ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)
4 oktober 2024 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Asielbeleid – Internationale bescherming – Richtlijn 2013/32/EU – Gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming – Artikelen 36 en 37 – Begrip ‚veilig land van herkomst’ – Aanmerking – Bijlage I – Criteria – Artikel 46 – Recht op een doeltreffende voorziening in rechte – Toetsing door de rechter van de aanmerking van een derde land als veilig land van herkomst”
In zaak C‑406/22,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Krajský soud v Brně (rechter in eerste aanleg Brno, Tsjechië) bij beslissing van 20 juni 2022, ingekomen bij het Hof op dezelfde dag, in de procedure
CV
tegen
Ministerstvo vnitra České republiky, Odbor azylové a migrační politiky,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, L. Bay Larsen, vicepresident, A. Arabadjiev, A. Prechal, E. Regan (rapporteur), T. von Danwitz, Z. Csehi en O. Spineanu-Matei, kamerpresidenten, J.‑C. Bonichot, I. Jarukaitis, A. Kumin, M. L. Arastey Sahún en M. Gavalec, rechters,
advocaat-generaal: N. Emiliou,
griffier: C. Di Bella, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 6 juni 2023,
gelet op de opmerkingen van:
|
– |
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door A. Edelmannová, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden, |
|
– |
de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller en R. Kanitz als gemachtigden, |
|
– |
de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman, A. Hanje en P. P. Huurnink als gemachtigden, |
|
– |
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Azéma en M. Salyková als gemachtigden, |
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 30 mei 2024,
het navolgende
Arrest
|
1 |
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 36 en 37 alsook artikel 46, lid 3, van en bijlage I bij richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB 2013, L 180, blz. 60) en van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”). |
|
2 |
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen CV en Ministerstvo vnitra České republiky, Odbor azylové a migrační politiky (ministerie van Binnenlandse zaken van de Tsjechische Republiek, afdeling Asiel‑ en Migratiebeleid; hierna: „ministerie van Binnenlandse zaken”) naar aanleiding van de afwijzing van het door hem ingediende verzoek om internationale bescherming. |
Toepasselijke bepalingen
Internationaal recht
Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen
|
3 |
Volgens artikel 1, onder A, punt 2, van het op 28 juli 1951 te Genève ondertekende en op 22 april 1954 in werking getreden Verdrag betreffende de status van vluchtelingen [United Nations Treaty Series, deel 189, blz. 150, nr. 2545 (1954)], zoals aangevuld door het op 31 januari 1967 gesloten en op 4 oktober 1967 in werking getreden Protocol van New York betreffende de status van vluchtelingen (hierna: „Verdrag van Genève”), „[geldt] voor de toepassing van dit Verdrag […] als ‚vluchteling’ elke persoon die […] uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen […]”. |
EVRM
|
4 |
Het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bepaalt in artikel 15, dat het opschrift „Afwijking in geval van noodtoestand” draagt: „1. In tijd van oorlog of in geval van enig andere algemene noodtoestand die het bestaan van het land bedreigt, kan iedere Hoge Verdragsluitende Partij maatregelen nemen die afwijken van zijn verplichtingen ingevolge dit Verdrag, voor zover de ernst van de situatie deze maatregelen strikt vereist en op voorwaarde dat deze niet in strijd zijn met andere verplichtingen die voortvloeien uit het internationale recht. 2. De voorgaande bepaling staat geen enkele afwijking toe van artikel 2, behalve ingeval van dood als gevolg van rechtmatige oorlogshandelingen, en van [artikel] 3, [artikel] 4, [lid 1], en [artikel] 7. 3. Elke Hoge Verdragsluitende Partij die gebruikmaakt van dit recht om af te wijken, moet de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa volledig op de hoogte houden van de genomen maatregelen en van de beweegredenen daarvoor. Zij moet de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa eveneens in kennis stellen van de datum waarop deze maatregelen hebben opgehouden van kracht te zijn en de bepalingen van het Verdrag opnieuw volledig worden toegepast.” |
Unierecht
Richtlijn 2005/85
|
5 |
Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus (PB 2005, L 326, blz. 13) is bij richtlijn 2013/32 ingetrokken. Artikel 30 van richtlijn 2005/85, met het opschrift „Nationale aanmerking van derde landen als veilig land van herkomst”, bepaalde in lid 1 ervan: „Onverminderd artikel 29 kunnen de lidstaten voor de behandeling van asielverzoeken wetgeving handhaven of invoeren met het oog op de nationale aanmerking, overeenkomstig bijlage II, van andere derde landen dan de landen die op de gemeenschappelijke minimumlijst zijn opgenomen als veilige landen van herkomst. Dat kan inhouden dat een deel van een land als veilig wordt aangemerkt indien de voorwaarden van bijlage II voor dat deel zijn vervuld.” |
|
6 |
Artikel 31 van laatstgenoemde richtlijn, met het opschrift „Het begrip ‚veilig land van herkomst’”, bepaalde in lid 1 ervan: „Een derde land dat op grond van artikel 29 of artikel 30 als veilig land van herkomst is aangemerkt, kan voor een bepaalde asielzoeker, nadat zijn verzoek afzonderlijk is behandeld, alleen als veilig land van herkomst worden beschouwd wanneer:
en wanneer hij geen substantiële redenen heeft opgegeven om het land in zijn specifieke omstandigheden niet als een veilig land van herkomst te beschouwen ten aanzien van de vraag of hij voor erkenning als vluchteling in aanmerking komt overeenkomstig richtlijn 2004/83/EG [van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (PB 2004, L 304, blz. 12)].” |
|
7 |
In bijlage II bij deze richtlijn, met het opschrift „Aanmerking van veilige landen van herkomst voor de toepassing van artikel 29 en artikel 30, lid 1”, werden de criteria geformuleerd aan de hand waarvan een derde land als veilig land van herkomst kon worden aangemerkt. |
Richtlijn 2011/95
|
8 |
Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB 2011, L 337, blz. 9) bepaalt in artikel 9, dat het opschrift „Daden van vervolging” draagt: „1. Om te worden beschouwd als een daad van vervolging in de zin van artikel 1, onder A, van het Verdrag van Genève moet de daad:
2. Daden van vervolging in de zin van lid 1 kunnen onder meer de vorm aannemen van:
3. Overeenkomstig artikel 2, onder d), moet er een verband zijn tussen de in artikel 10 genoemde redenen en de daden die als vervolging worden aangemerkt in de zin van lid 1 van dit artikel of het ontbreken van bescherming tegen dergelijke daden.” |
Richtlijn 2013/32
|
9 |
De overwegingen 18 en 20 van richtlijn 2013/32 luiden als volgt:
[…]
|
|
10 |
Artikel 31 van deze richtlijn, „Behandelingsprocedure”, bepaalt in lid 8: „De lidstaten kunnen bepalen dat een behandelingsprocedure overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen in hoofdstuk II wordt versneld en/of aan de grens of in transitzones wordt gevoerd overeenkomstig artikel 43 indien: […]
[…]” |
|
11 |
Artikel 32 van deze richtlijn, „Ongegronde verzoeken”, luidt als volgt: „1. Onverminderd artikel 27 kunnen de lidstaten een verzoek enkel als ongegrond afwijzen wanneer de beslissingsautoriteit heeft vastgesteld dat de verzoeker niet in aanmerking komt voor internationale bescherming overeenkomstig richtlijn [2011/95]. 2. In gevallen van ongegronde verzoeken waarop een van de in artikel 31, lid 8, vermelde omstandigheden van toepassing is, kunnen de lidstaten tevens een verzoek als kennelijk ongegrond beschouwen indien dit zo in de nationale wetgeving is omschreven.” |
|
12 |
Artikel 36 van richtlijn 2013/32, „Het begrip ‚veilig land van herkomst’”, bepaalt: „1. Een derde land dat op grond van deze richtlijn als veilig land van herkomst is aangemerkt, kan voor een bepaalde verzoeker, nadat zijn verzoek afzonderlijk is behandeld, alleen als veilig land van herkomst worden beschouwd wanneer:
en wanneer hij geen substantiële redenen heeft opgegeven om het land in zijn specifieke omstandigheden niet als een veilig land van herkomst te beschouwen ten aanzien van de vraag of hij voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet in aanmerking komt overeenkomstig richtlijn [2011/95]. 2. De lidstaten stellen verdere nationale wetsvoorschriften en -bepalingen vast voor de toepassing van het begrip ‚veilig land van herkomst’.” |
|
13 |
Artikel 37 van deze richtlijn, „Nationale aanmerking van derde landen als veilig land van herkomst”, bepaalt: „1. De lidstaten kunnen voor de behandeling van verzoeken om internationale bescherming wetgeving handhaven of invoeren met het oog op de nationale aanmerking, overeenkomstig bijlage I, van veilige landen van herkomst. 2. De lidstaten onderzoeken de situatie in derde landen die overeenkomstig dit artikel als veilige landen van herkomst zijn aangemerkt, regelmatig opnieuw. 3. De beoordeling of een land een veilig land van herkomst is overeenkomstig dit artikel dient te stoelen op een reeks informatiebronnen, waaronder in het bijzonder informatie uit andere lidstaten, het EASO [Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken], de UNHCR [United Nations High Commissioner for Refugees], de Raad van Europa en andere relevante internationale organisaties. 4. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de landen die overeenkomstig dit artikel als veilige landen van herkomst worden aangemerkt.” |
|
14 |
Artikel 43 van deze richtlijn, „Grensprocedures”, bepaalt in lid 1 ervan: „De lidstaten kunnen procedures invoeren om, overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen van hoofdstuk II, aan de grens of in transitzones van de lidstaten een beslissing te nemen over: […]
|
|
15 |
Artikel 46 van richtlijn 2013/32, „Recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel”, bepaalt: „1. De lidstaten zorgen ervoor dat voor verzoekers een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie openstaat tegen:
[…] 3. Teneinde aan lid 1 te voldoen, zorgen de lidstaten ervoor dat een daadwerkelijk rechtsmiddel een volledig en ex-nunconderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden omvat, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig richtlijn [2011/95], zulks ten minste in beroepsprocedures voor een rechterlijke instantie van eerste aanleg. […] 5. Onverminderd lid 6 staan de lidstaten de verzoekers toe om op het grondgebied te blijven tot de termijn waarbinnen zij hun recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel kunnen uitoefenen, verstreken is en, wanneer dat recht binnen de termijn werd uitgeoefend, in afwachting van de uitkomst van het rechtsmiddel. 6. In het geval van een beslissing om:
[…] is een rechterlijke instantie bevoegd om, op verzoek van de betrokken verzoeker of ambtshalve, uitspraak te doen over de vraag of de verzoeker op het grondgebied van de lidstaat mag blijven, indien deze beslissing resulteert in een beëindiging van het recht van de verzoeker om in de lidstaat te blijven, en het nationale recht in dergelijke gevallen niet voorziet in het recht om in de lidstaat te blijven in afwachting van de uitkomst van het rechtsmiddel. […]” |
|
16 |
Artikel 53 van deze richtlijn, „Intrekking”, bepaalt: „Richtlijn [2005/85] wordt met ingang van 21 juli 2015 ingetrokken voor de door deze richtlijn gebonden lidstaten, […]. Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage III.” |
|
17 |
Bijlage I bij deze richtlijn, met het opschrift „Aanmerking van veilige landen van herkomst voor de toepassing van artikel 37, lid 1”, luidt als volgt: „Een land wordt als veilig land van herkomst beschouwd wanneer op basis van de rechtstoestand, de toepassing van de rechtsvoorschriften in een democratisch stelsel en de algemene politieke omstandigheden kan worden aangetoond dat er algemeen gezien en op duurzame wijze geen sprake is van vervolging in de zin van artikel 9 van richtlijn [2011/95], noch van foltering of onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, noch van bedreiging door willekeurig geweld in het kader van een internationaal of intern gewapend conflict. Bij deze beoordeling wordt onder meer rekening gehouden met de mate waarin bescherming wordt geboden tegen vervolging of mishandeling door middel van:
|
Verordening 2024/1348
|
18 |
Artikel 61 van verordening (EU) 2024/1348 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Unie en tot intrekking van richtlijn 2013/32 (PB L, 2024/1348), met het opschrift „Het begrip ‚veilig land van herkomst’”, bepaalt in lid 2: „Bij de aanwijzing op zowel het niveau van de [Europese] Unie als nationaal niveau van een derde land als veilig land van herkomst kunnen uitzonderingen worden gemaakt voor specifieke delen van zijn grondgebied of voor duidelijk identificeerbare categorieën personen.” |
|
19 |
Artikel 78 van deze verordening, „Intrekking”, bepaalt in lid 1: „Richtlijn [2013/32] wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 79, lid 2, bedoelde datum, onverminderd artikel 79, lid 3.” |
|
20 |
Artikel 79 van deze verordening, „Inwerkingtreding en toepassing”, bepaalt in de leden 2 en 3: „2. Deze verordening is van toepassing met ingang van 12 juni 2026. 3. Deze verordening is van toepassing op de procedure voor het verlenen van internationale bescherming met betrekking tot verzoeken die worden ingediend vanaf 12 juni 2026. Vóór die datum ingediende verzoeken om internationale bescherming vallen onder richtlijn [2013/32]. Deze verordening is van toepassing op de procedure tot intrekking van de internationale bescherming indien het onderzoek met het oog op de intrekking van de internationale bescherming is begonnen op of na 12 juni 2026. Indien het onderzoek met het oog op de intrekking van de internationale bescherming vóór 12 juni 2026 is begonnen, valt de procedure inzake intrekking van de internationale bescherming onder richtlijn [2013/32].” |
Tsjechisch recht
Asielwet
|
21 |
§ 2, lid 1, onder b) en k), van zákon č. 325/1999 Sb., o azylu (wet nr. 325/1999 inzake asiel), in de versie zoals die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: „asielwet”), bepaalt: „Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder: […]
[…]
[…]” |
|
22 |
§ 3d van deze wet bepaalt: „1. De aanvrager van internationale bescherming heeft het recht om op het grondgebied te verblijven; […]. Aan het recht om op het grondgebied te verblijven kan geen verblijfstitel worden ontleend in de zin van [zákon č. 326/1999 Sb., o pobytu cizinců na území České republiky a o změně některých zákonů (wet nr. 326/1999 betreffende het verblijf van vreemdelingen op het grondgebied van de Tsjechische Republiek en houdende wijziging van bepaalde wetten)]. Het ministerie is gerechtigd het verblijf van de aanvrager van internationale bescherming te beperken tot slechts een deel van het grondgebied of tot het opvangcentrum in de transitzone van een internationale luchthaven, indien de aanvrager geen toegang tot het grondgebied is verleend. 2. Indien de aanvrager van internationale bescherming geen persoon is die reeds bij herhaling om internationale bescherming heeft verzocht, kan zijn verblijf op het grondgebied niet worden beëindigd op grond van een administratieve of rechterlijke beslissing. […]” |
|
23 |
§ 16, leden 2 en 3, van deze wet luidt als volgt: „2. Het verzoek om internationale bescherming wordt eveneens kennelijk ongegrond verklaard wanneer de aanvrager afkomstig is uit een staat die de Tsjechische Republiek als een veilig land van herkomst beschouwt, tenzij de verzoeker aantoont dat deze staat in zijn geval niet als zodanig kan worden beschouwd. 3. Indien er gronden zijn om het verzoek om internationale bescherming kennelijk ongegrond te verklaren, hoeft niet te worden onderzocht of de aanvrager van internationale bescherming voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van asiel als bedoeld in de §§ 13 en 14 of van subsidiaire bescherming als bedoeld in § 14b. Indien er gronden zijn om het verzoek om internationale bescherming kennelijk ongegrond te verklaren krachtens lid 2, hoeft evenmin te worden nagegaan of de aanvrager van internationale bescherming feiten heeft aangevoerd waaruit blijkt dat hij zou kunnen worden blootgesteld aan vervolging om de in § 12 genoemde redenen of dat hij een risico op ernstige schade in de zin van § 14a loopt.” |
|
24 |
§ 32, lid 2, van de asielwet bepaalt: „Het instellen van beroep […] heeft schorsende werking, met uitzondering van […] het beroep dat wordt ingesteld tegen een beslissing als bedoeld in § 16, lid 2 […].” |
|
25 |
§ 85b, lid 1, van deze wet bepaalt: „Nadat een beslissing is gegeven waarbij een verzoek om internationale bescherming kennelijk ongegrond is verklaard, indien de rechter deze beslissing niet nietig heeft verklaard, of nadat de rechter in eerste aanleg heeft beslist om, indien daarom is verzocht, aan het beroep geen schorsende werking toe te kennen, geeft het ministerie ambtshalve een bevel tot verwijdering van de vreemdeling met een geldigheidsduur van ten hoogste een maand, tenzij de procedure van [wet nr. 326/1999 betreffende het verblijf van vreemdelingen op het grondgebied van de Tsjechische Republiek en houdende wijziging van bepaalde wetten] wordt gevolgd […].” |
|
26 |
§ 86, lid 4, van deze wet luidt als volgt: „Het ministerie stelt bij besluit de lijst van veilige landen van herkomst vast […]. Het herziet ten minste eenmaal per jaar de bij besluit vastgestelde lijsten van landen.” |
Besluit nr. 328/2015 houdende uitvoering van de wet inzake asiel en de wet inzake tijdelijke bescherming van vreemdelingen
|
27 |
§ 2, punt 15, van vyhláška č. 328/2015 Sb., kterou se provádí zákon o azylu a zákon o dočasné ochraně cizinců (besluit nr. 328/2015 houdende uitvoering van de wet inzake asiel en de wet inzake tijdelijke bescherming van vreemdelingen) bepaalt: „De Tsjechische Republiek beschouwt […] Moldavië, met uitzondering van Transnistrië, als een veilig land van herkomst […].” |
Wetboek van bestuursprocesrecht
|
28 |
§ 75, lid 2, van het wetboek van bestuursprocesrecht luidt als volgt: „De rechter onderzoekt de betwiste punten van het besluit binnen de grenzen van de aangevoerde middelen. […]” |
|
29 |
§ 76, lid 1, van dit wetboek bepaalt: „De rechter verklaart het bestreden besluit bij arrest, zonder terechtzitting, nietig op procedurele gronden
|
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
|
30 |
Op 9 februari 2022 heeft CV, een Moldavische onderdaan, in Tsjechië een verzoek om internationale bescherming ingediend. In dat verzoek verklaarde hij in 2015 in Moldavië getuige te zijn geweest van een ongeval waarbij de bestuurder van een auto een voetganger had geschept en doodgereden en vervolgens was gevlucht. Diezelfde nacht nog was hij thuis bezocht door een aantal individuen, die hem naar het bos hadden gedreven om hem daar aan te vallen. |
|
31 |
Na te zijn ontsnapt, is CV ondergedoken bij vrienden, om twee dagen later naar huis terug te keren en daar te constateren dat zijn woning was afgebrand. Vervolgens is hij uit Moldavië gevlucht en is hij het Tsjechische grondgebied binnengekomen met behulp van een hem door een kennis verschaft vals Roemeens paspoort. In 2016 en 2019 is hij naar Moldavië teruggekeerd, waarbij hij ervoor heeft gezorgd dat behalve zijn neven en nichten niemand op de hoogte was. |
|
32 |
Ter onderbouwing van zijn verzoek om internationale bescherming heeft CV aangevoerd dat hij in Moldavië was bedreigd door individuen die de politie niet heeft kunnen identificeren. Daarnaast gaf hij aan niet naar zijn regio van herkomst te willen terugkeren wegens de invasie van Oekraïne door de Russische Federatie. |
|
33 |
Bij beslissing van 8 maart 2022 (hierna: „afwijzende beslissing”) heeft het ministerie van Binnenlandse zaken zijn verzoek om internationale bescherming kennelijk ongegrond verklaard op grond van § 16, lid 2, van de asielwet, gelet op de informatie die het had vergaard over de politieke en veiligheidssituatie in Moldavië en over de eerbiediging van de mensenrechten in dit derde land. Meer concreet heeft dit ministerie opgemerkt dat de Tsjechische Republiek de Republiek Moldavië, met uitzondering van Transnistrië, krachtens § 2 van besluit nr. 328/2015 houdende uitvoering van de wet inzake asiel en de wet inzake tijdelijke bescherming van vreemdelingen als een „veilig land van herkomst” beschouwt, zonder dat CV erin geslaagd is aan te tonen dat dit in zijn bijzondere geval niet opgaat. |
|
34 |
CV is tegen deze beslissing opgekomen bij de Krajský soud v Brně (rechter in eerste aanleg Brno, Tsjechië), de verwijzende rechter. Ten overstaan van deze rechter herhaalt hij in wezen de gegevens die hij ter onderbouwing van zijn verzoek om internationale bescherming heeft aangevoerd en betoogt hij dat dit ministerie verplicht was om alle relevante informatie in aanmerking te nemen en dit verzoek in zijn totaliteit te beoordelen, maar dat het in plaats daarvan uitsluitend de herkomst van CV uit Moldavië als doorslaggevende factor heeft gehanteerd. |
|
35 |
Het ministerie van Binnenlandse zaken betoogt ten overstaan van de verwijzende rechter dat het niet is voorbijgegaan aan de situatie ten gevolge van het conflict dat is veroorzaakt door de Russische invasie van Oekraïne. Op het tijdstip waarop voornoemde beslissing is gegeven, waren er echter geen berichten die erop duidden dat dit conflict zich tot buiten Oekraïne zou uitbreiden of dat het ministerie de inhoud van de informatie die het over de Republiek Moldavië had verzameld, in positieve of in negatieve zin diende te herzien. |
|
36 |
Daarnaast wijst de verwijzende rechter erop dat voornoemd ministerie heeft erkend dat er fundamentele tekortkomingen bestaan op het gebied van de eerbiediging van het recht in Moldavië, met name wat betreft de rechtspleging, zodat niet kan worden uitgesloten dat zich gevallen van vervolging in de zin van artikel 9 van richtlijn 2011/95 voordoen. In het bijzonder bestaat het risico op onevenredige of discriminerende vervolging of strafrechtelijke veroordeling, waarvan vooral politieke tegenstanders, hun advocaten, mensenrechtenactivisten en activisten uit het maatschappelijk middenveld het slachtoffer zouden kunnen worden. Het ministerie van Binnenlandse zaken was echter van oordeel dat CV niet tot een van deze categorieën behoort. Bovendien heeft CV niet gesteld dat hij problemen met de Moldavische overheidsinstellingen had. |
|
37 |
Op 9 mei 2022 heeft de verwijzende rechter het verzoek van CV om schorsende werking aan zijn beroep tegen de afwijzende beslissing toe te kennen toegewezen op grond van zijn argument dat het voor hem alleen formele gevolgen zou hebben indien hij in het gelijk zou worden gesteld na het Tsjechische grondgebied te hebben verlaten, aangezien hij in Moldavië het risico zou lopen om ernstige schade te lijden door toedoen van de personen die hem daar in het verleden hadden aangevallen. De verwijzende rechter verklaart voorts in aanmerking te hebben genomen dat de Republiek Moldavië, gelet op de invasie van Oekraïne door de Russische Federatie, op 28 april 2022 had besloten haar recht krachtens artikel 15 EVRM te blijven uitoefenen om af te wijken van de uit het EVRM voortvloeiende verplichtingen, welk recht zij op 25 februari 2022 had ingeroepen wegens de aldaar heersende energiecrisis. |
|
38 |
Aangezien het verzoek om internationale bescherming van CV is afgewezen op grond van onder meer de omstandigheid dat de Republiek Moldavië, met uitzondering van Transnistrië, door de Tsjechische Republiek is aangemerkt als veilig land van herkomst, vraagt de verwijzende rechter zich in de eerste plaats af wat onder het begrip „veilig land van herkomst” moet worden verstaan en met name op basis van welke criteria, gelet op artikel 37 van richtlijn 2013/32 en bijlage I bij die richtlijn, een derde land als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt. |
|
39 |
Ten eerste vraagt de verwijzende rechter zich af of een derde land niet langer als zodanig kan worden aangemerkt wanneer het gebruikmaakt van de in artikel 15 EVRM bedoelde afwijkingsmogelijkheid. |
|
40 |
Ten tweede vraagt de verwijzende rechter zich af of het Unierecht zich ertegen verzet dat een lidstaat een derde land als veilig land van herkomst aanmerkt met uitzondering van bepaalde delen van zijn grondgebied. Hij wijst er in dit verband op dat de mogelijkheid van een dergelijke gedeeltelijke aanmerking, die was opgenomen in artikel 30 van de bij richtlijn 2013/32 ingetrokken richtlijn 2005/85, niet meer voorkomt in artikel 37 van eerstgenoemde richtlijn. Verder meent deze rechter dat het begrip „veilig land van herkomst” tot doel heeft de procedure ter behandeling van verzoeken om internationale bescherming te vereenvoudigen. Deze vereenvoudiging is enkel gerechtvaardigd ten aanzien van derde landen waar het weinig waarschijnlijk is dat aan de onderdanen ervan internationale bescherming of een subsidiaire bescherming moet worden toegekend. Dit is echter alleen het geval ten aanzien van derde landen waarvan het gehele grondgebied aan de criteria van bijlage I bij richtlijn 2013/32 voldoet. |
|
41 |
Voor zover zou worden geoordeeld dat een derde land dat gebruik heeft gemaakt van de door artikel 15 EVRM geboden afwijkingsmogelijkheid, niet kan worden aangemerkt als veilig land van herkomst of dat het niet mogelijk is een deel van het grondgebied van het betrokken derde land van een dergelijke aanmerking uit te sluiten, vraagt de verwijzende rechter zich in de tweede plaats af wat de omvang is van de toetsing die hij in dit verband dient te verrichten krachtens artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, een bepaling die niet in het Tsjechische recht is omgezet maar naar zijn mening rechtstreekse werking heeft. |
|
42 |
In het bijzonder merkt de verwijzende rechter op dat verzoeken om internationale bescherming die zijn ingediend door onderdanen van derde landen die als veilige landen van herkomst zijn aangemerkt – evenals het verzoek waarop het bij hem aanhangige geding betrekking heeft –, kunnen worden onderworpen aan een bijzondere behandelingsregeling, waarbij het krachtens de bepalingen van richtlijn 2013/32 mogelijk is om dergelijke verzoeken te behandelen volgens een versnelde procedure en in voorkomend geval kennelijk ongegrond te verklaren. Hij onderstreept tevens dat de lidstaat waarin een aanvrager van internationale bescherming een dergelijk verzoek heeft ingediend, in die omstandigheden mag weigeren om die aanvrager, in afwachting van de uitkomst van zijn beroep tegen de beslissing tot afwijzing van dat verzoek, op zijn grondgebied te laten verblijven. |
|
43 |
Derhalve wenst de verwijzende rechter te vernemen of een rechterlijke instantie waarbij een rechtsmiddel is aangewend tegen een beslissing tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming die in het kader van een dergelijke regeling is gegeven, uit hoofde van het volledige en ex-nunconderzoek van de feiten en de rechtsvragen dat zij krachtens artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, dient te verrichten, verplicht is een schending van de in deze richtlijn opgenomen voorschriften inzake de aanmerking van een derde land als veilig land van herkomst op te werpen, ook al heeft de verzoeker die dit beroep heeft ingesteld zich niet op deze schending beroepen. |
|
44 |
In deze omstandigheden heeft de Krajský soud v Brně de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
|
Prejudiciële vragen
Eerste vraag
|
45 |
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 37 van richtlijn 2013/32, gelezen in samenhang met bijlage I bij deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat een derde land dat zich beroept op het in artikel 15 EVRM geformuleerde recht om af te wijken van de uit dit verdrag voortvloeiende verplichtingen, enkel en alleen om die reden niet langer voldoet aan de criteria om als veilig land van herkomst te kunnen worden aangemerkt. |
|
46 |
Blijkens de door deze rechterlijke instantie verstrekte informatie verwijt verzoeker in het hoofdgeding het ministerie van Binnenlandse zaken dat het, in weerwil van het feit dat hij heeft uiteengezet aan welke bedreigingen hij in Moldavië blootstond en dat hij heeft verklaard niet naar zijn regio van herkomst te willen terugkeren wegens de invasie van Oekraïne door de Russische Federatie, zijn beslissing enkel heeft gebaseerd op het feit dat hij afkomstig is uit Moldavië, welk derde land, met uitzondering van Transnistrië, door de Tsjechische Republiek als veilig land van herkomst wordt aangemerkt. Om deze reden vraagt deze rechterlijke instantie zich af wat de mogelijke gevolgen voor een dergelijke aanmerking zijn van de omstandigheid dat de Republiek Moldavië op 28 april 2022, dus ten tijde van de aanhangigheid van het hoofdgeding, heeft besloten om, gelet op de invasie van Oekraïne door de Russische Federatie, haar recht ingevolge artikel 15 EVRM om af te wijken van de uit dit verdrag voortvloeiende verplichtingen te blijven uitoefenen. |
|
47 |
Om te beginnen zij eraan herinnerd dat de artikelen 36 en 37 van richtlijn 2013/32, betreffende respectievelijk het begrip veilig land van herkomst en de aanmerking door de lidstaten van derde landen als veilig land van herkomst, een bijzondere behandelingsregeling instellen waaraan de lidstaten verzoeken om internationale beschermen kunnen onderwerpen, die berust op een vorm van weerlegbaar vermoeden van afdoende bescherming in het land van herkomst, dat door de verzoeker kan worden weerlegd door dwingende redenen in verband met zijn specifieke omstandigheden aan te voeren (zie in die zin arrest van 25 juli 2018, A, C‑404/17, EU:C:2018:588, punt 25). |
|
48 |
In het kader van de specifieke kenmerken van deze bijzondere behandelingsregeling kunnen de lidstaten ten eerste overeenkomstig artikel 31, lid 8, onder b), van deze richtlijn besluiten om de behandelingsprocedure te versnellen en ten tweede om de behandelingsprocedure aan de grens of in transitzones te voeren overeenkomstig artikel 43 van deze richtlijn. |
|
49 |
Daarnaast kunnen de lidstaten een verzoek om internationale bescherming dat is ingediend door een verzoeker die afkomstig is uit een veilig land van herkomst en dat ongegrond is verklaard omdat de beslissingsautoriteit krachtens artikel 32, lid 1, van richtlijn 2013/32 heeft vastgesteld dat de verzoeker niet in aanmerking komt voor internationale bescherming overeenkomstig richtlijn 2011/95, krachtens artikel 32, lid 2, ook als kennelijk ongegrond beschouwen indien dit zo in de nationale wetgeving is omschreven. |
|
50 |
Een van de gevolgen voor de betrokkene wiens verzoek op grond van de toepassing van het begrip veilig land van herkomst is afgewezen, is bovendien dat het – anders dan hetgeen is bepaald in geval van een eenvoudige afwijzing – mogelijk is dat het hem niet wordt toegestaan op het grondgebied van de staat waar hij zijn verzoek heeft ingediend te blijven in afwachting van de uitkomst van het rechtsmiddel dat hij tegen de beslissing tot afwijzing van dat verzoek heeft aangewend, zoals blijkt uit artikel 46, leden 5 en 6, van richtlijn 2013/32 (zie in die zin arrest van 25 juli 2018, A, C‑404/17, EU:C:2018:588, punt 27). |
|
51 |
Na deze inleidende opmerkingen zij erop gewezen dat artikel 37 van deze richtlijn, zoals uit het opschrift ervan blijkt, betrekking heeft op de aanmerking door de lidstaten van derde landen als veilige landen van herkomst. In het bijzonder bepaalt artikel 37, lid 1, dat de lidstaten voor de behandeling van verzoeken om internationale bescherming wetgeving kunnen handhaven of invoeren met het oog op de nationale aanmerking, overeenkomstig bijlage I, van veilige landen van herkomst. |
|
52 |
In bijlage I wordt onder meer gepreciseerd dat een derde land als veilig land van herkomst kan worden beschouwd wanneer op basis van de rechtstoestand, de toepassing van de rechtsvoorschriften in een democratisch stelsel en de algemene politieke omstandigheden kan worden aangetoond dat er algemeen gezien en op duurzame wijze geen sprake is van vervolging in de zin van artikel 9 van richtlijn 2011/95, noch van foltering of onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, noch van bedreiging door willekeurig geweld in het kader van een internationaal of intern gewapend conflict. |
|
53 |
In dit verband somt voornoemde bijlage de elementen op waarmee rekening kan worden gehouden met het oog op de beoordeling van onder meer de mate waarin het betrokken derde land bescherming biedt tegen vervolging of mishandeling. Tot deze elementen behoort onder meer, zoals in de tweede alinea, onder b), van deze bijlage kan worden gelezen, de wijze waarop de rechten en vrijheden die zijn neergelegd in het EVRM, in het bijzonder de rechten waarop geen afwijkingen uit hoofde van artikel 15, lid 2, van dit verdrag zijn toegestaan, worden nageleefd. |
|
54 |
In deze bepaling van het EVRM wordt vastgesteld dat het mogelijk is om in tijd van oorlog of in geval van enige andere algemene noodtoestand die het bestaan van het land bedreigt, maatregelen te nemen die afwijken van de uit dit verdrag voortvloeiende verplichtingen, met dien verstande dat de uitoefening van deze bevoegdheid wel met bepaalde waarborgen is omkleed. |
|
55 |
Volgens de bewoordingen van artikel 15, lid 1, EVRM dient deze bevoegdheid namelijk te worden uitgeoefend voor zover de ernst van de situatie dit strikt vereist en op voorwaarde dat de getroffen maatregelen niet in strijd zijn met andere verplichtingen die uit het internationale recht voortvloeien. Bovendien bepaalt artikel 15, lid 2, dat geen enkele afwijking is toegestaan van artikel 2 EVRM, betreffende het recht op leven, behalve ingeval van dood als gevolg van rechtmatige oorlogshandelingen, noch van artikel 3 en artikel 4, lid 1, van dit verdrag, die betrekking hebben op het verbod van foltering en onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, respectievelijk het verbod van slavernij, noch van artikel 7 van dit verdrag, waarin het beginsel „geen straf zonder wet” is verankerd. |
|
56 |
Bovendien kan, zoals de advocaat-generaal in wezen heeft opgemerkt in punt 62 van zijn conclusie, uit de loutere omstandigheid dat een derde land gebruik heeft gemaakt van de in artikel 15 EVRM neergelegde afwijkingsmogelijkheid niet worden afgeleid dat dit derde land daadwerkelijk maatregelen heeft genomen die tot gevolg hebben dat wordt afgeweken van de uit dit verdrag voortvloeiende verplichtingen; evenmin kan hieruit worden afgeleid wat de aard en de omvang van de eventueel genomen afwijkende maatregelen zijn. |
|
57 |
Derhalve kan niet worden geoordeeld dat een derde land niet langer voldoet aan de in punt 52 van dit arrest genoemde criteria om het als veilig land van herkomst in de zin van artikel 37 van richtlijn 2013/32 te kunnen aanmerken, enkel en alleen omdat het gebruik heeft gemaakt van de door artikel 15 EVRM geboden afwijkingsmogelijkheid. |
|
58 |
Zoals de advocaat-generaal in punt 85 van zijn conclusie heeft opgemerkt, moet het inroepen van artikel 15 EVRM door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat die het derde land als veilig land van herkomst heeft aangemerkt, in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van de vraag of een dergelijke aanmerking als veilig land van herkomst, gelet op de voorwaarden waaraan de uitoefening van dit afwijkingsrecht moet voldoen, moet worden gehandhaafd met het oog op de behandeling van verzoeken om internationale bescherming die worden ingediend door uit dit derde land afkomstige verzoekers. |
|
59 |
Artikel 37, lid 2, van richtlijn 2013/32 schrijft namelijk voor dat de lidstaten de situatie in derde landen die als veilige landen van herkomst zijn aangemerkt, regelmatig opnieuw onderzoeken. De Uniewetgever heeft de lidstaten aldus willen verplichten om rekening te houden met het feit dat de omstandigheden waarin de veiligheid van personen die om internationale bescherming verzoeken in een bepaald land van herkomst kan worden verondersteld, naar hun aard onderhevig zijn aan verandering. |
|
60 |
Dit vereiste van een regelmatig onderzoek strekt zich derhalve ook uit tot het intreden van ingrijpende gebeurtenissen, omdat deze gebeurtenissen wegens het belang ervan de mogelijkheid voor een als veilig land van herkomst aangemerkt derde land kunnen aantasten om te blijven voldoen aan de daartoe in bijlage I geformuleerde criteria en daarmee het vermoeden te wettigen dat het de veiligheid van asielzoekers kan garanderen. |
|
61 |
Het inroepen van de afwijkingsmogelijkheid waarin artikel 15 EVRM voorziet, vormt een dergelijke gebeurtenis. Zoals de advocaat-generaal in punt 67 van zijn conclusie namelijk in wezen heeft opgemerkt, verzetten maatregelen die in strijd zijn met voornoemd artikel 15, lid 2, doordat zij onder meer afwijken van het in artikel 3 van dit verdrag neergelegde verbod op onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen zich er naar hun aard weliswaar tegen dat een derde land wordt aangemerkt als veilig land van herkomst, doch kan niet worden uitgesloten dat afwijkende maatregelen die afbreuk doen aan andere grondrechten dan die welke krachtens artikel 15, lid 2, van het toepassingsgebied van die afwijkingsmogelijkheid zijn uitgesloten, eveneens onverenigbaar kunnen zijn met de criteria die in bijlage I bij richtlijn 2013/32 zijn vastgesteld om een derde land als veilig land van herkomst te kunnen aanmerken. Bovendien brengt het inroepen van deze afwijkingsmogelijkheid hoe dan ook een aanzienlijk risico aan het licht dat de manier waarop de voorschriften op het gebied van rechten en vrijheden in het betrokken derde land worden toegepast, ingrijpende wijzigingen zal ondergaan. |
|
62 |
Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 37 van richtlijn 2013/32, gelezen in samenhang met bijlage I bij deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat een derde land niet ophoudt te voldoen aan de criteria om als veilig land van herkomst te kunnen worden aangemerkt enkel en alleen omdat het zich beroept op het in artikel 15 EVRM neergelegde recht om af te wijken van de uit dit verdrag voortvloeiende verplichtingen, met dien verstande dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat die dit land als zodanig heeft aangemerkt, dienen te beoordelen of de voorwaarden waaronder dit recht is uitgeoefend van dien aard zijn dat deze aanmerking in twijfel kan worden getrokken. |
Tweede vraag
|
63 |
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 37 van richtlijn 2013/32 aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een derde land kan worden aangemerkt als veilig land van herkomst, met uitzondering van bepaalde delen van zijn grondgebied. |
|
64 |
Aangezien de Tsjechische Republiek de Republiek Moldavië als veilig land van herkomst heeft aangemerkt met uitzondering van Transnistrië, vraagt deze rechter zich namelijk af of een dergelijke gedeeltelijke aanmerking wel strookt met die richtlijn. |
|
65 |
Volgens vaste rechtspraak moet bij de uitlegging van een bepaling van het Unierecht niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan deze bepaling deel uitmaakt en, in voorkomend geval, de ontstaansgeschiedenis ervan (arrest van 14 mei 2020, Országos Idegenrendészeti Főigazgatóság Dél-alföldi Regionális Igazgatóság, C‑924/19 PPU en C‑925/19 PPU, EU:C:2020:367, punt 113 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
66 |
Wat in de eerste plaats de bewoordingen van artikel 37 van richtlijn 2013/32 betreft, dat volgens het opschrift ervan betrekking heeft op de aanmerking, door een lidstaat, van derde landen als veilig land van herkomst, zij erop gewezen dat daarin herhaaldelijk wordt verwezen naar de begrippen „land” en „derde land”, zonder enige aanduiding dat deze begrippen in het kader van die aanmerking geacht kunnen worden betrekking te hebben op slechts een deel van het grondgebied van het betrokken derde land. |
|
67 |
Wat in de tweede plaats de context van artikel 37 van deze richtlijn betreft, blijkt ten eerste uit dit artikel dat de lidstaten overeenkomstig bijlage I bij deze richtlijn veilige landen van herkomst kunnen aanmerken. Uit de in deze bijlage opgesomde criteria kunnen echter, net zomin als uit de bewoordingen van artikel 37, aanwijzingen worden geput aangaande de vraag of het de lidstaten vrijstaat slechts het deel van het grondgebied van het betrokken derde land waarin aan deze criteria wordt voldaan, aan te merken als veilig land van herkomst. |
|
68 |
Integendeel, volgens de bewoordingen van deze bijlage hangt de aanmerking van een land als veilig land van herkomst, zoals in punt 52 van het onderhavige arrest in herinnering is geroepen, ervan af of kan worden aangetoond dat er algemeen gezien en op duurzame wijze geen sprake is van vervolging in de zin van artikel 9 van richtlijn 2011/95, noch van foltering of onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, noch van bedreiging door willekeurig geweld in het kader van een internationaal of intern gewapend conflict. |
|
69 |
Zoals de advocaat-generaal in de punten 92 en 93 van zijn conclusie heeft opgemerkt, lijkt het gebruik van de bewoordingen „algemeen gezien en op duurzame wijze” erop te duiden dat, bij gebreke van elke verwijzing in bijlage I bij richtlijn 2013/32 of artikel 37 van deze richtlijn naar een deel van het grondgebied van het betrokken derde land, op het gehele grondgebied van het desbetreffende land aan de voorwaarden van deze bijlage moet zijn voldaan om als veilig land van herkomst te kunnen worden aangemerkt. |
|
70 |
Ten tweede biedt de aanmerking, door een lidstaat, van derde landen als veilige landen van herkomst de mogelijkheid om verzoeken om internationale bescherming van uit deze derde landen afkomstige aanvragers te onderwerpen aan een bijzondere behandelingsregeling die derogerend van aard is, zoals in de punten 47 tot en met 50 van dit arrest is uiteengezet. |
|
71 |
Indien artikel 37 van richtlijn 2013/32 aldus werd uitgelegd dat het de mogelijkheid biedt om derde landen als veilige landen van herkomst aan te merken met uitzondering van bepaalde delen van hun grondgebied, zou dit tot een verruiming van de werkingssfeer van deze bijzondere behandelingsregeling leiden. Aangezien de bewoordingen van artikel 37 of, meer algemeen, van die richtlijn geen steun bieden voor een dergelijke uitlegging, zou de erkenning van een dergelijke mogelijkheid voorbijgaan aan de strikte uitlegging die aan afwijkende bepalingen moet worden gegeven [zie in die zin arresten van 5 maart 2015, Commissie/Luxemburg, C‑502/13, EU:C:2015:143, punt 61, en 8 februari 2024, Bondsrepubliek Duitsland (Ontvankelijkheid van een volgend verzoek), C‑216/22, EU:C:2024:122, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. |
|
72 |
In de derde plaats bevestigt ook de ontstaansgeschiedenis van artikel 37 dat dit artikel van richtlijn 2013/32 aldus moet worden uitgelegd dat het de lidstaten niet is toegestaan om een derde land als veilig land van herkomst aan te merken met uitzondering van bepaalde delen van zijn grondgebied. In dit verband zij erop gewezen dat de lidstaten hun bevoegdheid om derde landen met het oog op de behandeling van verzoeken om internationale bescherming als veilige landen van herkomst aan te merken, vóór de inwerkingtreding van richtlijn 2013/32 aan richtlijn 2005/85 en meer in het bijzonder aan artikel 30 van die richtlijn ontleenden. |
|
73 |
Dit artikel 30 bepaalde uitdrukkelijk dat de lidstaten ook een deel van het grondgebied van een derde land als veilig konden aanmerken, indien voor dat deel de voorwaarden van bijlage II bij richtlijn 2005/85 waren vervuld, welke voorwaarden in wezen overeenkomen met die van bijlage I bij richtlijn 2013/32. Hoewel bijlage II bij richtlijn 2005/85, evenals bijlage I bij richtlijn 2013/32, het bewijs verlangde dat er „algemeen gezien en op duurzame wijze” geen sprake was van vervolging, volgde uit de bewoordingen zelve van dit artikel 30 dat dit vereiste in geval van een dergelijke gedeeltelijke aanmerking enkel gold voor het als veilig aangemerkte deel van het grondgebied. |
|
74 |
Richtlijn 2005/85 is ingetrokken overeenkomstig de bepalingen van artikel 53 van richtlijn 2013/32. Zoals uit de concordantietabel in bijlage III bij richtlijn 2013/32 blijkt, is voornoemd artikel 30 daarbij vervangen door artikel 37 van laatstgenoemde richtlijn. De bevoegdheid om een deel van het grondgebied van een derde land als veilig aan te merken is daarin niet langer opgenomen. |
|
75 |
De bedoeling om deze bevoegdheid te schrappen blijkt uit de wijzigingstekst zelf van artikel 30, lid 1, van richtlijn 2005/85, zoals opgenomen in het voorstel van de Commissie voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de verlening of intrekking van internationale bescherming [COM(2009) 554 definitief, blz. 60]. Deze bevoegdheid is daar in het merendeel van de taalversies uitdrukkelijk doorgehaald en in andere versies geschrapt. |
|
76 |
Bovendien wordt deze bedoeling ook bevestigd door de uitvoerige toelichting op dit voorstel [COM(2009) 554 definitief, bijlage, 14959/09 ADD 1, blz. 15] die door de Commissie aan de Raad van de Europese Unie was verstrekt. In deze toelichting wordt uitdrukkelijk gewag gemaakt van de wil om de bevoegdheid van de lidstaten om het begrip „veilig land van herkomst” op een deel van een derde land toe te passen, te schrappen, en van de consequentie daarvan, namelijk dat voortaan wordt vereist dat het gehele grondgebied van het betrokken derde land voldoet aan de materiële voorwaarden voor een dergelijke aanmerking. |
|
77 |
In de vierde en laatste plaats staan de doelstellingen van richtlijn 2013/32 niet in de weg aan een dergelijke consequentie, zodat zij zich evenmin ertegen verzetten dat artikel 37 van deze richtlijn aldus wordt uitgelegd dat de lidstaten een derde land niet als veilig land van herkomst mogen aanmerken indien bepaalde delen van het grondgebied van dat land niet voldoen aan de daartoe in bijlage I bij deze richtlijn gestelde materiële voorwaarden. |
|
78 |
In dit verband moet erop worden gewezen dat richtlijn 2013/32, afgezien van het feit dat deze de algemene doelstelling nastreeft om gemeenschappelijke procedurevoorschriften op te stellen, er meer in het bijzonder naar streeft dat „zo spoedig mogelijk een beslissing wordt genomen [inzake verzoeken om internationale bescherming], onverminderd het uitvoeren van een behoorlijke en volledige behandeling”, zoals met name uit overweging 18 ervan blijkt (arrest van 25 juli 2018, Alheto, C‑585/16, EU:C:2018:584, punt 109). |
|
79 |
Tegen deze achtergrond kan in overweging 20 van deze richtlijn worden gelezen dat in welbepaalde omstandigheden, wanneer bijvoorbeeld een verzoek waarschijnlijk ongegrond is, de lidstaten de behandelingsprocedure moeten kunnen versnellen, in het bijzonder door voor bepaalde procedurestappen kortere maar redelijke termijnen in te voeren, onverminderd het uitvoeren van een behoorlijke en volledige behandeling en onverminderd daadwerkelijke toegang tot de basisbeginselen en waarborgen voor de verzoeker waarin deze richtlijn voorziet. |
|
80 |
Zoals in de punten 47 tot en met 50 van dit arrest is uiteengezet, kan een lidstaat verzoeken om internationale bescherming die zijn ingediend door verzoekers uit een derde land dat door die lidstaat als veilig land van herkomst is aangemerkt, onderwerpen aan een bijzondere behandelingsregeling, die berust op een vorm van weerlegbaar vermoeden van afdoende bescherming in het land van herkomst, waardoor het onder meer mogelijk is de behandelingsprocedure van dergelijke verzoeken te versnellen. |
|
81 |
Aangezien richtlijn 2013/32, zoals in punt 78 van dit arrest is opgemerkt, een snelle en volledige behandeling van verzoeken om internationale bescherming beoogt te waarborgen, staat het aan de Uniewetgever om, bij de uitoefening van zijn beoordelingsbevoegdheid in het kader van de vaststelling van gemeenschappelijke procedures voor de verlening en intrekking van internationale bescherming, deze twee doelstellingen tegen elkaar af te wegen wanneer hij bepaalt onder welke voorwaarden de lidstaten een derde land als veilig land van herkomst kunnen aanmerken. Indien deze wetgever in het kader van richtlijn 2013/32 niet heeft voorzien in de mogelijkheid voor de lidstaten om, met het oog op een dergelijke aanmerking, een deel van het grondgebied van een derde land uit te sluiten, weerspiegelt dit dan ook deze belangenafweging en getuigt het van diens voorkeur voor een volledig onderzoek van verzoeken om internationale bescherming die worden ingediend door verzoekers wier land van herkomst niet op het gehele grondgebied ervan voldoet aan de materiële voorwaarden van bijlage I bij deze richtlijn. |
|
82 |
Als artikel 61, lid 2, van verordening 2024/1348, waarbij richtlijn 2013/32 met ingang van 12 juni 2026 wordt ingetrokken, een dergelijke bevoegdheid opnieuw invoert door te bepalen dat bij de aanwijzing op zowel het niveau van de Unie als nationaal niveau van een derde land als veilig land van herkomst uitzonderingen kunnen worden gemaakt voor specifieke delen van het grondgebied van dat land, is dat een prerogatief van de Uniewetgever, die op die keuze mag terugkomen door een hernieuwde belangenafweging te maken, mits daarbij de vereisten die met name uit het Verdrag van Genève en het Handvest voortvloeien, in acht worden genomen. Daarnaast moet worden vastgesteld dat de omstandigheid dat de daartoe bij deze verordening ingevoerde rechtsregeling verschilt van die van richtlijn 2005/85, de uitlegging bevestigt dat de Uniewetgever deze bevoegdheid niet in richtlijn 2013/32 heeft voorzien. |
|
83 |
Gelet op de voorgaande overwegingen moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 37 van richtlijn 2013/32 aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan de mogelijkheid om een derde land als veilig land van herkomst aan te merken wanneer bepaalde delen van het grondgebied van dat land niet voldoen aan de daartoe in bijlage I bij deze richtlijn gestelde materiële voorwaarden. |
Derde vraag
|
84 |
Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat wanneer bij een rechterlijke instantie een rechtsmiddel wordt ingesteld tegen een beslissing tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming dat is onderzocht in het kader van de bijzondere regeling voor verzoeken van verzoekers uit derde landen die overeenkomstig artikel 37 van deze richtlijn als veilige landen van herkomst zijn aangemerkt, deze rechterlijke instantie verplicht is om er in het kader van het door artikel 46, lid 3, vereiste volledige en ex-nunconderzoek rekening mee te houden dat de materiële voorwaarden die bijlage I bij deze richtlijn aan een dergelijke aanmerking stelt, niet zijn vervuld, ook wanneer zulks niet uitdrukkelijk tot staving van het beroep is aangevoerd. |
|
85 |
Overeenkomstig het opschrift ervan heeft artikel 46 van richtlijn 2013/32 betrekking op het recht van verzoekers om internationale bescherming op een daadwerkelijk rechtsmiddel. In artikel 46, lid 1, wordt aan deze verzoekers een dergelijk recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel toegekend tegen beslissingen inzake hun verzoek om internationale bescherming. Artikel 46, lid 3, bakent de omvang van het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel in die zin af dat de lidstaten die aan deze richtlijn zijn gebonden, ervoor moeten zorgen dat de rechterlijke instantie waarvoor tegen de beslissing inzake het verzoek om internationale bescherming wordt opgekomen, een „volledig en ex-nunconderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden [uitvoert], met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig richtlijn [2011/95]” (zie in die zin arrest van 29 juli 2019, Torubarov, C‑556/17, EU:C:2019:626, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
86 |
Verder zij eraan herinnerd dat volgens de rechtspraak van het Hof de kenmerken van het in artikel 46 van richtlijn 2013/32 bedoelde rechtsmiddel moeten worden bepaald in overeenstemming met artikel 47 van het Handvest, dat een herbevestiging van het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming vormt. Artikel 47 van het Handvest volstaat op zichzelf en hoeft niet te worden verduidelijkt door bepalingen van Unierecht of van nationaal recht, om particulieren een als zodanig inroepbaar recht te verlenen. Bijgevolg kan dit niet anders liggen voor artikel 46, lid 3, van deze richtlijn, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest (zie in die zin arrest van 29 juli 2019, Torubarov, C‑556/17, EU:C:2019:626, punten 55 en 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
87 |
Vanuit deze optiek heeft het Hof met betrekking tot de omvang van het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel, zoals omschreven in dit artikel 46, lid 3, geoordeeld dat de bewoordingen „[ervoor] zorgen […] dat een daadwerkelijk rechtsmiddel een volledig en ex-nunconderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden omvat”, aldus moeten worden uitgelegd dat de lidstaten krachtens deze bepaling verplicht zijn hun nationale recht zodanig in te richten dat de behandeling van de bedoelde beroepen een onderzoek, door de rechter, omvat van alle elementen feitelijk en rechtens aan de hand waarvan hij een geactualiseerde beoordeling van het specifieke geval kan maken (zie in die zin arrest van 25 juli 2018, Alheto, C‑585/16, EU:C:2018:584, punt 110). |
|
88 |
In dit verband zij allereerst opgemerkt dat de term „ex nunc” de verplichting van de rechter benadrukt om een beoordeling te maken die in voorkomend geval rekening houdt met nieuwe elementen die aan het licht zijn gekomen nadat de aangevochten beslissing is vastgesteld. Bij een dergelijke beoordeling kan het verzoek om internationale bescherming namelijk uitputtend worden behandeld zonder dat het dossier naar de beslissingsautoriteit hoeft te worden terugverwezen. De bevoegdheid die de rechter daarmee krijgt om rekening te houden met nieuwe elementen waarover deze autoriteit geen uitspraak heeft gedaan ligt in lijn met de doelstelling van richtlijn 2013/32, zoals in herinnering is gebracht in punt 78 van het onderhavige arrest (arrest van 25 juli 2018, Alheto, C‑585/16, EU:C:2018:584, punten 111 en 112). |
|
89 |
Voorts bevestigt het woord „volledig” in artikel 46, lid 3, van deze richtlijn dat de rechter zowel de elementen moet onderzoeken waarmee de beslissingsautoriteit rekening heeft gehouden of had kunnen houden, als die welke zich hebben aangediend nadat deze autoriteit de beslissing heeft vastgesteld (arrest van 25 juli 2018, Alheto, C‑585/16, EU:C:2018:584, punt 113). |
|
90 |
Ten slotte wijzen de woorden „indien van toepassing”, die zijn opgenomen in de zinsnede „met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig richtlijn [2011/95]”, op het feit dat het volledige en ex-nunconderzoek dat de rechter moet uitvoeren niet noodzakelijkerwijs betrekking hoeft te hebben op het onderzoek ten gronde van de behoeften aan internationale bescherming en dat dit dus betrekking kan hebben op de procedurele aspecten van een verzoek om internationale bescherming (zie in die zin arrest van 25 juli 2018, Alheto, C‑585/16, EU:C:2018:584, punt 115). |
|
91 |
De aanmerking van een derde land als veilig land van herkomst behoort tot deze procedurele aspecten van verzoeken om internationale bescherming, aangezien een dergelijke aanmerking, gelet op de overwegingen in de punten 48 tot en met 50 van dit arrest, gevolgen heeft voor de behandelingsprocedure van dergelijke verzoeken. |
|
92 |
Zoals bovendien in punt 46 van dit arrest is aangegeven, verwijt verzoeker in het hoofdgeding de autoriteit waarvan de afwijzende beslissing afkomstig is dat zij – in weerwil van het feit dat hij heeft uiteengezet aan welke bedreigingen hij in Moldavië blootstond en dat hij heeft verklaard niet naar zijn regio van herkomst te willen terugkeren wegens de invasie van Oekraïne door de Russische Federatie – haar beslissing enkel heeft gebaseerd op het feit dat hij afkomstig is uit Moldavië, welk derde land, met uitzondering van Transnistrië, door de Tsjechische Republiek als veilig land van herkomst is aangemerkt. |
|
93 |
De aanmerking van dit derde land als veilig land van herkomst vormt dus een van de elementen van de zaak die ter kennis van de verwijzende rechter zijn gebracht en die deze rechter in het kader van het beroep tegen deze beslissing dient te onderzoeken. |
|
94 |
Hieruit moet worden geconcludeerd dat in dergelijke omstandigheden, zelfs indien verzoeker in het hoofdgeding zich niet uitdrukkelijk als zodanig heeft beroepen op de eventuele niet-inachtneming van de voorschriften waarin richtlijn 2013/32 met het oog op een dergelijke aanmerking voorziet om een verzoek om internationale bescherming van een uit dat derde land afkomstige verzoeker te kunnen behandelen volgens de bijzondere regeling die voortvloeit uit de aanmerking van dat land als veilig land van herkomst, deze eventuele niet-inachtneming een juridische grond is die de verwijzende rechter in het kader van het door artikel 46, lid 3, van deze richtlijn voorgeschreven volledige en ex-nunconderzoek dient te onderzoeken. |
|
95 |
De afwijzende beslissing is namelijk uitsluitend gebaseerd op het feit dat verzoeker in het hoofdgeding afkomstig is uit Moldavië en dat dit derde land als veilig land van herkomst moet worden beschouwd. Derhalve moet worden geoordeeld dat het beroep dat verzoeker in het hoofdgeding tegen deze beslissing heeft ingesteld, noodzakelijkerwijs gericht is tegen het beslissende element van deze afwijzende beslissing, die is gebaseerd op de aanmerking van dit derde land als veilig land van herkomst. Dit betekent dat de rechter die bevoegd is om over het beroep te oordelen, krachtens artikel 46, lid 3, verplicht is om in het kader van dit beroep de rechtmatigheid van die aanmerking te onderzoeken. |
|
96 |
Gelet met name op de vragen die de verwijzende rechter met het oog op de beslechting van het bij hem aanhangige geding stelt – zoals uiteengezet in de punten 38 tot en met 40 van het onderhavige arrest –, moet de beoordeling die deze rechter in het kader van het door artikel 46, lid 3, vereiste volledige en ex-nunconderzoek en op basis van de gegevens van het dossier dient te verrichten, ten eerste betrekking hebben op het feit dat artikel 15 EVRM is ingeroepen, voor zover de ter zake bevoegde autoriteiten niet in staat zijn geweest om zich te vergewissen van de impact van een dergelijke ingrijpende gebeurtenis op de vraag of het als veilig land van herkomst aangemerkte derde land de desbetreffende criteria van richtlijn 2013/32 nog steeds kan vervullen. Ten tweede dient deze beoordeling zich uit te strekken tot de omstandigheid dat niet is voldaan aan de uit de bepalingen van deze richtlijn voortvloeiende voorwaarde dat de aanmerking van een derde land als veilig land van herkomst voor het gehele grondgebied van dat land moet gelden. |
|
97 |
Bovendien heeft het Hof reeds gepreciseerd dat wanneer een onderdaan van een derde land voldoet aan de in deze richtlijn geformuleerde voorwaarden voor toekenning van internationale bescherming, de lidstaten in beginsel de gevraagde status moeten toekennen zonder dat zij daarbij over een discretionaire bevoegdheid beschikken (zie in die zin arrest van 29 juli 2019, Torubarov, C‑556/17, EU:C:2019:626, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
98 |
Uit de voorgaande overwegingen volgt dat op de derde vraag moet worden geantwoord dat artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat wanneer bij een rechterlijke instantie beroep wordt ingesteld tegen een beslissing tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming dat is onderzocht in het kader van de bijzondere regeling voor verzoeken van verzoekers die afkomstig zijn uit derde landen die overeenkomstig artikel 37 van richtlijn 2013/32 als veilige landen van herkomst zijn aangemerkt, deze rechterlijke instantie er in het kader van het krachtens artikel 46, lid 3, vereiste volledige en ex-nunconderzoek, op basis van de elementen van het dossier en de elementen die haar in de loop van het geding ter ore zijn gekomen, rekening mee moet houden dat de in bijlage I bij die richtlijn geformuleerde materiële voorwaarden voor een dergelijke aanmerking niet zijn vervuld, ook wanneer dit niet uitdrukkelijk tot staving van dit beroep is aangevoerd. |
Kosten
|
99 |
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. |
|
Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht: |
|
|
|
|
ondertekeningen |
( *1 ) Procestaal: Tsjechisch.