die door hun therapeutische werking wezenlijk verschillen van andere goederen. Deze therapeutische werking heeft tot gevolg dat onnodig of onjuist gebruik van geneesmiddelen ernstige schade kan berokkenen aan de gezondheid, zonder dat de patiënt zich daar rekenschap kan van geven bij de toediening ervan (zie in die zin arrest van 22 december 2022, EUROAPTIEKA, C‑530/20, EU:C:2022:1014, punt 41). |
|
50 |
Het hoofddoel van bescherming van de volksgezondheid zou ernstig worden ondermijnd mocht artikel 86, lid 1, van richtlijn 2001/83 aldus worden uitgelegd dat een reclamecampagne die bedoeld is ter bevordering van de verkoop van receptvrije geneesmiddelen niet onder het begrip „reclame voor geneesmiddelen” in de zin van deze bepaling valt en dus evenmin onder de verboden, voorwaarden en beperkingen die in deze richtlijn zijn vastgesteld op het gebied van reclame, wanneer de boodschap bij die reclamecampagnes ook betrekking heeft op andere producten dan geneesmiddelen. |
|
51 |
In de derde plaats vallen reclamecampagnes die gericht zijn op een klant van een apotheek waarbij wordt beoogd door middel van een buddy-systeem het verbruik van receptvrije geneesmiddelen door een vriend van deze klant te bevorderen, onder het begrip „reclame voor geneesmiddelen”, aangezien dit begrip in artikel 86, lid 1, van richtlijn 2001/83 zeer ruim wordt gedefinieerd. Luidens de bewoordingen van deze bepaling is „reclame voor geneesmiddelen, die gericht is op het publiek” immers een van de vormen van „reclame voor geneesmiddelen”. Reclamecampagnes waarmee wordt beoogd de erdoor uitgedragen boodschap onder de leden van dat publiek te verspreiden, vallen dan ook onder dit laatste begrip. |
|
52 |
In de vierde plaats moet de reclamecampagne waarmee een buddy-systeem werd opgezet, waartegen het voorlopige bevel van het Landgericht Köln van 26 september 2013 is uitgevaardigd, worden onderscheiden van de reclamecampagne die aan de orde was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 15 juli 2021, DocMorris (C‑190/20, EU:C:2021:609). In die zaak ging het om een reclamecampagne van een apotheek in de vorm van een promotioneel kansspel waarbij de deelnemers andere gangbare voorwerpen dan geneesmiddelen konden winnen en waaraan slechts kon worden deelgenomen door een receptplichtig geneesmiddel te bestellen. De boodschap van de reclamecampagne in die zaak had dus geenszins betrekking op receptvrije geneesmiddelen. |
|
53 |
Daarnaast is de reclamecampagne waartegen het voorlopige bevel van het Landgericht Köln van 8 mei 2013 is uitgevaardigd volgens de verwijzende rechter onrechtmatig op grond van § 7, lid 1, eerste volzin, HWG, aangezien een dergelijke reclamecampagne inhoudt dat klanten van een apotheek die hun medisch recept insturen en meewerken aan een „geneesmiddelencheck” een premie van 2,50 EUR tot 20 EUR per recept krijgen aangeboden, zonder dat het precieze bedrag van deze premie kenbaar is. |
|
54 |
Uit punt 42 van het onderhavige arrest volgt evenwel dat die reclamecampagne niet onder het begrip „reclame voor geneesmiddelen” in de zin van artikel 86, lid 1, van richtlijn 2001/83 valt. |
|
55 |
In die omstandigheden moet nog worden nagegaan of een nationale regeling als die van § 7, lid 1, eerste volzin, HWG – volgens welke die reclamecampagne niet is toegestaan – desalniettemin niet onverenigbaar is met andere bepalingen van het Unierecht. |
|
56 |
Volgens vaste rechtspraak van het Hof is het in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof immers de taak van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan hij het bij hem aanhangige geding kan beslechten. De omstandigheid dat de verwijzende rechter zijn vraag formeel heeft beperkt tot de uitlegging van een specifieke bepaling van Unierecht, belet het Hof dus niet om hem alle uitleggingsgegevens met betrekking tot het Unierecht te verschaffen die van nut kunnen zijn voor de beslechting van de voor hem aanhangige zaak, ongeacht of die rechter er in zijn vraag melding van maakt. Het staat in dat verband aan het Hof om uit alle door de nationale rechter verschafte gegevens, en met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de elementen van dat recht te putten die, gelet op het voorwerp van het geschil, uitlegging behoeven (arrest van 15 juli 2021, DocMorris, C‑190/20, EU:C:2021:609, punt 23). |
|
57 |
Dienaangaande blijkt niet duidelijk uit het dossier waarover het Hof beschikt of de in punt 53 van het onderhavige arrest vermelde reclamecampagne uitsluitend via fysieke media werd gevoerd (zie in die zin arrest van 15 juli 2021, DocMorris, C‑190/20, EU:C:2021:609, punt 26) dan wel langs diverse kanalen, zowel via de website van de betrokken apotheek als via fysieke media [zie in die zin arrest van 1 oktober 2020, A (Reclame en onlineverkoop van geneesmiddelen), C‑649/18, EU:C:2020:764, punt 48]. |
|
58 |
In het eerste geval moet worden gekeken naar de VWEU-bepalingen inzake het vrije verkeer van goederen, aangezien de bevordering van de verkoop van ongespecificeerde receptplichtige geneesmiddelen de uiteindelijke doelstelling van die reclamecampagne is (zie in die zin arrest van 15 juli 2021, DocMorris, C‑190/20, EU:C:2021:609, punten 31 en 32). |
|
59 |
In het tweede in punt 57 van het onderhavige arrest genoemde geval, waarin de reclamecampagne ook langs elektronische weg wordt gevoerd, valt deze campagne binnen het „gecoördineerd gebied” in de zin van artikel 2, onder h), van richtlijn 2000/31, aangezien zij in haar geheel en los van de wijze waarop zij daadwerkelijk wordt gevoerd, tot doel heeft om potentiële consumenten naar de website van een apotheek te lokken en de onlineverkoop van de producten van die apotheek te bevorderen [zie in die zin arrest van 1 oktober 2020, A (Reclame en onlineverkoop van geneesmiddelen), C‑649/18, EU:C:2020:764, punt 55]. |
|
60 |
Derhalve moet worden onderzocht of artikel 34 VWEU en de relevante bepalingen van richtlijn 2000/31 aldus moeten worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling die ter bescherming van de consument reclamecampagnes verbiedt waarbij klanten van een in een andere lidstaat gevestigde apotheek die hun medisch recept insturen en meewerken aan een „geneesmiddelencheck” een premie van 2,50 EUR tot 20 EUR per recept krijgen aangeboden, zonder dat het precieze bedrag van deze premie kenbaar is. |
Artikel 34 VWEU
|
61 |
Volgens vaste rechtspraak van het Hof ziet het in artikel 34 VWEU neergelegde verbod op maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen op iedere maatregel van de lidstaten die de invoerstromen tussen de lidstaten al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren (zie onder meer arresten van 11 juli 1974, Dassonville, 8/74, EU:C:1974:82, punt 5; 19 oktober 2016, Deutsche Parkinson Vereinigung, C‑148/15, EU:C:2016:776, punt 22, en 15 juli 2021, DocMorris, C‑190/20, EU:C:2021:609, punt 34). |
|
62 |
In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat een nationale bepaling als § 7, lid 1, eerste volzin, HWG, welk artikel de grondslag vormt voor het verbod van de reclamecampagne waartegen het voorlopige bevel van het Landgericht Köln van 8 mei 2013 is uitgevaardigd en dat ertoe strekt het aanbieden van voordelen en andere reclamegeschenken met een geldelijke waarde op het gebied van de verkoop van geneesmiddelen te regelen, moet worden beschouwd als een bepaling „inzake verkoopmodaliteiten” in de zin van de rechtspraak van het Hof (zie in die zin arrest van 15 juli 2021, DocMorris, C‑190/20, EU:C:2021:609, punt 37). |
|
63 |
Zoals blijkt uit het arrest van 24 november 1993, Keck en Mithouard (C‑267/91 en C‑268/91, EU:C:1993:905), kan een dergelijke verkoopmodaliteit echter alleen buiten de werkingssfeer van artikel 34 VWEU vallen indien zij voldoet aan twee voorwaarden, namelijk dat zij ten eerste van toepassing is op alle betrokken marktdeelnemers die op het nationale grondgebied activiteiten ontplooien, en zij ten tweede zowel rechtens als feitelijk dezelfde invloed heeft op de verhandeling van nationale producten en van producten uit andere lidstaten (zie in die zin arrest van 15 juli 2021, DocMorris, C‑190/20, EU:C:2021:609, punten 35 en 38). |
|
64 |
Wat de eerste voorwaarde betreft, dient te worden opgemerkt dat het HWG in casu zonder onderscheid van toepassing is op alle apotheken die op het Duitse grondgebied geneesmiddelen verkopen, ongeacht of zij in de Bondsrepubliek Duitsland dan wel in een andere lidstaat gevestigd zijn (arrest van 15 juli 2021, DocMorris, C‑190/20, EU:C:2021:609, punt 39). |
|
65 |
Wat de tweede voorwaarde betreft, zij eraan herinnerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat prijsconcurrentie voor postorderapotheken mogelijkerwijs een belangrijkere mededingingsfactor vormt dan voor traditionele apotheken omdat deze factor bepalend is voor hun mogelijkheid om rechtstreeks toegang te krijgen tot de Duitse markt en op deze markt competitief te blijven (zie in die zin arrest van 19 oktober 2016, Deutsche Parkinson Vereinigung, C‑148/15, EU:C:2016:776, punt 24). |
|
66 |
In het onderhavige geval is een reclamecampagne waarbij klanten van een postorderapotheek die hun medisch recept insturen en meewerken aan een „geneesmiddelencheck” een premie van 2,50 EUR tot 20 EUR per recept krijgen aangeboden, erop gericht prijsconcurrentie met traditionele apotheken te creëren. |
|
67 |
Gelet op het voorgaande dient te worden vastgesteld dat het door de Duitse regeling gestelde verbod van deze reclamecampagne de apotheken die in een andere lidstaat dan de Bondsrepubliek Duitsland zijn gevestigd zwaarder treft dan apotheken met zetel op Duits grondgebied, hetgeen de toegang tot de markt sterker kan bemoeilijken voor producten uit andere lidstaten dan voor nationale producten, zodat dit verbod een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking vormt. |
|
68 |
Een dergelijke beperking kan slechts rechtsgeldig gerechtvaardigd worden voor zover zij geschikt is om het nagestreefde legitieme doel te verwezenlijken en niet verder gaat dan noodzakelijk is om dat doel te bereiken (arrest van 19 oktober 2016, Deutsche Parkinson Vereinigung, C‑148/15, EU:C:2016:776, punt 34). |
|
69 |
Dienaangaande merkt de verwijzende rechter op dat de beschermingsdoelstelling van § 7, lid 1, HWG erin bestaat ieder risico – zelfs het louter abstracte – uit te sluiten dat degenen tot wie de reclame voor de aankoop van geneesmiddelen is gericht op ongeoorloofde wijze worden beïnvloed. De reclamecampagne waartegen het voorlopige bevel van het Landgericht Köln van8 mei 2013 is uitgevaardigd doet volgens hem afbreuk aan deze doelstelling omdat de vermelding van enkel een prijsbandbreedte ertoe kan leiden dat de bestemmelingen van de reclameboodschap het bedrag van de per geval toegekende premie overschatten. |
|
70 |
Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter heeft het verbod van deze reclamecampagne dus de bescherming van de consument tot doel, wat een dwingende reden van algemeen belang is die een belemmering van het vrije verkeer van goederen kan rechtvaardigen (zie in die zin arrest van 10 september 2014, Vilniaus energija, C‑423/13, EU:C:2014:2186, punt 50). |
|
71 |
Om te beginnen dient namelijk te worden vastgesteld dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling geschikt is om de doelstelling van bescherming van de consument te bereiken doordat deze kan voorkomen dat consumenten het bedrag van de premie overschatten. Dat risico van overschatting van die premie kan met name groot zijn bij consumenten die dure geneesmiddelen aankopen of die chronisch ziek zijn en daarom regelmatig geneesmiddelen moeten aankopen. |
|
72 |
Voorts gaat deze regeling niet verder dan nodig is om die doelstelling te bereiken, voor zover zij de reclamecampagne waartegen het voorlopige bevel van het Landgericht Köln van 8 mei 2013 is uitgevaardigd, verbiedt. Daarin wordt immers een bandbreedte van premies vastgesteld zonder dat de consument kennis krijgt van de wijze van berekening van de door de betrokken apotheek toegekende premie, waardoor zelfs een normaal geïnformeerde, redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument (arresten van 13 januari 2000, Estée Lauder, C‑220/98, EU:C:2000:8, punt 27, en 16 januari 2014, Juvelta, C‑481/12, EU:C:2014:11, punt 23) niet in staat zal zijn het precieze bedrag van de premie te berekenen. |
|
73 |
Hieruit volgt dat artikel 34 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale regeling die een reclamecampagne waarbij klanten van een postorderapotheek een premie van 2,50 EUR tot 20 EUR per recept krijgen aangeboden, zonder dat het precieze bedrag van deze premie kenbaar is, verbiedt. |
Richtlijn 2000/31
|
74 |
Volgens artikel 85 quater, lid 1, van richtlijn 2001/83 moeten de lidstaten ervoor zorgen dat bij het op afstand te koop aanbieden van geneesmiddelen via diensten van de informatiemaatschappij wordt voldaan aan een aantal in dat artikel vastgestelde voorwaarden. Die verplichting geldt evenwel onverminderd nationale wetgevingen die verbieden dat via dergelijke diensten op afstand receptplichtige geneesmiddelen aan de bevolking te koop worden aangeboden. |
|
75 |
Wanneer de lidstaat van bestemming een dergelijk aanbod echter toestaat, wat in de onderhavige zaak het geval lijkt te zijn, mag die lidstaat in beginsel, gelet op artikel 3, lid 2, van richtlijn 2000/31, met betrekking tot die diensten het vrije verkeer van diensten niet beperken voor diensten van de informatiemaatschappij die uit een andere lidstaat afkomstig zijn [zie in die zin arrest van 1 oktober 2020, A (Reclame en onlineverkoop van geneesmiddelen), C‑649/18, EU:C:2020:764, punt 60]. |
|
76 |
In casu kan het verbod door een lidstaat van een reclamecampagne als die waartegen het voorlopige bevel van het Landgericht Köln van 8 mei 2013 is uitgevaardigd, voor een in een andere lidstaat gevestigde apotheek de mogelijkheid beperken om zich kenbaar te maken bij potentiële klanten in die eerste lidstaat en de onlineverkoopdienst te promoten van de producten die zij die klanten aanbiedt [arrest van 1 oktober 2020, A (Reclame en onlineverkoop van geneesmiddelen), C‑649/18, EU:C:2020:764, punt 61]. |
|
77 |
Bijgevolg moet een dergelijk verbod worden beschouwd als een beperking op het vrij verrichten van diensten van de informatiemaatschappij. |
|
78 |
Artikel 3, lid 4, onder a), van richtlijn 2000/31 bepaalt echter dat de lidstaten maatregelen kunnen nemen om voor een bepaalde dienst van de informatiemaatschappij af te wijken van artikel 3, lid 2, van die richtlijn, mits deze maatregelen ten eerste noodzakelijk zijn om de openbare orde, de bescherming van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of de bescherming van consumenten te waarborgen, deze maatregelen ten tweede worden genomen ten aanzien van een dienst van de informatiemaatschappij waardoor daadwerkelijk afbreuk wordt gedaan aan die doelstellingen of een ernstig gevaar daarvoor ontstaat, en deze maatregelen ten slotte evenredig zijn aan die doelstellingen [arrest van 1 oktober 2020, A (Reclame en onlineverkoop van geneesmiddelen), C‑649/18, EU:C:2020:764, punt 63]. |
|
79 |
Wat de in artikel 3, lid 4, onder a), van richtlijn 2000/31 gestelde voorwaarden van noodzakelijkheid en evenredigheid betreft, moet er bij de beoordeling van de vraag of de betrokken nationale regeling in overeenstemming is met het Unierecht, rekening worden gehouden met de rechtspraak inzake de artikelen 34 en 56 VWEU, aangezien deze voorwaarden grotendeels overlappen met de voorwaarden die gelden voor elke belemmering van de in die artikelen van het VWEU gewaarborgde fundamentele vrijheden [arrest van 1 oktober 2020, A (Reclame en onlineverkoop van geneesmiddelen), C‑649/18, EU:C:2020:764, punt 64]. |
|
80 |
Bijgevolg moet om dezelfde redenen als die welke zijn uiteengezet in de punten 70 tot en met 72 van het onderhavige arrest, worden vastgesteld dat artikel 3, lid 4, onder a), van richtlijn 2000/31 aldus moet worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale regeling die een reclamecampagne als die waartegen het voorlopige bevel van het Landgericht Köln van 8 mei 2013 is uitgevaardigd, verbiedt. |
|
81 |
Gelet op al deze overwegingen dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 86, lid 1, van richtlijn 2001/83 aldus moet worden uitgelegd dat:
Artikel 34 VWEU en artikel 3, lid 4, onder a), van richtlijn 2000/31 moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een nationale regeling die ter bescherming van de consument reclamecampagnes verbiedt waarbij klanten van een in een andere lidstaat gevestigde apotheek die hun medisch recept insturen en meewerken aan een „geneesmiddelencheck”, een geldpremie krijgen aangeboden zonder dat het precieze bedrag van deze premie kenbaar is. |
Tweede vraag
|
82 |
Gelet op het op de eerste vraag gegeven antwoord moet ervan worden uitgegaan dat de verwijzende rechter met zijn tweede vraag in essentie wenst te vernemen of artikel 87, lid 3, van richtlijn 2001/83 aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling die reclamecampagnes voor de aankoop van ongespecificeerde receptplichtige geneesmiddelen door middel van reclamegeschenken in de vorm van vouchers voor een geldbedrag of een procentuele korting op de latere aankoop van andere producten, waaronder receptvrije geneesmiddelen, verbiedt. |
|
83 |
Zoals in de punten 48 en 49 van het onderhavige arrest is uiteengezet, gelden voor reclame voor geneesmiddelen die schade kan toebrengen aan de volksgezondheid, ook wanneer deze reclame betrekking heeft op receptvrije geneesmiddelen, de verboden, voorwaarden en beperkingen waarin richtlijn 2001/83 voorziet (zie in die zin arrest van 22 december 2022, EUROAPTIEKA, C‑530/20, EU:C:2022:1014, punt 59). |
|
84 |
Bovendien heeft deze richtlijn een volledige harmonisatie op het gebied van reclame voor geneesmiddelen doorgevoerd. Wanneer niet uitdrukkelijk is bepaald dat de lidstaten afwijkende regels kunnen vaststellen, mogen zij reclame voor geneesmiddelen bijgevolg enkel onderwerpen aan de in deze richtlijn gestelde eisen (arrest van 22 december 2022, EUROAPTIEKA, C‑530/20, EU:C:2022:1014, punt 60) |
|
85 |
Zoals in punt 45 van het onderhavige arrest is opgemerkt, bevorderen de reclamecampagnes waar deze prejudiciële vraag over gaat enkel het verbruik van receptvrije geneesmiddelen, ook al worden zij gevoerd voor de aankoop van receptplichtige geneesmiddelen. Hieruit volgt dat artikel 88, lid 1, onder a), van richtlijn 2001/83 niet op die reclamecampagnes van toepassing is, aangezien zij de bevordering van het verbruik van receptvrije geneesmiddelen tot doel hebben. |
|
86 |
Voor publieksreclame die het verbruik van receptvrije geneesmiddelen bevordert, zoals die welke bedoeld is in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, gelden voor de principiële toelaatbaarheid van deze reclame overeenkomstig artikel 88, lid 2, van richtlijn 2001/83 onder meer de in artikel 87 van deze richtlijn geformuleerde voorwaarden en beperkingen (zie in die zin arrest van 22 december 2022, EUROAPTIEKA, C‑530/20, EU:C:2022:1014, punt 61). |
|
87 |
Ook al volgt uit artikel 88, lid 2, van richtlijn 2001/83 dat reclame voor receptvrije geneesmiddelen is toegestaan, de lidstaten moeten dus – ter voorkoming van risico’s voor de volksgezondheid overeenkomstig het in de overwegingen 2 en 45 van deze richtlijn geformuleerde hoofddoel van bescherming van de volksgezondheid – verbieden dat in publieksreclame voor dergelijke geneesmiddelen gegevens worden opgenomen die het irrationele gebruik daarvan kunnen stimuleren (zie in die zin arrest van 22 december 2022, EUROAPTIEKA, C‑530/20, EU:C:2022:1014, punt 63). |
|
88 |
In dit verband bepaalt artikel 87, lid 3, van richtlijn 2001/83 dat de reclame het rationele gebruik van het geneesmiddel moet bevorderen door het objectief voor te stellen zonder de eigenschappen ervan te overdrijven, en niet misleidend mag zijn. Deze bepaling herhaalt de in overweging 45 van deze richtlijn vermelde noodzaak om elke in een buitensporige en ondoordachte vorm gebrachte reclame die van invloed kan zijn op de volksgezondheid te vermijden (zie in die zin arrest van 8 november 2007, Gintec, C‑374/05, EU:C:2007:654, punt 55). |
|
89 |
Het Hof heeft reeds geoordeeld dat de eindverbruiker bij receptvrije geneesmiddelen zelf, zonder een arts te raadplegen, het nut of de noodzaak van de aankoop van dergelijke geneesmiddelen beoordeelt. Deze eindverbruiker beschikt echter niet noodzakelijkerwijs over specifieke en objectieve kennis op basis waarvan hij de therapeutische waarde ervan kan beoordelen. Reclame kan dan een bijzonder grote invloed uitoefenen op de beoordeling en de keuze van die eindverbruiker, zowel wat de kwaliteit van het geneesmiddel als wat de aan te kopen hoeveelheid betreft (zie in die zin arrest van 22 december 2022, EUROAPTIEKA, C‑530/20, EU:C:2022:1014, punt 65). |
|
90 |
Zodoende stimuleert reclame die de consument ertoe brengt om ervan af te zien objectief te beoordelen of het gebruik van een geneesmiddel noodzakelijk is het irrationele en buitensporige gebruik van dit geneesmiddel (zie in die zin arrest van 22 december 2022, EUROAPTIEKA, C‑530/20, EU:C:2022:1014, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
91 |
In het onderhavige geval kan de consument de vouchers die in het hoofdgeding aan de orde zijn gebruiken om tegen een verminderde prijs producten aan te kopen uit het gehele productassortiment van de betrokken apotheek, receptplichtige geneesmiddelen uitgezonderd. Hij kan dus ofwel receptvrije geneesmiddelen ofwel andere verbruiksartikelen zoals gezondheids- of verzorgingsproducten aankopen. Bij reclamecampagnes zoals die waarover deze prejudiciële vraag gaat, worden receptvrije geneesmiddelen dus gelijkgesteld met andere verbruiksartikelen die een apotheek te koop aanbiedt. |
|
92 |
Een dergelijke gelijkstelling kan tot een irrationeel en buitensporig gebruik van receptvrije geneesmiddelen leiden (zie in die zin arrest van 22 december 2022, EUROAPTIEKA, C‑530/20, EU:C:2022:1014, punt 68), aangezien de zeer bijzondere aard van die geneesmiddelen, die door hun therapeutische werking wezenlijk verschillen van andere goederen, daardoor wordt verhuld. Die gelijkstelling leidt de consument af van een objectieve beoordeling of het gebruik van die geneesmiddelen wel noodzakelijk is. |
|
93 |
In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat een verbod als dat van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling, beantwoordt aan het hoofddoel van bescherming van de volksgezondheid, voor zover het de verspreiding verhindert van reclamegegevens die aanzetten tot irrationeel en buitensporig gebruik van receptvrije geneesmiddelen (zie in die zin arrest van 22 december 2022, EUROAPTIEKA, C‑530/20, EU:C:2022:1014, punt 69). |
|
94 |
Gelet op een en ander dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 87, lid 3, van richtlijn 2001/83 aldus moet worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale regeling die reclamecampagnes voor de aankoop van ongespecificeerde receptplichtige geneesmiddelen door middel van reclamegeschenken in de vorm van vouchers voor een geldbedrag of een procentuele korting op de latere aankoop van andere producten, waaronder receptvrije geneesmiddelen, verbiedt. |
Derde vraag
|
95 |
Gezien het antwoord op de eerste vraag, hoeft de derde vraag niet te worden beantwoord. |
Kosten
|
96 |
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. |
|
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht: |
|
|
|
ondertekeningen |
( *1 ) Procestaal: Duits.