CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
T. ĆAPETA
van 14 november 2024 ( 1 )
Zaak C‑530/23 [Barało] ( i )
K.P.
In tegenwoordigheid van:
Prokurator Rejonowy we Włocławku
[Verzoek van de Sąd Rejonowy we Włocławku (rechter in eerste aanleg Włocławek, Polen) om een prejudiciële beslissing]
„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in strafzaken – Procedurele waarborgen voor kwetsbare personen die verdachten of beklaagden zijn in een strafprocedure – Recht op toegang tot een advocaat – Richtlijn 2013/48/EU – Richtlijn (EU) 2016/1919 – Toelaatbaarheid van bewijs”
I. Inleiding
|
1. |
Welke specifieke eisen stelt het Unierecht aan nationale autoriteiten wanneer zij een strafprocedure voeren waarbij kwetsbare personen betrokken zijn? Dit is de rode draad doorheen de 15 vragen die de verwijzende rechter in de onderhavige zaak heeft voorgelegd. |
|
2. |
Deze vragen hebben betrekking op richtlijn 2013/48/EU ( 2 ) betreffende het recht op toegang tot een advocaat, en op richtlijn (EU) 2016/1919 ( 3 ), die de doeltreffendheid van dat recht versterkt door de lidstaten te verplichten rechtsbijstand te waarborgen. Artikel 13 van richtlijn 2013/48 en artikel 9 van richtlijn 2016/1919 verplichten de lidstaten rekening te houden met de specifieke behoeften van kwetsbare personen. |
|
3. |
Aangezien de persoon in het hoofdgeding geestesziek en dus kwetsbaar is, wenst de verwijzende rechter te vernemen welke concrete verplichtingen hieruit voortvloeien voor de nationale autoriteiten die in deze context een strafprocedure voeren. |
|
4. |
Over richtlijn 2013/48 heeft het Hof zich reeds gebogen, maar richtlijn 2016/1919 heeft het nog niet eerder uitgelegd, afgezien van één terloopse opmerking ( 4 ) en een aantal verwijzingen van advocaten-generaal. ( 5 ) |
II. Feiten, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof
|
5. |
K.P. is een persoon tegen wie een strafprocedure loopt wegens, ten eerste, het in bezit hebben van 8,50 gram cannabis en 33,83 gram amfetamine en, ten tweede, rijden onder invloed van een stof met een soortgelijke werking als alcohol en de aanwezigheid van amfetamine in zijn bloed. De beschuldigingen zijn als volgt tot stand gekomen. |
|
6. |
Volgens de verwijzende rechter merkten politieagenten op 21 juli 2022 kort voor middernacht een voertuig op dat op een vreemde manier rondreed en vreemde geluiden maakte. Zij benaderden het voertuig waarin K.P. reed, spraken met hem en reden vervolgens weer weg. |
|
7. |
Enkele ogenblikken later hoorden dezelfde politieagenten via de radio dat er een aanrijding had plaatsgevonden tussen twee voertuigen. Aangezien het voertuig van K.P. volgens hen voldeed aan de beschrijving van een van de bij de aanrijding betrokken voertuigen, keerden zij terug naar de plaats waar zij hem voor het eerst hadden gezien. K.P. bevond zich buiten het voertuig, leek nerveus en sprak verward. De politieagenten ondervroegen hem en vroegen hem om eventuele verboden voorwerpen te overhandigen. |
|
8. |
K.P. verklaarde dat hij niet de bestuurder van het voertuig was en overhandigde de in zijn bezit zijnde plastic zakjes, die wit poeder en gedroogd groen materiaal bevatten. Nadat hij was geboeid en gearresteerd (op 22 juli 2022 om 00.05 uur), werd hij naar het ziekenhuis gebracht, waar bloed van hem werd afgenomen voor onderzoek op de aanwezigheid van verdovende middelen. |
|
9. |
Nadat de stoffen waren getest en was vastgesteld dat het om cannabis en amfetamine ging, werd K.P. op 22 juli 2022 om 12.15 uur beschuldigd van het in bezit hebben van verboden middelen. Hij werd geïnformeerd over zijn recht om zich te laten bijstaan door een advocaat van zijn keuze en over de mogelijkheid om rechtsbijstand aan te vragen indien zijn economische situatie dit rechtvaardigde. Hij werd ook geïnformeerd over zijn recht om te worden gehoord en te zwijgen. |
|
10. |
K.P. heeft geen afstand gedaan van zijn recht om zich te laten bijstaan door een advocaat, maar heeft evenmin verzocht om toewijzing van een advocaat. Nergens is vastgelegd of de politieagent tijdens dit verhoor heeft getracht na te gaan of de verdachte onder invloed van verdovende middelen was of in staat was het gebeurde te begrijpen en het zich te herinneren. |
|
11. |
K.P. ontkende het vermeende strafbare feit te hebben gepleegd. Hij zweeg en weigerde na het onderzoek het proces-verbaal te ondertekenen of kennis te nemen van het dossier. Van het verhoor is geen audiovisuele opname gemaakt en er was geen raadsman bij aanwezig. De met het onderzoek belaste autoriteit heeft de rechter tevens niet verzocht om een raadsman aan te wijzen. Op 22 juli 2022 om 12.31 uur werd K.P. uit hechtenis ontslagen. |
|
12. |
In de loop van augustus en september 2022 heeft de politie een psychiater ondervraagd over de geestelijke gezondheid van K.P. en heeft de Prokurator Rejonowy we Włocławku (openbaar aanklager van het arrondissement Włocławek, Polen; hierna „openbaar aanklager”) inzage genomen in zijn medisch dossier uit het psychiatrische ziekenhuis waarin hij was opgenomen. |
|
13. |
Nadat de uitslagen van zijn bloedonderzoek bekend waren gemaakt, is K.P. op 7 augustus 2022 tevens beschuldigd van rijden onder invloed van verdovende middelen. Deze informatie is op 14 oktober 2022 aan K.P. meegedeeld. Hij was toen patiënt in het psychiatrisch ziekenhuis en is daar vervolgens verhoord. |
|
14. |
Dit tweede verhoor heeft, net als op 22 juli 2022, plaatsgevonden zonder dat er een advocaat aanwezig was. De openbaar aanklager heeft de rechter niet verzocht om K.P een advocaat toe te wijzen en er is geen audiovisuele opname van het verhoor gemaakt. Ook is hij geïnformeerd over zijn recht om zich te laten bijstaan door een advocaat, het recht om rechtsbijstand aan te vragen indien zijn economische situatie dit rechtvaardigde en zijn recht om te worden gehoord en te zwijgen. K.P. heeft verzocht om inzage in zijn dossier en in de motivering van de beschuldiging tegen hem. Al deze informatie is op 27 oktober 2022 schriftelijk aan zijn moeder overhandigd. |
|
15. |
Op 15 december 2022 heeft de openbaar aanklager de tenlastelegging tegen K.P. neergelegd bij de Sąd Rejonowy we Włocławku (rechter in eerste aanleg Włocławek, Polen). K.P. heeft zelf een advocaat in de arm genomen. |
|
16. |
Bij beslissing van 28 februari 2023 heeft de verwijzende rechter de openbaar aanklager van de Prokuratura Rejonowa we Włocławku (openbaar ministerie van het arrondissement Włocławek, Polen; hierna „openbaar ministerie”) gelast het onderzoek aan te vullen door K.P. te verhoren in aanwezigheid van een raadsman en door het advies van een deskundig psychiater in te winnen over de geestelijke gezondheidstoestand van K.P. ten tijde van de feiten en tijdens de procedure. |
|
17. |
Op 3 maart 2023 heeft de openbaar aanklager beroep ingesteld tegen deze beslissing, op grond dat het bewijsmateriaal niet hoefde te worden aangevuld en dat de reeds verkregen medische dossiers geen aanleiding gaven om K.P. door deskundigen te laten onderzoeken om zijn geestelijke gezondheidstoestand vast te stellen. Op 29 maart 2023 heeft de Sąd Okręgowy we Włocławku (rechter in tweede aanleg Włocławek, Polen) het beroep van de openbaar aanklager toegewezen en de zaak terugverwezen naar de verwijzende rechter. |
|
18. |
De verwijzende rechter is van oordeel dat richtlijn 2016/1919 en richtlijn 2013/48 niet juist en volledig in de Poolse rechtsorde zijn omgezet en dat daardoor de rechten die het Unierecht aan K.P. als kwetsbare persoon toekent, zijn geschonden. |
|
19. |
In het licht van deze feiten heeft de Sąd Rejonowy we Włocławku (de verwijzende rechter) het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
|
|
20. |
Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door het openbaar ministerie van Włocławek, de Tsjechische en de Poolse regering en de Europese Commissie. |
|
21. |
Er heeft geen terechtzitting plaatsgevonden. |
III. Toepasselijke bepalingen
A. Richtlijn 2013/48
|
22. |
In artikel 3, leden 1 tot en met 3, van richtlijn 2013/48 is het recht op toegang tot een advocaat in een strafprocedure als volgt verwoord: „1. De lidstaten zorgen ervoor dat de verdachten of beklaagden recht hebben op toegang tot een advocaat, op een zodanig moment en op zodanige wijze dat de betrokken personen hun rechten van verdediging in de praktijk daadwerkelijk kunnen uitoefenen. 2. De verdachten of beklaagden hebben zonder onnodig uitstel toegang tot een advocaat. In elk geval, hebben de verdachten of beklaagden toegang tot een advocaat vanaf de volgende momenten, ongeacht welk moment het vroegste is:
3. Het recht op toegang tot een advocaat houdt het volgende in:
|
|
23. |
Artikel 12 van richtlijn 2013/48 heeft als opschrift „Rechtsmiddelen” en luidt als volgt: „1. De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten of beklaagden in strafprocedures alsmede gezochte personen in een procedure ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel, op grond van het nationale recht over een doeltreffende voorziening in rechte beschikken in gevallen waarin hun rechten op grond van deze richtlijn zijn geschonden. 2. Onverminderd nationale bepalingen en stelsels inzake de toelaatbaarheid van bewijs zorgen de lidstaten er in strafprocedures voor dat bij de beoordeling van de verklaringen van verdachten of beklaagden of van bewijs dat is verkregen in strijd met hun recht op een advocaat of in gevallen waarin overeenkomstig artikel 3, lid 6, een afwijking van dit recht was toegestaan, de rechten van de verdediging en het eerlijke verloop van de procedure worden geëerbiedigd.” |
|
24. |
Onder het opschrift „Kwetsbare personen” bepaalt artikel 13 van richtlijn 2013/48 ten slotte: „De lidstaten zorgen ervoor dat bij de toepassing van deze richtlijn rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften van kwetsbare verdachten en kwetsbare beklaagden.” |
B. Richtlijn 2016/1919
|
25. |
Richtlijn 2016/1919 regelt de verlening van rechtsbijstand aan verdachten, beklaagden en personen die op grond van een Europees aanhoudingsbevel worden gezocht. ( 6 ) Artikel 2, lid 1, van deze richtlijn omschrijft het toepassingsgebied ervan als volgt: „Deze richtlijn is van toepassing op verdachten en beklaagden in strafprocedures die recht op toegang tot een advocaat hebben uit hoofde van [richtlijn 2013/48], en:
|
|
26. |
Artikel 3 van richtlijn 2016/1919 omschrijft „rechtsbijstand” als „de financiering door een lidstaat van de bijstand van een advocaat, waardoor de uitoefening van het recht op toegang tot een advocaat mogelijk wordt gemaakt”. |
|
27. |
Artikel 4 van richtlijn 2016/1919 preciseert onder welke voorwaarden de rechtsbijstand in strafprocedures moet worden verleend, als volgt: „1. De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten en beklaagden die onvoldoende middelen hebben om voor de bijstand van een advocaat te betalen, het recht op rechtsbijstand kunnen uitoefenen wanneer de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen. 2. De lidstaten kunnen een draagkrachttoets, een gegrondheidstoets of beide toepassen om te bepalen of rechtsbijstand moet worden verleend overeenkomstig lid 1. 3. Wanneer een lidstaat een draagkrachttoets toepast, houdt hij rekening met alle relevante en objectieve factoren, waaronder inkomen, vermogen en gezinssituatie van de betrokkene, alsook de kosten van de bijstand van een advocaat en de levensstandaard in die lidstaat, om overeenkomstig de in die lidstaat toepasselijke criteria te bepalen of een verdachte of een beklaagde onvoldoende middelen heeft om voor de bijstand van een advocaat te betalen. 4. Wanneer een lidstaat een gegrondheidstoets toepast, houdt hij rekening met de ernst van het strafbaar feit, de complexiteit van de zaak en de ernst van de sanctie die op het spel staat, om te bepalen of de belangen van een behoorlijke rechtspleging eisen dat rechtsbijstand wordt verleend. In elk geval wordt er in de volgende situaties van uitgegaan dat is voldaan aan de gegrondheidstoets:
5. De lidstaten zorgen ervoor dat rechtsbijstand wordt verleend zonder onnodig uitstel, en uiterlijk voordat de betrokkene wordt verhoord door de politie, een andere rechtshandhavingsinstantie of een gerechtelijke instantie, of vóór het verrichten van de in artikel 2, lid 1, onder c), genoemde onderzoekshandelingen of handelingen voor het vergaren van bewijsmateriaal. 6. Rechtsbijstand wordt alleen verleend in het kader van de strafrechtelijke procedure waarin de betrokkene ervan wordt verdacht of beschuldigd een strafbaar feit te hebben gepleegd.” |
|
28. |
Artikel 8 van richtlijn 2016/1919 bepaalt dat de lidstaten „ervoor [zorgen] dat verdachten, beklaagden en gezochte personen op grond van het nationale recht over een doeltreffende voorziening in rechte beschikken in gevallen waarin hun uit deze richtlijn voortvloeiende rechten zijn geschonden”. |
|
29. |
Ten slotte bepaalt artikel 9 van richtlijn 2016/1919 onder het opschrift „Kwetsbare personen” dat de lidstaten „ervoor [zorgen] dat bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften van kwetsbare verdachten, beklaagden en gezochte personen”. |
IV. Analyse
|
30. |
De 15 vragen van de verwijzende rechter hebben betrekking op verschillende aspecten van strafprocedures waarbij een kwetsbare persoon betrokken is. Ik zal deze vragen onderzoeken aan de hand van vijf onderwerpen, waarbij ik telkens naar de inhoud van de vraag zal kijken, maar ook naar de door sommige deelnemers aan de procedure opgeworpen excepties van niet-ontvankelijkheid. |
|
31. |
De eerste 14 vragen hebben betrekking op vier onderwerpen die worden geregeld door de richtlijnen 2013/48 en 2016/1919: kwetsbaarheid, doeltreffende voorzieningen in rechte, onmenselijke of onterende behandeling en rechtstreekse werking. De vijftiende vraag heeft betrekking op de onafhankelijkheid van de openbaar aanklager, een kwestie die buiten de werkingssfeer van beide richtlijnen valt. Na een korte analyse van de toepasselijkheid van de twee richtlijnen (onderdeel A) zal ik achtereenvolgens elk van de vijf onderwerpen behandelen (onderdelen B tot en met F). |
A. Toepasselijkheid van de twee betrokken richtlijnen
|
32. |
Volgens artikel 2, lid 1, van richtlijn 2013/48 is deze richtlijn van toepassing „vanaf het ogenblik waarop [de verdachten of beklaagden] er door de bevoegde autoriteiten van een lidstaat door middel van een officiële kennisgeving of anderszins van in kennis worden gesteld dat zij ervan worden verdacht of beschuldigd een strafbaar feit te hebben begaan, ongeacht of hen hun vrijheid is ontnomen”. Het Hof heeft reeds verduidelijkt dat dit een mededeling in welke vorm dan ook omvat; het is dus niet relevant hoe deze mededeling de persoon bereikt. ( 7 ) |
|
33. |
Uit de feiten zoals die zijn uiteengezet in de punten 7 tot en met 9 van deze conclusie blijkt dat richtlijn 2013/48 van toepassing was op K.P. vanaf het moment waarop de politieagenten hem vroegen om eventuele verboden middelen te overhandigen, hem de handboeien omdeden en hem in hechtenis namen. ( 8 ) |
|
34. |
Bovendien bepaalt artikel 2, lid 1, van richtlijn 2016/1919 dat deze richtlijn van toepassing is op personen die uit hoofde van richtlijn 2013/48 recht op toegang tot een advocaat hebben en van wie onder andere de vrijheid is ontnomen of die dienen te worden bijgestaan door een advocaat overeenkomstig het Unierecht of het nationale recht. |
|
35. |
De toepasselijkheid van richtlijn 2016/1919 op K.P. hangt dus af van de vraag of hij op grond van richtlijn 2013/48 het recht heeft om zich te laten bijstaan door een advocaat. |
|
36. |
Volgens artikel 3, lid 2, van richtlijn 2013/48 hebben verdachten of beklaagden „zonder onnodig uitstel toegang tot een advocaat”. Ingevolge artikel 3, lid 2, onder a), van deze richtlijn geldt dit in elk geval ten minste „voordat zij door de politie of door een andere rechtshandhavingsautoriteit of rechterlijke instantie worden verhoord”. Ook in artikel 4, lid 5, van richtlijn 2016/1919 staat te lezen dat rechtsbijstand dient te worden verleend „zonder onnodig uitstel, en uiterlijk voordat de betrokkene wordt verhoord door de politie, een andere rechtshandhavingsinstantie of een gerechtelijke instantie”. |
|
37. |
Ik concludeer dan ook dat K.P. op grond van richtlijn 2013/48 had moeten worden bijgestaan door een advocaat ( 9 ) en dus binnen de werkingssfeer van richtlijn 2016/1919 viel. ( 10 ) |
B. Kwetsbaarheid (eerste, tweede, derde, zevende, negende en tiende vraag)
|
38. |
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de autoriteiten een persoon die kwetsbaar is niet in het kader van een strafprocedure mogen verhoren zonder de tussenkomst van een raadsman en zonder rechtsbijstand te verlenen, wanneer aan de voorwaarden daarvoor is voldaan. |
|
39. |
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of, ingeval de betrokkene wordt beschuldigd van een strafbare handeling waarop een vrijheidsstraf is gesteld, het feit dat niet is vastgesteld of een persoon kwetsbaar is, uitdrukkelijk in een beslissing moet worden vermeld en dit een voorwaarde is voor een verhoor zonder de aanwezigheid van een raadsman. |
|
40. |
Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of richtlijn 2016/1919 en richtlijn 2013/48 een vermoeden van kwetsbaarheid invoeren dat de autoriteiten van de lidstaten tijdens de strafprocedure in acht moeten nemen. |
|
41. |
Met zijn zevende vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen in hoeverre richtlijn 2013/48 en richtlijn 2016/1919 aan de nationale autoriteiten verplichtingen opleggen als het gaat om het waarborgen van de erkenning van kwetsbaarheid en welke rechten daaruit in het kader van de strafprocedure voortvloeien voor de betrokkene. |
|
42. |
Met zijn negende vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de met de strafprocedure belaste autoriteiten verplicht zijn de kwetsbaarheid van een verdachte onverwijld vast te stellen en te erkennen, dergelijke personen rechtsbijstand te verlenen en hen niet te verhoren zolang die bijstand niet is verleend. |
|
43. |
Ten slotte wenst de verwijzende rechter, ingeval de negende vraag bevestigend wordt beantwoord, met zijn tiende vraag te vernemen of de lidstaten in hun wetgeving moeten voorzien in gedetailleerde gronden en criteria voor elke uitzondering op de onverwijlde vaststelling en erkenning van kwetsbaarheid en de daaruit voortvloeiende verlening van rechtsbijstand. Bovendien vraagt deze rechter zich af of een dergelijke uitzondering evenredig moet zijn, in de tijd moet worden beperkt en het beginsel van een eerlijk proces moet eerbiedigen, en of de betrokken partij het recht moet hebben om de uitzondering in rechte te laten toetsen. |
|
44. |
Deze vragen hebben alle betrekking op het begrip „kwetsbaarheid” en op de verplichtingen van nationale autoriteiten om deze tijdig vast te stellen en daaraan passende gevolgen te verbinden. Derhalve zal ik nu richtsnoeren geven voor de vaststelling of iemand een kwetsbare persoon is (onder 1), waarna ik zal ingaan op de uitlegging van de twee richtlijnen en de verplichtingen die zij opleggen aan de nationale autoriteiten wanneer de verdachte of beklaagde een kwetsbare persoon is (onder 2). |
1. Wie is kwetsbaar?
|
45. |
In 2009 heeft de Raad gevraagd om een stapsgewijze aanpak bij de regulering van verschillende procedurele rechten in strafprocedures, waaronder bijzondere waarborgen voor kwetsbare verdachten of beklaagden. ( 11 ) Tot op heden is deze wetgevende ambitie met betrekking tot kwetsbare personen ( 12 ) echter alleen bereikt voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure. ( 13 ) |
|
46. |
Bij gebreke van verdere Uniewetgeving waarin kwetsbaarheid in de strafprocedure ruimer wordt gedefinieerd ( 14 ) heeft de Commissie een aanbeveling gepubliceerd over procedurele waarborgen voor kwetsbare personen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure. ( 15 ) |
|
47. |
Daarin worden „kwetsbare personen” gedefinieerd als personen „die door hun leeftijd, geestelijke of lichamelijke toestand of handicap niet in staat zijn een strafprocedure te begrijpen en er effectief aan deel te nemen”. ( 16 ) |
|
48. |
Bovendien wordt in de aanbeveling van de Commissie het „vermoeden van kwetsbaarheid” geïntroduceerd, en wel als volgt: „De lidstaten moeten ervoor zorgen dat er ten aanzien van met name personen met een ernstige psychologische, intellectuele, lichamelijke of zintuiglijke beperking, of met een geestesziekte of cognitieve aandoening, die daardoor de procedure moeilijker begrijpen en er moeilijker effectief aan kunnen deelnemen, een vermoeden van kwetsbaarheid geldt.” ( 17 ) |
|
49. |
Geestesziekten en geestelijke stoornissen zijn over het algemeen moeilijker vast te stellen dan een kwetsbaarheid als gevolg van jonge leeftijd, en in de literatuur is kritiek geuit op de beslissing van de Commissie om een richtlijn op te stellen die uitsluitend betrekking heeft op kinderen, terwijl zij zich met betrekking tot de bescherming van kwetsbare volwassenen tot een aanbeveling beperkt. ( 18 ) |
|
50. |
De aanbeveling van de Commissie is een niet-bindende handeling die rechtskracht mist, zodat aan de nationale autoriteiten in het kader van de strafprocedure geen definitieve verplichtingen kunnen worden opgelegd. |
|
51. |
In de zaak Grimaldi ( 19 ) heeft het Hof weliswaar geoordeeld dat aanbevelingen door nationale rechterlijke instanties in aanmerking moeten worden genomen, maar dit betekent niet dat aanbevelingen juridisch bindend zijn. Het Hof heeft slechts uitgesproken dat aanbevelingen bij de uitlegging van andere Unierechtelijke bepalingen niet buiten beschouwing mogen blijven en heeft niet gesuggereerd dat zij een resultaatsverplichting in het leven roepen. Aanbevelingen leggen de nationale rechterlijke instanties dus geen verplichting tot conforme uitlegging op. |
|
52. |
Ook het feit dat de Raad de lidstaten heeft opgeroepen om „rekening te houden” met de aanbeveling van de Commissie ( 20 ) verandert niets aan het niet-bindende karakter ervan. In feite heeft zelfs maar één lidstaat de Commissie maatregelen meegedeeld die nodig zijn om uitvoering te geven aan deze aanbeveling. ( 21 ) |
|
53. |
Bijgevolg zijn noch de definitie van een kwetsbare persoon, noch het vermoeden van kwetsbaarheid van personen met bepaalde beperkingen, ziekten of aandoeningen, zoals voorgesteld in de aanbeveling van de Commissie (zie de punten 47 en 48 van deze conclusie), bindend voor de lidstaten. |
|
54. |
Bij gebreke van specifiekere bepalingen in het Unierecht dan de aanbeveling van de Commissie, resten ons slechts de spiegelbepalingen van artikel 13 van richtlijn 2013/48 ( 22 ) en artikel 9 van richtlijn 2016/1919 ( 23 ), op grond waarvan de lidstaten ervoor moeten zorgen dat „rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften van kwetsbare verdachten en kwetsbare beklaagden”. ( 24 ) |
|
55. |
Het Hof heeft in het kader van de uitlegging van artikel 13 van richtlijn 2013/48 geoordeeld dat een krankzinnige ( 25 ) als kwetsbaar moet worden beschouwd – ongeacht het feit dat deze richtlijn niet uitdrukkelijk voorziet in categorieën kwetsbare personen. ( 26 ) |
|
56. |
Deze benadering vindt steun in de rechtspraak van het EHRM. Het EHRM heeft geoordeeld dat deelname aan de strafprocedure effectief is wanneer „de beschuldigde een algemeen begrip heeft van de aard van het proces en wat er voor hem op het spel staat, met inbegrip van de strekking van eender welke straf die kan worden opgelegd”. ( 27 ) |
|
57. |
Daarnaast heeft het EHRM een lijst van elementen opgesteld die relevant zijn voor de beoordeling of de strafprocedure over het geheel genomen eerlijk is verlopen. De eerste daarvan is „of de verzoeker bijzonder kwetsbaar was, bijvoorbeeld vanwege zijn leeftijd of geestelijke vermogens”. ( 28 ) |
|
58. |
Tot slot heeft het EHRM ook geoordeeld dat een volwassene bijzonder kwetsbaar is in gevallen van chronisch alcoholisme en/of acute alcoholintoxicatie, een lichamelijke handicap of medische aandoening, het behoren tot een sociaal achtergestelde groep of een geestelijke stoornis. ( 29 ) |
|
59. |
Al met al kan, zonder dat voor de onderhavige zaak een uitputtende definitie hoeft te worden gegeven van een „kwetsbare persoon”, met zekerheid worden vastgesteld dat personen met geestelijke stoornissen, zoals K.P., naar Unierecht als kwetsbare verdachten of beklaagden worden beschouwd. |
|
60. |
Ik zal nu ingaan op de verplichtingen die de twee betrokken richtlijnen aan de nationale autoriteiten opleggen met betrekking tot de behandeling van kwetsbare personen in de vooronderzoeksfase van een strafprocedure en de daaraan gerelateerde rechten van kwetsbare personen. |
2. Verplichtingen van de nationale autoriteiten in het kader van de strafprocedure wanneer de verdachte of beklaagde een kwetsbare persoon is
|
61. |
De Commissie betoogt dat artikel 9 van richtlijn 2016/1919 aldus moet worden gelezen dat het een verplichting voor de bevoegde autoriteiten invoert om de kwetsbaarheid te beoordelen wanneer zij elementen opmerken die op een bepaalde geestelijke stoornis of geestesziekte wijzen. Volgens deze instelling zou een andere uitlegging deze bepaling haar nuttig effect ontnemen. Voorts breidt de Commissie deze lezing uit door vast te stellen dat rechtsbijstand niet kan worden geweigerd aan kwetsbare personen zonder eerst de geestelijke toestand van de betrokken persoon te hebben onderzocht. |
|
62. |
De Poolse regering voert een vergelijkbaar argument aan: het Poolse recht bepaalt ook dat de bevoegde autoriteiten rechtsbijstand moeten verlenen wanneer zij merken dat de betrokken persoon kwetsbaar zou kunnen zijn. Anders dan de Commissie erkent deze regering echter geenszins een vermoeden van kwetsbaarheid zoals bedoeld in de aanbeveling van de Commissie. |
|
63. |
Ik ben het met de Poolse regering eens dat, zoals ik reeds heb uiteengezet ( 30 ), de aanbeveling van de Commissie, volgens welke de lidstaten in hun rechtsorde in bepaalde situaties moeten voorzien in een vermoeden van kwetsbaarheid, juridisch niet bindend is. Ook ben ik in dit verband van mening dat het momenteel nog steeds aan de lidstaten is om te bepalen op welke wijze wordt vastgesteld of een persoon kwetsbaar is. |
|
64. |
De Commissie stelt echter terecht dat artikel 9 van richtlijn 2016/1919 – en overigens ook artikel 13 van richtlijn 2013/48 – zinledig zou worden wanneer de nationale autoriteiten geen enkele verplichting zouden hebben om de kwetsbaarheid van een verdachte of beklaagde naar behoren te erkennen en ernaar te handelen. De nationale rechterlijke instanties mogen het nationale recht niet zodanig uitleggen dat het Unierecht van zijn betekenis wordt beroofd. |
|
65. |
Artikel 9 van richtlijn 2016/1919 en artikel 13 van richtlijn 2013/48 moeten aldus worden uitgelegd dat zij de bevoegde autoriteiten verplichten alert te zijn op de mogelijkheid dat een verdachte of beklaagde kwetsbaar is omdat hij moeite heeft om de procedure te begrijpen of eraan deel te nemen. ( 31 ) Deze verplichting heeft rechtstreekse werking. Bij een vermoeden van kwetsbaarheid moeten de autoriteiten er extra op toezien dat de rechten uit hoofde van de richtlijnen 2013/48 en 2016/1919 worden beschermd. |
|
66. |
Met betrekking tot het recht op toegang tot een advocaat blijkt uit artikel 3, lid 2, van richtlijn 2013/48 dat K.P., zelfs indien hij niet kwetsbaar was geweest, tijdens politieverhoren door een advocaat had moeten worden bijgestaan, en zeker zonder onnodig uitstel na de vrijheidsbeneming. De eerbiediging van dit recht is des te belangrijker wanneer de betrokkene kwetsbaar is. |
|
67. |
Ik concludeer dan ook dat artikel 3, lid 2, gelezen in samenhang met artikel 13, van richtlijn 2013/48, rechtstreekse werking heeft en aldus moet worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteiten ervoor moeten zorgen dat een verdachte of beklaagde wordt bijgestaan door een advocaat wanneer zij merken dat hij kwetsbaar kan zijn. |
|
68. |
Een vergelijkbare uitlegging lijkt mij overtuigend voor het verlenen van rechtsbijstand. ( 32 ) |
|
69. |
In situaties waarin richtlijn 2016/1919 van toepassing is, kan rechtsbijstand worden verleend op basis van een draagkrachttoets ( 33 ), een gegrondheidstoets ( 34 ), of beide. Artikel 4, lid 1, van deze richtlijn bepaalt in het algemeen dat „verdachten en beklaagden die onvoldoende middelen hebben om voor de bijstand van een advocaat te betalen, het recht op rechtsbijstand kunnen uitoefenen wanneer de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen”. |
|
70. |
Ik ben het met alle deelnemers aan deze procedure eens dat wanneer de kwetsbaarheid van een verdachte of beklaagde eenmaal is vastgesteld, zijn daadwerkelijke deelname aan de procedure in het gedrang kan komen indien geen rechtsbijstand wordt verleend. Dit is in overeenstemming met artikel 4, lid 5, van richtlijn 2016/1919, dat de lidstaten de verplichting oplegt ervoor te zorgen dat rechtsbijstand wordt verleend zonder onnodig uitstel, en uiterlijk voordat de betrokkene voor het eerst wordt verhoord door de politie. |
|
71. |
Dit geldt des te meer in een situatie als die in het hoofdgeding, waarin vrijheidsbeneming als sanctie is voorzien. ( 35 ) |
|
72. |
Ik concludeer dan ook dat artikel 2, lid 1, gelezen in samenhang met artikel 4, leden 1 en 5, en artikel 9 van richtlijn 2016/1919 rechtstreekse werking heeft en aldus moet worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteiten een verdachte of beklaagde rechtsbijstand moeten verlenen wanneer zij merken dat hij kwetsbaar kan zijn. Dit is met name van belang wanneer het vermeende strafbare feit wordt bestraft met vrijheidsbeneming. |
3. Conclusie over kwetsbaarheid
|
73. |
Naar de huidige stand van het Unierecht zijn de lidstaten niet verplicht om een vermoeden van kwetsbaarheid in te voeren. De vaststelling van de precieze modaliteiten en procedures om de kwetsbaarheid van een persoon te bepalen wordt aan het nationale recht overgelaten. |
|
74. |
Artikel 9 van richtlijn 2016/1919 en artikel 13 van richtlijn 2013/48 moeten aldus worden uitgelegd dat zij de bevoegde autoriteiten verplichten alert te zijn op de mogelijkheid dat een verdachte of beklaagde kwetsbaar is omdat hij moeite heeft om de procedure te begrijpen of eraan deel te nemen. Deze verplichting heeft rechtstreekse werking. Bij een vermoeden van kwetsbaarheid moeten de autoriteiten er extra op toezien dat de rechten uit hoofde van de richtlijnen 2013/48 en 2016/1919 worden beschermd. |
|
75. |
Artikel 3, lid 2, gelezen in samenhang met artikel 13, van richtlijn 2013/48, heeft rechtstreekse werking en moet aldus worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteiten ervoor moeten zorgen dat een verdachte of beklaagde wordt bijgestaan door een advocaat wanneer zij merken dat hij kwetsbaar kan zijn. |
|
76. |
Artikel 2, lid 1, gelezen in samenhang met artikel 4, leden 1 en 5, en artikel 9 van richtlijn 2016/1919 heeft rechtstreekse werking en moet aldus worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteiten een verdachte of beklaagde rechtsbijstand moeten verlenen wanneer zij merken dat hij kwetsbaar kan zijn. Dit is met name van belang wanneer het vermeende strafbare feit wordt bestraft met vrijheidsbeneming. |
C. Rechtsmiddelen (tweede en tiende vraag)
|
77. |
Met zijn tweede en tiende vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de lidstaten verplicht zijn ervoor te zorgen dat zowel een beslissing om een kwetsbare persoon zonder de aanwezigheid van een advocaat te verhoren als een beslissing om niet onverwijld vast te stellen en te erkennen dat een persoon kwetsbaar is, vatbaar is voor rechterlijke toetsing. |
|
78. |
Zowel artikel 12 van richtlijn 2013/48 als artikel 8 van richtlijn 2016/1919 legt de lidstaten de verplichting op te voorzien in doeltreffende voorzieningen in rechte voor verdachten of beklaagden in het geval dat hun uit beide richtlijnen voortvloeiende rechten zijn geschonden. |
|
79. |
Het recht op een doeltreffende voorziening in rechte omvat het recht op toegang tot een rechter die bevoegd is om de schending van het op het Unierecht gebaseerde recht te beoordelen en ongedaan te maken. Het Hof heeft dit reeds in zijn arrest in de zaak Johnston ( 36 ) bevestigd en hetzelfde vereiste volgt thans uit artikel 47 van het Handvest. |
|
80. |
In de betrokken richtlijnen wordt echter niet gepreciseerd wat de gevolgen zijn indien een rechter vaststelt dat het recht op toegang tot een advocaat of op rechtsbijstand is geschonden. In plaats daarvan laten zij deze keuze over aan de lidstaten door enkel te verlangen dat het gekozen rechtsmiddel doeltreffend is. |
|
81. |
De richtlijnen geven met name geen antwoord op de vraag of het bewijsmateriaal dat in strijd met dit recht is verkregen, buiten beschouwing moet worden gelaten. Dit lijkt mij centraal te staan in de vraag van de verwijzende rechter of bepaalde handelingen die de autoriteiten tijdens de onderzoeksprocedure hebben uitgevoerd, voor rechterlijke toetsing openstaan. |
|
82. |
De deelnemers, en met name het openbaar ministerie, leggen in hun schriftelijke opmerkingen voor het Hof veel nadruk op het feit dat geen van beide voornoemde bepalingen een regel bevatten op grond waarvan de nationale rechter het in strijd met de richtlijnen verkregen bewijs niet-ontvankelijk moet verklaren – een aangelegenheid waarover het Unierecht volledig zwijgt. |
|
83. |
Ik stel mij op hetzelfde standpunt als in de zaak M.S. e.a. ( 37 ) en sluit mij aan bij de zienswijze van het openbaar ministerie: de relevante Uniewetgeving regelt de toelaatbaarheid van bewijs in nationale strafprocedures momenteel niet. De kwestie van de toelaatbaarheid van bewijs is vooralsnog een zaak van nationaal recht. ( 38 ) |
|
84. |
Wanneer het Unierecht van toepassing is, mogen de relevante nationale bepalingen echter geen inbreuk maken op de artikelen 47 en 48 van het Handvest. ( 39 ) |
|
85. |
Mijns inziens vereist de eerbiediging van de in de artikelen 47 en 48 van het Handvest verankerde grondrechten dat nationale rechters zelf de flexibiliteit hebben die nodig is om te beoordelen of de procedure in haar geheel billijk is. Mochten zij van mening zijn dat een deel van het bewijs moet worden uitgesloten omdat het in strijd met de rechten van de verdediging is verkregen, dan moeten zij vrij zijn om dat te doen. Met andere woorden, het Unierecht regelt niet de toelaatbaarheid van bewijs maar verhindert wel dat nationaal recht de bevoegdheden van de bodemrechters beperkt om vrijelijk het bewijs te beoordelen en daaruit de gevolgtrekkingen te maken die zij noodzakelijk achten. ( 40 ) |
|
86. |
Een soortgelijke benadering wordt ook gevolgd door het EHRM, dat heeft geoordeeld dat het EVRM de toelaatbaarheid van bewijs niet regelt ( 41 ), aangezien het beperkt is tot de beoordeling of de algemene billijkheid van de procedure in het gedrang is gekomen. ( 42 ) |
|
87. |
Concluderend kan worden gesteld dat het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming vereist dat elke schending van een op het Unierecht gebaseerd recht door de rechter moet kunnen worden getoetst. Artikel 12 van richtlijn 2013/48 en artikel 8 van richtlijn 2016/1919 preciseren echter niet de passende rechtsmiddelen, maar laten deze keuze over aan de lidstaten door enkel te verlangen dat het gekozen rechtsmiddel doeltreffend is. De eerbiediging van de in de artikelen 47 en 48 van het Handvest verankerde grondrechten vereist echter dat nationale rechters zelf de flexibiliteit hebben die nodig is om te beoordelen of de procedure in haar geheel billijk is. Mochten zij van mening zijn dat een deel van het bewijs moet worden uitgesloten omdat het in strijd met procedurele rechten is verkregen, waardoor de rechten van de verdediging zijn geschonden, dan moeten zij vrij zijn om dat te doen. |
D. Onmenselijke en vernederende behandeling (twaalfde vraag)
|
88. |
Met zijn twaalfde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of er – wanneer een verdachte door een politieagent of een andere gemachtigde in een psychiatrisch ziekenhuis wordt verhoord, maar er geen rekening wordt gehouden met de situatie van onzekerheid en de omstandigheid dat de vrijheid van spreken van de verdachte in aanzienlijke mate is beperkt, hij als het ware geestelijk weerloos is en hij niet wordt bijgestaan door een advocaat – sprake is van een onmenselijke en vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest. |
|
89. |
Overeenkomstig artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof moet de verwijzende rechter een omschrijving geven van het feitelijke en juridische kader waarin zijn vragen moeten worden geplaatst, of op zijn minst de feitelijke hypothesen uiteenzetten waarop die vragen zijn gebaseerd. ( 43 ) |
|
90. |
De verwijzende rechter heeft in de verwijzingsbeslissing uiteengezet dat K.P. ten tijde van het verhoor door de politie op 14 oktober 2022 was opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Er worden echter geen nadere bijzonderheden gegeven met betrekking tot dit verhoor die het Hof in staat zouden stellen aanwijzingen te geven over een eventuele schending van het verbod op onmenselijke en vernederende behandeling. |
|
91. |
Daarom ben ik van mening dat het Hof, bij gebreke van voldoende informatie, de twaalfde vraag niet-ontvankelijk moet verklaren. |
|
92. |
Volledigheidshalve kan het Hof de nationale rechter niettemin de relevante criteria verschaffen, die het dan kan gebruiken om de feiten vast te stellen en te beslissen over een mogelijke schending van het verbod op onmenselijke en vernederende behandeling. |
|
93. |
Het Hof heeft in de zaak Jawo ( 44 ) geoordeeld dat artikel 4 van het Handvest en artikel 3 EVRM dezelfde inhoud en reikwijdte hebben. Het is dus zinvol om te verwijzen naar de rechtspraak van het EHRM. ( 45 ) |
|
94. |
In het arrest Khlaifia e.a. tegen Italië heeft het EHRM, met het oog op de vaststelling of er in het kader van een strafprocedure sprake was van een onmenselijke en vernederende behandeling van een kwetsbare persoon, geoordeeld dat de beoordeling van het onmenselijke en vernederende karakter van een behandeling „relatief [is] en [afhangt] van een geheel van omstandigheden, met name de duur van de behandeling, de lichamelijke en geestelijke gevolgen ervan en, in sommige gevallen, het geslacht, de leeftijd en de gezondheidstoestand van het slachtoffer”. ( 46 ) |
|
95. |
Het EHRM heeft voorbeelden gegeven van hetgeen het in aanmerking kan nemen om de ernst van de behandeling per geval te bepalen. Dit waren onder meer het doel waarvoor de mishandeling is uitgevoerd en de intentie of motivatie erachter, de context waarin die mishandeling is uitgevoerd, zoals een gespannen sfeer en sterke emoties, en de vraag of het slachtoffer zich in een kwetsbare situatie bevond, hetgeen normaliter het geval is bij personen die van hun vrijheid zijn beroofd. ( 47 ) |
|
96. |
In het licht van voornoemde rechtspraak van het EHRM kunnen we met zekerheid concluderen dat het loutere feit dat K.P. in een psychiatrisch ziekenhuis zonder advocaat is verhoord, als zodanig geen onmenselijke en vernederende behandeling vormt. |
|
97. |
Het staat echter aan de nationale rechter om de feiten te beoordelen en een eventuele schending van artikel 4 van het Handvest vast te stellen. |
E. Rechtstreekse werking (vierde, vijfde, zesde, achtste, elfde, dertiende en veertiende vraag)
|
98. |
Met zijn vierde, vijfde, zesde, achtste, elfde, dertiende en veertiende vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen welke gevolgen moeten worden verbonden aan de rechtstreekse werking van de relevante bepalingen van de betrokken richtlijnen. |
|
99. |
Het openbaar ministerie, de Poolse regering en de Commissie betogen dat de veertiende vraag, die ziet op de verplichtingen van de openbaar aanklager tijdens de vooronderzoeksfase, niet ter zake doet voor de oplossing van de zaak voor de verwijzende rechter en dus niet-ontvankelijk is. |
|
100. |
Ik ben het daar niet mee eens. Het is voor de verwijzende rechter van belang te weten of de handelingen van de openbaar aanklager tijdens de vooronderzoeksfase in overeenstemming waren met het Unierecht, om het bewijsmateriaal waarover hij beschikt naar behoren te kunnen beoordelen en eventueel uit te sluiten. Bijgevolg ben ik van mening dat de veertiende vraag ontvankelijk is. |
|
101. |
Hieraan moet worden toegevoegd dat het openbaar ministerie in zijn schriftelijke opmerkingen aanvoert dat de betrokken nationale bepalingen vanuit het oogpunt van het Unierecht geen problemen opleveren, maar dat veeleer fouten zijn begaan en nalatig is gehandeld jegens K.P. door degenen die bij de procedure betrokken waren. |
|
102. |
Aangezien het uiteindelijk aan de verwijzende rechter staat om dit vast te stellen, zal ik in deze conclusie enkel de gevolgen samenvatten van een situatie waarin het relevante Unierecht, zoals uitgelegd door het Hof, verschilt van het nationale recht zoals de verwijzende rechter dat opvat. |
|
103. |
Het Hof heeft de gevolgen van rechtstreekse werking reeds herhaaldelijk in zijn rechtspraak uiteengezet. Net als ik in de zaak M.S. e.a. ( 48 ) heb gedaan, zal ik mij dus beperken tot het herhalen van enkel de belangrijkste gevolgen die betrekking hebben op de onderhavige zaak. |
|
104. |
Het Hof is krachtens artikel 19, lid 1, VEU en artikel 267, eerste alinea, VWEU evenwel als enige bevoegd om het Unierecht uit te leggen, terwijl nationale rechtbanken exclusief bevoegd zijn om het nationale recht uit te leggen. ( 49 ) |
|
105. |
Volgens deze strikte taakverdeling tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties is het Hof niet bevoegd om zich uit te spreken over de verenigbaarheid van nationale wetgeving met het Unierecht. ( 50 ) Het staat aan de verwijzende rechterlijke instantie om, zodra zij het antwoord van het Hof heeft ontvangen, daaraan de nodige consequenties te verbinden voor het toepasselijke nationale recht. ( 51 ) |
|
106. |
De eventuele vaststelling door een nationale rechter van onverenigbaarheid van het nationale recht met het Unierecht heeft de volgende gevolgen. |
|
107. |
Indien een nationale rechter de bestaande bepalingen van nationaal recht kan uitleggen in overeenstemming met het Unierecht zoals uitgelegd door het Hof, moet hij dat doen. ( 52 ) Een dergelijke conforme uitlegging van het nationale recht en de toepassing ervan zouden de verwijzende rechter tot dezelfde slotsom moeten brengen als die welke het toepasselijke Unierecht gebiedt. In casu betekent dit dat een kwetsbare persoon er recht op moet hebben dat de bevoegde autoriteiten zijn kwetsbaarheid vaststellen, en dat hij wordt verhoord in aanwezigheid van een advocaat of dat hem rechtsbijstand wordt verleend indien hij geen advocaat heeft. |
|
108. |
Als een nationale rechter het nationale recht niet in overeenstemming met het Unierecht kan uitleggen, gaat het beginsel van rechtstreekse werking een rol spelen. Volgens dit beginsel kunnen particulieren hun op het Unierecht gebaseerde rechten opeisen door zich voor de nationale rechter rechtstreeks op de bepalingen van het Unierecht te beroepen, en moet de nationale rechter derhalve deze rechten erkennen door de desbetreffende Unierechtelijke bepaling rechtstreeks toe te passen. ( 53 ) |
|
109. |
Indien die rechten in strijd zijn met het bepaalde in nationaal recht, zijn nationale rechters krachtens het Unierecht bevoegd om die tegenstrijdige bepalingen van nationaal recht terzijde te schuiven. Deze bevoegdheid vloeit voort uit de gecombineerde werking van de grondwettelijke beginselen van de Unie van rechtstreekse werking en voorrang van het Unierecht. ( 54 ) |
|
110. |
Kort gezegd, dient de verwijzende rechter mogelijke obstakels voor de erkenning van op het Unierecht gebaseerde rechten weg te nemen door de relevante bepalingen van nationaal recht dienovereenkomstig uit te leggen. Indien een Unierechtconforme uitlegging niet mogelijk blijkt, dient de verwijzende rechter de met het Unierecht strijdige nationale regels terzijde te schuiven en deze aan het Unierecht ontleende rechten te beschermen. |
|
111. |
Ten slotte dienen niet alleen nationale rechters, maar ook de nationale overheidsinstanties ( 55 ) en alle andere overheidsorganen ( 56 ) volle werking te geven aan Unierechtelijke bepalingen. De Unierechtconforme uitlegging, de rechtstreekse werking en de voorrang van het Unierecht binden dus alle overheidsorganen en ook zij moeten de op het Unierecht gebaseerde rechten erkennen. |
|
112. |
Dat betekent dat de openbaar aanklager en de politie in de vooronderzoeksfase van een strafprocedure de rechten van kwetsbare personen en hun eigen daaraan gerelateerde verplichtingen die rechtstreeks voortvloeien uit de relevante richtlijnen, moeten erkennen. Zij moeten het nationale recht uitleggen in overeenstemming met de resultaten die deze richtlijnen vereisen. Subsidiair zijn zij verplicht de regels van nationaal recht buiten toepassing te laten om de eveneens door deze richtlijnen vereiste bescherming van kwetsbare personen mogelijk te maken. Dit omvat elke regel van nationaal recht die een met de zaak belaste openbaar aanklager zou beletten om het Unierecht ten volle toe te passen, zoals bindende aanwijzingen van een hogere openbaar aanklager of een ander orgaan. |
|
113. |
Indien de openbaar aanklager of een ander orgaan dat belast is met de strafprocedure, heeft nagelaten volle werking te verlenen aan het Unierecht (hetzij door nationale voorschriften niet zodanig uit te leggen dat zij in overeenstemming zijn met het Unierecht, hetzij door nationale regels toe te passen die strijdig zijn met het Unierecht), dient de rechter bij wie de strafzaak aanhangig is te oordelen dat deze staatsorganen hun uit het Unierecht voortvloeiende verplichtingen niet zijn nagekomen. |
F. Onafhankelijkheid van de openbaar aanklager
|
114. |
Met zijn vijftiende vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 2 VEU, artikel 19, lid 1, VEU, de rechtsstaat, het beginsel van rechterlijke onafhankelijkheid en artikel 47 van het Handvest vereisen dat een openbaar aanklager onafhankelijk is. |
|
115. |
Het openbaar ministerie, de Poolse regering en de Commissie hebben elk hun twijfels over de ontvankelijkheid van deze vraag. |
|
116. |
Volgens vaste rechtspraak van het Hof „rust er een vermoeden van relevantie op de vragen […] die de nationale rechter stelt binnen het onder zijn verantwoordelijkheid geschetste feitelijke en wettelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof staat om de juistheid te onderzoeken”. ( 57 ) Indien het Hof echter van oordeel is dat het antwoord op de overgelegde vragen niet noodzakelijk is om de verwijzende rechter in staat te stellen zijn vonnis te wijzen in de bij hem aanhangige zaak, verklaart het zich onbevoegd. ( 58 ) |
|
117. |
Mijns inziens is een vraag over de algemene organisatie van de strafvervolging in Polen niet rechtstreeks relevant voor de bij de verwijzende rechter aanhangige strafprocedure. Ongeacht of de openbaar aanklager onafhankelijk is van de uitvoerende macht, is hij verplicht om de rechten van kwetsbare personen in de strafprocedure, die zij op grond van het Unierecht genieten, te waarborgen. ( 59 ) |
|
118. |
Ik geef het Hof derhalve in overweging de vijftiende vraag niet-ontvankelijk te verklaren. |
V. Conclusie
|
119. |
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen van de Sąd Rejonowy we Włocławku te beantwoorden als volgt:
|
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.
( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
( 2 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming (PB 2013, L 294, blz. 1; hierna: „richtlijn 2013/48”).
( 3 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende rechtsbijstand voor verdachten en beklaagden in strafprocedures en voor gezochte personen in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel (PB 2016, L 297, blz. 1; hierna: „richtlijn 2016/1919”).
( 4 ) Arrest van 22 juni 2023, K.B. en F.S. (Ambtshalve vaststelling in strafzaken) (C‑660/21, EU:C:2023:498, punten 44, 49 en 53).
( 5 ) Conclusies van advocaten-generaal Bobek in de zaak Moro (C‑646/17, EU:C:2019:95, voetnoot 15); Pikamäe in de zaak Spetsializirana Prokuratura (Verklaring van rechten) (C‑649/19, EU:C:2020:758, punten 53 en 81); Pikamäe in de zaak K.B. en F.S. (Ambtshalve vaststelling in strafzaken) (C‑660/21, EU:C:2023:52, voetnoot 58); Ćapeta in de zaak M.S. e.a. (C‑603/22, EU:C:2024:157, voetnoten 14 en 34), en Pikamäe in de zaak 1Dream e.a. (C‑767/22, C‑49/23 en C‑161/23, EU:C:2024:608, punt 55).
( 6 ) Artikel 1, lid 2, van richtlijn 2016/1919 bepaalt: „Deze richtlijn vormt een aanvulling op de richtlijnen [2013/48] en (EU) 2016/800. Niets in de onderhavige richtlijn mag worden uitgelegd als een beperking van de in die richtlijnen neergelegde rechten.”
( 7 ) Arrest van 7 september 2023, Rayonna Prokuratura Lovech, teritorialno otdelenie Lukovit (Fouillering) (C‑209/22, EU:C:2023:634, punt 37). Zie over de convergentie tussen deze ruime uitlegging en de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), conclusie van advocaat-generaal Bobek in de zaak VW (Recht op toegang tot een advocaat bij niet-verschijning) (C‑659/18, EU:C:2019:940, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 8 ) Evenzo wordt iemand als verdachte beschouwd en valt hij dus binnen de werkingssfeer van die richtlijn in een situatie waarin de politieagenten „de betrokkene fouilleren en beslag leggen op hetgeen hij heeft verklaard in zijn bezit te hebben”. Deze handelingen „tonen […] aan dat die persoon thans door een bevoegde autoriteit wordt verdacht en stellen […] die persoon bovendien impliciet maar zeker in kennis van die verdenking”. Zie arrest van 7 september 2023, Rayonna Prokuratura Lovech, teritorialno otdelenie Lukovit (Fouillering) (C‑209/22, EU:C:2023:634, punt 43).
( 9 ) Niets in het dossier wijst erop dat K.P. afstand heeft gedaan van zijn recht om zich door een advocaat te laten bijstaan. Indien hij dat wel had gedaan, zouden de autoriteiten echter de extra verantwoordelijkheid hebben gehad om K.P. „in eenvoudige en begrijpelijke bewoordingen duidelijke en toereikende informatie [te geven], rekening houdend met zijn hoedanigheid van kwetsbare persoon, over de inhoud van [het recht om te worden bijgestaan door een advocaat] en over de mogelijke gevolgen van het afstand doen daarvan”. Arrest van 14 mei 2024, Stachev, (C‑15/24 PPU, EU:C:2024:399, punt 64).
( 10 ) Of hij onder de voorwaarden van richtlijn 2016/1919 daadwerkelijk in aanmerking kwam voor rechtsbijstand is een andere kwestie, die ik hieronder in deel IV.B.2 zal bespreken.
( 11 ) Resolutie van de Raad van 30 november 2009 over een routekaart ter versterking van de procedurele rechten van verdachten en beklaagden in strafprocedures (PB 2009, C 295, blz. 1).
( 12 ) De Commissie heeft erkend dat er tussen de lidstaten geen consensus bestaat over het begrip „kwetsbaarheid” in het Werkdocument van de diensten van de Commissie „Effectbeoordelingsverslag bij het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdacht of beklaagd zijn in een strafprocedure” van 27 november 2013 SWD(2013) 480 final, blz. 12‑28.
( 13 ) Richtlijn (EU) 2016/800 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure (PB 2016, L 132, blz. 1), overwegingen 4‑6.
( 14 ) Mergaerts, L., „Defence lawyers’ views on and identification of suspect vulnerability in criminal proceedings”, International Journal of the Legal Profession, deel 29(3), 2022, blz. 281 en 283.
( 15 ) Aanbeveling van de Commissie van 27 november 2013 betreffende procedurele waarborgen voor kwetsbare personen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure (PB 2013, C 378, blz. 8; hierna: „aanbeveling van de Commissie”). Zie voor een kritiek op die aanbeveling als algemeen en vaag Meysman, M., „Quo vadis with vulnerable defendants in the EU?”European Criminal Law Review, deel 4(2), 2014, blz. 179 en 188.
( 16 ) Aanbeveling van de Commissie, overweging 1. Zie voor een kritiek dat deze definitie te beperkt is Waddington, L., „Exploring vulnerability in EU Law: An analysis of ‚vulnerability’ in EU criminal law and consumer protection law”, European Law Review, deel 45(6), 2020, blz. 779 en 791.
( 17 ) Aanbeveling van de Commissie, punt 7. De Commissie heeft in 2003 vastgesteld dat personen met bepaalde geestestoestanden (bijvoorbeeld een psychische stoornis zoals schizofrenie) kwetsbaar zijn. Zie Groenboek van de Commissie – Procedurele waarborgen voor verdachten in strafzaken in de gehele Europese Unie [COM(2003) 75 final].
( 18 ) Zie over deze kritiek en meer in het algemeen over de terughoudendheid van de Commissie om aan te dringen op een juridisch bindende handeling met betrekking tot kwetsbare volwassenen en de daaruit voortvloeiende problemen Meysman, M., voetnoot 15, op. cit., blz. 191‑193. Zie over de voorgeschiedenis die uiteindelijk heeft geleid tot de keuze van de Commissie voor een aanbeveling Van der Aa, S., „Variable vulnerabilities? Comparing the rights of adult vulnerable suspects and vulnerable victims under EU Law”, New Journal of European Criminal Law, deel 7(1), 2016, blz. 39, 43‑47.
( 19 ) Nationale rechterlijke instanties „zijn namelijk gehouden de aanbevelingen bij de oplossing van de bij hen aanhangige geschillen in aanmerking te nemen, met name wanneer deze duidelijkheid verschaffen over de uitlegging van nationale bepalingen die ter uitvoering ervan zijn vastgesteld of wanneer zij bedoeld zijn om dwingende communautaire bepalingen aan te vullen”. Arrest van 13 december 1989, Grimaldi/Fonds voor beroepsziekten (C‑322/88, EU:C:1989:646, punt 18).
( 20 ) Conclusies van de Raad over de bescherming van kwetsbare volwassenen in de hele Europese Unie (PB 2021, C 330 I, blz. 1) (hierna: „Conclusies van de Raad), blz. 5 en 6. In hetzelfde document heeft de Raad de Commissie ook verzocht „te onderzoeken of het nodig is de procedurele waarborgen voor kwetsbare volwassenen die verdachte of beklaagde zijn in strafprocedures over de hele linie te versterken”.
( 21 ) Ibidem, punt 10.
( 22 ) Voorts staat in overweging 51 van richtlijn 2013/48 te lezen: „De zorgplicht ten aanzien van verdachten of beklaagden die in een mogelijk zwakke positie verkeren, ligt ten grondslag aan een eerlijke rechtsbedeling. Het openbaar ministerie, de rechtshandhavingsautoriteiten en de rechterlijke instanties moeten daarom de daadwerkelijke uitoefening door dergelijke verdachten of beklaagden van de rechten waarin deze richtlijn voorziet, bevorderen, bijvoorbeeld door rekening te houden met mogelijke kwetsbaarheid die hun vermogen aantast om het recht op toegang tot een advocaat en het recht een derde vanaf hun vrijheidsbeneming op de hoogte te laten brengen, uit te oefenen, en door passende maatregelen te nemen die ervoor zorgen dat die rechten gewaarborgd worden.”
( 23 ) Voorts luidt overweging 18 van richtlijn 2016/1919: „De lidstaten dienen te voorzien in praktische regelingen betreffende het verlenen van rechtsbijstand. In deze regelingen kan worden bepaald dat rechtsbijstand wordt verleend op verzoek van een verdachte, een beklaagde of een gezochte persoon. Gezien met name de behoeften van kwetsbare personen mag dit verzoek evenwel geen materiële voorwaarde zijn voor het verlenen van rechtsbijstand.”
( 24 ) Een soortgelijke bepaling bestaat met betrekking tot het recht op informatie; zie artikel 3, lid 2, van richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures (PB 2012, L 142, blz. 1).
( 25 ) „Krankzinnigen moeten derhalve worden beschouwd als kwetsbare personen in de zin van die bepaling, omdat zij wegens ernstige psychische stoornissen de hun verstrekte informatie over hun rechten mogelijk niet begrijpen.” Arrest van 19 september 2019, Rayonna prokuratura Lom (C‑467/18, EU:C:2019:765, punt 47). In het arrest van 14 mei 2024, Stachev (C‑15/24 PPU, EU:C:2024:399, punt 60) kwam het Hof tot dezelfde conclusie met betrekking tot een ongeletterd persoon.
( 26 ) Arrest van 19 september 2019, Rayonna prokuratura Lom (C‑467/18, EU:C:2019:765, punt 48).
( 27 ) EHRM, 10 november 2004, S.C. tegen het Verenigd Koninkrijk, CE:ECHR:2004:0615JUD006095800, § 29. Zie ook EHRM, 23 maart 2016, Blokhin tegen Rusland, CE:ECHR:2016:0323JUD004715206, § 195.
( 28 ) EHRM, 13 september 2016, Ibrahim e.a. tegen het Verenigd Koninkrijk, CE:ECHR:2016:0913JUD005054108, § 274.
( 29 ) EHRM, 31 maart 2009, Płonka tegen Polen CE:ECHR:2009:0331JUD002031002; 27 januari 2011, Bortnik tegen Oekraïne CE:ECHR:2011:0127JUD003958204; 16 maart 2010, Oršuš e.a. tegen Kroatië, CE:ECHR:2010:0316JUD001576603; 23 maart 2016, Blohkin tegen Rusland, CE:ECHR:2016:0323JUD004715206, en 16 december 2010, Borotyuk tegen Oekraïne, CE:ECHR:2010:1216JUD003357904. Zie voor een overzicht Mergaerts, L., en Dehaghani, R., „Protecting vulnerable suspects in police investigations in Europe: Lessons learned from England and Wales and Belgium”New Journal of European Criminal Law, deel 11(3), 2020, blz. 313.
( 30 ) Zie punten 46‑53 van deze conclusie.
( 31 ) Volgens de verwijzende rechter viel het de politieagenten op dat K.P. zich onsamenhangend gedroeg en dingen zei die geen steek hielden. Deze omstandigheid had hen er zeker toe kunnen brengen de mogelijkheid te overwegen dat K.P. een bepaalde kwetsbaarheid had.
( 32 ) In overweging 23 van richtlijn 2016/1919 staat te lezen dat de lidstaten de naleving van de beginselen en richtsnoeren betreffende de toegang tot rechtsbijstand in strafrechtsstelsels van de Verenigde Naties dienen te waarborgen. Volgens beginsel 10 van deze beginselen en richtsnoeren moeten de bevoegde autoriteiten specifieke maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat personen met onder andere een geestesziekte zinvolle toegang tot rechtsbijstand hebben. Beschikbaar op: https://www.unodc.org/documents/justice-and-prison-reform/UN_principles_and_guidlines_on_access_to_legal_aid.pdf.
( 33 ) Krachtens artikel 4, lid 3, van richtlijn 2016/1919, dienen lidstaten bij de uitvoering van een draagkrachttoets „rekening [te houden] met alle relevante en objectieve factoren, waaronder inkomen, vermogen en gezinssituatie van de betrokkene, alsook de kosten van de bijstand van een advocaat en de levensstandaard in die lidstaat, om overeenkomstig de in die lidstaat toepasselijke criteria te bepalen of een verdachte of een beklaagde onvoldoende middelen heeft om voor de bijstand van een advocaat te betalen”.
( 34 ) Krachtens artikel 4, lid 4, van richtlijn 2016/1919, dienen lidstaten bij de toepassing van een gegrondheidstoets „rekening [te houden] met de ernst van het strafbaar feit, de complexiteit van de zaak en de ernst van de sanctie die op het spel staat, om te bepalen of de belangen van een behoorlijke rechtspleging eisen dat rechtsbijstand wordt verleend. In elk geval wordt er in de volgende situaties van uitgegaan dat is voldaan aan de gegrondheidstoets: a) wanneer een verdachte of een beklaagde voor een bevoegde rechtbank of rechter verschijnt met het oog op een beslissing over detentie in elk stadium van de procedures die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, en b) tijdens detentie.”
( 35 ) Artikel 4, lid 4, van richtlijn 2016/1919 noemt bijvoorbeeld „de ernst van het strafbaar feit, de complexiteit van de zaak en de ernst van de sanctie die op het spel staat” als factoren waarmee de lidstaten rekening kunnen houden wanneer zij op basis van een gegrondheidstoets bepalen dat rechtsbijstand moet worden verleend.
( 36 ) Arrest van 15 mei 1986, Johnston/Chief Constable of the Royal Ulster Constabulary (222/84, EU:C:1986:206, punt 58).
( 37 ) Conclusie van advocaat-generaal Ćapeta in de zaak M.S. e.a. (C‑603/22, EU:C:2024:157, punten 118‑127).
( 38 ) Het Hof heeft dit met betrekking tot richtlijn 2016/800 bevestigd bij arrest van 5 september 2024, M.S. e.a. (Procedurele rechten van minderjarigen) (C‑603/22, EU:C:2024:685, punten 169‑174). De uitzondering hierop kan worden gevonden in de uitlegging door het Hof van artikel 14, lid 7, van richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (PB 2014, L 130, blz. 1). Zie arrest van 30 april 2024, M.N. (EncroChat) (C‑670/22, EU:C:2024:372, punten 126‑131).
( 39 ) Arrest van 7 september 2023, Rayonna Prokuratura Lovech, teritorialno otdelenie Lukovit (Fouillering) (C‑209/22, EU:C:2023:634, punten 58‑61).
( 40 ) Zie voor dezelfde vaststelling met betrekking tot richtlijn 2016/800, wanneer de kwetsbare personen kinderen zijn, arrest van 5 september 2024, M.S. e.a. (Procedurele rechten van minderjarigen) (C‑603/22, EU:C:2024:685, punten 167, 168, en 174).
( 41 ) EHRM, 12 juli 1988, Schenk tegen Zwitserland, CE:ECHR:1988:0712JUD001086284, §§ 45 en 46); 1 maart 2007, Heglas tegen Tsjechië, CE:ECHR:2007:0301JUD000593502, § 84, en 11 juli 2017, Moreira Ferreira tegen Portugal (nr. 2), CE:ECHR:2017:0711JUD001986712, § 83.
( 42 ) EHRM, 17 januari 2017, Habran en Dalem tegen België, CE:ECHR:2017:0117JUD004300011, § 94.
( 43 ) Arrest van 21 maart 2024, Remia Com Impex (C‑10/23, EU:C:2024:259, punt 29).
( 44 ) Arrest van 19 maart 2019, Jawo (C‑163/17, EU:C:2019:218, punt 91).
( 45 ) Zoals het Hof herhaaldelijk heeft gedaan, bijvoorbeeld in het arrest van 15 juli 2021, Commissie/Polen (Tuchtregeling voor rechters) (C‑791/19, EU:C:2021:596, punt 165).
( 46 ) EHRM, 15 december 2016, Khlaifia e.a. tegen Italië, CE:ECHR:2016:1215JUD001648312, § 159.
( 47 ) Het EHRM heeft hieraan toegevoegd dat „volgens deze bepaling de staat ervoor moet zorgen dat een persoon wordt gedetineerd in omstandigheden die verenigbaar zijn met de eerbiediging van zijn menselijke waardigheid, dat de wijze waarop de maatregel wordt uitgevoerd hem niet blootstelt aan lijden of aan een beproeving waarvan de intensiteit het onvermijdelijke niveau van lijden dat inherent is aan de detentie overstijgt, alsook dat zijn gezondheid en welzijn, gelet op de praktische vereisten van de opsluiting, afdoende zijn gewaarborgd”. Ibidem, § 160.
( 48 ) Mijn conclusie in de zaak M.S. e.a. (Procedurele rechten van minderjarigen) (C‑603/22, EU:C:2024:157, punten 128‑135).
( 49 ) Arresten van 17 juni 1999, Piaggio (C‑295/97, EU:C:1999:313, punt 29), en 15 januari 2013, Križan e.a. (C‑416/10, EU:C:2013:8, punt 58).
( 50 ) Arrest van 21 januari 1993, Deutsche Shell (C‑188/91, EU:C:1993:24, punt 27).
( 51 ) Zie in die zin arrest van 17 juni 1999, Piaggio (C‑295/97, EU:C:1999:313, punt 32).
( 52 ) Arresten van 13 november 1990, Marleasing (C‑106/89, EU:C:1990:395, punt 8), en 24 januari 2012, Dominguez (C‑282/10, EU:C:2012:33, punten 23‑27).
( 53 ) Arresten van 5 februari 1963, Van Gend en Loos/Administratie der Belastingen (26/62, EU:C:1963:1, blz. 13); 8 maart 2022, Bezirkshauptmannschaft Hartberg-Fürstenfeld (Rechtstreekse werking). (C‑205/20, EU:C:2022:168, punt 37), en 5 september 2024, M.S. e.a. (Procedurele rechten van minderjarigen) (C‑603/22, EU:C:2024:685, punt 118).
( 54 ) Zie bijvoorbeeld arresten van 18 januari 2022, Thelen Technopark Berlin (C‑261/20, EU:C:2022:33, punten 25 en 26), en 24 juni 2019, Popławski (C‑573/17, EU:C:2019:530, punten 53 en 54).
( 55 ) Arrest van 22 juni 1989, Costanzo (103/88, EU:C:1989:256, punt 31).
( 56 ) Arrest van 4 december 2018, minister for Justice and Equality en Commissioner of An Garda Síochána (C‑378/17, EU:C:2018:979, punt 38).
( 57 ) Arrest van 8 december 2022, Inspektor v Inspektorata kam Visshia sadeben savet (Doeleinden van de verwerking van persoonsgegevens – Strafrechtelijk onderzoek) (C‑180/21, EU:C:2022:967, punt 66).
( 58 ) Arrest van 26 maart 2020, Miasto Łowicz en Prokurator Generalny (C‑558/18 en C‑563/18, EU:C:2020:234, punten 43 en 45).
( 59 ) De vijftiende vraag komt nagenoeg letterlijk overeen met de veertiende vraag, onder b), die in de zaak M.S. e.a., is gesteld. Zoals ik in mijn conclusie in die zaak heb aangegeven, was deze vraag niet-ontvankelijk omdat zij, net als in casu, buiten de context van die zaak viel en dus hypothetisch was. Zie mijn conclusie in de zaak M.S. e.a. (Procedurele rechten van minderjarigen) (C‑603/22, EU:C:2024:157, punten 54‑59).