|
26.6.2023 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 223/9 |
Hogere voorziening ingesteld op 20 december 2022 door Studio Legale Ughi e Nunziante tegen de beschikking van het Gerecht (Derde kamer) van 10 oktober 2022 in zaak T-389/22, Studio Legale Ughi e Nunziante/Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)
(Zaak C-776/22 P)
(2023/C 223/12)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Rekwirant: Studio Legale Ughi e Nunziante (vertegenwoordigers: A. Clemente, L. Cascone, A. Marega, F. de Pilippis, avvocati)
Andere partij in de procedure: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)
Conclusies
De rekwirant verzoekt het Hof:
|
1) |
primair, om het eerste en/of het tweede middel van de hogere voorziening toe te wijzen en de bestreden beschikking te vernietigen, vast te stellen dat rekwirant rechtsgeldig wordt vertegenwoordigd door de advocaten die in het kader van het beroep bij het Gerecht zijn aangewezen, en bijgevolg de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor een uitspraak ten gronde; |
|
2) |
subsidiair, om het derde middel van de hogere voorziening toe te wijzen en de bestreden beschikking te vernietigen, vast te stellen dat het advocatenkantoor Ughi e Nunziante — Studio Legale het recht heeft de procedure voort te zetten met een advocaat die geen deel uitmaakt van rekwirant, en bijgevolg de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor een uitspraak ten gronde; |
|
3) |
het EUIPO te verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van de hogere voorziening voert rekwirant drie middelen aan.
Eerste middel: schending van de artikelen 119 en 126 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
Het Gerecht is de motiveringsplicht niet nagekomen door eerst de rechtspraak van het Hof inzake “zelfvertegenwoordiging” in herinnering te brengen en vervolgens in te gaan op de volledig andere kwestie van de onafhankelijkheid van de advocaat.
Het Gerecht heeft geen enkel argument aangehaald om te rechtvaardigen dat het vereiste van onafhankelijkheid van de advocaat geldt ingeval de verzoekende partij een als vereniging opgericht advocatenkantoor is, noch om zijn zienswijze te rechtvaardigen dat de advocaten die het beroep hebben ingesteld niet onafhankelijk kunnen zijn louter omdat zij vennoten van het kantoor zijn.
Tweede middel: schending en/of onjuiste toepassing van artikel 51 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht en van artikel 19 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Rekwirant heeft alle krachtens artikel 51, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht vereiste documenten naar behoren overgelegd en heeft daarbij het volledige bewijs geleverd dat de advocaten gemachtigd zijn om in Italië hun beroep uit te oefenen; bijgevolg is artikel 19, vierde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, anders dan het Gerecht stelt, niet geschonden.
Wat de gestelde schending van artikel 19, derde alinea, van het Statuut betreft, is de uitlegging van het vereiste van onafhankelijkheid van de advocaat ter sprake gekomen in verschillende recente arresten van het Hof, waarvan de bestreden beschikking is afgeweken. In deze zaak wijst niets er op dat de vennoten van het kantoor niet in staat zouden zijn hun werkzaamheden naar beste vermogen en in het belang van de cliënt uit te oefenen.
Derde middel: schending van de artikelen 47 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en, in voorkomend geval, van artikel 51, lid 4, en artikel 55, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
Het Gerecht heeft gewezen op het gestelde gebrek aan onafhankelijkheid, heeft vervolgens enkel vastgesteld dat zijn Reglement voor de procesvoering niet uitdrukkelijk voorzag in de mogelijkheid om een dergelijke tekortkoming te regulariseren, en heeft het beroep daarom automatisch niet-ontvankelijk verklaard.
Het Gerecht heeft er onvoldoende rekening mee gehouden dat dit vereiste van onafhankelijkheid in de rechtspraak is ontwikkeld; de mogelijkheid van regularisatie is niet uitdrukkelijk voorzien, eenvoudigweg omdat het betrokken vereiste niet uitdrukkelijk in enig voorschrift is opgenomen. De formalistische uitlegging van het Gerecht heeft dus in strijd met de artikelen 47 en 52 van het Handvest de rechten van rekwirant ernstig en onherstelbaar aangetast.
Toelating van de hogere voorziening
Bij beschikking van het Hof (kamer voor toelating van hogere voorzieningen) van 8 mei 2023 is de hogere voorziening gedeeltelijk toegelaten. De memorie van antwoord moet betrekking hebben op het tweede en het derde middel van de hogere voorziening.