Gevoegde zaken C‑767/22, C‑49/23 en C‑161/23

1Dream e.a.

(verzoeken om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Latvijas Republikas Satversmes tiesa)

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 4 oktober 2024

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in strafzaken – Confiscatie van opbrengsten van misdrijven, alsmede van de daarbij gebruikte hulpmiddelen en de door middel daarvan verkregen voorwerpen – Kaderbesluit 2005/212/JBZ – Richtlijn 2014/42/EU – Werkingssfeer – Nationale strafprocedure die kan leiden tot een confiscatie van illegaal verkregen voorwerpen – Geen vaststelling van een strafbaar feit – Confiscatie zonder veroordeling – Andere redenen dan ziekte of vlucht”

  1. Prejudiciële vragen – Bevoegdheid van het Hof – Identificatie van de relevante elementen van Unierecht – Herformulering van de vragen

    (Art. 267 VWEU)

    (zie punten 69, 71)

  2. Justitiële samenwerking in strafzaken – Bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie – Richtlijn 2014/42 – Werkingssfeer – Nationale regeling die voorziet in de mogelijkheid om in het kader van een strafprocedure een procedure tot confiscatie van illegaal verkregen voorwerpen in te leiden in gevallen waarin geen sprake is van een strafrechtelijke veroordeling of ziekte of vlucht van de beklaagde – Daarvan uitgesloten – Mogelijkheid waarover de rechter die de confiscatie gelast, moet kunnen beschikken om te beoordelen of het strafbare feit is gepleegd

    [Richtlijn 2014/42 van het Europees Parlement en de Raad, overwegingen 5, 15 en 22 en art. 2, punten 1 en 3, art. 4, leden 1 en 2, en art. 14, lid 1; kaderbesluit 2005/212 van de Raad; verordening 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad, overweging 13]

    (zie punten 72‑89 en dictum 2)

Samenvatting

Naar aanleiding van drie afzonderlijke verzoeken om een prejudiciële beslissing van de Latvijas Republikas Satversmes tiesa (grondwettelijk hof, Letland), doet het Hof uitspraak over de werkingssfeer van kaderbesluit 2005/212 ( 1 ) en richtlijn 2014/42 ( 2 ) inzake de bevriezing en confiscatie van opbrengsten van misdrijven, alsmede van de daarbij gebruikte hulpmiddelen en de door middel daarvan verkregen voorwerpen in de Europese Unie.

Deze verzoeken werden ingediend in drie zaken in het kader van inbeslagnemingen van tegoeden, financiële instrumenten en onroerende zaken die werden bevolen tijdens het vooronderzoek van verschillende strafprocedures die in Letland waren ingeleid wegens het op grote schaal witwassen van de opbrengsten van misdrijven. In de loop van deze verschillende strafprocedures werden procedures betreffende illegaal verkregen voorwerpen met betrekking tot de betrokken financiële vermogensbestanddelen en onroerende zaken ingeleid en een deel van deze financiële vermogensbestanddelen en onroerende zaken werd geconfisqueerd en aan de staatsbegroting overgedragen.

In laatstgenoemde procedures hebben de betrokkenen bij de verwijzende rechter beroepen ingesteld waarbij zij onder meer aanvoerden dat een aantal bepalingen van de Kriminālprocesa likums (wetboek van strafvordering) in strijd zijn met het recht op een eerlijk proces ( 3 ) en het vermoeden van onschuld ( 4 ). Dit wetboek voorziet met name in de mogelijkheid om tijdens de inleidende fase van strafprocedures die bedoeld zijn om vast te stellen of een persoon een strafbaar feit heeft gepleegd, een afzonderlijke procedure in te leiden die een snelle confiscatie van illegaal verkregen voorwerpen mogelijk maakt, wanneer het om objectieve redenen niet mogelijk is de strafzaak binnen afzienbare tijd bij de bevoegde rechters aanhangig te maken of dit tot aanzienlijke en ongerechtvaardigde kosten kan leiden.

Aangezien de vaststelling dat voorwerpen illegaal zijn verkregen, wordt gedaan door de rechter voordat is vastgesteld dat er een strafbaar feit is gepleegd of voordat een veroordeling is uitgesproken, heeft de verwijzende rechter besloten de behandeling van deze zaken te schorsen en het Hof met name te vragen of een nationale regeling als die in het hoofdgeding binnen de werkingssfeer van richtlijn 2014/42 ( 5 ) en kaderbesluit 2005/212 ( 6 ) valt.

Beoordeling door het Hof

Het Hof merkt op dat niet kan worden geoordeeld dat kaderbesluit 2005/212 of richtlijn 2014/42 van toepassing is op een procedure die weliswaar in het nationale strafprocesrecht is geregeld, maar die uitsluitend ertoe strekt dat op basis van de gegevens van het dossier die zijn ontleend aan de procedure tot vaststelling van een of meer van de in die handelingen bedoelde strafbare feiten, wordt vastgesteld of een voorwerp illegaal is verkregen zonder dat de rechter bij wie de confiscatieprocedure aanhangig is, in die procedure bevoegd is om het bestaan van een dergelijk strafbaar feit vast te stellen en zonder dat die vaststelling heeft plaatsgevonden in de procedure tot vaststelling van een of meer strafbare feiten.

Hoewel het feit dat een confiscatieprocedure wordt beheerst door het nationale strafprocesrecht een aanwijzing kan zijn voor het bestaan van een noodzakelijk verband tussen de confiscatieprocedure en de vaststelling van een strafbaar feit, is dat op zich niet doorslaggevend om aan te nemen dat een dergelijke confiscatieprocedure binnen de werkingssfeer van kaderbesluit 2005/212 of richtlijn 2014/42 valt.

Voorts doet artikel 4, lid 2, van deze richtlijn geen afbreuk aan de uitsluiting van de werkingssfeer van kaderbesluit 2005/212 en richtlijn 2014/42 van confiscatieprocedures die uitsluitend tot doel hebben vast te stellen of voorwerpen illegaal zijn verkregen, zonder dat de aangezochte rechter bevoegd is om het bestaan van een strafbaar feit vast te stellen en zonder dat een dergelijk feit vooraf is vastgesteld.

Het Hof verduidelijkt dat deze bepaling betrekking heeft op het geval waarin een definitieve veroordeling niet mogelijk is wegens de niet-verschijning van de verdachte of beklaagde in bepaalde omstandigheden, ten minste in gevallen van ziekte of vlucht van deze verdachte of beklaagde, maar wanneer een strafprocedure is aangevangen met betrekking tot een strafbaar feit dat al dan niet rechtstreeks economisch voordeel kan opleveren, en waarin deze procedure zou kunnen hebben geleid tot een strafrechtelijke veroordeling indien die verdachte of beklaagde in staat was geweest voor de rechter te verschijnen.

Hieruit volgt dat de confiscatie waarin artikel 4, lid 2, van richtlijn 2014/42 voorziet, weliswaar betrekking heeft op „hulpmiddelen” en „opbrengsten” in de zin van artikel 2, leden 1 en 3, van die richtlijn, maar dat voor deze confiscatie zelfs los van een eventuele veroordeling van de dader van het strafbare feit vereist is dat de rechter die de confiscatie gelast, kan beoordelen of dat strafbare feit inderdaad is gepleegd. Artikel 4, lid 2, van richtlijn 2014/42 heeft dus geen betrekking op een procedure als die in het hoofdgeding, die een snelle confiscatie mogelijk maakt, maar niet tot doel heeft het bestaan van een strafbaar feit vast te stellen.

Het Hof concludeert dat kaderbesluit 2005/212 en richtlijn 2014/42 aldus moeten worden uitgelegd dat zij niet van toepassing zijn op een nationale regeling die voorziet in de mogelijkheid om in het kader van een strafprocedure die strekt tot vaststelling of een persoon een strafbaar feit heeft gepleegd, op basis van gegevens uit het dossier van de strafprocedure een procedure tot confiscatie van illegaal verkregen voorwerpen in te leiden, wanneer deze confiscatieprocedure geen betrekking heeft op de vaststelling van dat strafbaar feit en er geen sprake is van ziekte of vlucht van de betrokkene waardoor deze niet voor de rechter kan verschijnen.


( 1 ) Kaderbesluit 2005/212/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 inzake de confiscatie van opbrengsten van misdrijven, alsmede van de daarbij gebruikte hulpmiddelen en de door middel daarvan verkregen voorwerpen (PB 2005, L 68, blz. 49).

( 2 ) Richtlijn 2014/42/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie (PB 2014, L 127, blz. 39).

( 3 ) In de zaken C‑767/22, C‑49/23 en C‑161/23.

( 4 ) In zaak C‑161/23.

( 5 ) Met name artikel 4: „1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen die de volledige of gedeeltelijke confiscatie mogelijk maken van hulpmiddelen en opbrengsten of voorwerpen waarvan de waarde overeenkomt met die van de hulpmiddelen of opbrengsten, onder voorbehoud van definitieve veroordeling wegens een strafbaar feit, die ook bij verstek kan gebeuren.
2. Indien confiscatie op grond van lid 1 niet mogelijk is, nemen de lidstaten, ten minste in gevallen waar deze onmogelijkheid het gevolg is van ziekte of vlucht van de verdachte of beklaagde, de nodige maatregelen om confiscatie van opbrengsten en hulpmiddelen mogelijk te maken voor gevallen waarin een strafprocedure is aangevangen met betrekking tot een strafbaar feit dat al dan niet rechtstreeks economisch voordeel kan opleveren, en waarin deze procedure zou kunnen hebben geleid tot een strafrechtelijke veroordeling indien de verdachte of beklaagde in staat was geweest voor de rechter te verschijnen.”

( 6 ) Artikel 2, lid 1: „Elke lidstaat neemt de maatregelen die nodig zijn om gehele of gedeeltelijke confiscatie mogelijk te maken van hulpmiddelen en opbrengsten die verkregen zijn uit feiten waarop een vrijheidsstraf van meer dan één jaar is gesteld, of van voorwerpen waarvan de waarde overeenkomt met die van de opbrengsten.”