Voorlopige editie

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

L. MEDINA

van 23 oktober 2025 (1)

Gevoegde zaken C258/23 tot en met C260/23

IMI – Imagens Médicas Integradas SA (C258/23)

Synlabhealth II S.A. (C259/23)

SIBS-Sociedade Gestora de Participações Sociais SA,

SIBS, Cartões – Produção e Processamento de Cartões SA,

SIBS Processos – Serviços Interbancários de Processamento SA,

SIBS International SA,

SIBS Pagamentos SA,

SIBS Gest SA,

SIBS Forward Payment Solutions SA,

SIBS MB SA (C260/23)

tegen

Autoridade da Concorrência

[verzoek van de Tribunal da Concorrência, Regulação e Supervisão (rechter voor mededinging, regulering en toezicht, Portugal) om een prejudiciële beslissing]

„ Prejudiciële verwijzing – Inbreuk op de mededingingsregels – Inbeslagname van zakelijke documenten – Toestemming van het openbaar ministerie – Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikel 8 – Schending van het recht op eerbiediging van persoonsgegevens – Voorafgaande rechterlijke machtiging ”






 Inleiding

1.        In mijn conclusie van 20 juni 2024 in de onderhavige gevoegde zaken(2) heb ik de (voormalige) Vierde kamer van het Hof in overweging gegeven om artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie(3) aldus uit te leggen dat het zich niet verzet tegen wetgeving van een lidstaat op grond waarvan de nationale mededingingsautoriteit zonder voorafgaande rechterlijke machtiging in het kader van een onderzoek wegens een vermeende schending van artikel 101 of artikel 102 VWEU e-mails in beslag neemt waarvan de inhoud verband houdt met het voorwerp van de inspectie. Deze overweging is echter onderworpen aan de voorwaarde dat wordt voorzien in een strikt wettelijk kader voor de bevoegdheden van de nationale mededingingsautoriteit, alsmede in passende en toereikende waarborgen tegen misbruik en willekeurig optreden. Dergelijke waarborgen moeten met name de vorm aannemen van een volledige rechterlijke toetsing achteraf van de maatregelen in kwestie.(4)

2.        Naar aanleiding van het arrest van 4 oktober 2024 in de zaak Bezirkshauptmannschaft Landeck(5) heeft het Hof op verzoek van de (voormalige) Vierde kamer en overeenkomstig artikel 60, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof besloten om de onderhavige zaken naar de Grote kamer te verwijzen. In dat arrest heeft het Hof met name voor recht verklaard dat artikel 4, lid 1, onder c), van richtlijn (EU) 2016/680(6), gelezen in het licht van de artikelen 7 en 8 alsmede artikel 52, lid 1, van het Handvest, zich niet verzet tegen een nationale regeling die de bevoegde autoriteiten de mogelijkheid biedt om zich toegang te verschaffen tot de op een mobiele telefoon opgeslagen persoonsgegevens met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten. Het Hof heeft evenwel geoordeeld dat de gebruikmaking van die mogelijkheid onder meer moet worden onderworpen aan een voorafgaande toetsing door een rechter of een onafhankelijk bestuursorgaan, behalve in naar behoren gemotiveerde spoedeisende gevallen.(7)

3.        In het kader van deze aanvullende conclusie verzoekt het Hof mij te onderzoeken of de lessen uit het arrest Landeck in aanmerking moeten worden genomen bij de beantwoording van de vragen van de verwijzende rechter in de onderhavige zaken, in het bijzonder van zijn derde prejudiciële vraag. Het Hof acht het namelijk noodzakelijk om te bepalen of het vereiste van voorafgaande toetsing door een rechter of een onafhankelijk bestuursorgaan kan worden toegepast op mededingingsonderzoeken die worden verricht om inbreuken op artikel 101 of artikel 102 VWEU vast te stellen, in het bijzonder wanneer de e-mails die door de nationale mededingingsautoriteit in beslag worden genomen en de communicatie in het kader van die e-mails persoonsgegevens bevatten.

4.        In deze conclusie zal ik dus overeenkomstig het nieuwe verzoek van het Hof rekening houden met de redenering die ik in mijn eerste conclusie heb uiteengezet. Voor een gedetailleerde uiteenzetting van het rechtskader, de voorgeschiedenis van het geding en de procedures in de hoofdgedingen en voor het Hof verwijs ik naar de punten 3 tot en met 19 van mijn eerste conclusie. Die uiteenzetting dient enkel te worden aangevuld met de vermelding dat de Grote kamer van het Hof op 3 juni 2025, na de heropening van de mondelinge behandeling, een pleitzitting heeft gehouden. Partijen in het hoofdgeding, de Portugese, de Griekse, de Finse en de Zweedse regering alsmede de Europese Commissie en de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA hebben daaraan deelgenomen.

 Beoordeling

5.        Er zij aan herinnerd dat de verwijzende rechter met de derde prejudiciële vraag in de onderhavige zaken in essentie wenst te vernemen of artikel 7 van het Handvest zich ertegen verzet dat, in het kader van een onderzoek naar door de artikelen 101 en 102 VWEU verboden overeenkomsten en gedragingen, zonder voorafgaande machtiging van een gerechtelijke autoriteit e-mails tussen leidinggevenden en werknemers van een onderneming, alsmede zakelijke communicatie in het kader van die e-mails, in beslag worden genomen.(8) Meer in het bijzonder vraagt de verwijzende rechter zich af of voor een dergelijk beslag toestemming kan worden verleend door een entiteit als het Portugese openbaar ministerie, dat volgens deze rechter met name tot taak heeft de staat te vertegenwoordigen, de bij wet bepaalde belangen te verdedigen, en op basis van het legaliteitsbeginsel strafvervolging in te stellen.(9)

6.        Om te beginnen moet worden opgemerkt dat de verwijzende rechter volgens de bewoordingen van zijn vraag zich ertoe beperkt het Hof vragen te stellen over de uitlegging van artikel 7 van het Handvest in de context van de – gewoonlijk door de nationale mededingingsautoriteiten verrichte – inbeslagnamen van e-mails die via de werkmail van ondernemingen worden uitgewisseld tussen leidinggevenden en werknemers en die het voorwerp van een onderzoek betreffen. Aangezien deze inbeslagnamen echter niet alleen betrekking kunnen hebben op communicatie die onder artikel 7 van het Handvest valt(10), maar ook onlosmakelijk verband kunnen houden met door artikel 8 van het Handvest beschermde persoonsgegevens, is het ook passend om deze vraag vanuit het oogpunt van laatstgenoemde bepaling te onderzoeken teneinde de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven.(11)

7.        In dit verband zij eraan herinnerd dat in artikel 8, lid 1, van het Handvest het recht op bescherming van persoonsgegevens is vastgelegd. Dit artikel vereist in lid 2 ook dat deze gegevens worden verwerkt met inachtneming van bepaalde voorwaarden, waarvan de rechtmatigheid van de betrokken verwerking afhangt.(12) Hoewel het recht op bescherming van persoonsgegevens van andere aard is(13), houdt het nauw verband met het in artikel 7 van het Handvest verankerde recht op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven, en vult het dat aan(14).

8.        Bovendien verzet het recht op bescherming van persoonsgegevens zich ertegen dat gegevens betreffende geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke personen door derden – of het nu gaat om overheidsinstanties of om het algemene publiek – worden verzameld of dat deze derden toegang tot die gegevens hebben, tenzij die verzameling en die toegang geschieden op basis van een verwerking die voldoet aan de vereisten van artikel 8, lid 2, van het Handvest.(15) Buiten dit geval moeten de verzameling van persoonsgegevens en de toegang daartoe, die een verwerking van die gegevens vormen(16), dus worden beschouwd als een beperking van het door artikel 8, lid 1, van het Handvest gewaarborgde recht op bescherming van persoonsgegevens.(17)

9.        Wat in casu de tussen leidinggevenden en werknemers van een onderneming uitgewisselde e-mails betreft, alsmede de zakelijke communicatie in het kader daarvan, is het duidelijk dat, aangezien die e‑mails en communicatie ook persoonsgegevens kunnen bevatten in de zin van artikel 4, punt 1, AVG(18), de inbeslagname door een nationale mededingingsautoriteit in het kader van een onderzoek een beperking vormt van de uitoefening van het door artikel 8 van het Handvest gewaarborgde recht.

10.      Het is evenwel vaste rechtspraak dat het grondrecht op bescherming van persoonsgegevens geen absolute gelding heeft, maar in relatie tot de functie ervan in de maatschappij moet worden beschouwd en moet worden afgewogen tegen andere grondrechten.(19) Aan een dergelijk recht kunnen dus beperkingen worden gesteld, mits zij overeenkomstig artikel 52, lid 1, van het Handvest bij wet worden gesteld alsook de wezenlijke inhoud van het grondrecht en het evenredigheidsbeginsel eerbiedigen.(20)

11.      In de eerste plaats impliceert het vereiste dat de beperkingen bij wet worden gesteld, dat de rechtsgrondslag die een beperking van een grondrecht toestaat, de draagwijdte ervan voldoende duidelijk en nauwkeurig moet omschrijven.(21)

12.      In dit verband moet worden opgemerkt dat de AVG, die van toepassing is op de nationale mededingingsautoriteiten in het kader van hun onderzoeken(22), met name in artikel 6, lid 1, onder e), bepaalt dat gegevensverwerking rechtmatig is wanneer zij noodzakelijk is voor de vervulling van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen. Volgens de rechtspraak van het Hof vereist deze bepaling, gelezen in samenhang met artikel 6, lid 3, van deze verordening(23), dat er een rechtsgrondslag bestaat die dient als rechtsgrond voor de verwerking van persoonsgegevens door verwerkingsverantwoordelijken die handelen in het kader van een taak bij de vervulling van openbaar gezag.(24)

13.      In casu staat het aan de verwijzende rechter om deze elementen concreet te onderzoeken. Het is evenwel duidelijk dat de verwerking van persoonsgegevens in het kader van een onderzoek door een nationale mededingingsautoriteit onder de vervulling van het openbaar gezag valt.(25) Voorts zijn de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde maatregelen, zoals ik in mijn eerste conclusie heb vastgesteld(26), gebaseerd op artikelen van de lei no 19/2012 (novo regime jurídico da concorrência) (wet nr. 19/2012 houdende goedkeuring van een nieuwe juridische regeling van de mededinging) van 8 mei 2012, op grond waarvan zakelijke documenten in beslag kunnen worden genomen om het bewijs van mededingingsbeperkende gedragingen te vergaren.

14.      Hieruit volgt dat, voor zover de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde inbeslagname van e-mails door de nationale mededingingsautoriteit een beperking met zich meebrengt van het door artikel 8 van het Handvest gewaarborgde recht, deze beperking een rechtsgrondslag heeft die in overeenstemming is met het eerste vereiste van artikel 52, lid 1, van het Handvest.

15.      Wat in de tweede plaats het vereiste van eerbiediging van de wezenlijke inhoud van het recht op bescherming van persoonsgegevens betreft, wordt in de academische literatuur benadrukt dat het moeilijk is om de harde kern van dat recht te identificeren.(27) Daarnaast is het ingewikkeld om een duidelijke scheidslijn te trekken tussen enerzijds het in artikel 7 van het Handvest bedoelde recht op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven en anderzijds het in artikel 8 van het Handvest bedoelde recht op bescherming van persoonsgegevens.(28)

16.      Hoe dan ook stel ik vast dat het Hof in zijn rechtspraak geneigd is te oordelen dat alleen wanneer overheidsinstanties gegevens in elektronische communicatie onbeperkt kunnen verzamelen of wanneer deze algemeen voor hen toegankelijk zijn, zonder dat specifieke waarborgen tegen illegale verwerking worden geboden om die gegevens te beschermen, de wezenlijke inhoud van het fundamentele recht op bescherming van persoonsgegevens kan worden aangetast.(29)

17.      Onverminderd de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, moet in casu worden opgemerkt dat de inbeslagname van de zakelijke correspondentie van leidinggevenden en werknemers van een onderneming die het voorwerp is van een onderzoek, in de regel niet leidt tot het onbeperkt verzamelen van of de algemene toegang tot persoonsgegevens. Zoals ik in mijn eerste conclusie heb opgemerkt(30), wordt de inbeslagname van dergelijke correspondentie beperkt door het voorwerp van het onderzoek, zoals omschreven in het inspectiebesluit, waaruit volgt dat het verzamelen van de daarin vervatte gegevens beperkt is tot gegevens die verband houden met de onderzochte mededingingsbeperkende praktijken. Bovendien mogen de verzamelde persoonsgegevens niet worden gebruikt voor andere doeleinden dan de vaststelling van de mededingingsbeperkende gedraging waarop het onderzoek betrekking heeft. Ten slotte wordt, zoals ik verderop in deze conclusie zal toelichten(31), de inbeslagname van zakelijke correspondentie door een nationale mededingingsautoriteit in het algemeen begrensd door aanvullende procedurele waarborgen die met name de veiligheid, de integriteit en de vertrouwelijkheid van die gegevens moeten verzekeren.

18.      Hieruit volgt dat, voor zover de inbeslagname van de e-mails die in de hoofdgedingen aan de orde zijn niet heeft geleid tot een veralgemeende verzameling van persoonsgegevens, in de bewoordingen die zijn aangehaald in de rechtspraak van het Hof, deze inbeslagname niet kan worden geacht de wezenlijke inhoud van artikel 8 van het Handvest aan te tasten.

19.      Wat in de derde plaats het evenredigheidsbeginsel betreft, zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof beperkingen van het recht op bescherming van persoonsgegevens slechts kunnen worden gesteld indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de noodzaak om de rechten en vrijheden van anderen te beschermen. Bovendien moeten dergelijke beperkingen binnen de grenzen van het strikt noodzakelijke blijven en moet de regeling die een dergelijke inmenging toestaat, duidelijke en nauwkeurige regels bevatten over de draagwijdte en de toepassing van de betreffende maatregel.(32)

20.      Ten eerste hebben, zoals ik in mijn eerste conclusie heb opgemerkt(33), de inbeslagnamen door nationale mededingingsautoriteiten, wanneer deze overeenkomstig artikel 3, lid 1, en artikel 5 van verordening (EG) nr. 1/2003(34) de artikelen 101 en 102 VWEU toepassen, tot doel om praktijken op te sporen die strijdig zijn met deze bepalingen van openbare orde. Deze bepalingen verbieden respectievelijk mededingingsregelingen en misbruik van machtspositie en streven een doel na dat zonder twijfel van algemeen belang is en dat erin bestaat te waarborgen dat de mededinging binnen de interne markt niet wordt vervalst. Deze bewoordingen, die voortvloeien uit de rechtspraak van het Hof over artikel 7 van het Handvest(35), zijn ook volledig van toepassing op het gebied van artikel 8 van het Handvest.

21.      Ten tweede komt het mij voor dat er, ter bereiking van het doel om mededingingsbeperkende praktijken op de interne markt te identificeren, geen enkel ander middel beschikbaar is dat even doeltreffend is en minder inbreuk maakt op het recht op bescherming van persoonsgegevens(36), als alternatief voor de inbeslagname van e‑mails die via het interne e‑mailverkeer tussen leidinggevenden en werknemers van een onderneming worden uitgewisseld. Deze e-mails vormen namelijk een van de belangrijkste bronnen waarover de mededingingsautoriteiten beschikken om het bestaan van mededingingsbeperkende gedragingen op de interne markt te kunnen ontdekken. Artikel 20, lid 2, van verordening nr. 1/2003 biedt de Commissie de mogelijkheid om in het kader van haar inspectiebevoegdheid dergelijke inbeslagnamen te verrichten(37), in welke mogelijkheid de Europese wetgever sinds de vaststelling van richtlijn (EU) 2019/1(38) ook heeft voorzien voor de nationale mededingingsautoriteiten, met name in artikel 6, lid 1, onder c), daarvan. Bijgevolg moeten de inbeslagnamen van zakelijke e-mails en de verzameling van de daarin vervatte persoonsgegevens worden geacht noodzakelijk te zijn om een doelstelling van algemeen belang, namelijk de bescherming van de mededinging op de interne markt, na te streven.

22.      Wat ten derde de evenredigheid betreft van de beperking die voortvloeit uit de inbeslagname van e-mails tussen leidinggevenden en werknemers van ondernemingen, in het bijzonder voor het door artikel 8 van het Handvest gewaarborgde grondrecht, heeft het Hof geoordeeld dat deze evenredigheid moet worden beoordeeld in de context van een dergelijke beperking, waarbij alle relevante elementen van het geval moeten worden afgewogen.(39) Volgens het arrest Landeck(40) omvatten deze elementen de ernst van de beperking van de uitoefening van het betrokken grondrecht, het belang van de met die beperking nagestreefde doelstelling, de relatie tussen de eigenaar van de in beslag genomen documenten en de betrokken inbreuk of de relevantie van de gegevens voor de vaststelling van de feiten.(41)

23.      Wat betreft de ernst van de beperking, deze moet volgens de rechtspraak van het Hof worden beoordeeld op grond van de aard en de gevoeligheid van de gegevens waartoe overheidsinstanties zich toegang kunnen verschaffen.(42) In het bijzonder moet, indien uit de toegang tot deze gegevens in hun geheel door de overheidsinstanties „zeer precieze” conclusies kunnen worden getrokken over het privéleven van de betrokkene, zoals zijn dagelijkse gewoonten, zijn permanente of tijdelijke verblijfplaats, zijn verplaatsingen, de activiteiten die hij uitoefent, de sociale relaties van de betrokkene en de sociale kringen waarin hij verkeert, de ingreep in het door artikel 8 van het Handvest beschermde grondrecht als ernstig of zelfs bijzonder ernstig worden beschouwd.(43) Dit is ook het geval wanneer niet kan worden uitgesloten dat de betrokken gegevens bijzonder gevoelig van aard kunnen zijn(44), zoals gegevens waaruit ras of etnische afkomst, politieke opvattingen en religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen blijken(45).

24.      In casu moet worden opgemerkt dat de vraag van de verwijzende rechter volgens de bewoordingen van het verzoek om een prejudiciële beslissing betrekking heeft op de inbeslagname van zakelijke e-mails tussen leidinggevenden en werknemers van een onderneming waarvan de bedrijfs- of handelsruimten worden geïnspecteerd.(46) Zoals ik reeds in de onderhavige conclusie heb opgemerkt, is het algemeen bekend – en hoeft deze stelling dus niet meer te worden onderbouwd – dat in die e-mails of in de daarbij gevoegde zakelijke documenten persoonsgegevens kunnen worden gevonden.

25.      Mijns inziens is deze situatie echter niet vergelijkbaar met die welke het Hof heeft onderzocht in het arrest Landeck, die betrekking had op de inbeslagname door de politieautoriteiten in een privéwoning van de persoonlijke mobiele telefoon van een van een strafbaar feit verdachte natuurlijke persoon en de „volledige en ongecontroleerde toegang”(47) tot alle daarin opgeslagen gegevens. Zij kan evenmin worden gelijkgesteld met de situaties die aan de orde zijn in de talrijke arresten van het Hof die in wezen betrekking hebben op de toegang van overheidsinstanties tot verkeers- of locatiegegevens die op algemene en ongedifferentieerde wijze worden bewaard door aanbieders van elektronischecommunicatiediensten(48).

26.      Mobiele telefoons zijn immers apparaten die tegenwoordig op één plaats een grote hoeveelheid persoonsgegevens bewaren, waaronder identificatiegegevens (directe identiteit, contactgegevens), locatiegegevens (geolocatie, oproep- en berichtenlogboeken, navigatie), verbindings- en betalingsgegevens (online-identificatiemiddelen, bankgegevens) en toepassings- en gebruiksgegevens, met inbegrip van persoonlijke instellingen. Veel van deze gegevens behoren bovendien tot de categorie van bijzondere persoonsgegevens in de zin van artikel 9 AVG, zoals informatie over de biometrie van de betrokkene, zijn gezondheid, zijn seksueel gedrag of seksuele gerichtheid, of zijn ras of etnische afkomst. Aan al deze gegevens kunnen ook nog andere, zeer persoonlijke elementen worden toegevoegd, zoals communicatie of foto’s.(49) Al deze gegevens kunnen, gelet op de talrijkheid en de verscheidenheid ervan(50), een zeer gedetailleerd en diepgaand beeld geven van bijna alle gebieden van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene, met name wanneer zij in hun geheel worden beschouwd, zoals het Hof overigens in het arrest Landeck heeft vastgesteld.(51) Deze overweging geldt ook, zoals ik reeds heb opgemerkt, voor gegevens die op algemene en ongedifferentieerde wijze worden bewaard in digitale servers van aanbieders van elektronische diensten.

27.      Zoals de Portugese, de Griekse, de Finse en de Zweedse regering en ook de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, ben ik evenwel van mening dat de persoonsgegevens in zakelijke e-mails die tijdens een mededingingsonderzoek in beslag worden genomen, in het bijzonder die welke via de interne mail van een onderneming worden uitgewisseld tussen leidinggevenden en werknemers van die onderneming, niet op dezelfde wijze kunnen worden beoordeeld.

28.      De e-mails die worden uitgewisseld tussen leidinggevenden en werknemers van een onderneming kunnen namelijk evenmin als de zakelijke communicatie in het kader van die e-mails in beginsel gegevens bevatten die de dagelijkse gewoonten van de betrokkenen met dezelfde nauwkeurigheid en intensiteit kunnen identificeren als een persoonlijke mobiele telefoon. In dit verband moet ten eerste worden opgemerkt dat de mededingingsautoriteiten bij het verrichten van een onderzoek in de handelsruimten van een onderneming geen persoonsgegevens als zodanig zoeken, maar informatie van commerciële aard die kan aantonen dat deze onderneming mededingingsbeperkend gedrag heeft vertoond. Dit betekent dat het verzamelen van de gegevens in de zakelijke e-mails tussen leidinggevenden en werknemers van ondernemingen slechts als bijkomstigheid plaatsvindt, tenzij zij commercieel relevant zijn en derhalve nuttig zijn om de betrokken onderneming te kunnen beschuldigen.(52) Ten tweede komt het mij voor dat persoonsgegevens in dergelijke e-mails veeleer verspreid zullen opduiken bij het zoeken naar commerciële informatie van een onderneming. In deze context zouden de mededingingsautoriteiten op proactieve wijze en buiten de reikwijdte van het onderzoek(53) een systeem moeten opzetten dat deze persoonsgegevens combineert of met elkaar verbindt om te beoordelen of zij het mogelijk maken om een gedetailleerd beeld van de betrokkene buiten de werksfeer in kaart te brengen(54), hetgeen in geen geval het doel van het onderzoek is(55).

29.      Bovendien kunnen de tussen leidinggevenden en werknemers van een onderneming uitgewisselde e-mails weliswaar verwijzingen bevatten naar – in beginsel zakelijke – bijeenkomsten of reizen van die personen maar bevatten zij geen locatie- of navigatiegegevens die met het oog op profilering zijn verzameld en die het mogelijk zouden kunnen maken om hun afgelegde traject daadwerkelijk na te gaan.(56) Deze e-mails kunnen evenmin op hetzelfde niveau als mobiele telefoons of vergelijkbare persoonlijke apparaten informatie verstrekken over de privéactiviteiten van de houder van de gegevens daarin of over zijn relaties en de sociale kringen waarin hij verkeert. Wederom ben ik van mening dat, bij gebreke van een specifiek systeem waarmee al deze gegevens kunnen worden gecombineerd of onderling met elkaar in verband kunnen worden gebracht – wat hoe dan ook buiten de reikwijdte van het onderzoek zou vallen –, enkel op basis van zakelijke e-mails geen nauwkeurig en gedetailleerd profiel van bepaalde persoonlijke aspecten van het leven van de betrokken natuurlijke personen kan worden vastgesteld.

30.      Hieruit volgt dat, anders dan het Hof in het arrest Landeck heeft vastgesteld, uit het verzamelen van gegevens in e-mails tussen leidinggevenden en werknemers van een onderneming via de werkmail van die onderneming en in de zakelijke communicatie in het kader van die e-mails in beginsel geen „zeer precieze” conclusies kunnen worden getrokken over het privéleven van de betrokkene, in de door de rechtspraak vereiste zin. De inmenging in het recht op bescherming van persoonsgegevens kan derhalve niet als zeer ernstig(57), en dus zeker niet als bijzonder ernstig worden beschouwd, hetgeen daarentegen wel het geval was in de zaak die heeft geleid tot het arrest Landeck(58).

31.      Wat betreft de overige elementen, die – overeenkomstig de in punt 22 van deze conclusie aangehaalde rechtspraak – in aanmerking moeten worden genomen om te beoordelen of een beperking van de uitoefening van het door artikel 8 van het Handvest gewaarborgd grondrecht evenredig is, zij opgemerkt dat de doelstelling om mededingingsbeperkende praktijken op Europese schaal te vervolgen, overeenkomstig de artikelen 101 en 102 VWEU, belangrijk genoeg is om te oordelen dat de inmenging die wordt veroorzaakt door de verzameling van persoonsgegevens in zakelijke e-mails, alsmede door de latere toegang tot die gegevens, niet onevenredig is.(59) Bovendien vormen die verzameling en die toegang, zoals ik reeds heb opgemerkt, in beginsel een bijkomstigheid in het kader van het zoeken van informatie van commerciële aard, bedoeld om de onderzochte onderneming te beschuldigen. Hieruit volgt dat, anders dan het Hof in het arrest Landeck heeft vastgesteld, de verzameling van en de toegang tot persoonsgegevens waarop een mededingingsonderzoek betrekking heeft, a priori niet tot doel hebben om vast te stellen dat de natuurlijke persoon die deze gegevens houdt, aansprakelijk is, maar enkel tot doel hebben om vast te stellen dat de rechtspersoon waarmee die natuurlijke persoon een arbeidsrelatie heeft, aansprakelijk is.(60)

32.      De in de voorgaande punten uiteengezette overwegingen pleiten voor een beoordeling volgens welke een inmenging zoals die welke in de hoofdgedingen aan de orde is, in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel. Dit geldt des te meer in het licht van de doelstelling van de inbeslagname van e-mails tussen leidinggevenden en werknemers van een onderneming. Zoals meerdere partijen ter terechtzitting hebben betoogd, hangt deze overweging ook af van de naleving van bepaalde aanvullende procedurele waarborgen.(61) Die waarborgen zijn die welke in essentie in overeenstemming zijn met de beginselen van artikel 5 AVG en die gewoonlijk een kader vormen voor de inbeslagname door de nationale mededingingsautoriteiten overeenkomstig het recht van elke lidstaat.(62) In casu staat het uiteraard aan de verwijzende rechter om na te gaan of dit in de hoofdgedingen daadwerkelijk het geval is.

33.      Derhalve moet, ten eerste en volgens reeds bekende beginselen, elk onderzoek door de nationale mededingingsautoriteiten worden gebaseerd op een naar behoren gemotiveerd inspectiebesluit, dat – zoals overigens in het arrest Landeck is vermeld(63) – moet berusten op redelijke vermoedens dat een onderneming de mededingingsregels van het Verdrag heeft geschonden. Zoals ik in deze conclusie reeds heb opgemerkt(64), moet dit inspectiebesluit voldoende nauwkeurig zijn om de reikwijdte van het onderzoek daadwerkelijk te kunnen afbakenen, zowel inhoudelijk als temporeel. Wat in het bijzonder persoonsgegevens betreft, dient het inspectiebesluit te garanderen dat de verzameling van en de toegang tot die gegevens, ook al vinden zij plaats als bijkomstigheid bij het zoeken naar commerciële informatie, beperkt blijven tot hetgeen strikt noodzakelijk is voor het voorwerp van het onderzoek en uitsluitend bestemd zijn voor de doeleinden van dat onderzoek.(65) Indien het onderzoek wordt uitgevoerd met behulp van onderzoekssoftware, zoals overigens dagelijks gebeurt(66), moet de indexeringsprocedure die voorafgaat aan het zoeken naar commerciële informatie die relevant is voor het onderzoek, worden uitgevoerd door gebruik te maken van trefwoorden die uiterst nauwkeurig zijn gedefinieerd aan de hand van het vooraf bepaalde onderwerp van het onderzoek. Al deze maatregelen moeten het mogelijk maken om het onderzoek uit te voeren met inachtneming van het beginsel van doelbinding en het beginsel van minimale gegevensverwerking, die op de verwerking van die gegevens van toepassing zijn.(67)

34.      Ten tweede moet de betrokken nationale mededingingsautoriteit om te voldoen aan de vereisten van behoorlijkheid en transparantie bij de gegevensverwerking(68), de betrokken natuurlijke personen in kennis stellen van de mogelijke verwerking van hun persoonsgegevens en hen op transparante en consistente wijze informeren over hun rechten. Uiteraard kan de omvang van deze informatieplicht worden beperkt wanneer dit noodzakelijk is om het doel van het onderzoek te beschermen, zoals uitdrukkelijk is bepaald in artikel 23, lid 1, AVG. In het licht van hetgeen in besluit 2018/1927 wordt bepaald met betrekking tot door de Commissie verrichte inspecties(69), komt het mij voor dat de nationale mededingingsautoriteit al deze beperkingen op transparante wijze moet behandelen en elk geval van beperking moet registreren in het desbetreffende register.

35.      Ten derde moeten de verzamelde persoonsgegevens overeenkomstig het beginsel van opslagbeperking en het beginsel van integriteit en vertrouwelijkheid(70) in een beveiligde omgeving worden bewaard. Het doel is in dit verband te voorkomen dat gegevens illegaal worden ingezien of doorgegeven aan personen die geen relatie hebben met het onderzoek, en te voorkomen dat deze gegevens worden gewijzigd. Voorts mogen de persoonsgegevens bij de met het onderzoek belaste autoriteiten slechts worden bewaard voor de tijd die voor het onderzoek strikt noodzakelijk is – hetgeen op grond van objectieve criteria moet worden vastgesteld(71) – met name tijdens de administratieve procedure en gedurende eventuele beroepen in rechte. Bovendien moeten de verzameling van en met name de toegang tot persoonsgegevens worden beperkt tot een zo gering mogelijk aantal geaccrediteerde personen of inspecteurs, die moeten worden onderworpen aan vertrouwelijkheidsverplichtingen en aan het verbod om deze gegevens te gebruiken voor andere doeleinden dan die van het onderzoek.(72) Ten slotte moet worden voorzien in beveiligde wissing van de persoonsgegevens, omdat zij niet relevant zijn voor het onderzoek of omdat de aanvaardbare opslagperiode is verstreken, door middel van een algemeen opschoningsmechanisme dat latere opvraging verhindert.

36.      Ten vierde is het, eveneens om een transparante verwerking van persoonsgegevens te waarborgen, van belang dat de verzameling daarvan en de toegang daartoe, via het selecteren van documenten die nuttig zijn voor het onderzoek, plaatsvinden in aanwezigheid van vertegenwoordigers van de onderneming. Zij moeten de mogelijkheid hebben om alle aan het dossier toe te voegen voorlopige documenten te bekijken en aldus vast te stellen welke persoonsgegevens in die documenten zijn opgenomen. Ook moeten zij in staat zijn om klacht in te dienen tegen de toevoeging aan het dossier van documenten die persoonsgegevens bevatten waarvan het overduidelijk is dat zij niet relevant zijn voor het onderzoek of wanneer deze persoonsgegevens bijzonder of gevoelig zijn, hetgeen ertoe zou moeten leiden dat de voor het onderzoek verantwoordelijken die gegevens beter beschermen.(73) Bovendien moeten persoonsgegevens in de documenten die definitief aan het dossier worden toegevoegd en die als zodanig niet relevant zijn voor het onderzoek, gelet op het reeds genoemde beginsel van minimale gegevensverwerking, worden geanonimiseerd. Ten slotte moet de functionaris voor gegevensbescherming van de met het onderzoek belaste autoriteit, overeenkomstig de verantwoordingsplicht(74), de toepassing van de beperkingen op het recht op bescherming van persoonsgegevens onafhankelijk kunnen onderzoeken teneinde de eerbiediging daarvan te waarborgen.

37.      De in de voorgaande punten beschreven waarborgen, die bovenop de verplichtingen van de nationale mededingingsautoriteiten krachtens de AVG komen, kunnen met name een volledige en willekeurige toegang tot alle gegevens van een natuurlijke persoon voorkomen. Daarom moet het voor toepassing van artikel 8 van het Handvest vereiste evenredigheidsbeginsel, mits deze waarborgen duidelijk en nauwkeurig zijn vastgesteld en mits aan deze waarborgen is voldaan, worden geacht te zijn geëerbiedigd, met name in het kader van de inbeslagname van e-mails tussen werknemers en leidinggevenden van een onderneming en van de zakelijke communicatie in het kader van die e-mails. Dit geldt des te meer wanneer, zoals ik in mijn eerste conclusie heb opgemerkt(75), rekening wordt gehouden met het feit dat het EHRM en het Hof in hun rechtspraak hebben erkend dat de openbare inmenging tot een krachtiger ingrijpen kan leiden wanneer het gaat om bedrijfs- of handelsruimten of -activiteiten dan in andere gevallen(76).

38.      In een dergelijke context ben ik van mening dat het in artikel 8 van het Handvest verankerde recht op bescherming van persoonsgegevens geen voorafgaande machtiging van een gerechtelijke autoriteit vereist voor onderzoeken in het kader van de mededingingswetgeving.

39.      Zoals ik in de inleiding van de onderhavige conclusie heb opgemerkt, heeft het Hof in het arrest Landeck in essentie geoordeeld dat artikel 8 van het Handvest zich niet verzet tegen een nationale regeling die de bevoegde autoriteiten de mogelijkheid biedt om zich toegang te verschaffen tot de op een mobiele telefoon opgeslagen persoonsgegevens, met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten in het algemeen, mits de gebruikmaking van die mogelijkheid onder meer wordt onderworpen aan een voorafgaande toetsing door een rechter of een onafhankelijk bestuursorgaan, behalve in naar behoren gemotiveerde spoedeisende gevallen.(77) In dit verband heeft het Hof overwogen dat het met name om ervoor te zorgen dat het evenredigheidsbeginsel in elk concreet geval wordt geëerbiedigd door middel van een afweging van alle relevante elementen, essentieel is dat, wanneer de toegang van de bevoegde nationale autoriteiten tot de persoonsgegevens het risico van een ernstige of zelfs zeer ernstige inmenging in de grondrechten van de betrokkene met zich meebrengt, deze toegang afhankelijk wordt gesteld van een voorafgaande toetsing.(78)

40.      In dit kader wil ik er om te beginnen op wijzen dat het Unierecht reeds voorziet in het vereiste van voorafgaande rechterlijke machtiging voor gevallen waarin het onderzoek door de nationale mededingingsautoriteit plaatsvindt in de privéwoning van leidinggevenden of werknemers van de betrokken onderneming of in privéruimten van deze personen.(79) Deze bepaling heeft tot doel om een van de gevoeligste plaatsen in het privéleven van een persoon te beschermen, zoals precies het geval was in de zaak die heeft geleid tot het arrest Landeck, waarin de inbeslagname plaatsvond in de woning van de persoon van wie werd vermoed dat hij een strafbaar feit had gepleegd.

41.      Bovendien blijkt uit de rechtspraak dat de vereisten voor de bescherming van een grondrecht waarin het Handvest voorziet, kunnen worden aangescherpt wanneer de in het kader van een onderzoek verkregen bewijzen volgens de nationale wetgeving voor een tegen een natuurlijke persoon ingestelde procedure kunnen worden gebruikt om vast te stellen dat hij een strafbaar feit heeft gepleegd.(80) Wat het in artikel 8 van het Handvest verankerde recht op bescherming van persoonsgegevens betreft, volgt hieruit dat het vereiste van een voorafgaande rechterlijke machtiging kan gelden wanneer de persoonsgegevens in de door een nationale mededingingsautoriteit in beslag genomen documenten niet alleen worden gebruikt om vast te stellen dat de betrokken onderneming aansprakelijk is voor de schending van de mededingingsregels van het Verdrag, maar ook om vast te stellen dat een natuurlijke persoon strafrechtelijk aansprakelijk is voor mededingingsbeperkende gedragingen, indien het nationale recht van de lidstaat daarin voorziet.

42.      Afgezien van deze gevallen, die met name betrekking hebben op, ten eerste, de inbeslagname van e-mails met persoonsgegevens in de privéwoning van een persoon en, ten tweede, de inbeslagname van dergelijke documenten om een natuurlijke persoon strafrechtelijk te vervolgen, zoals in het arrest Landeck, ben ik van mening dat artikel 8 van het Handvest als zodanig geen voorafgaande machtiging vereist. In casu zijn dezelfde overwegingen van toepassing als die welke in de rechtspraak van het EHRM en die van het Hof hebben geleid tot de vaststelling dat in het kader van artikel 7 van het Handvest geen voorafgaande rechterlijke machtiging vereist is voor inspecties op het gebied van mededinging die in bedrijfsruimten worden verricht, zoals ik in mijn eerste conclusie heb uiteengezet(81), waarnaar ik verwijs.

43.      In het bijzonder komt het mij voor dat de inbeslagname door een nationale mededingingsautoriteit van e-mails tussen leidinggevenden en werknemers van een onderneming geen afbreuk doet aan het evenredigheidsbeginsel, onder voorbehoud van de volgende overwegingen. Deze inbeslagname moet, ten eerste, worden onderworpen aan procedurele waarborgen, zoals beschreven in deze conclusie en, ten tweede, aan een rechterlijke toetsing achteraf, die kan worden verricht tijdens de onderzoeksprocedure en kan worden gericht op met name de controle van de naleving van deze garanties in het licht van artikel 8 van het Handvest.(82) Daarvoor pleit de recente rechtspraak van het EHRM over artikel 8 van het op 4 november 1950 ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zoals blijkt uit de arresten van 6 februari 2025, Italgomme Pneumatici Srl e.a. tegen Italië(83), en 18 maart 2025, BRD – Groupe Société Générale S.A. tegen Roemenië(84).

44.      Wat het argument betreft dat met een voorafgaande rechterlijke machtiging beter kan worden gewaarborgd dat het evenredigheidsbeginsel wordt geëerbiedigd, zoals het Hof in het arrest Landeck heeft geoordeeld, moet bovendien worden opgemerkt dat de vaststelling door de nationale rechter, in het kader van een toetsing achteraf die tijdens de onderzoeksprocedure beschikbaar was, dat de nationale mededingingsautoriteiten dit beginsel hebben geschonden ten gevolge van de niet-inachtneming van de procedurele waarborgen, afbreuk kan doen aan de tijdens het onderzoek verzamelde informatie en bijgevolg kan resulteren in de gehele of gedeeltelijke ongeldigheid van het in de procedure verrichte onderzoek.(85) Gelet op de eventuele risico’s worden de nationale mededingingsautoriteiten mijns inziens dus voldoende gestimuleerd om ervoor te zorgen dat het evenredigheidsbeginsel wordt nageleefd. Daarbij komt uiteraard de verplichting om de betrokkene een passende genoegdoening te bieden in geval van een onregelmatige verrichting van de betrokken nationale autoriteit.(86)

45.      In overeenstemming met hetgeen ik in mijn eerste conclusie met betrekking tot artikel 7 van het Handvest heb voorgesteld, volgt hieruit dat artikel 8 van het Handvest aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen de wetgeving van een lidstaat op grond waarvan de nationale mededingingsautoriteit, tijdens een inspectie die in de ruimten van een onderneming wordt verricht in het kader van een onderzoek wegens schending van artikel 101 of artikel 102 VWEU, zonder voorafgaande rechterlijke machtiging e‑mails in beslag neemt waarvan de inhoud verband houdt met het voorwerp van de inspectie, mits is voorzien, ten eerste, in een strikt wettelijk kader voor de bevoegdheden van die autoriteit, zoals beschreven in deze conclusie, alsmede, ten tweede, in passende en toereikende waarborgen tegen misbruik en willekeurig optreden, met name in de vorm van een rechterlijke toetsing achteraf van de betrokken maatregelen, zowel tijdens als na de onderzoeksprocedure.

46.      Niettemin moet worden opgemerkt dat, zoals blijkt uit mijn eerste conclusie, richtlijn 2019/1 de lidstaten momenteel toestaat om in hun respectieve rechtsorden te voorzien in een mechanisme van voorafgaande machtiging door een gerechtelijke autoriteit, met inbegrip van het openbaar ministerie(87), voor de uitoefening van de inspectiebevoegdheden van de nationale mededingingsautoriteiten.(88) Dit betekent dat artikel 8 van het Handvest, hoewel dat artikel volgens de in de voorgaande punten uiteengezette analyse geen dergelijke voorafgaande machtiging vereist, zich daar evenmin tegen verzet, mits de in deze conclusie beschreven waarborgen in acht worden genomen en mits is voorzien in een volledige rechterlijke toetsing achteraf. In deze context moet worden geoordeeld dat geen schending van dit artikel kan worden vastgesteld voor de lidstaten die besluiten in een dergelijke mogelijkheid te voorzien.

47.      Tot slot merk ik op dat, aangezien ik in het kader van de in deze aanvullende conclusie verrichte analyse van mening ben dat de lessen uit het arrest Landeck niet van toepassing moeten worden geacht op onderzoeken in het kader van de mededinging, in het bijzonder wat betreft het vereiste van de voorafgaande machtiging, er geen uitspraak hoeft te worden gedaan over de vraag of een dergelijke machtiging kan worden verleend door een entiteit zoals het Portugese openbaar ministerie. Mocht het Hof mijn analyse niet delen, dan voltstaat het hoe dan ook om op te merken dat het Hof in zijn rechtspraak heeft vastgelegd onder welke voorwaarden een entiteit die de legitimiteit van inmengingen in de grondrechten onderzoekt, kan worden geacht onafhankelijk te zijn. In het bijzonder veronderstelt het vereiste van onafhankelijkheid dat de entiteit een zodanige status heeft dat zij objectief, onpartijdig en vrij van invloeden van buitenaf kan handelen.(89) Aangezien de door de verwijzende rechter gegeven beschrijving van de kenmerken van het Portugese openbaar ministerie aan deze voorwaarden voldoet, ben ik van mening dat dit openbaar ministerie moet worden beschouwd als onafhankelijke entiteit die bevoegd is tot het verlenen van een voorafgaande machtiging onder de voorwaarden van het arrest Landeck.

 Conclusie

48.      Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging om de derde door de Tribunal da Concorrência, Regulação e Supervisão in elk van de gevoegde zaken C‑258/23 tot en met C‑260/23 gestelde prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt:

„De artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

moeten aldus worden uitgelegd dat

zij zich niet verzetten tegen de wetgeving van een lidstaat op grond waarvan de nationale mededingingsautoriteit, tijdens een inspectie die in de ruimten van een onderneming wordt verricht in het kader van een onderzoek wegens schending van artikel 101 of artikel 102 VWEU, zonder voorafgaande rechterlijke machtiging e‑mails doorzoekt en in beslag neemt waarvan de inhoud verband houdt met het voorwerp van de inspectie, mits is voorzien in een strikt wettelijk kader voor de bevoegdheden van die autoriteit, alsmede in passende en toereikende waarborgen tegen misbruik en willekeurig optreden, met name een rechterlijke toetsing achteraf van de betrokken maatregelen, zowel tijdens als na de onderzoeksprocedure.”


1      Oorspronkelijke taal: Frans.


2      Conclusie van advocaat-generaal Medina in gevoegde zaken IMI e.a. (C‑258/23–C‑260/23, EU:C:2024:537; hierna: „eerste conclusie”).


3      Hierna: „Handvest”.


4      Eerste conclusie, punt 63.


5      Arrest van 4 oktober 2024, Bezirkshauptmannschaft Landeck (Poging tot het verkrijgen van toegang tot op een mobiele telefoon opgeslagen persoonsgegevens) (C‑548/21, EU:C:2024:830; hierna: „arrest Landeck”).


6      Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (PB 2016, L 119, blz. 89).


7      Arrest Landeck, punt 1 van het dictum.


8      Eerste conclusie, punt 18.


9      Eerste conclusie, punt 40.


10      Zie in dit verband de eerste conclusie, punten 30 en 31.


11      Zie voor een soortgelijke benadering het arrest Landeck, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak.


12      Zie onder meer arrest van 4 september 2025, Quirin Privatbank (C‑655/23, EU:C:2025:655, punt 40).


13      Zie arrest van 21 december 2016, Tele2 Sverige en Watson e.a. (C‑203/15 en C‑698/15, EU:C:2016:970, punt 129).


14      Zie in die zin arresten van 24 november 2011, Asociación Nacional de Establecimientos Financieros de Crédito (C-468/10 en C-469/10, EU:C:2011:777, punt 41), en 27 februari 2025, Dun & Bradstreet Austria (C‑203/22, EU:C:2025:117, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


15      Zie in die zin arrest van 18 juni 2020, Commissie/Hongarije (Transparantie van verenigingen) (C‑78/18, EU:C:2020:476, punt 126).


16      Zie artikel 4, punt 2, van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB 2016, L 119, blz. 1; hierna: „AVG”).


17      Zie in die zin arrest van 2 oktober 2018, Ministerio Fiscal (C‑207/16, EU:C:2018:788, punt 51).


18      Tot de persoonsgegevens die worden verzameld en verwerkt in het kader van onderzoeken die betrekking hebben op mededingingsbeperkende praktijken behoren met name, zij het niet uitsluitend, de namen, contactgegevens [zakelijk (e-mail)adres, telefoon- en faxnummers en, incidenteel, persoonlijke contactgegevens], positie en functie van de natuurlijke persoon in de onderneming en eventueel verklaringen en documenten die afkomstig zijn van of worden toegeschreven aan particulieren. Zie in dit verband Europese Commissie, directoraat-generaal Concurrentie, „Privacyverklaring”, blz. 2, beschikbaar op https://competition-policy.ec.europa.eu/document/download/5294e82f-a0b0-4eaf-84b8-3eda9ac9ca35_en?filename=privacy_statement_antitrust_en.pdf&prefLang=nl.


19      Zie onder meer arrest van 9 november 2010, Volker und Markus Schecke en Eifert (C‑92/09 en C‑93/09, EU:C:2010:662, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


20      Zie arrest van 7 maart 2024, Endemol Shine Finland (C‑740/22, EU:C:2024:216, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


21      Zie arrest van 26 januari 2023, Ministerstvo na vatreshnite raboti (Politiële registratie van biometrische en genetische gegevens) (C‑205/21, EU:C:2023:49, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


22      Zie in dit verband artikel 2, lid 1, en artikel 4, punt 7, AVG. Zie in die zin ook arrest van 2 maart 2023, Norra Stockholm Bygg (C‑268/21, EU:C:2023:145, punt 29).


23      Zie ook overweging 45 AVG.


24      Arresten van 2 maart 2023, Norra Stockholm Bygg (C‑268/21, EU:C:2023:145, punt 32), en 20 oktober 2022, Koalitsia „Demokratichna Bulgaria – Obedinenie” (C‑306/21, EU:C:2022:813, punt 52).


25      Zie in die zin en naar analogie arrest van 24 mei 2023, Meta Platforms Ireland/Commissie (T‑451/20, EU:T:2023:276, punt 192).


26      Eerste conclusie, punt 34.


27      Zie in dit verband González Fuster, G., „Study on the essence of the fundamental rights to privacy and to the protection of personal data”, Law, Science, Technology & Society Research Group, Vrije Universiteit Brussel, december 2022, blz. 17‑23, beschikbaar op https://www.edps.europa.eu/data-protection/our-work/publications/papers/2023-11-08-study-essence-fundamental-rights-privacy-and-protection-personal-data_en, en Brkan, M., „The essence of the fundamental rights to privacy and data protection: finding the way through the maze of the CJEU’s constitutional reasoning”, German Law Journal, 2019, deel 20, blz. 867‑869.


28      Zie onder meer Kokott, J., en Sobotta, C., „The distinction between privacy and data protection in the jurisprudence of the CJEU and the ECtHR”, International Data Privacy Law, 2013, deel 3, nr. 4, blz. 228.


29      Zie in die zin arresten van 8 april 2014, Digital Rights Ireland e.a. (C‑293/12 en C‑594/12, EU:C:2014:238, punt 40); 21 december 2016, Tele2 Sverige en Watson e.a. (C‑203/15 en C‑698/15, EU:C:2016:970, punt 101), en 21 juni 2022, Ligue des droits humains (C‑817/19, EU:C:2022:491, punt 120), alsmede advies 1/15 (PNR-overeenkomst EU-Canada) van 26 juli 2017 (EU:C:2017:592, punt 151). Zie met betrekking tot artikel 7 van het Handvest ook het arrest van 6 oktober 2015, Schrems (C‑362/14, EU:C:2015:650, punt 94 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


30      Eerste conclusie, punt 35.


31      Zie de onderhavige conclusie, punten 33-37.


32      Arrest van 1 augustus 2022, Vyriausioji tarnybinės etikos komisija (C‑184/20, EU:C:2022:601, punt 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


33      Eerste conclusie, punt 36.


34      Verordening van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB 2003, L 1, blz. 1).


35      Zie met betrekking tot artikel 101 VWEU arrest van 22 maart 2022, Nordzucker e.a. (C‑151/20, EU:C:2022:203, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en met betrekking tot artikel 102 VWEU arrest van 22 maart 2022, bpost (C‑117/20, EU:C:2022:202, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


36      Zie onder meer arrest van 26 januari 2023, Ministerstvo na vatreshnite raboti (Politiële registratie van biometrische en genetische gegevens) (C‑205/21, EU:C:2023:49, punt 126 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


37      Zie arrest van 16 juli 2020, Nexans France en Nexans/Commissie (C‑606/18 P, EU:C:2020:571, punt 63), alsmede Europese Commissie, „Explanatory note on Commission inspections pursuant to Article 20(4) of Council Regulation (EC) No 1/2003”, herzien in maart 2024, punten 4, 9 en 18, beschikbaar op https://competition-policy.ec.europa.eu/document/download/c84d4245-ae08‑492e-bffd-760fa0ca4df8_en?filename=inspections_explanatory_note_en.pdf.


38      Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot toekenning van bevoegdheden aan de mededingingsautoriteiten van de lidstaten voor een doeltreffendere handhaving en ter waarborging van de goede werking van de interne markt (PB 2019, L 11, blz. 3). Zie ook overweging 32 van die richtlijn.


39      Zie arrest van 30 april 2024, La Quadrature du Net e.a. (Persoonsgegevens en bestrijding van namaak) (C‑470/21, EU:C:2024:370, punt 107; hierna: „arrest Quadrature du Net”), en het arrest Landeck, punt 89.


40      Arrest Landeck, punt 90.


41      Hoewel het arrest Landeck betrekking had op de uitlegging van richtlijn 2016/680, die met name betrekking heeft op de bescherming van persoonsgegevens bij strafrechtelijke onderzoeken, acht ik het niet bezwaarlijk dat diezelfde elementen, die uiteindelijk ten grondslag liggen aan de uitlegging van artikel 8 van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 52, lid 1, ervan, in aanmerking worden genomen in het kader van mededingingsonderzoeken.


42      Arrest Landeck, punt 90.


43      Zie arrest van 21 december 2016, Tele2 Sverige en Watson e.a. (C‑203/15 en C‑698/15, EU:C:2016:970, punt 99), en het arrest Landeck, punt 93.


44      Arrest Landeck, punt 94.


45      Zie artikel 9, lid 1, AVG. Zie ook arrest van 26 januari 2023, Ministerstvo na vatreshnite raboti (Politiële registratie van biometrische en genetische gegevens) (C‑205/21, EU:C:2023:49, punt 62).


46      Eerste conclusie, punten 32, 39 en 40.


47      Arrest Landeck, punten 26, 28 en 30.


48      Zie ter illustratie arresten van 6 oktober 2020, La Quadrature du Net e.a. (C‑511/18, C‑512/18 en C‑520/18, EU:C:2020:791, punt 119); 5 april 2022, Commissioner of An Garda Síochána e.a. (C‑140/20, EU:C:2022:258, punt 46); 20 september 2022, SpaceNet en Telekom Deutschland (C‑793/19 et C‑794/19, EU:C:2022:702, punt 61), en 17 november 2022, Spetsializirana prokuratura (Bewaring van verkeers- en locatiegegevens) (C‑350/21, EU:C:2022:896, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


49      Zie in die zin het arrest Landeck, punt 26.


50      Zie in die zin arrest van 20 september 2022, SpaceNet en Telekom Deutschland (C‑793/19 en C‑794/19, EU:C:2022:702, punt 87).


51      Arrest Landeck, punten 92 en 93.


52      Zie in die zin arrest van 22 oktober 2002, Roquette Frères (C‑94/00, EU:C:2002:603, punt 45).


53      Zie in dit verband het arrest Landeck, punt 92, waarin het Hof in essentie heeft geoordeeld dat de ernst van de toegang tot deze persoonsgegevens, zelfs als het om een persoonlijke mobiele telefoon gaat, „afhankelijk van [...] de door [de] [overheidsdiensten] gemaakte keuze[n]” moet worden beoordeeld.


54      Zie in die zin het arrest La Quadrature du Net, punten 81 en 96. Zie a contrario het arrest Landeck, punt 92.


55      Zie in dit verband het arrest La Quadrature du Net, punt 111, waarin wordt verwezen naar „atypische situaties”.


56      Zie in die zin het arrest La Quadrature du Net, punt 115.


57      Zie in dit verband het arrest La Quadrature du Net, punt 113.


58      Arrest Landeck, punt 95. Voor een ander oordeel, uitgesproken in het kader van de procedure in kort geding, zie de beschikking van de vicevoorzitter van het Hof van 11 april 2024, Vivendi/Commissie [C-90/24 P(R), EU:C:2024:318, punten 95-100].


59      Ik breng in herinnering dat het Hof in het arrest Landeck, dat betrekking had op een veronderstelde inbreuk op het gebied van drugshandel, in essentie heeft geoordeeld dat de bestrijding van niet noodzakelijk zware criminaliteit een doelstelling van algemeen belang kan vormen die ertoe kan leiden dat een ernstige of bijzonder ernstige inmenging als evenredig wordt beschouwd. Zie het arrest Landeck, punt 97.


60      Zie in dit verband EHRM, 18 maart 2025, BRD – Groupe Société Générale S.A. tegen Roemenië, (CE:ECHR:2025:0318JUD003879813, § 105).


61      Zie in die zin het arrest La Quadrature du Net, punt 115. Zie ook EHRM, 18 maart 2025, BRD – Groupe Société Générale S.A. tegen Roemenië, (CE:ECHR:2025:0318JUD003879813, §§ 107‑110).


62      Zie met betrekking tot de onderzoeken van de Commissie besluit (EU) 2018/1927 van de Commissie van 5 december 2018 houdende interne voorschriften betreffende de verwerking van persoonsgegevens door de Europese Commissie op mededingingsgebied in verband met de informatieverstrekking aan betrokkenen en de beperking van bepaalde rechten (PB 2018, L 313, blz. 39) en de „Privacyverklaring” van de Commissie (zie voetnoot 18 van deze conclusie).


63      Zie in dit verband het arrest Landeck, punt 101.


64      Zie punt 17 van deze conclusie.


65      Zie in die zin het arrest La Quadrature du Net, punt 113. Dit zou tevens moeten inhouden dat de verzameling van en de toegang tot persoonsgegevens enkel betrekking heeft op personen die ten minste een indirecte relatie hebben met de veronderstelde inbreuk.


66      Zie, wat betreft de onderzoeken van de Commissie, ter illustratie de arresten van 16 juli 2020, Nexans France en Nexans/Commissie (C‑606/18 P, EU:C:2020:571, punten 15 en 66), en 24 september 2020, Prysmian en Prysmian Cavi e Sistemi/Commissie (C‑601/18 P, EU:C:2020:751, punten 29 en 60), alsmede Europese Commissie, directoraat-generaal Concurrentie, „Explanatory note on Commission inspections pursuant to Article 20(4) of Council Regulation (EC) No 1/2003”, herzien in maart 2024, punt 10,https://competition-policy.ec.europa.eu/document/download/c84d4245-ae08-492e-bffd-760fa0ca4df8_en?filename=inspections_explanatory_note_en.pdf. Zie, op het gebied van fraudebestrijding, ook arrest van 28 oktober 2021, Vialto Consulting/Commissie (C‑650/19 P, EU:C:2021:879, punten 65 en 75).


67      Zie artikel 5, lid 1, onder b) en c), AVG, en het arrest La Quadrature du Net, punt 113.


68      Zie artikel 5, lid 1, onder a), AVG.


69      Zie artikel 3, lid 2, van besluit 2018/1927, alsmede overweging 15 daarvan.


70      Zie artikel 5, lid 1, onder e) en f), AVG.


71      Zie arresten van 8 april 2014, Digital Rights Ireland e.a. (C‑293/12 en C‑594/12, EU:C:2014:238, punt 64), en 20 oktober 2022, Digi (C-77/21, EU:C:2022:805, punt 53).


72      Zie het arrest La Quadrature du Net, punten 113 en 114.


73      Zie in die zin het arrest Landeck, punt 107.


74      Zie artikel 5, lid 2, AVG, en het arrest La Quadrature du Net, punt 113.


75      Eerste conclusie, punt 38.


76      Zie met name EHRM, Niemietz tegen Duitsland, 16 december 1992 (CE:ECHR:1992:1216JUD001371088, § 31); zie ook arrest van 18 juni 2015, Deutsche Bahn e.a./Commissie (C‑583/13 P, EU:C:2015:404, punt 20).


77      Arrest Landeck, punt 1 van het dictum.


78      Arrest Landeck, punt 102.


79      Zie artikel 7, lid 2, van richtlijn 2019/1.


80      Zie in die zin arrest van 2 februari 2021, Consob (C‑481/19, EU:C:2021:84, punt 44).


81      Eerste conclusie, punten 42 en 44. Zie in het bijzonder en onder andere de verwijzing naar EHRM, 2 oktober 2014, Delta Pekárny a.s. tegen Tsjechië, (CE:ECHR:2014:1002JUD000009711, §§ 86 en 87 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


82      Zie in die zin arresten van 18 juni 2015, Deutsche Bahn e.a./Commissie (C‑583/13 P, EU:C:2015:404, punten 32‑35), en 9 maart 2023, Les Mousquetaires en ITM Entreprises/Commissie (C‑682/20 P, EU:C:2023:170, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


83      CE:ECHR:2025:0206JUD003661718, § 137.


84      CE:ECHR:2025:0318JUD003879813, §§ 111‑116.


85      Zie in die zin arrest van 2 maart 2021, Prokuratuur (Voorwaarden voor toegang tot elektronische-communicatiegegevens) (C‑746/18, EU:C:2021:152, punten 43 en 44).


86      Zie in die zin arrest van 9 maart 2023, Intermarché Casino Achats/Commissie (C‑693/20 P, EU:C:2023:172, punten 45 en 46).


87      Zie artikel 6, lid 3, van richtlijn 2019/1, alsmede overweging 34 van die richtlijn.


88      Momenteel voorzien 21 lidstaten in een procedure voor voorafgaande machtiging voor het uitvoeren van inspecties en inbeslagnamen in bedrijfsruimten, waaronder België, Bulgarije, Denemarken, Duitsland, Estland, Frankrijk, Hongarije, Ierland, Kroatië, Letland, Litouwen, Luxemburg, Malta, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Slovenië, Slowakije, Spanje en Zweden. Zie onderzoeksnota 25/005, opgesteld door de directie Onderzoek en Documentatie van het Hof van Justitie van de Europese Unie in mei 2025.


89      Zie het arrest La Quadrature du Net, punten 125 en 126.