ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

8 mei 2025 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Bescherming van de consument – Richtlijn 93/13/EEG – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Artikel 2, onder b) – Begrip ‚consument’ – Gemengde overeenkomst – Landbouwer die een overeenkomst heeft gesloten voor de aankoop van een goed dat zowel voor zijn landbouwbedrijf als voor huishoudelijk gebruik bestemd is – Interne markt voor elektriciteit – Richtlijn 2009/72/EG – Artikel 3, lid 7 – Bijlage I, punt 1, onder a) – Huishoudelijke afnemer – Elektriciteitsleveringscontract voor bepaalde tijd en tegen een vaste prijs – Contractuele boete wegens voortijdige opzegging – Nationale regeling waarbij het bedrag van die boete wordt beperkt tot de ‚kosten en schadevergoedingen die voortvloeien uit de inhoud van het contract’”

In zaak C‑410/23 [Pielatak] ( i ),

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Okręgowy w Warszawie (rechter in tweede aanleg Warschau, Polen) bij beslissing van 26 mei 2023, ingekomen bij het Hof op 3 juli 2023, in de procedure

I. SA

tegen

S. J.,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: I. Jarukaitis (rapporteur), kamerpresident, N. Jääskinen, A. Arabadjiev, M. Condinanzi en R. Frendo, rechters,

advocaat-generaal: A. Rantos,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door O. Beynet, M. Owsiany-Hornung en T. Scharf als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, onder b) en c), van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29), en van artikel 3, leden 5 en 7, van en bijlage I, punt 1, onder a) en e), bij richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van richtlijn 2003/54/EG (PB 2009, L 211, blz. 55).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen I. S.A., een elektriciteitsleverancier (hierna: „leverancier”), en S. J., een landbouwer, over de betaling van een contractuele boete wegens voortijdige beëindiging door S. J. van het tussen deze partijen gesloten elektriciteitsleveringscontract met een vaste looptijd en een vaste prijs.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Richtlijn 93/13

3

In artikel 2 van richtlijn 93/13 wordt het volgende bepaald:

„In deze richtlijn wordt verstaan onder:

[…]

b)

consument: iedere natuurlijke persoon die bij onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs‑ of beroepsactiviteit vallen;

c)

verkoper: iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die bij onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt in het kader van zijn publiekrechtelijke of privaatrechtelijke beroepsactiviteit.”

Richtlijn 2009/72

4

De overwegingen 3, 7, 8, 51, 52, 54 en 57 van richtlijn 2009/72 luidden:

„(3)

De vrijheden die de burgers van de Unie in het Verdrag worden gegarandeerd, […] kunnen evenwel enkel verwezenlijkt worden in een volledig opengestelde markt waarop alle consumenten hun leveranciers vrijelijk kunnen kiezen en alle aanbieders vrijelijk aan hun afnemers leveren.

[…]

(7)

In de mededeling van de Commissie [aan de Europese Raad en het Europese Parlement] van 10 januari 2007‚Een energiebeleid voor Europa’ [COM(2007) 1 final] wordt het belang onderstreept van de voltooiing van de interne markt voor elektriciteit en de totstandbrenging van gelijke mededingingsvoorwaarden voor alle in de [Europese] Gemeenschap gevestigde elektriciteitsbedrijven. […]

(8)

Om de mededinging en de levering van elektriciteit tegen de meest concurrerende prijs te verzekeren, moeten de lidstaten en de nationale regulerende instanties grensoverschrijdende toegang voor nieuwe leveranciers van elektriciteit afkomstig van diverse energiebronnen en voor nieuwe aanbieders van stroomproductie makkelijker maken.

[…]

(51)

De consumentenbelangen zouden in deze richtlijn centraal moeten staan, en de kwaliteit van de dienstverlening zou een kerntaak van elektriciteitsbedrijven moeten zijn. Bestaande rechten van consumenten moeten worden versterkt en gewaarborgd, en dienen meer transparantie te omvatten. Consumentenbescherming zou moeten waarborgen dat alle consumenten in de ruimere context van de Gemeenschap profiteren van een concurrerende markt. Consumentrechten dienen te worden gehandhaafd door de lidstaten, of, indien een lidstaat hierin voorziet, door de regulerende instanties.

(52)

De consumenten moeten kunnen beschikken over duidelijke en begrijpelijke informatie over hun rechten ten aanzien van de energiesector. […]

[…]

(54)

Efficiënte en voor alle consumenten toegankelijke middelen van geschillenbeslechting zijn een garantie voor betere consumentenbescherming. […]

[…]

(57)

De bevordering van eerlijke concurrentie en gemakkelijke toegang voor verschillende leveranciers alsmede de schepping van capaciteit voor nieuwe stroomproductie zouden voor de lidstaten zaken van het grootste belang moeten zijn, willen de consumenten ten volle kunnen profiteren van de voordelen van een geliberaliseerde interne markt voor elektriciteit.”

5

Artikel 1 („Werkingssfeer”) van deze richtlijn bepaalde:

„Bij deze richtlijn worden, met het oog op het verbeteren en integreren van concurrerende elektriciteitsmarkten in de Gemeenschap, gemeenschappelijke regels vastgesteld voor de productie, de transmissie, de distributie en de levering van elektriciteit, alsook regels voor de bescherming van de consumenten. […]”

6

Artikel 2 van deze richtlijn bevatte de volgende definities:

„Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de volgende definities:

[…]

7.

‚afnemer’: een grootafnemer of een eindafnemer van elektriciteit;

[…]

9.

‚eindafnemer’: een afnemer die elektriciteit koopt voor eigen gebruik;

10.

‚huishoudelijke afnemer’: een afnemer die elektriciteit koopt voor eigen huishoudelijk gebruik en niet voor commerciële of professionele activiteiten;

11.

‚niet-huishoudelijke afnemer’: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die elektriciteit koopt die niet voor eigen huishoudelijk gebruik is bestemd; onder dit begrip vallen tevens producenten en grootafnemers;

12.

‚in aanmerking komende afnemer’: een afnemer die vrij is om elektriciteit te kopen bij de leverancier van zijn keuze, in de zin van artikel 33;

[…]”

7

De leden 5 en 7 van artikel 3 van deze richtlijn, dat voorzien was van het opschrift „Openbaredienstverplichtingen en bescherming van de afnemer”, bepaalden:

„5.   De lidstaten zorgen ervoor dat:

a)

wanneer een afnemer met inachtneming van de contractuele voorwaarden van leverancier wenst te veranderen, dit binnen een termijn van drie weken wordt geregeld door de betrokken beheerder(s), en dat

b)

de afnemers gerechtigd zijn alle relevante gegevens omtrent het verbruik te ontvangen.

De lidstaten zorgen ervoor dat de rechten vermeld onder a) en b) gelden voor alle afnemers, zonder discriminatie op het vlak van kosten, moeite of tijd.

[…]

7.   De lidstaten nemen passende maatregelen om eindafnemers te beschermen en voorzien met name in adequate waarborgen voor de bescherming van kwetsbare afnemers. […] Zij waarborgen een hoog niveau van consumentenbescherming, met name met betrekking tot de transparantie van contractvoorwaarden, algemene informatie en mechanismen voor geschillenbeslechting. De lidstaten zorgen ervoor dat een in aanmerking komende afnemer daadwerkelijk de mogelijkheid heeft gemakkelijk op een nieuwe leverancier over te stappen. Wat ten minste de huishoudelijke afnemers betreft, omvatten deze maatregelen de in bijlage I beschreven maatregelen.”

8

Artikel 33 van richtlijn 2009/72, met als opschrift „Openstelling van de markt en wederkerigheid”, bepaalde in lid 1:

„De lidstaten zien erop toe dat de in aanmerking komende afnemers zijn:

[…]

c) vanaf 1 juli 2007: alle afnemers.”

9

Artikel 37 van die richtlijn, met het opschrift „Taken en bevoegdheden van de regulerende instantie”, bepaalde in lid 1:

„De regulerende instantie heeft de volgende taken:

[…]

l)

respecteren van de contractuele vrijheid met betrekking tot afschakelbare leveringscontracten en langetermijncontracten, mits deze verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht en aansluiten bij het gemeenschapsbeleid;

[…]”

10

Bijlage I bij die richtlijn, met als opschrift „Voorschriften inzake consumentenbescherming”, bepaalde in lid 1:

„Onverminderd de communautaire voorschriften inzake consumentenbescherming, met name richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 1997 betreffende de bescherming van de consument bij op afstand gesloten overeenkomsten [(PB 1997, L 144, blz. 19)] en richtlijn [93/13] houden de in artikel 3 bedoelde maatregelen in dat ervoor wordt gezorgd dat de afnemers:

a)

recht hebben op een contract met hun elektriciteitsleverancier waarin zijn opgenomen:

[…]

de duur van het contract, de voorwaarden voor verlenging en beëindiging van de diensten en van het contract, en of het toegestaan is het contract kosteloos op te zeggen;

[…]

De contractuele voorwaarden zijn eerlijk en vooraf bekend. In ieder geval zou deze informatie voorafgaand aan de ondertekening of bevestiging van het contract moeten worden verstrekt. […]

[…]

e)

geen kosten in rekening worden gebracht indien zij van leverancier veranderen;

[…]”

11

Richtlijn 2009/72 is overeenkomstig artikel 72, eerste alinea, van richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van richtlijn 2012/27/EU (PB 2019, L 158, blz. 125) met ingang van 1 januari 2021 ingetrokken bij en vervangen door richtlijn 2019/944.

Richtlijn 2011/83

12

Overweging 17 van richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 85/577/EEG en van richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB 2011, L 304, blz. 64), luidt als volgt:

„Onder de definitie van consument dienen natuurlijke personen te vallen die buiten hun handels-, bedrijfs-, ambachts‑ of beroepsactiviteit handelen. Bij gemengde overeenkomsten, waar een overeenkomst wordt gesloten voor doeleinden die deels binnen en deels buiten de handelsactiviteit van de persoon liggen en het handelsoogmerk zo beperkt is dat het binnen de globale context van de overeenkomst niet overheerst, dient die persoon echter ook als consument te worden aangemerkt.”

Richtlijn 2019/944

13

In overweging 1 van richtlijn 2019/944 staat te lezen:

„Richtlijn [2009/72] moet op verscheidene punten ingrijpend worden gewijzigd. Ter wille van de duidelijkheid dient tot herschikking van die richtlijn te worden overgegaan.”

14

Artikel 12 van richtlijn 2019/944, met het opschrift „Het recht om over te stappen en regels inzake overstapgerelateerde vergoedingen”, bepaalt in de leden 2 en 3:

„2.   De lidstaten zorgen ervoor dat ten minste huishoudelijke afnemers en kleine ondernemingen geen overstapgerelateerde vergoedingen hoeven te betalen.

3.   In afwijking van lid 2 kunnen de lidstaten leveranciers of marktdeelnemers die aan aggregatie doen, toestaan opzegvergoedingen in rekening te brengen aan afnemers die vrijwillig een elektriciteitsleveringscontract met een vaste looptijd en een vaste prijs vóór het einde van de looptijd opzeggen, voor zover zulke vergoedingen deel uitmaken van een contract dat de afnemer vrijwillig is aangegaan en zulke vergoedingen duidelijk aan de afnemer worden meegedeeld voordat het contract wordt aangegaan. Dergelijke vergoedingen zijn evenredig en mogen bovendien niet meer bedragen dan het rechtstreekse economische verlies dat de leverancier of marktdeelnemer die aan aggregatie doet, lijdt als gevolg van de afnemer die zijn contract opzegt, met inbegrip van de kosten voor gebundelde investeringen of diensten die de afnemer reeds heeft ontvangen als onderdeel van het contract. De bewijslast voor het rechtstreekse economische verlies ligt bij de leverancier of marktdeelnemer die aan aggregatie doet en de toelaatbaarheid van opzegvergoedingen wordt gemonitord door de regulerende instantie of een andere bevoegde nationale instantie.”

Pools recht

15

De ustawa – Prawo energetyczne (energiewet) van 10 april 1997 (Dz. U. nr. 54, volgnr. 348), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: „energiewet”) bepaalt in artikel 4j, lid 3a:

„Een eindafnemer kan een voor bepaalde tijd gesloten contract waarbij een elektriciteitsbedrijf hem aardgas of energie levert, opzeggen door middel van een schriftelijke verklaring aan het elektriciteitsbedrijf, zonder dat daarvoor andere kosten of schadeloosstellingen in rekening worden gebracht dan uit de inhoud van het contract voortvloeien.”

16

Artikel 483, § 1, van de ustawa – Kodeks cywilny (wet tot vaststelling van het burgerlijk wetboek) van 23 april 1964 (Dz. U. nr. 16, volgnr. 93), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: „k.c.”), luidt:

„In een contract kan worden bedongen dat de schade die voortvloeit uit de niet-nakoming of de tekortkoming in de nakoming van een niet-geldelijke verbintenis, moet worden vergoed door betaling van een bepaalde geldsom (contractuele boete).”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

17

Op 18 maart 2017 hebben S. J. en de leverancier een elektriciteitsleveringscontract (hierna: „in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst”) gesloten, waaraan een bijlage 1 en algemene verkoopvoorwaarden waren gehecht, die een integrerend deel ervan uitmaakten.

18

In artikel 7, lid 2, van deze overeenkomst was bepaald dat zij voor bepaalde tijd was gesloten, tot en met 31 december 2021, en dat de levering van elektriciteit op 1 januari 2018 zou beginnen. Lid 6 van dat artikel bepaalde dat de afnemer, onder meer bij beëindiging van dat contract vóór de in lid 2 genoemde datum, in overeenstemming met de beginselen van punt VI, leden 1 tot en met 3, van de algemene verkoopvoorwaarden een contractuele boete zou moeten betalen. Volgens lid 1 kwam het bedrag van deze boete overeen met de niet-gebruikte opgewekte elektriciteit die de afnemer in dat contract als „geplande hoeveelheid energie” voor een bepaalde plaats van levering had opgegeven, tegen een eenheidsprijs van 60 Poolse zloty (PLN) (ongeveer 14 EUR) per megawattuur (MWh). De hoeveelheid niet-gebruikte energie werd berekend als de som van het geraamde gemiddelde energieverbruik voor elk van de maanden na de beëindiging van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst en tot het einde van de in artikel 7, lid 2, genoemde periode. Het geplande elektriciteitsverbruik op het verbruikspunt bedroeg 20 MWh per jaar en het in bijlage 1 bij deze overeenkomst gespecificeerde punt van verbruik van de elektriciteit was het landbouwbedrijf van S. J.

19

Bij brief van 5 mei 2017, die op 8 mei 2017 ter kennis van de leverancier is gebracht, heeft S. J. hem meegedeeld dat hij de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst herroept met gebruikmaking van het wettelijke herroepingsrecht voor consumentenovereenkomsten. Bovendien heeft hij verklaard dat een onder dwaling gesloten overeenkomst geen rechtsgevolgen heeft en heeft hij gesteld dat die overeenkomst ongeldig was.

20

Bij brief van 22 mei 2020 heeft de leverancier te kennen gegeven dat hij deze verklaringen als onwerkzaam beschouwde. Hij heeft een debetnota uitgereikt waarbij aan S. J. een termijn tot 7 juli 2020 werd toegekend om een contractuele boete van 4700,22 PLN (ongeveer 1128 EUR) te betalen, alsook een factuur van 5 maart 2018 voor een bedrag van 254,33 PLN (ongeveer 61 EUR) en een gerectificeerde factuur van 8 januari 2020 voor een bedrag van 314,90 PLN (ongeveer 75 EUR) voor de in de periode van 1 tot en met 10 januari 2018 geleverde energie.

21

Aangezien S. J. weigerde deze bedragen te betalen, heeft de leverancier zich tot de Sąd Rejonowy dla m. st. Warszawy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen) gewend met het verzoek om S. J. te veroordelen tot betaling ervan. Deze rechter heeft dat beroep verworpen. Ten eerste heeft hij geoordeeld dat S. J. niet de hoedanigheid van consument had en dat hij de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst dus niet rechtmatig had kunnen herroepen op grond van de regeling inzake consumentenbescherming. In dit verband heeft hij met name opgemerkt dat het landbouwbedrijf van S. J. in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst als verbruikspunt werd aangewezen en dat S. J. weliswaar had aangegeven dat de afgenomen energie ook voor huishoudelijk gebruik bestemd was, maar dat dit niet volstond om hem als consument aan te merken, aangezien in die overeenkomst was bedongen dat het een overeenkomst voor niet-consumenten betrof. Volgens de verwijzende rechter bewijst het gebruik van een aanbod aan afnemers die niet de hoedanigheid van consument hadden, op zich namelijk al dat S. J. de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst beroepsmatig had gesloten en dat die overeenkomst rechtstreeks verband hield met zijn beroepsactiviteit, te weten zijn landbouwbedrijf.

22

Ten tweede heeft die rechter artikel 4j, lid 3a, van de energiewet toegepast, maar niettemin geoordeeld dat de vordering tot betaling van de contractuele boete niet moest worden toegewezen, aangezien een dergelijke boete krachtens artikel 483, § 1, k.c. slechts kan worden opgelegd in geval van niet-nakoming of tekortkoming in de nakoming van een niet-geldelijke verplichting, terwijl het voorwerp van de prestatie van de koper bij de levering van energie hier een geldelijke prestatie is, namelijk de betaling van de prijs.

23

Bovendien zijn de verzoeken om betaling van de verbruikte energie afgewezen omdat de leverancier helemaal geen energie had geleverd.

24

De leverancier heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de Sąd Okręgowy w Warszawie (rechter in tweede aanleg Warschau, Polen), de verwijzende rechter. Hij voert met name schending aan van artikel 4j, lid 3a, van de energiewet en van artikel 483, § 1, k.c.

25

De verwijzende rechter zet uiteen dat volgens de verklaringen van S. J. vertegenwoordigers van een elektriciteitsbedrijf op 18 maart 2017 bij zijn landbouwbedrijf zijn langsgekomen en hem een aanbod voor de levering van elektriciteit hebben gedaan. Op hun advies heeft hij de hem voorgelegde blanco formulieren ondertekend. Eind april 2017 heeft hij een exemplaar van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst ontvangen, waarin, ten eerste, de gegevens en de bijlagen verschilden van die in het aanbod dat hem was gedaan en, ten tweede, arbitraire informatie over het geplande energieverbruik was ingevuld. Daarom heeft hij bij brief van 5 mei 2017 te kennen gegeven dat hij deze overeenkomst wilde herroepen.

26

In deze context vraagt de verwijzende rechter zich in de eerste plaats af of S. J. verkoper dan wel consument is en of zijn herroeping bijgevolg geldig was. In dit verband merkt hij met name op dat de Sąd Rejonowy dla m. st. Warszawy w Warszawie heeft vastgesteld dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst het „landbouwbedrijf” van S. J. als geadresseerde vermeldde en dat deze rechter uitsluitend op basis van artikel 2, lid 4, van die overeenkomst, dat bedingt dat die overeenkomst bestemd was voor personen die geen consument zijn, heeft geconcludeerd dat S. J. die hoedanigheid niet had. Hij merkt ook op dat een landbouwer naar Pools recht als een verkoper moet worden beschouwd, tenzij hij zijn landbouwbedrijf voor eigen behoeften exploiteert.

27

Volgens de rechtspraak van het Hof moet de hoedanigheid van consument of verkoper in de zin van richtlijn 93/13 weliswaar worden bepaald aan de hand van een functioneel criterium, namelijk of de betreffende contractuele verhouding deel uitmaakt van activiteiten die niets te maken hebben met de uitoefening van een beroep of een bedrijf, maar een dergelijk functioneel onderscheid is in casu niet mogelijk, aangezien onbetwistbaar vaststaat dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst betrekking had op de afname van energie zowel voor het landbouwbedrijf in kwestie als voor huishoudelijk gebruik door S. J. De verwijzende rechter merkt bovendien op dat in richtlijn 93/13 geen sprake is van overeenkomsten met een tweeledig doel (gemengde overeenkomsten), en dat overweging 17 van richtlijn 2011/83 weliswaar betrekking heeft op dit soort overeenkomsten, maar het Hof, met name in het arrest van 20 januari 2005, Gruber (C‑464/01, EU:C:2005:32), voor de vaststelling of de ondertekenaar van een dergelijke overeenkomst als consument kan worden beschouwd, andere criteria heeft gehanteerd dan in die overweging 17 zijn genoemd.

28

Gelet op een en ander vraagt de verwijzende rechter zich af hoe het begrip „consument” in de zin van artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13 moet worden uitgelegd wanneer de overeenkomst in kwestie deels een particulier en deels een beroepsmatig doel heeft.

29

Na te hebben vastgesteld dat richtlijn 2009/72 relevant is voor de beslechting van het bij hem aanhangige geding, gelet op de datum van sluiting van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst, merkt de verwijzende rechter in de tweede plaats op dat de mogelijkheid om vrij van energieleverancier te veranderen en de specifieke bescherming van de consument tot de in die richtlijn geformuleerde beginselen behoren, en dat de mogelijkheid om een overeenkomst te herroepen nauw samenhangt met het veranderen van leverancier. Dat afnemers een vergoeding kan worden opgelegd wanneer zij een voor bepaalde tijd gesloten energieleveringscontract opzeggen, is volgens de verwijzende rechter evenwel problematisch in het licht van de gegarandeerde vrijheid om van energieleverancier te kunnen veranderen.

30

Uit artikel 3, lid 7, van richtlijn 2009/72 en bijlage I daarbij volgt dat een afnemer die de hoedanigheid van consument heeft, niets hoeft te betalen in geval van verandering van leverancier of herroeping van de overeenkomst. Bovendien impliceert artikel 3, lid 7, dat moet worden gewaarborgd dat een consument gemakkelijk op een nieuwe leverancier kan overstappen, zonder dat hij wordt gediscrimineerd op het gebied van kosten en zonder dat de opgelegde financiële nadelen een middel tot willekeurige discriminatie van andere leveranciers vormen, zodat de afnemer niet daadwerkelijk van leverancier kan veranderen.

31

Artikel 4j, lid 3a, van de energiewet, dat voorziet in de mogelijkheid om de afnemer een vergoeding op te leggen in geval van voortijdige beëindiging van een overeenkomst voor bepaalde tijd, bevat echter geen vrijstelling voor consumenten. De vraag rijst dus of deze wet in strijd is met richtlijn 2009/72, meer in het bijzonder met het in punt 1, onder a) en e), van bijlage I bij deze richtlijn genoemde hoge niveau van consumentenbescherming, waarnaar wordt verwezen in overweging 51 van die richtlijn. In dit verband benadrukt de verwijzende rechter dat het Poolse recht het opleggen van contractuele boeten toestaat, maar niet voorziet in een criterium voor de berekening ervan, met name wat betreft de evenredigheid met de kosten, de gedragen risico’s of de geleden schade, hetgeen in strijd is met de vereisten van met name artikel 3, lid 7, van die richtlijn. In de praktijk zouden dergelijke boeten namelijk gelijk kunnen zijn aan de kosten die potentieel in rekening worden gebracht voor de overeengekomen levering van energie, hetgeen in feite in de weg staat aan de mogelijkheid om dergelijke contracten op te zeggen.

32

In deze omstandigheden heeft de Sąd Okręgowy w Warszawie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Omvat artikel 2, onder b) en c), van richtlijn [93/13] en de daarin vervatte definitie van consument, en overweging 17 van richtlijn [2011/83] ook een landbouwer die zowel voor zijn landbouwbedrijf als voor privédoeleinden een overeenkomst voor de afname van elektriciteit sluit?

2)

Moeten artikel 3, leden 5 en 7, en overweging 51 van richtlijn [2009/72] en bijlage I, punt 1, onder a) en e), daarbij, op grond waarvan aan consumenten in geval van opzegging van een overeenkomst voor de levering van elektriciteit geen kosten in rekening mogen worden gebracht, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de mogelijkheid om aan een afnemer van elektriciteit die consument is een contractuele boete op te leggen in geval van opzegging van een voor bepaalde tijd gesloten overeenkomst voor de levering van elektriciteit [(artikel 4j, lid 3a, van de energiewet)]?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

33

Om te beginnen zij opgemerkt dat de verwijzende rechter in de bewoordingen van zijn eerste vraag weliswaar niet alleen verwijst naar artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13, waar het begrip „consument” in de zin van deze richtlijn wordt gedefinieerd, maar ook naar artikel 2, onder c), van deze richtlijn, waar het begrip „verkoper” in de zin van die richtlijn wordt gedefinieerd, maar uit die bewoordingen en uit de motivering van het verzoek om een prejudiciële beslissing ook blijkt dat die rechter alleen een uitlegging van het begrip „consument” wenst te verkrijgen.

34

Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag in essentie wenst te vernemen of artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van overweging 17 van richtlijn 2011/83, aldus moet worden uitgelegd dat een landbouwer die een overeenkomst sluit voor de afname van elektriciteit die zowel voor zijn landbouwbedrijf als voor huishoudelijk gebruik bestemd is, onder het begrip „consument” in de zin van die bepaling valt.

35

Volgens artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13 wordt verstaan onder consument „iedere natuurlijke persoon die bij onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs‑ of beroepsactiviteit vallen”.

36

In dit verband heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat het begrip „consument” in de zin van dat artikel 2, onder b), een objectief begrip is dat losstaat van de concrete kennis waarover de betrokkene kan beschikken of van de informatie waarover deze persoon daadwerkelijk beschikt. De hoedanigheid van „consument” van die persoon moet dan ook worden bepaald aan de hand van een functioneel criterium, namelijk of de contractuele band deel uitmaakt van activiteiten die niets te maken hebben met de uitoefening van een beroep of een bedrijf [zie in die zin beschikking van 19 november 2015, Tarcău, C‑74/15, EU:C:2015:772, punt 27, en arrest van 8 juni 2023, YYY. (Begrip consument),C‑570/21, EU:C:2023:456, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

37

Met betrekking tot de vraag of, en zo ja in welke gevallen, een persoon die een gemengde overeenkomst heeft gesloten, te weten een overeenkomst inzake goederen of diensten die ten dele voor beroepsmatig gebruik en dus slechts ten dele niet voor beroepsmatig gebruik bestemd zijn, niettemin onder het begrip „consument” in de zin van dat artikel 2, onder b), kan vallen, heeft het Hof reeds opgemerkt dat dit op basis van de loutere bewoordingen van deze bepaling weliswaar niet kan worden bepaald, maar de context van die bepaling niet uitsluit dat een natuurlijke persoon die een dergelijke overeenkomst sluit, in bepaalde omstandigheden als „consument” in de zin van die bepaling kan worden gekwalificeerd [zie in die zin arrest van 8 juni 2023, YYY. (Begrip consument),C‑570/21, EU:C:2023:456, punten 3139].

38

In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat, teneinde de doelstellingen van de Uniewetgever op het gebied van consumentenovereenkomsten te verwezenlijken en de coherentie van het Unierecht te verzekeren, in het bijzonder rekening moet worden gehouden met het begrip „consument” in overweging 17 van richtlijn 2011/83, waarin de wil van de Uniewetgever wordt verduidelijkt met betrekking tot de definitie van het begrip „consument” in geval van gemengde overeenkomsten, en waaruit blijkt dat wanneer een overeenkomst wordt gesloten voor doeleinden die deels binnen en deels buiten de handelsactiviteit van de persoon liggen en het handelsoogmerk zo beperkt is dat het binnen de globale context van die overeenkomst niet overheerst, die persoon als consument dient te worden aangemerkt [zie in die zin arrest van 8 juni 2023, YYY. (Begrip consument),C‑570/21, EU:C:2023:456, punten 4045].

39

Het Hof heeft er bovendien aan herinnerd dat de dwingende aard van de bepalingen van richtlijn 93/13 en de bijzondere eisen van consumentenbescherming een ruime uitlegging van het begrip „consument” in de zin van artikel 2, onder b), van deze richtlijn vereisen, teneinde het nuttig effect van die bepaling te verzekeren [zie in die zin arrest van 8 juni 2023, YYY. (Begrip consument),C‑570/21, EU:C:2023:456, punt 46].

40

In dit verband heeft het Hof ook benadrukt dat aangezien artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13 ertoe strekt de consumenten te beschermen bij oneerlijke bedingen, de strikte uitlegging van het begrip „consument” die in het arrest van 20 januari 2005, Gruber (C‑464/01, EU:C:2005:32), is gehanteerd om na te gaan welke draagwijdte de afwijkende bevoegdheidsregels waarin de artikelen 13 tot en met 15 van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij de achtereenvolgende verdragen betreffende de toetreding van de nieuwe lidstaten tot dit verdrag, hebben voorzien in geval van een gemengde overeenkomst, niet naar analogie kan worden uitgebreid tot het begrip „consument” in de zin van artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13 [arrest van 8 juni 2023, YYY. (Begrip consument),C‑570/21, EU:C:2023:456, punt 51].

41

In het licht van deze gegevens heeft het Hof geoordeeld dat artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat een persoon die, samen met een andere kredietnemer die niet in het kader van zijn beroepsactiviteit heeft gehandeld, een kredietovereenkomst heeft gesloten voor een gebruik dat deels verband houdt met zijn beroepsactiviteit en deels niets daarmee vandoen heeft, onder het begrip „consument” in de zin van deze bepaling valt wanneer het handelsoogmerk zo beperkt is dat het binnen de globale context van de overeenkomst niet overheerst [zie in die zin arrest van 8 juni 2023, YYY. (Begrip consument),C‑570/21, EU:C:2023:456, punt 53].

42

Uit het voorgaande volgt dat, om te bepalen of een natuurlijke persoon die een onder richtlijn 93/13 vallende gemengde overeenkomst sluit, handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs‑ of beroepsactiviteit vallen, en dus onder het begrip „consument” in de zin van artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13 valt, moet worden onderzocht of het handelsoogmerk van deze overeenkomst zo beperkt is dat het binnen de globale context ervan niet overheerst.

43

Overeenkomstig vaste rechtspraak moet de nationale rechter bij wie een geding aanhangig is over een overeenkomst die binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 kan vallen, nagaan of de betrokkene als „consument” in de zin van deze richtlijn kan worden aangemerkt en daarbij rekening houden met alle bewijsstukken en in het bijzonder met de bewoordingen van die overeenkomst. Daartoe moet de nationale rechter alle omstandigheden van de zaak in aanmerking nemen, met name de aard van het goed of de dienst waarop de betrokken overeenkomst betrekking heeft, waaruit kan blijken met welk doel dat goed is gekocht of die dienst is ontvangen [arrest van 8 juni 2023, YYY. (Begrip consument),C‑570/21, EU:C:2023:456, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

44

Hetzelfde geldt, wanneer het gaat om een gemengde overeenkomst, voor de beoordeling van enerzijds de omvang van elk van de twee delen van een dergelijke overeenkomst in de globale context ervan en anderzijds het overheersende doel van deze overeenkomst. Wanneer het gaat om een gemengde overeenkomst staat het dus aan de nationale rechter om alle omstandigheden van de overeenkomst in kwestie te onderzoeken en op basis van de hem ter beschikking staande objectieve bewijzen te beoordelen in hoeverre het handelsoogmerk van die overeenkomst in de globale context ervan overheerst [zie naar analogie arrest van 8 juni 2023, YYY. (Begrip consument),C‑570/21, EU:C:2023:456, punten 56 en 58].

45

Hoewel de bewoordingen van de betrokken overeenkomst in aanmerking moeten worden genomen, kunnen zij op zich dus niet volstaan om te bepalen of de betrokken natuurlijke persoon, door een dergelijke gemengde overeenkomst te sluiten, heeft gehandeld voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs‑ of beroepsactiviteit vallen. Gelet op het voorwerp van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst, die betrekking heeft op de afname van elektriciteit, moet evenwel worden gepreciseerd dat een door de partijen hoog ingeschat jaarlijks elektriciteitsverbruik kan aantonen dat het handelsoogmerk overheersend is, terwijl een lage inschatting van het verbruik er waarschijnlijk op wijst dat het huishoudelijk gebruik overheerst.

46

Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13, gelezen in het licht van overweging 17 van richtlijn 2011/83, aldus moet worden uitgelegd dat een landbouwer die een overeenkomst sluit voor de afname van elektriciteit die zowel voor zijn landbouwbedrijf als voor huishoudelijk gebruik bestemd is, onder het begrip „consument” in de zin van die bepaling valt wanneer het handelsoogmerk van die overeenkomst zo beperkt is dat het binnen de globale context van die overeenkomst niet overheerst.

Tweede vraag

47

Vooraf dient allereerst te worden opgemerkt dat uit het verzoek om een prejudiciële beslissing niet blijkt in welk opzicht de uitlegging van artikel 3, lid 5, van richtlijn 2009/72, waarnaar in de bewoordingen van de tweede vraag wordt verwezen, relevant is voor de beslechting van het hoofdgeding. Volgens lid 5, onder a) en b), zorgen de lidstaten ervoor dat, ten eerste, wanneer een afnemer met inachtneming van de contractuele voorwaarden van leverancier wenst te veranderen, dit binnen een termijn van drie weken wordt geregeld door de betrokken beheerder(s), en dat, ten tweede, de afnemers gerechtigd zijn alle relevante gegevens omtrent het verbruik te ontvangen, waarbij deze rechten voor alle afnemers gelden, zonder discriminatie op het vlak van kosten, moeite of tijd.

48

Uit dit verzoek blijkt evenwel dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst is opgezegd vóór de datum van inwerkingtreding ervan en voordat ook maar enige elektriciteit in het kader van die overeenkomst is geleverd. In die omstandigheden, en bij gebreke van een toelichting van de verwijzende rechter dienaangaande, wijst niets erop in welk opzicht het hoofdgeding betrekking heeft op een geval van verandering van leverancier. Ook wijst niets erop dat dit geding betrekking heeft op de mededeling door de leverancier van verbruiksgegevens. Bovendien is het recht om gemakkelijk op een nieuwe leverancier over te stappen, dat krachtens artikel 2, punt 12, juncto artikel 33 van richtlijn 2009/72 sinds 1 juli 2007 aan alle afnemers in de zin van artikel 2, punt 7, van deze richtlijn toekomt en ten aanzien waarvan de verwijzende rechter de twijfels uit die zijn tweede vraag rechtvaardigen, specifiek geregeld in artikel 3, lid 7, van deze richtlijn, dat ook voorwerp van die vraag is.

49

Ook de gevraagde uitlegging van bijlage I, punt 1, onder e), bij richtlijn 2009/72, waarnaar in de bewoordingen van de tweede vraag eveneens wordt verwezen, lijkt niet noodzakelijk voor de beslechting van het hoofdgeding. Deze bepaling ziet namelijk op het geval van een verandering van elektriciteitsleverancier, terwijl, zoals in het vorige punt van onderhavig arrest is vastgesteld, uit het verzoek om een prejudiciële beslissing niet blijkt in welk opzicht dit geding een dergelijk geval betreft.

50

Vervolgens zij eraan herinnerd dat het door de verwijzende rechter in de bewoordingen van de tweede vraag gebruikte begrip „consument” niet wordt gedefinieerd in richtlijn 2009/72, maar dat het Hof reeds heeft vastgesteld dat dit begrip, bij gebreke van een andersluidende aanwijzing in een specifieke bepaling van deze richtlijn, in deze richtlijn een ruime betekenis heeft en zich in beginsel uitstrekt tot alle „eindafnemers” in de zin van artikel 2, punt 9, van die richtlijn, dat wil zeggen zowel „huishoudelijke afnemers” in de zin van dat artikel 2, punt 10, als „niet-huishoudelijke afnemers” in de zin van dat artikel 2, punt 11 [zie in die zin arrest van 11 januari 2024, G (Opzegvergoeding bij voortijdige opzegging),C‑371/22, EU:C:2024:21, punt 35].

51

Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt echter dat de omvang van de maatregel van bijlage I, punt 1, onder a), vijfde streepje, bij richtlijn 2009/72 centraal staat in de vragen van de verwijzende rechter. Zoals blijkt uit artikel 3, lid 7, laatste volzin, van deze richtlijn, betreft deze bijlage I meer in het bijzonder „huishoudelijke afnemers” in de zin van artikel 2, punt 10, van die richtlijn.

52

Ten slotte blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overeenkomst niet alleen voor een bepaalde duur is gesloten, maar ook tegen een vaste prijs voor de gehele duur van deze overeenkomst.

53

Gelet op een en ander moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn tweede vraag in essentie wenst te vernemen of artikel 3, lid 7, van richtlijn 2009/72 en bijlage I, punt 1, onder a), daarbij, gelezen in het licht van overweging 51 van deze richtlijn, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan aan een huishoudelijke afnemer een contractuele boete kan worden opgelegd wanneer hij een voor bepaalde tijd en tegen een vaste prijs gesloten elektriciteitsleveringscontract voortijdig opzegt.

54

Voor de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling moet niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt [arresten van 7 juni 2005, VEMW e.a., C‑17/03, EU:C:2005:362, punt 41, en 11 januari 2024, G (Opzegvergoeding bij voortijdige opzegging), C‑371/22, EU:C:2024:21, punt 32].

55

Wat in de eerste plaats de bewoordingen van de bepalingen betreft waarvan om uitlegging wordt verzocht, zij eraan herinnerd dat de lidstaten bij artikel 3, lid 7, van richtlijn 2009/72 de verplichting wordt opgelegd om passende maatregelen te nemen teneinde eindafnemers te beschermen, een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen, met name met betrekking tot de transparantie van de contractvoorwaarden, algemene informatie en mechanismen voor geschillenbeslechting, en ervoor te zorgen dat de in aanmerking komende afnemer daadwerkelijk de mogelijkheid heeft gemakkelijk op een nieuwe leverancier over te stappen. In die bepaling wordt daaraan toegevoegd dat deze maatregelen, wat ten minste de huishoudelijke afnemers betreft, de in bijlage I bij die richtlijn beschreven maatregelen moeten omvatten.

56

Zoals blijkt uit bijlage I, punt 1, onder a), vijfde streepje, behoren hiertoe maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de afnemers recht hebben op een met hun elektriciteitsleverancier gesloten contract waaruit onder meer duidelijk blijkt „of het toegestaan is het contract kosteloos op te zeggen”.

57

Uit een vergelijking van de verschillende taalversies van richtlijn 2009/72 blijkt echter dat deze bepaling alleen in de Franse taalversie lijkt te stellen dat de lidstaten, ten minste wat huishoudelijke afnemers betreft, maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat het contract dat afnemers met hun elektriciteitsleverancier sluiten, voorziet in hun recht om dat contract kosteloos op te zeggen. In alle andere taalversies van deze richtlijn vermeldt deze bepaling namelijk in wezen enkel dat de lidstaten, ten minste wat huishoudelijke afnemers betreft, maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat de afnemers recht hebben op een contract met hun elektriciteitsleverancier waarin wordt aangegeven of het toegestaan is dit contract kosteloos op te zeggen.

58

Volgens vaste rechtspraak kan de in een van de taalversies van een Unierechtelijke bepaling gebruikte formulering niet als enige grondslag voor de uitlegging van die bepaling dienen of daartoe voorrang hebben boven de andere taalversies. De noodzaak van een eenvormige toepassing en dientengevolge eenvormige uitlegging van een handeling van de Europese Unie sluit namelijk uit dat voor deze handeling slechts één taalversie in beschouwing wordt genomen, maar vereist veeleer dat bij de uitlegging ervan wordt gelet op de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt (arrest van 30 juni 2022, Allianz Elementar Versicherung, C‑652/20, EU:C:2022:514, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

59

Voorts zij eraan herinnerd dat de laatste alinea van bijlage I, punt 1, onder a), bij richtlijn 2009/72 bepaalt dat de contractuele voorwaarden eerlijk en vooraf bekend zijn, en dat de in die bepaling genoemde informatie in ieder geval voorafgaand aan de ondertekening of bevestiging van het contract moet worden verstrekt.

60

Uit een en ander volgt dat uit de bewoordingen van artikel 3, lid 7, van richtlijn 2009/72 en bijlage I, punt 1, onder a), daarbij blijkt dat de lidstaten, ten minste wat huishoudelijke afnemers betreft, de nodige maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat deze afnemers, indien zij dat wensen, daadwerkelijk de mogelijkheid hebben gemakkelijk op een nieuwe leverancier over te stappen. Bovendien moeten zij de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de contractuele bedingen eerlijk zijn, in duidelijke bewoordingen zijn opgesteld en vooraf bekend zijn, zodat de afnemer de draagwijdte ervan vóór de ondertekening van het contract kan begrijpen en er vrijwillig en met kennis van zaken mee kan instemmen, waardoor zij voldoen aan de volgens die bewoordingen vereiste voorwaarde van transparantie, en er een mechanisme bestaat voor de beslechting van mogelijke geschillen tussen deze afnemers en hun elektriciteitsleverancier.

61

Aan de hand van de bewoordingen van deze bepalingen kan daarentegen niet worden vastgesteld of daarbij de mogelijkheid voor de lidstaten is uitgesloten om in hun nationale regeling te bepalen dat aan een huishoudelijke afnemer een contractuele boete kan worden opgelegd wanneer hij een voor bepaalde tijd en tegen een vaste prijs gesloten elektriciteitsleveringscontract voortijdig opzegt.

62

Dienaangaande zij in het bijzonder opgemerkt dat het feit dat een nationale regeling toestaat dat in een dergelijk contract wordt bedongen dat een contractuele boete verschuldigd is wanneer de afnemer dit contract voortijdig opzegt, er niet noodzakelijk aan in de weg staat dat de afnemer daadwerkelijk de mogelijkheid heeft gemakkelijk op een nieuwe leverancier over te stappen, zoals is bepaald in artikel 3, lid 7, van richtlijn 2009/72, mits die regeling de instrumenten bevat waarmee de naleving van de in punt 60 van het onderhavige arrest genoemde voorwaarden kan worden gewaarborgd en waarmee met name het bedrag van een dergelijke boete kan worden gecontroleerd [zie naar analogie arrest van 11 januari 2024, G (Opzegvergoeding bij voortijdige opzegging),C‑371/22, EU:C:2024:21, punt 37]. Het is namelijk eerder de hoogte van een dergelijke boete dan het bestaan ervan op zich die een dergelijke overstap in de weg kan staan.

63

Wat in de tweede plaats de context van artikel 3, lid 7, van richtlijn 2009/72 en bijlage I, punt 1, onder a), daarbij betreft, moet om te beginnen worden opgemerkt dat artikel 3, lid 5, van deze richtlijn preciseert dat bij verandering van leverancier de contractvoorwaarden moeten worden geëerbiedigd. In dezelfde zin legt artikel 37, lid 1, onder l), van die richtlijn de regulerende instanties de taak op om de contractuele vrijheid met betrekking tot afschakelbare leveringscontracten en langetermijncontracten te respecteren, mits deze verenigbaar zijn met het Unierecht en aansluiten bij het Uniebeleid.

64

Vervolgens is het juist dat de lidstaten krachtens bijlage I, punt 1, onder e), bij richtlijn 2009/72, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 7, van deze richtlijn, maatregelen moeten nemen, ten minste wat huishoudelijke afnemers betreft, om ervoor te zorgen dat aan deze afnemers „geen kosten in rekening worden gebracht wanneer zij van leverancier veranderen”. Daaruit kan echter niet worden afgeleid dat richtlijn 2009/72 zich er in beginsel tegen verzet dat een contractuele boete wordt opgelegd in geval van voortijdige opzegging, door een huishoudelijke afnemer, van een voor een bepaalde duur en tegen een vaste prijs gesloten elektriciteitsleveringscontract.

65

De opvatting dat bijlage I, punt 1, onder e), bij richtlijn 2009/72 impliceert dat aan een huishoudelijke afnemer nooit een contractuele boete kan worden opgelegd, zelfs niet wanneer hij een voor bepaalde tijd en tegen een vaste prijs gesloten elektriciteitsleveringscontract voortijdig opzegt, zou namelijk in de meeste taalversies ervan indruisen tegen de bewoordingen van bijlage I, punt 1, onder a), vijfde streepje, van richtlijn 2009/72 en zou, afhankelijk van de gekozen taalversie, die bepaling elk nuttig effect ontnemen of richtlijn 2009/72 tegenstrijdig maken.

66

Wanneer een bepaling van het Unierecht voor verschillende uitleggingen vatbaar is, moet de voorkeur worden gegeven aan de uitlegging die het nuttig effect van de bepaling verzekert (arresten van 24 februari 2000, Commissie/Frankrijk, C‑434/97, EU:C:2000:98, punt 21, en 23 november 2023, EVN Business Service e.a., C‑480/22, EU:C:2023:918, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bovendien moet volgens een algemeen uitleggingsbeginsel een bepaling voor zover mogelijk aldus worden uitgelegd dat de geldigheid ervan niet wordt aangetast (arresten van 4 oktober 2001, Italië/Commissie, C‑403/99, EU:C:2001:507, punt 37, en 21 september 2023, Stappert Deutschland, C‑210/22, EU:C:2023:693, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

67

Derhalve moet worden geoordeeld dat de eventuele overstapgerelateerde vergoeding bedoeld in bijlage I, punt 1, onder e), bij richtlijn 2009/72 zich onderscheidt van de in punt a) van deze bepaling bedoelde kosten in verband met de opzegging van een overeenkomst, en dat bijlage I, punt 1, onder e), in beginsel niet uitsluit dat de lidstaten in hun nationale regeling kunnen bepalen dat aan een huishoudelijke afnemer een contractuele boete kan worden opgelegd wanneer hij een voor een bepaalde duur en tegen een vaste prijs gesloten elektriciteitsleveringscontract voortijdig opzegt.

68

Zoals ondubbelzinnig blijkt uit artikel 12, leden 2 en 3, van richtlijn 2019/944, heeft de Uniewetgever zich ook uitdrukkelijk in die zin uitgesproken bij de vaststelling van richtlijn 2019/944, die overeenkomstig overweging 1 ervan een herschikking van richtlijn 2009/72 vormt en deze richtlijn sinds 1 januari 2021 vervangt.

69

Ten slotte wordt in overweging 51 van richtlijn 2009/72 slechts vermeld, ten eerste, dat de consumentenbelangen in deze richtlijn centraal zouden moeten staan en dat de kwaliteit van de dienstverlening een kerntaak van elektriciteitsbedrijven moet zijn, ten tweede, dat de bestaande rechten van consumenten moeten worden versterkt en gewaarborgd, en dat zij meer transparantie dienen te omvatten, ten derde, dat de consumentenbescherming zou moeten waarborgen dat alle consumenten profiteren van een concurrerende markt, en ten vierde, dat de consumentrechten dienen te worden gehandhaafd door de lidstaten, of, indien een lidstaat hierin voorziet, door de regulerende instanties. Deze overweging bevat dus geen enkele aanwijzing dat de lidstaten in beginsel de mogelijkheid wordt ontnomen om in hun nationale regeling te bepalen dat aan een huishoudelijke afnemer een contractuele boete kan worden opgelegd wanneer hij een voor bepaalde tijd en tegen een vaste prijs gesloten elektriciteitsleveringscontract voortijdig opzegt.

70

Daarentegen staat in overweging 52 van deze richtlijn te lezen dat de consumenten moeten kunnen beschikken over duidelijke en begrijpelijke informatie over hun rechten ten aanzien van de energiesector, en wordt in overweging 54 van deze richtlijn gepreciseerd dat de middelen van geschillenbeslechting waarin artikel 3, lid 7, van die richtlijn voorziet, alle consumenten ten goede moeten komen.

71

Derhalve moet worden vastgesteld dat uit de context van artikel 3, lid 7, van richtlijn 2009/72 en bijlage I, punt 1, onder a), daarbij niet blijkt dat deze bepalingen zich in beginsel verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan aan een huishoudelijke afnemer een contractuele boete kan worden opgelegd wanneer hij een voor bepaalde tijd en tegen een vaste prijs gesloten elektriciteitsleveringscontract voortijdig opzegt. Uit deze context volgt daarentegen in wezen dat een dergelijke nationale regeling, zoals reeds blijkt uit de bewoordingen van de uit te leggen bepalingen, moet waarborgen dat met name huishoudelijke afnemers het recht hebben om hun leverancier te kiezen en om duidelijk en begrijpelijk in kennis te worden gesteld van hun rechten en dat zij hun rechten kunnen doen gelden in het kader van een geschillenbeslechtingsmechanisme [zie naar analogie arrest van 11 januari 2024, G (Opzegvergoeding bij voortijdige opzegging),C‑371/22, EU:C:2024:21, punt 44].

72

Wat in de derde plaats de met richtlijn 2009/72 nagestreefde doelstellingen betreft, heeft het Hof reeds opgemerkt dat artikel 1 ervan bepaalt dat deze richtlijn ertoe strekt om met het oog op het verbeteren en integreren van concurrerende elektriciteitsmarkten in de Unie gemeenschappelijke regels vast te stellen voor de productie, de transmissie, de distributie en de levering van elektriciteit, alsmede regels voor de bescherming van de consument. In dit verband blijkt uit de overwegingen 3, 7 en 8 van richtlijn 2009/72 dat deze er in wezen toe strekt om een volledig opengestelde en concurrerende interne markt voor elektriciteit tot stand te brengen waarop alle consumenten vrijelijk hun leveranciers kunnen kiezen en deze leveranciers vrijelijk aan hun afnemers kunnen leveren, om de mededinging op die markt te bevorderen teneinde de levering van elektriciteit tegen de meest concurrerende prijs te waarborgen, en om gelijke mededingingsvoorwaarden op die markt tot stand te brengen met het oog op de voltooiing van de interne markt voor elektriciteit [arrest van 11 januari 2024, G (Opzegvergoeding bij voortijdige opzegging),C‑371/22, EU:C:2024:21, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

73

In dit verband zij eraan herinnerd dat het Hof ook reeds heeft geoordeeld dat elektriciteitsleveringscontracten met een vaste looptijd en een vaste prijs de bescherming van de afnemers kunnen waarborgen door hun een lage en stabiele elektriciteitsprijs te garanderen, omdat de consumenten de zekerheid wordt geboden dat de door hen te dragen kosten gedurende de gehele looptijd van het contract niet zullen variëren. Mogelijkerwijs heeft de betrokken elektriciteitsleverancier evenwel specifieke uitgaven moeten doen om de verplichtingen na te komen die krachtens dergelijke contracten op hem rusten en die voor hem extra kosten hebben meegebracht ten opzichte van een contract voor onbepaalde tijd en zonder vaste prijs, met name om zich te beschermen tegen de volatiliteit van de kosten op de groothandelsmarkt. De mogelijkheid om toe te staan dat de afnemer een contractuele boete wordt opgelegd wanneer hij een dergelijk contract met een vaste looptijd en een vaste prijs voortijdig opzegt, stelt de leverancier dus in staat stel om de bijzondere kosten te compenseren die voor hem uit dat soort contracten voortvloeien. Hierbij wordt tegelijkertijd voorkomen dat hij het aan een dergelijk contract verbonden financiële risico moet afwentelen op al zijn afnemers, wat voor hen zou kunnen leiden tot een verhoging van de elektriciteitsprijzen, hetgeen uiteindelijk in strijd zou zijn met de doelstelling om de consumenten de laagst mogelijke prijzen te garanderen [arrest van 11 januari 2024, G (Opzegvergoeding bij voortijdige opzegging),C‑371/22, EU:C:2024:21, punt 47].

74

Het Hof heeft daaraan toegevoegd dat er echter ook rekening moet worden gehouden met de algemene doelstelling van richtlijn 2009/72 om de interne markt voor elektriciteit te voltooien alsook met de specifiekere doelstellingen, die worden genoemd in de overwegingen 51 en 57 van deze richtlijn, om consumenten te laten profiteren van een concurrerende en geliberaliseerde markt. Zo heeft het vastgesteld dat de verwezenlijking van deze doelstellingen in gevaar zou worden gebracht indien een nationale regeling toestaat dat contractuele boeten worden opgelegd die niet in verhouding staan tot de kosten van het contract, maar niet volledig worden gecompenseerd wegens de voortijdige opzegging van het contract. Dergelijke boeten kunnen de betrokken afnemers immers kunstmatig ontmoedigen hun elektriciteitsleveringscontract met een vaste looptijd en een vaste prijs voortijdig op te zeggen, met name om van leverancier te veranderen, en hen aldus beletten ten volle te profiteren van een concurrerende en geliberaliseerde interne markt voor elektriciteit [zie in die zin arrest van 11 januari 2024, G (Opzegvergoeding bij voortijdige opzegging),C‑371/22, EU:C:2024:21, punt 48].

75

Deze overwegingen, die het Hof heeft geformuleerd in het kader van een zaak betreffende de voortijdige opzegging van een door een niet-huishoudelijke afnemer voor bepaalde tijd en tegen een vaste prijs gesloten elektriciteitsleveringscontract, kunnen worden toegepast op een soortgelijk contract met een huishoudelijke afnemer, aangezien richtlijn 2009/72, wat de in de punten 72 tot en met 74 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte doelstellingen betreft, geen enkel onderscheid maakt naargelang van de hoedanigheid van de betrokken consument.

76

Zo blijkt uit de doelstellingen van richtlijn 2009/72 dat de lidstaten in beginsel in hun nationale regeling moeten kunnen bepalen dat aan een huishoudelijke afnemer een contractuele boete kan worden opgelegd wanneer hij een voor bepaalde tijd en tegen een vaste prijs gesloten elektriciteitsleveringscontract voortijdig opzegt, mits is voldaan aan de uit deze richtlijn voortvloeiende algemene voorwaarden, die met name betrekking hebben op de noodzakelijke informatie voor die afnemer en het bestaan van een geschillenbeslechtingsmechanisme.

77

Aangezien de tweede vraag volgens de aanwijzingen van de verwijzende rechter betrekking heeft op een nationale regeling op grond waarvan contractuele boeten kunnen worden opgelegd, maar die niet voorziet in criteria voor de berekening ervan, met name wat de evenredigheid met de kosten, de gelopen risico’s of de geleden schade betreft, moet nog worden gepreciseerd dat richtlijn 2009/72 dienaangaande weliswaar geen enkele aanwijzing bevat, maar dat de lidstaten volgens vaste rechtspraak hun bevoegdheden moeten uitoefenen met eerbiediging van het Unierecht en zij daarbij dus geen afbreuk mogen doen aan het nuttig effect van richtlijn 2009/72 [arrest van 11 januari 2024, G (Opzegvergoeding bij voortijdige opzegging),C‑371/22, EU:C:2024:21, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

78

Aan het nuttig effect van richtlijn 2009/72 zou evenwel afbreuk worden gedaan indien de aangezochte administratieve of rechterlijke instantie in het kader van het geschillenbeslechtingsmechanisme waarin de lidstaten krachtens richtlijn 2009/72 ten behoeve van elektriciteitsverbruikers moeten voorzien, het bedrag van een contractuele boete als in het hoofdgeding aan de orde niet kan beoordelen en in voorkomend geval de matiging of zelfs de kwijtschelding ervan niet kan opleggen indien zou blijken dat die geldboete – gelet op alle omstandigheden van het concrete geval – onevenredig is aan de kosten die zijn ontstaan op grond van een contract als in het hoofdgeding aan de orde is, maar die niet volledig zijn gecompenseerd wegens de voortijdige opzegging van dit contract, zodat die geldboete in de praktijk tot gevolg heeft dat het recht van de eindafnemer om vrijelijk zijn leverancier te kunnen kiezen wordt uitgehold en dat afbreuk wordt gedaan aan de in de punten 72 en 74 van dit arrest in herinnering gebrachte doelstellingen van die richtlijn [zie naar analogie arrest van 11 januari 2024, G (Opzegvergoeding bij voortijdige opzegging),C‑371/22, EU:C:2024:21, punt 51].

79

Hoewel de beoordeling of het bedrag van een dergelijke contractuele boete evenredig is, behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de nationale instantie waarbij een eventueel geding aanhangig is gemaakt, moet – om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven – worden overwogen dat bij die beoordeling met name rekening kan worden gehouden met de aanvankelijke looptijd van het contract in kwestie, met de resterende looptijd op het tijdstip van de opzegging van dat contract, met de hoeveelheid elektriciteit die ter uitvoering van dat contract is gekocht maar die uiteindelijk niet door de afnemer zal worden verbruikt, en met de middelen waarvan een redelijk zorgvuldige leverancier zou hebben gebruikgemaakt om de eventuele economische verliezen te beperken die hij ten gevolge van die voortijdige opzegging zou hebben geleden [zie naar analogie arrest van 11 januari 2024, G (Opzegvergoeding bij voortijdige opzegging),C‑371/22, EU:C:2024:21, punt 52].

80

Uit het voorgaande volgt dat artikel 3, lid 7, van richtlijn 2009/72 en bijlage I, lid 1, onder a), daarbij, gelezen in het licht van overweging 51 van deze richtlijn, zich niet verzetten tegen een nationale regeling als in het hoofdgeding aan de orde, mits een dergelijke regeling voorschrijft dat de contractuele boete die op grond van die regeling kan worden bedongen, eerlijk, duidelijk en vooraf bekend is en dat er vrijwillig mee wordt ingestemd, en mits er een mogelijkheid bestaat om administratief beroep of beroep in rechte in te stellen, in het kader waarvan de aangezochte autoriteit de evenredigheid van deze boete in het licht van alle concrete omstandigheden kan beoordelen en in voorkomend geval kan gelasten dat de boete wordt gematigd of kwijtgescholden [zie naar analogie arrest van 11 januari 2024, G (Opzegvergoeding bij voortijdige opzegging),C‑371/22, EU:C:2024:21, punt 55].

81

Om de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven, moet ook duidelijk worden gemaakt dat het, gelet op deze uitlegging, niet van belang is of S. J. in het kader van het hoofdgeding wordt aangemerkt als „huishoudelijke afnemer” in de zin van artikel 2, punt 10, van richtlijn 2009/72, dan wel als „niet-huishoudelijke” afnemer in de zin van artikel 2, punt 11, van deze richtlijn, aangezien in geval van voortijdige opzegging door een niet-huishoudelijke afnemer van een elektriciteitsleveringscontract dat is gesloten voor een bepaalde duur en tegen een vaste prijs een soortgelijke uitlegging geldt [zie in die zin arrest van 11 januari 2024, G (Opzegvergoeding bij voortijdige opzegging),C‑371/22, EU:C:2024:21, punt 55].

82

Overigens doet deze uitlegging, overeenkomstig bijlage I, punt 1, bij richtlijn 2009/72, voorts geen afbreuk aan de rechten die een afnemer als S. J. in voorkomend geval kan ontlenen aan de Unieregelgeving inzake consumentenbescherming, met name aan richtlijn 93/13, indien deze afnemer voor het overige onder het begrip „consument” in de zin van artikel 2, onder b), van laatstgenoemde richtlijn valt.

83

Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 3, lid 7, van richtlijn 2009/72 en bijlage I, lid 1, onder a), daarbij, gelezen in het licht van overweging 51 van deze richtlijn, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan een huishoudelijke afnemer bij voortijdige opzegging door hem van een voor bepaalde tijd en tegen een vaste prijs gesloten elektriciteitsleveringscontract, de in het contract bedongen contractuele boete moet betalen, mits deze regeling ten eerste garandeert dat een dergelijke contractuele boete eerlijk, duidelijk en vooraf bekend is en dat er vrijwillig mee wordt ingestemd, en ten tweede voorziet in de mogelijkheid om administratief beroep of beroep in rechte in te stellen, in het kader waarvan de aangezochte autoriteit de evenredigheid van deze boete in het licht van alle concrete omstandigheden van het geval kan beoordelen en in voorkomend geval kan gelasten dat de boete wordt gematigd of kwijtgescholden. Deze uitlegging doet geen afbreuk aan de rechten die een dergelijke afnemer in voorkomend geval kan ontlenen aan de Unieregelgeving inzake consumentenbescherming, met name aan richtlijn 93/13, indien deze afnemer bovendien onder het begrip „consument” in de zin van artikel 2, onder b), van die richtlijn valt.

Kosten

84

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

 

1)

Artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, gelezen in het licht van overweging 17 van richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 85/577/EEG en van richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad,

moet aldus worden uitgelegd dat

een landbouwer die een overeenkomst sluit voor de afname van elektriciteit die zowel voor zijn landbouwbedrijf als voor huishoudelijk gebruik bestemd is, onder het begrip „consument” in de zin van die bepaling valt wanneer het handelsoogmerk van die overeenkomst zo beperkt is dat het binnen de globale context van die overeenkomst niet overheerst.

 

2)

Artikel 3, lid 7, van en bijlage I, punt 1, onder a), bij richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van richtlijn 2003/54/EG, gelezen in het licht van overweging 51 van richtlijn 2009/72,

moeten aldus worden uitgelegd dat

zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan een huishoudelijke afnemer bij voortijdige opzegging door hem van een voor bepaalde tijd en tegen een vaste prijs gesloten elektriciteitsleveringscontract, de in het contract bedongen contractuele boete moet betalen, mits deze regeling ten eerste garandeert dat een dergelijke contractuele boete eerlijk, duidelijk en vooraf bekend is en dat er vrijwillig mee wordt ingestemd, en ten tweede voorziet in de mogelijkheid om administratief beroep of beroep in rechte in te stellen, in het kader waarvan de aangezochte autoriteit de evenredigheid van deze boete in het licht van alle concrete omstandigheden van het geval kan beoordelen en in voorkomend geval kan gelasten dat de boete wordt gematigd of kwijtgescholden. Deze uitlegging doet geen afbreuk aan de rechten die een dergelijke afnemer in voorkomend geval kan ontlenen aan de Unieregelgeving inzake consumentenbescherming, met name aan richtlijn 93/13, indien deze afnemer bovendien onder het begrip „consument” in de zin van artikel 2, onder b), van die richtlijn valt.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Pools.

( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.