4.4.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 148/35


Beroep ingesteld op 11 februari 2022 –Prigozhin/Raad

(Zaak T-75/22)

(2022/C 148/47)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Yevgeniy Viktorovich Prigozhin (Sint-Petersburg, Rusland) (vertegenwoordiger: M. Cessieux, advocaat)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

het beroep van Yevgeniy Viktorovich Prigozhin ontvankelijk verklaren, en

voor zover onderstaande handelingen betrekking hebben op verzoeker:

besluit (GBVB) 2021/2197 van de Raad van 13 december 2021 tot wijziging van besluit (GBVB) 2020/1999 betreffende beperkende maatregelen tegen ernstige schendingen van de mensenrechten, nietig verklaren;

uitvoeringsverordening (EU) 2021/2195 van de Raad van 13 december 2021 tot uitvoering van verordening (EU) 2020/1998 betreffende beperkende maatregelen tegen ernstige schendingen van de mensenrechten, nietig verklaren, en

voor zover deze handelingen vermelden dat verzoeker de Wagner-groep heeft gefinancierd:

voor recht verklaren en oordelen dat de naam Yevgeniy Viktorovich Prigozhin onverwijld uit de bestreden handelingen moet worden geschrapt;

de Raad van de Europese Unie verwijzen in de kosten op grond van de artikelen 87 en 91 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van het beroep voert verzoeker vier middelen aan.

1.

Niet-nakoming van de motiveringsplicht: Verzoeker betoogt dat de Raad niet heeft voldaan aan zijn plicht om de bestreden handelingen te motiveren, aangezien hij geen enkel specifiek gegeven heeft aangevoerd om te rechtvaardigen dat verzoekers naam is opgenomen in de tekst van de bestreden handelingen.

2.

Misbruik van bevoegdheid. Verzoeker voert in dit verband aan dat, bij gebreke van gegevens ter onderbouwing van de omschrijving van verzoeker als “financier van de Wagner-groep”, de Raad genoopt was om hem enkel indirect aan te wijzen in de motivering van de plaatsing van Wagner-groep op de lijst en om aldus voorbij te gaan aan het aanvankelijk met de maatregel nagestreefde doel.

3.

Kennelijke beoordelingsfout. Verzoeker stelt dat hij de Wagner-groep niet heeft gefinancierd en dat er geen enkel verband bestaat tussen hem en die entiteit.

4.

Schending van grondrechten. Verzoeker voert aan dat de Raad, door verzoekers naam op te nemen in de tekst van de motivering van de plaatsing van de Wagner-groep op de lijst, de artikelen 10, 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens heeft geschonden.