1.8.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 294/13


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Rejonowy dla Warszawy — Śródmieścia w Warszawie (Polen) op 25 februari 2022 — AM, PM/mBank

(Zaak C-139/22)

(2022/C 294/18)

Procestaal: Pools

Verwijzende rechter

Sąd Rejonowy dla Warszawy — Śródmieścia w Warszawie

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: AM, PM

Verwerende partij: mBank S.A.

Prejudiciële vragen

1.

Moeten artikel 3, lid 1, artikel 7, leden 1 en 2, en artikel 8 van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (1) en het doeltreffendheidsbeginsel aldus worden uitgelegd dat het voor de kwalificatie van een contractueel beding waarover niet afzonderlijk is onderhandeld als een oneerlijk contractueel beding volstaat om vast te stellen dat het contractuele beding overeenstemt met een beding uit algemene voorwaarden dat is opgenomen in een register van oneerlijk bevonden bedingen?

2.

Moet artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een aan de nationale regeling gegeven rechterlijke uitlegging dat een oneerlijk contractueel beding zijn oneerlijke karakter verliest indien de consument ervoor kan kiezen om zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst na te komen op basis van een ander beding dat wel eerlijk is?

3.

Moeten artikel 3, lid 1, en artikel 4, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten aldus worden uitgelegd dat de verkoper verplicht is elke consument informatie te verstrekken over de wezenlijke kenmerken van de overeenkomst en de risico’s die ermee gepaard gaan, zelfs indien de betrokken consument over specifieke kennis van zaken beschikt?

4.

Moeten artikel 3, lid 1, artikel 6 […] en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten aldus worden uitgelegd dat, wanneer meerdere consumenten een overeenkomst sluiten met één verkoper, kan worden vastgesteld dat een en hetzelfde contractuele beding ten aanzien van de eerste consument oneerlijk is maar ten aanzien van de tweede eerlijk, en, zo ja, kan dit tot gevolg hebben dat de overeenkomst ten aanzien van de eerste consument nietig is maar ten aanzien van de tweede geldig, zodat alle daaruit voortvloeiende verplichtingen op die tweede consument rusten?


(1)  PB 1993, L 95, blz. 29