Voorlopige editie

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

J. RICHARD DE LA TOUR

van 8 mei 2025 (1)

Zaak C560/23 [Tang] (i)

H (vertegenwoordigd door DRC Dansk Flygtningehjælp)

tegen

Udlændingestyrelsen

[verzoek van de Flygtningenævn (beroepscommissie voor vluchtelingen, Denemarken) om een prejudiciële beslissing]

„ Prejudiciële verwijzing – Verordening (EU) nr. 604/2013 – Criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming – Artikel 29, lid 1 – Overdrachtstermijn – Vaststelling van het aanvangstijdstip van de termijn van zes maanden vanaf de definitieve beslissing op het beroep – Kennisneming van een nieuwe omstandigheid door het rechterlijk orgaan waarbij het beroep tegen het overdrachtsbesluit aanhangig is – Nationale regeling op grond waarvan het rechterlijk orgaan de zaak voor heroverweging van het overdrachtsbesluit kan terugverwijzen naar het bevoegde bestuursorgaan ”






I.      Inleiding

1.        Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing biedt het Hof opnieuw de gelegenheid om uitlegging te geven aan de bepalingen inzake de berekening van de overdrachtstermijnen zoals die zijn vervat in artikel 29, lid 1, van verordening (EU) nr. 604/2013(2), waarin staat te lezen dat de persoon die om internationale bescherming verzoekt, door de verzoekende lidstaat uiterlijk binnen een termijn van zes maanden vanaf de definitieve beslissing op het beroep op het bezwaar tegen het overdrachtsbesluit aan de verantwoordelijke lidstaat moet worden overgedragen wanneer dit beroep opschortende werking heeft.(3)

2.        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen H, een Afghaans onderdaan die om internationale bescherming heeft verzocht, en de Udlændingestyrelse (immigratiedienst, Denemarken) over een besluit van die dienst om H over te dragen aan Roemenië, dat heeft ingestemd met diens terugname overeenkomstig de Dublin III-verordening. Terwijl het beroep tot vernietiging van het overdrachtsbesluit aanhangig was bij de Flygtningenævn (beroepscommissie voor vluchtelingen, Denemarken), nam deze instantie kennis van het door Roemenië genomen besluit om alle inkomende overdrachten op te schorten wegens de verhoogde instroom van vluchtelingen in het land. De Flygtningenævn heeft de zaak daarom voor heroverweging terugverwezen naar de immigratiedienst, die een nieuw overdrachtsbesluit heeft vastgesteld, waarvan eerstgenoemde instantie in het kader van een nieuw beroep de rechtmatigheid heeft bevestigd.

3.        In de onderhavige zaak wordt het Hof verzocht om duidelijk te maken op welk moment een beslissing op het beroep „definitief” wordt in de zin van artikel 29, lid 1, van de Dublin III-verordening, in het kader van een nationaal procedureel stelsel dat in geval van een belangrijke wijziging van de omstandigheden na de vaststelling van een overdrachtsbesluit het rechterlijk orgaan waarbij beroep tegen dit besluit is ingesteld de mogelijkheid biedt om het besluit te vernietigen zonder zich uit te spreken over de rechtmatigheid ervan, en om de zaak voor heroverweging terug te verwijzen naar het bevoegde bestuursorgaan, dat een nieuw overdrachtsbesluit moet vaststellen, waartegen een nieuw beroep met opschortende werking wordt ingesteld.

4.        In deze conclusie zal ik uiteenzetten waarom ik van mening ben dat in het kader van een dergelijk procedureel stelsel de in artikel 29, lid 1, van de Dublin III-verordening genoemde termijn van zes maanden waarbinnen de verzoekende lidstaat de verzoeker dient over te dragen, moet ingaan vanaf de beslissing waarbij het rechterlijk orgaan waarbij het beroep tot vernietiging van het na de heroverwegingsprocedure genomen overdrachtsbesluit is ingesteld, zich definitief uitspreekt over de rechtmatigheid van dit besluit en een einde maakt aan de procedure over het overdrachtsbesluit door ofwel dit besluit te vernietigen, ofwel de uitvoering ervan toe te staan.

5.        Ik zal er echter op wijzen dat die lidstaat verplicht is om zijn nationale recht op zodanige wijze in te richten dat, nadat de zaak voor heroverweging is terugverwezen naar het bevoegde bestuursorgaan, het nieuwe overdrachtsbesluit en de definitieve beslissing op het beroep tegen dit besluit binnen korte termijnen worden genomen teneinde een snelle afhandeling van het verzoek om internationale bescherming te waarborgen.

II.    Toepasselijke bepalingen

A.      Unierecht

6.        Volgens artikel 1 van de Dublin III-verordening worden in deze verordening de criteria en instrumenten vastgesteld om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten is ingediend. In de overwegingen 4, 5 en 19 van deze verordening wordt in dit verband het volgende verklaard:

„(4)      In de conclusies van [de Europese Raad bij zijn bijzondere bijeenkomst] van Tampere [van 15 en 16 oktober 1999] werd [...] aangegeven dat het [gemeenschappelijk Europees asielstelsel (Common European Asylum System – CEAS)] op korte termijn een duidelijke en hanteerbare methode moet bevatten om vast te stellen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek.

(5)      Deze methode moet zijn gebaseerd op objectieve en zowel voor de lidstaten als voor de betrokken asielzoekers eerlijke criteria. Met de methode moet met name snel kunnen worden vastgesteld welke lidstaat verantwoordelijk is, teneinde de daadwerkelijke toegang tot de procedures voor het verlenen van internationale bescherming te waarborgen en de doelstelling om verzoeken om internationale bescherming snel te behandelen, niet te ondermijnen.

[...]

(19)      Teneinde de rechten van de betrokkenen daadwerkelijk te beschermen, dienen, overeenkomstig met name de rechten die zijn erkend in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie[(4)], juridische waarborgen te worden ingebouwd en dient een daadwerkelijk rechtsmiddel tegen besluiten tot overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat te worden gewaarborgd. Teneinde de naleving van het internationale recht te waarborgen, dient een daadwerkelijk rechtsmiddel tegen dergelijke besluiten zowel betrekking te hebben op de toepassing van deze verordening als op de juridische en feitelijke situatie in de lidstaat aan welke de verzoeker wordt overgedragen.”

7.        Artikel 27, leden 3 en 4, van de Dublin III-verordening bepaalt:

„3.      Voor een beroep of een bezwaar tegen het overdrachtsbesluit bepalen de lidstaten in hun nationale recht dat:

a)      het beroep of het bezwaar de betrokkene het recht verleent om in afwachting van de uitkomst van het beroep of het bezwaar in de betrokken lidstaat te blijven, of

b)      de overdracht automatisch wordt opgeschort en dat dergelijke opschorting verstrijkt na een bepaalde redelijke termijn, binnen welke een rechterlijke instantie na nauwkeurige en zorgvuldige bestudering van het verzoek een beslissing heeft genomen of een beroep of bezwaar al dan niet opschortende werking heeft, of

c)      de betrokkene de gelegenheid heeft om binnen een redelijke termijn een rechterlijke instantie te verzoeken de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten in afwachting van de uitkomst van het beroep of het bezwaar. De lidstaten zorgen ervoor dat er een daadwerkelijk rechtsmiddel beschikbaar is door de overdracht op te schorten totdat de beslissing over het eerste opschortingsverzoek wordt gegeven. Beslissingen over het al dan niet opschorten van de uitvoering van het overdrachtsbesluit worden gegeven binnen een redelijke termijn die evenwel een nauwkeurige en zorgvuldige bestudering van het opschortingsverzoek mogelijk maakt. Een beslissing om de uitvoering van het overdrachtsbesluit niet op te schorten wordt gemotiveerd.

4.      De lidstaten kunnen bepalen dat de bevoegde autoriteiten ambtshalve kunnen besluiten de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten in afwachting van de uitkomst van het beroep of het bezwaar.”

8.        Artikel 29, lid 1, eerste alinea, en lid 2, van die verordening luidt als volgt:

„1.      De verzoeker [...] wordt overeenkomstig het nationale recht van de verzoekende lidstaat, na overleg tussen de betrokken lidstaten, overgedragen van de verzoekende lidstaat aan de verantwoordelijke lidstaat zodra dat praktisch mogelijk is, en uiterlijk binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het verzoek van een andere lidstaat om de betrokkene over of terug te nemen of vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar wanneer dit overeenkomstig artikel 27, lid 3, opschortende werking heeft.

[...]

2.      Indien de overdracht niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden, komt de verplichting voor de verantwoordelijke lidstaat om de betrokkene over te nemen of terug te nemen, te vervallen, en gaat de verantwoordelijkheid over op de verzoekende lidstaat. Indien de overdracht wegens gevangenzetting van de betrokkene niet kon worden uitgevoerd, kan deze termijn tot maximaal één jaar worden verlengd of tot maximaal 18 maanden indien de betrokkene onderduikt.”

B.      Deens recht

1.      Bijzondere status van het Koninkrijk Denemarken met betrekking tot het CEAS

9.        Het Koninkrijk Denemarken heeft op grond van het aan het VEU en het VWEU gehechte Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken een bijzondere status met betrekking tot het derde deel, titel V, VWEU, waaronder onder meer het beleid inzake grenscontroles, asiel en immigratie valt. Deze bijzondere status onderscheidt Denemarken van de overige lidstaten. Zo neemt deze lidstaat niet deel aan het CEAS, aangezien hij niet is gebonden aan de richtlijnen 2011/95/EU(5) en 2013/32/EU(6). Op grond van een op 13 maart 2005 met de Europese Unie gesloten internationale overeenkomst(7) past Denemarken echter wel de Dublin III-verordening toe.

2.      Vreemdelingenwet

10.      De Udlændingelov (vreemdelingenwet)(8) bevat in de §§ 53 tot en met 56 bepalingen die betrekking hebben op de Flygtningenævn.

11.      Volgens § 53a van die wet treedt de Flygtningenævn permanent op als administratieve beroepsinstantie waarbij kan worden opgekomen tegen asielbesluiten die in eerste aanleg door de immigratiedienst zijn genomen.

12.      De beslissingen van de Flygtningenævn zijn volgens § 56, lid 8, van de vreemdelingenwet onherroepelijk en kunnen dus niet worden aangevochten bij een ander bestuursorgaan.

13.      Uit de uiteenzetting van de toepasselijke bepalingen in de verwijzingsbeslissing blijkt dat er naar Deens bestuursrecht drie situaties zijn waarin de beroepsinstantie een zaak voor heroverweging kan terugverwijzen naar het bevoegde bestuursorgaan: 1) wanneer de beslissing in eerste aanleg is genomen op basis van onvolledige informatie; 2) wanneer er bij de behandeling van de zaak in eerste aanleg ernstige fouten zijn gemaakt, of 3) wanneer er nieuwe informatie aan het licht is gekomen die van belang is voor het oorspronkelijke besluit.

14.      Naar Deens bestuursrecht impliceert een terugverwijzing met het oog op heroverweging dus dat de zaak nog steeds in behandeling is bij de autoriteiten en dat bij de beroepsinstantie kan worden opgekomen tegen het nieuwe in eerste aanleg genomen besluit.

III. Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vraag

15.      H, Afghaans onderdaan, is op 25 april 2021 aangekomen in Denemarken, waar hij nog diezelfde dag een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Uit de Eurodac-gegevens bleek dat hij op 5 maart 2021 al in Roemenië als asielzoeker was geregistreerd.

16.      Op 24 juni 2021 heeft de immigratiedienst daarom de Roemeense autoriteiten verzocht om H terug te nemen overeenkomstig artikel 18, lid 1, onder c), van de Dublin III-verordening. De Roemeense autoriteiten hebben op 7 juli 2021 en dus binnen de voorgeschreven termijn ingestemd met die terugname.

17.      Op 19 juli 2021 heeft de immigratiedienst besloten om H overeenkomstig genoemde bepaling over te dragen aan Roemenië (hierna: „eerste overdrachtsbesluit”). Bij een op diezelfde dag afgelegde verklaring heeft H tegen dat besluit beroep ingesteld bij de Flygtningenævn. Dit beroep had opschortende werking overeenkomstig artikel 27, lid 3, onder a), van de Dublin III-verordening.

18.      Terwijl het beroep tegen het eerste overdrachtsbesluit aanhangig was, liet Roemenië op 28 februari 2022 aan alle andere lidstaten weten dat het met ingang van 1 maart 2022 alle inkomende overdrachten op grond van de Dublin III-verordening (hierna: „Dublinoverdrachten”) zou opschorten wegens het conflict in Oekraïne en de verhoogde instroom van vluchtelingen in Roemenië.

19.      Op 15 maart 2022 heeft de Flygtningenævn daarom besloten de zaak voor heroverweging terug te verwijzen naar de immigratiedienst, zodat die zich kon uitspreken over de vraag welke gevolgen de mededeling van Roemenië had voor het concrete besluit om H over te dragen aan deze lidstaat. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat die terugverwijzing met het oog op heroverweging de vernietiging van het besluit van 19 juli 2021 impliceerde.

20.      Op 8 april 2022 heeft de immigratiedienst opnieuw besloten om H over te dragen aan Roemenië overeenkomstig artikel 18, lid 1, onder c), van de Dublin III-verordening (hierna: „tweede overdrachtsbesluit”). Bij een op diezelfde dag afgelegde verklaring heeft H tegen dat besluit beroep ingesteld bij de Flygtningenævn. Dit beroep had opschortende werking overeenkomstig artikel 27, lid 1, onder a) van die verordening.

21.      Op 24 mei 2022 heeft Roemenië aan alle andere lidstaten laten weten dat de opschorting van de inkomende Dublinoverdrachten werd opgeheven.

22.      Bij een onherroepelijke beslissing van 2 december 2022 heeft de Flygtningenævn het tweede overdrachtsbesluit bevestigd.

23.      Op 2 februari 2023 heeft H verzocht om de procedure te heropenen omdat de in artikel 29, lid 1, van de Dublin III-verordening gestelde termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het terugnameverzoek was verstreken toen het tweede overdrachtsbesluit werd vastgesteld, zodat het Koninkrijk Denemarken op grond van artikel 29, lid 2, van deze verordening verantwoordelijk was geworden voor de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming.

24.      Na de procedure te hebben heropend, heeft de Flygtningenævn bij beslissing van 19 april 2023 het tweede overdrachtsbesluit bevestigd. Uit die beslissing, waarvan enkele overwegingen zijn weergegeven in de verwijzingsbeslissing, blijkt dat de Flygtningenævn zich op het standpunt heeft gesteld dat de overdrachtstermijn van artikel 29, lid 1, van de Dublin III-verordening pas was ingegaan vanaf haar onherroepelijke beslissing van 2 december 2022, en wel om twee redenen. Ten eerste had de beslissing om de zaak voor heroverweging terug te verwijzen tot gevolg gehad dat de zaak nog steeds in behandeling was bij de immigratiedienst, waardoor H niet kon worden overgedragen aan Roemenië. Ten tweede was de uitvoering van het tweede overdrachtsbesluit volgens de Flygtningenævn opgeschort zolang de bij hem ingestelde beroepsprocedure liep, dat wil zeggen tot zijn onherroepelijke beslissing van 2 december 2022.

25.      Op 4 mei 2023 heeft de Flygtningenævn naar aanleiding van een verzoek van DRC Dansk Flygtningehjælp (vluchtelingenraad, Denemarken), een namens H optredende niet-gouvernementele organisatie, besloten de procedure wederom te heropenen teneinde de uitlegging van de in artikel 29, leden 1 en 2, juncto artikel 27 van de Dublin III-verordening opgenomen regels betreffende de overdrachtstermijnen opnieuw te bezien. De vluchtelingenraad heeft in zijn heropeningsverzoek met name verwezen naar het arrest Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Opschorting van de overdrachtstermijn in hoger beroep) en betoogd dat op grond van de Dublin III-verordening de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het door H ingediende verzoek om internationale bescherming was overgegaan op Denemarken op het moment dat het tweede overdrachtsbesluit werd genomen.

26.      In deze omstandigheden heeft de Flygtningenævn de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Moeten de in artikel 29, leden 1 en 2, van de [Dublin III-verordening] neergelegde termijnvoorschriften aldus worden uitgelegd dat de in artikel 29, lid 1, tweede hypothese, van deze verordening vastgestelde termijn van zes maanden ingaat vanaf de definitieve beslissing ten gronde, in gevallen waarin een beroepsinstantie van de verzoekende lidstaat als bedoeld in artikel 27 van genoemde verordening de overdrachtszaak heeft terugverwezen naar de bevoegde instantie in eerste aanleg, die vervolgens meer dan zes maanden na ontvangst van de aanvaarding van het overnameverzoek door de verantwoordelijke lidstaat een nieuw overdrachtsbesluit heeft genomen, ook wanneer de reden voor terugverwijzing is dat de verantwoordelijke lidstaat, die de overdracht aanvankelijk had aanvaard, naderhand heeft besloten om overdrachten op grond van [dezelfde verordening] in het algemeen op te schorten, en waarin bovendien de maatregel tot verwijdering van de betrokken vreemdeling is opgeschort?”

27.      De Flygtningenævn heeft verzocht deze zaak te behandelen volgens de versnelde prejudiciële procedure van artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Bij beslissing van 15 december 2023 heeft de president van het Hof dit verzoek afgewezen.(9)

28.      Op 27 november 2023 heeft het Hof de Flygtningenævn verzocht om informatie te verstrekken met betrekking tot zijn hoedanigheid van „rechterlijke instantie” in de zin van artikel 267 VWEU. De Flygtningenævn heeft aan dit verzoek voldaan.

29.      H, de Deense, de Franse, de Oostenrijkse en de Zwitserse regering alsook de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Ter terechtzitting van 6 februari 2025 zijn H, de Deense en de Franse regering alsook de Commissie gehoord en is hun met name verzocht enkele vragen van het Hof mondeling te beantwoorden.

IV.    Analyse

30.      Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen van het Hof te vernemen of in het kader van een procedureel stelsel van een lidstaat dat in geval van een belangrijke wijziging van de omstandigheden na de vaststelling van een overdrachtsbesluit het rechterlijk orgaan waarbij beroep tegen dit besluit is ingesteld de mogelijkheid biedt om het besluit te vernietigen zonder zich uit te spreken over de rechtmatigheid ervan, en om de zaak voor heroverweging terug te verwijzen naar het bevoegde bestuursorgaan, dat een nieuw overdrachtsbesluit moet vaststellen, waartegen een nieuw beroep met opschortende werking wordt ingesteld, artikel 29, leden 1 en 2, van de Dublin III-verordening aldus moet worden uitgelegd dat de overdrachtstermijn van zes maanden ingaat vanaf de beslissing waarbij het rechterlijk orgaan zich definitief uitspreekt over de rechtmatigheid van het laatstgenoemde besluit.

31.      Ter beantwoording van deze vraag moet allereerst in herinnering worden gebracht dat artikel 29 van de Dublin III-verordening omschrijft op welke wijze en binnen welke termijnen de verzoekende lidstaat een persoon die om internationale bescherming verzoekt, aan de verantwoordelijke lidstaat moet overdragen met het oog op diens over- of terugname.

32.      Volgens artikel 29, lid 1, eerste alinea, van de Dublin III-verordening vindt de overdracht, na overleg tussen de betrokken lidstaten, overeenkomstig het nationale recht van de verzoekende lidstaat plaats zodra dat praktisch mogelijk is en uiterlijk binnen een termijn van zes maanden vanaf ofwel de aanvaarding door de verantwoordelijke lidstaat van het verzoek om de betrokkene over of terug te nemen, ofwel de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar wanneer dit overeenkomstig artikel 27, lid 3, van deze verordening opschortende werking heeft.

33.      H voert onder verwijzing naar punt 29 van het arrest Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Opschorting van de overdrachtstermijn in hoger beroep) aan dat er als gevolg van de beslissing van 15 maart 2022 waarbij de Flygtningenævn het eerste overdrachtsbesluit heeft vernietigd en de zaak voor heroverweging heeft terugverwezen naar de immigratiedienst, niet langer sprake was van een overdrachtsbesluit waarvan de uitvoering kon worden opgeschort, en dat de overdrachtstermijn met terugwerkende kracht is gaan lopen vanaf 7 juli 2021, de datum waarop Roemenië heeft ingestemd met het verzoek om hem terug te nemen.(10)

34.      Ik merk echter ten eerste op dat een dergelijke benadering in strijd zou zijn met de bewoordingen en de logica van artikel 29, lid 1, van de Dublin III-verordening, waaruit blijkt dat de twee tijdstippen waarop de overdrachtstermijn kan beginnen te lopen, moeten worden geacht elkaar uit te sluiten.

35.      Zo is er in het eerste geval ofwel geen rechtsmiddel ingesteld tegen het overdrachtsbesluit, ofwel een rechtsmiddel dat geen opschortende werking heeft. De overdrachtstermijn gaat dan in vanaf de aanvaarding door de verantwoordelijke lidstaat van het verzoek om de betrokkene over of terug te nemen. In het tweede geval is er tegen het overdrachtsbesluit een rechtsmiddel met opschortende werking ingesteld. De termijn gaat dan in vanaf de definitieve beslissing op dat beroep of bezwaar en na uitputting van de in de rechtsorde van de betrokken lidstaat geboden rechtsmiddelen.(11)

36.      Een andere uitlegging zou in strijd zijn met de in artikel 47 van het Handvest neergelegde doelstelling van effectieve rechterlijke bescherming. De twee gevallen van artikel 29, lid 1, eerste alinea, van de Dublin III-verordening maken het immers mogelijk om volle werking te verlenen aan de in artikel 27, lid 3, van deze verordening bedoelde opschorting van de uitvoering van het overdrachtsbesluit. Indien in het kader van een beroep of bezwaar tegen een overdrachtsbesluit de uitvoering van dit besluit zou worden opgeschort terwijl de overdrachtstermijn zou blijven lopen, zou het niet mogelijk zijn de wapengelijkheid en de doeltreffendheid van beroepsprocedures te waarborgen door te garanderen dat die termijn niet verstrijkt zolang de uitvoering van het overdrachtsbesluit onmogelijk is gemaakt door het instellen van beroep of bezwaar tegen dat besluit.(12)

37.      Ik wijs er ten tweede op dat de feitelijke omstandigheden van de onderhavige zaak verschillen van die van de zaak die heeft geleid tot het arrest Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Opschorting van de overdrachtstermijn in hoger beroep). In die zaak kreeg het Hof de vraag voorgelegd of de opschortende werking van een hoger beroep tegen een beslissing tot vernietiging van een overdrachtsbesluit gevolgen had voor de overdrachtstermijn. Het Hof was van oordeel dat artikel 27, lid 3, van de Dublin III-verordening niet beoogt te regelen welke voorlopige maatregelen eventueel kunnen worden getroffen in het kader van een door de bevoegde autoriteiten ingesteld hoger beroep tegen een uitspraak waarbij een overdrachtsbesluit is vernietigd, en dat een voorlopige voorziening die tot gevolg heeft dat de overdrachtstermijn wordt opgeschort in afwachting van de uitkomst van dat hoger beroep, alleen kan worden getroffen wanneer de uitvoering van het overdrachtsbesluit is opgeschort in afwachting van de uitkomst van het beroep of bezwaar in eerste aanleg.(13)

38.      In de onderhavige zaak is de uitvoering van het eerste door de immigratiedienst jegens H genomen overdrachtsbesluit in eerste aanleg opgeschort overeenkomstig artikel 27, lid 3, onder a), van de Dublin III-verordening. Voorts is dat eerste besluit weliswaar vernietigd door de Flygtningenævn, maar is de zaak terugverwezen naar de immigratiedienst met het oog op de heroverweging van H’s overdracht door deze dienst, die vervolgens een tweede overdrachtsbesluit heeft genomen, waartegen H een beroep met opschortende werking heeft ingesteld.

39.      Hieruit volgt dat er wel degelijk sprake is van een overdrachtsbesluit (het tweede overdrachtsbesluit) waarvan de uitvoering is opgeschort in het kader van een beroep dat ertegen is ingesteld. De overdrachtstermijn is dus overeenkomstig artikel 29, lid 1, van de Dublin III-verordening ingegaan vanaf de definitieve beslissing op dat beroep.

40.      Dat artikel 29 bevat geen specifieke regels voor de berekening van de termijnen wanneer in geval van een belangrijke wijziging van de omstandigheden na de vaststelling van een overdrachtsbesluit het rechterlijk orgaan dit besluit vernietigt zonder de rechtmatigheid ervan te beoordelen, en de zaak voor heroverweging terugverwijst naar het bevoegde bestuursorgaan, dat een nieuw overdrachtsbesluit moet vaststellen, waartegen een nieuw beroep wordt ingesteld.

41.      Zoals tijdens de mondelinge behandeling ter terechtzitting is gebleken, levert in een dergelijke situatie de vaststelling van het tijdstip waarop een beslissing op het beroep „definitief” wordt in de zin van artikel 29, lid 1, van de Dublin III-verordening een bijzondere moeilijkheid op. Als definitief geldt dan immers ofwel de beslissing waarbij het rechterlijk orgaan waarbij beroep tegen het eerste overdrachtsbesluit is ingesteld dit besluit heeft vernietigd zonder de rechtmatigheid ervan te beoordelen, ofwel de beslissing waarbij dat orgaan zich in het kader van een nieuw beroep tegen het tweede overdrachtsbesluit heeft uitgesproken over de rechtmatigheid van dit besluit.(14)

42.      In het kader van een procedureel stelsel als beschreven in de opmerkingen van de Deense regering moet de in artikel 29, lid 1, van de Dublin III-verordening gestelde overdrachtstermijn van zes maanden mijns inziens ingaan vanaf de onherroepelijke beslissing op het beroep tegen het tweede overdrachtsbesluit, waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer kan worden aangewend.

43.      In de eerste plaats houdt deze oplossing rekening met de bijzonderheden van het Deense procedurele stelsel, dat voorziet in de behandeling van zaken „op twee niveaus”, waarbij in het kader van de gerechtelijke procedure een zaak voor heroverweging kan worden terugverwezen naar het bevoegde bestuursorgaan wanneer er „nieuwe informatie” aan het licht is gekomen die „van belang” is(15) voor de uitvoering van een besluit, zoals een overdrachtsbesluit.

44.      Er is weliswaar sprake van twee overdrachtsbesluiten waartegen twee afzonderlijke beroepen zijn ingesteld, maar die besluiten hebben hetzelfde voorwerp (de overdracht van de verzoeker) en zijn jegens dezelfde verzoeker genomen naar aanleiding van dezelfde gebeurtenis (instemming met de terugname door de verantwoordelijke lidstaat) en door hetzelfde bestuursorgaan, zodat de betrokken procedure moet worden gezien als één enkele procedure. De beslissing waarbij het rechterlijk orgaan het eerste overdrachtsbesluit heeft vernietigd zonder zich zelfs maar uit te spreken over de rechtmatigheid ervan, en de zaak voor heroverweging heeft terugverwezen naar het bestuursorgaan, vormt een tussenbeslissing die het bevoegde bestuursorgaan in staat stelt om te beoordelen welke gevolgen het bestaan van nieuwe en belangrijke feiten heeft voor de overdrachtsprocedure, en om eventueel tot een ander oordeel inzake de overdracht van de betrokkene te komen.

45.      Ik herinner eraan dat het Hof in het kader van de uitlegging van de bij de Dublin III-verordening ingetrokken verordening (EG) nr. 343/2003(16) heeft geoordeeld dat de overdrachtstermijn niet moet ingaan vanaf de voorlopige rechterlijke beslissing om de tenuitvoerlegging van de overdrachtsprocedure op te schorten, maar pas vanaf de rechterlijke beslissing over de gegrondheid van deze procedure, die aan die tenuitvoerlegging niet meer in de weg kan staan.(17) Het gaat er dus om dat met de definitieve beslissing op het beroep uitspraak wordt gedaan over de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit. Met de bepaling dat de overdrachtstermijn ingaat vanaf de definitieve beslissing op het beroep tegen het overdrachtsbesluit, doelt de Uniewetgever op een definitieve beslissing ten gronde waarmee een einde wordt gemaakt aan de procedure over het overdrachtsbesluit doordat ofwel dit besluit wordt vernietigd, ofwel de uitvoering ervan wordt toegestaan.

46.      In de tweede plaats maakt de genoemde oplossing het mogelijk om rekening te houden met de beginselen en vereisten die voortvloeien uit de noodzaak om effectieve rechterlijke toetsing in de zin van artikel 27 van de Dublin III-verordening en artikel 47 van het Handvest te garanderen. Het is immers vaste rechtspraak van het Hof dat de Uniewetgever weliswaar heeft willen bevorderen dat overdrachtsbesluiten snel worden uitgevoerd, maar dat dit niet wegneemt dat hij de rechtsbescherming van personen die om internationale bescherming verzoeken niet heeft willen opofferen aan het vereiste dat hun verzoek snel wordt afgehandeld.(18)

47.      Artikel 27, lid 1, van de Dublin III-verordening bepaalt dan ook dat een persoon jegens wie een overdrachtsbesluit is genomen, het recht heeft om tegen dit besluit bij een rechterlijke instantie een daadwerkelijk rechtsmiddel in te stellen in de vorm van een beroep of een bezwaar ten aanzien van de feiten en het recht.(19) De draagwijdte van dit rechtsmiddel wordt gepreciseerd in overweging 19 van de Dublin III-verordening. Daarin staat te lezen dat het bij deze verordening ingevoerde daadwerkelijke rechtsmiddel tegen overdrachtsbesluiten, teneinde de naleving van het internationale recht te waarborgen, zowel betrekking dient te hebben op de toepassing van deze verordening als op de juridische en feitelijke situatie in de lidstaat waaraan de verzoeker wordt overgedragen.(20)

48.      In het arrest Belgische Staat (Gegevens die dateren van na het overdrachtsbesluit) is het Hof tot de conclusie gekomen dat met een beroep tot vernietiging van een overdrachtsbesluit in het kader waarvan de aangezochte rechter geen rekening mag houden met omstandigheden die dateren van na de vaststelling van dat besluit en die beslissend zijn voor de juiste toepassing van de Dublin III-verordening, het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel en het recht op toereikende rechterlijke bescherming, zoals geformuleerd in artikel 27 van deze verordening en in artikel 47 van het Handvest, niet worden gewaarborgd.(21)

49.      Het Hof heeft evenwel erkend dat de Uniewetgever slechts bepaalde procedurele aspecten van het rechtsmiddel dat de betrokkene tegen het jegens hem genomen overdrachtsbesluit moet kunnen instellen heeft geharmoniseerd, en dat artikel 27 van de Dublin III-verordening niet impliceert dat de lidstaten hun stelsel van rechtsmiddelen per se op zodanige wijze moeten vormgeven dat de naleving van het vereiste dat rekening wordt gehouden met beslissende omstandigheden die dateren van na de vaststelling van het overdrachtsbesluit, wordt gewaarborgd in het kader van het onderzoek van het rechtsmiddel waarmee de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit kan worden betwist.(22) Wanneer een van na het overdrachtsbesluit daterende omstandigheid de overdracht van de betrokkene aan de verantwoordelijke lidstaat op losse schroeven kan zetten, laat die bepaling het volgens het Hof dus aan de lidstaten over om te bepalen in hoeverre het rechterlijk orgaan met die omstandigheid rekening kan houden bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit in het kader van een volledig en ex-nunconderzoek, dan wel om die rechterlijke bescherming anderszins te waarborgen, bijvoorbeeld door een specifiek rechtsmiddel of een andere procedureregel in te voeren.(23)

50.      Naar ik begrijp, past het Deense procedurele stelsel in deze context en kan Denemarken dus niet worden verweten dat het als onderdeel van de beroepsprocedure tegen een overdrachtsbesluit de mogelijkheid heeft ingevoerd om de zaak voor heroverweging terug te verwijzen zodat rekening kan worden gehouden met een belangrijke wijziging van de omstandigheden die zich in de verantwoordelijke lidstaat heeft voorgedaan na de vaststelling van dat besluit. Het standpunt dat een dergelijke terugverwijzing de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming doet overgaan op de verzoekende lidstaat, zou in een dergelijk stelsel tot gevolg hebben dat die lidstaat ervan wordt weerhouden om rekening te houden met die nieuwe omstandigheden, die niettemin beslissend zijn voor de beoordeling van de rechtmatigheid en de uitvoerbaarheid van de overdrachtsprocedure.

51.      Ik voeg hieraan toe dat volgens vaste rechtspraak het beginsel van procedurele autonomie meebrengt dat het bij gebreke van Unieregelgeving ter zake een aangelegenheid van de interne rechtsorde van de lidstaten is om de procedureregels vast te stellen voor rechtsvorderingen die worden ingesteld ter bescherming van de rechten van de justitiabelen, op voorwaarde evenwel dat deze regels niet ongunstiger zijn dan die welke gelden voor soortgelijke situaties waarop het nationale recht van toepassing is (gelijkwaardigheidsbeginsel) en dat zij de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel).(24)

52.      Het gelijkwaardigheidsbeginsel vereist dat het geheel van de regels die van toepassing zijn op vorderingen, gelijkelijk geldt voor vorderingen die gebaseerd zijn op schending van het Unierecht en voor soortgelijke vorderingen die gebaseerd zijn op schending van het nationale recht.(25)

53.      Het doeltreffendheidsbeginsel op zijn beurt vereist dat in het kader van een procedure als die van het hoofdgeding het bevoegde rechterlijke orgaan zich zonder onnodige vertraging definitief uitspreekt over de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit zoals dat is heroverwogen door het bevoegde bestuursorgaan, zodat overeenkomstig overweging 5 van de Dublin III-verordening daadwerkelijke toegang tot de procedures voor het verlenen van internationale bescherming wordt gewaarborgd en een snelle behandeling van verzoeken om internationale bescherming wordt verzekerd.(26) Dit betekent dat de totale duur van die procedure niet langer mag zijn dan strikt noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor tot heroverweging is overgegaan.

54.      In een situatie als die in het hoofdgeding is elke lidstaat dus verplicht om zijn nationale recht op zodanige wijze in te richten dat, na de vernietiging van het oorspronkelijke besluit en in geval van terugverwijzing van de zaak naar het bevoegde bestuursorgaan wegens nieuwe omstandigheden die beslissend zijn voor de overdrachtsprocedure, dit orgaan binnen een korte termijn een nieuw besluit neemt en, in voorkomend geval, het rechterlijk orgaan binnen een korte termijn uitspraak doet.(27)

55.      Een dergelijke regeling mag dus niet leiden tot een situatie waarin de verzoekende lidstaat zijn verantwoordelijkheid kan ontlopen door te voorkomen dat hij de verantwoordelijke lidstaat wordt door de zaak eindeloos voor heroverweging terug te verwijzen naar het bevoegde bestuursorgaan, zonder dat er ooit wordt beslist op het verzoek om internationale bescherming. Een dergelijke situatie zou immers in strijd zijn met de in artikel 5 van de Dublin III-verordening geformuleerde doelstelling van deze richtlijn, omdat zij ertoe zou leiden dat ook het aanvangstijdstip van de overdrachtstermijn steeds opschuift, en daarmee het tijdstip waarop het verzoek om internationale bescherming in behandeling kan worden genomen, met als gevolg dat de verzoeker de aan de toekenning van internationale bescherming verbonden rechten worden ontnomen. Zoals het Hof in herinnering heeft gebracht in het arrest van 13 november 2018, X en X(28), moet een dergelijk verzoek in voorkomend geval dan ook worden behandeld door een andere lidstaat dan die welke op grond van de in hoofdstuk III van deze verordening genoemde criteria als verantwoordelijk was aangewezen.(29)

56.      In casu heeft nog geen enkele autoriteit een beslissing genomen inzake het door H op 25 april 2021 ingediende verzoek om internationale bescherming. Sinds 7 juli 2021, de datum waarop Roemenië ermee heeft ingestemd om H terug te nemen met het oog op de behandeling van zijn verzoek, heeft er geen overdracht plaatsgevonden en is er evenmin inhoudelijk beslist op zijn verzoek. Wat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde procedure betreft (die niet de twee verzoeken tot heropening van de procedure omvat die achtereenvolgens door H en de vluchtelingenraad zijn ingediend), stel ik vast dat er bijna zeventien maanden zijn verstreken tussen het tijdstip waarop Roemenië akkoord is gegaan met het terugnemen van H en de onherroepelijke beslissing waarbij de Flygtningenævn het tweede overdrachtsbesluit heeft bevestigd. Ik breng in herinnering dat artikel 29, lid 2, van de Dublin III-verordening slechts twee situaties noemt waarin de overdrachtstermijn kan worden verlengd: deze termijn kan worden verlengd tot maximaal één jaar indien de overdracht niet kon worden uitgevoerd wegens gevangenzetting van de betrokkene, of tot maximaal achttien maanden bij onderduiken van de betrokkene.(30) Hoewel in casu het besluit van Roemenië om alle inkomende Dublinoverdrachten op te schorten uiteraard van invloed is geweest op de duur van de overdrachtsprocedure doordat de zaak voor heroverweging is terugverwezen, moet worden vastgesteld dat de uitspraak van de Flygtningenævn over de rechtmatigheid van het tweede overdrachtsbesluit bijna acht maanden op zich heeft laten wachten, terwijl dat besluit hetzelfde voorwerp had als het eerste besluit en door hetzelfde bestuursorgaan jegens dezelfde verzoeker was genomen naar aanleiding van dezelfde gebeurtenis. Een dergelijke duur lijkt mij moeilijk te verenigen met de noodzaak om ervoor te zorgen dat verzoeken om internationale bescherming snel worden afgehandeld.

57.      Gelet op een en ander ben ik van mening dat in het kader van een procedureel stelsel van een lidstaat dat in geval van een belangrijke wijziging van de omstandigheden na de vaststelling van een overdrachtsbesluit het rechterlijk orgaan waarbij beroep tegen dit besluit is ingesteld de mogelijkheid biedt om het besluit te vernietigen zonder zich uit te spreken over de rechtmatigheid ervan, en om de zaak voor heroverweging terug te verwijzen naar het bevoegde bestuursorgaan, dat een nieuw overdrachtsbesluit moet vaststellen, waartegen een nieuw beroep met opschortende werking wordt ingesteld, artikel 29, lid 1, van de Dublin III-verordening, gelezen in samenhang met artikel 27 van deze verordening, aldus moet worden uitgelegd dat de overdrachtstermijn van zes maanden ingaat vanaf de beslissing waarbij het rechterlijk orgaan zich definitief ten gronde uitspreekt en aldus een einde maakt aan de procedure over het overdrachtsbesluit door ofwel dit besluit te vernietigen, ofwel de uitvoering ervan toe te staan.

58.      Het gaat in casu om de beslissing van 2 december 2022 waarbij de Flygtningenævn zich definitief heeft uitgesproken over de rechtmatigheid van het tweede overdrachtsbesluit. Aangezien het tweede door H ingestelde beroep wel degelijk overeenkomstig artikel 27, lid 3, van de Dublin III-verordening opschortende werking had, is dat de datum waarop de overdrachtstermijn is ingegaan.

V.      Conclusie

59.      Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vraag van de Flygtningenævn te beantwoorden als volgt:

„Artikel 29, lid 1, van verordening (EG) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend, gelezen in samenhang met artikel 27 van deze verordening,

moet aldus worden uitgelegd dat

–        in het kader van een procedureel stelsel van een lidstaat dat in geval van een belangrijke wijziging van de omstandigheden na de vaststelling van een overdrachtsbesluit het rechterlijk orgaan waarbij beroep tegen dit besluit is ingesteld de mogelijkheid biedt om het besluit te vernietigen zonder zich uit te spreken over de rechtmatigheid ervan, en om de zaak voor heroverweging terug te verwijzen naar het bevoegde bestuursorgaan, dat een nieuw overdrachtsbesluit moet vaststellen, waartegen een nieuw beroep met opschortende werking wordt ingesteld, de overdrachtstermijn van zes maanden ingaat vanaf de beslissing waarbij het rechterlijk orgaan zich definitief ten gronde uitspreekt en aldus een einde maakt aan de procedure over het overdrachtsbesluit door ofwel dit besluit te vernietigen, ofwel de uitvoering ervan toe te staan;

–        die lidstaat verplicht is om zijn nationale recht op zodanige wijze in te richten dat, nadat de zaak voor heroverweging is terugverwezen naar het bevoegde bestuursorgaan, het nieuwe overdrachtsbesluit en de definitieve beslissing op het beroep tegen dit besluit binnen korte termijnen worden genomen teneinde een snelle afhandeling van het verzoek om internationale bescherming te waarborgen.”


1      Oorspronkelijke taal: Frans.


i      Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.


2      Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB 2013, L 180, blz. 31) (hierna: „Dublin III-verordening”).


3      Zie met name arrest van 30 maart 2023, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Opschorting van de overdrachtstermijn in hoger beroep) [C‑556/21, EU:C:2023:272; hierna: „arrest Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Opschorting van de overdrachtstermijn in hoger beroep)”]. Zie ook arresten van 12 januari 2023, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Overdrachtstermijn – Meerdere verzoeken) (C‑323/21–C‑325/21, EU:C:2023:4), en 30 maart 2023, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Overdrachtstermijn – Mensenhandel) (C‑338/21, EU:C:2023:269).


4      Hierna: „Handvest”.


5      Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB 2011, L 337, blz. 9).


6      Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB 2013, L 180, blz. 60).


7      Overeenkomst tussen de Europese [Unie] en het Koninkrijk Denemarken betreffende de criteria en instrumenten om te bepalen welke staat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat wordt ingediend in Denemarken of een andere lidstaat van de Europese Unie en „Eurodac” voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin (PB 2006, L 66, blz. 38).


8      Wet zoals geconsolideerd bij Lovbekendtgørelse nr. 1079 (codificatiebesluit nr. 1079) van 10 augustus 2023.


9      Zie beschikking van de president van het Hof van 15 december 2023, Tang (C‑560/23, EU:C:2023:1035).


10      Ter terechtzitting lijkt H’s vertegenwoordiger echter afstand te hebben genomen van dat argument, door erop te wijzen dat de overdrachtstermijn moet worden geacht te zijn ingegaan op de datum waarop de Flygtningenævn heeft besloten het eerste overdrachtsbesluit te vernietigen en de zaak voor heroverweging terug te verwijzen naar de immigratiedienst, dat wil zeggen op 15 maart 2022.


11      Zie arrest Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Opschorting van de overdrachtstermijn in hoger beroep) (punt 24).


12      Zie arrest Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Opschorting van de overdrachtstermijn in hoger beroep) (punt 35).


13      Zie arrest Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Opschorting van de overdrachtstermijn in hoger beroep) (punten 27 en 34).


14      Het Deense stelsel kan niet worden gelijkgesteld met een stelsel dat voorziet in rechtspraak in twee instanties, waarbij in het kader van een hogerberoepsprocedure bij een hogere rechter kan worden opgekomen tegen een door een rechter in eerste aanleg gegeven beslissing over de rechtmatigheid van een bestuursbesluit, aangezien er al met al sprake is van één enkele procedure die strekt tot vernietiging dan wel bevestiging van eenzelfde overdrachtsbesluit.


15      Zie punt 13 van deze conclusie.


16      Verordening nr. 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB 2003, L 150, blz. 1).


17      Zie arrest van 29 januari 2009, Petrosian (C‑19/08, EU:C:2009:41, punt 46).


18      Zie arrest van 30 maart 2023, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Overdrachtstermijn – Mensenhandel) (C‑338/21, EU:C:2023:26, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en arrest Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Opschorting van de overdrachtstermijn in hoger beroep) (punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


19      Zie arrest van 15 april 2021, Belgische Staat (Gegevens die dateren van na het overdrachtsbesluit) [C‑194/19, EU:C:2021:270, punt 32; hierna: „arrest Belgische Staat (Gegevens die dateren van na het overdrachtsbesluit)”].


20      Zie arrest Belgische Staat (Gegevens die dateren van na het overdrachtsbesluit) (punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


21      Zie arrest Belgische Staat (Gegevens die dateren van na het overdrachtsbesluit) (punt 49).


22      Zie arrest Belgische Staat (Gegevens die dateren van na het overdrachtsbesluit) (punten 37 en 38).


23      Zie arrest Belgische Staat (Gegevens die dateren van na het overdrachtsbesluit) (punten 46‑48).


24      Zie arrest Belgische Staat (Gegevens die dateren van na het overdrachtsbesluit) (punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak) en arrest van 30 november 2023, Ministero dell’Interno e.a. (Gemeenschappelijke brochure – Indirect refoulement) (C‑228/21, C‑254/21, C‑297/21, C‑315/21 en C‑328/21, EU:C:2023:934, punt 113 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


25      Zie arrest Belgische Staat (Gegevens die dateren van na het overdrachtsbesluit) (punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak) en beschikking van 4 oktober 2024, Komise pro rozhodování ve věcech pobytu cizinců (C‑761/23, EU:C:2024:879, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


26      Zie in dit verband arrest van 13 november 2018, X en X (C‑47/17 en C‑48/17, EU:C:2018:900, punt 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en arrest Belgische Staat (Gegevens die dateren van na het overdrachtsbesluit) (punten 35 en 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


27      Zie naar analogie arrest van 25 juli 2018, Alheto (C‑585/16, EU:C:2018:584, punt 148).


28      C‑47/17 en C‑48/17, EU:C:2018:900.


29      Zie arrest van 13 november 2018, X en X (C‑47/17 en C‑48/17, EU:C:2018:900, punt 70).


30      De begrippen „gevangenzetting” en „onderduiken” zijn gedefinieerd in, respectievelijk, het arrest van 31 maart 2022, Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl e.a. (Opname van een asielzoeker in een psychiatrisch ziekenhuis) (C‑231/21, EU:C:2022:237, punten 55 en 58), en het arrest van 19 maart 2019, Jawo (C‑163/17, EU:C:2019:218, punten 56 en 57). Volledigheidshalve breng ik in herinnering dat het Hof zelf heeft bevestigd dat een onderbreking van de overdrachtstermijn van artikel 29, lid 1, van de Dublin III-verordening niet is toegestaan wegens andere omstandigheden die de uitvoering van het overdrachtsbesluit feitelijk onmogelijk maken, zoals de COVID-19-pandemie [arrest van 22 september 2022, Bundesrepublik Deutschland (Bestuurlijke opschorting van het overdrachtsbesluit) (C‑245/21 en C‑248/21, EU:C:2022:709)].