ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

3 juni 2025 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Grenscontroles, asiel en immigratie – Richtlijn 2002/90/EG – Algemeen strafbaar feit van hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf – Artikel 1, lid 1, onder a) – Uitlegging conform het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikel 7 – Eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven – Artikel 24 – Rechten van het kind – Artikel 52, lid 1 – Aantasting van de wezenlijke inhoud van de grondrechten – Artikel 18 – Recht op asiel – Persoon die minderjarige derdelanders die haar vergezellen en over wie zij feitelijk het gezag uitoefent, illegaal binnenbrengt op het grondgebied van een lidstaat”

In zaak C‑460/23 [Kinsa] ( i ),

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunale di Bologna (rechter in eerste aanleg Bologna, Italië) bij beslissing van 17 juli 2023, ingekomen bij het Hof op 21 juli 2023, in de strafzaak tegen

OB,

in tegenwoordigheid van:

Procura della Repubblica presso il Tribunale di Bologna,

wijst

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, T. von Danwitz, vicepresident, F. Biltgen, K. Jürimäe, C. Lycourgos, M. L. Arastey Sahún, S. Rodin, A. Kumin en M. Gavalec, kamerpresidenten, E. Regan, N. Piçarra (rapporteur), Z. Csehi en O. Spineanu-Matei, rechter,

advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,

griffier: C. Di Bella, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 18 juni 2024,

gelet op de opmerkingen van:

–

OB, vertegenwoordigd door F. Cancellaro, advocaat,

–

de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door S. Faraci en W. Ferrante, avvocati dello Stato,

–

de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér en R. Kissné Berta als gemachtigden,

–

de Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door R. Meyer, K. Pleśniak en A. Ştefănuc als gemachtigden,

–

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Katsimerou, P. A. Messina en J. Vondung als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 7 november 2024,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing heeft enerzijds betrekking op de uitlegging van artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), gelezen in samenhang met de artikelen 2, 3, 6, 7, 17 en 18 ervan, en anderzijds op de geldigheid, in het licht van die bepalingen, van richtlijn 2002/90/EG van de Raad van 28 november 2002 tot omschrijving van hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf (PB 2002, L 328, blz. 17) en kaderbesluit 2002/946/JBZ van de Raad van 28 november 2002 tot versterking van het strafrechtelijk kader voor de bestrijding van hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf (PB 2002, L 328, blz. 1).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafprocedure die tegen OB, een onderdaan van een derde land, is ingeleid wegens hulpverlening bij illegale binnenkomst op Italiaans grondgebied van twee minderjarige onderdanen van dat derde land, die haar vergezelden en over wie zij feitelijk het gezag uitoefent.

Toepasselijke bepalingen

Internationaal recht

Verdrag van Genève

3

Artikel 31 van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, dat op 28 juli 1951 in Genève is ondertekend [United Nations Treaty Series, deel 189, blz. 150, nr. 2545 (1954)] en op 22 april 1954 in werking is getreden, zoals aangevuld bij het op 31 januari 1967 te New York gesloten Protocol betreffende de status van vluchtelingen, dat op zijn beurt in werking is getreden op 4 oktober 1967 (hierna: „Verdrag van Genève”), draagt het opschrift „Illegale vluchtelingen in het land van toevlucht” en bepaalt in lid 1 ervan:

„De verdragsluitende staten zullen geen strafsancties, op grond van onrechtmatige binnenkomst of onrechtmatig verblijf, toepassen op vluchtelingen die, rechtstreeks komend van een grondgebied waar hun leven of vrijheid in de zin van artikel 1 werd bedreigd, zonder toestemming hun grondgebied binnenkomen of zich aldaar bevinden, mits zij zich onverwijld bij de autoriteiten melden en deze overtuigen dat zij geldige redenen hebben voor hun onrechtmatige binnenkomst of onrechtmatige aanwezigheid.”

Protocol van Palermo inzake migrantensmokkel

4

Het Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over zee en door de lucht, dat dient ter aanvulling op het Verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit, is op 12 december 2000 door de Europese Gemeenschap ondertekend overeenkomstig besluit 2001/87/EG van de Raad van 8 december 2000 (PB 2001, L 30, blz. 44; hierna: „Protocol van Palermo inzake migrantensmokkel”). Dit protocol is goedgekeurd bij besluit 2006/616/EG van de Raad van 24 juli 2006 (PB 2006, L 262, blz. 24), voor zover de bepalingen van dit protocol onder de artikelen 179 en 181 A EG vallen, en bij besluit 2006/617/EG van de Raad van 24 juli 2006 (PB 2006, L 262, blz. 34), voor zover die bepalingen onder deel III, titel IV, van het EG-Verdrag vallen. Artikel 2 van het Protocol van Palermo inzake migrantensmokkel bepaalt:

„Het doel van dit protocol is de smokkel van migranten te voorkomen en te bestrijden, alsmede de samenwerking tussen de staten die partij zijn daartoe te bevorderen, waarbij de rechten van gesmokkelde migranten worden beschermd.”

Verdrag inzake de rechten van het kind

5

Artikel 27, lid 2, van het op 20 november 1989 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties aangenomen Verdrag inzake de rechten van het kind (United Nations Treaty Series, deel 1577, blz. 3) bepaalt:

„De ouder(s) of anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind, hebben de primaire verantwoordelijkheid voor het waarborgen, naar vermogen en binnen de grenzen van hun financiële mogelijkheden, van de levensomstandigheden die nodig zijn voor de ontwikkeling van het kind.”

Unierecht

Handvest

6

Artikel 7 van het Handvest, met het opschrift „De eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven”, luidt als volgt:

„Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie.”

7

Artikel 18 van het Handvest, met het opschrift „Het recht op asiel”, luidt als volgt:

„Het recht op asiel is gegarandeerd met inachtneming van de voorschriften van het [Verdrag van Genève] en overeenkomstig het [VEU] en het [VWEU]”.

8

Artikel 24 van het Handvest, met het opschrift „De rechten van het kind”, bepaalt:

„1.   Kinderen hebben recht op de bescherming en de zorg die nodig zijn voor hun welzijn. Zij mogen vrijelijk hun mening uiten. Aan hun mening in hen betreffende aangelegenheden wordt in overeenstemming met hun leeftijd en rijpheid passend belang gehecht.

2.   Bij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, vormen de belangen van het kind een essentiële overweging.

3.   Ieder kind heeft het recht, regelmatig persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met zijn beide ouders te onderhouden, tenzij dit tegen zijn belangen indruist.”

9

Artikel 52 van het Handvest, met het opschrift „Reikwijdte en uitlegging van de gewaarborgde rechten en beginselen”, bepaalt in lid 1:

„Beperkingen op de uitoefening van de in dit Handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.”

Richtlijn 2002/90

10

De overwegingen 1 tot en met 5 van richtlijn 2002/90 luiden als volgt:

„(1)

Een van de doelstellingen van de Europese Unie is de geleidelijke totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid, hetgeen onder andere de bestrijding van illegale immigratie impliceert.

(2)

Derhalve moeten maatregelen worden genomen tegen het verlenen van hulp bij illegale immigratie, zowel in verband met illegale grensoverschrijding in enge zin als met het bevoorraden van netwerken waarin mensen worden uitgebuit.

(3)

In dit verband is het van essentieel belang om te komen tot een onderlinge aanpassing van de bestaande rechtsregels, in het bijzonder, enerzijds, een precieze omschrijving van de inbreuk in kwestie en de gevallen waarin deze niet bestraft wordt, opgenomen in deze richtlijn, en anderzijds, minimumvoorschriften voor sancties, [...] opgenomen in kaderbesluit [2002/946].

(4)

Deze richtlijn heeft tot doel hulpverlening bij illegale immigratie te omschrijven en aldus de uitvoering van [...] kaderbesluit [2002/946] doeltreffender te maken, teneinde dit strafbare feit te bestrijden.

(5)

Deze richtlijn is een aanvulling op andere instrumenten die zijn aangenomen ter bestrijding van illegale immigratie, illegale tewerkstelling, mensenhandel en seksuele uitbuiting van kinderen.”

11

Artikel 1 van deze richtlijn, dat het opschrift „Algemene inbreuk” draagt, bepaalt:

„1.   Iedere lidstaat neemt passende sancties tegen:

a)

eenieder die een persoon die geen onderdaan is van een lidstaat, opzettelijk helpt om het grondgebied van een lidstaat binnen te komen of zich daarover te verplaatsen op een wijze die in strijd is met de wetgeving van die staat met betrekking tot de binnenkomst of doorreis van vreemdelingen;

[...]

2.   Iedere lidstaat kan besluiten geen sancties op te leggen in verband met de in lid 1, onder a), omschreven gedragingen door zijn nationale wetgeving en praktijken toe te passen in gevallen waarin het doel van de gedraging is humanitaire bijstand aan de betrokkene te verlenen.”

Kaderbesluit 2002/946

12

Artikel 1 van kaderbesluit 2002/946, dat het opschrift „Sancties” draagt, bepaalt in lid 1:

„Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen opdat de in de artikelen 1 en 2 van richtlijn [2002/90] omschreven inbreuken worden bestraft met doeltreffende, evenredige en afschrikkende strafrechtelijke sancties die kunnen leiden tot uitlevering.”

13

Artikel 6 van dit kaderbesluit, met het opschrift „Internationaal vluchtelingenrecht”, luidt als volgt:

„Dit kaderbesluit is van toepassing onverminderd de bescherming die aan vluchtelingen en asielzoekers wordt geboden overeenkomstig het internationaal vluchtelingenrecht en andere internationale mensenrechteninstrumenten, in het bijzonder de naleving door de lidstaten van hun internationale verplichtingen uit hoofde van de artikelen 31 en 33 van het [Verdrag van Genève].”

Richtlijn 2011/95

14

De overwegingen 16 en 18 van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB 2011, L 337, blz. 9) luiden als volgt:

„(16)

[...] In het bijzonder tracht deze richtlijn de menselijke waardigheid en het recht op asiel van asielzoekers en hun begeleidende familieleden ten volle te eerbiedigen en de toepassing van de artikelen 1, 7, 11, 14, 15, 16, 18, 21, 24, 34 en 35 van [het Handvest] te bevorderen, en dient [zij] derhalve dienovereenkomstig te worden toegepast.

[...]

(18)

Het ‚belang van het kind’ dient bij de uitvoering van deze richtlijn een van de hoofdoverwegingen van de lidstaten te zijn, overeenkomstig het [Verdrag inzake de rechten van het kind]. Bij de beoordeling van het belang van het kind dienen de lidstaten met name terdege rekening te houden met het beginsel van eenheid van gezin [...].”

15

Artikel 23 van deze richtlijn, met het opschrift „Instandhouding van het gezin”, bepaalt in lid 1:

„De lidstaten zorgen ervoor dat het gezin in stand kan worden gehouden.”

Richtlijn 2013/33

16

Overweging 9 van richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (PB 2013, L 180, blz. 96) luidt als volgt:

„De lidstaten moeten ernaar streven om bij de toepassing van deze richtlijn de beginselen van het belang van het kind en van de eenheid van het gezin volledig in acht te nemen, overeenkomstig respectievelijk het [Handvest], het [Verdrag inzake de rechten van het kind] en het [op 4 november 1950 te Rome ondertekende] Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.”

Schengengrenscode

17

Artikel 3 van verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) (PB 2016, L 77, blz. 1; hierna: „Schengengrenscode”), met het opschrift „Toepassingsgebied”, luidt als volgt:

„Deze verordening is van toepassing op iedereen die de binnen- of buitengrenzen van de lidstaten overschrijdt, onverminderd:

[...]

b)

de rechten van vluchtelingen en personen die om internationale bescherming verzoeken, met name wat betreft non-refoulement.”

18

Artikel 4 van de Schengengrenscode, met het opschrift „Grondrechten”, bepaalt:

„Bij de toepassing van deze verordening handelen de lidstaten met volledige inachtneming van het toepasselijke Unierecht, waaronder het [Handvest], het toepasselijke internationale recht, waaronder het [Verdrag van Genève], de verplichtingen inzake de toegang tot internationale bescherming, in het bijzonder het beginsel van non-refoulement, en de grondrechten. [...]”

Italiaans recht

19

Artikel 12 van decreto legislativo n. 286 – Testo unico delle disposizioni concernenti la disciplina dell’immigrazione e norme sulla condizione dello straniero (besluit met kracht van wet nr. 286 houdende de geconsolideerde tekst van de bepalingen inzake immigratie‑ en vreemdelingenzaken) van 25 juli 1998 (GURI nr. 191 van 18 augustus 1998, gewoon supplement nr. 139), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „geconsolideerd immigratiebesluit”) draagt het opschrift „Bepalingen inzake illegale immigratie” en bepaalt in de leden 1 en 2 ervan:

„1.   Tenzij de feiten een zwaarder strafbaar feit opleveren, wordt eenieder die in strijd met deze geconsolideerde tekst vervoer van vreemdelingen naar het grondgebied van Italië bevordert, regelt, organiseert, financiert of uitvoert, dan wel andere handelingen verricht waardoor zij illegaal kunnen binnenkomen op het grondgebied van Italië of een andere staat waarvan zij geen onderdaan zijn en die hun geen duurzaam verblijfsrecht heeft verleend, bestraft met een gevangenisstraf van één tot vijf jaar en een geldboete van 15000 EUR per persoon.

2.   Onverminderd het bepaalde in artikel 54 codice penale [(wetboek van strafrecht)] is het redden van en verlenen van humanitaire bijstand in Italië aan hulpbehoevende vreemdelingen die zich reeds op het grondgebied van de staat bevinden, niet strafbaar.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

20

OB heeft zich op 27 augustus 2019 na aankomst van een vlucht uit een derde land bij de grensdoorlaatpost op de luchthaven van Bologna (Italië) aangemeld, vergezeld van twee minderjarige kinderen van respectievelijk 8 en 13 jaar. Zij hadden allen een vals paspoort.

21

Op 28 augustus 2019 is OB aangehouden, waarna de twee minderjarigen op grond van een beslissing van de Tribunale per i minorenni (kinderrechter, Italië) in een opvangcentrum zijn ondergebracht. Tegen OB is bij de Tribunale di Bologna (rechter in eerste aanleg Bologna, Italië), die tevens de verwijzende rechter is, een procedure ingeleid waarin zij zich moest verantwoorden voor het strafbare feit van hulpverlening bij illegale binnenkomst van derdelanders als bedoeld in artikel 12, lid 1, van het geconsolideerde immigratiebesluit, in samenloop met het strafbare feit van het bezit van valse identiteitsdocumenten als bedoeld in artikel 497 bis van het wetboek van strafrecht. Tegen OB is echter geen strafvervolging wegens illegale binnenkomst op het Italiaanse grondgebied ingesteld.

22

Tijdens de terechtzitting in verband met haar aanhouding die op 29 augustus 2019 is gehouden bij de met het gerechtelijk vooronderzoek belaste rechter van de Tribunale di Bologna, heeft OB verklaard dat zij uit haar land van herkomst was gevlucht omdat haar voormalige partner haarzelf en haar familie met de dood had bedreigd. Zij verklaarde bovendien te vrezen voor de lichamelijke integriteit van de minderjarigen die haar vergezelden en die naar eigen zeggen haar dochter en haar nichtje waren, over welk nichtje zij na het overlijden van de moeder van het kind het gezag had gekregen.

23

Bij beschikking van dezelfde datum heeft de met het gerechtelijk vooronderzoek belaste rechter de aanhouding van OB bekrachtigd en het verzoek van het openbaar ministerie om haar in preventieve hechtenis te plaatsen afgewezen. Deze afwijzing is in hoger beroep bevestigd op grond dat er geen redenen waren om de waarachtigheid te betwijfelen van de door OB tijdens het onderzoek afgelegde verklaringen.

24

Op 9 oktober 2019 heeft OB een verzoek om internationale bescherming ingediend. Ten tijde van de indiening van het verzoek om een prejudiciële beslissing was de procedure ter behandeling van dat verzoek nog niet afgerond.

25

Bij beslissing van 30 september 2021 heeft de Tribunale per i minorenni op basis van een medisch-juridisch onderzoek de familieband tussen OB en een van de minderjarigen vastgesteld, zodat haar ouderlijk gezag over die minderjarige werd erkend. De kinderrechter kon echter niet vaststellen of er een familieband tussen OB en de andere minderjarige bestond, omdat deze minderjarige op 10 september 2019 uit eigen beweging de opvang had verlaten waaraan zij was toevertrouwd.

26

De verwijzende rechter merkt op dat uit het verslag dat de sociale diensten hebben opgesteld naar aanleiding van de gesprekken met de twee minderjarigen, naar voren komt dat de tweede minderjarige inderdaad het nichtje van OB is en dat de zorg voor dat kind na het overlijden van de moeder van het kind aan OB was toevertrouwd. Hij constateert dat beide minderjarigen „onder de verantwoordelijkheid en de bescherming” van OB zijn geplaatst.

27

Volgens deze rechter vormt de gedraging van OB, bestaande in het op illegale wijze binnenbrengen van de twee minderjarigen op Italiaans grondgebied, materieel gezien een strafbaar feit als bedoeld in artikel 12, lid 1, van het geconsolideerde immigratiebesluit en valt deze gedraging niet onder lid 2 van dat artikel, aangezien volgens laatstgenoemde bepaling uitsluitend „het redden van en verlenen van humanitaire bijstand in Italië aan hulpbehoevende vreemdelingen die zich reeds op het grondgebied van de staat bevinden” niet als strafbaar wordt aangemerkt.

28

De verwijzende rechter leidt uit het voorgaande af dat artikel 12 van het geconsolideerde immigratiebesluit in strijd is met het uit artikel 52, lid 1, van het Handvest voortvloeiende evenredigheidsbeginsel, niet alleen omdat de aantasting van de door de artikelen 2, 3, 6, 7, 17 en 18 van het Handvest gewaarborgde grondrechten noodzakelijk moet zijn om de door richtlijn 2002/90 en kaderbesluit 2002/946 nagestreefde doelstellingen te bereiken, maar ook omdat er een afweging moet worden gemaakt tussen de met elkaar botsende, beschermenswaardige belangen.

29

Hoewel een gedraging als die van OB buiten het kader van artikel 12, lid 2, van het geconsolideerde immigratiebesluit valt, zou zij volgens die rechter niettemin kunnen worden aangemerkt als een handeling die is verricht met het oogmerk om „humanitaire bijstand” in de zin van artikel 1, lid 2, van richtlijn 2002/90 te verlenen. Deze gedraging zou dan ook niet onder artikel 1, lid 1, onder a), van deze richtlijn mogen vallen. Zij vergemakkelijkt namelijk de uitoefening door de betrokken minderjarigen van, ten eerste, hun recht op leven, op lichamelijke integriteit en op vrijheid en veiligheid, zoals respectievelijk gewaarborgd door de artikelen 2, 3 en 6 van het Handvest, aangezien deze rechten in hun land van herkomst worden bedreigd, ten tweede, hun recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven, zoals gewaarborgd door artikel 7 van het Handvest, gelet op de bloed- en verwantschapsbanden die er tussen OB en deze minderjarigen bestaan, en, ten derde, hun recht op asiel, zoals gewaarborgd door artikel 18 van het Handvest, gekoppeld aan het door OB ingediende verzoek om internationale bescherming.

30

Aangezien artikel 12, lid 1, van het geconsolideerde immigratiebesluit echter in overeenstemming is met het „regelgevingskader van richtlijn 2002/90 en kaderbesluit 2002/946”, acht de verwijzende rechter het niet opportuun deze bepaling buiten toepassing te laten op grond dat zij in strijd zou zijn met artikel 52, lid 1, van het Handvest. Veeleer acht hij het noodzakelijk om het Hof vragen te stellen over de uitlegging van artikel 52, lid 1, met betrekking tot artikel 12, lid 1, van het geconsolideerde immigratiebesluit en over de geldigheid, in het licht van het Handvest, van artikel 1, lid 1, onder a), en artikel 1, lid 2, van richtlijn 2002/90 en artikel 1, lid 1, van kaderbesluit 2002/946, aangezien laatstgenoemde drie bepalingen de lidstaten weliswaar toestaan om gedragingen die ertoe strekken hulp te verlenen bij de illegale binnenkomst op hun grondgebied niet strafbaar te stellen wanneer deze gedragingen tot doel hebben humanitaire hulp te verlenen, maar niet zover gaan dat zij de lidstaten daartoe verplichten.

31

In die omstandigheden heeft de Tribunale di Bologna de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)

Staat het [Handvest], in het bijzonder het evenredigheidsbeginsel van artikel 52, lid 1, gelezen in samenhang met het recht op persoonlijke vrijheid en het recht op eigendom bedoeld in de artikelen 6 en 17, met het recht op leven en het recht op lichamelijke integriteit bedoeld in de artikelen 2 en 3, met het recht op asiel bedoeld in artikel 18 en met de eerbiediging van het gezinsleven bedoeld in artikel 7, in de weg aan de bepalingen van richtlijn [2002/90] en kaderbesluit [2002/946] (die in Italiaans recht zijn omgezet bij artikel 12 van het geconsolideerde immigratiebesluit), voor zover de lidstaten daarin worden verplicht om strafrechtelijke sancties op te leggen aan eenieder die opzettelijk hulp verleent of handelingen verricht die ertoe strekken hulp te verlenen bij de illegale binnenkomst van vreemdelingen op het grondgebied van de Unie, zelfs wanneer deze gedraging niet uit winstbejag is verricht, zonder dat de lidstaten tegelijk de verplichting wordt opgelegd om strafrechtelijke vervolging uit te sluiten wanneer het gaat om hulp bij illegale binnenkomst waarmee wordt beoogd de vreemdeling humanitaire bijstand te verlenen?

2)

Staat het [Handvest], in het bijzonder het evenredigheidsbeginsel van artikel 52, lid 1, gelezen in samenhang met het recht op persoonlijke vrijheid en het recht op eigendom bedoeld in de artikelen 6 en 17, met het recht op leven en het recht op lichamelijke integriteit bedoeld in de artikelen 2 en 3, met het recht op asiel bedoeld in artikel 18 en met de eerbiediging van het gezinsleven bedoeld in artikel 7, in de weg aan de strafbaarstelling waarin artikel 12 van het geconsolideerde immigratiebesluit voorziet, voor zover daarin de gedraging wordt bestraft van eenieder die handelingen verricht waardoor vreemdelingen illegaal het grondgebied van de staat kunnen binnenkomen, zelfs wanneer die gedraging niet uit winstbejag is verricht, zonder dat de lidstaten tegelijk de verplichting wordt opgelegd om strafrechtelijke vervolging uit te sluiten wanneer het gaat om hulp bij illegale binnenkomst die tot doel heeft de vreemdeling humanitaire bijstand te verlenen?”

32

In het kader van zijn verzoek om een prejudiciële beslissing heeft de verwijzende rechter het Hof verzocht om de onderhavige zaak te behandelen volgens de versnelde procedure van artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Bij beschikking van 10 oktober 2023, Kinsa (C‑460/23, EU:C:2023:784), heeft de president van het Hof dit verzoek afgewezen op grond dat de aard van de zaak geen behandeling binnen korte termijnen vereist.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

33

Met zijn twee vragen, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen van het Hof te vernemen of artikel 1 van richtlijn 2002/90 en artikel 1 van kaderbesluit 2002/946 geldig zijn in het licht van het Handvest en of het Handvest aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de nationale bepalingen waarbij deze artikelen in Italiaans recht zijn omgezet.

34

Volgens vaste rechtspraak is het in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof de taak van het Hof om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan oplossen. Daartoe dient het Hof de voorgelegde vragen indien nodig te herformuleren (arresten van 28 november 2000, Roquette Frères, C‑88/99, EU:C:2000:652, punt 18, en 20 maart 2025, Porcellino Grasso, C‑116/24, EU:C:2025:198, punt 34). Voorts kan het Hof bepalingen van het Unierecht in aanmerking nemen waarvan de nationale rechter in de formulering van zijn vraag geen melding heeft gemaakt, door uit alle door deze rechter verschafte gegevens en met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing de elementen van het Unierecht te putten die, gelet op het voorwerp van het geding, uitlegging behoeven [arresten van 20 maart 1986, Tissier, 35/85, EU:C:1986:143, punt 9, en 22 juni 2023, K.B. en F.S. (Ambtshalve vaststelling in strafzaken), C‑660/21, EU:C:2023:498, punten 26 en 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

35

In casu staat vast dat OB bij de verwijzende rechter wordt vervolgd voor onder meer het strafbare feit van hulpverlening bij illegale binnenkomst op Italiaans grondgebied als bedoeld in artikel 12, lid 1, van het geconsolideerde immigratiebesluit – waarbij artikel 1, lid 1, onder a), van richtlijn 2002/90 en artikel 1, lid 1, van kaderbesluit 2002/946 in Italiaans recht zijn omgezet – omdat zij twee minderjarige derdelanders die haar vergezelden illegaal op het Italiaanse grondgebied heeft binnengebracht. Bovendien blijkt uit de vaststellingen van deze rechter dat deze twee minderjarigen, respectievelijk de dochter en het nichtje van OB, onder de „verantwoordelijkheid” en „bescherming” van OB waren geplaatst.

36

In deze omstandigheden moet ten eerste worden opgemerkt dat de prejudiciële vragen uitgaan van de premisse dat deze gedraging van OB onder het algemene strafbare feit van hulpverlening bij illegale binnenkomst, zoals omschreven in artikel 1, lid 1, onder a), van richtlijn 2002/90, valt en dat artikel 12 van het geconsolideerde immigratiebesluit louter een omzetting van deze Unierechtelijke bepaling in Italiaans recht behelst. Dit betekent dat indien een bepaling van het Handvest zich tegen de toepassing van artikel 1, lid 1, onder a), van die richtlijn op een gedraging als die van OB zou verzetten, deze onverenigbaarheid noodzakelijkerwijs ook gevolgen zou hebben voor artikel 12 van dat besluit, voor zover dit aldus zou moeten worden uitgelegd dat het op die gedraging van toepassing is.

37

Hoe dan ook moet eraan worden herinnerd dat volgens een algemeen uitleggingsbeginsel elke handeling van de Unie, voor zover mogelijk, aldus moet worden uitgelegd dat de geldigheid ervan niet wordt aangetast en dat zij in overeenstemming is met het primaire recht in zijn geheel, met name met de bepalingen van het Handvest. Een bepaling van afgeleid recht moet dus, voor zover mogelijk, zodanig worden uitgelegd dat zij in overeenstemming is met de bepalingen van de Verdragen en de algemene beginselen van het Unierecht [arresten van 21 maart 1991, Rauh, C‑314/89, EU:C:1991:143, punt 17, en 13 juni 2024, Commissie/Nederland (Beoordeling van de verenigbaarheid van een maatregel die niet als staatssteun wordt aangemerkt), C‑40/23 P, EU:C:2024:492, punt 40].

38

Ten tweede moet worden vastgesteld dat, gelet op de feiten van het hoofdgeding zoals die uit het verzoek om een prejudiciële beslissing naar voren komen, niet alleen de door de verwijzende rechter genoemde artikelen 7 en 18 van het Handvest, die het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven respectievelijk het recht op asiel waarborgen, van doorslaggevend belang zijn voor de beantwoording van de door deze rechter gestelde vragen, maar ook – zoals de Europese Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft onderstreept – artikel 24 van het Handvest, waarin de rechten van het kind zijn verankerd.

39

De vragen van de verwijzende rechter moeten derhalve in die zin worden opgevat dat hij in wezen ten eerste wenst te vernemen of artikel 1, lid 1, onder a), van richtlijn 2002/90, met name gelezen in samenhang met de artikelen 7, 18 en 24 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat onder het algemene strafbare feit van hulpverlening bij illegale binnenkomst niet kan worden begrepen de gedraging van een persoon die, in strijd met de regeling voor de overschrijding van de grenzen door personen, minderjarige derdelanders die hem vergezellen en over wie hij feitelijk het gezag uitoefent, binnenbrengt op het grondgebied van een lidstaat, en ten tweede of deze artikelen van het Handvest aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die een dergelijke gedraging strafbaar stelt.

40

Volgens artikel 1, lid 1, onder a), van richtlijn 2002/90 moet iedere lidstaat passende sancties vaststellen tegen „eenieder die een persoon die geen onderdaan is van een lidstaat, opzettelijk helpt om het grondgebied van een lidstaat binnen te komen of zich daarover te verplaatsen op een wijze die in strijd is met de wetgeving van die staat met betrekking tot de binnenkomst of doorreis van vreemdelingen”.

41

Uit de bewoordingen van deze bepaling en inzonderheid de daarin gebezigde termen „eenieder” en „helpt” volgt dat de Uniewetgever de „algemene inbreuk” waarvan in deze bepaling sprake is, abstract heeft omschreven door a priori geen enkele vorm van hulpverlening bij illegale binnenkomst op het grondgebied van een lidstaat en geen enkele categorie van personen die mogelijkerwijs deze hulp verlenen, uit te sluiten. Hetzelfde geldt voor de categorie van personen ten behoeve waarvan deze hulp kan worden verleend.

42

Dat voor een dergelijke open definitie van het algemene strafbare feit van hulpverlening bij illegale binnenkomst is gekozen, valt te verklaren door het feit dat de Uniewetgever, zoals in de overwegingen 1 en 2 van richtlijn 2002/90 wordt bevestigd, „maatregelen” heeft willen nemen „tegen het verlenen van hulp bij illegale immigratie” in al zijn verschijningsvormen, teneinde die immigratie op doeltreffende wijze te bestrijden, zowel in verband met illegale grensoverschrijding in enge zin als met het bevoorraden van netwerken waarin mensen worden uitgebuit. Daarnaast beoogt deze richtlijn blijkens de overwegingen 3 en 4 ervan een precieze omschrijving van het strafbare feit van hulpverlening bij illegale binnenkomst te geven met het oog op een doeltreffende uitvoering van kaderbesluit 2002/946, waarin minimumvoorschriften voor sancties, aansprakelijkheid van rechtspersonen en rechtsmacht zijn opgenomen. Tenslotte volgt uit overweging 5 ervan dat deze richtlijn een aanvulling is op andere instrumenten die zijn aangenomen ter bestrijding van illegale immigratie, illegale tewerkstelling, mensenhandel en seksuele uitbuiting van kinderen.

43

Op het eerste gezicht klopt het dat de open formulering van artikel 1, lid 1, onder a), van richtlijn 2002/90 zich leent voor verschillende interpretaties. Ofschoon deze bepaling niet uitdrukkelijk verwijst naar de gedraging van een persoon die, in strijd met de regeling voor de overschrijding van de grenzen, minderjarige derdelanders die hem vergezellen en over wie hij feitelijk het gezag uitoefent, binnenbrengt op het grondgebied van een lidstaat, verzet zij zich als zodanig evenmin expliciet tegen de uitlegging dat die gedraging onder het daarin bedoelde algemene strafbare feit valt.

44

Deze laatste uitlegging kan echter niet worden aanvaard.

45

In de eerste plaats pleiten de doelstellingen van richtlijn 2002/90 tegen deze uitlegging. Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft opgemerkt, vormt een dergelijke gedraging namelijk geen hulpverlening bij illegale immigratie, wat deze richtlijn beoogt te bestrijden, maar vloeit zij voort uit het feit dat die persoon de persoonlijke verantwoordelijkheid voor die minderjarigen draagt uit hoofde van het gezag dat zij over hen uitoefent.

46

In de tweede plaats dringt deze conclusie zich ook op in het licht van de artikelen 7 en 24 van het Handvest.

47

Artikel 7 van het Handvest garandeert aan elke persoon het recht op eerbiediging van onder meer het familie- en gezinsleven, waarbij het bestaan van een familie- en gezinsleven een feitelijke kwestie is die afhangt van de praktische realiteit van hechte persoonlijke banden, en de mogelijkheid voor een ouder en zijn kind om samen te zijn een fundamenteel bestanddeel van het gezinsleven vormt (arrest van 14 december 2021, Stolichna obshtina, rayon Pancharevo, C‑490/20, EU:C:2021:1008, punt 61).

48

Artikel 24 van het Handvest bepaalt in lid 1 ervan onder meer dat kinderen recht hebben op de bescherming en de zorg die nodig zijn voor hun welzijn. Bovendien wordt in lid 2 van dit artikel bepaald dat de belangen van het kind een essentiële overweging vormen bij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen. Deze bepaling is ook van toepassing op besluiten die niet gericht zijn aan de minderjarige, maar voor hem wel aanzienlijke gevolgen met zich brengen [zie in die zin arrest van 21 december 2023, GN (Weigeringsgrond gebaseerd op het belang van het kind), C‑261/22, EU:C:2023:1017, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Tot slot heeft volgens artikel 24, lid 3, van het Handvest ieder kind het recht om regelmatig persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met zijn beide ouders te onderhouden, tenzij dit tegen zijn belangen indruist.

49

Volgens vaste rechtspraak moet artikel 7 van het Handvest worden gelezen in samenhang met de verplichting om rekening te houden met de in artikel 24, lid 2, van het Handvest erkende belangen van het kind en met inaanmerkingneming van de noodzaak voor een kind om regelmatig de in artikel 24, lid 3, daarvan bedoelde betrekkingen te onderhouden [zie in die zin arresten van 17 november 2022, Belgische Staat (Gehuwde minderjarige vluchteling), C‑230/21, EU:C:2022:887, punt 48, en 30 januari 2024, Landeshauptmann von Wien (Gezinshereniging met een minderjarige vluchteling), C‑560/20, EU:C:2024:96, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

50

Aangezien artikel 24 van het Handvest bovendien, zoals de toelichtingen bij het Handvest in herinnering brengen, een verankering in het Unierecht vormt van de voornaamste rechten van het kind zoals vervat in het door alle lidstaten geratificeerde Verdrag inzake de rechten van het kind, dient bij de uitlegging van dit artikel terdege rekening te worden gehouden met de bepalingen van dat verdrag (arrest van 14 december 2021, Stolichna obshtina, rayon Pancharevo, C‑490/20, EU:C:2021:1008, punt 63). In het bijzonder hebben de ouders of anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind overeenkomstig artikel 27, lid 2, van dat verdrag de primaire verantwoordelijkheid voor het waarborgen, naar vermogen en binnen de grenzen van hun financiële mogelijkheden, van de levensomstandigheden die nodig zijn voor de ontwikkeling van het kind.

51

Gelet op de artikelen 7 en 24 van het Handvest, in het licht waarvan artikel 1, lid 1, onder a), van richtlijn 2002/90 moet worden uitgelegd, kan de gedraging van een persoon die minderjarige derdelanders die hem vergezellen en over wie hij feitelijk het gezag uitoefent op illegale wijze het grondgebied van een lidstaat binnenbrengt, niet onder het in laatstgenoemde bepaling bedoelde algemene strafbare feit van hulpverlening bij illegale binnenkomst vallen, ook niet wanneer deze persoon dat grondgebied zelf ook illegaal is binnengekomen.

52

Een tegengestelde uitlegging van deze bepaling zou tot een zeer ernstige inbreuk op het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven en op de rechten van het kind, zoals verankerd in respectievelijk de artikelen 7 en 24 van het Handvest, leiden, zodanig dat de wezenlijke inhoud van deze grondrechten erdoor zou worden aangetast in de zin van artikel 52, lid 1, van het Handvest.

53

Indien men zou aanvaarden dat iemand kan worden gestraft enkel en alleen omdat hij minderjarigen over wie hij feitelijk het gezag uitoefent heeft geholpen om illegaal het grondgebied van een lidstaat binnen te komen, zou dit namelijk tot een aantasting van deze wezenlijke inhoud leiden.

54

Iemand als OB, die minderjarige derdelanders die haar vergezellen en over wie zij feitelijk het gezag uitoefent op illegale wijze het grondgebied van een lidstaat binnenbrengt, komt in beginsel slechts een verplichting na die inherent is aan haar, op de familierelatie met die minderjarigen gebaseerde, persoonlijke verantwoordelijkheid om die minderjarigen de bescherming en de zorg te bieden die nodig zijn voor hun welzijn en hun ontwikkeling. De gedraging van die persoon vormt vóór alles de concrete uitdrukking van haar algemene verantwoordelijkheid jegens die minderjarigen.

55

Artikel 1, lid 1, onder a), van richtlijn 2002/90 kan derhalve niet aldus worden uitgelegd dat het beoogt te waarborgen dat de gedraging van iemand als OB – die erin bestaat dat deze persoon bij zijn illegale binnenkomst op het grondgebied van een lidstaat zijn kind of een andere minderjarige over wie hij feitelijk het gezag uitoefent, met hem meebrengt – moet worden gekwalificeerd als „hulpverlening bij illegale binnenkomst” op dat grondgebied en dus moet worden bestraft, omdat anders de wezenlijke inhoud van het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven en van de rechten van het kind, zoals verankerd in respectievelijk de artikelen 7 en 24 van het Handvest, zou worden aangetast.

56

Hieruit volgt dat artikel 1, lid 1, onder a), van richtlijn 2002/90 in het licht van de artikelen 7 en 24 van het Handvest aldus moet worden uitgelegd dat onder het algemene strafbare feit van hulpverlening bij illegale binnenkomst niet kan worden begrepen de gedraging van een persoon die, in strijd met de regeling voor de overschrijding van de grenzen door personen, minderjarige derdelanders die hem vergezellen en over wie hij feitelijk het gezag uitoefent, binnenbrengt op het grondgebied van een lidstaat.

57

In de derde plaats dringt deze uitlegging van artikel 1, lid 1, onder a), van richtlijn 2002/90 zich ook op in het licht van artikel 18 van het Handvest, dat relevant is wanneer, zoals in casu, de betrokken persoon na binnenkomst op het grondgebied van de betrokken lidstaat een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend.

58

In dit verband moet ten eerste worden onderstreept dat artikel 18 van het Handvest het recht op asiel garandeert met inachtneming van de voorschriften van het Verdrag van Genève en overeenkomstig het VEU en het VWEU. De lidstaten dienen deze voorschriften in acht te nemen bij de uitvoering van zowel richtlijn 2002/90 als kaderbesluit 2002/946.

59

Zoals artikel 6 van dit kaderbesluit bevestigt, is dus zowel dit kaderbesluit als richtlijn 2002/90 van toepassing onverminderd de bescherming die aan vluchtelingen en asielzoekers wordt geboden en in het bijzonder de naleving door de lidstaten van hun internationale verplichtingen uit hoofde van onder meer artikel 31 van het Verdrag van Genève. Laatstgenoemd artikel verbiedt deze staten om strafsancties, op grond van onrechtmatige binnenkomst of onrechtmatig verblijf, toe te passen op vluchtelingen die, rechtstreeks komend van een grondgebied waar hun leven of vrijheid werd bedreigd, zonder toestemming hun grondgebied binnenkomen of zich aldaar bevinden, mits zij zich onverwijld bij de autoriteiten melden en deze overtuigen dat zij geldige redenen hebben voor hun onrechtmatige binnenkomst of onrechtmatige aanwezigheid.

60

Ten tweede legt de Schengengrenscode – die overeenkomstig artikel 3, onder b), ervan van toepassing is op iedereen die de binnen- of buitengrenzen van een lidstaat overschrijdt, onverminderd de rechten van vluchtelingen en personen die om internationale bescherming verzoeken, met name wat betreft non-refoulement – in artikel 4 de verplichting aan de lidstaten op om te handelen „met volledige inachtneming van het toepasselijke Unierecht, waaronder het [Handvest], het toepasselijke internationale recht, waaronder het [Verdrag van Genève], [en] de verplichtingen inzake de toegang tot internationale bescherming, in het bijzonder het beginsel van non-refoulement [...]”.

61

Ten derde moet elke derdelander of staatloze het recht hebben om op het grondgebied van een lidstaat een verzoek om internationale bescherming te doen, inclusief aan de grenzen of in de transitzones van die lidstaat, zelfs al verblijft hij illegaal op dat grondgebied en ongeacht de slaagkans van het verzoek. Zodra een dergelijk verzoek is gedaan, kan de verzoeker in principe niet worden geacht illegaal te verblijven op het grondgebied van de betrokken lidstaat, zolang daar niet in eerste aanleg op is beslist, omdat anders de doeltreffendheid van het recht op asiel, zoals gewaarborgd in artikel 18 van het Handvest, zou worden ondermijnd [zie in die zin arresten van 17 december 2020, Commissie/Hongarije (Opvang van personen die om internationale bescherming verzoeken),C‑808/18, EU:C:2020:1029, punt 102, en 16 november 2021, Commissie/Hongarije (Strafbaarstelling van hulp aan asielzoekers),C‑821/19, EU:C:2021:930, punten 136 en 137].

62

Bovendien volgt uit de rechtspraak van het Hof dat maatregelen die, zonder dat daarvoor een redelijke rechtvaardiging bestaat, tot gevolg hebben dat een derdelander wordt ontmoedigd om zijn verzoek om internationale bescherming bij de bevoegde autoriteiten in te dienen, de nuttige werking kunnen ontnemen aan het in artikel 18 van het Handvest gewaarborgde recht op asiel [zie in die zin arresten van 17 december 2020, Commissie/Hongarije (Opvang van personen die om internationale bescherming verzoeken),C‑808/18, EU:C:2020:1029, punten 102, 103, 118 en 119, en 22 juni 2023, Commissie/Hongarije (Intentieverklaring vóór een asielaanvraag),C‑823/21, EU:C:2023:504, punten 47-51].

63

Ten vierde volgt uit overweging 9 van richtlijn 2013/33 dat de lidstaten ernaar moeten streven om bij de opvang van personen die om internationale bescherming verzoeken de beginselen van het belang van het kind en van de eenheid van het gezin volledig in acht te nemen.

64

Bovendien wordt in de Slotakte van de Conferentie van Gevolmachtigden van de Verenigde Naties betreffende de status van vluchtelingen en staatlozen van 25 juli 1951, waarbij de tekst van het Verdrag van Genève is opgesteld, onderstreept dat „de eenheid van het gezin [...] een wezenlijk recht van de vluchteling is”. Insgelijks beoogt richtlijn 2011/95 overeenkomstig overweging 16 ervan het recht op asiel van asielzoekers en hun begeleidende familieleden ten volle te eerbiedigen en de toepassing van onder meer de artikelen 7 en 24 van het Handvest te bevorderen. In overweging 18 van deze richtlijn wordt erop gewezen dat het belang van het kind bij de uitvoering van deze richtlijn een van de hoofdoverwegingen van de lidstaten dient te zijn en dat zij bij de beoordeling van dat belang met name terdege rekening dienen te houden met het beginsel van eenheid van gezin. Zo schrijft artikel 23, lid 1, van deze richtlijn uitdrukkelijk voor dat de lidstaten ervoor zorgen dat het gezin in stand kan worden gehouden.

65

In casu heeft OB een verzoek om internationale bescherming ingediend, zodat zij de rechten geniet die uit de indiening van dat verzoek voortvloeien. Er kunnen haar derhalve geen strafrechtelijke sancties worden opgelegd wegens haar eigen illegale binnenkomst op het Italiaanse grondgebied of wegens het feit dat zij bij die binnenkomst werd vergezeld door haar dochter en haar nichtje, over wie zij feitelijk het gezag uitoefent.

66

In de vierde plaats vindt de in de punten 45 tot en met 65 van dit arrest gehanteerde uitlegging van artikel 1, lid 1, onder a), van richtlijn 2002/90, zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft opgemerkt, ook steun in het Protocol van Palermo inzake migrantensmokkel, in het licht waarvan die richtlijn moet worden gelezen. Volgens artikel 2 ervan heeft dit protocol immers tot doel om het smokkelen van migranten strafbaar te stellen, terwijl het tegelijkertijd de rechten van de migranten zelf wil beschermen.

67

Deze uitlegging heeft geenszins tot gevolg dat gedragingen die, onder het mom van familiebanden, in werkelijkheid wellicht een ander oogmerk hebben, zoals illegale immigratie, illegale tewerkstelling, mensenhandel of seksuele uitbuiting van kinderen, hetgeen tot ernstige schendingen van de grondrechten van die kinderen zou leiden, aan de werkingssfeer van het strafrecht worden onttrokken. In dit verband moet worden onderstreept dat richtlijn 2002/90, zoals in overweging 5 ervan wordt aangegeven, een aanvulling is op andere instrumenten die zijn aangenomen ter bestrijding van illegale immigratie, illegale tewerkstelling, mensenhandel en seksuele uitbuiting van kinderen, maar deze instrumenten niet vervangt.

68

In de vijfde en laatste plaats heeft een uitlegging van artikel 1, lid 1, onder a), van richtlijn 2002/90 conform de artikelen 7 en 24 en artikel 52, lid 1, van het Handvest tot gevolg dat een gedraging als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, niet onder het strafbare feit van hulpverlening bij illegale binnenkomst in de zin van eerstgenoemde bepaling valt, zodat niet hoeft te worden onderzocht of artikel 1 van richtlijn 2002/90 geldig is en het evenmin nodig is om lid 2 van dit artikel uit te leggen, volgens welke bepaling strafrechtelijke aansprakelijkheid kan worden uitgesloten in gevallen waarin de betrokken gedraging tot doel heeft om humanitaire hulp aan de betrokken persoon te verlenen.

69

Gelet op de vragen van de verwijzende rechter over de verenigbaarheid met het Unierecht van de nationale bepaling waarbij onder meer artikel 1, lid 1, onder a), van richtlijn 2002/90 in Italiaans recht is omgezet, moet bovendien in herinnering worden geroepen dat het vaste rechtspraak is dat de autoriteiten en de rechterlijke instanties van de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de maatregelen ter omzetting van een richtlijn niet alleen hun nationale recht conform deze richtlijn moeten uitleggen, maar er ook op moeten toezien dat zij zich niet baseren op een uitlegging van deze richtlijn die in conflict zou komen met de door de rechtsorde van de Unie beschermde grondrechten of de andere algemene beginselen die in deze rechtsorde worden erkend (arresten van 29 januari 2008, Promusicae, C‑275/06, EU:C:2008:54, punt 68, en 21 juni 2022, Ligue des droits humains, C‑817/19, EU:C:2022:491, punt 87 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

70

In dit verband zij er eveneens aan herinnerd dat, zoals in punt 42 van dit arrest is opgemerkt, uit de overwegingen 3 en 4 van richtlijn 2002/90 volgt dat deze richtlijn volgens artikel 1, lid 1, ervan tot doel heeft om een precieze omschrijving te geven van het strafbare feit van hulpverlening bij illegale binnenkomst teneinde kaderbesluit 2002/946 op doeltreffende wijze uit te voeren.

71

Bij de omzetting van artikel 1, lid 1, onder a), van richtlijn 2002/90 mogen de lidstaten dus niet in strijd met de artikelen 7 en 24 en artikel 52, lid 1, van het Handvest voorschriften in hun nationale recht opnemen die een ruimere strekking hebben dan het algemene strafbare feit van hulp bij illegale binnenkomst, zoals omschreven in deze bepaling, door daaronder andere gedragingen te brengen dan die waarop deze bepaling betrekking heeft.

72

Bovendien volstaan de artikelen 7 en 47 van het Handvest op zichzelf en hoeven zij niet te worden verduidelijkt door bepalingen van Unierecht of van nationaal recht om particulieren een als zodanig inroepbaar recht te verlenen. Voor zover de verwijzende rechter derhalve van oordeel is dat zijn nationale recht niet in overeenstemming met het Unierecht kan worden uitgelegd, is hij gehouden om binnen het kader van zijn bevoegdheden de rechtsbescherming te verzekeren die voor de justitiabelen voortvloeit uit die artikelen en de volle werking daarvan te waarborgen door, zo nodig, artikel 12 van het geconsolideerde immigratiebesluit buiten toepassing te laten (zie naar analogie arrest van 17 april 2018, Egenberger, C‑414/16, EU:C:2018:257, punten 78 en 79).

73

Gelet op de voorgaande overwegingen moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 1, lid 1, onder a), van richtlijn 2002/90, gelezen in samenhang met de artikelen 7 en 24 en artikel 52, lid 1, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat ten eerste onder het algemene strafbare feit van hulpverlening bij illegale binnenkomst niet kan worden begrepen de gedraging van een persoon die, in strijd met de regeling voor de overschrijding van de grenzen door personen, minderjarige derdelanders die hem vergezellen en over wie hij feitelijk het gezag uitoefent binnenbrengt op het grondgebied van een lidstaat, en ten tweede deze artikelen zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die een dergelijke gedraging strafbaar stelt.

Kosten

74

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:

 

Artikel 1, lid 1, onder a), van richtlijn 2002/90/EG van de Raad van 28 november 2002 tot omschrijving van hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf, gelezen in samenhang met de artikelen 7 en 24 en artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

 

moet aldus worden uitgelegd dat

 

ten eerste onder het algemene strafbare feit van hulpverlening bij illegale binnenkomst niet kan worden begrepen de gedraging van een persoon die, in strijd met de regeling voor de overschrijding van de grenzen door personen, minderjarige derdelanders die hem vergezellen en over wie hij feitelijk het gezag uitoefent binnenbrengt op het grondgebied van een lidstaat, en ten tweede deze artikelen zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die een dergelijke gedraging strafbaar stelt.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Italiaans.

( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.