Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 6 september 2022 – Mara-Tóni
(Zaak C‑244/22) ( 1 )
„Prejudiciële verwijzing – Artikel 53, lid 2, en artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof – Vereiste om de redenen te vermelden waarom een antwoord van het Hof noodzakelijk is – Vereiste om een verband aan te geven tussen de bepalingen van het Unierecht waarvan om uitlegging wordt verzocht en de toepasselijke nationale wetgeving – Onvoldoende preciseringen – Kennelijke niet-ontvankelijkheid”
Prejudiciële vragen – Ontvankelijkheid – Vragen die zijn gesteld zonder voldoende nauwkeurige aanwijzingen van de redenen die de noodzaak van een antwoord op de prejudiciële vragen rechtvaardigen – Geen toelichting bij het verband tussen de bepalingen van het Unierecht waarnaar de verwijzende rechter verwijst en de op het hoofdgeding toepasselijke nationale wetgeving – Kennelijke niet-ontvankelijkheid
[Reglement voor de procesvoering voor het Hof, art. 53, lid 2, en 94, c); richtlijn 2008/104 van het Europees Parlement en de Raad, art. 3, lid 1, b) en c), richtlijn 2001/23 van de Raad, art. 1, lid 1]
(zie punten 22‑30 en dictum)
Dictum
Het verzoek om een prejudiciële beslissing dat bij beslissing van 1 maart 2022 door de Fővárosi Törvényszék (rechter voor de agglomeratie Boedapest, Hongarije) is ingediend, is kennelijk niet-ontvankelijk.
( 1 ) PB C 244 van 27.6.2022.