CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. RICHARD DE LA TOUR
van 13 februari 2025 ( 1 )
Zaak C‑397/23
FL
tegen
Jobcenter Arbeitplus Bielefeld,
in tegenwoordigheid van:
Stadt Bielefeld
[verzoek van het Sozialgericht Detmold (rechter in eerste aanleg, bevoegd in socialezekerheidszaken, Detmold, Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Prejudiciële verwijzing – Vrij verkeer van personen – Unieburger met een verblijfsrecht als werkzoekende – Artikel 18 VWEU – Beginsel van non-discriminatie op grond van nationaliteit – Richtlijn 2004/38/EG – Artikel 24 – Beginsel van gelijke behandeling – Uitzondering inzake sociale bijstand – Omvang – Toekenning van een nationaal verblijfsrecht met het oog op de uitoefening van het ouderlijk gezag over een minderjarig kind – Onderscheid op basis van de nationaliteit van het kind”
I. Inleiding
|
1. |
Het verzoek van het Sozialgericht Detmold (rechter in eerste aanleg, bevoegd in socialezekerheidszaken, Detmold, Duitsland) om een prejudiciële beslissing is ingediend in het kader van een geding tussen FL en Jobcenter Arbeitplus Bielefeld (arbeidsbureau Bielefeld, Duitsland) ( 2 ), dat hem de in de Duitse wet voorziene sociale basisuitkering heeft geweigerd. Aangezien de reden voor dit besluit is gelegen in de verblijfstitel krachtens welke hij legaal op het Duitse grondgebied verblijft, bestrijdt FL, om deze uitkering te kunnen verkrijgen, dat een verblijfsrecht waarin deze wet voorziet en dat is gebaseerd op de uitoefening van het ouderlijk gezag over zijn kind, hem niet kan worden toegekend om de enkele reden dat zijn kind geen Duits onderdaan is. |
|
2. |
In tegenstelling tot eerdere prejudiciële verwijzingen op het gebied van sociale bijstand waarop een „mobiele” burger van de Europese Unie ( 3 ) aanspraak maakte, ziet de niet eerder behandelde vraag die aan het Hof is voorgelegd op een ongelijke behandeling met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning van een nationaal verblijfsrecht en op niet de financiële gevolgen daarvan ten opzichte van nationale onderdanen. |
|
3. |
Het Hof wordt namelijk verzocht zich uit te spreken over de verenigbaarheid met het Unierecht van een regeling betreffende een nationaal verblijfsrecht die niet van toepassing is op een „mobiele” Unieburger vanwege de nationaliteit van diens kind die niet die van het gastland is, terwijl de voorwaarden voor toekenning van dat recht tot de bevoegdheid van die lidstaat behoren. |
|
4. |
De omstandigheden van de zaak in het hoofdgeding bieden het Hof aldus de gelegenheid om de werkingssfeer van artikel 24 van richtlijn 2004/38/EG ( 4 ), inzake gelijke behandeling, te verduidelijken, gelet op zijn recente rechtspraak over de situatie van „mobiele” Unieburgers aan wie het verblijfsrecht is verleend op grond van een nationale regeling die hen vrijstelt van de verplichting om te voldoen aan de in die richtlijn gestelde voorwaarden inzake bestaansmiddelen. ( 5 ) |
II. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
|
5. |
Artikel 18, eerste alinea, VWEU bepaalt: „Binnen de werkingssfeer van de Verdragen en onverminderd de bijzondere bepalingen, daarin gesteld, is elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden.” |
|
6. |
Artikel 14 („Behoud van het verblijfsrecht”) van richtlijn 2004/38 bepaalt in de leden 2 en 4: „2. Burgers van de Unie en hun familieleden behouden het verblijfsrecht van de artikelen 7, 12 en 13 zolang zij voldoen aan de aldaar genoemde voorwaarden. […] 4. In afwijking van de leden 1 en 2 en onverminderd het bepaalde in hoofdstuk VI, kan in geen geval een verwijderingsmaatregel ten aanzien van burgers van de Unie of hun familieleden worden genomen indien: […]
|
|
7. |
Artikel 24 („Gelijke behandeling”) van deze richtlijn luidt: „1. Onverminderd specifieke, in het Verdrag en het afgeleide recht uitdrukkelijk opgenomen bepalingen, geniet iedere burger van de Unie die op basis van deze richtlijn op het grondgebied van een gastland verblijft, binnen het toepassingsgebied van het Verdrag dezelfde behandeling als de onderdanen van dat gastland. […] 2. In afwijking van lid 1 is het gastland niet verplicht een recht op sociale bijstand toe te kennen, gedurende de eerste drie maanden van verblijf of, in voorkomend geval de in artikel 14, lid 4, onder b), bedoelde langere periode, […] aan andere personen dan werknemers of zelfstandigen, of personen die deze status hebben behouden, en hun familieleden.” |
|
8. |
Artikel 37 („Gunstiger nationale bepalingen”) van die richtlijn bepaalt: „Het bepaalde in deze richtlijn geldt onverminderd de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van een lidstaat die eventueel gunstiger zijn voor de personen waarop deze richtlijn betrekking heeft.” |
B. Duits recht
1. Verblijf
|
9. |
§ 28 („Gezinshereniging met Duitse onderdanen”) van het Gesetz über den Aufenthalt, die Erwerbstätigkeit und die Integration von Ausländern im Bundesgebiet (wet inzake het verblijf, de beroepswerkzaamheid en de integratie van vreemdelingen op het grondgebied van de Bondsrepubliek) ( 6 ) van 30 juli 2004 ( 7 ) (hierna: ,,AufenthG”) bepaalt in lid 1: „Een verblijfsvergunning wordt afgegeven aan
indien de Duitse onderdaan zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van de Bondsrepubliek heeft. […]” |
|
10. |
§ 11, lid 14, van het Gesetz über die allgemeine Freizügigkeit von Unionsbürgern (wet inzake het vrije verkeer van Unieburgers) ( 8 ) van 30 juli 2004 ( 9 ) (hierna: „FreizügG/EU”) bepaalt: „Het [AufenthG] is tevens van toepassing wanneer het een gunstiger rechtspositie verleent dan deze wet. […]” |
2. Sociale uitkeringen
|
11. |
§ 7 („Uitkeringsgerechtigden”) van het Sozialgesetzbuch Zweites Buch, Grundsicherung für Arbeitsuchende (boek II van het sociaal wetboek, basisbescherming voor werkzoekenden ( 10 )) ( 11 ) (hierna: „SGB II”) bepaalt in lid 1: „Voor uitkeringen op grond van dit boek komen in aanmerking personen die:
Uitgezonderd zijn:
[…] en hun gezinsleden, […] […] In afwijking van de tweede volzin, punt 2, wordt de uitkering krachtens dit boek toegekend aan vreemdelingen en hun familieleden indien zij sedert ten minste vijf jaren hun gewone verblijfplaats op het grondgebied van de Bondsrepubliek hebben […].” |
3. Sociale bijstand
|
12. |
§ 23 („Sociale bijstand voor vreemdelingen”) van het Sozialgesetzbuch Zwölftes Buch, Sozialhilfe (boek XII van het sociaal wetboek – sociale bijstand) ( 12 ) (hierna: „SGB XII”) bepaalt: „(1) Vreemdelingen die feitelijk op het grondgebied van de Bondsrepubliek verblijven, komen in aanmerking voor de in dit boek geregelde bijstand voor levensonderhoud, bijstand bij ziekte, bijstand bij zwangerschap en moederschap en zorgbijstand. De bepalingen van het vierde hoofdstuk blijven onverlet. Verder kan sociale bijstand worden toegekend indien dit in het specifieke geval gerechtvaardigd is. De in de eerste volzin genoemde restricties gelden niet voor vreemdelingen die in het bezit zijn van een permanente of tijdelijke verblijfsvergunning en die naar verwachting duurzaam op het grondgebied van de Bondsrepubliek zullen verblijven. De bepalingen op grond waarvan naast de in de eerste volzin bedoelde uitkeringen ook andere sociale bijstand moet of zou moeten worden betaald, blijven onverlet. […] (3) Vreemdelingen en hun familieleden komen niet in aanmerking voor de in lid 1 of het vierde hoofdstuk bedoelde uitkeringen, wanneer zij
[…]
[…] […] In afwijking van de eerste volzin, punten 2 en 3, worden uitkeringen uit hoofde van lid 1, eerste en tweede volzinnen, toegekend aan vreemdelingen en hun familieleden indien zij sedert ten minste vijf jaren zonder noemenswaardige onderbreking hun gewone verblijfplaats op het grondgebied van de Bondsrepubliek hebben; […].” |
III. Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vraag
|
13. |
Verzoeker in het hoofdgeding, FL, is een Pools staatsburger die Duitsland op 30 mei 2020 vanuit Nederland is binnengekomen met zijn eveneens Poolse „buitenechtelijke partner” ( 13 ). Laatstgenoemde had daar kort gewoond, terwijl zij sinds 30 augustus 2015, de datum van haar aankomst uit Polen, in Duitsland verbleef. |
|
14. |
Hun gemeenschappelijke kind is op 27 november 2020 in Duitsland geboren en heeft eveneens de Poolse nationaliteit. |
|
15. |
FL, zijn partner en hun gemeenschappelijke kind hebben bij Jobcenter Bielefeld een sociale basisuitkering krachtens het SGB II aangevraagd. Bij besluiten van 3 en 21 december 2020 is de aanvraag van de partner van FL toegewezen met ingang van 30 mei 2020 en de aanvraag ten behoeve van het kind vanaf diens geboorte. De aanvraag van FL is daarentegen bij besluit van 21 april 2021 afgewezen voor de periode van 30 mei 2020 tot en met 28 februari 2021, omdat hij slechts een verblijfsrecht had om werk te zoeken en op geen enkele andere grond in aanmerking kwam voor een verblijfsrecht dat hem recht zou kunnen geven op een uitkering krachtens het SGB II. |
|
16. |
Bij besluit van 19 juli 2021 heeft Jobcenter Bielefeld het door FL gemaakte bezwaar om in wezen dezelfde redenen ongegrond verklaard. Volgens Jobcenter Bielefeld kon FL meer bepaald geen aanspraak maken op een verblijfsrecht:
|
|
17. |
Bovendien moet volgens Jobcenter Bielefeld, gelet op artikel 4 van verordening (EG) nr. 883/2004 ( 17 ), § 28 AufenthG niet aldus worden uitgelegd dat het Unierecht vereist dat de ongehuwde vader van een niet-leerplichtige burger van de Unie in aanmerking komt voor een verblijfsrecht. |
|
18. |
Verder betekent het enkele feit dat de ongehuwde vader geen sociale basisuitkering uit hoofde van het SGB II ontvangt, niet dat zijn partner feitelijk geen gebruik kan maken van haar recht op vrij verkeer en verblijf. |
|
19. |
Op 12 augustus 2021 is FL tegen dit besluit in beroep gegaan bij de verwijzende rechter. Hij is in wezen van mening dat een verblijfsrecht voortvloeit uit § 28, lid 1, eerste volzin, punt 3, AufenthG, juncto artikel 6 van het Grundgesetz für die Bundesrepublik Deutschland (grondwet van de Bondsrepubliek Duitsland) ( 18 ), en artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ( 19 ). Hij betoogt dat het in strijd is met het Unierecht om gezinshereniging met het oog op het uitoefenen van het ouderlijk gezag te beperken tot het ouderlijk gezag dat wordt uitgeoefend over een „Duits onderdaan”. Dit is buitensporige discriminatie en een beperking van het vrije verkeer. ( 20 ) |
|
20. |
Jobcenter Bielefeld en het Amt für soziale Leistungen (Sozialamt) der Stadt Bielefeld (sociale dienst van de stad Bielefeld, Duitsland), als interveniënt in de procedure, hebben in antwoord hierop aangevoerd dat er geen verblijfsrecht kan worden ontleend aan § 28, lid 1, eerste volzin, punt 3, AufenthG, dat volgens de bewoordingen ervan enkel van toepassing is op „Duitse onderdanen” en niet op „burgers van de Unie”. Het is inherent aan de nationale immigratie‑ en verblijfswetgeving om een onderscheid te maken tussen „Duitse onderdanen” en „vreemdelingen”. Deze wetgeving is niet in strijd met het Unierecht. |
|
21. |
De verwijzende rechter legt uit dat de hogere rechters uiteenlopende uitspraken hebben gedaan over de vraag of er sprake is van discriminatie wanneer er geen verblijfsvergunning wordt verleend aan een burger van de Unie die het ouderlijk gezag uitoefent over een minderjarig kind dat op het grondgebied van de Bondsrepubliek woont, het recht van vrij verkeer geniet en de nationaliteit van een andere lidstaat bezit. |
|
22. |
Deze rechter verduidelijkt ook dat het Bundesverfassungsgericht (federaal grondwettelijk hof, Duitsland) in een beschikking van 4 oktober 2019 ( 21 ) eraan heeft herinnerd dat in de rechtspraak van hogere gerechten voor socialezekerheidszaken en in de rechtsleer de meningen uiteenlopen over de vraag of krachtens § 11, lid 1, elfde volzin, FreizügG/EU, in de tot en met 23 november 2020 geldende versie ( 22 ), gelezen in samenhang met § 28, lid 1, eerste volzin, punt 3, AufenthG en artikel 18, eerste alinea, VWEU, een verblijfsrecht kan worden toegekend aan een ouder die het ouderlijk gezag uitoefent over een minderjarige Unieburger die krachtens § 3, lid 1, eerste volzin, FreizügG/EU vrij mag reizen, omdat hij zijn andere ouder vergezelt. |
|
23. |
Bij gebreke van een uitspraak op dit punt van de hoogste rechter is de verwijzende rechter van oordeel dat hij zich tot het Hof moet wenden, zodat deze zich kan uitspreken over de verenigbaarheid van de Duitse regeling met het Unierecht, in het bijzonder de artikelen 18 en 20 en artikel 21, lid 2, VWEU en artikel 33, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ( 23 ), verordening (EG) nr. 987/2009 ( 24 ) en richtlijn 2004/38. |
|
24. |
In die context heeft het Sozialgericht Detmold de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag voorgelegd: „Moet het Unierecht aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die inhoudt dat in het kader van de uitoefening van het ouderlijk gezag alleen een verblijfsvergunning wordt verleend aan de buitenlandse ouder van een minderjarig, ongehuwd binnenlands kind, wanneer dit kind zijn gewone verblijfplaats op het nationaal grondgebied heeft, hetgeen tot gevolg heeft dat Unieburgers geen dergelijk recht op een verblijfsvergunning met het oog op de uitoefening van het ouderlijk gezag hebben wanneer het gaat om een minderjarige Unieburger die niet de nationaliteit van de betrokken lidstaat, maar die van een andere lidstaat heeft?” |
|
25. |
Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door de Europese Commissie, die net als de Duitse regering heeft deelgenomen aan de terechtzitting van 14 november 2024, waar zij ook antwoord hebben gegeven op de mondelinge vragen van het Hof. |
IV. Analyse
|
26. |
Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de nationale regeling van een lidstaat op grond waarvan een „mobiele” Unieburger die ouder is van een minderjarig ongehuwd kind dat geen onderdaan is van de gastlidstaat waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft, geen verblijfsvergunning wordt toegekend om zijn ouderlijk gezag uit te oefenen, verenigbaar is met het Unierecht, en, gelet op de motivering van zijn verzoek, in het bijzonder met artikel 18 VWEU en artikel 33, lid 1, van het Handvest alsook met richtlijn 2004/38. |
|
27. |
Deze nationale regeling, die een lidstaat toestaat op het gebied van het verblijfsrecht gunstiger bepalingen vast te stellen dan die waarin het Unierecht voorziet ( 25 ), valt onder artikel 37 van richtlijn 2004/38. |
|
28. |
Zij bevordert gezinshereniging met het oog op de uitoefening van het ouderlijk gezag over een Duits kind door zijn buitenlandse ouder. ( 26 ) Bij gebreke van een voorbehoud ten aanzien van kinderen die tevens Unieburgers zijn, leidt deze regeling tot discriminatie op grond van nationaliteit, die krachtens het Unierecht verboden is. Dit algemene gelijkheidsbeginsel behoort tot de grondbeginselen van het Unierecht. ( 27 ) |
|
29. |
Volgens vaste rechtspraak, die het Hof in herinnering brengt in de punten 62, 63 en 65 ( 28 ) van het arrest CG, geldt immers dat:
|
|
30. |
In punt 66 van arrest CG heeft het Hof tevens geoordeeld dat „het beginsel van non-discriminatie in artikel 24 van richtlijn 2004/38 [is] geconcretiseerd ten aanzien van Unieburgers die hun recht uitoefenen om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven”. |
|
31. |
In dit verband heeft het Hof er in punt 67 van dat arrest kort gezegd op gewezen dat „mobiele” Unieburgers ( 30 ) binnen de werkingssfeer van richtlijn 2004/38 vallen en de bij deze richtlijn verleende rechten genieten, en geoordeeld dat de vraag of dergelijke burgers worden gediscrimineerd op grond van nationaliteit dus aan de hand van artikel 24 van richtlijn 2004/38 en niet van artikel 18, eerste alinea, VWEU moet worden beoordeeld. |
|
32. |
Ik merk op dat, in dat stadium van de motivering van het arrest CG, het feit dat het verblijfsrecht is neergelegd in nationale bepalingen die gunstiger zijn dan die van richtlijn 2004/38 niet van invloed is, terwijl de betrokkene, in dat geval, een nationaal verblijfsrecht genoot en artikel 24, lid 1, van deze richtlijn de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling beperkt tot burgers van de Unie die op basis van die richtlijn op het grondgebied van het gastland verblijven ( 31 ). |
|
33. |
Aangezien FL in casu legaal als werkzoekende ( 32 ) op het Duitse grondgebied verblijft, lijkt het dus op het eerste gezicht logisch om, zoals de Commissie betoogt, de verwijzende rechter met een beroep op artikel 24, lid 1, van richtlijn 2004/38 te antwoorden dat, aangezien de nationale regeling een verschil in behandeling ten opzichte van de eigen onderdanen doen ontstaan, deze in strijd is met het daarin neergelegde beginsel van gelijke behandeling, omdat deze regeling in wezen afbreuk doet aan de feitelijke uitoefening van het recht om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven. |
|
34. |
Daarnaast moet met betrekking tot het kind van FL worden gepreciseerd dat het feit dat dit kind op Duits grondgebied is geboren en geen gebruik heeft gemaakt van het recht van vrij verkeer, niet van invloed is op de uitoefening van zijn rechten inzake vrij verkeer en verblijf van personen als burger van de Unie. ( 33 ) |
|
35. |
Ik ben er echter niet van overtuigd dat artikel 24, lid 1, van richtlijn 2004/38 in dit geval kan worden toegepast. Daarom zal ik, na mijn bezwaren te hebben uiteengezet, aangeven welke gronden mijns inziens wel in aanmerking moeten worden genomen. |
A. Toepassing van artikel 24, lid 1, van richtlijn 2004/38
|
36. |
Zoals de Commissie stelt, berust de keuze voor deze grondslag, die inhoudt dat er een vergelijking wordt gemaakt met de eigen onderdanen, op twee verschillende benaderingen van de betrokken discriminatie op basis van de nationaliteit van het kind, afhankelijk van het feit of men deze bekijkt vanuit het oogpunt van het kind of vanuit dat van de buitenlandse ouder. |
|
37. |
De betrokken nationale regeling heeft tot gevolg dat het niet-Duitse kind rechtstreeks wordt gediscrimineerd ten opzichte van een Duits kind dat kan profiteren van de aanwezigheid van zijn buitenlandse ouder op Duits grondgebied met het oog op de uitoefening van het ouderlijk gezag. |
|
38. |
Wat betreft de buitenlandse ouder wiens kind niet Duits is, moet ervan worden uitgegaan dat hij vanwege de nationaliteit van zijn kind rechtstreeks wordt gediscrimineerd ( 34 ), omdat hij het ouderlijk gezag over zijn kind niet onder dezelfde voorwaarden kan uitoefenen als een Duitse ouder. Voor zover de discriminatie verband houdt met de nationaliteit van het kind, kan zij worden aangemerkt als discriminatie „op grond van een band” ( 35 ) of als „indirecte” discriminatie ( 36 ) [in het Frans: „discrimination par association” of „discrimination par ricochet”], waarbij deze uitdrukkingen als synoniemen worden gebruikt. Deze uitdrukkingen doelen op een situatie waarin een persoon die slachtoffer is van rechtstreekse discriminatie op basis van een criterium (handicap of ander criterium, zoals in casu de nationaliteit, het zijn van een Duits kind) zelf niet aan dat criterium voldoet, maar dat criterium wel de reden is voor zijn beweerdelijke, minder gunstige behandeling. Het is dan het recht van de door het discriminerende criterium geraakte persoon dat wordt ingeroepen en niet een eigen recht van de persoon die het betreft. |
|
39. |
Ongeacht of het gaat om het kind of de ouder, doet zich hier echter een serieus probleem voor vanwege het voorwerp van het geding, te weten de toekenning van een nationaal verblijfsrecht. ( 37 ) |
|
40. |
Ik herinner eraan dat artikel 24, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2004/38 bepaalt dat „[o]nverminderd specifieke, in het Verdrag en het afgeleide recht uitdrukkelijk opgenomen bepalingen, […] iedere burger van de Unie die op basis van deze richtlijn op het grondgebied van een gastland verblijft, binnen het toepassingsgebied van het Verdrag dezelfde behandeling [geniet] als de onderdanen van dat gastland”. |
|
41. |
Het is waar dat in casu zowel het kind als de vader in Duitsland verblijven krachtens richtlijn 2004/38. Bovendien strekt de vraag van de verwijzende rechter, hoewel deze betrekking heeft op de voorwaarden voor toekenning van een nationaal verblijfsrecht, tot de erkenning van een recht op sociale basisuitkeringen onder dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor eigen onderdanen. |
|
42. |
Op dit punt is mijns inziens duidelijkheid geboden. De in het hoofdgeding aan de orde zijnde gelijke behandeling heeft alleen betrekking op de voorwaarden voor toekenning van een verblijfsvergunning en niet op toegang tot sociale basisuitkeringen. Is die vergunning eenmaal verkregen, dan worden de uitkeringen uitbetaald zonder dat er een onderscheid tussen uitkeringsgerechtigden wordt gemaakt. ( 38 ) |
|
43. |
Het in artikel 24, lid 1, van richtlijn 2004/38 neergelegde beginsel van gelijke behandeling ten opzichte van nationale onderdanen kan echter niet leiden tot toekenning van een verblijfsrecht, ongeacht of dit rechtstreeks aan de vader of indirect aan het kind ten goede komt. |
|
44. |
Tot dusver is dit artikel 24 in de rechtspraak van het Hof uitgelegd in het kader van aanvragen voor sociale bijstand, waarbij de ongelijke behandeling werd ingeroepen in vergelijking met de rechten die aan nationale onderdanen in dezelfde economische situatie werden toegekend. ( 39 ) Het Hof heeft zich uitgesproken over de voorwaarden voor toepassing van het beginsel van gelijke behandeling ten opzichte van nationale onderdanen met betrekking tot de gevolgen van een verblijfsrecht. ( 40 ) Dit recht moet worden toegekend krachtens richtlijn 2004/38 ( 41 ) en er wordt, wat de gevolgen ervan betreft, op het gebied van sociale bijstand uitdrukkelijk alleen in uitzonderingen voor bepaalde categorieën personen voorzien. ( 42 ) |
|
45. |
In het onderhavige geval betreft de aanvraag van FL een eerder stadium, namelijk dat van het verkrijgen van een verblijfsrecht. |
|
46. |
Daarom ben ik, anders dan de Commissie die haar mening baseert op artikel 24, lid 2, van richtlijn 2004/38 op grond dat deze bepaling niet voorziet in een uitzondering op het beginsel van gelijke behandeling inzake verblijfsrecht, van mening dat dit beginsel niet kan dienen om een dergelijk recht toe te kennen. Met andere woorden, het verkrijgen van een verblijfsvergunning zoals bedoeld in de betrokken nationale regeling kan geen gevolg zijn van dat beginsel dat Unieburgers genieten vanwege hun krachtens deze richtlijn verleende verblijfsrecht. |
|
47. |
Een ander argument kan worden ontleend aan de bewoordingen van deze bepaling. De bepaling maakt uitdrukkelijk een vergelijking met de eigen onderdanen. Deze kunnen echter voor zichzelf geen aanspraak maken op enig verblijfsrecht, aangezien dit onvoorwaardelijk is. ( 43 ) Het in richtlijn 2004/38 neergelegde beginsel van gelijke behandeling is dus niet van toepassing op het gebied van het verblijfsrecht, ongeacht of op dat gebied gunstiger nationale bepalingen gelden. |
|
48. |
Zou het echter mogelijk zijn te kiezen voor een teleologische uitlegging van artikel 24 van richtlijn 2004/38, zoals de Commissie suggereert, aangezien de vergelijking met de eigen onderdanen moet worden gemaakt „binnen de werkingssfeer van het Verdrag”? ( 44 ) Met andere woorden, de gelijke behandeling ten opzichte van de onderdanen van de gastlidstaat is weliswaar niet rechtstreeks aan de orde op het gebied van het verblijfsrecht, maar dat zou wel het geval kunnen zijn op andere toepassingsgebieden van het Verdrag, daarbij uitsluitend uitgaande van het doel van de betrokken regeling. In die zin betoogt de Commissie op basis van artikel 24, lid 1, van richtlijn 2004/38 dat de betrokken nationale regeling vanuit het oogpunt van het kind afbreuk doet aan het nuttig effect van het verblijfsrecht dat het kind op grond van deze richtlijn op het Duitse grondgebied geniet ( 45 ), aangezien het kind niet op dezelfde wijze als een Duits kind een gezinsleven kan hebben. Zij voert ten eerste aan dat het Unierecht, en met name de artikelen 7 en 24 van het Handvest, niet alleen het gezinsleven en het recht van het kind op welzijn beschermt, en ten tweede dat het nuttig effect van het verblijfsrecht van een jong kind impliceert dat dit kind het recht heeft om te worden begeleid en verzorgd door degene die voor hem verantwoordelijk is. ( 46 ) |
|
49. |
Teruggeplaatst in het kader van artikel 24, lid 1, van richtlijn 2004/38, veronderstellen deze argumenten dus het idee dat de betrokken regeling, die de uitoefening van het ouderlijk gezag door buitenlandse ouders van Duitse kinderen vergemakkelijkt, het voor ouders in hun betrekkingen met hun kinderen mogelijk maakt om in vergelijking met de nationale onderdanen die dezelfde ouderlijke rechten uitoefenen, ten volle gebruik te maken van de rechten die zijn verbonden aan de uitoefening van het recht van vrij verkeer en verblijf, dat het recht omvat om een gezinsleven te leiden met alle daaraan verbonden rechten. ( 47 ) |
|
50. |
Ook kan worden opgemerkt dat de betrokken nationale regeling, die voor buitenlandse ouders is gemaakt en die een verblijfsvergunning voor gezinshereniging combineert met de mogelijkheid om daartoe sociale basisuitkeringen te verkrijgen, bijdraagt aan het waarborgen van het vrije verkeer en een gezinsleven onder normale en waardige omstandigheden. ( 48 ) |
|
51. |
Deze rechten, die moeten worden beschermd ongeacht nationaliteit, zouden dus rechtvaardigen dat artikel 24, lid 1, van richtlijn 2004/38 wordt toegepast om te beoordelen of de betrokken nationale regeling in overeenstemming is met het Unierecht, hetgeen zou leiden tot een recht van verblijf op het nationale grondgebied. |
|
52. |
Deze rechten zijn immers van essentieel belang. Vanuit deze invalshoek bezien zou het beginsel van non-discriminatie op grond van nationaliteit, zoals geconcretiseerd in artikel 24 van richtlijn 2004/38, met de in lid 2 van dat artikel bepaalde uitzonderingen, echter een bijzonder ruime werkingssfeer hebben, hetgeen in strijd zou kunnen zijn met de opzet van deze richtlijn. |
|
53. |
In dit verband toont de situatie van FL concreet het belang aan om niet de weg in te slaan van een ruime uitlegging van de werkingssfeer van artikel 24, lid 1, van richtlijn 2004/38. Ik herinner eraan dat FL op het Duitse grondgebied beschikt over een in deze richtlijn neergelegd verblijfsrecht om werk te zoeken en daarom dus de toepassing van artikel 24, lid 1, van die richtlijn kan inroepen voor andere gevolgen dan die op het gebied van een sociale basisuitkering, nu hij daar volgens artikel 24, lid 2, van die richtlijn geen aanspraak op kan maken. |
|
54. |
Gelet op de door de verwijzende rechter verstrekte details over de procedure ( 49 ) staat bovendien vast dat FL krachtens richtlijn 2004/38 op geen enkele andere grond, met name vanwege zijn familiebetrekkingen ( 50 ), een verblijfsrecht kan krijgen en dus aanspraak kan maken op de daaraan verbonden sociale basisuitkering. |
|
55. |
Wanneer derhalve wordt aanvaard dat FL op grond van artikel 24, lid 1, van richtlijn 2004/38 een verblijfsrecht kan verkrijgen op grond waarvan hij een gezinsleven kan leiden onder dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor eigen onderdanen, worden daarmee mijns inziens de door deze richtlijn gestelde grenzen op economisch en gezinsgebied ( 51 ) en dus het door de Uniewetgever gekozen algemene evenwicht ter discussie gesteld. |
|
56. |
Dit is bovendien reden om een nationale regeling op grond waarvan een verblijfsvergunning kan worden verleend aan een burger van de Unie wiens situatie onder deze richtlijn valt, niet te onderwerpen aan het in artikel 24, lid 1, van richtlijn 2004/38 geconcretiseerde non-discriminatiebeginsel. |
|
57. |
In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat het in het arrest CG geformuleerde beginsel dat aan de hand van artikel 24 van richtlijn 2004/38 en niet aan de hand van artikel 18, eerste alinea, VWEU moet worden beoordeeld of „mobiele” Unieburgers worden gediscrimineerd op grond van nationaliteit ( 52 ), moet worden beperkt tot situaties waarin de gevolgen van een krachtens deze richtlijn toegekend verblijfsrecht onderwerp zijn van discussie in vergelijking met nationale onderdanen, hetgeen gunstiger nationale maatregelen op het gebied van het recht van verblijf uitsluit. |
|
58. |
Nu uitlegging van artikel 24, lid 1, van richtlijn 2004/38 niet mogelijk is, moeten de voorwaarden worden verduidelijkt waaronder artikel 18 VWEU dan van toepassing is. |
B. Toepassing van artikel 18 VWEU
|
59. |
De keuze voor deze grondslag voor het recht op gelijke behandeling voor de verkrijging van een verblijfsvergunning vloeit voort uit de vaststelling dat de betrokken regeling voor de ouder discriminatie tussen „mobiele” Unieburgers tot gevolg heeft op grond van de nationaliteit van het kind waarover hij het ouderlijk gezag uitoefent. Het Hof heeft reeds geoordeeld dat artikel 18, eerste alinea, VWEU ziet op onder het toepassingsgebied van het Unierecht vallende situaties waarin een onderdaan van een lidstaat enkel op grond van zijn nationaliteit discriminerend wordt behandeld ten opzichte van onderdanen van een andere lidstaat. ( 53 ) |
|
60. |
Voor het kind kan gelijke behandeling ten opzichte van een Duits kind worden ingeroepen, omdat de in de nationale regeling voorziene verblijfsvergunning voor zijn ouder het kind waarborgt dat het daadwerkelijk gebruik kan maken van de hem in artikel 20, lid 2, eerste alinea, onder a), en artikel 21 VWEU toegekende vrijheid om op het Duitse grondgebied te reizen en te verblijven. Deze aanspraak kan worden gebaseerd op artikel 18 VWEU, aangezien het niet gaat om een gevolg van een krachtens richtlijn 2004/38 verleend verblijfsrecht in de zin van artikel 24 van die richtlijn. ( 54 ) |
|
61. |
Een dergelijke analyse van zowel de situatie van FL als die van zijn kind ( 55 ) heeft, ook al verblijven zij in Duitsland op grond van richtlijn 2004/38, het voordeel in het verlengde te liggen van het deel van de motivering van het arrest CG waarin het Hof heeft opgemerkt dat wanneer de lidstaten voorzien in een verblijfsrecht volgens een gunstiger regeling dan die van richtlijn 2004/38, zij geen uitvoering geven aan deze richtlijn. ( 56 ) |
|
62. |
Zo blijft deze analyse binnen de lijnen van de rechtspraak van het Hof over de bijzondere bepalingen waarin uitvoering wordt gegeven aan het in artikel 18 VWEU neergelegde beginsel en over de aan de artikelen 20 en 21 VWEU ontleende rechten. |
|
63. |
In dit verband heeft de Duitse regering ter terechtzitting aangevoerd dat het de bedoeling van de wetgever was om een recht te concretiseren krachtens artikel 11 van de grondwet, dat de eenheid van het gezin op het Duitse grondgebied beschermt. In dezelfde zin heeft de Commissie verduidelijkt dat wat oorspronkelijk in 1990 slechts een recht was dat krachtens het Duitse grondrecht aan Duitse onderdanen was voorbehouden, thans een fundamenteel recht van de Unie is geworden. Volgens de Commissie moet de rechtvaardigingsgrond van het verblijf van een ouder ten bate van een Duits kind, dat moest worden beschermd, thans gelden voor alle kinderen die legaal in Duitsland verblijven, aangezien zij burgers van de Unie zijn. Zo is er consensus ontstaan over de vaststelling dat de grondslag van de betrokken nationale regeling gelijkwaardig is aan hetgeen is vastgelegd in de artikelen 20 en 21 VWEU. |
|
64. |
De voorwaarden voor toekenning van een verblijfsvergunning die bij gebreke van bijzondere bepalingen ter ordening van het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit in een dergelijk geval leiden tot discriminatie tussen „mobiele” Unieburgers, vallen dus onder artikel 18 VWEU. Het feit dat deze kwestie betrekking heeft op een „mobiele” burger van de Unie wiens situatie onder richtlijn 2004/38 valt, is niet van belang. |
|
65. |
In casu is de nationale regeling in strijd met een dergelijk fundamenteel beginsel, doordat zij ouders van Duitse kinderen op het gebied van verblijfsvergunningen gunstiger behandelt. |
|
66. |
Bovendien is het zo dat, hoewel de vaststelling van gunstiger voorwaarden dan die van het Unierecht op dit gebied tot de uitoefening van de bevoegdheid van de lidstaten behoort, de lidstaten gehouden zijn om hun uit het Unierecht voortvloeiende verplichtingen na te komen. |
C. Grenzen aan de uitoefening van hun bevoegdheden door lidstaten
|
67. |
Het is van belang te wijzen op de beslissing van het Hof in het arrest CG over de toepassing van het Handvest, te weten dat een lidstaat die een nationale verblijfsregel vaststelt die gunstiger is dan die van richtlijn 2004/38, uitvoering geeft aan de bepalingen van het VWEU betreffende de status van een Unieburger die gebruik heeft gemaakt van zijn bij artikel 21, lid 1, VWEU verleende recht van vrij verkeer op het grondgebied van de lidstaten. Bijgevolg moet deze lidstaat zich overeenkomstig artikel 51, lid 1, van het Handvest voegen naar de bepalingen van het Handvest. ( 57 ) |
|
68. |
Zoals ik reeds heb opgemerkt ( 58 ), zijn in de situatie die in het hoofdgeding aan de orde is, het door artikel 7 van het Handvest gewaarborgde recht op privé‑, familie‑ en gezinsleven en de door artikel 24 daarvan gewaarborgde rechten van het kind, met name het recht dat bij alle handelingen die betrekking hebben op kinderen als essentiële overweging rekening wordt gehouden met het belang van het kind alsmede het recht om regelmatig persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met zijn beide ouders te onderhouden, van fundamenteel belang. ( 59 ) |
|
69. |
In het antwoord op de vraag van de verwijzende rechter volstaat mijns inziens de vaststelling dat er sprake is van discriminatie op grond van nationaliteit, zonder dat hoeft te worden verduidelijkt aan welke andere, aan het Handvest ontleende grondrechten de betrokken lidstaat zich bij de uitoefening van zijn bevoegdheid moet houden in situaties die onder het Unierecht vallen. In dit verband is het van weinig belang of er sprake is van rechtstreekse discriminatie al dan niet op grond van een band ( 60 ), aangezien de rechtvaardiging van de nationale regeling in geen van beide gevallen relevant is in het licht van de aangevoerde beginselen, die ook in het Unierecht zijn verankerd en beschermd. ( 61 ) |
|
70. |
Bijgevolg geef ik het Hof in overweging zijn antwoord te beperken tot de uitlegging van artikel 18 VWEU, gelezen in samenhang met artikel 20, lid 2, eerste alinea, onder a), en artikel 21, lid 1, VWEU. |
V. Conclusie
|
71. |
Gelet op het bovenstaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van het Sozialgericht Detmold te beantwoorden als volgt: „Artikel 18 VWEU, gelezen in samenhang met artikel 20, lid 2, eerste alinea, onder a), en artikel 21, lid 1, VWEU, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de nationale regeling van een gastlidstaat op grond waarvan de toekenning van een verblijfsvergunning met het oog op de uitoefening van het ouderlijk gezag is voorbehouden aan ‚mobiele’ Unieburgers die ouders zijn van een minderjarig ongehuwd kind dat onderdaan is van de gastlidstaat waar het zijn gewone verblijfplaats heeft, en wordt geweigerd wanneer het kind onderdaan is van een andere lidstaat.” |
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) Hierna: „Jobcenter Bielefeld”.
( 3 ) Het gaat om Unieburgers die niet de nationaliteit bezitten van de lidstaat op het grondgebied waarvan zij verblijven.
( 4 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB 2004, L 158, blz. 77, met rectificatie in PB 2004, L 229, blz. 35).
( 5 ) Zie arrest van 15 juli 2021, The Department for Communities in Northern Ireland (C‑709/20, EU:C:2021:602; hierna: „arrest CG”).
( 6 ) BGBl. 2004 I, blz. 1950.
( 7 ) In de versie van de wet van 27 juli 2015 (BGBl. 2015 I, blz. 1386).
( 8 ) BGBl. 2004 I, blz. 1986.
( 9 ) In de versie van de wet van 12 november 2020 (BGBl. 2020 I, blz. 2416).
( 10 ) Sinds 1 januari 2023 is aan het opschrift van dit boek II het woord „Bürgergeld” (burgerinkomen) toegevoegd.
( 11 ) In de tot en met 31 december 2020 van kracht zijnde versie voortvloeiend uit de wet van 30 november 2019 (BGBl. 2019 I, blz. 1948).
( 12 ) In de tot en met 31 december 2020 van kracht zijnde versie voortvloeiend uit de wet van 22 december 2016 (BGBl. 2016 I, blz. 3155).
( 13 ) Hierna: „partner”. Deze term is in het verzoek om een prejudiciële beslissing gebruikt zonder verband met aan richtlijn 2004/38 ontleende begrippen. Het staat in die zin gelijk met „ongehuwde partner” of „samenwonende partner”.
( 14 ) Krachtens § 28, lid 1, eerste volzin, punt 3, AufenthG, afzonderlijk of in samenhang met § 11, lid 14, eerste volzin, FreizügG/EU.
( 15 ) C‑181/19, EU:C:2020:794.
( 16 ) Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie (PB 2011, L 141, blz. 1).
( 17 ) Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB 2004, L 166, blz. 1, met rectificatie in PB 2004, L 200, blz. 1). Dit artikel („Gelijke behandeling”) luidt: „Tenzij in deze verordening anders bepaald, hebben personen op wie de bepalingen van deze verordening van toepassing zijn, de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van elke lidstaat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat.”
( 18 ) Hierna: „grondwet”. Dit artikel beoogt met name bijzondere bescherming van het huwelijk en het gezin te garanderen en formuleert de verplichtingen van ouders op het gebied van de verzorging en opvoeding van hun kinderen. Bovendien is daarin het beginsel van gelijke behandeling van buitenechtelijke en uit het huwelijk geboren kinderen vastgelegd.
( 19 ) Ondertekend te Rome op 4 november 1950.
( 20 ) Vanwege de door FL aangevoerde gronden heeft de verwijzende rechter opgemerkt dat de aanvraag door FL van een sociale basisuitkering geen betrekking kan hebben op een tijdvak beginnend op 30 mei 2020, de datum waarop hij Duitsland is binnengekomen om daar werk te zoeken. Aangezien de aanvraag is gebaseerd op de uitoefening van het ouderlijk gezag over zijn zoon, zou de geboortedatum van dat kind, dat wil zeggen op 27 november 2020, de ingangsdatum moeten zijn. Dat betekent dat de aangevraagde sociale basisuitkering een tijdvak van drie maanden betreft.
( 21 ) De verwijzende recht heeft aangegeven dat deze beslissing kan worden geraadpleegd via de volgende link: https://www.bundesverfassungsgericht.de/SharedDocs/Downloads/DE/2019/10/rk20191004_1bvr171018.html, punt 12.
( 22 ) Op 24 november 2020 is dit § 11, lid 14, eerste volzin, geworden.
( 23 ) Hierna: „Handvest”.
( 24 ) Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB 2009, L 284, blz. 1).
( 25 ) Zie in het geval van een ouder die onderdaan is van een derde land, de zaak Stadt Wuppertal (C‑130/24), thans aanhangig. Zie voor andere gevallen ook arrest van 21 december 2011, Ziolkowski en Szeja (C‑424/10 en C‑425/10, EU:C:2011:866, punt 50), en het arrest CG (punt 82).
( 26 ) Ter terechtzitting heeft de Duitse regering verduidelijkt dat een Duits kind krachtens § 28 AufenthG zijn gezin kan herenigen op grond van artikel 11 van de grondwet, dat betrekking heeft op het verblijfsrecht van Duitsers in Duitsland. Zie tevens punt 63 van deze conclusie.
( 27 ) Zie arresten van 19 november 2024, Commissie/Tsjechië (Verkiesbaarheid en lidmaatschap van een politieke partij) (C‑808/21, EU:C:2024:962, punt 97), en Commissie/Polen (Verkiesbaarheid en lidmaatschap van een politieke partij) (C‑814/21, EU:C:2024:963, punt 96).
( 28 ) Zie ook, wat dit punt 65 betreft, arresten van 19 november 2024, Commissie/Tsjechië (Verkiesbaarheid en lidmaatschap van een politieke partij) (C‑808/21, EU:C:2024:962, punt 98), en Commissie/Polen (Verkiesbaarheid en lidmaatschap van een politieke partij) (C‑814/21, EU:C:2024:963, punt 97).
( 29 ) Zie tevens het arrest CG (punt 58).
( 30 ) In dat arrest geeft het Hof aan dat „ingevolge artikel 3, lid 1, van richtlijn 2004/38 de burgers van de Unie die zich begeven naar of verblijven in een andere lidstaat dan die waarvan zij de nationaliteit bezitten, en hun familieleden, als gedefinieerd in artikel 2, punt 2, van deze richtlijn, die hen begeleiden of zich bij hen voegen, binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallen en de bij deze richtlijn verleende rechten genieten (arrest van 10 september 2019, Chenchooliah,C‑94/18, EU:C:2019:693, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak)”.
( 31 ) Zie het arrest CG (punt 83).
( 32 ) Zie punt 15 van deze conclusie.
( 33 ) Zie in die zin arrest van 13 september 2016, Rendón Marín (C‑165/14, EU:C:2016:675, punt 42).
( 34 ) In casu gaat het om de nationaliteit en niet om een neutraal criterium dat tot een dergelijke discriminatie op grond van nationaliteit leidt.
( 35 ) Zie naar analogie deze uitdrukking in de conclusie van advocaat-generaal Poiares Maduro in de zaak Coleman (C‑303/06, EU:C:2008:61, punten 4, 5 en 20, en voetnoot 5).
( 36 ) Zie de conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak CHEZ Razpredelenie Bulgaria (C‑83/14, EU:C:2015:170, punt 55).
( 37 ) Zie punt 19 van deze conclusie.
( 38 ) Wat betreft de gevolgen ervan voor de sociale basisuitkering, volgt uit de bewoordingen van § 7, lid 1, SGB II en § 23 SGB XII dat het niet van belang is of verzoeker een Duits onderdaan is of niet en of zijn verblijfsrecht is ontleend aan richtlijn 2004/38 of aan de betrokken nationale regeling. In dit laatste geval is de Duitse regeling inzake sociale bijstand gunstig voor burgers van de Unie, aangezien het Hof in het arrest CG heeft geoordeeld dat degenen die geen verblijfsrecht krachtens richtlijn 2004/38 genieten, zich niet kunnen beroepen op het in artikel 24, lid 1, van deze richtlijn geconcretiseerde non-discriminatiebeginsel (zie in die zin de punten 80 en 83 van dat arrest).
( 39 ) Zie met name het arrest CG (punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 40 ) Zie in dit verband het arrest CG (punt 83 en aldaar aangehaalde rechtspraak over de vrijheid van lidstaten om de gevolgen van een alleen op grond van het nationale recht toegekend verblijfsrecht nader uit te werken).
( 41 ) Uit het arrest CG vloeit voort dat een Unieburger die een onredelijke belasting voor het socialebijstandstelsel van het gastland kan vormen (punt 80) of wiens verblijfsrecht is toegekend krachtens een nationale regeling die gunstiger is dan de bepalingen van richtlijn 2004/38 (punt 83) zonder inkomensvoorwaarde (punt 81) zich niet kan beroepen op het in artikel 24, lid 1, van richtlijn 2004/38 geconcretiseerde gelijkheidsbeginsel teneinde de sociale bijstand te krijgen die ook aan nationale onderdanen in dezelfde situatie wordt uitgekeerd.
( 42 ) Zie artikel 24, lid 2, van richtlijn 2004/38.
( 43 ) Zie in die zin arresten van 14 november 2017, Lounes (C‑165/16, EU:C:2017:862, punt 37), en 22 juni 2023, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Thaise moeder van een minderjarig Nederlands kind) (C‑459/20, EU:C:2023:499, punt 41). Zie ook de mededeling van de Commissie „Richtsnoeren betreffende het recht van vrij verkeer van EU-burgers en hun familieleden” (PB C, C/2023/1392), in het bijzonder blz. 6.
( 44 ) Zie ter vergelijking inzake sociale bijstand, Lenaerts, K., en Gutiérrez-Fons, J., Les méthodes d’interprétation de la Cour de justice de l’Union européenne, Bruylant, Brussel, 2020, in het bijzonder punt 71 (blz. 69‑71), en Lenaerts, K., „The Broadening of EU Competences Through the Case Law of the Court of Justice: Myth or Reality?”, ERA Forum, Journal of the Academy of European Law, deel 24, nr. 4, ERA, Trier, 2023, blz. 589‑598, in het bijzonder blz. 595 en 596.
( 45 ) Ik herinner eraan dat in casu het kind van FL een verblijfsrecht heeft dat is afgeleid van dat van zijn moeder. Het Hof heeft geoordeeld dat „artikel 20 VWEU zich verzet tegen nationale maatregelen, daaronder begrepen beslissingen tot weigering van verblijf aan familieleden van een burger van de Unie, die tot gevolg hebben dat de burger van de Unie het effectieve genot van de voornaamste aan zijn status ontleende rechten wordt ontzegd” [zie arrest van 10 mei 2017, Chavez-Vilchez e.a. (C‑133/15, EU:C:2017:354, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak)].
( 46 ) Zie tevens de argumenten van FL, in het kort weergegeven onder punt 19 van deze conclusie.
( 47 ) Zie met name het arrest CG (punt 90) en arrest van 14 december 2021, Stolichna obshtina, rayon Pancharevo (C‑490/20, EU:C:2021:1008, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en punten 59 en 65). In casu zou FL kunnen aanvoeren dat alleen economische redenen hem ervan weerhouden om in Duitsland te blijven om daar het ouderlijk gezag uit te oefenen, nu hij wel in Duitsland mag verblijven om er werk te zoeken, maar niet in aanmerking komt voor een sociale basisuitkering. Ook zou kunnen worden betoogd dat, afhankelijk van hun nationaliteit en ongeacht of een van de ouders burger van de Unie is, de betrokken kinderen, burgers van de Unie, al dan niet op het Duitse grondgebied kunnen wonen met die legaal verblijvende ouder wanneer deze ouder een sociale basisuitkering ontvangt.
( 48 ) Zie in die zin het arrest CG (punten 89 en 91).
( 49 ) Zie de punten 16‑19 van deze conclusie.
( 50 ) Bij lezing van de redenen voor de afwijzing van het verzoek van FL moet worden geconcludeerd dat FL gedurende de in zijn verzoekschrift bedoelde periode in Duitsland woonde zonder een duurzame relatie met de moeder van zijn kind te onderhouden en zonder daadwerkelijk de zorg voor het kind op zich te nemen. Indien er in dit verband toch nog onzekerheid blijft bestaan over de vraag of FL op geen enkele grond aanspraak kan maken op een aan richtlijn 2004/38 ontleend verblijfsrecht, is het aan de verwijzende rechter om daar een beslissing over te nemen [zie arresten van 15 september 2015, Alimanovic (C‑67/14, EU:C:2015:597, punt 52), en 6 oktober 2020, Jobcenter Krefeld (C‑181/19, EU:C:2020:794, punt 69)]. Daarom is er geen grond om, zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen suggereert, de analyse van de situatie van FL uit te breiden naar artikel 3 van richtlijn 2004/38, waarvan lid 2 door het Hof is uitgelegd in het arrest van 5 september 2012, Rahman e.a. (C‑83/11, EU:C:2012:519).
( 51 ) Zie met name, wat betreft het overzicht van de voorwaarden van richtlijn 2004/38 in een situatie die vergelijkbaar is met die van het kind van FL, arrest van 13 september 2016, Rendón Marín (C‑165/14, EU:C:2016:675, punten 44‑47). Zie tevens wat deze uitleggingscriteria betreft, naar analogie, het arrest CG (punt 81).
( 52 ) Zie punt 31 van deze conclusie.
( 53 ) Zie arrest van 2 september 2021, Belgische Staat (Verblijfsrecht in geval van huiselijk geweld) (C‑930/19, EU:C:2021:657, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 54 ) Zie punt 57 van deze conclusie.
( 55 ) In zijn geval is alleen artikel 20, lid 2, eerste alinea, onder a), VWEU van toepassing. Zie punt 34 van deze conclusie.
( 56 ) Zie het arrest CG (punten 82, 83 en 87).
( 57 ) Zie het arrest CG (punten 84, 85, 86 en 88). Zie ook Lenaerts, K., „The Broadening of EU Competences Through the Case Law of the Court of Justice: Myth or Reality?”, op. cit., in het bijzonder voetnoot 40 (blz. 596), waarin wordt gesteld dat in 2021 met het arrest CG een belangrijke nuance is aangebracht ten opzichte van de arresten van 11 november 2014, Dano (C‑333/13, EU:C:2014:2358), en 15 september 2015, Alimanovic (C‑67/14, EU:C:2015:597). Benadrukt wordt dat het Hof in dat arrest, kort gezegd, heeft geoordeeld dat een lidstaat de rechten van vrij verkeer van een burger van de Unie uit hoofde van artikel 21, lid 1, VWEU „ten uitvoer brengt” wanneer hij die burger een verblijfsrecht verleent, ook al voldoet dit recht niet aan de voorwaarden van richtlijn 2004/38. Dit leidt tot de toepassing van bepaalde rechten van het Handvest en vereist dus dat de gastlidstaat de „mobiele” burger van de Unie de bestaansmiddelen verschaft die nodig zijn voor een menswaardig bestaan.
( 58 ) Zie de punten 48‑52 van deze conclusie.
( 59 ) Zie in die zin arrest van 14 december 2021, Stolichna obshtina, rayon Pancharevo (C‑490/20, EU:C:2021:1008, punt 59). Wat het kind in het hoofdgeding betreft, zou met name artikel 24, lid 3, van het Handvest kunnen worden ingeroepen.
( 60 ) Zie punt 38 van deze conclusie.
( 61 ) Zie punt 63 van deze conclusie.