ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
24 oktober 2024 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Intellectuele en industriële eigendom – Auteursrecht – Richtlijn 2001/29/EG – Artikelen 2 tot en met 4 – Uitsluitende rechten – Auteursrechtelijke bescherming van voorwerpen van toegepaste kunst waarvan het land van oorsprong geen lidstaat is – Berner Conventie – Artikel 2, lid 7 – Materiële-reciprociteitstoets – Bevoegdheidsverdeling tussen de Europese Unie en haar lidstaten – Toepassing door de lidstaten van de materiële-reciprociteitstoets – Artikel 351, eerste alinea, VWEU”
In zaak C‑227/23,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 31 maart 2023, ingekomen bij het Hof op 11 april 2023, in de procedure
Kwantum Nederland BV,
Kwantum België BV
tegen
Vitra Collections AG,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: T. von Danwitz, vicepresident van het Hof, waarnemend president van de Eerste kamer, A. Arabadjiev en I. Ziemele (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: M. Szpunar,
griffier: C. Di Bella, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 20 maart 2024,
gelet op de opmerkingen van:
|
– |
Kwantum Nederland BV en Kwantum België BV, vertegenwoordigd door C. Garnitsch, R. Rijks en M. van Gerwen, advocaten, |
|
– |
Vitra Collections AG, vertegenwoordigd door S. A. Klos en A. Ringnalda, advocaten, en M. A. Ritscher, Rechtsanwalt, |
|
– |
de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door E. M. M. Besselink en M. K. Bulterman als gemachtigden, |
|
– |
de Belgische regering, vertegenwoordigd door P. Cottin en A. Van Baelen als gemachtigden, bijgestaan door A. Strowel, advocaat, |
|
– |
de Franse regering, vertegenwoordigd door R. Bénard en E. Timmermans als gemachtigden, |
|
– |
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Afonso, O. Glinicka, P.‑J. Loewenthal en J. Samnadda als gemachtigden, |
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 september 2024,
het navolgende
Arrest
|
1 |
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 2 tot en met 4 van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB 2001, L 167, blz. 10), van artikel 17, lid 2, en artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), gelezen in het licht van artikel 2, lid 7, van de te Bern op 9 september 1886 ondertekende Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst (Akte van Parijs van 24 juli 1971), in de versie die voortvloeit uit de wijziging van 28 september 1979 (hierna: „Berner Conventie”), en van artikel 351, eerste alinea, VWEU. |
|
2 |
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding dat speelt tussen enerzijds Vitra Collections AG (hierna: „Vitra”), een vennootschap naar Zwitsers recht, en anderzijds Kwantum Nederland BV en Kwantum België BV (hierna gezamenlijk: „Kwantum”), in Nederland en België actieve exploitanten van een winkelketen in woonartikelen, waaronder meubilair, en dat voortvloeit uit het feit dat laatstgenoemden een stoel op de markt hebben gebracht die volgens Vitra inbreuk maakt op auteursrechten waarvan zij houder is. |
Toepasselijke bepalingen
Internationaal recht
Berner Conventie
|
3 |
Artikel 2, lid 7, van de Berner Conventie bepaalt: „Het is onverminderd de bepalingen van artikel 7, vierde lid, van de Conventie aan de wetgeving van de landen van de [bij deze Conventie opgerichte] Unie voorbehouden om het toepassingsgebied te bepalen van hun wetten betreffende werken van toegepaste kunst en tekeningen en modellen van nijverheid alsmede betreffende de voorwaarden voor de bescherming van deze werken, tekeningen en modellen. Voor werken die in het land van oorsprong alleen als tekeningen en modellen zijn beschermd, kan in een ander land van de [bij deze Conventie opgerichte] Unie slechts de bijzondere bescherming worden ingeroepen welke in dat land aan tekeningen en modellen wordt verleend; indien echter in dat land geen zodanige bijzondere bescherming wordt toegekend, worden deze werken beschermd als werken van kunst.” |
|
4 |
Artikel 5, lid 1, van deze Conventie luidt: „De auteurs genieten voor de werken waarvoor zij krachtens deze Conventie zijn beschermd, in de landen van de [bij deze Conventie opgerichte] Unie die niet het land van oorsprong van het werk zijn, de rechten welke de onderscheidene wetten thans of in de toekomst aan eigen onderdanen verlenen of zullen verlenen, alsmede de rechten door deze Conventie in het bijzonder verleend.” |
|
5 |
Artikel 7, lid 8, van die Conventie is als volgt verwoord: „In alle gevallen wordt de duur geregeld door de wet van het land waar de bescherming wordt ingeroepen; tenzij de wetgeving van dat land anders beschikt overschrijdt hij evenwel niet de in het land van oorsprong van het werk vastgestelde duur.” |
|
6 |
Artikel 14 ter, lid 2, van die Conventie bepaalt: „De in het voorgaande lid voorziene bescherming kan in ieder land van de [bij deze Conventie opgerichte] Unie slechts worden ingeroepen, indien de nationale wetgeving van de auteur deze bescherming erkent, en in de mate waarin de wetgeving van het land waar deze bescherming wordt ingeroepen, het toelaat.” |
|
7 |
Artikel 19 van de Berner Conventie bepaalt: „De bepalingen van deze Conventie beletten niet dat een beroep wordt gedaan op een grotere mate van bescherming die door de wetgeving van een der landen van de [bij deze Conventie opgerichte] Unie mocht zijn voorgeschreven.” |
TRIPs-overeenkomst
|
8 |
De Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (hierna: „TRIPs-overeenkomst”) is opgenomen als bijlage 1 C bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), die is ondertekend te Marrakesh op 15 april 1994 en is goedgekeurd bij besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde (1986‑1994) voortvloeiende overeenkomsten (PB 1994, L 336, blz. 1). Artikel 3 van de TRIPs-overeenkomst draagt het opschrift „Nationale behandeling” en luidt als volgt: „1. Elk lid kent aan onderdanen van andere leden een behandeling toe die niet minder gunstig is dan die welke het toekent aan zijn eigen onderdanen met betrekking tot de bescherming van de intellectuele eigendom, onder voorbehoud van de uitzonderingen die reeds bepaald zijn in onderscheidenlijk het Verdrag van Parijs (1967), de Berner Conventie (1971), het Verdrag van Rome en het Verdrag inzake de intellectuele eigendom met betrekking tot geïntegreerde schakelingen. Wat betreft uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties geldt deze verplichting slechts met betrekking tot de in deze Overeenkomst bepaalde rechten. Een lid dat gebruikmaakt van de mogelijkheden bepaald in artikel 6 van de Berner Conventie (1971) of artikel 16, eerste lid, onder b), van het Verdrag van Rome dient een kennisgeving als voorzien in die bepalingen te richten aan de Raad voor de handelsaspecten van de intellectuele eigendom. 2. Leden kunnen slechts gebruikmaken van de ingevolge het eerste lid toegestane uitzonderingen in verband met rechterlijke en administratieve procedures, met inbegrip van de keuze van domicilie of de aanwijzing van een vertegenwoordiger binnen het rechtsgebied van een lid, wanneer zulke uitzonderingen noodzakelijk zijn om de naleving te verzekeren van wetten en voorschriften die niet strijdig zijn met de bepalingen van deze Overeenkomst en wanneer deze gedragingen niet plaatsvinden op een wijze die een verhulde beperking van het handelsverkeer vormt.” |
|
9 |
Artikel 9 van de TRIPs-Overeenkomst heeft als opschrift „Verhouding tot de Berner Conventie” en bepaalt in lid 1: „De leden leven de artikelen 1 tot en met 21 van en het aanhangsel bij de Berner Conventie (1971) na. De leden hebben evenwel geen rechten of verplichtingen krachtens deze Overeenkomst ten aanzien van de rechten verleend krachtens artikel 6 bis van de Conventie of van de daaraan ontleende rechten.” |
WCT
|
10 |
Het Verdrag van de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom (WIPO) inzake het auteursrecht (hierna: „WCT”), dat is aangenomen te Genève op 20 december 1996, is namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2000/278/EG van de Raad van 16 maart 2000 (PB 2000, L 89, blz. 6). |
|
11 |
Artikel 1 van het WCT, met als opschrift „Verhouding tot de Berner Conventie”, bepaalt in lid 4 het volgende: „De verdragsluitende partijen dienen te voldoen aan de artikelen 1 tot en met 21 en het aanhangsel van de Berner Conventie.” |
Unierecht
Richtlijn 2001/29
|
12 |
De overwegingen 6, 9 en 15 van richtlijn 2001/29 luiden als volgt:
[...]
[...]
|
|
13 |
Artikel 1 van richtlijn 2001/29 heeft als opschrift „Werkingssfeer” en bepaalt in lid 1: „Deze richtlijn heeft betrekking op de rechtsbescherming van het auteursrecht en de naburige rechten in het kader van de interne markt, met bijzondere klemtoon op de informatiemaatschappij.” |
|
14 |
In artikel 2 van deze richtlijn, met als opschrift „Reproductierecht”, staat te lezen: „De lidstaten voorzien ten behoeve van:
[...] in het uitsluitende recht, de directe of indirecte, tijdelijke of duurzame, volledige of gedeeltelijke reproductie van dit materiaal, met welke middelen en in welke vorm ook, toe te staan of te verbieden.” |
|
15 |
Artikel 3 van die richtlijn draagt het opschrift „Recht van mededeling van werken aan het publiek en recht van beschikbaarstelling van ander materiaal voor het publiek” en bepaalt in lid 1: „De lidstaten voorzien ten behoeve van auteurs in het uitsluitende recht, de mededeling van hun werken aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken voor het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn, toe te staan of te verbieden.” |
|
16 |
Artikel 4 van die richtlijn, met als opschrift „Distributierecht”, bepaalt in lid 1: „De lidstaten voorzien ten behoeve van auteurs in het uitsluitende recht, elke vorm van distributie onder het publiek van het origineel van hun werken of kopieën daarvan, door verkoop of anderszins, toe te staan of te verbieden.” |
|
17 |
Artikel 5 van richtlijn 2001/29 somt de gevallen op waarin de lidstaten beperkingen en restricties kunnen stellen op de in de artikelen 2 tot en met 4 van die richtlijn genoemde uitsluitende rechten. |
|
18 |
Artikel 10 van die richtlijn, met als opschrift „Toepassing in de tijd”, bepaalt in lid 1: „De bepalingen van deze richtlijn zijn van toepassing op alle in deze richtlijn bedoelde werken en ander materiaal, welke op 22 december 2002 door de wetgeving van de lidstaten inzake het auteursrecht en de naburige rechten worden beschermd of aan de criteria voor bescherming krachtens deze richtlijn of de in artikel 1, lid 2, bedoelde bepalingen voldoen.” |
Richtlijn 2001/84
|
19 |
Artikel 7 van richtlijn 2001/84/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2001 betreffende het volgrecht ten behoeve van de auteur van een oorspronkelijk kunstwerk (PB 2001, L 272, blz. 32) heeft als opschrift „Rechthebbenden uit derde landen” en bepaalt in lid 1: „De lidstaten bepalen dat auteurs die onderdaan zijn van een derde land en – behoudens artikel 8, lid 2 – hun rechtsopvolgers, alleen dan op het volgrecht overeenkomstig deze richtlijn en de wetgeving van de betrokken lidstaat aanspraak kunnen maken, wanneer de wetgeving van het land waarvan de auteur of zijn rechtsopvolger onderdaan is, de bescherming van het volgrecht erkent ten behoeve van auteurs uit de lidstaten en hun rechtsopvolgers.” |
Richtlijn 2006/116
|
20 |
Artikel 7 van richtlijn 2006/116/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten (PB 2006, L 372, blz. 12) draagt het opschrift „Bescherming ten opzichte van derde landen” en bepaalt in lid 1: „Voor werken waarvan het land van oorsprong in de zin van de Berner Conventie een derde land is en de auteur van het werk geen onderdaan van een lidstaat van de Gemeenschap is, vervalt de door de lidstaten verleende bescherming op de dag waarop de bescherming in het land van oorsprong van het werk vervalt, zonder dat de in artikel 1 gestelde termijn mag worden overschreden.” |
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
|
21 |
Vitra vervaardigt designmeubelen, waaronder ook stoelen die ontworpen zijn door het inmiddels overleden echtpaar Charles en Ray Eames, die onderdanen van de Verenigde Staten van Amerika waren. Deze onderneming heeft intellectuele-eigendomsrechten op die stoelen. |
|
22 |
Een van de door Vitra vervaardigde stoelen is de Dining Sidechair Wood (hierna: „DSW”), die dat echtpaar heeft ontworpen voor een door het Museum of Modern Art in New York (Verenigde Staten) in 1948 uitgeschreven meubelontwerpwedstrijd en die sinds 1950 in dit museum wordt tentoongesteld. |
|
23 |
Kwantum exploiteert in Nederland en België een winkelketen in woonartikelen, waaronder met name binnenmeubilair. |
|
24 |
In 2014 heeft Vitra geconstateerd dat Kwantum onder de naam „Paris-stoel” een stoel verhandelde die volgens haar inbreuk maakte op haar auteursrechten op de DSW. |
|
25 |
De rechtbank Den Haag (Nederland), die door Vitra was aangezocht, heeft geoordeeld dat Kwantum in Nederland en België geen inbreuk maakte op de auteursrechten van Vitra en niet onrechtmatig handelde door de Paris-stoel op de markt te brengen. Zij heeft de vorderingen van Vitra daarom afgewezen en de vorderingen van Kwantum grotendeels toegewezen. |
|
26 |
Deze uitspraak is vernietigd door het gerechtshof Den Haag (Nederland), dat heeft geoordeeld dat Kwantum, door de Paris-stoel op de markt te brengen, in Nederland en België inbreuk maakte op de auteursrechten van Vitra op de DSW. |
|
27 |
In cassatie is de Hoge Raad der Nederlanden, de verwijzende rechter, van oordeel dat het geding ziet op de toepasselijkheid en de reikwijdte van artikel 2, lid 7, tweede volzin, van de Berner Conventie, dat voor werken die in het land van oorsprong alleen als tekeningen en modellen zijn beschermd met name bepaalt dat in een ander land van de bij deze Conventie opgerichte Unie slechts de bijzondere bescherming kan worden ingeroepen die in dat land aan tekeningen en modellen wordt verleend en aldus een materiële-reciprociteitstoets hanteert. |
|
28 |
Dienaangaande merkt de verwijzende rechter ten eerste op dat de Europese Unie weliswaar geen partij is bij de Berner Conventie, maar dat zij zich in internationale verdragen ertoe heeft verbonden zich te voegen naar de artikelen 1 tot en met 21 van die Conventie. Bovendien ontbreekt er voor de materiële-reciprociteitstoets van artikel 2, lid 7, tweede volzin, van de Berner Conventie regulering op Unieniveau, aldus die rechter, zodat aan de orde is of de lidstaten zelf mogen bepalen of zij die toets al dan niet buiten toepassing laten ten aanzien van een werk waarvan het land van oorsprong een derde land is en waarvan de auteur een onderdaan van een derde land is. |
|
29 |
Ten tweede wijst de verwijzende rechter erop dat het auteursrecht op een werk van toegepaste kunst een integrerend bestanddeel vormt van het door artikel 17, lid 2, van het Handvest verankerde recht op de bescherming van intellectuele eigendom. Volgens hem roept het arrest van 8 september 2020, Recorded Artists Actors Performers (C‑265/19, EU:C:2020:677), waarin het Hof een bepaling heeft uitgelegd van het Verdrag van de WIPO inzake uitvoeringen en fonogrammen, waarbij de Unie partij is, de vraag op of het Unierecht, in het bijzonder artikel 52, lid 1, van het Handvest, ook voor de beperking van de uitoefening van het auteursrecht op een werk van toegepaste kunst door de materiële-reciprociteitstoets van artikel 2, lid 7, tweede volzin, van de Berner Conventie, vereist dat deze beperking bij wet – te weten in een duidelijke en nauwkeurige regel – wordt gesteld. In dat verband kan uit dat arrest worden afgeleid, aldus de verwijzende rechter, dat het uitsluitend aan de Uniewetgever is – en niet aan de nationale wetgevers – om te bepalen of het auteursrecht op een werk van toegepaste kunst in de Unie door toepassing van artikel 2, lid 7, van de Berner Conventie kan worden beperkt ten aanzien van een werk van toegepaste kunst dat afkomstig is uit een derde land en waarvan de auteur geen onderdaan van een lidstaat van de Unie is en, zo ja, om deze beperking op duidelijke en nauwkeurige wijze vast te leggen. Aangegeven wordt dat de Uniewetgever, bij de huidige stand van het Unierecht, niet heeft voorzien in een dergelijke beperking. |
|
30 |
Ten derde merkt de verwijzende rechter op dat Kwantum voor hem naar voren heeft gebracht dat de materiële-reciprociteitstoets van artikel 2, lid 7, tweede volzin, van de Berner Conventie onder de reikwijdte van artikel 351, eerste alinea, VWEU valt. Volgens die rechter moet worden vastgesteld in hoeverre die bepaling gevolgen kan hebben voor de toepassing van artikel 2, lid 7, tweede volzin, van die Conventie waar het gaat om de vorderingen die betrekking hebben op het Koninkrijk België. |
|
31 |
In die omstandigheden heeft de Hoge Raad der Nederlanden de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
Voor zover de hiervoor vermelde vraag bevestigend moet worden beantwoord, worden bovendien de hiernavolgende vragen voorgelegd.
|
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Ontvankelijkheid
|
32 |
In de eerste plaats voert Kwantum aan dat de verwijzende rechter niet heeft uiteengezet waarom „de situatie die in dit geding aan de orde is” – een uitdrukking die hij in zijn eerste vraag gebruikt zonder deze te omschrijven – binnen de materiële werkingssfeer van het Unierecht valt en dat het verzoek om een prejudiciële beslissing niet noodzakelijk is om die rechter in staat te stellen in het hoofdgeding uitspraak te doen, zodat de door hem gestelde vragen hypothetisch zijn. |
|
33 |
Volgens vaste rechtspraak van het Hof is de in artikel 267 VWEU geregelde procedure een instrument voor de samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, waarmee het Hof de nationale rechterlijke instanties de elementen betreffende de uitlegging van het Unierecht verschaft die zij nodig hebben voor de beslechting van het bij hen aanhangige geding (arrest van 27 april 2023, Castorama Polska en Knor, C‑628/21, EU:C:2023:342, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
34 |
In dit verband moet eraan worden herinnerd dat het in het kader van die procedure uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, te beoordelen. Wanneer de vragen betrekking hebben op de uitlegging van Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden. Op vragen die het Unierecht betreffen, rust bijgevolg een vermoeden van relevantie. Het Hof kan een verzoek van een nationale rechter dan ook enkel afwijzen wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 27 april 2023, Castorama Polska en Knor, C‑628/21, EU:C:2023:342, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
35 |
Het is tevens vaste rechtspraak dat de nationale rechter wegens het vereiste om tot een voor hem nuttige uitlegging van het Unierecht te komen, een omschrijving dient te geven van het feitelijke en juridische kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of althans de feiten waarop die vragen zijn gebaseerd moet uiteenzetten. Voorts moet de verwijzingsbeslissing de precieze redenen vermelden waarom de nationale rechter twijfelt over de uitlegging van het Unierecht en het noodzakelijk acht om een prejudiciële vraag aan het Hof voor te leggen (arrest van 27 april 2023, Castorama Polska en Knor, C‑628/21, EU:C:2023:342, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
36 |
In casu blijkt uit de overwegingen in de punten 28 tot en met 30 van het onderhavige arrest dat de verwijzende rechter de juridische en feitelijke context van het hoofdgeding duidelijk heeft uiteengezet. Zo is de eerste prejudiciële vraag er specifiek op gericht om te vernemen of dat geding binnen de materiële werkingssfeer van het Unierecht valt. Bovendien blijkt uit die punten ook dat die rechter rechtens genoegzaam heeft aangegeven waarom hij vragen heeft bij de uitlegging van een aantal bepalingen die hij noodzakelijk acht om zijn beslissing te kunnen nemen, zodat niet kan worden aangenomen dat de gevraagde uitlegging geen verband houdt met het voorwerp van het hoofdgeding of dat het opgeworpen vraagstuk van hypothetische aard is. Het in punt 34 van het onderhavige arrest genoemde vermoeden van relevantie kan derhalve niet ter discussie worden gesteld. |
|
37 |
In de tweede plaats voeren Kwantum en de Nederlandse regering in hun schriftelijke opmerkingen aan dat de kwesties die de verwijzende rechter in het hoofdgeding moet beslechten, uitsluitend betrekking hebben op artikel 2, lid 7, en artikel 5, lid 1, van de Berner Conventie, zodat het Hof geen enkele bepaling van Unierecht hoeft uit te leggen. |
|
38 |
Dat argument, dat in wezen betrekking heeft op de vraag of het stellen van de prejudiciële vragen noodzakelijk is voor de beslechting van het hoofdgeding, kan niet slagen. Zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing, wenst de verwijzende rechter immers van het Hof te vernemen of het Unierecht – in het bijzonder richtlijn 2001/29, gelezen in samenhang met de relevante bepalingen van het Handvest, en artikel 351 VWEU – zich ertegen verzet dat de nationale rechter artikel 2, lid 7, van de Berner Conventie toepast in het hoofdgeding. |
|
39 |
Deze kwestie ziet op de inhoud van de gestelde vragen. |
|
40 |
Bovendien is de Unie, zoals de verwijzende rechter terecht heeft opgemerkt, weliswaar geen partij bij de Berner Conventie, maar moet zij zich toch aan de artikelen 1 tot en met 21 van die Conventie houden krachtens, ten eerste, artikel 1, lid 4, van het WCT, waarbij zij wel partij is (arresten van 13 november 2018, Levola Hengelo, C‑310/17, EU:C:2018:899, punt 38, en 12 september 2019, Cofemel, C‑683/17, EU:C:2019:721, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en ten tweede, artikel 9 van de TRIP’s-overeenkomst, met als gevolg dat die Conventie indirecte gevolgen heeft binnen de Unie (zie in die zin arresten van 15 maart 2012, SCF, C‑135/10, EU:C:2012:140, punt 50, en 18 november 2020, Atresmedia Corporación de Medios de Comunicación, C‑147/19, EU:C:2020:935, punt 36) en dat het Hof zich genoodzaakt kan zien de bepalingen ervan uit te leggen (zie in die zin arresten van 16 juli 2009, Infopaq International, C‑5/08, EU:C:2009:465, punt 34; 16 maart 2017, AKM, C‑138/16, EU:C:2017:218, punten 21 en 44, en 12 september 2019, Cofemel, C‑683/17, EU:C:2019:721, punt 42). |
|
41 |
De prejudiciële vragen zijn derhalve ontvankelijk. |
Ten gronde
Eerste vraag
|
42 |
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de situatie die in het hoofdgeding aan de orde is, binnen de materiële werkingssfeer van het Unierecht valt. |
|
43 |
In casu staat vast dat het hoofdgeding ziet op een door Vitra bij de Nederlandse rechterlijke instanties ingestelde vordering waarmee die onderneming in Nederland en België auteursrechtelijke bescherming claimt voor de door onderdanen van de Verenigde Staten van Amerika ontworpen en uit dat derde land afkomstige DSW, waarvan Kwantum – beweerdelijk – nagebootste exemplaren op de markt heeft gebracht. |
|
44 |
In dit verband zij eraan herinnerd dat richtlijn 2001/29, zoals blijkt uit artikel 1, lid 1, van die richtlijn, betrekking heeft op de rechtsbescherming van het auteursrecht en de naburige rechten in het kader van de interne markt. |
|
45 |
Zoals de advocaat-generaal in de punten 31 en 33 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, wordt de werkingssfeer van richtlijn 2001/29 niet bepaald aan de hand van het criterium van het land van oorsprong van het werk of de nationaliteit van de auteur, maar onder verwijzing naar de interne markt, die overeenkomt met de in artikel 52 VEU neergelegde territoriale werkingssfeer van de Verdragen. Onder voorbehoud van artikel 355 VWEU bestaat die werkingssfeer uit het grondgebied van de lidstaten (zie in die zin arrest van 8 september 2020, Recorded Artists Actors Performers, C‑265/19, EU:C:2020:677, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
46 |
Voorts zijn overeenkomstig artikel 10, lid 1, van richtlijn 2001/29 de bepalingen van die richtlijn, die bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij harmoniseert, van toepassing op alle in die richtlijn bedoelde werken en ander materiaal, welke op de voor de omzetting vastgestelde datum aan de criteria voor bescherming krachtens die richtlijn voldoen. Bijgevolg kan richtlijn 2001/29 van toepassing zijn op het hoofdgeding. |
|
47 |
In het bijzonder heeft het Hof reeds geoordeeld dat artikel 2, onder a), en artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 een ondubbelzinnige definitie bevatten van het uitsluitende reproductierecht en het uitsluitende recht van mededeling aan het publiek waarover de houders van het auteursrecht in de Unie beschikken, en dat deze bepalingen een geharmoniseerd rechtskader bieden ter waarborging van een hoog en homogeen niveau van bescherming van het reproductierecht en het recht van mededeling aan het publiek, en maatregelen zijn die een volledige harmonisatie van de materiële inhoud van de aldaar bedoelde rechten bewerkstelligen (zie in die zin arrest van 29 juli 2019, Funke Medien NRW, C‑469/17, EU:C:2019:623, punten 35‑38). Wat voorts artikel 4, lid 1, van richtlijn 2001/29 betreft, blijkt uit de bewoordingen ervan dat die bepaling het daarin bedoelde uitsluitende recht van distributie onder het publiek ook op ondubbelzinnige wijze omschrijft, waarbij die maatregel net als de bovengenoemde bepalingen een volledige harmonisatie van de materiële inhoud van het daarin bedoelde recht bewerkstelligt. |
|
48 |
Hieraan moet wat de vraag betreft of die bepalingen van toepassing zijn op een voorwerp van toegepaste kunst zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde DSW, worden toegevoegd dat het Hof heeft geoordeeld dat een dergelijk voorwerp als „werk” in de zin van richtlijn 2001/29 kan worden aangemerkt indien aan twee cumulatieve voorwaarden is voldaan. Ten eerste dient het betrokken voorwerp oorspronkelijk te zijn, in die zin dat het een eigen intellectuele schepping van de maker ervan is. Ten tweede kunnen alleen de bestanddelen die de uitdrukking van een dergelijke intellectuele schepping zijn, als een „werk” in de zin van richtlijn 2001/29 worden aangemerkt (arrest van 13 november 2018, Levola Hengelo, C‑310/17, EU:C:2018:899, punten 35‑37 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
49 |
Wanneer een voorwerp van toegepaste kunst de in het vorige punt van het onderhavige arrest beschreven kenmerken heeft en derhalve een werk is, moet het in die hoedanigheid auteursrechtelijke bescherming genieten overeenkomstig die richtlijn (zie in die zin arrest van 12 september 2019, Cofemel, C‑683/17, EU:C:2019:721, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
50 |
Derhalve moet worden geoordeeld dat de bepalingen van richtlijn 2001/29 van toepassing zijn op voorwaarde dat aan de materiële voorwaarden van die richtlijn is voldaan en in het bijzonder dat een voorwerp van toegepaste kunst als dat in het hoofdgeding kan worden aangemerkt als een „werk” in de zin van die richtlijn. |
|
51 |
Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat een situatie waarin een onderneming auteursrechtelijke bescherming claimt voor een in een lidstaat op de markt gebracht voorwerp van toegepaste kunst, binnen de materiële werkingssfeer van het Unierecht valt, mits dat voorwerp kan worden aangemerkt als een „werk” in de zin van richtlijn 2001/29. |
Tweede tot en met vierde vraag
|
52 |
Volgens vaste rechtspraak is het, in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan hij het bij hem aanhangige geschil kan oplossen. Daartoe dient het Hof in voorkomend geval de voorgelegde vragen te herformuleren. Het staat in dit verband aan het Hof om uit alle door de nationale rechter verschafte gegevens, met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de elementen van het Unierecht te putten die, gelet op het voorwerp van het geschil, uitlegging behoeven [arrest van 30 april 2024, M.N. (EncroChat), C‑670/22, EU:C:2024:372, punt 78 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. |
|
53 |
Zoals de advocaat-generaal in punt 22 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, blijkt uit de aan het Hof ter beschikking staande stukken dat de litigieuze gedraging in het hoofdgeding bestaat in het op de markt brengen door Kwantum van voorwerpen, namelijk exemplaren van een stoel, met inbreukmaking op het gestelde auteursrecht van Vitra. Relevant zijn dan ook artikel 2, onder a), en artikel 4, lid 1, van richtlijn 2001/29, waarin aan de auteur van een werk respectievelijk het uitsluitende reproductierecht en het uitsluitende distributierecht voor dit werk worden toegekend. Daarentegen blijkt niet uit die stukken dat die gedraging een mededeling aan het publiek van een werk in de zin van artikel 3, lid 1, van die richtlijn kan vormen. |
|
54 |
In die omstandigheden moet worden aangenomen dat de verwijzende rechter met zijn tweede tot en met vierde vraag, die samen moeten worden onderzocht, in essentie wenst te vernemen of artikel 2, onder a), en artikel 4, lid 1, van richtlijn 2001/29, gelezen in samenhang met artikel 17, lid 2, en artikel 52, lid 1, van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat de lidstaten de in artikel 2, lid 7, tweede volzin, van de Berner Conventie neergelegde materiële-reciprociteitstoets toepassen op een werk van toegepaste kunst waarvan het land van oorsprong een derde land is en waarvan de auteur een onderdaan van een derde land is. |
|
55 |
Voor de beantwoording van die vragen moet eerst worden nagegaan of de bovengenoemde bepalingen van toepassing zijn op een werk van toegepaste kunst waarvan het land van oorsprong een derde land is of waarvan de auteur onderdaan van een derde land is, en vervolgens of die bepalingen in de weg staan aan de toepassing in het nationale recht van de in artikel 2, lid 7, tweede volzin, van de Berner Conventie neergelegde materiële-reciprociteitstoets. |
|
56 |
Om te beginnen zij in herinnering gebracht dat de termen van een Unierechtelijke bepaling die voor de vaststelling van haar betekenis en draagwijdte niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, normaliter in de gehele Unie op autonome en eenvormige wijze moeten worden uitgelegd, waarbij rekening moet worden gehouden met de bewoordingen en de context van die bepaling en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arrest van 8 september 2020, Recorded Artists Actors Performers, C‑265/19, EU:C:2020:677, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
57 |
Wat in de eerste plaats de bewoordingen van artikel 2, onder a), en artikel 4, lid 1, van richtlijn 2001/29 betreft, moet worden opgemerkt dat de lidstaten volgens die bepalingen ten behoeve van auteurs voorzien in het uitsluitende recht om de directe of indirecte, tijdelijke of duurzame, volledige of gedeeltelijke reproductie van hun werken, met welke middelen en in welke vorm ook, toe te staan of te verbieden en het uitsluitende recht om elke vorm van distributie onder het publiek van het origineel van hun werken of kopieën daarvan, door verkoop of anderszins, toe te staan of te verbieden. |
|
58 |
Dienaangaande moet worden vastgesteld dat in die bepalingen niet uitdrukkelijk wordt aangegeven of het daarin bedoelde begrip „werk” ook betrekking heeft op een werk van toegepaste kunst dat afkomstig is uit een derde land, noch of het begrip „auteur” in de zin van die bepalingen zich uitstrekt tot de auteur van een dergelijk werk die onderdaan is van een derde land. |
|
59 |
Zoals in de punten 48 en 49 van het onderhavige arrest is opgemerkt, heeft het Hof evenwel reeds geoordeeld dat wanneer een voorwerp kan worden aangemerkt als een „werk” in de zin van richtlijn 2001/29, het in die hoedanigheid auteursrechtelijke bescherming moet genieten overeenkomstig die richtlijn, waaraan moet worden toegevoegd dat de richtlijn geen voorwaarden stelt wat het land van oorsprong van het betrokken werk of de nationaliteit van de auteur betreft. |
|
60 |
Wat in de tweede plaats de context van die bepalingen betreft, moet ten eerste, gelet op hetgeen blijkt uit de punten 44 en 45 van het onderhavige arrest, worden vastgesteld dat de Uniewetgever bij de bepaling van de werkingssfeer van richtlijn 2001/29 aan de hand van een territoriaal criterium noodzakelijkerwijs is uitgegaan van alle werken waarvan op het grondgebied van de Unie om bescherming wordt verzocht, ongeacht het land van oorsprong van deze werken of de nationaliteit van hun auteur. |
|
61 |
Ten tweede moet worden opgemerkt dat bepaalde instrumenten van de geharmoniseerde wetgeving inzake het auteursrecht voorzien in een specifieke regeling voor werken waarvan het land van oorsprong in de zin van de Berner Conventie een derde land is en waarvan de auteur geen onderdaan van een lidstaat is. Zo bepaalt richtlijn 2006/116, in het bijzonder artikel 7, lid 1, van deze richtlijn, dat de auteursrechtelijke bescherming die door de lidstaten aan dergelijke werken wordt verleend, vervalt op de dag waarop de bescherming in het land van oorsprong van het werk vervalt, zonder dat de in die richtlijn vastgestelde termijn mag worden overschreden. Zoals Vitra betoogt, zou een dergelijke regeling, die specifiek betrekking heeft op de bescherming van de rechten van auteurs van wie en van werken waarvan het land van oorsprong een derde land is, geen nut hebben indien de bescherming van de betrokken werken niet werd gewaarborgd door richtlijn 2001/29. |
|
62 |
In de derde plaats is de in punt 60 van het onderhavige arrest gegeven uitlegging in overeenstemming met de doelstellingen van richtlijn 2001/29. |
|
63 |
Ten eerste heeft deze richtlijn, zoals in overweging 6 staat te lezen, met name tot doel te voorkomen dat er aanzienlijke verschillen in bescherming ontstaan en daarmee ook beperkingen van het vrije verkeer van diensten en producten waarin intellectuele eigendom is belichaamd of die op intellectuele eigendom zijn gebaseerd, hetgeen zou leiden tot een nieuwe verbrokkeling van de interne markt en een gebrek aan samenhang van de wetgeving van dien, waarbij volgens overweging 9 van die richtlijn bij een harmonisatie van het auteursrecht steeds van een hoog beschermingsniveau moet worden uitgegaan. Aan dat doel zou afbreuk worden gedaan indien richtlijn 2001/29 in de Unie enkel de auteursrechtelijke bescherming zou regelen van werken die afkomstig zijn uit een lidstaat of waarvan de auteur onderdaan is van een lidstaat. |
|
64 |
Ten tweede wordt met richtlijn 2001/29 volgens overweging 15 ook beoogd om uitvoering te geven aan bepaalde internationale verplichtingen die voortvloeien uit het WCT. In dit verband moet de Unie zich overeenkomstig artikel 9, lid 1, van de TRIPs-overeenkomst en artikel 1, lid 4, van het WCT houden aan de artikelen 1 tot en met 21 van de Berner Conventie, zoals is aangegeven in punt 40 van het onderhavige arrest, en voorts ook aan het aanhangsel bij die Conventie. Uit artikel 5, lid 1, van de Berner conventie blijkt dat de auteurs voor de werken waarvoor zij krachtens deze Conventie zijn beschermd, in de landen van de bij de Conventie opgerichte Unie die niet het land van oorsprong van het werk zijn, de rechten genieten welke de onderscheidene wetten thans of in de toekomst aan eigen onderdanen verlenen of zullen verlenen. |
|
65 |
Zoals de advocaat-generaal in punt 30 van zijn conclusie heeft opgemerkt, zou het dus in strijd zijn met de internationale verplichtingen van de Unie waaraan richtlijn 2001/29 uitvoering geeft op het gebied van intellectuele eigendom, dat deze richtlijn het auteursrecht harmoniseert voor werken waarvan het land van oorsprong een lidstaat is of waarvan de auteur onderdaan is van een lidstaat, terwijl het aan het nationale recht van de lidstaten wordt overgelaten om te bepalen welke juridische regeling van toepassing is op werken waarvan het land van oorsprong een derde land is of waarvan de auteur onderdaan is van een derde land. |
|
66 |
Derhalve moet worden vastgesteld dat artikel 2, onder a), en artikel 4, lid 1, van richtlijn 2001/29 van toepassing zijn op werken van toegepaste kunst die afkomstig zijn uit derde landen of waarvan de auteurs onderdaan zijn van dergelijke landen. |
|
67 |
Wat de vraag betreft of deze bepalingen eraan in de weg staan dat de lidstaten in het nationale recht de in artikel 2, lid 7, tweede volzin, van de Berner Conventie neergelegde materiële-reciprociteitstoets toepassen op een werk van toegepaste kunst waarvan het land van oorsprong een derde land is of waarvan de auteur onderdaan is van een derde land, is in punt 57 van het onderhavige arrest in herinnering gebracht dat de lidstaten volgens artikel 2, onder a), en artikel 4, lid 1, van richtlijn 2001/29 ten behoeve van auteurs voorzien in de uitsluitende rechten om de reproductie van hun werken en de distributie daarvan onder het publiek toe te staan of te verbieden. Bovendien zijn die bepalingen, zoals blijkt uit het vorige punt van het onderhavige arrest, ook van toepassing op werken van toegepaste kunst die afkomstig zijn uit derde landen of waarvan de auteurs onderdaan zijn van dergelijke landen. |
|
68 |
Het toepassen door een lidstaat van die materiële-reciprociteitstoets zou niet alleen in strijd zijn met de bewoordingen van die bepalingen, zoals de advocaat-generaal in punt 53 van zijn conclusie heeft benadrukt, maar zou ook de doelstelling van die richtlijn, namelijk de harmonisatie van het auteursrecht in de interne markt, ondermijnen. Wordt die toets toegepast, dan zouden werken van toegepaste kunst uit derde landen immers in verschillende lidstaten mogelijkerwijs verschillend worden behandeld op grond van verdragsrechtelijke bepalingen die bilateraal van toepassing zijn tussen een lidstaat en een derde land. |
|
69 |
Voorts is het in elk geval zo dat, aangezien de in punt 66 van het onderhavige arrest bedoelde intellectuele-eigendomsrechten worden beschermd op grond van artikel 17, lid 2, van het Handvest, beperkingen op de uitoefening van deze rechten overeenkomstig artikel 52, lid 1, van het Handvest bij wet moeten worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden moeten eerbiedigen. |
|
70 |
In casu moet worden geoordeeld dat de toepassing door een lidstaat van de in artikel 2, lid 7, tweede volzin, van de Berner Conventie neergelegde materiële-reciprociteitstoets een dergelijke beperking kan vormen, aangezien die toepassing de eventuele houder van die rechten het genot en de uitoefening ervan kan ontnemen op een deel van de interne markt, namelijk op het grondgebied van de lidstaat die deze toets toepast. |
|
71 |
Zoals blijkt uit artikel 52, lid 1, van het Handvest, moet een dergelijke beperking bij wet worden gesteld. |
|
72 |
In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat wanneer een regel van Unierecht de bescherming van het auteursrecht harmoniseert, het uitsluitend aan de Uniewetgever en niet aan de nationale wetgevers staat om te bepalen of de toekenning van dat recht in de Unie moet worden beperkt voor werken waarvan het land van oorsprong een derde land is of waarvan de auteur een onderdaan van een derde land is (zie in die zin arrest van 8 september 2020, Recorded Artists Actors Performers, C‑265/19, EU:C:2020:677, punt 88). |
|
73 |
Met de vaststelling van richtlijn 2001/29 wordt de Uniewetgever immers geacht de bevoegdheden te hebben uitgeoefend die op het betrokken gebied voordien toevielen aan de lidstaten. Binnen de werkingssfeer van die richtlijn moet de Unie dus worden geacht zich in de plaats te hebben gesteld van de lidstaten, die niet meer bevoegd zijn om de relevante bepalingen van de Berner Conventie ten uitvoer te leggen (arrest van 26 april 2012, DR en TV2 Danmark, C‑510/10, EU:C:2012:244, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
74 |
In casu bevat, zoals de advocaat-generaal in punt 40 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, noch artikel 2, onder a), noch artikel 4, lid 1, noch enige andere bepaling van richtlijn 2001/29 bij de huidige stand van het Unierecht een beperking als die welke in punt 70 van het onderhavige arrest is vermeld. |
|
75 |
Voorts is het juist dat richtlijn 2001/29 daadwerkelijk ten doel heeft slechts bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten te harmoniseren, aangezien uit verschillende bepalingen naar voren komt dat de Uniewetgever de lidstaten bij de tenuitvoerlegging ervan een discretionaire ruimte heeft willen toekennen (arresten van 29 juli 2019, Funke Medien NRW, C‑469/17, EU:C:2019:623, punt 34, en 29 juli 2019, Spiegel Online, C‑516/17, EU:C:2019:625, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
76 |
Het Hof heeft echter ook geoordeeld dat de in artikel 5 van richtlijn 2001/29 opgenomen opsomming van beperkingen en restricties op de in de artikelen 2 tot en met 4 van die richtlijn genoemde uitsluitende rechten uitputtend is, omdat anders afbreuk wordt gedaan aan de effectiviteit van de door de richtlijn tot stand gebrachte harmonisatie van het auteursrecht en de naburige rechten, aan de nagestreefde rechtszekerheid en aan de eis om deze beperkingen en restricties coherent toe te passen (zie in die zin arrest van 29 juli 2019, Funke Medien NRW, C‑469/17, EU:C:2019:623, punten 56, 62 en 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Artikel 5 van richtlijn 2001/29 bevat bij de huidige stand van het Unierecht geen beperking die vergelijkbaar is met die van de materiële-reciprociteitstoets van artikel 2, lid 7, tweede volzin, van de Berner Conventie. |
|
77 |
Richtlijn 2001/29 onderscheidt zich in dit opzicht dus van andere instrumenten tot harmonisatie van het auteursrecht die de Uniewetgever overeenkomstig de bepalingen van die Conventie heeft vastgesteld. |
|
78 |
In het bijzonder voorziet de Berner Conventie onder meer in beperkte uitzonderingen die betrekking hebben op werken van toegepaste kunst, de beschermingsduur en het volgrecht en op grond waarvan de partijen bij deze Conventie een materiële-reciprociteitstoets kunnen toepassen en als zodanig niet verplicht zijn om overeenkomstig artikel 5, lid 1, van de Conventie de regel van nationale behandeling toe te passen. |
|
79 |
Hoewel de Uniewetgever heeft besloten overeenkomstig artikel 7, lid 8, en artikel 14 ter, lid 2, van de Berner Conventie een materiële-reciprociteitstoets te hanteren, ten eerste, in artikel 7, lid 1, van richtlijn 2006/116 wat de beschermingsduur betreft en, ten tweede, in artikel 7, lid 1, van richtlijn 2001/84 wat het volgrecht betreft, heeft die wetgever daarentegen noch in richtlijn 2001/29, noch in een andere bepaling van Unierecht voor de in artikel 2, onder a), en artikel 4, lid 1, van die richtlijn aan auteurs verleende uitsluitende rechten voorzien in een beperking op die rechten in de vorm van een materiële-reciprociteitstoets als die van artikel 2, lid 7, tweede volzin, van de Berner Conventie. Zoals in punt 72 van het onderhavige arrest is vermeld, staat het overeenkomstig artikel 52, lid 1, van het Handvest uitsluitend aan de Uniewetgever en niet aan de nationale wetgevers om in Uniewetgeving te bepalen of de toekenning van de in artikel 2, onder a), en artikel 4, lid 1, van die richtlijn genoemde rechten in de Unie moet worden beperkt (zie in die zin arrest van 8 september 2020, Recorded Artists Actors Performers, C‑265/19, EU:C:2020:677, punten 88 en 91). |
|
80 |
Gelet op een en ander moet op de tweede tot en met de vierde vraag worden geantwoord dat artikel 2, onder a), en artikel 4, lid 1, van richtlijn 2001/29, gelezen in samenhang met artikel 17, lid 2, en artikel 52, lid 1, van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat zij er bij de huidige stand van het Unierecht aan in de weg staan dat de lidstaten in het nationale recht de in artikel 2, lid 7, tweede volzin, van de Berner Conventie neergelegde materiële-reciprociteitstoets toepassen op een werk van toegepaste kunst waarvan het land van oorsprong een derde land is en waarvan de auteur een onderdaan van een derde land is. Het staat overeenkomstig artikel 52, lid 1, van het Handvest uitsluitend aan de Uniewetgever om in Uniewetgeving te bepalen of de toekenning van de in artikel 2, onder a), en artikel 4, lid 1, van die richtlijn genoemde rechten moet worden beperkt in de Unie. |
Vijfde vraag
|
81 |
Met zijn vijfde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 351, eerste alinea, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het een lidstaat toestaat om, in afwijking van de bepalingen van Unierecht, de in artikel 2, lid 7, tweede volzin, van de Berner Conventie opgenomen materiële-reciprociteitstoets toe te passen op een werk waarvan het land van oorsprong de Verenigde Staten van Amerika is. |
|
82 |
Volgens artikel 351, eerste alinea, VWEU worden de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit overeenkomsten die vóór 1 januari 1958 of, voor de toetredende staten, vóór de datum van hun toetreding zijn gesloten tussen een of meer lidstaten enerzijds en een of meer derde staten anderzijds, niet aangetast door de bepalingen van de Verdragen. |
|
83 |
Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, vertoont de Berner Conventie de kenmerken van een internationale overeenkomst in de zin van artikel 351 VWEU (arrest van 9 februari 2012, Luksan, C‑277/10, EU:C:2012:65, punt 58). |
|
84 |
Artikel 351, eerste alinea, VWEU beoogt om overeenkomstig de beginselen van internationaal recht te preciseren dat de toepassing van het Verdrag geen afbreuk doet aan de verbintenis van de betrokken lidstaat om de rechten van derde staten te eerbiedigen die voortvloeien uit een vóór zijn toetreding gesloten overeenkomst en om zijn daarmee samenhangende verplichtingen na te komen (arrest van 9 februari 2012, Luksan, C‑277/10, EU:C:2012:65, punt 61). |
|
85 |
In dit verband moet, gelet op het antwoord op de tweede tot en met de vierde vraag, worden geoordeeld dat de lidstaten zich niet meer kunnen beroepen op de mogelijkheid om de materiële-reciprociteitstoets van artikel 2, lid 7, tweede volzin, van de Berner Conventie toe te passen, ook al is deze Conventie vóór 1 januari 1958 in werking getreden. |
|
86 |
Zoals volgt uit de rechtspraak van het Hof is het namelijk zo dat wanneer een lidstaat vóór zijn toetreding tot de Unie een internationale overeenkomst heeft gesloten die hem toestaat – zoals in casu het geval is – een maatregel te nemen die in strijd blijkt met het Unierecht, maar hem niet daartoe verplicht, die lidstaat zich van een dergelijke maatregel dient te onthouden (arresten van 28 maart 1995, Evans Medical en Macfarlan Smith, C‑324/93, EU:C:1995:84, punt 32, en 9 februari 2012, Luksan, C‑277/10, EU:C:2012:65, punt 62). |
|
87 |
Indien een door een lidstaat krachtens de door een eerdere internationale overeenkomst verleende bevoegdheid getroffen wetgevende maatregel door ontwikkelingen in het Unierecht in strijd met dit recht blijkt te zijn, kan de betrokken lidstaat zich bovendien niet op deze overeenkomst beroepen om zich te onttrekken aan de later ontstane Unierechtelijke verplichtingen (arrest van 9 februari 2012, Luksan, C‑277/10, EU:C:2012:65, punt 63). |
|
88 |
Hieraan moet worden toegevoegd dat in casu artikel 2, lid 7, eerste volzin, van de Berner Conventie een beoordelingsmarge aan de partijen bij deze Conventie toekent door met name te bepalen dat het aan de wetgeving van de landen van de bij de Conventie opgerichte Unie voorbehouden is om het toepassingsgebied te bepalen van hun wetten betreffende werken van toegepaste kunst en tekeningen en modellen van nijverheid alsmede betreffende de voorwaarden voor de bescherming van deze werken, tekeningen en modellen. |
|
89 |
Zoals de advocaat-generaal in de punten 59 tot en met 62 van zijn conclusie heeft opgemerkt, blijkt ten eerste uit de bewoordingen van die bepaling niet dat zij een staat die partij is bij de Berner Conventie verbiedt om auteursrechtelijke bescherming te verlenen aan een werk van toegepaste kunst dat in het land van oorsprong van dat werk slechts krachtens een bijzondere regeling als tekening of model wordt beschermd. Ten tweede zou een dergelijk verbod in tegenspraak zijn met het doel van die Conventie, dat tot uitdrukking komt in het beginsel van „nationale behandeling” en het uit de materiële bepalingen van de Conventie voortvloeiende minimumbeschermingsniveau en dat erin gelegen is dat aan auteurs bescherming wordt geboden buiten het land van oorsprong van een werk. Ten derde en ten slotte is het in elk geval zo dat uit artikel 19 van die Conventie expliciet blijkt dat de bepalingen ervan niet beletten dat een beroep wordt gedaan op een grotere mate van bescherming die door de wetgeving van een staat die partij is bij die Conventie mocht zijn voorgeschreven. |
|
90 |
In die omstandigheden kan een lidstaat zich niet op artikel 2, lid 7, van de Berner Conventie beroepen om zich te onttrekken aan de uit richtlijn 2001/29 voortvloeiende verplichtingen. |
|
91 |
Gelet op een en ander moet op de vijfde vraag worden geantwoord dat artikel 351, eerste alinea, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het een lidstaat niet toestaat om, in afwijking van de bepalingen van Unierecht, de in artikel 2, lid 7, tweede volzin, van de Berner Conventie opgenomen materiële-reciprociteitstoets toe te passen op een werk waarvan het land van oorsprong de Verenigde Staten van Amerika is. |
Kosten
|
92 |
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. |
|
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht: |
|
|
|
|
von Danwitz Arabadjiev Ziemele Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 24 oktober 2024. De griffier A. Calot Escobar De president K. Lenaerts |
( *1 ) Procestaal: Nederlands.