Voorlopige editie
CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. RICHARD DE LA TOUR
van 27 februari 2025 (1)
Zaak C‑57/23
JH
tegen
Policejní prezidium
[verzoek van de Nejvyšší správní soud (hoogste bestuursrechter, Tsjechië) om een prejudiciële beslissing]
„ Prejudiciële verwijzing – Bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens in strafzaken – Richtlijn (EU) 2016/680 – Nationale wettelijke regeling op grond waarvan genetische gegevens kunnen worden verzameld van eenieder die ervan wordt verdacht of beschuldigd opzettelijk een strafbaar feit te hebben gepleegd – Beoordeling door de politie op basis van interne regels van de noodzaak om een DNA-profiel duurzaam op te slaan – Mogelijkheid om de nationale rechtspraak aan te merken als ‚lidstatelijk recht’ ”
I. Inleiding
1. Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4, lid 1, onder c) en e), artikel 6, artikel 8, lid 2, en artikel 10 van richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad(2).
2. Dit verzoek is ingediend in het kader van een geschil tussen JH, een natuurlijke persoon, en het policejní prezidium (politiedirectoraat, Tsjechië) betreffende, met name, de verzameling van biometrische en genetische gegevens met betrekking tot JH in het kader van een strafrechtelijke procedure en de opslag van die gegevens door de Policie České republiky (politie van Tsjechië; hierna: „Tsjechische politie”).
3. Wat de eerste prejudiciële vraag van de Nejvyšší správní soud (hoogste bestuursrechter, Tsjechië) betreft, ligt de onderhavige zaak in het verlengde van de arresten van 26 januari 2023, Ministerstvo na vatreshnite raboti (Politiële registratie van biometrische en genetische gegevens)(3), en 28 november 2024, Ministerstvo na vatreshnite raboti (Registratie van biometrische en genetische gegevens II)(4), waarin het Hof heeft geoordeeld dat een nationale wettelijke regeling op grond waarvan de biometrische en genetische gegevens van elke persoon die in verdenking is gesteld van een ambtshalve vervolgbaar en opzettelijk gepleegd strafbaar feit systematisch worden verzameld met het oog op de politiële registratie ervan in strijd is met het vereiste om personen een versterkte bescherming te waarborgen tegen de verwerking van gevoelige persoonsgegevens. De verwijzende rechter verzoekt het Hof zijn rechtspraak te verduidelijken aan de hand van een antwoord op de vraag of § 65, lid 1, van de zákon č. 273/2008 Sb., o Policii České republiky (wet nr. 273/2008 betreffende de politie van Tsjechië)(5), door de toepassing ervan te beperken tot enkel opzettelijk gepleegde strafbare feiten, op structureel niveau voldoende de noodzaak tot uitdrukking brengt om te beoordelen of de verzameling van biometrische en genetische gegevens van de betrokkenen evenredig is, dan wel integendeel of er tussen deze betrokkenen een bijkomend onderscheid moet worden gemaakt naargelang van de ernst van het strafbare feit.
4. Wat de tweede prejudiciële vraag van de verwijzende rechter betreft, ligt de onderhavige zaak in het verlengde van het arrest van 30 januari 2024, Direktor na Glavna direktsia „Natsionalna politsia” pri MVR – Sofia(6), waarin het Hof zich voor het eerst heeft uitgesproken over wat in het licht van richtlijn 2016/680 de temporele beperkingen zijn voor de opslag, met het oog op de bestrijding van strafbare feiten, van de persoonsgegevens van personen die onherroepelijk strafrechtelijk zijn veroordeeld. In dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat in deze richtlijn een algemeen kader wordt vastgesteld om te kunnen waarborgen dat de opslag van persoonsgegevens en meer in het bijzonder de duur daarvan beperkt blijft tot wat noodzakelijk blijkt te zijn voor de doeleinden waarvoor die gegevens worden opgeslagen.(7) De verwijzende rechter verzoekt het Hof te verduidelijken of deze rechtspraak relevant is wanneer persoonsgegevens worden opgeslagen met het oog op het voorkomen, onderzoeken en opsporen van strafbare feiten, hetgeen naar zijn aard prospectief en onbeperkt in de tijd is. Met het oog op deze doelstelling zouden deze gegevens immers zo lang mogelijk moeten worden bewaard.
5. In de onderhavige zaak zal het Hof zich dus ten eerste moeten uitspreken over de begrippen „materiële minimalisatie” en „temporele minimalisatie” van biometrische en genetische gegevens die binnen de werkingssfeer van richtlijn 2016/680 vallen, wanneer dergelijke gegevens in die context worden verzameld en opgeslagen.
6. Ten tweede wordt het Hof in het kader van de derde prejudiciële vraag voor het eerst verzocht om uitlegging van het begrip „lidstatelijk recht” in de zin van artikel 8, lid 2, van richtlijn 2016/680, gelezen in samenhang met artikel 10 ervan. Meer in het bijzonder vraagt de verwijzende rechter zich af of de nationale rechtspraak waarin de criteria voor de verzameling en de opslag van biometrische en genetische gegevens nader zijn bepaald, onder dat begrip kan vallen en in hoeverre de minimale draagwijdte van de materiële en procedurele voorwaarden voor het verzamelen, opslaan en wissen van dergelijke gegevens in het lidstatelijke recht moet worden geregeld aan de hand van een bepaling van algemene strekking.
II. Tsjechisch recht
7. § 11 van de wet betreffende de Tsjechische politie bepaalt:
„Politieambtenaren en -medewerkers zijn verplicht om
[...]
c) op zodanige wijze op te treden dat de eventuele inmenging in de rechten en vrijheden van de personen op wie de handeling betrekking heeft of van niet-betrokken personen niet verder gaat dan nodig is om het met de handeling nagestreefde doel te bereiken.”
8. § 65 van deze wet luidt als volgt:
„(1) Bij de uitoefening van haar taken kan de politie, met het oog op latere identificatie, in het geval van
a) personen die ervan worden beschuldigd opzettelijk een strafbaar feit te hebben gepleegd of personen die ervan in kennis zijn gesteld dat zij ervan worden verdacht een dergelijk strafbaar feit te hebben gepleegd,
b) personen die een vrijheidsstraf ondergaan wegens een opzettelijk gepleegd strafbaar feit,
c) personen die onderworpen zijn aan medische dwangmaatregelen of veiligheidsdetentie of
d) gezochte personen die zijn gevonden en wier handelingsbekwaamheid beperkt is,
vingerafdrukken afnemen, fysieke kenmerken identificeren, lichaamsmetingen verrichten, video- en audio-opnames alsmede soortgelijke opnames maken en biologische monsters nemen om informatie over het genetisch materiaal van de betrokkene te verkrijgen.
(2) Indien een in lid 1 bedoelde handeling niet kan worden uitgevoerd omdat de persoon zich daartegen verzet, heeft de politieambtenaar het recht dat verzet terzijde te schuiven nadat hij de persoon tevergeefs heeft verzocht zich aan de betrokken handeling te onderwerpen. De manier waarop de politieambtenaar dit verzet terzijde schuift, moet in verhouding staan tot de intensiteit van het verzet. Politieambtenaren mogen het verzet van een persoon in het geval van een bloedafname of een andere soortgelijke handeling waarbij de lichamelijke integriteit wordt aangetast, niet terzijde schuiven.
(3) Indien een in lid 1 bedoelde handeling niet ter plaatse kan worden uitgevoerd, heeft de politieambtenaar het recht de persoon te doen verschijnen teneinde de handeling uit te voeren. Politieambtenaren laten de persoon vrij zodra de handeling is uitgevoerd.
(4) Politieambtenaren stellen een verslag op over de uitgevoerde handelingen.
(5) De politie wist de overeenkomstig lid 1 verkregen persoonsgegevens indien de verwerking van deze gegevens niet onontbeerlijk is voor het voorkomen, onderzoeken, opsporen of vervolgen van strafbare feiten of voor het waarborgen van de veiligheid van Tsjechië, de openbare orde of de binnenlandse veiligheid.”
9. § 79 van deze wet draagt het opschrift „Basisbepalingen inzake de verwerking van persoonsgegevens bij de uitvoering van bepaalde politietaken” en bepaalt in de leden 1 en 2:
„(1) De leden 2 tot en met 6 en de §§ 79a tot en met 88 zijn van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens met het oog op het voorkomen, onderzoeken, opsporen en vervolgen van strafbare feiten, teneinde de veiligheid van Tsjechië of de openbare orde en de binnenlandse veiligheid te waarborgen, alsook met het oog op het opsporen van personen en zaken.
(2) De politie mag persoonsgegevens verwerken indien dit noodzakelijk is om de in lid 1 genoemde doelstellingen te verwezenlijken. De politie kan ook persoonsgegevens verwerken ter bescherming van de zwaarwegende belangen van een betrokkene die verband houden met de in lid 1 genoemde doelstellingen.”
10. § 82 van deze wet luidt:
„(1) De politie evalueert ten minste om de drie jaar of de persoonsgegevens die voor de in § 79, lid 1, bedoelde doeleinden zijn verwerkt, nog steeds noodzakelijk zijn voor de uitvoering van haar taken op dit gebied.
(2) Met het oog op de in lid 1 bedoelde evaluatie kan de politie een uittreksel uit het strafregister verlangen.
(3) Met het oog op de in lid 1 bedoelde evaluatie en binnen de grenzen van hun bevoegdheden stellen de handhavings- en gerechtelijke autoriteiten, de Ministerstvo spravedlnosti [(ministerie van Justitie, Tsjechië)], de Ústavní soud [(grondwettelijk hof, Tsjechië)] en de Kancelář prezidenta republiky [(kabinet van de president van de Republiek, Tsjechië)] de politie voortdurend in kennis van hun onherroepelijke beslissingen, de verjaring van strafvervolgingen, de tenuitvoerlegging van een straf of beslissingen van de president van de Republiek met betrekking tot strafprocedures, straffen of verleende amnestie of gratie.”
III. Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vragen
11. Bij besluit van 11 december 2015 heeft de Tsjechische politie een strafprocedure tegen JH ingeleid wegens de niet-nakoming van zijn verplichtingen bij het beheren van andermans vermogen.
12. In het kader van de strafprocedure heeft de politie JH op 13 januari 2016 verhoord en heeft zij de uitvoering van verschillende identificatiehandelingen gelast. Ondanks het feit dat JH het er niet mee eens was, heeft de Tsjechische politie vingerafdrukken afgenomen en een wanguitstrijkje verricht op grond waarvan zij een DNA-profiel heeft gecreëerd. Daarnaast heeft de politie foto’s gemaakt en een beschrijving van JH opgesteld. Vervolgens heeft zij deze gegevens ingevoerd in de relevante databanken van de Tsjechische politie.
13. Bij uitspraak van de Městský soud v Praze (rechter voor de stad Praag, Tsjechië) van 15 maart 2017 is JH onherroepelijk veroordeeld wegens de niet-nakoming van zijn verplichtingen bij het beheren van andermans vermogen en wegens misbruik van zijn bevoegdheden als openbaar ambtenaar. Daarbij is hij veroordeeld tot een voorwaardelijke vrijheidsstraf van drie jaar, tot een verbod van vier jaar om binnen de overheid bestuursfuncties uit te oefenen, met inbegrip van het beheer van onroerende en roerende goederen, en tot vergoeding naar vermogen van de veroorzaakte schade.
14. Op 8 maart 2016 heeft JH beroep ingesteld bij de Městský soud v Praze, strekkende tot vaststelling dat de uitvoering van de identificatiehandelingen overeenkomstig § 65 van de wet betreffende de Tsjechische politie, de opslag van de aldus verkregen informatie en monsters, en de inschrijving in het computersysteem van de Tsjechische politie een onrechtmatige inmenging vormden.
15. Bij uitspraak van 23 juni 2022 heeft de Městský soud v Praze het beroep van JH toegewezen en geoordeeld dat de door de Tsjechische politie uitgevoerde identificatiehandelingen en de opslag van deze persoonsgegevens in de databanken van de Tsjechische politie een onrechtmatige inmenging in het grondrecht op eerbiediging van het privéleven vormden. Deze rechter heeft de Tsjechische politie bijgevolg gelast alle op grond van die handelingen verkregen persoonsgegevens uit haar databanken te wissen, met uitzondering van het wanguitstrijkje dat inmiddels was vernietigd.
16. De Městský soud v Praze heeft benadrukt dat de afname van genetisch materiaal een aanzienlijke inmenging vormt in het grondrecht op eerbiediging van het privéleven, dat met name wordt beschermd door artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden(8). § 65 van de wet betreffende de Tsjechische politie bevat onvoldoende aanknopingspunten om de evenredigheid van deze inmenging te beoordelen. Vóór de afname van genetisch materiaal gaat de Tsjechische politie immers slechts na of het strafbare feit opzettelijk is gepleegd in de zin van die bepaling. In het hoofdgeding kan deze voorwaarde worden geacht te zijn vervuld.
17. Bijgevolg heeft de Městský soud v Praze geoordeeld dat de door de Tsjechische politie uitgevoerde identificatiehandelingen niet voldeden aan het evenredigheidsvereiste en derhalve een onrechtmatige inmenging vormden. Deze rechter heeft er in dit verband op gewezen dat JH er slechts van werd beschuldigd een licht misdrijf te hebben gepleegd, dat wil zeggen een minder ernstig strafbaar feit, dat hij nooit eerder was veroordeeld en dat recidive onwaarschijnlijk was. Deze rechter heeft er voorts op gewezen dat de Tsjechische politie volgens § 65, lid 5, van de wet betreffende de Tsjechische politie zelf intern moet onderzoeken vanaf wanneer de verdere opslag van persoonsgegevens „niet onontbeerlijk is voor het voorkomen, onderzoeken, opsporen [...] van strafbare feiten”. De Městský soud v Praze is van oordeel dat deze regeling de politie een onbeperkte beoordelingsruimte laat en ertoe leidt dat persoonsgegevens te vaak onbeperkt in de tijd worden opgeslagen.
18. Het politiedirectoraat heeft bij de Nejvyšší správní soud cassatieberoep tegen deze uitspraak ingesteld.
19. Ter ondersteuning van zijn cassatieberoep heeft het politiedirectoraat onderstreept dat het doel van de verwerking van persoonsgegevens duidelijk is neergelegd in § 65 van de wet betreffende de Tsjechische politie. Voorts heeft het verklaard dat het de evenredigheid van de verzameling en de opslag van de persoonsgegevens van JH had beoordeeld, rekening houdend met de recidivefactor, met de mogelijke escalatie van de betreffende gedragingen en met het feit dat JH in het verleden reeds meerdere strafbare feiten heeft gepleegd. Wat betreft het gestelde ontbreken van voldoende openbaarheid van de criteria die intern door de Tsjechische politie worden toegepast om te beslissen of persoonsgegevens verder worden opgeslagen, heeft het politiedirectoraat aangegeven dat deze regels ter inzage van het publiek worden gesteld in het kader van het recht op informatie.
20. In antwoord hierop heeft JH erop gewezen dat de Tsjechische politieautoriteiten de identificatiehandelingen hadden uitgevoerd zonder eerst de evenredigheid van de inmenging te beoordelen. JH heeft ook kritiek geuit op het feit dat de richtsnoeren van de Tsjechische politie betreffende de uitvoering van identificatiehandelingen niet openbaar worden gemaakt.
21. Tegen deze achtergrond wenst de verwijzende rechter in de eerste plaats te vernemen of de voorschriften van richtlijn 2016/680 zich verzetten tegen de ongedifferentieerde verzameling van biometrische en genetische gegevens van eenieder die ervan wordt verdacht opzettelijk een strafbaar feit te hebben gepleegd; in de tweede plaats, of de voorschriften van deze richtlijn zich verzetten tegen de opslag van dergelijke gegevens zonder dat uitdrukkelijk in een beperking in de tijd is voorzien, en in de derde plaats, of de rechtspraak van de nationale bestuursrechters kan worden aangemerkt als „lidstatelijk recht” in de zin van artikel 8 van deze richtlijn, waarin de voorwaarden voor de rechtmatigheid van de verwerking van persoonsgegevens zijn neergelegd.
22. In deze omstandigheden heeft de Nejvyšší správní soud de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Welke mate van onderscheid dient te worden gemaakt tussen de verschillende betrokkenen krachtens artikel 4, lid 1, onder c), en artikel 6 [van richtlijn 2016/680], gelezen in samenhang met artikel 10 van [deze richtlijn]? Is het verenigbaar met de verplichting om de verwerking van persoonsgegevens tot een minimum te beperken en om een onderscheid te maken tussen verschillende categorieën van betrokkenen dat in de nationale wetgeving wordt toegestaan dat genetische gegevens worden verzameld van eenieder die ervan wordt verdacht of beschuldigd opzettelijk een strafbaar feit te hebben gepleegd?
2) Is het verenigbaar met artikel 4, lid 1, onder e), van richtlijn 2016/680 dat, gelet op de algemene doelstelling van het voorkomen en opsporen van criminaliteit, de noodzaak om een DNA-profiel langer te bewaren door de politieautoriteiten wordt beoordeeld op basis van hun interne regelgeving, wat in de praktijk vaak inhoudt dat gevoelige persoonsgegevens voor onbepaalde tijd worden bewaard, zonder dat een maximumtermijn voor de bewaring van dergelijke persoonsgegevens wordt vastgesteld? Indien dit niet in overeenstemming is met de genoemde bepaling, volgens welke criteria moet dan de evenredigheid worden beoordeeld wat de duur van de bewaring van voor een dergelijk doel verzamelde en bewaarde persoonsgegevens betreft?
3) Wat is de minimale draagwijdte van de materiële en procedurele voorwaarden voor het verzamelen, bewaren en wissen van bijzonder gevoelige persoonsgegevens als bedoeld in artikel 10 van richtlijn 2016/680, waarbij die draagwijdte moet worden geregeld in ‚bepalingen van algemene strekking’ van het lidstatelijke recht? Kan ook de rechtspraak worden aangemerkt als ‚lidstatelijk recht’ in de zin van artikel 8, lid 2, gelezen in samenhang met artikel 10 van [deze richtlijn]?”
23. JH, de Tsjechische regering, Ierland en de Poolse regering alsook de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.
24. Ter terechtzitting van 28 november 2024 zijn JH, de Tsjechische regering, Ierland en de Nederlandse regering alsook de Commissie gehoord in hun pleidooien en zijn zij met name verzocht te antwoorden op de door het Hof gestelde mondelinge vragen.
IV. Analyse
25. Om te beginnen zij eraan herinnerd dat de prejudiciële vragen van de verwijzende rechter betrekking hebben op de verzameling en de opslag van biometrische en genetische gegevens, die bijzondere categorieën van persoonsgegevens zijn waarvan de verwerking onder artikel 10 van richtlijn 2016/680 valt.
26. Deze bepaling strekt ertoe de betrokken persoon een versterkte bescherming te bieden omdat de bijzondere gevoeligheid van de gegevens in kwestie en de context waarin zij worden verwerkt – zoals uit overweging 37 van die richtlijn naar voren komt – aanzienlijke risico’s kunnen meebrengen voor de grondrechten en fundamentele vrijheden, zoals het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op bescherming van persoonsgegevens, die worden gewaarborgd door de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie(9).
27. Meer bepaald schrijft artikel 10 van richtlijn 2016/680 voor dat de verwerking van gevoelige gegevens „slechts” is toegestaan „wanneer [zij] strikt noodzakelijk is”. Dit vereiste van strikte noodzakelijkheid vormt een strengere voorwaarde voor de rechtmatigheid van de verwerking van die gegevens en betekent onder meer dat de naleving van het uit artikel 4, lid 1, onder c), van die richtlijn voortvloeiende beginsel van „minimale gegevensverwerking”, waarvan dat vereiste een specifieke toepassing op die gevoelige gegevens vormt, bijzonder streng moet worden gecontroleerd.(10)
28. In het licht van deze overwegingen zal ik in deze conclusie antwoorden op de vragen van de verwijzende rechter door te trachten vast te stellen of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wettelijke regeling voldoet aan het vereiste dat biometrische en genetische gegevens van betrokkenen alleen kunnen worden verzameld en opgeslagen in gevallen van „strikte noodzakelijkheid” in de zin van artikel 10 van richtlijn 2016/680.
A. Eerste prejudiciële vraag
29. Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 4, lid 1, onder c), dan wel artikel 6 van richtlijn 2016/680, gelezen in samenhang met artikel 10 van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling op grond waarvan biometrische en genetische gegevens kunnen worden verzameld van eenieder die ervan wordt verdacht of beschuldigd opzettelijk een strafbaar feit te hebben gepleegd.
1. Ontvankelijkheid
30. In haar schriftelijke opmerkingen heeft de Commissie geconcludeerd dat de eerste vraag niet-ontvankelijk is daar de verzameling van de genetische en biometrische gegevens van JH door de Tsjechische politie in het hoofdgeding heeft plaatsgevonden op 13 januari 2016, dat wil zeggen vóór de inwerkingtreding van richtlijn 2016/680 op 5 mei 2016 en vóór het verstrijken van de in artikel 63, lid 1, van deze richtlijn op 6 mei 2018 vastgestelde omzettingstermijn.
31. Hoewel het waar is dat richtlijn 2016/680 geen overgangsbepalingen bevat met betrekking tot gegevens die vóór 5 mei 2016 zijn verzameld, is het mijns inziens relevant om te verwijzen naar overweging 96 van die richtlijn, waarin staat dat „[v]erwerkingen die reeds gaande zijn op die datum [...] binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn daarmee in overeenstemming [dienen] te worden gebracht”(11).
32. Overeenkomstig artikel 3, punt 2, van richtlijn 2016/680 wordt onder „verwerking” verstaan „een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van persoonsgegevens, [...] zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, bekendmaking door middel van doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen, aligneren of combineren, afschermen, wissen of vernietigen van gegevens”(12).
33. Met uitzondering van het inmiddels vernietigde wanguitstrijkje zijn de persoonsgegevens van JH die vóór 5 mei 2016 zijn verzameld, nog steeds opgeslagen in de databanken van de Tsjechische politie. Deze gegevens worden dus nog verder verwerkt na deze datum en na de inwerkingtreding van richtlijn 2016/680.
34. Daarom ben ik van mening dat persoonsgegevens die rechtmatig zijn verzameld op grond van kaderbesluit 2008/977/JBZ(13), maar die in strijd met de beginselen van richtlijn 2016/680 zouden zijn verzameld indien dat na de datum van inwerkingtreding van die richtlijn was gebeurd, niet verder mogen worden verwerkt en derhalve niet mogen worden opgeslagen onder vigeur van die richtlijn.
35. Gelet op een en ander ben ik van mening dat de eerste vraag van de verwijzende rechter ontvankelijk is.
2. Ten gronde
36. De verwijzende rechter vraagt zich af of § 65, lid 1, van de wet betreffende de Tsjechische politie verenigbaar is met de bij artikel 6 van richtlijn 2016/680 aan de lidstaten opgelegde verplichting om een onderscheid te maken tussen verschillende categorieën van betrokkenen en met het in artikel 4, lid 1, onder c), van die richtlijn neergelegde beginsel dat de verwerking van persoonsgegevens tot een minimum moet worden beperkt.
37. Meer in het bijzonder wenst deze rechter te vernemen of met de enige bij de nationale wettelijke regeling gestelde voorwaarde om de verzameling van biometrische en genetische gegevens van een natuurlijke persoon toe te staan, namelijk het bestaan van een opzettelijk gepleegd strafbaar feit, voldoende onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende betrokken personen, dan wel of een bijkomende mate van individualisering vereist is, in die zin dat een onderscheid moet worden gemaakt volgens de ernst van de opzettelijk gepleegde strafbare feiten waarvoor dergelijke gegevens automatisch zouden kunnen worden verzameld.
38. Om die vraag te beantwoorden, moet er om te beginnen aan worden herinnerd dat artikel 6 van richtlijn 2016/680 de lidstaten weliswaar verplicht om een duidelijk onderscheid te maken tussen de persoonsgegevens betreffende verschillende categorieën van betrokkenen, zodat zij niet zonder onderscheid in dezelfde mate worden geraakt in hun grondrecht op bescherming van persoonsgegevens(14), maar dat de in dat artikel gebruikte zinsnede „in voorkomend geval en voor zover mogelijk” duidelijk aangeeft dat het niet altijd mogelijk is om dat onderscheid te maken tussen dergelijke gegevens(15).
39. De bij het genoemde artikel 6 aan de lidstaten opgelegde verplichting is derhalve niet absoluut en de in dit artikel gehanteerde uitdrukking „zoals” wijst erop dat de daaropvolgende opsomming van categorieën van personen niet uitputtend is.(16)
40. Verder is het van essentieel belang om in te gaan op de lessen die moeten worden getrokken uit het arrest Registratie van biometrische en genetische gegevens I, voor zover het Hof daarin uitlegging geeft aan artikel 4, lid 1, onder c), van richtlijn 2016/680, volgens hetwelk de verwerkte persoonsgegevens toereikend en ter zake dienend moeten zijn alsook niet bovenmatig in verhouding tot de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt.
41. In dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat een nationale wettelijke regeling die voorziet in het systematisch verzamelen van biometrische en genetische gegevens van eenieder die in verdenking is gesteld van een ambtshalve vervolgbaar en opzettelijk gepleegd strafbaar feit(17), in beginsel in strijd is met het vereiste van artikel 10 van richtlijn 2016/680 dat de verwerking van de in dat artikel bedoelde bijzondere categorieën van gegevens „slechts” mag worden toegelaten „wanneer de verwerking strikt noodzakelijk is”.(18) Een dergelijke wettelijke regeling kan er namelijk toe leiden dat op ongedifferentieerde en algemene wijze biometrische en genetische gegevens van de meeste in verdenking gestelde personen worden verzameld, aangezien het begrip „ambtshalve vervolgbaar en opzettelijk gepleegd strafbaar feit” bijzonder algemeen is en van toepassing kan zijn op een groot aantal strafbare feiten, ongeacht de aard en de ernst ervan.(19)
42. In casu bepaalt § 65, lid 1, van de wet betreffende de Tsjechische politie dat de biometrische en genetische gegevens van een persoon niet alleen mogen worden verzameld wanneer die persoon ervan wordt beschuldigd opzettelijk een strafbaar feit te hebben gepleegd, maar ook wanneer hij daarvan wordt verdacht. Deze bepaling is dus niet louter gericht op een gering aantal situaties, maar bestrijkt, nog te ruim, een meerderheid van strafbare feiten waarvoor dergelijke gegevens kunnen worden verzameld.
43. Opgemerkt zij dat deze bepaling de politieautoriteiten slechts een bevoegdheid toekent om deze gegevens te verzamelen, terwijl de politiële registratie waarin was voorzien door de Bulgaarse wettelijke regeling die aan de orde was in de zaak die heeft geleid tot het arrest Registratie van biometrische en genetische gegevens I, verplicht van toepassing was op alle personen die in verdenking waren gesteld van een ambtshalve vervolgbaar en opzettelijk gepleegd strafbaar feit(20). Dit zou de indruk kunnen wekken dat de Tsjechische wettelijke regeling het, door de politieautoriteiten meer speelruimte te laten, mogelijk maakt om beter af te bakenen in welke gevallen biometrische en genetische gegevens van betrokkenen kunnen worden verzameld.
44. Ik wil er echter op wijzen dat noch § 65, lid 1, van de wet betreffende de Tsjechische politie noch § 11 van die wet – op grond waarvan de politieautoriteiten een eenvoudige evenredigheidstoetsing moeten uitvoeren – deze autoriteiten ertoe verplicht te beoordelen of het verzamelen van biometrische en genetische gegevens van de betrokkenen strikt noodzakelijk is. Dit levert in twee opzichten een probleem op.
45. Ten eerste kan de enkele omstandigheid dat een persoon opzettelijk een strafbaar feit heeft gepleegd of daarvan wordt verdacht in elk geval op zich niet de aanname wettigen dat het verzamelen van de biometrische en genetische gegevens van die persoon strikt noodzakelijk is in het licht van de met die gegevensverzameling nagestreefde doelstellingen.(21)
46. Het Hof heeft immers reeds geoordeeld dat deze „strikte noodzakelijkheid” slechts kan worden bepaald in het licht van alle relevante factoren, zoals met name de aard en de ernst van het aan een persoon ten laste gelegde strafbare feit, de bijzondere omstandigheden van dat strafbare feit, het mogelijke verband van dat strafbare feit met andere lopende procedures, en de gerechtelijke antecedenten of het persoonlijke profiel van de betrokkene.(22)
47. Om te voldoen aan het vereiste van artikel 10 van richtlijn 2016/680 dat de verwerking van de in dat artikel bedoelde bijzondere categorieën van gegevens „slechts” toegelaten is „wanneer de verwerking strikt noodzakelijk is”, volstaat het dus niet om de verzameling van biometrische en genetische gegevens te beperken tot enkel strafbare feiten waarbij sprake is van een element van opzet.
48. Ten tweede merk ik op dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat bij gebreke van een naar nationaal recht op de bevoegde autoriteit rustende verplichting om de „strikte noodzakelijkheid” te beoordelen van de verwerking van persoonsgegevens die zij heeft verricht of voornemens is te verrichten, een rechter die is aangezocht in verband met een dergelijke verwerking van persoonsgegevens door die bevoegde autoriteit, niet in de plaats van die autoriteit kan toezien op de naleving van de verplichting die krachtens artikel 10 van richtlijn 2016/680 op die autoriteit rust.(23)
49. Het huidige rechtskader in Tsjechië leidt tot situaties waarin enerzijds de politie geen strikte evenredigheidstoetsing uitvoert voordat zij de biometrische en genetische gegevens van de betrokkenen verzamelt en anderzijds de bestuursrechters de plaats van de politieautoriteiten moeten innemen bij het uitvoeren van een dergelijke toetsing.
50. Bij gebreke van een in de Tsjechische wettelijke regeling vastgestelde verplichting voor de nationale politieautoriteiten om in elk concreet geval te beoordelen of het verzamelen van biometrische en genetische gegevens van de betrokkenen strikt noodzakelijk is in de zin van artikel 10 van richtlijn 2016/680, voldoet die wettelijke regeling dus niet aan het in die bepaling neergelegde beginsel dat de verwerking van persoonsgegevens tot een minimum moet worden beperkt.
51. Uit het voorgaande volgt dat artikel 4, lid 1, onder c), en artikel 6 van richtlijn 2016/680, gelezen in samenhang met artikel 10 van die richtlijn, aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling op grond waarvan biometrische en genetische gegevens kunnen worden verzameld van eenieder die ervan wordt verdacht of beschuldigd opzettelijk een strafbaar feit te hebben gepleegd, wanneer die wettelijke regeling de bevoegde autoriteit niet verplicht om in elk concreet geval de „strikte noodzakelijkheid” te beoordelen van de verwerking die zij heeft verricht of voornemens is te verrichten.
B. Tweede prejudiciële vraag
52. Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 4, lid 1, onder e), van richtlijn 2016/680 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling op grond waarvan de politieautoriteiten op basis van interne regels beoordelen of het noodzakelijk is om biometrische en genetische gegevens verder op te slaan gelet op de doelstelling van het voorkomen en opsporen van strafbare feiten, zonder dat deze regeling voorziet in een maximale opslagtermijn, met als gevolg dat deze gegevens in de meeste gevallen voor onbepaalde tijd worden opgeslagen. Deze rechter vraagt zich tevens af volgens welke criteria de evenredigheid moet worden beoordeeld wat de duur van de opslag van voor een dergelijke doelstelling verzamelde en opgeslagen persoonsgegevens betreft.
53. Het Hof heeft de verwijzende rechter gevraagd of hij het noodzakelijk achtte deze vraag te handhaven in het licht van het arrest DGNP, dat is gewezen na de indiening van zijn verzoek om een prejudiciële beslissing. Na de partijen in het hoofdgeding te hebben uitgenodigd hun opmerkingen te maken, heeft deze rechter te kennen gegeven zijn vragen te willen handhaven en heeft hij twijfels geuit over de vraag of de vaststellingen van het Hof in dat arrest volledig konden worden toegepast op de tweede prejudiciële vraag.
54. In dat arrest heeft het Hof zich voor het eerst uitgesproken over wat in het licht van richtlijn 2016/680 de temporele beperkingen zijn voor de opslag, met het oog op de bestrijding van strafbare feiten, van de persoonsgegevens van personen die onherroepelijk strafrechtelijk zijn veroordeeld. Het ging om een nationale wettelijke regeling op grond waarvan dergelijke gegevens, waaronder gevoelige gegevens, worden opgeslagen tot deze personen zijn overleden, zonder de mogelijkheid om deze opslagtermijn opnieuw te beoordelen in het licht van de omstandigheden.
55. Wat de evenredigheid van de opslagtermijn voor persoonsgegevens betreft, heeft het Hof verklaard dat met overweging 26 van richtlijn 2016/680, artikel 4, lid 1, onder e), en artikel 5 van die richtlijn een algemeen kader wordt vastgesteld dat de lidstaten ertoe verplicht om, ten eerste, ervoor te zorgen dat die gegevens worden bewaard gedurende een periode die niet langer dan noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt(24) en, ten tweede, passende termijnen vast te leggen voor het wissen van deze gegevens of voor een periodieke evaluatie van de noodzaak van de opslag ervan, alsmede de naleving van die termijnen met procedurele maatregelen te waarborgen(25), waarbij het aan de lidstaten wordt overgelaten om binnen dat kader te bepalen in welke concrete situaties de bescherming van de grondrechten van de betrokken persoon vereist dat die gegevens worden gewist en op welk tijdstip dit moet geschieden(26).
56. Wat meer bepaald genetische en biometrische gegevens betreft, bepaalt artikel 10 van richtlijn 2016/680, zoals ik met name in punt 27 van deze conclusie in herinnering heb gebracht, dat de verwerking van gevoelige gegevens „slechts” is toegestaan „wanneer [zij] strikt noodzakelijk is”.(27)
57. Het Hof heeft voorts verduidelijkt dat die bepalingen niet vereisen dat de lidstaten een absolute maximale opslagtermijn voor persoonsgegevens vaststellen waarna deze gegevens automatisch zouden moeten worden gewist.(28)
58. Niettegenstaande deze lessen uit de rechtspraak wijst de verwijzende rechter erop dat zijn tweede prejudiciële vraag, anders dan de prejudiciële vraag in de zaak die tot het arrest DGNP heeft geleid, is geformuleerd in een context waarin met de verwerking de algemene voorkoming van strafbare feiten wordt beoogd.
59. Deze rechter vraagt zich dus af hoe het beginsel van temporele minimalisatie van de verwerking van persoonsgegevens kan worden verzoend met een dergelijke doelstelling, die naar haar aard prospectief en onbeperkt in de tijd is, en die veronderstelt dat persoonsgegevens van zo veel mogelijk mensen zo lang mogelijk worden opgeslagen.
60. Het is juist dat in de zaak die tot het arrest DGNP heeft geleid, het Hof werd verzocht om zich uit te spreken over een situatie waarin de persoonsgegevens, met name de biometrische en genetische gegevens, van een persoon die onherroepelijk was veroordeeld wegens een ambtshalve vervolgbaar en opzettelijk gepleegd strafbaar feit, waren opgeslagen in een politiebestand tot zijn overlijden en zonder enige andere beperking in de tijd, zelfs nadat hij was gerehabiliteerd.(29)
61. Deze omstandigheden staan er mijns inziens echter niet aan in de weg dat dezelfde vaststellingen worden toegepast op een situatie als die in het hoofdgeding, waarin persoonsgegevens worden opgeslagen met het oog op de algemene voorkoming van strafbare feiten.
62. Het Hof erkent immers dat de opslag van persoonsgegevens kan bijdragen tot de doelstelling van algemeen belang die is vermeld in overweging 27 van richtlijn 2016/680 en die inhoudt dat het met het oog op de voorkoming, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten noodzakelijk is dat de bevoegde autoriteiten de persoonsgegevens die zij in het kader van de voorkoming, het onderzoek, de opsporing of de vervolging van bepaalde strafbare feiten hebben verzameld, ook buiten dat kader verwerken, teneinde inzicht te verwerven in criminele activiteiten en verbanden te leggen tussen verschillende opgespoorde strafbare feiten.(30)
63. Dit veronderstelt dat nationale autoriteiten persoonsgegevens kunnen opslaan voor prospectieve doeleinden, zonder dat er een precieze maximumtermijn voor de opslag van die gegevens wordt vastgesteld. Het bestaan en de werking van bepaalde procedurele waarborgen blijken echter des te noodzakelijker te zijn in een dergelijke situatie.
64. Voor zover richtlijn 2016/680 de lidstaten geen verplichting oplegt om een absolute maximale opslagtermijn voor persoonsgegevens vast te stellen waarna deze gegevens automatisch zouden moeten worden gewist, is de periodieke evaluatie van de noodzaak van de opslag van dergelijke gegevens volgens mij dus van cruciaal belang.
65. In dit verband wijs ik erop dat, ten eerste, § 65, lid 5, van de wet betreffende de Tsjechische politie bepaalt dat verzamelde persoonsgegevens worden gewist indien de verwerking ervan niet onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van de doelstelling om strafbare feiten te voorkomen, te onderzoeken, op te sporen of te vervolgen en, ten tweede, § 82 van deze wet de politieautoriteiten verplicht om elke drie jaar te evalueren of het noodzakelijk is om de persoonsgegevens van de betrokkenen te blijven verwerken.
66. Deze regeling, die dus wel voorziet in het wissen van dergelijke gegevens en in de regelmatige evaluatie van de noodzaak om ze op te slaan, moet echter gepaard gaan met strikte waarborgen die het mogelijk maken om de betrokkenen doeltreffend te beschermen tegen het risico van misbruik.
67. Ten eerste, en zoals in overweging 33 van richtlijn 2016/680 in herinnering wordt gebracht, dienen in het lidstatelijke recht dat de verzameling en de opslag van persoonsgegevens regelt, ten minste de procedures voor de vernietiging van dergelijke gegevens te worden gespecificeerd.
68. Ten tweede moet iedere betrokkene op grond van artikel 13, lid 2, onder b), en artikel 14, onder d), van die richtlijn het recht hebben om op de hoogte te zijn van de periode gedurende welke zijn persoonsgegevens zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen. Dergelijke informatie is noodzakelijk om de betrokkenen in staat te stellen hun rechten uit hoofde van de artikelen 7 en 8 van het Handvest uit te oefenen, te verzoeken om inzage in en, in voorkomend geval, rectificatie of wissing van hun persoonsgegevens die worden verwerkt, en een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen overeenkomstig artikel 47, eerste alinea, van het Handvest.
69. Ten derde – met betrekking tot de noodzaak om met name biometrische en genetische gegevens op te slaan – moet de nationale wettelijke regeling bepalingen bevatten die duidelijk en nauwkeurig aangeven dat deze opslag beperkt moet blijven tot hetgeen strikt noodzakelijk is om het beoogde doel te verwezenlijken, teneinde te voldoen aan de vereisten van artikel 10 van richtlijn 2016/680.
70. Bij de beoordeling van de opslagtermijn voor dergelijke gegevens moet rekening worden gehouden met verschillende criteria, zoals de aard en de ernst van de vastgestelde feiten, de tijd die sinds de feiten is verstreken, de resterende wettelijke opslagtermijn en het risico dat de betrokkene betrokken is bij andere strafbare feiten(31), of andere omstandigheden, zoals de specifieke context waarin het strafbare feit is gepleegd, het eventuele verband ervan met andere lopende procedures of de antecedenten dan wel het profiel van deze persoon.
71. Noch uit de verwijzingsbeslissing noch uit de opmerkingen die de deelnemers aan de onderhavige procedure bij het Hof hebben ingediend, blijkt dat de Tsjechische wettelijke regeling inzake de opslag van biometrische en genetische gegevens voldoende waarborgen biedt met betrekking tot de procedures inzake vernietiging van deze gegevens, kennisgeving aan de betrokkenen en beoordeling of de opslag van deze gegevens „strikt noodzakelijk” is in de zin van artikel 10 van richtlijn 2016/680.
72. Uit het voorgaande volgt dat artikel 4, lid 1, onder e), van richtlijn 2016/680, gelezen in het licht van artikel 10 van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale wettelijke regeling waarin geen maximale opslagtermijn voor biometrische en genetische gegevens is vastgesteld, voor zover deze regeling voorziet in een regelmatige evaluatie van de noodzaak van de opslag van deze gegevens. Deze bepalingen vereisen echter dat een dergelijke evaluatie gepaard gaat met strikte procedurele waarborgen en kan garanderen dat dergelijke gegevens niet langer worden opgeslagen dan strikt noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor de gegevens worden verwerkt.
C. Derde prejudiciële vraag
73. Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 8, lid 2, en artikel 10 van richtlijn 2016/680 aldus moeten worden uitgelegd dat de minimale draagwijdte van bepaalde materiële of procedurele voorwaarden voor het verzamelen, opslaan en wissen van biometrische en genetische gegevens moet worden geregeld in een bepaling van algemene strekking, en voorts of de nationale rechtspraak waarin de voorwaarden voor het verzamelen, opslaan en wissen van dergelijke gegevens nader zijn bepaald, kan worden aangemerkt als „lidstatelijk recht” in de zin van die bepalingen.
74. Het Hof wordt verzocht deze vraag te beantwoorden in de context van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wettelijke regeling, die wordt beheerst door § 65 van de wet betreffende de Tsjechische politie, die de volgende kenmerken heeft.
75. Om te beginnen wordt aan deze bepaling uitvoering gegeven door middel van interne beheershandelingen van de Tsjechische politie in de vorm van richtsnoeren van het hoofd van de politie. Vast staat dat dergelijke handelingen niet kunnen worden aangemerkt als „lidstatelijk recht” in de zin van artikel 8, lid 2, van richtlijn 2016/680.
76. Voorts lijdt het weliswaar geen twijfel dat § 65 van de wet betreffende de Tsjechische politie kan worden aangemerkt als „lidstatelijk recht”, maar in die bepaling worden de concrete voorwaarden voor het verzamelen, opslaan en wissen van biometrische en genetische gegevens van de betrokkenen niet gepreciseerd.
77. Ten slotte worden deze regels aangevuld door de rechtspraak van de bestuursrechters, volgens welke de politieautoriteiten het evenredigheidscriterium in elk concreet geval moeten toepassen, waarbij zij in de eerste plaats rekening moeten houden met het strafrechtelijke verleden van de betrokkene, de specifieke ernst van het soort strafbaar feit waarvoor deze persoon is opgeroepen met het oog op de uitvoering van identificatiehandelingen, de persoonlijkheid van de dader en, in het kader van een verzoek tot gegevenswissing achteraf, de tijd die is verstreken sinds het strafbare feit is gepleegd, alsmede eventuele andere gedragingen van de dader.(32) De criteria waarop deze rechtspraak is gebaseerd, zijn bekendgemaakt en toegankelijk voor het publiek.
78. In het licht van deze elementen zal ik het Hof in overweging geven deze vraag aldus te beantwoorden dat, ook al kan de rechtspraak worden aangemerkt als „lidstatelijk recht” in de zin van richtlijn 2016/680, deze rechtspraak niet in de plaats kan komen van de waarborgen die een bepaling van algemene strekking dient te bieden met betrekking tot het verzamelen, opslaan en wissen van biometrische en genetische gegevens.
79. Het is juist dat meerdere elementen pleiten voor het idee dat rechtspraak voldoet aan de voorwaarde van „lidstatelijk recht” in de zin van artikel 8, lid 2, van die richtlijn.
80. In de eerste plaats staat in overweging 33 van richtlijn 2016/680 te lezen dat „[w]anneer in deze richtlijn wordt verwezen naar het lidstatelijke recht, een rechtsgrond of een wetgevingsmaatregel, [...] dit niet noodzakelijk [betekent] dat een door een parlement vastgestelde wetgevingshandeling nodig is”, op voorwaarde dat „[d]it lidstatelijke recht, die rechtsgrond of die wetgevingsmaatregel [...] duidelijk en nauwkeurig [is], en de toepassing daarvan [...] voorspelbaar [is] voor degenen op wie deze van toepassing is, zoals vereist door de rechtspraak van het Hof van Justitie en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens”.
81. In de tweede plaats heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in zijn arrest van 16 april 2002, Société Colas Est e.a. tegen Frankrijk(33), erkend dat het begrip „wet” in de zin van artikel 8, lid 2, EVRM in zijn „materiële” en niet in zijn „formele” betekenis moet worden opgevat. Op een gebied dat onder het geschreven recht valt, is de „wet” dus de geldende tekst zoals uitgelegd door de bevoegde rechters.
82. Het Hof heeft overigens zelf bevestigd dat het begrip „wet”, zoals gebruikt in de uitdrukking „bij wet is voorzien” in artikel 8, lid 2, EVRM en in de uitdrukking „grondslag waarin de wet voorziet” in artikel 8, lid 2, van het Handvest, moet worden opgevat in zijn materiële en niet in zijn formele betekenis.(34)
83. In de derde plaats heeft het Hof in zijn arrest van 21 juni 2022, Ligue des droits humains(35), verklaard dat het vereiste dat elke beperking op de uitoefening van grondrechten bij wet wordt gesteld, inhoudt dat de handeling die de inmenging in die rechten toestaat zelf de reikwijdte van de beperking op de uitoefening van het betrokken recht moet bepalen, met dien verstande, ten eerste, dat dit vereiste zich er niet tegen verzet dat de betrokken beperking in voldoende open bewoordingen is geformuleerd om te kunnen worden toegepast op verschillende gevallen en aangepast aan veranderende omstandigheden en, ten tweede, dat het Hof in voorkomend geval via uitlegging de concrete reikwijdte van de beperking kan verduidelijken aan de hand van de bewoordingen zelf van de betrokken Uniewetgeving alsook de algemene opzet en de doelstellingen van die wetgeving, zoals uitgelegd tegen de achtergrond van de door het Handvest gewaarborgde grondrechten.(36)
84. Voor zover er een wettelijke grondslag in het nationale recht bestaat, vertoont de rechtspraak, wanneer deze toegankelijk en voorzienbaar is en het voorts vaste rechtspraak betreft die niet systematisch ter discussie wordt gesteld, dus voldoende materiële kenmerken om onder het begrip „lidstatelijk recht” in de zin van artikel 8, lid 2, van richtlijn 2016/680 te vallen.(37)
85. Ik wens evenwel te benadrukken dat in bepaalde gevallen, met name wanneer het in artikel 6 van het Handvest verankerde recht op vrijheid in het geding is, een vaste rechtspraak die een vaste praktijk van de politie bevestigt, niet volstaat(38) en dat alleen bepalingen van algemene strekking (en dus bepalingen die de formele kenmerken van een wet hebben) de nodige waarborgen bieden, aangezien een dergelijke tekst een dwingend en vooraf gekend kader biedt voor de beoordelingsvrijheid waarover de autoriteiten beschikken wanneer zij de omstandigheden van ieder individueel geval beoordelen(39).
86. Het EHRM heeft eveneens verklaard dat elke inmenging van enig openbaar gezag in iemands recht op eerbiediging van het privéleven „bij wet [moet zijn] voorzien”(40). Deze uitdrukking betreft de „kwaliteit van de wet”, die in de context van de bescherming van gevoelige persoonsgegevens moet voldoen aan een vereiste van grotere voorzienbaarheid. Dit veronderstelt dat de reikwijdte van de beoordelingsbevoegdheid van de overheidsinstanties duidelijk in de wet wordt afgebakend(41), en dat in de wet voldoende duidelijke termen worden gebruikt om aan allen in toereikende mate te kennen te geven in welke omstandigheden en onder welke voorwaarden deze wet het openbaar gezag machtigt om maatregelen te treffen die hun door het EVRM beschermde rechten raken(42).
87. Zo heeft het EHRM verklaard dat wettelijke bepalingen op grond waarvan biometrische persoonsgegevens zouden kunnen worden verwerkt, doordat zij zeer ruim waren geformuleerd en de verwerking van dergelijke gegevens in alle soorten gerechtelijke procedures leken toe te staan, niet voldeden aan het vereiste van de „kwaliteit van de wet”. Het is immers essentieel om te beschikken over gedetailleerde regels betreffende de reikwijdte en de toepassing van de maatregelen en over gedegen waarborgen tegen het risico van misbruik en willekeur.(43)
88. Wat de onderhavige zaak betreft, herinner ik eraan dat biometrische en genetische gegevens wegens hun bijzondere gevoeligheid aanzienlijke risico’s kunnen inhouden voor de grondrechten en fundamentele vrijheden van de betrokkenen(44), en voorts dat de verwerking van dergelijke gegevens „slechts” mag worden toegelaten „wanneer de verwerking strikt noodzakelijk is”. Ik ben dan ook van mening dat het bijzonder problematisch is om de rechten van de betrokkenen alleen door middel van nationale rechtspraak te beschermen wanneer de wet in de formele betekenis ervan voorziet in een ontoereikende evenredigheidstoetsing, die niet overeenkomt met de mate van bescherming die wordt vereist door artikel 10 van richtlijn 2016/680.
89. De bepalingen van de wet betreffende de Tsjechische politie, met name § 65, zijn te ruim geformuleerd en leggen onvoldoende vooraf vastgestelde grenzen op aan de beoordelingsbevoegdheid waarover de politieautoriteiten beschikken bij het verzamelen, opslaan en wissen van biometrische en genetische gegevens. Bij gebreke van dergelijke grenzen voldoen de voorwaarden voor de verwerking van dergelijke gegevens, die uitsluitend uit de rechtspraak van de Tsjechische bestuursrechters voortvloeien, niet aan het vereiste van voldoende strikte waarborgen, in een dwingende handeling waarvan de toepassing voorzienbaar is, waarbij dat vereiste bij de verwerking van dergelijke gegevens moet primeren.
90. Hoewel de omzetting van een richtlijn niet noodzakelijkerwijs een optreden van de wetgever van elke lidstaat vereist, kan rechtspraak – gesteld al dat zij constant is – waarin bepalingen van intern recht worden uitgelegd op een wijze die wordt geacht aan de eisen van een richtlijn te voldoen, niet de helderheid en nauwkeurigheid hebben die met het oog op de rechtszekerheid noodzakelijk zijn.(45) Bijgevolg kan nationale rechtspraak – ook al is daarin een lijst van criteria uitgewerkt aan de hand waarvan in elk concreet geval de evenredigheid van de verwerking van de biometrische en genetische gegevens van de betrokkenen kan worden beoordeeld – geen alternatief vormen voor het ontbreken van een strikte evenredigheidstoetsing waarin is voorzien bij wet in de formele betekenis van het woord.
91. Uit de voorgaande overwegingen volgt dat artikel 8, lid 2, en artikel 10 van richtlijn 2016/680 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat nationale rechtspraak, ook al kan deze worden aangemerkt als „lidstatelijk recht” in de zin van deze richtlijn, in de plaats komt van een bepaling van algemene strekking die niet voorziet in een strikte toetsing, in elk concreet geval en door de politieautoriteiten, van de noodzaak om de biometrische en genetische gegevens van de betrokkenen te verzamelen en op te slaan.
V. Conclusie
92. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vragen van de Nejvyšší správní soud te beantwoorden als volgt:
„Artikel 4, lid 1, onder c) en e), artikel 6, artikel 8, lid 2, en artikel 10 van richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad
moeten aldus worden uitgelegd dat
– zij zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling op grond waarvan biometrische en genetische gegevens kunnen worden verzameld van eenieder die ervan wordt verdacht of beschuldigd opzettelijk een strafbaar feit te hebben gepleegd, wanneer die wettelijke regeling de bevoegde autoriteit niet verplicht om in elk concreet geval de „strikte noodzakelijkheid” te beoordelen van de verwerking die zij heeft verricht of voornemens is te verrichten;
– zij zich niet verzetten tegen een nationale wettelijke regeling waarin geen maximale opslagtermijn voor biometrische en genetische gegevens is vastgesteld, voor zover deze regeling voorziet in een regelmatige evaluatie van de noodzaak van de opslag van deze gegevens. Deze bepalingen vereisen echter dat een dergelijke evaluatie gepaard gaat met strikte procedurele waarborgen en kan garanderen dat dergelijke gegevens niet langer worden opgeslagen dan strikt noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor de gegevens worden verwerkt;
– zij zich ertegen verzetten dat nationale rechtspraak, ook al kan deze worden aangemerkt als „lidstatelijk recht” in de zin van deze richtlijn, in de plaats komt van een bepaling van algemene strekking die niet voorziet in een strikte toetsing, in elk concreet geval en door de politieautoriteiten, van de noodzaak om de biometrische en genetische gegevens van de betrokkenen te verzamelen en op te slaan.”
1 Oorspronkelijke taal: Frans.
2 PB 2016, L 119, blz. 89.
3 C‑205/21, EU:C:2023:49; hierna: „arrest Registratie van biometrische en genetische gegevens I”.
4 C‑80/23, EU:C:2024:991.
5 In de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „wet betreffende de Tsjechische politie”).
6 C‑118/22, EU:C:2024:97; hierna: „arrest DGNP”.
7 Zie arrest DGNP (punt 52).
8 Ondertekend te Rome op 4 november 1950; hierna: „EVRM”.
9 Hierna: „Handvest”. Zie arrest van 28 november 2024, Ministerstvo na vatreshnite raboti (Registratie van biometrische en genetische gegevens II) (C‑80/23, EU:C:2024:991, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
10 Zie arrest DGNP (punt 48).
11 In overweging 96 van richtlijn 2016/680 staat ook dat „de voorschriften van deze richtlijn die betrekking hebben op de voorafgaande raadpleging van de toezichthoudende autoriteit, niet [mogen] worden toegepast op de verwerkingsactiviteiten die reeds van vóór die datum gaande zijn”.
12 Cursivering van mij.
13 Kaderbesluit van de Raad van 27 november 2008 over de bescherming van persoonsgegevens die worden verwerkt in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken (PB 2008, L 350, blz. 60).
14 Zie arrest Registratie van biometrische en genetische gegevens I (punt 83).
15 Zie arrest van 8 december 2022, Inspektor v Inspektorata kam Visshia sadeben savet (Doeleinden van de verwerking van persoonsgegevens – Strafrechtelijk onderzoek) (C‑180/21, EU:C:2022:967, punt 48).
16 Zie arrest Registratie van biometrische en genetische gegevens I (punt 84).
17 De betrokken Bulgaarse wettelijke regeling voorzag in de verzameling onder dwang van biometrische en genetische gegevens met het oog op de registratie ervan, waarbij deze gegevens betrekking hebben op een natuurlijke persoon ten aanzien van wie er voldoende bewijs is verzameld dat hij opzettelijk een ambtshalve vervolgbaar strafbaar feit heeft gepleegd, hetgeen de inverdenkingstelling van deze persoon krachtens het nationale recht mogelijk maakt.
18 Zie arrest Registratie van biometrische en genetische gegevens I (punt 128).
19 Zie arrest Registratie van biometrische en genetische gegevens I (punt 129).
20 Zie arrest Registratie van biometrische en genetische gegevens I (punt 113).
21 Zie arrest Registratie van biometrische en genetische gegevens I (punt 130).
22 Zie arrest Registratie van biometrische en genetische gegevens I (punt 132).
23 Arrest van 28 november 2024, Ministerstvo na vatreshnite raboti (Registratie van biometrische en genetische gegevens II) (C‑80/23, EU:C:2024:991, punt 57).
24 Zie arrest DGNP (punten 43 en 45).
25 Zie arrest DGNP (punt 44).
26 Zie arrest DGNP (punt 52).
27 Zie arrest DGNP (punt 48).
28 Zie arrest DGNP (punt 52).
29 Zie arrest DGNP (punt 32).
30 Zie arrest DGNP (punt 55).
31 Zie de conclusie van advocaat-generaal Pikamäe in de zaak Direktor na Glavna direktsia „Natsionalna politsia” pri MVR – Sofia (C‑118/22, EU:C:2023:483, punt 75).
32 De verwijzende rechter verwijst naar de meest recente beslissingen, zoals de arresten van de Nejvyšší správní soud 5 As 254/2019‑49 van 18 mei 2022 (punten 17 en 18), en 5 As 241/2019‑46 van 18 mei 2022 (punten 18 en 19).
33 CE:ECHR:2002:0416JUD003797197, § 43.
34 Zie arrest van 16 november 2023, Roos e.a./Parlement (C‑458/22 P, EU:C:2023:871, punten 60 en 61).
35 C‑817/19, EU:C:2022:491.
36 Zie arrest van 21 juni 2022, Ligue des droits humains (C‑817/19, EU:C:2022:491, punt 114).
37 Zie in die zin de conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak TC (C‑492/18 PPU, EU:C:2018:875, punt 46).
38 Zie arrest van 15 maart 2017, Al Chodor (C‑528/15, EU:C:2017:213, punt 45). Het Hof is tot deze slotsom gekomen in het kader van de uitlegging van verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB 2013, L 180, blz. 31). In die zaak werd het Hof gevraagd of de criteria tot bepaling van een risico op onderduiken van een vreemdeling, in de wet moesten worden gedefinieerd en of het begrip „wetgeving” tevens zag op vaste rechtspraak die een vaste administratieve praktijk bevestigt.
39 Zie arrest van 15 maart 2017, Al Chodor (C‑528/15, EU:C:2017:213, punt 44). Hiertoe heeft het Hof verklaard dat het essentieel is dat de criteria tot bepaling van een risico op onderduiken, dat een reden voor bewaring is, duidelijk zijn vastgelegd in een dwingende handeling waarvan de toepassing voorzienbaar is (punt 42). Gelet op de doelstelling van de betrokken bepalingen en op de hoge mate van bescherming die uit de context ervan volgt, kan enkel een bepaling van algemene strekking beantwoorden aan de vereisten van duidelijkheid, voorzienbaarheid, toegankelijkheid en, meer in het bijzonder, bescherming tegen willekeur (punt 43).
40 Zie Guide sur l’article 8 de la Convention européenne des droits de l’homme (gids bij artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens), bijgewerkt op 31 augustus 2024, beschikbaar op https://ks.echr.coe.int/documents/d/echr-ks/guide_art_8_fre (punt 17).
41 Zie de in voetnoot 40 van deze conclusie vermelde gids (punt 19).
42 Zie arrest EHRM van 12 juni 2014, Fernández Martínez tegen Spanje (CE:ECHR:2014:0612JUD005603007, § 117).
43 Zie arrest EHRM van 4 juli 2023, Glukhin tegen Rusland (CE:ECHR:2023:0704JUD001151920, §§ 82 en 83).
44 Zie punt 26 van deze conclusie.
45 Zie onder meer arrest van 23 april 2009, Commissie/België (C‑292/07, EU:C:2009:246, punten 120 en 122).