|
6.3.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 83/26 |
Beroep ingesteld op 13 december 2022 — Zásilkovna / Commissie
(Zaak T-784/22)
(2023/C 83/33)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Zásilkovna s. r. o. (Praag, Tsjechië) (vertegenwoordiger: R. Kubáč, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
|
— |
besluit C(2022) 5136 final van de Commissie van 25 juli 2022 in zaak SA. 55208 (2020/C) — Compensatie door Tsjechië ten gunste van de Tsjechische Post voor het uitvoeren van de verplichting tot het verrichten van universele postdiensten voor de periode 2018-2022, waarbij de staatssteun verenigbaar met de interne markt wordt verklaard, nietig verklaren; |
|
— |
de Commissie verwijzen in haar eigen kosten en in de kosten van verzoekster. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij vier middelen aan.
|
1. |
Eerste middel, ontleend aan schending door de Commissie van een wezenlijk vormvoorschrift aangezien haar besluit niet naar behoren is gemotiveerd. In het bijzonder beperkt de motivering van de Commissie zich tot eenvoudige, niet-gedetailleerde beweringen en gaat zij voorbij aan alle overige vereisten uit de relevante rechtspraak. Derhalve heeft de Commissie die afwijking ten opzichte van de rechtspraak en ten opzichte van haar voorlopig standpunt niet voldoende onderbouwd. Bijgevolg heeft de Commissie verzoeksters wezenlijke procedurele recht geschonden, aangezien alle instellingen van de Europese Unie verplicht zijn om de betrokken maatregel te motiveren teneinde te verzekeren dat de rechter deze kan toetsen. |
|
2. |
Tweede middel, waarmee wordt aangevoerd dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door te besluiten dat de Tsjechische Post de kosten afzonderlijk toerekent voor universeledienstverplichtingen voor postdiensten (hierna: “universeledienstverplichting”) en de (commerciële) activiteiten die niet onder de universeledienstverplichting vallen. Verzoekster is er echter van overtuigd dat de kosten verbonden aan de investeringen op het vlak van de infrastructuur en aan de uitbating van het netwerk niet evenredig verdeeld worden tussen de dienst van algemeen economisch belang (hierna: “DAEB”) en andere commerciële activiteiten van de Tsjechische Post, aangezien bepaalde relevante kosten van de universeledienstverplichting (zoals personeel, uitrusting met inbegrip van voertuigen, databanken, etc.) in de praktijk ook worden gebruikt voor commerciële activiteiten die niet onder de universeledienstverplichting vallen. De conclusie van de Commissie dat de becijfering van de Net Avoided Cost-methode (hierna: “NAC-methode”) slechts de noodzakelijke kosten omvat om de universeledienstverplichtingen te verwezenlijken, betekent niet automatisch dat de Tsjechische Post dezelfde kosten niet eveneens gebruikt voor de commerciële activiteiten die niet onder de universeledienstverplichting vallen (bv. voor personeel, uitrusting met inbegrip van voertuigen, databanken, etc.). Bijgevolg heeft de Commissie het VWEU geschonden door de staatssteunregels onjuist toe te passen. |
|
3. |
Derde middel, waarmee wordt aangevoerd dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door volledig voorbij te gaan aan of onvoldoende in te gaan op bepaalde bezwaren van verzoekster betreffende de aanwezigheid van overcompensatie door de Tsjechische Post, in het bijzonder dat (i) de universeledienstverplichting door particuliere exploitanten op commerciële basis en zonder staatssteun kunnen worden verricht; (ii) de afschrijvingstermijnen voor de toewijzingsperiode volledig ongegrond zijn; en (iii) er verkeerde veronderstellingen werden gemaakt in het contrafeitelijke scenario. Bijgevolg heeft de Commissie het VWEU geschonden door de staatssteunregels onjuist toe te passen. |
|
4. |
Vierde middel, waarmee wordt aangevoerd dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door te concluderen dat de kruissubsidiëring door de Tsjechische Post geen staatssteun vormt. Volgens verzoekster vormt de kruissubsidiëring door de Tsjechische Post echter op zichzelf onverenigbare staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, die minstens reeds in de periode 2013-2017 bestond (maar zeer waarschijnlijk reeds daarvoor) en die de Commissie dus grondig had moeten onderzoeken in afzonderlijke administratieve procedures, en niet incidenteel in de procedure in zaak SA.55208 (2020/C), die was beperkt tot de periode 2018-2022. De Commissie heeft echter ten onrechte geconcludeerd dat deze kruissubsidiëring helemaal geen staatssteun vormt. Deze conclusie is zowel vanuit feitelijk als vanuit juridisch oogpunt onjuist. Bovendien staat zij in schril contrast met de vaste beslissingspraktijk van de Commissie en de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie. Bijgevolg heeft de Commissie het VWEU geschonden door de staatssteunregels onjuist toe te passen. |